Читать книгу: «Van den Vos Reynaerde»
Anoniem
Van den Vos Reynaerde

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066400903
Inhoudsopgave
Voorbericht
Handschrift A
Handschrift E
Handschrift F

Dyckse handschrift F
Voorbericht
Inhoudsopgave
In 1903 verscheen in de Zwolsche Herdrukken een uitgave Van den Vos Reynaerde, naar het Comburgse handschrift uitgegeven door F. Buitenrust Hettema en J. W. Muller.
Bij deze nieuwe herdruk, nu alleen door mij bezorgd, wordt aan een daar gegeven belofte voldaan en ook het Darmstadtse fragment (E) hier herdrukt; daarenboven was Dr. Degering, de vinder zelf van “het Dyckse handschrift (F)”, zo welwillend dit, op nieuw herzien, hier uit te geven.
Het Comburgse handschrift en het Darmstadtse fragment zijn nauwkeurig vergeleken, afgedrukt. Alleen zijn klaarblijkelike verschrijvingen of vergissingen in A verbeterd, om de lezer daarmee niet te vermoeien; overigens bleef de hs-tekst onveranderd, “ook al konden we voorshands niet verklaren noch aanwijzen hoe de eventueele fout te herstellen was.” Evenmin is in het rijm, de maat of de grammatiese vormen gewijzigd.
Waar in het hs. een rode hoofdletter staat, springt in deze uitgave de regel met een dubbel “blok” in; waar een rubricatie voor de “rooilijn” staat, met een enkel. Verder zijn afgekorte woorden met cursieve letters voluit geschreven, gescheiden leden van een eigenlike samenstelling door het teken (-) verbonden, eigennamen met hoofdletters gedrukt, en leestekens—zo schaars mogelik, alleen zover strikt nodig voor het gemakkelik lezen—aangebracht. Over een en ander, alsook over het hs. zelf, is meer te vinden in mijn Inleiding1, bladzijde CXXXVIII.
Omtrent biezonderheden van het Darmstadtse fragment verwijs ik naar de eerste uitgave van Martin, in Quellen und Forschungen LXV (1889).
Waar het een Middelnéderlandse tekst gold, heeft Dr. Degering ter wille van de gelijkvormigheid in de gehele uitgave, goedgevonden dat zijn in het Duits geschreven Voorbericht, en noten, in ’t Nederlands zijn omgewerkt, en in vereenvoudigde spelling gedrukt.
Bijgevoegd zijn er twee fotogravures—geen facsimilé’s—van hs. A; een van fragment E, en een van hs. F, fo. 105 v. de onderhelft.
De weetgierige lezer, die zien wil wat van onze Reynaert I, en hoe dit bewaard is, vindt hier nu alle teksten bijeen.
Zwolle, Mid-winter 1920. B. H.
1 Om geen traditie te laten ontstaan, vermeld ik hier ter loops dat Muller (Critische Commentaar op Van den Vos Reinaerde 1917) en Verdam (aankondiging in het Museum 1910) berichten hoe door mij moedwillig de “betere lezingen” van hs. (f) zijn verzwegen in mijn Inleiding en Aantekeningen. Blijkbaar is hun beiden, onopzettelik, ontgaan dat de uitgave van Degering van 1910 is, en mijn Inleiding en Aantekeningen gezet zijn in 1909, en geheel afgedrukt waren in Des. 1909,—zoals op blz. XI is vermeld; en CXXXIV: “van dit hs. is nog geen uitgave, alleen enige proeven zijn gepubliceerd.”—Ik heb alleen gebruik kunnen maken van “stichproben”, door Dr. Muller in de Vla. Acad. meegedeeld.
Bij deze afdruk van het Dyck’se Handschrift (F.) ben ik nog conservatiever te werk gegaan, overeenkomstig het plan van deze uitgave, als in de eerste druk, Munster 1910; alleen is de tekst gewijzigd waar mij toeleek duidelik een schrijffout te wezen; andere onjuistheden, die ten dele ook komen door het “rhapsodiese” van het werk, of opzettelike wijzigingen, of orthografiese biezonderheden, die volgens mijn opvatting de oostelike (nederrijnse) afschrijver te laste komen (vs 1290 hiep; vs 2330 listinge; vs 3167 balsch)—heb ik ongewijzigd gelaten: in de noten is er hoogstens dan op gewezen indien uit de eigenaardigheid er van iets op te maken viel voor de te veronderstellen tekst van Willems origineel.
Ook het uiterlik stemt overeen met de wijze waarop de medeuitgever hs. A en E heeft bewerkt.
Overigens verwijs ik omtrent inhoud, schrift, ouderdom en geschiedenis van het hs. naar de voorrede van de eerste uitgave; waar ik na nogmaals nauwkeurig nagaan, niets heb bijtevoegen of ook te wijzigen vind.
Met enige voldoening meen ik te mogen constateren dat mijn opvatting omtrent de verhouding van de dichters Aernout en Willem, tegenover Muller en Franck, ingang begint te vinden. Wie evenwel deze mening deelt, moet, zo hij consequent wil blijven, aannemen dat aan de reconstructie van de R. zoals Willem hem vervaardigde—als men ten minste een dergelijke opgave zonder onoplosbare vragen over te laten, mogelik acht,—het Dyckse handschrift en niet het Comburgse tot grondslag moet gelegd worden. Muller’s critiese uitgave zal dan wel niet meer op zijn instemming kunnen rekenen.
Berlijn, 1920. Degering.
Van den Vos Reynaerde.
Handschrift A
Inhoudsopgave
VVillem, die Madoc1 maecte, (fo. 192c i.m.)
Daer hi dicken omme waecte,
Hem vernoyde so haerde
Dat die auonture van Reynaerde
5In dietsche onghemaket bleuen
(Die Willem niet heuet vulscreuen),
Dat hi die vijte van Reynaerde dede2 soucken
Ende hise na den walschen boucken
In dietsche dus heuet begonnen.
10God moete ons ziere hulpen jonnen!
Nu keert hem daer toe mijn zin
Dat ic bidde in dit beghin
Beede den dorpren enten doren,
Ofte si commen daer si horen
15Dese rijme ende dese woort
(Die hem onnutte sijn ghehoort),
Dat sise laten onbescauen:
Te vele slachten si den rauen
Die emmer es al euen malsch.
20Si maken sulke rijme valsch,
Daer si niet meer of ne weten (fo. 192d)
Dan ic doe hoe datsi heeten
Die nu in Babilonien leuen.
Daden si wel, si soudens begheuen.
25Dat en segghic niet dor minen wille:
Mijns dichtens ware een ghestille,
Ne hads mi eene niet ghebeden
Die in groeter houesscheden
Gherne keert hare saken.
30Soe bat mi dat ic soude maken
Dese auontuere van Reynaerde.
Al begripic die grongaerde
Ende die dorpren ende die doren,
Ic wille dat die ghene horen
35Die gherne pleghen der eeren
Ende haren zin daer toe keeren
Datsi leuen hoofschelike,
Sijn si arem, sijn si rike,
Diet verstaen met goeden sinne.
40Nu hoert hoe ic hier beghinne.
Het was in eenen tsinxen daghe,
Dat beede bosch ende haghe
Met groenen loueren waren beuaen.
Nobel die coninc hadde ghedaen
45Sijn hof crayeren ouer al
Dat hi waende, hadde hijs gheual,
Houden ten wel groeten loue.
Doe quamen tes sconinx houe
Alle die diere, groet ende cleene,
50Sonder vos Reynaert alleene.
Hi hadde te houe so vele mesdaen
Dat hire niet dorste gaen:
Die hem besculdich kent, ontsiet.
Also was Reynaerde ghesciet,
55Ende hier omme scuwedi sconinx hof
Daer hi in hadde crancken lof.
Doe al dat hof versamet was,
Was daer niemen sonder die das,
Hine hadde te claghene ouer Reynaerde,
60Den fellen metten grijsen baerde.
Nv gaet hier vp eene claghe.
Isingrijn ende sine maghe
Ghinghen voer den coninc staen. (fo. 193a)
Ysengrijn begonste saen
65Ende sprac: ‘coninc heere,
Dor hu edelheit ende dor hu eere
Ende dor recht ende dor ghenade
Ontfaerme hu miere scade
Die mi Reynaert heeft ghedaen,
70Daer ic af dicken hebbe ontfaen
Groeten lachter ende verlies.
Voer al dandre ontfaerme hu dies
Dat hi mijn wijf heuet verhoert,
Ende mine kindre so mesvoert
75Dat hise beseekede daer si laghen,
Datter twee noint ne saghen
Ende si worden staer-blent.
Nochtan hoendi mi sent:
Het was sint so verre comen
80Datter eenen dach af was ghenomen,
Ende Reynaerd soude hebben ghedaen
Sine onsculde, ende also saen
Alse die heleghe waren brocht,
Was hi ander-sins bedocht
85Ende ontfoer ons in sine veste.
Heere, dit kennen noch die beste
Die te houe zijn commen hier.
Mi heuet Reynaert, dat felle dier,
So vele te leede ghedaen,
90Ic weet wel al sonder waen,
Al ware al tlaken paerkement
Datmen maket nu te Ghent,
In ne ghescreeft niet daer an.
Dies zwijghic3 nochtan,
95Ne ware mijns wiues lachter
Ne mach niet bliuen achter
No onversweghen no onghewroken.’
Doe Ysengrijn dit hadde ghesproken,
Stont vp een hondekijn, hiet Cortoys,
100Ende claghede den coninc in francsoys
Hoet so arem was wijlen eere,
Dat alles goeds en hadde meere
In eenen winter, in eene vorst,
Dan alleene eene worst,
105Ende hem Reynaert, die felle man, (fo. 193b)
Die selue worst stal ende nam.
Tybeert die cater die wart gram.
Aldus hi sine tale began
Ende spranc midden in den rinc
110Ende seide: ‘heere coninc,
Dor dat ghi Reynaerde zijt onhout,
So en es hier ionc no hout,
Hine hebbe te wroughene ieghen hu.
Dat Cortoys claghet nu
115Dats ouer menich iaer ghesciet.
Die worst was mine, al en claghic niet.
Ic hadse bi miere lust ghewonnen,
Daer ic bi nachte quam gheronnen
Omme beiach in eene molen,
120Daer ic die worst in hadde ghestolen
Eenen slapenden molen-man.
Hadder Cortoys yewet an,
Dan was bi niemene dan bi mi.
Hets recht dat omberecht zi
125Die claghe die Cortoys doet.’
Pancer de beuer sprac: ‘dinct hu goet,
Tybeert, datmen die claghe ombeere?
Reynaert es een recht mordeneere
Ende een trekere ende een dief.
130Hine heeft oec niemene so lief,
No den coninc minen heere,
Hine wilde dat hi lijf ende eere
Verlore, mochtire an winnen
Een vet morzeel van eere hinnen.
135VVat sechdi van eere laghe:
En dedi ghistren in den daghe
Eene die meeste ouerdaet
An Cuwaerde den hase die hier staet,
Die noyt eenich dier ghedede?
140Want hi hem binnen sconinx vrede
Ende binnen des coninx gheleede
Ghelouede te leerne sinen crede
Ende soudene maken capelaen.
Doe dedine sitten gaen
145Vaste tusschen sine beene.
Doe begonsten si ouer eene
Spellen ende lesen beede (fo. 193c)
Ende lude te zinghene crede.
Mi gheuiel dat ic te dien tijden
150Ter seluer stede soude lijden.
Doe hoerdic haerre beeder sanc
Ende maecte daer-waert minen ganc
Met eere arde snelre vaerde.
Doe vandic daer meester Reynaerde
155Die ziere lessen hadde begheuen,
Die hi te voren vp hadde gheheuen,
Ende diende van sinen houden spelen
Ende hadde Coewaerde bi der kelen
Ende soude hem thoeft af hebben ghenomen,
160Waer ic hem niet te hulpen comen
Bi auontueren in dien stonden.
Siet hier noch die verssche wonden
Ende die teekine, heere coninc,
Die Coewaert van hem ontfinc.
165Laetti dit bliuen onghewroken
Dat hu verde dus es te-broken,
Ghine wreket als huwe mannen wijsen,
Men saelt huwen kindren mesprijsen
Hier-naer ouer wel menich iaer.’
170‘Bi Gode, Pancer, ghi secht waer,’
Sprac Ysengrijn daer hi stoet,
‘Heere, waer Reynaerd doot, het waer ons goet,
Also behoude mi God mijn leuen!
Ne ware wert hem dit vergheuen,
175Hi sal noch hoenen binnen eere maent
Sulken dies niet ne bewaent.’
Doe spranc vp Grinbert die das,
Die Reynaerts broeder sone was,
Met eere verbolghenlike tale.
180‘Heere Ysengrijn, men weet dat wale
Ende hets een hout bijspel:
‘Viants mont seit selden wel.’
Verstaet, neemt miere talen goem:
Ic wilde, hi hinghe an eenen boem
185Bi ziere kelen als een dief,
Die andren heeft ghedaen meest grief.
Heere Ysengrijn, wildi angaen
Soendinc ende dat ontfaen,
Daer toe willic helpen gherne. (fo. 193d)
190Mijn oem en saelt hem oec niet wernen.
Entie meest andren heeft mesdaen
Sal den andren in baten staen
Van minen oem ende van hu.
Al comt hi niet claghen nu,
195Ware mijn oem wel te houe
Ende stonde in sconinx loue,
Heere Ysengrijn, als ghi doet,
En soude den coninc niet dincken goet
Ende ghine bleues heden onbegrepen
200Dat ghi sijn vel so hebt ghenepen
So dicwile met huwen scerpen tanden,
Dat hi niet ne conde ghehanden.’
Ysengrijn sprac: ‘hebdi gheleert
An huwen oem dus lieghen apeert?’
205‘In hebbe daeran niet gheloghen:
Ghi hebt minen oem bedroghen
Arde dicke in menegher wijsen.
Ghi mesleettene van den pladijse
Die hi hu warp van der kerren,
210Doe ghi hem volghet van verren
Ende ghi die beste pladijse vp laset,
Daer ghi hu ane hadt versadet,
Ghine gaeft hem no goet no quaet,
Sonder alleene eenen pladijsen-graet,
215Dat ghi hem te ieghen brocht
Dor dat ghine niet en mocht.
Sint hoendine van eenen bake
Die vet was ende van goeder smake.
Dien ghi leit in huwen muzeele.
220Doe Reynaert heesschede zijn deele,
Andwoerdi hem in scerne:
‘Hu deel willic hu gheuen gherne,
Reynaert, scone ionghelinc:
Die wisse daer die bake an hinc,
225Becnause, so es so vet.’
Reynaerde waes lettel te bet
Dat hi den goeden bake ghewan
In sulker zorghen, dattene een man
Vinc ende warpene in sínen zac.
230Dese pine ende dit onghemac
Heuet hi leden dor Ysengrijne (fo. 194a)
Ende ondert weruen meer dan ic hu rijme!
Ghi heeren, dinct hu dit ghenouch?
Nochtan om meer ongheuouch
235Dat hi claghet om sijn wijf,
Die Reynaerde heuet al haer lijf
Ghemint, so doet hi hare.
Al ne makeden4 zijt niet mare,
Ic dart wel segghen ouer waer
240Dat langher es dan .vij. iaer
Dat Reynaert heuet hare trauwe.
Om dat Haersint die scone vrauwe
Dor minne ende dor quade zede
Reynaert sinen wille dede:
245Wattan, so was sciere ghenesen!
Wat talen mach daer omme wesen!
Nu maket heere Cuwaert die hase
Eene claghe van eere blase.
Of hi den credo niet wel en las,
250Reynaerd die zijn meester was,
Mochte hi sinen clerc niet blauwen?
Dat ware onrecht, en trauwen!
Cortoys claghet om eene worst
Die hi verloes in eene vorst.
255Die claghe ware bet verholen:
Ende hoerdi datso was ghestolen?
Male quesite male perdite:
Ouer recht5 wert men qualike quite
Datmen heuet qualic ghewonnen.
260Wie sal Reynaerde dat verjonnen,
Of hi ghestolen goet ghinc an?
Niemen die recht versceeden can.
Reynaert es een gherecht man.
Sint dat die coninc sinen ban
265Heuet gheboden ende sinen vrede,
So weetic wel dat hi ne dede
Dinc ne gheene, dan of hi ware
Hermite ofte clusenare.
Naest siere huut draecht hi een hare.
270Binnen desen naesten jare
Sone hat hi vleesch, no wilt no tam:
Dat seidi die ghistren danen quam.
Malcroys heuet hi begheuen, (fo. 194b)
Sinen casteel, ende heuet vp heuen
275Eene cluse daer hi leghet in.
Ander beiach no ander ghewin
So wanic wel dat hine heuet
Dan karitate diemen hem gheuet.
Bleec es hi ende magher van pinen,
280Hongher, dorst, scerpe karijnen
Doghet hi voer sine zonden
Recht te desen seluen stonden.’
Doe Grimbert stont in dese tale,
Saghen si van berghe te dale
285Canticler commen gheuaren,
Ende brochte vp eene bare
Eene doode hinne, ende hiet Coppe,
Die Reynaert hadde bi den croppe
Hoeft ende hals af ghebeten.
290Dit moeste nu de coninc weten.
Canteclere quam voer de bare gaende
Sine vederen zeere slaende.
In weder-zijden van der baren
Ghinc een hane wijde mare.
295Die een hane hiet Cantaert,
Daer wijlen na gheheeten waert
Vrauwe Alenten goeden hane.
Die ander hiet, na minen wane,
Die goede hane Crayant,
300Die scoenste hane diemen vant
Tusschen Portaengen ende Polane.
Elker-lijc van desen hanen
Drouch6 eene berrende stallicht
Dat lanc was ende richt.
305Daer waren Coppen broeders twee,
Die riepen: ‘o wy ende wee.’
Om haerre sustre Coppen doot
Dreuen si claghe ende jammer groot.
Pinte ende Sproete droughen die bare.
310Hem was te moede zware
Van haerre suster die si hadden verloren.
Men mocht arde verre horen
Haerre tweer carminghe.
Dus sijn si commen int ghedinghe.
315Canticler spranc in den rijnc (fo. 194c)
Ende seide: ‘heere coninc,
Dor God ende dor ghenade
Nu ontfaermet miere scaden
Die mi Reynaert heeft ghedaen
320Ende mine kindren,7 die hier staen
Ende seere hebben haren onwille.
Ten in-gane van aprille,
Doe die winter was vergaen
Ende men siet die bloumen staen
325Ouer al die velde groene,
Doe was ic fier ende coene
Van minen groten gheslachte.
Ic hadde jongher zonen achte
Ende jongher dochtren zeuene
330Dien wel lusten te leuene,
Die mi Roede die vroede
Hadde brocht te dien broede.
Si waren alle vet ende staerc
Ende ghinghen in een scone paerc,
335Dat was beloken in eenen muere.
Hier-binnen stoet eene scuere
Daer vele honden toe hoorden,
Datsi menich dier fel scoorden
Dies waren mine kindre onueruaert.
340Dit benijdde dus Reynaert
Dat siere waren so vaste binnen
Dat hire ne gheen conste ghewinnen.
Want Reynaert, die felle ghebuere,
Hoe dicken ghinc hi om den muere,8
345Ende leide om ons sine laghen.
Alsene dan die honde saghen,
Liepen si na met haerre cracht.
Eene waerf wart hi vp de gracht
Bi auontueren daer belopen,
350Dat ic hem sach een deel becoepen
Sine diefte ende sinen roef,
Dat hem die pelse zeere stoef.
Nochtan quam hi bi baraten,
Dattene God moete verwaten!
355Doe waer-wi zijns langhe quijte.
Sint quam hi als een hermijte,
Reynaerd, die mordadeghe dief, (fo. 194d)
Ende brochte mi zeghele ende brief
Te lesene, heere coninc,
360Daer hu seghele ane hinc.
Doe ic die letteren began lesen,
Dochte mi daer an ghescreuen wesen9
Dat ghi haddet coninclike
Ouer alle huwen rike
365Alle dieren gheboden vrede
Ende oec allen voghelen mede.
Oec brochte hi mi ander niemare
Ende seide dat hi ware
Een begheuen clusenare
370Ende hi hadde ghedaen vele zware
Voer sine zonden meneghe pine.
Hi toechde mi palster ende slauine
Die hi brochte van der Elmare,
Daer onder eene scerpe hare.
375Doe sprac hi: ‘heere Cantecleer,
Nu mooghdi wel vor-wert meer
Van mi sonder hoede leuen.
Ic hebbe bi der stole10 vergheuen
Al vleesch ende vleesch-smout,
380Ic bem voert meer so hout,
Ic moet miere zielen telen.
Gode willic hu beuelen.
Ic ga daer ic hebbe te doene.
Ic hebbe middach ende noene
385Ende priemen te segghene van den daghe.
Doe nam hi neuen eere haghe
Sinen wech, te dien ghesceede
Ghinc hi lesen sinen crede.
Ic wart blide ende onueruaert
390Ende ghinc te minen kindren waert,
Ende was so wel al sonder hoede
Dat ic al met minen broede
Sonder zorghe ghinc buten muere.
Daer gheuiel mi quade auontuere,
395Want Reynaert, die felle saghe,
Was ghecropen dor de haghe
Ende hadde ons die porte ondergaen.
Doe wart miere kindre saen
Een ghepronden huten ghetale, (fo. 195a)
400Dat leide Reynaert in sine male.
Quade auontuere mi doe nakede.
Want sint dat hise smakede
In sinen ghiereghen mont,
Ne conste ons wachtre no onse hont
405No bewachten no bescaermen.
Heere, dat laet hu ontfaermen.
Reynaert leide sine laghe
Beede bi nachte ende bi daghe
Ende roefde emmer mine kindre.
410So vele es tghetal nu mindre
Dant ghewone was te zine,
Dat die .xv. kindre mine
Sijn ghedeghen al tote vieren.
So zuuer heefse die onghiere
415Reynaert in sinen mont verslonden.
Noch ghistren wart hem metten honden
Ontjaghet Coppe die mare
Die hier leghet vp dese bare.
Dit claghic hu met groeten zeere:
420Ontfaremt hu mijns, wel soete heere!’
Die coninc sprac: ‘Grimbeert die das,
Hu oem die clusenare was,
Hi heuet ghedaen so goede carine,
Leuic een jaer, het sal hem scinen!
425Nu hoert hier, Canticleer,
Wat sal der talen meer?
Hu dochter leghet al hier versleghen.
God moet haerre zielen pleghen
Wine moghense niet langher houden
430(God moeter al ghewouden)
Ende sullen onse vygelyen zinghen.
Daer na sullen wise bringhen,
Den lichame, ter eerden met eeren.
Dan sullen wi met desen heeren
435Ons beraden ende bespreken
Hoe wi ons best ghewreken
An Reynaerde dese moort.’
Doe hi ghesprac deze woort,
Beual hi ionghe ende houden
440Datsi vygelyen zinghen souden.
Dat hi gheboet was sciere ghedaen. (fo. 195b)
Doe mochtemen horen ane slaen
Ende beghinnen harde ho
Dat placebo domino
445Ende die verse die daer toe horen.
Ic seit oec in waren worden,
Ne ware oec tware11 ons te lanc,
Wie daer der zielen vers zanc
Ende wie die zielen-lesse las.
450Doe die vygelyen ghehent was,
Doe leidemen Coppen in dat graf
Dat bi engiene ghemaect was
Onder die linde in een gras,
Van maerber-steene slecht12 was
455Die saerc die daer vp lach.
Die letteren, diemen daer an sach,13
Deden14 an tgraf bekinnen
Wie daer lach begrauen binnen.
Dus spraken die bouc-staue
460An den zaerc vp den graue:
‘Hier leghet Coppe begrauen
Die so wale conste scrauen,
Die Reynaert die vos verbeet
Ende haren gheslachte was te wreet’.
465Nv leghet Coppe onder mouden.
Die coninc sprac tsinen houden
Datsi hem alle bespraken
Hoe si alre best ghewraken
Dese groete ouerdade.
470Doe waren si alle te rade
Datsi daer den coninc rieden
Dat hine dan soude ombieden
Dat hi te houe soude comen,
No dor scaden no dor vromen
475Ne lette, hine quame int ghedinghe,
Ende men Brune van dien dinghe
Die bodscap soude laden.
Dies was die coninc sciere beraden
Dat hi dus sprac te Bruun den beere:
480Heere Bruun, dit segghic voer dit heere
Dat ghi dese bodscap doet.
Oec biddic hu dat ghi zijt vroet,
Dat ghi hu wacht van baraet. (fo. 195c)
Reynaert es fel ende quaet:
485Hi sal hu smeeken ende lieghen,
Mach hi, hi sal hu bedrieghen
Met valschen woorden ende met sconen,
Mach hi, bi Gode, hi sal hu honen.’
‘Heere,’ seit hi, ‘laet hu castyen,
490So moete mi God vermalendyen,
Of mi Reynaert so sal honen,
Inne saelt hem weder lonen
Dat hijs an den dulsten zi.
Nu ne zorghet niet om mi.’
495Nu neemt hi orlof ende hi sal naken
Daer hi zeere sal mesraken.
Nv es Brune vp die vaert
Ende heuet in ziere herten onwaert
Ende het dochte hem ouer-daet
500Dat yement soude sijn so quaet
Ende dat hem Reynaert hoenen soude.
Dor den keer van eenen woude
Quam hi gheloepen dor eene wostine,
Daer Reynaert hadde de pade sine
505Ghesleghen crom ende menichfoude,
Also als hi huten woude
Hadde gheloepen om sijn beiach.
Beneden der woestinen lach
Een berch oech ende lanc,
510Daer moeste Bruun sinen ganc
Te middewaerde ouer maken,
Sal hi te Manpertus gheraken.
Reynaerd hadde so menich huus,
Maer die casteel Manpertus
515Dat was die beste van sinen borghen.
Daer trac hi in, als hi in zorghen
Ende in noede was beuaen.
Nu es Brune die beere ghegaen
Dat hi te Manpertuus es comen,
520Daer hi de porte heuet vernomen
Daer Reynaerd hute plach te gane,
Doe ghinc hi voer die barbecane
Sitten ouer sinen staert
Ende sprac: ‘sidi in huus, Reynaert?
525Ic bem Bruun, des coninx bode. (fo. 195d)
Die heuet ghezworen bi sinen gode:
Ne comdi niet ten ghedinghe
Ende ic hu niet voer mi bringhe,
Recht te nemene ende te gheuene
530Ende in vreden voert te leuene,
Hi doet hu breken ende raden.
Reynaerd, doet dat ic hu rade
Ende gaet met mi te houe waert.’
Dit verhoerde al nu Reynaert
535Die voer sine poerte lach,
Daer hi vele te ligghene plach
Dor waremhede van der zonnen.
Bi der tale die Bruun heeft begonnen,
Bekenden alte-hant Reynaert
540Ende tart bet te dale waert
In sine donckerste haghedochte.
Menichfout was zijn ghedochte
Hoe hi vonde sulken raet
Daer hi Bruun, den fellen vraet,
545Te scherne mede mochte driuen
Ende selue bi ziere eeren bliuen.
Doe sprac Reynaert ouer lanc:
‘Huwes goets raets hebbet danc,
Heere Bruun, wel soete vrient.
550Hi heuet hu qualic ghedient
Die hu beriet desen ganc,
Ende hu desen berch lanc
Ouer te loepene dede bestaen.
Ic soude te houe sijn ghegaen,
555Al haddet ghi mi niet gheraden.
Maer mi es den buuc so gheladen
Ende in so vter-maten wijse
Met eere vremder nieuwer spise:
Ic vruchte in sal niet moghen gaen.
560Inne mach sitten no ghestaen,
Ic bem so vtermaten zat.’
‘Reynaert, wat haetstu, wat?’
‘Heere Brune, ic hat crancke haue.
Arem man dan nes gheen graue:
565Dat mooghdi bi mi wel weten.
Wi aerme liede, wi moeten heten,
Hadden wijs raet, dat wi node haten. (fo. 196a)
Goeder versscher honich-raten
Hebbic couuer arde groet,
570Die moetic heten dor den noet,
Als ic hel niet mach ghewinnen.
Nochtan als icse hebbe binnen,
Hebbicker af pine ende onghemac.’
Dit hoerde Brune ende sprac:
575‘Helpe, lieue vos Reynaert,
Hebdi honich dus onwaert?
Honich es een soete spijse
Die ic voer alle gherechten prijse,
Ende icse voer alle gherechten minne.
580Reynaerd, helpt mi dat ics ghewinne.
Edele Reynaert, soete neve,
Also langhe als ic sal leuen
Willic hu daer omme minnen.
Reynaerd, helpt mi dat ics ghewinne.’
585‘Ghewinnen, Bruun? ghi hout hu spot.’
‘In doe, Reynaert, so waer ic zot,
Hildic spot met hu, neen ic niet.’
Reynaert sprac: ‘Bruun, mochtijs yet?
Of ghi honich moghet heten,
590Bi huwer trauwen, laet mi weten:
Mochtijs yet, ic souts hu saden.
Ic saels hu so vele beraden,
Ghine hatet niet met hu tienen,
Waendic hu hulde daer-met verdienen.’
595‘Met mi tienen? hoe mach dat wesen?
Reynaert, hout huwen mont van desen,
Ende sijts seker ende ghewes:
Haddic al thonich dat nu es
Tusschen hier ende Portegale,
600Ic haet al vp teenen male.’
Reynaerd sprac: ‘Bruun, wat sechdi?
Een dorper, heet Lamfroit, woent hier bi,
Heuet honich so vele te waren,
Ghine hatet niet in .vij. jaren.
605Dat soudic hu gheuen in hu ghewout,
Heere Brune, wildi mi wesen hout
Ende voer mi dinghen te houe.’
Doe quam Brune ende ghinc ghelouen
Ende sekerde Reynaerde dat: (fo. 196b)
610Wildine honichs maken zat,
(Des hi cume ombiten sal)
Hi wilde wesen ouer al
Ghestade vrient ende goet gheselle.
Hier omme louch Reynaert die felle
615Ende sprac: ‘Bruun, heelt mare,
Verghaue God dat mi nu ware
Also bereet een goet gheual
Alse hu dit honich wesen sal,
Al wildijs hebben .vij. hamen.’
620Dese woort sijn hem bequame,
Bruun, ende daden hem so sochte:
Hi louch dat hi nemmee ne mochte.
Doe peinsde Reynaerd daer hi stoet:
‘Bruun, es mine auonture goet,
625Ic wane hu daer noch heden laten
Daer ghi sult lachen te maten.’
Na dit peinsen ghinc Reynaert huut
Ende sprac al ouer luut:
‘Oem Bruun, gheselle, willecome.
630Het staet so, suldi hebben vrome,
Hier ne mach zijn gheen langher staen.
Volghet mi, ic sal voeren gaen.
Wi houden desen crommen pat.
Ghi sult noch heden werden zat,
635Saelt na minen wille gaen,
Ghi sult noch heden hebben sonder waen
Also vele als ghi moghet ghedraghen.’
Reynaert meende van groten slaghen:
Dit was dat hi hem beriet.
640Die keytijf Bruun ne wiste niet
Waer hem Reynaerd die tale keerde,
Die hem honich stelen leerde,
Dat hi wel seere sal becoepen.
Al sprekende quam dus gheloepen
645Reynaert met sinen gheselle Brune
Tote Lamfroits bi den tune.
VVildi horen van Lamfreyde?
Dat was, eist waer15 somen mi seide,
Een temmerman van goeden loue,
650Ende hadde bi sinen houe
Eene eecke brocht huten woude (fo. 196c)
Die hi ontwee clieuen soude,
Ende hadde twee wegghen daer in ghesleghen,
Also temmermans noch pleghen.
655Die eecke was ontdaen wel wijde,
Des was Reynaert arde blide.
Te Brunen sprac hi ende louch:
‘Siet hier hu grote gheuouch,
Brune, ende nemet wel goem:
660Hier in desen seluen boem
Es honichs vtermaten vele.
Prouft oft ghijs in huwe kele
Ende in huwen buuc moghet bringhen.
Nochtan suldi hu seluen dwinghen,
665Al dincket hu goet die honich-raten,
Hetet te zeden ende te maten,
Dat ghi hu seluen niet verderuet:
Ic ware ontheert ende ontheruet,
Wel soete oem, mesquame hu yet.’
670Brune sprac: ‘Reynaert, ne sorghet niet.
Waendi dat ic bem onuroet?
Mate es tallen spele goet.’
‘Ghi secht waer,’ sprac Reynaerd,
‘Waer omme bem ic oec veruaert?
675Gaet toe ende crupet daer in.’
Reynaert peinsde om zijn ghewin,
Ende Brune liet hem so verdoren
Dat hi thoeft ouer die horen
Ende die twee voerdere voete in stac.
680Ende Reynaert poghede dat hi brac
Die wegghen beede huter eecken:
Die daer te voren ghinc so smeeken,
Bruun bleef gheuanghen in den boem:
Nu heuet de neve sinen oem
685In boesheden bracht met sulker achte,
Dat hi met liste no met crachte
In gheere wijs ne can ontgaen
Ende bi den hoefde staet gheuaen.
Wat raeddi Brunen te doene?
690Dat hi was sterc ende coene
Sal hem niet ghehelpen moghen.
Hi sach wel, hi was bedroghen.
Hi began briesschen ende dulen, (fo. 196d)
Hi was ghegrepen bi zier mulen
695So vaste ende bi den voeten voren:
Al dat hi pijnde was verloren,
Hine waende nemmermeer ontgaen.
Van verren was Reynaert ghestaen
Ende sach commen Lamfreyde
700Die vp sinen hals brochte beide
Een scaerpe haex ende eene barde.
Hier mooghdi horen van Reynaerde
Hoe hi sinen oem ghinc rampineeren:
‘Oem Brune, vaste gaet mineeren!
705Hier comt Lamfroyt ende sal hu scijncken:
Haddi gheten, so souddi drincken.’
Na der talen so ghinc Reynaert
Weder te sinen casteele waert
Sonder orlof, ende mettien
710Heuet Lamfroyt den beere versien,
Ende vernam dat hi was gheuaen.
Doe ne was daer gheen langher staen:
Hi liep wech metter haest
Daer hi die hulpe wiste naest,
715Daer dat naeste dorp stont,
Ende dede hem allen cont
Dat daer stont gheuaen een beere.
Doe volchde hem een mekel heere.
Int dorp ne bleef man no wijf:
720Den beere te nemene sijn lijf
Liept al dat loepen mochte.
Sulc was die eenen bessem brochte,
Sulc eenen vleghel, sulc een rake,
Sulc quam gheloepen met eenen stake,
725So si quamen van haren werke.
Selue die pape van der kerke
Brochte eenen cruus-staf,
Die hem de coster noede gaf.
Die coster drouch eene vane
730Mede te stekene ende te slane.
Des spapen wijf, vrauwe Iulocke,
Quam gheloepen met haren rocke,
Daer so omme hadde ghesponnen.
Voer hem allen quam gheronnen.
735Lamfroyt met eere scerper haex. (fo. 197a)
Al hadde Brune lettel ghemaex,
Hi ontsach meer ongheual
Ende sette al ieghen al.
Doe hi dat gheruchte hoorde,
740Hi spranc vp, so dat hem scorde
Van sinen aensichte al die huut.
Al brochte Brune dat hoeft huut
Met aerbeide ende met pinen,
Nochtan liet hi daer van den zinen
745Eene oere ende beede sine lier.
Nye maecte God so leelic dier.
Hoe mochte hi zeerre sijn mesrocht?
Al haddi thoeft hute brocht,
Eer hi die voete conde ghewinnen,
750Bleuer alle die claeuwen binnen
Ende sine twee anscoen beede.
Dus gherochte hi huut met leede.
Hoe mochte hi zijn ontheert meer?
Die voete waren hem so zeer,
755Dat hi tloepen niet conste ghedoghen.
Dat bloet liep hem ouer die hoghen,
Dat hi niet wel conste ghesien.
Hine dorste bliuen no vlien.
Hi sach suut onder die zonne
760Lamfroyt commen gheronnen,
Daer na die priester, die heere,
Hi quam gheloepen vele zeere,
Daer na die coster metter vane,
Daer na alle die prochiane,
765Die houde lieden metten ionghen.
Daer na quam vp haren stap ghespronghen
Sulke quene, die van houden
Cume eenen tant hadde behouden.
Wie so wille wachte hem dies:
770Die scade heuet of verlies
Ende groet ongheual,
Ouer hem so willet al.
Dit sceen arem man Brunen wel:
Sulc dreechdem nu an sijn vel,
775Die des ghesweghen hadde stille,
Hadde Bruun ghestaen tsinen wille.
Dit was beneden eere riuiere (fo. 197b)
Dat Brune, onsalichst alre diere,16
Van meneghen dorper was beringhet.
780Doe was daer lettel ghedinghet.
Hem naecte groet onghemac.
Die een slouch, die ander stac.
Die een slouch, die ander warp.
Lamfroyt was hem alte scaerp.17
785Een, hiet Lottram Lanc-voet,
Hi drouch eenen verhoernden18 cloet,
Ende stacken emmer na dat hoghe.
Vrauwe Vulmaerte scerpe loghe
Ghinckene koken met eenen staue.
790Abelquac ende mijn vrauwe Baue
Laghen beede onder die voete
Ende streden beede om eene cloete.
Ludmoer metter langher nese
Drouch eenen loedwapper an een pese
795Ende ghincker met al omme zwinghen.
Ludolf metten crommen vingheren
Dede hem alles te voren.
Want hi was best gheboren,
Sonder Lamfroy alleene:
800Hughelijn metten crommen beene
Was zijn vader, dat weet men wale,
Ende was gheboren van Abstale,19
Ende was sone vrauwe Ogernen,
Eene20 hout-makigghe van lanternen.
805Ander wijf ende ander man,
Meer dan ic ghenomen can,
Daden Brunen groet onghemac,
So dat hem zijn bloet huut lac.
Brune ontfinc al sulc payment
810Als hem elc gaf daer omtrent.
Die pape liet den cruus-staf
Ghedichte21 slaen slach in slach
Ende die coster metter vane
Ghinc hem vastelike ane.
815Lamfroyt quam ter seluer wijlen
Met eere scerper bijlen
Ende slouchene tusschen hals ende hoeft,
Dat Brune wart zeere verdoeft,
Dat hi verspranc van den slaghe (fo. 197c)
820Tusschen der riuiere enter haghe
In eenen trop van houden wiuen
Ende warper een ghetal van viuen
In die riuiere die daer liep,
Die wel wijt was ende diep.
825Des papen wijf wasser eene,
Des was spapen bliscap cleene,
Doe hi zijn wijf sach in die vliet,
Doene luste hem langher niet
Bruun te stekene no te slane.
830Hi riep: ‘siet, edele prochiane,
Ghindre vloot vrauwe Julocke
Beede met spillen ende met rocke.
Nu toe, die haer helpen mach!
Ic gheue hem iaer ende dach
835Vul pardoen ende aflaet
Van alre sondeliker daet.’
Beede man ende wijf
Lieten den aermen keytijf
Brune ligghen ouer doot
840Ende ghinghen daer die pape gheboot
Beede met stringhen ende met haken.
Die wijle datsi die vrauwe huut traken,
So quam Brune in die riuiere
Ende ontswam hem allen sciere.
845Die dorperen waren alle gram:
Si saghen dat hem Brune ontswam,
Datsi hem niet mochten volghen.
Vpt touuer stonden si verbolghen
Ende ghinghen na hem rampineren.
850Bruun die lach in die ryuiere
Daer hi vant den meesten stroem.
Al dryuende bat hi dat God den boem
Moeste verdrouuen ende verwaten,
Daer hi zijn hoere in hadde ghelaten
855Ende beede sine lier.
Voert vloucte hi dat felle dier,
Den boesen vos Reynaerde,
Diene met sinen brunen baerde
So diepe in die eecke dede crupen,
860Daer na Lamfroyt van der stupen,
Daer hi hem so leede dede. (fo. 197d)
In aldustanen ghebede
Lach Brune also langhe wijle,
Dat hi wel een halue mile
865Van der stede was ghedreuen
Daer die dorpers waren bleuen.
Hi was verpijnet ende moede
Ende onder-commen van den bloede,
So dat hi hadde crancke vaert.
870Doe zwam hi te lande waert
Ende croep ligghen in dat hoeuer.
Ghine saghet noint droeuer
Gheen dier no gheenen man.
Hi lach jammerlic ende stan
875Ende slouch met beede sinen lancken.
Des mochte hi al Reynaerde dancken.
Nv hoert wat Reynaert heeft ghedaen.
Hi hadde een vet hoen gheuaen
Bi Lamfroyts an der heyden,
880Eer hi danen was versceiden.
Hi hadt vp eenen berch ghedreghen
Verre huut allen weghen,
Daer het eenlic was ghenouch.
Dat was wel zijn gheuouch,
885Dor dat daer was niemens ganc
Ende hi dor niemens bedwanc
Sine proye dorste rumen.
Doe hi dat hoen toten plumen
Hadde gheleit in sine male,
890Doe ghinc hi neder te dale
Eenen verholenliken pat.
Hi was vtermaten zat.
Dat weder was scone ende heet
Hi hadde gheloepen dat hem dat zweet
895Neder liep neuen die liere.
Daer omme liep hi ter riuiere,
Dor dat hi hem vercoelen soude.
In bliscap arde menichfoude
Was sijn herte doe beuaen.
900Hi hopede wel al sonder waen
Dat Lamfroyt hadde den beere versleghen
Ende hine thuus-waert hadde ghedreghen.
Doe sprac hi: ‘hets mi wel gheuaren. (fo. 198a)
Die mi te houe meest soude daren,
905Die hebbic doot in desen daghe.
Nochtan wanic sonder claghe
Ende sonder wanconst bliuen.
Ic mach te rechte bliscap driuen.’
Doe Reynaert was in dese tale,
910Sach hi neder-waert te dale
Ende vernam Bruun daer hi lach.
Enten eersten als hine sach,
Hadde hijs rauwe ende toren
(Daer die bliscap was te voren,
915Daer lach nu22 thoren ende nijt)
Ende sprac: ‘vermalendijt,
Lamfroyt, moet dijn herte sijn!
Du best dulre dan een zwijn,
Lamfroyt, ergher puten sone!
920Lettel eeren bestu ghewone.
Hoe es di dese beere ontgaen,
Die di te voren was gheuaen?
Hoe menich morseel leghet der-an,
Dat gherne hetet menich man.
925O wy, Lamfroyt, verscrouen druut,
Hoe rikelike een beere-huut
Heefstu heden verloren,
Die di ghewonnen was te voren!’
Dit scelden heuet Reynaert ghelaten
930Ende ghinc neder bi der straten
Dor te siene hoet Bruun stoet.
Doe hine sach ligghen al een bloet
Ende ziec ende onghesont,
Den aermen beere, te dier stont,
935Dat sach Reynaert arde gherne,
Doe bescalt hine te sinen scherne:
‘Siere priester, dieu vo saut!
Kendi Reynaert, den rybaut?
Wildine scauwen, so siettene hier,
940Den roden scalc, den fellen ghier!
Seght mi, priester, soete vrient,
Bi den heere dien ghi dient,
In wat ordinen wildi hu doen,
Dat ghi draghet23 roeden capproen?
945So weder sidi abd so pryhore? (fo. 198b)
Hi ghinc hu arde na den hore
Die hu dese crune heuet bescoren.
Ghi hebt huwen top verloren,
Ghi hebt hu anscoen af ghedaen:
950Ic wane, ghi wilt zinghen gaen
Van huwen complete dat ghetijde.’
Dit hoerde Brune ende wart omblijde,
Want hine const doe niet ghewreken.
Hem so dochte sijn herte breken,
955Ende slouch weder in die riuiere:
Hine wilde van den fellen diere
Nemmeer hoeren die tale.
Hi liet hem neder daer te dale
Metten strome dryuen te hant
960Ende ghinc ligghen vp dat zant.
Hoe sal nu Brune te houe comen?
Al mocht hem al de weerelt vromen,
Hine ghinghe niet ouer sine voete.
Hi was ghenoopt so onsoete
965In die eecke, daer hi te voren
Van tween voeten hadde verloren
Alle die claeuwen ende dat vel,
Hine conste niet ghepeinsen wel
Hoe hi best ten coninc gaet.
970Nu hoert hoe hi die vaert bestaet.
Hi zat ouer sine hamen
Ende began met groter scamen
Rutsen ouer sinen staert,
Ende als hi dus moede waert
975So wentelde hi dan eene wile.
Dus dreef hi meer dan eene mile,
Eer hi tes coninx houe quam.
Doemen Brune vernam
In derre wijs van verren comen,
980Wart ghetwifelt van hem zomen
Wat daer quam ghewentelt zoe.
Dien coninc wart de herte onvroe,
Die Brune bekende te hant,
Ende seide: ‘dit es mijn seriant
985Brune, hem es dat hoeft so roet:
Hi es ghewont toter doot.
Ay God, wie heeftene so mesmaect?’ (fo. 198c)
Binnen desen so was Brune ghenaect,
Dat hi den coninc claghen mochte.
990Hi stan ende versuchte onzochte
Ende sprac: ‘coninc, edel heere,
Wreket mi dor hu selues eere
Ouer Reynaerde, dat felle dier,24
Die mi mine scone lier
995Met ziere lust verliesen dede
Ende daer toe mine hoere25 mede,
Ende heuet mi ghemaect als ghi siet.’
Die coninc sprac: ‘of ic dit niet
Ne wreke, so moetic zijn verdoomt!’
1000Ende hier na so heuet hi ghenoomt
Alle die hoechste bi namen,
Ende ontboet datsi quamen
Alle gader an sinen raet.
Doe rieden si hoe dese daet
1005Best werde gherecht tes conincs eere.
Doe rieden die meeste heeren
Dat menne twee weruen daghen soude,
Reynaerde, of die coninc woude,
Ende horen tale ende weder-tale.
1010Oec seiden si, si wilden wale
Dat Tybeert die cater van desen
Tote Reynaerde bode soude wesen:
Al ware hi cranc, hi ware vroet.
Dese raet dinct den coninc goet.
1015Doe sprac die coninc: ‘heere Tybeert,
Gaet wech, eer ghi weder keert
Besiet dat Reynaert met hu come.
Dese heeren segghen some,
Al es Reynaert andren dieren fel,
1020Hi gheloeuet hu so wel
Dat hi gherne doet huwen raet.
Ne comt hi niet, hets hem quaet:
Men salne drie weruen daghen,
Te lachtre alle sinen maghen.
1025Gaet Tybeert, dit secht hem.’
‘Ay heere,’ sprac Tybeert: ‘ic bem
Een arem wicht, een cleene dier.
Heere Brune, die staerc was ende fier,
Ne conste Reynaert niet ghewinnen: (fo. 198d)
1030In welker wijs salics beghinnen?’
Doe sprac die coninc: ‘heere Tybeert,
Ghi zijt wijs ende wel gheleert,
Al sidi niet groet, nochtan
Hets menich die met luste can
1035Dat werken ende met goeden rade,
Dat hi met crachte niet ne dade.
Gaet, doet sciere mijn ghebod.’
Tybeert sprac: ‘nu helpe mi God
Dat het mi moete wel vergaen.
1040Ic sal eene vaert bestaen
Die mi doet zwaer in minen moet.
God gheuere mi af al goet!’
Nv moet Tybeert doen die vaert,
Die zeere es drouue ende veruaert.
1046Ende als hi vp den wech quam,
Sach hi van verren ende vernam
Sente Martins voghel, ende quam gheuloghen.
Doe wart Tybeert vroe ende in hoghen
Ende riep an sente Martins voghel:
1050‘Kere haerwaert dinen vloghel.26
Nu vliech te miere rechter hant.’
Die voghel vloech daer hi vant
Een haghe, daer hi in wilde lijden,
Ende vloech Tybeert ter luchter zijden.
1055Dit teekin ende dit ghemoet
Dochte Tybeert niet wesen goet.
Hadde hi ghesien den voghel lijden
Scone ter rechter zijden,
So waende hi hebben goet gheual.
1060Nu was hi dies onthopet al.
Nochtan maecte hi hem seluen moet,
Ende gheliet hem, als menich doet,
Bet dan hem te moede was:
Dus liep hi henen sinen pas,
1065Tes hi quam te Manpertus
Ende vant Reynaerde in zijn huus
Alleene staen verweendelike.
Tybeert sprac: ‘God die rike
Moete hu goeden auont gheuen.
1070Die coninc dreecht hu an hu leuen,
Ne comdi niet te houe met mi.’
Reynaert sprac: ‘Tybeert, helet vry, (fo. 199a)
Neue, ghi zijt mi willecome.
God gheue hu eere ende vrome.
1075Bi Gode, dat jan ic hu wale!’
Wat coste Reynaerde scone tale?
Al seghet sine tonghe wale,
Sine herte die es binnen fel.
Dit wert Tybeerde ghetoghet wel,
1080Eer die lijne wert ghelesen
Ten hende. Ende met desen27
Sprac Reynaert: ‘neve, ic wille dat ghi
Tauont herberghe hebt met mi,
Ende morghen willen wi metten daghe
1085Te houe waert sonder saghe.
In hebbe oec onder alle mine maghe
Niement, Tybeert, daer ic mi nu
Bet vp verlate dan vp hu.
Hier was commen Bruun de vraet.28
1090Hi toechde mi so fel ghelaet
Ende dochte mi so ouer-staerc,
Dat ic omme dusent maerc
Den wech met hem niet hadde bestaen.
Dat sal ic met hu, al sonder waen,
1095Maerghin metter dagheraet.’
Tybeert sprac: ‘hets beteren raet
Ende het dinct mi beter ghedaen,
Dat wi nochtauont te houe gaen
Dan wi tote morghin beiden.
1100Die mane scijnet an der heiden
Also claer alse die dach.
Ic wane niemen ne sach
Beter tijt tote onser vaert.’
‘Neen, lieue neve,’ sprac Reynaert,
1105‘Sulc mochte ons daer ghemoeten,
Hi soude ons quedden ende groeten,
Die ons nemmermee dade goet,
Quame hi snachts in ons ghemoet.
Ghi moet herberghen tauont met mi’.
1110Tybeert sprac: ‘wat souden wy
Eten, Reynaert, of ic hier bleue?’
‘Daer omme zorghe ic, lieue neve,
Hier es der spijsen quaden tijt.
Ghi mocht heten, begheerdijt, (fo. 199b)
1115Een stic van eere honich-raten
Die bequamelic es vtermaten.
Wat sechdi, moochdi shonichs yet.’
Tybeert sprac: ‘mine roukes niet.
Reynaert, hebdi niet in huus?
1120Gauedi mi eene vette muus,
Daer mede lietic hu ghewaert.’
‘Eene vette muus?’ sprac Reynaert,
‘Soete Tybeert, wat secht-di?
Hier woent noch een pape bi,
1125Een scuere staet noch an sijn huus,
Daer in es meneghe vette muus:
Ic waense niet ghedroughe een waghen.
So dicken hoere ic den pape claghen
Dat sine dryuen huten huuse.’
1130‘Reynaert, zijn daer so vette muse?
Verghaue God, waer ic nu daer!’
‘Tybeert’, seit hi, ‘sechdi waer?
Wildi muse?’ ‘Of icse wille?
Reynaert, doet dies een ghestille:
1135Ic minne muse voer alle saken.
Weetti niet dat muse smaken
Bet dan eenich venisoen?
Wildi minen wille doen,
Dat ghi mi leet daer si zijn,
1140Daer mede mochti die hulde mijn
Hebben, al haddi minen vadre
Doot ende mijn gheslachte al gadre.’
Reynaert sprac: ‘neve, houddi hu spot?’
‘Neenic, Reynaert, also helpe mi God!’
1145‘Weet God, Tybeert, wistic dat,
Ghi soutter sijn nochtauont sat.’
‘Sat, Reynaert, dat ware vele.’
‘Tybeert, dat sechdi thuwen spele.’
‘In doe, Reynaert, bi miere wet.
1150Haddic een muus ende waer so vet,
In gaefse niet omme eenen busant.’
‘Tybeert, gaet met mi te hant.
Ic leede hu daer ter seluer stat,
Daer icker hu sal maken zat,
1155Eer ic nemmermeer van hu sceede.’
‘Ia ic, Reynaert, vp die gheleede (fo. 199c)
Ghinghe ic met hu te Mompelier.’
‘So gaen wi dan, wi sijn hier
Al te langhe,’ sprac Reynaert.
1160Doe so namen si vp die vaert,
Tybeert ende sijn oem Reynaert,
Ende liepen daer si loepen wilden,
Datsi nye toghel vp hilden,
Eer si quamen tes papen scuere,
1165Die met eenen erdinen muere
Al omme ende omme was beloken,
Daer Reynaert in was te-broken
Des ander daghes daer te voren,
Doe die pape hadde verloren
1170Eenen hane, die hi hem nam.
Hier omme was tornich ende gram
Des papen sone Martinet,
Ende hadde voer dat gat gheset
Een strec den vos mede te vane:
1175Dus gherne wrake hi den hane.
Dit wiste Reynaert, dat felle dier,
Ende sprac: ‘neue Tybeert, hier
Crupet in dit selue gat.
Ne weset trage no lat.
1180Gaet al omme ende omme gripen.
Hoert hoe die muse pipen.
Keert weder huut als ghi zijt sat.
Ic sal hier bliuen voer dit gat
Ende sal hu hier buten beiden:
1185Wine moghen niet tauont sceiden,
Morghin gaen wi te houe waert.
Tybeert, siet dat ghi niet en spaert.
Gaet heten, ende laet ons keeren
Te miere herberghen met eeren.
1190Mijn wijf sal ons wel ontfaen.’
‘Willic te desen gate in gaen?
Wat sechdi, Reynaert, eist hu raet?
Die papen connen vele baraet:
Ic besteecse arde noode.’
1195‘O wy, Tybeert, twi sidi bloode?
Wanen quam huwer herten desen wanc?’
Tybeert scaemde hem ende spranc
Daer hi vant groet ongherec: (fo. 199d)
Want eer hijt wiste, was hem een strec
1200Omme sinen hals arde vast.
Dus hoende Reynaert sinen gast.
Alse Tybeert gheware wart
Des strecs, wart hi veruaert
Ende spranc voert: dat strec liep toe.
1205Tybeert moeste roupen doe
Ende wroughede hem seluen dor den noot.
Hi makede een gheroup so groot
Met eenen iammerliken ghelate,
Dat Reynaert hoerde vp der strate
1210Buten, daer hi alleene stoet,
Ende riep: ‘vindise goet
Die muse, Tybeert, ende vet?
Wiste nu dat Martinet
Dat ghi ter taflen satet
1215Ende dit wiltbraet dus hatet,
Dat ghi verteert, in weet hoe,
Hi sauder hu saeuse maken toe:
So houesch een cnape es Martinet.
Tybeert, ghi singhet in lanc so bet.
1220Pleecht men tes coninx houe des?
Verghaue God, die gheweldich es,
Dat, Tybeert, daer met hu ware
Ysingrijn, die mordenare,
In sulker bliscap als ghi zijt!’
1225Dus heeft Reynaert groot delijt
Dor Tybeerts ongheual.
Ende Tybeert stont ende ghal
So lude, dat Martinet ontspranc.
Martinet riep: ‘ha ha, God danc!
1230Ter goeder tijt heeft nu ghestaen
Mijn strec: ic hebber met gheuaen
Den hoenre-dief, na minen wane,
Nu toe! ghelden wi hem den hane!’
Met desen wart hi toten viere
1235Ende ontstac eenen stroe-wisch sciere
Ende wecte moedre ende vadre
Ende die kindre alle gadre,
Ende riep: ‘nu toe! hi es gheuaen.’
Doe mochtemen sien porren saen
1240Alle die in dien huus waren. (fo. 200a)
Selue die pape ne wilde niet sparen,
Quam hute sinen bedde moeder-naect.
Martinet hi was gheraect
Tote Tybeert ende riep: ‘hijs hier.’
1245Die pape spranc an dat vier
Ende ghegreep zijns wijfs rocke.
Een offer-keersse nam vrauwe Iulocke
Ende ontstacse metter haest.
Die pape liep Tybeert naest
1250Ende ghincken metten rocke slaen.
Doe moeste Tybeert daer ontfaen
Wel meneghen slach al in een.
Die pape stont, als hem wel sceen,
Al naect, ende slouch slach in slach
1255Vp Tybeert, die voer hem lach.
Daer ne spaerdene haer ne gheen.
Martinet ghegreep eenen steen
Ende warp Tybeert een hoghe huut.
Die pape stont al bloeter huut
1260Ende hief vp eenen groeten slach.
Alse Tybeert dat ghesach,
Dat hi emmer steruen soude,
Doe dedi een deel als die boude,
Dat dien pape verghinc te scanden.
1265Beede met claeuwen ende met tanden
Dedi hem pant, alsoet wel scheen,
Ende spranc dien pape tusschen die been,
In die burse al sonder naet,
Daermen dien beyaert mede slaet.
1270Dat dinc viel neder vp den vloer.
Die vrauwe was zeerich ende zwoer
Bi der zielen van haren vader,
Sine wilde wel om al gader
Die offerande van eenen jare,
1275Dat niet den pape gheuallen ware
Dit vernoy ende dese scame.
So sprac: ‘int-sleets duuels name
Moete dit strec sijn gheset!
Siet, lieue neve Martinet,
1280Dit was van huwes vader ghewande,
Siet hier mijn scade ende mijn scande,
Emmermeer voert in allen stonden, (fo. 200b)
Al ghenase hi van der wonden,
Hi bliuet den soeten spele mat.’
1285Reynaert stont noch doe voer tgat.
Doe hi dese tale hoerde,
Hi louch dat hem bachten scorde
Ende hem crakede die tauerne.
Doe sprac hi te sinen scherne:
1290‘Swijghet, Iulocke, soete vrauwe,
Ende laet zijncken desen rauwe
Ende laet bliuen huwen toren.
Wattan? al heuet hu heere verloren
Eenen van den clippelen zinen,
1295Al te meer29 so sal hi pinen.
Laet bliuen dese tale achtre:
Gheneset de pape, en es gheen lachtre
Dat hi ludet met eere clocken.’
Dus troeste Reynaert vrauwe Iulocken,
1300Die haer arde zeere mesliet.
Die pape mochte langher niet
Ghestaen, hi viel in ommacht.
Doe hiefsene vp met haerre cracht
Ende drouchene recht te bedde waert.
1305Hier-binnen keerde Reynaert
Alleene ter herberghen waert,
Ende liet Tybeert zeere veruaert
Ende in zorghen van der doot.
Al was Tybeerts zorghe groet,
1310Doe hise alle onledich sach
Ouer dien pape, die daer lach
Ghewont, doe ghinc hi hem pinen,
So dat hi metten tanden zine
Die pese midden beet ontwee.
1315Doe ne wildi letten nemmee
Ende spranc weder hute ten gate
Ende dede hem vp die rechte strate,
Die tes conincx waert ghelach.
Eer hi daer quam so waest dach
1320Ende die zonne begonste rijsen.
In eens arems ziecs wijsen
Quam Tybeert in thof gheronnen,
Die tes papen hadde ghewonnen
Dat hi langhe claghen mach. (fo. 200c)
1325Alse die coninc dit versach
Dat hi hadde dat hoeghe verloren,
Doe mochtemen vreeselike horen
Den coninc dreeghen den dief Reynaert.
Die coninc doe niet langher ne spaert.
1330Hine riep sine baroene te rade
Ende vraechde wat hi best dade
Ieghen Reynaerts ouerdaet?
Doe wart ghindre menich raet
Hoemen Reynaert ter redenen brochte,
1335Die dese ouerdaet wrochte.
Doe sprac Grimbeert die das,
Die Reynaerts broeder sone was:
‘Ghi heeren, ghi hebt meneghen raet.
Al ware mijn oem noch also quaet,
1340Salmen vry recht voert draghen,
Men salne drie waeruen daghen,
Alsomen doet eenen vryen man.
Ende en comt hi niet dan,
So es hi sculdich alre dinc,
1345Daer hi af voer den coninc
Van desen heeren es beclaghet.’
‘Wie wildi, Grimbert, dattene daghet?’
Sprac de coninc, ‘wie es hier,
Die sijn hoeghe ofte sijn lier
1350Wille setten in auontueren
Omme eene felle creatuere?
Ic wane hier nimene en es so zot!’
Grimbert sprac: ‘so helpe mi God!
Siet mi hier, ic bem so coene
1355Dat ic wel dar bestaen te doene
Dese bodscap, ghebiedijt.’
‘Grimbeert, gaet wech ende zijt
Vroet ende wacht hu ieghen mesval.’
Grimbert sprac: ‘coninc heere, ic sal.’
1360Dvs gaet Grimbert te Manpertuus.
Als hire quam, vant hi in huus
Sinen oem ende vrauwe Ermelijnen,
Die bi haren welpekijnen
Laghen in die haghedochte.
1365Ende ten eersten dat Grimbeert mochte,
Groette hi sinen oem ende ziere moyen. (fo. 200d)
Hi sprac: ‘en sal hu niet vernoyen
Des onrechts, daer ghi in zijt?
Dincket hu noch niet wesen tijt
1370Dat ghi trect, oem Reynaert,
Tote des conincs houe waert,
Daer ghi wel zeere zijt beclaghet?
Ghi zijt .iij. waeruen ghedaghet.
Vermerrendi maerghin den dach,
1375So zorghic dat hu ne mach
Ne gheene ghenade me ghescien.
Ghi sult in den derden daghe sien
Huwen casteel bestormen, Manpertuus.
Ghi sult gherecht sien voer hu huus
1380Eene galghe ofte een rat.
Ouer waer segghic hu dat:
Beede hu kindre ende hu wijf
Sullen verliesen haer lijf
Lachterlike, al sonder waen.
1385Ghine moghet selue niet ontgaen.
Daer omme es hu de beste raet
Dat ghi met mi te houe gaet.
Hets messelic hoet gheuallen mach:
Hu es dicken vp eenen dach
1390Vremder auontueren gheuallen,
Dan ghi noch quite van hem allen
Met des conincx orloue
Maerghin sciet huten houe.’
Reynaert seide: ‘ghi secht waer.
1395Nochtan, Grimbeert, comme ic daer
Onder des conincs ghesinde,
Dat ic binnen den houe vinde
Es vp mi verbolghen al.
Quame ic danen, het ware gheual.
1400Nochtan dinct mi beter wesen
(Ghenese of ic mach ghenesen)
Dat ic met hu te houe vare
Dan het al verloren ware,
Casteel, kindre ende wijf,
1405Ende daer toe mijns selues lijf.
In mach den coninc niet ontgaen.
Alse ghi wilt, so willic gaen.
Hoert,’ seit hi, ‘vrauwe Hermelijne, (fo. 201a)
Ic beuele hu die kindre mine,
1410Dat ghire wale pleghet nu.
Voer alle dandre beuelic hu
Minen zone Reynaerdine.
Hem staen wel de gaerneline30
In zine muulkine ouer al.
1415Ic hope dat hi mi slachten sal.
Hier es Rossel, een31 scone dief!
Die hebbic nochtan harde lief,
Ja als yement sine kindre doet.
Al eist dat ic nu van hier moet,
1420Ic salt mi nemen arde na,
Vp dat ic mach, dat ic ontga.
Grimbeert neve, God moet hu lonen.’
Met hoofschen woorden ende met sconen
Nam Reynaert an de sine orlof
1425Ende ruumde sijns selues hof.
Ay hoe drouue bleef vrauwe Hermeline
Ende hare cleene welpekine.
Doe Reynaert sciet huut Manpertuus
Ende hi hof liet ende huus
1430Aldus omberaden staen:
Nu hoert wat Reynaert heeft ghedaen.
Teerst dat hi quam an der heyden,
Hi sprac te Grimbeerte ende zeide:
‘Grimbert, scone wel soete neve,
1435Van zorghen suchtic ende beue.
Lieue neve, ic wille gaen
(Nu hoert mine redene saen)
Te biechten hier te di:
Hier nes ander pape bi.
1440Hebbic mine biechte ghedaen,
Hoe so die saken sijn vergaen,
Mine ziele sal te claerre wesen.’
Grimbeert andwoerde na desen:
‘Oem, wildi te biechten gaen,
1445So moetti dan verlouen saen
Alle diefte ende allen roef,
Of en diet hu niet een loef.’
‘Dat weetic wel,’ sprac Reynaert:
‘Grimbeert, nu hoert haerwaert
1450Ende vandet mi gheraden.
Siet, ic comme hu te ghenaden (fo. 201b)
Van alle gader miere mesdaet.32
Nu hoert, Grimbeert, ende verstaet:
Confiteor pater mater,
1455Dat ic den otter ende den cater
Ende alle diere hebbe mesdaen,
Daer af willic mi in biechten dwaen.’
Grimbert sprac: ‘oem, walschedi?
Of ghi yet wilt, spreect ieghen mi
1460In dietsche, dat ict mach verstaen.’
Doe sprac Reynaert: “ic hebbe mesdaen
Jeghen alle diere die leuen.
Bidt Gode dat hijt mi moete vergheuen.
Ic dede minen oem Brune
1465Al bloedich maken sine crune.
Tybeert dede ic muse vaen,
Daer ickene zeere dede slaen,
Tes papen huus daer hi spranc int strec.33
Ic hebbe ghedaen groet ongherec
1470Canticleer ende sine kindre:
Waren si meerre ofte mindre,
Dicken makedicse los.
Dor recht beclaghet hi den vos.
Die coninc en es mi oec niet ontgaen:
1475Ic hebbe hem toren oec ghedaen
Ende mesprijs der coninghinne,
Datsi spade sullen verwinnen
Also vele eeren van mi.
Oec hebbic, dat segghic di,
Бесплатный фрагмент закончился.
