Читать книгу: «De graaf de Lhorailles»
Gustave Aimard
De graaf de Lhorailles

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066404833
Inhoudsopgave
I.
FERIA DE PLATA.
II.
DON SYLVA DE TORRES.
III.
TWEE OUDE KENNISSEN VAN DEN LEZER.
IV.
DE GRAAF MAXIMA GAËTAN DE LHORAILLES.
V.
DE DAUPH’YEERS.
VI.
DOOR HET VENSTER.
VII.
EEN TWEEGEVECHT.
VIII.
HET VERTREK.
IX.
DE LEGERSCHANS IN DE WILDERNIS.
X.
VOOR DEN AANVAL.
XI.
DE MEXICAANSCHE MAAN.
XII.
VROUWENLIST.
XIII.
EEN WEDLOOP BIJ NACHT.
XIV.
EEN INDIAANSCHE LIST.
XV.
SCHERP TEGEN SCHERP.
XVI.
DE CASA GRANDE DE MONTECUZOMA.
XVII.
DE MESTIES.
XVIII.
EEN STAP ACHTERWAARTS.
XIX.
IN DE PRAIRIE.
XX.
IN DEN ZADEL.
XXI.
DE BEKENTENIS.
XXII.
EEN MENSCHENJACHT.
XXIII.
DE APACHEN.
XXIV.
DE WOUDLOOPERS.
XXV.
EL AHUEHUELT.
[Inhoud]
DE GRAAF DE LHORAILLES
I.
FERIA DE PLATA.
Inhoudsopgave
Reeds sedert de eerste dagen der ontdekking van Amerika, werden zijne afgelegene kusten het toevluchtsoord en de verzamelplaats voor avonturiers van allerlei soort, wier ontembare geest, warsch van de boeien der oude Europeesche beschaving, elders een goed heenkomen zocht.
Eenigen van hen vroegen der Nieuwe Wereld vrijheid van geweten, en het recht om God te dienen naar eigen keus en overtuiging; anderen verwisselden den degen met den moordenaarsdolk, om gansche volken te verdelgen ter wille van hun goed en zich te verrijken met den bloedigen roof; nog anderen eindelijk, onrustige gemoederen met leeuwenharten en ijzeren lichamen, die geen teugel of wet eerbiedigden en het woord vrijheid met het woord losbandigheid verwarden, vormden schier zonder het zelf te weten, dat geduchte bondgenootschap der zoogenaamde »Broeders van de Kust,” dat het machtige Spanje een oogenblik voor zijne overzeesche bezittingen deed beven en waarmede zelfs Lodewijk de Veertiende, de zonne-koning, zich niet ontzag verdragen te sluiten.
De afstammelingen dezer buitengewone menschen bestaan nog altijd in Amerika, en zoo vaak eene mislukte omwenteling, na een kortstondigen strijd, de woelgeesten, die de volksbeweging plotseling uit de diepte deed voortkomen, aan deze stranden werpt scharen zij zich instinctmatig rondom de naneven der eerste avonturiers, op hoop van, even als zij, buitengewone daden te doen.
Tijdens mijn verblijf in Amerika, werd ik bij toeval getuige van een der stoutste ondernemingen, welke ooit door deze vermetele gelukzoekers zijn beraamd of uitgevoerd. De aanslag dien ik bedoel maakte zulk een ophef, dat zij gedurende eenige maanden de drukpers bezig [2]hield en de belangstelling zoo wel als de nieuwsgierigheid der geheele wereld wekte.
Om redenen die de bescheiden lezer wel zal weten te waardeeren, hebben wij met opzet de namen der personen veranderd, die in dit zonderling drama de voornaamste rollen speelden, ofschoon wij overigens de historische feiten met de meeste nauwkeurigheid zullen wedergeven.
Het is nu omtrent twintig jaar geleden, dat de ontdekking der rijke goudmijnen in Californië plotseling den prikkel der hebzucht in het hart van alle gelukzoekers deed ontwaken en verscheidene jonge, schrandere, voortvarende menschen vaderland en familie deed verlaten, om zich vol geestdrift en gouden droomen, te begeven naar het nieuwe Eldorado, dat hun van de andere zijde des oceaans zoo verleidelijk toelachte, doch waar de meeste hunner helaas! niets dan ellende vonden, of den dood na het doorstaan van tallooze jammeren en ontberingen.
De weg van Europa naar Californië is lang. Vele gelukzoekers bleven halverwege terug, sommigen te Valparaiso, anderen te Callao, nog anderen te Mazatlan of te San Blas; de meesten echter bereikten San Francisco.
Het ligt te ver buiten ons tegenwoordig bestek, om de trouwens van elders bekende bijzonderheden te vermelden der velerlei teleurstelling en tegenspoed, die de ongelukkige emigranten trof van het eerste oogenblik af, dat zij den voet zetten in dit veelbelovende luilekkerland, waar zij zich verbeeld hadden dat zij slechts behoefden te bukken om er het goud, zoo als men zegt, met volle handen op te grabbelen.
Het is te Guaymas zes maanden na de ontdekking der goudmijnen, dat wij den lezer verzoeken ons te volgen.
Reeds in een vorig werk hebben wij van Sonora gesproken1, doch daar de geschiedenis die wij thans voornemens zijn te vertellen geheel en al in deze afgelegen provincie van Mexico voorvalt, zullen wij hier de beschrijving voltooien die wij toen slechts als ter loops hebben aangestipt.
Mexico is ontegenzeggelijk het schoonste land van de wereld, alle klimaten zijn er als het ware broederlijk vereenigd. In uitgestrektheid heeft het inderdaad bijna geene grenzen, daar het niet minder dan 575,080 vierkante mijlen oppervlakte beslaat.
Jammer slechts dat de bevolking in verhouding tot de grootte van het land uiterst gering is en niet meer dan 7,200,000 zielen bedraagt, van welke ongeveer 5,000,000 tot de Indiaansche rassen of kleurlingen behooren.
Het Mexicaansche bondgenootschap omvat het district Mexico en een en twintig staten, behalve drie gewesten of provinciën die geen inwendig onafhankelijk bestuur hebben. [3]
Wij zeggen hier niets van de regeering, om de eenvoudige reden dat de toestand van dat heerlijke maar ongelukkige land tot dusver in den regel nagenoeg volslagen regeeringloos is geweest2.
Intusschen is Mexico een bondgenootschappelijke republiek, althans het heeft er den naam van, ofschoon er inderdaad geen andere macht bestaat dan die van het zwaard.
De eerste der zeven aan den Atlantischen Oceaan gelegen staten is Sonora. Deze staat strekt zich uit van het noorden naar het zuiden, tusschen de Rio Gila en de Rio Mayo; ten oosten scheidt de Sierra-Verde het van den staat Chihua-hua en ten westen wordt het bespoeld door de Vermiljoen-zee, of de zee van Cortez, zooals de meeste Spaansche landkaarten haar nog altoos blijven noemen.
De staat Sonora is een der rijkste van Mexico uithoofde van zijne talrijke goudmijnen, waarmede de bodem als het ware dooraderd is; gelukkiger- of ongelukkigerwijs, al naar het oogpunt waaruit men de zaak beschouwen wil, wordt de Sonora gestadig door talrijke Indiaansche volksstammen doorkruist, tegen welke de inwoners zich onophoudelijk moeten wapenen; ook hebben de gedurige oorlogen met deze woeste horden, de onrust en doodsverachting die daarvan het gevolg zijn, en de gewoonte om bij de minste aanleiding menschen-bloed te vergieten, aan het karakter der Sonoreezen een stempel van fierheid en voortvarendheid gegeven, die reeds dadelijk in hunne edele en stoutmoedige houding zichtbaar is en hen geheel van de inwoners der andere staten onderscheidt.
Ondanks zijn uitgestrekt grondgebied en de lange reeks zijner kusten, bezit Mexico slechts twee eigenlijk gezegd bruikbare havens aan de Stille Zuidzee.
Die twee havens zijn Guaymas en Acapulco.
De overige zijn inderdaad slechts buitenhavens of opene reeden, waar de zeevaarders ongaarne eene schuilplaats zoeken, inzonderheid wanneer de geduchte cordonazo uit het zuidwesten buldert en de golf van Californië onstuimig in beweging zet.
Wij zullen hier alleen van Guaymas spreken.
De stad van dien naam, eerst sedert weinige jaren aan den mond der rivier San José gebouwd, schijnt geroepen om eerlang een der voornaamste havens aan de Stille Zuidzee te worden.
De krijgskundige ligging van Guaymas is uitmuntend.
Gelijk in alle steden van Spaansch-Amerika zijn er de huizen laag, met platte daken en geheel wit geverfd; alleen het kasteel, op den top eener rots aangelegd, in hetwelk eenige oude kanonnen op verweerde affuiten trots regen en zonneschijn liggen te roesten, heeft eene gele tint die zeer goed nuanceert met het okerkleurige zand van den oever. Op het vlakke strand komen de rozenroode baren der Vermiljoen-zee sterven tusschen de krachtige en dicht opgeschoten [4]mangiums of waterwilgen, wier warrige wortels en twijgen zij verkwikken. Achter de stad verheffen zich als ontzaglijke burchttransen de kantelige toppen van hemelhooge bergen, wier steile hellingen, vol diepe ravijnen, door de wateren der zondvloedstijdperken zijn uitgehoold, en wier sombere klipgevaarten zich in de wolken verliezen.
Tot ons leedwezen moeten wij zeggen dat deze havenplaats, al draagt zij reeds den trotschen naam van stad, nog niets meer is dan eene ellendige buurt zonder kerk en zonder herberg, in den goeden zin namelijk, want het ontbreekt er helaas niet aan kroegen, die er integendeel—en dat is licht te begrijpen, zoo dicht bij Francisco,—in menigte voorkomen.
Guaymas heeft een treurig aanzien; men voelt er bij iederen stap, dat ondanks alle de pogingen der Europeanen en avonturiers om de bevolking te galvaniseeren, de Spaansche dwinglandij, die haar gedurende drie eeuwen heeft onderdrukt, haar zoo al niet geheel verlamd, dan toch in een staat van zedelijke gezonkenheid en geesteloosheid heeft gebracht, waaruit zij zich eerst na verloop van jaren zal kunnen verheffen.
Op den dag waarmede onze historie begint, ofschoon tegen twee ure na den middag, terwijl de zon hare brandende stralen loodrecht op de stad liet vallen, het uur wanneer de bevolking, overstelpt door de hitte, gewoon is zich in de huizen op te sluiten en aan den slaap over te geven, bood Guaymas een zoo levendig schouwspel, dat een vreemdeling die bij geval hare poorten binnentrad, zich verbeeld zou hebben een der duizend pronunciamento’s of omwentelingen te zullen bijwonen, die van jaar tot jaar dit ongelukkige land verontrusten.
Dit was echter geenszins het geval.
Het militaire bewind, vertegenwoordigd door den generaal San Benito, gouverneur van Guaymas, was of scheen althans met het hoofdbestuur op den besten voet en met den gang der zaken tevreden.
De smokkelaars, leperos, en kaailoopers, waren het onderling tamelijk goed eens, en klaagden niet bijzonder over de regeering.
Vanwaar dan de buitengewone opschudding in de stad?
Welke drangreden was machtig genoeg om de anders zoo trage bevolking te doen ontwaken en haar de gewone siesta te doen vergeten?
Sedert drie dagen was de stad ten prooi aan de goudkoorts.
De gouverneur had, op dringend aanzoek van eenige aanzienlijke bankiers, verlof gegeven tot het houden eener feria de plata, of zoogenaamde geldkermis, gedurende vijf dagen.
In de voornaamste huizen werden door aanzienlijke personen ten gevalle van het publiek hazard-spelen gehouden.
Wat echter aan dit feest een allerzonderlingst karakter gaf, dat men [5]elders te vergeefs zou zoeken, was dat er op alle pleinen en alle straten onder den blooten hemel monté-tafels waren opgericht, waar het om zoo te zeggen goud stroomde, en ieder zonder onderscheid van rang of kleur, die een reaal bezat, het recht had om hem aan de speelbank te wagen.
In Mexico geschiedt alles anders dan ergens elders en gaan de zaken tegen den gewonen regel. De inwoners in dat land denken aan geen voorleden, dat zij liefst willen vergeten, gelooven aan geen toekomst, daar zij niets van verwachten, en leven in den roes van het tegenwoordige, met de koortsachtige drift van een volk, dat zijn einde voelt naderen en met het volle besef dat het zoo niet lang meer duren kan.
De Mexicanen staan onder de heerschappij van twee sterk sprekende neigingen: het spel en de liefde.
Wij zeggen met opzet neigingen en niet hartstochten, want de Mexicaan kent ze niet die geweldige drijfveeren der ziel die al onze vermogens in werking roepen, den wil beheerschen en het gansche menschelijke samenstel beroeren door de macht eener onweerstaanbare drift tot handelen, hetzij goed of kwaad.
Rondom de monté-tafels hadden zich talrijke groepen verzameld en was ieder druk in de weer.
Intusschen ging alles met eene orde en bedaardheid die zich door niets scheen te laten verstoren en de tegenwoordigheid der openbare macht overbodig maakte, zoodat er geen enkele politie-agent op de straat was om de rust te bewaren of op den geregelden gang van het spel toezicht te houden.
Ongeveer in het midden der calle de la Merced, een der voornaamste straten van Guaymas stond, tegenover een fraai huis, eene langwerpige met een groen kleed bedekte tafel, beladen met stapeltjes goudstukken, en daarachter een man van omtrent dertig jaar, sluw en geslepen van uitzicht, die met een spel kaarten in de hand en een vroolijken lach om de lippen, in uitlokkende bewoordingen de talrijke toeschouwers op de dringendste wijs uitnoodigde om hun fortuin te beproeven.
»Komaan, caballeros,” riep hij op zoetsappigen toon en met een uitdagenden blik op de ellendelingen, die in hunne schitterende maar gescheurde plunjes hem in fiere, bijna onverschillige houding aangaapten, »ik kan immers niet altijd winnen, de kans moet keeren, daar ben ik zeker van; ziet hier heb ik honderd oncen; wie moet er mede gaan strijken?”
Hij zweeg.
Niemand die antwoord gaf.
De bankier, zonder zich te laten ontmoedigen, liet met edelen zwier een stapel goudstukken, wier fonkelende gloed den standvastigste kon doen wankelen, als een ruischende straal van de eene hand in de andere rinkelen. [6]
»’t Is een mooie som, caballeros, honderd oncen; daarmede kan de leelijkste man de schoonste der schoonen overhalen. Kijk maar! wie moet ze van mij winnen?”
»Bah!” riep een der leperos met een verachtelijken grijns. »’t Wil wat zeggen, honderd oncen? Als gij mijn laatsten piaster niet afgewonnen hadt, Tio-Lucas, zou ik hem tegen u opzetten.”
»Het spijt mij in mijn ziel, señor Cuchares,” hernam de bankhouder met eene eerbiedige buiging, »dat het geluk u niet gediend heeft; het zou mij aangenaam zijn, als gij mij de vrijheid wildet geven u een ons te leenen.”
»Spot gij er mede?” zeide de lepero op een toon van gekwetste majesteit zich zoo trotsch mogelijk in postuur stellende. »Bewaar uw goud, voor u zelven, Tio-Lucas, ik weet wel middel om het te krijgen, zooveel ik wil en zoodra het mij goeddunkt; maar,” vervolgde hij met eene allerwellevendste buiging, »ik ben u daarom niet minder dankbaar voor uw edelmoedig aanbod.”
En hij stak den bankier, over de tafel, zijne hand toe, die deze met warmte drukte.
De lepero maakte van deze gelegenheid gebruik om met de andere hand, die vrij was, een stapeltje van twintig oncen, dat onder zijn bereik stond, weg te kapen.
Tio-Lucas bedwong een grimas en hield zich alsof hij niets gezien had.
Op deze uitwisseling van wederzijdsche toegenegenheid volgde groote stilte.
De toeschouwers hadden niets van hetgeen er gebeurd was onopgemerkt gelaten, en wachtten met nieuwsgierigheid den afloop van dit tooneel.
Señor Cuchares was de eerste die weder sprak.
»O!” riep hij eensklaps, zich met de vuist op het voorhoofd kloppende, »bij Nuestra Señora de la Merced, ik geloof waarlijk dat ik mijn verstand verlies!”
»Hoedat, caballero?” vroeg Tio-Lucas blijkbaar verontrust door dezen uitroep.
»Carai! dat is toch eenvoudig genoeg,” hernam de andere, »heb ik u daareven niet gezegd dat gij mij al mijn geld hadt afgewonnen?”
»Dat hebt gij mij inderdaad gezegd, deze caballeros hebben het zoowel gehoord als ik; tot den laatsten piaster, dat waren uwe eigen woorden.”
»Ik herinner het mij klaar en duidelijk, en dat maakt mij juist woedend.”
»Wat zegt gij!” riep de bankier met geveinsde verbazing. »Zijt gij woedend omdat ik u alles heb afgewonnen?”
»Neen, dat is het juist niet.”
»Wat is het dan?”
»Caramba! ’t is dat ik mij zoo deerlijk vergist heb en dat ik nog eenige oncen over had.” [7]
»Dat is onmogelijk,” riep Tio-Lucas.
»Zie maar eens.”
De lepero grabbelde in zijn zak, haalde er het goud uit te voorschijn, dat hij den bankier een oogenblik te voren ontstolen had, en liet het hem zien met een onbeschaamd gezicht.
Op het gelaat van Tio-Lucas bewoog zich geen spier.
»’t Is onmogelijk,” herhaalde hij.
»Is het?” riep de lepero, hem met een fonkelenden blik aankijkende.
»Ja, ’t is inderdaad niet te gelooven, señor Cuchares, dat uw geheugen zoo slecht zou geweest zijn.”
»Laat dat zijn zoo het wil, maar nu ik er toch weder aan gedacht heb, is er niets mede verloren; komaan, hervatten wij ons spel.”
»Zeer goed: het gaat om honderd oncen dan, niet waar?”
»Wel neen! zooveel geld bezit ik niet.”
»Bah! zoek maar eens goed.”
»Dat zou niet baten, ik weet zeker dat ik het niet heb.”
»Dat is nu toch zoo jammer als het kan.”
»Hoedat, jammer?”
»Omdat ik gezworen heb om niet minder te spelen.”
»Dus wilt gij mij geen twintig oncen volhouden?”
»Ik kan niet; er mag geen enkel once aan de honderd ontbreken of ik zal ze u niet kunnen houden.”
»Hm!” bromde de lepero met een dreigenden blik.… »is dat een affront, Tio-Lucas?”
De bankhouder had den tijd niet om te antwoorden, daar een man van ongeveer dertig jaar, op een heerlijk zwart paard gezeten en allerprachtigst gekleed, sedert eenige oogenblikken de tafel genaderd was, en onder het rooken van een geurigen pajillo, het gesprek tusschen den lepero en Tio-Lucas beluisterde.
»Top! voor uwe honderd oncen!” riep hij op eens terwijl hij met zijn paard door de menigte heendrong om dichter bij de tafel te komen, waar hij eene welgevulde goudbeurs op wierp.
De beide sprekers keken verbaasd op.
»Ziedaar de kaarten, caballero,” riep de bankier, die haastig de ongezochte gelegenheid waarnam om zich, voorloopig althans, van een gevaarlijken antagonist te ontslaan.
Cuchares haalde verachtelijk de schouders op en keek den nieuwen speler aan.
»O!” riep hij met eene gesmoorde stem, »de Tigrero! komt hij wellicht om Anita? Dat zal ik spoedig weten.”
Daarop trad hij zachtjes naar den ruiter en had hem weldra bereikt.
Laatstgenoemde was een man van trotsch voorkomen, olijfbruine huidkleur, magnetischen oogopslag en openhartig vastberaden gelaat.
Zijne kleeding was allerkostbaarst rijk, en ruischte van goud en diamanten. [8]
Een weinig over het linkeroor gebogen, stond zijn groote vilthoed met breeden rand, en om den bol een massief gouden golilla of lint met diamanten gesp; onder den blauw lakenschen, rijk in zilver geborduurden dolmantel, zag men een batisten hemdrok van schitterende witheid, aan den hals gesloten met een das van chineesch krip, gevat in een juweelen ring; zijne calzoneras, aan de heupen gesloten door een rood zijden gordel met gouden franjes, rijk gegalonneerd en met twee rijen diamanten knoopen bezet, was aan de knieën open en liet den daaronder gedragen calzon uitfladderen; verder een paar botas vaqueras van gestempeld leder, rijk geborduurd en onder de knie vastgemaakt met een kousenband van zilverstof; zijn manga of korte mantel, schitterend van goud en edelgesteenten, was zwierig aan den rechter-schouder opgeslagen.
Zijn paard, klein van kop en met pooten zoo fijn als weversspoelen, was allerprachtigst uitgedost: de armas de agua (holsterkappen), de zarape of mantel die over zijn kruis reikte en de kwistig met stalen kettingjes en rinkels gegarneerde anquera of staartriem, voltooiden een stel tuigen daar men zich in Europa moeielijk een idee van zou kunnen maken.
Als alle Mexicanen van zekere klasse wanneer zij zich op reis bevinden, was de onbekende van top tot teen gewapend. Behalve de gewone aan zijn zadel hangende lasso en het geweer, dat dwars over de pistoolholsters was geplaatst, had hij een langen degen op zijde en een koppel pistolen in zijn gordel, ongerekend het groote jachtmes, welks met zilver ingelegden steel men uit een zijner vaqueras-laarzen zag uitsteken.
Om kort te gaan, de man zooals hij hier door ons werd voorgesteld, was de volmaakte type van een Mexicaansch landedelman uit de provincie Sonora, altoos toegerust en gereed zich te verdedigen, in tijd van oorlog zoowel als in tijd van vrede, zonder den een te vreezen of den anderen te verachten.
Na eene beleefde buiging voor Tio-Lucas, nam hij de kaarten over die deze hem aanbood, en verschiffelde ze een poos tusschen zijne vingers, terwijl hij de oogen liet rondgaan.
»Ei! zoo!” riep hij met een vriendelijken blik op den lepero, »gij ook hier, compadre Cuchares?”
»Om u te dienen, don Martia,” antwoordde de andere met de hand even aan den verhavenden rand van zijn gebulten vilthoed.
De vreemdeling glimlachte.
»Wees zoo goed de kaart voor mij af te nemen, terwijl ik mijn pajillo aansteek.”
»Met genoegen!” riep de lepero.
El Tigrero of don Martial, hoe de lezer hem noemen wil, haalde een gouden tondeldoos uit zijn zak en sloeg op zijn gemak vuur, terwijl de lepero de kaarten voor hem trok.
»Señor,” zei laatstgenoemde met eene klagende stem. [9]
»Wel, wat is ’t?”
»Gij hebt verloren.”
»Goed. Tio-Lucas, neem honderd oncen uit mijne beurs,” vervolgde hij tegen den bankier.
»Ik heb ze, señoria,” antwoordde deze; »behaagt het u nog verder te spelen?”
»Welzeker! maar geen misére meer, hoor! want ik zou de partij gaarne animeeren.”
»Ik zal u volhouden voor al wat gij gelieft op te zetten, señoria,” hernam de bankier, wiens geoefende blik in de beurs van den onbekende, onder een tamelijk groote massa oncen, een veertig stuks diamanten had gezien van het eerste water.
»Hm! zijt gij inderdaad mans genoeg om mij vol te houden voor alles wat ik verlang op te zetten?” vroeg de onbekende.
»Ja!” zei Tio-Lucas.
De vreemdeling keek hem strak aan.
»Zelfs al speelde ik om duizend oncen?”3.
»Ik ben goed voor de dubbele som, monseñor, zoo gij het wagen durft die te verspelen,” sprak de onverstoorbare bankier.
Een minachtende glimlach plooide andermaal de trotsche lippen van den cavalier.
»Dat durf ik,” zeide hij.
»Dus twee duizend oncen?”
»Akkoord!”
»Zal ik afnemen?” vroeg Cuchares bedeesd.
»Waarom niet?” hernam de andere op luchthartigen toon.
De lepero nam de kaarten, en beefde van ontroering toen hij ze opnam.
Er volgde een oogenblik van koortsachtige belangstelling onder de spelers die rondom de tafel stonden.
Op hetzelfde oogenblik werd er in het huis waarvoor Tio-Lucas zijne monté tafel had opgericht een venster geopend, en kwam er een verrukkelijk schoone dame op het balkon te voorschijn, die achteloos met den elleboog op de balustrade leunende, met een verstrooiden blik over de straat uitkeek.
De vreemdeling wendde zich naar het balkon en verhief zich hoog in de stijgbeugels.
»Mijn eerbiedige groet aan de schoone Anita,” zeide hij, zijn hoed afnemende met eene diepe buiging.
Het meisje kreeg een blos, wierp den cavalier uit hare lange zijden wimpers een veelbeteekenenden blik toe, maar antwoordde niet.
»Gij hebt verloren, monseñor,” zei Tio-Lucas op een toon van blijdschap die hij niet geheel had kunnen ontveinzen.
»Zeer goed,” zei de vreemdeling, zonder hem eens aan te zien, [10]zoo geboeid werd hij door de bekoorlijke verschijning op het balkon.
»Gij speelt zeker niet meer?” zei Tio-Lucas.
»Integendeel, ik verdubbel.”
»Wat?” riep de bankier, die bij dit onverwachte voorstel onwillekeurig een stap achterwaarts deed.
»Ik vergis mij, ik heb u iets anders voor te stellen.”
»Wat dan, señoria?”
»Hoeveel hebt gij daar?” riep hij met een wenk van geringschatting naar de tafel wijzende.
»Daar? wel.…. zoo wat zevenduizend oncen op zijn minst.”
»Niet meer?… hm! dat is weinig.”
De omstanders staarden met eene mengeling van stomme bewondering naar den buitengewonen man die om oncen en diamanten speelde, als een ander om realen.
Het meisje op het balkon verbleekte: zij wierp den vreemden cavalier een smeekenden blik toe.
»Speel niet langer,” murmelde zij met eene bevende stem.
»Ik dank u, señorita, wel verplicht!” riep hij, »uwe schoone oogen zullen mij geluk brengen; ik zou al het goud dat daar op de tafel ligt willen geven voor de suchilbloem, die gij daar in uwe hand hebt en die uwe lippen heeft mogen aanroeren.”
»Speel toch niet langer, don Martial,” herhaalde het meisje, terstond met drift terugtredende terwijl zij het venster achter zich sloot.
Doch, hetzij bij toeval of uit eenige andere oorzaak, de suchilbloem ontglipte aan hare hand.
De cavalier liet zijn paard steigeren, ving de bloem in de vlucht op en verborg haar in zijne borst na haar vooraf gekust te hebben.
»Cuchares,” zeide hij tegen den lepero, »keer eene kaart.”
De lepero gehoorzaamde.
»Seis de copas,” zeide hij.
»Voto a brior!” riep de vreemdeling, »de kleur van het hart, wij moeten winnen. Tio-Lucas, ik speel met u op deze kaart om al het goud dat op uw tafel ligt.”
De bankier werd bleek, hij aarzelde; de omstanders hielden hem scherp in ’t oog.
»Bah!” riep hij een minuut later, »hij kan onmogelijk winnen. Ik neem het aan, monseñor,” zeide hij.
»Tel eens hoeveel gij daar hebt.”
»’t Is niet noodig, monseñor, er liggen negenduizend vierhonderdvijftig oncen goud”4.
Bij het hooren van dit ontzagwekkend cijfer slaakten de aanwezigen een kreet van verbazing en begeerigheid tegelijk.
»Ik hield u voor rijker,” zei de vreemdeling spotachtig. »Maar hoe dan ook, om negenduizend vierhonderd en vijftig oncen.” [11]
»Dezen keer zult gij afnemen, monseñor,” zei de bankier.
»Neen: ik voor mij ben vast overtuigd dat gij verliezen moet, Tio-Lucas. Ik wil u wederkeerig de zekerheid geven dat ik eerlijk gewonnen heb. Doe mij daarom het pleizier en neem zelf de kaart af; zoodoende,” vervolgde hij ironisch, »wordt gij de smid van uw eigen ondergang en kunt het aan niemand anders verwijten.”
De omstanders trantelden van genot en belangstelling toen zij zagen hoe ridderlijk de vreemdeling zich gedroeg. Binnen weinige oogenblikken was de straat letterlijk gevuld met nieuwsgierigen, die door deze buitengewone partij aangetrokken uit alle hoeken der stad samenstroomden en zich rondom de tafel verdrongen.
Weldra bedaarde het gewoel en doodstilte heerschte onder de wachtende menigte, die met ongeduld den afloop verbeidde van het ongehoord hooge spel en brandde van nieuwsgierigheid om te weten wie de gelukkige zou zijn.
De bankier wischte het zweet af dat op zijn bleek voorhoofd parelde, en met bevende hand nam hij de eerste kaart.
Eenige seconden lang balanceerde hij er mede, blijkbaar aarzelend voor het oogenblik der beslissing.
»Maak voort,” riep Cuchares ongeduldig.
Tio-Lucas liet de kaart werktuigelijk op de tafel vallen en wendde het hoofd om.
»Seis de copas!” riep de lepero met eene snerpende stem.
De bankier brulde van spijt.
»Ik heb verloren!” mompelde hij.
»Dat wist ik wel,” zei don Martial zoo bedaard als ooit. »Cuchares,” vervolgde hij, »breng die tafel met al het goud dat er op is naar doña Anita; ik wacht u heden avond, gij weet wel waar.”
De lepero maakte eene eerbiedige buiging. Met behulp van twee sterke kerels die zich daartoe gereedelijk lieten vinden, volvoerde hij het zoo even ontvangen bevel en bracht de tafel het huis in, terwijl de vreemdeling in allerijl wegreed en Tio-Lucas, reeds min of meer bekomen van den zwaren slag die hem getroffen had, zeer pacifiek een maïscigarette rolde en aan allen die hem hun ongevraagden troost zochten op te dringen toeriep:
»Ik heb verloren, dat is zoo, maar aan een zeer mooien speler en op een zeer schoone kans. Bah! later zal ik het hem wel betaald zetten, ieder op zijn beurt; hij op de zijne en ik op de mijne.”
Toen hij zijn sigaar geheel klaar gemaakt had, stak de afgestapte bankier haar aan en wandelde met rustigen tred van daar.
De menigte had geen reden meer om langer op die plaats te blijven, en verstrooide zich weldra door de stad. [12]
1 Zie de Pelsjagers van de Arkansas.↑
2 Aimard schreef dit in 1860.↑
3 Ongeveer 40.000 gulden.↑
4 Ongeveer ƒ375.000 (Historisch).↑
[Inhoud]
II.
DON SYLVA DE TORRES.
Inhoudsopgave
Guaymas is eene geheel nieuwe stad, min of meer om zoo te zeggen met den dag gebouwd, naarmate de grilligheid der emigranten zulks verkoos, zonder regel of orde, daar het stadsbestuur zich niet bemoeide met hun de rooiing voor te schrijven, hetgeen soms zoo goed als kwaad is, wanneer de bouwmeester geen smaak of kennis genoeg heeft om een stad aan te leggen of een goed bouwplan voor te schrijven. Ofschoon wij ons hier haasten te zeggen, dat er te Guaymas slechts weinige gebouwen zijn die werkelijk den naam van woonhuizen verdienen, de overige zijn niets meer dan afzichtelijke krotten en hutten, gebouwd van klei en aarde tusschen twee planken vastgestampt, even bouwvallig als ongeregeld, en onrein in den hoogsten graad.
In de calle de la Merced, de voornaamste, of liever de eenigste straat der stad, want de overige zijn weinig meer dan moddergoten, stond een huis met ééne verdieping en voorzien van een balkon, ondersteund door een peristyle van vier kolommen, gelijk de meeste huizen in Mexico. De voorgevel was met kalk van verblindende witheid bestreken en het dak was mede naar ’s lands wijze plat.
De eigenaar van dit huis, een der rijkste mineros in de Sonora, bezat een tiental mijnen, allen in volle bewerking; bovendien legde hij zich toe op de veefokkerij en bediende zich daarbij van verscheidene hacienda’s of landhoeven, over de gansche provincie verspreid, en waarvan de kleinste minstens even veel grond besloeg als een departement in Frankrijk.
Ik ben zeker dat, als don Sylva de Torres zijn fortuin had willen liquideeren en berekenen, het eenige honderde millioenen zou hebben bedragen.
Don Sylva de Torres was eerst sedert een paar jaar te Guaymas komen wonen, waar hij echter slechts nu en dan en dat nog wel bij lange tusschenpoozen, een kortstondig verblijf hield.
Ditmaal had hij, tegen zijne gewoonte, zijne dochter Anita medegebracht; daarom ook was de gansche bevolking van Guaymas opgetogen van nieuwsgierigheid en richtten aller blikken zich op het huis van don Sylva, dewijl men begreep dat er voor dit buitengewone gedrag van den haciendero gewichtige redenen moesten bestaan.
Binnen zijne woning besloten, welker deuren zich alleen voor eenige weinige bevoorrechten openden, liet don Sylva de menschen praten en zonder zich in ’t minst om de wereld te bekommeren, scheen hij ongestoord aan de verwezenlijking van zekere ontwerpen te arbeiden, wier gewicht hem belette te onderzoeken wat anderen van hem spraken of dachten. [13]
Ofschoon de Mexicanen geweldig rijk zijn en zich gaarne veel op hunne schatten laten voorstaan, hebben zij geen het minste idee van gemak of genot en leven zij doorgaans in de grootste zorgeloosheid. Hunne weelde, zoo men haar dien naam kan geven, is woest, plomp, onverstandig en zonder eenige levenswaarde.
De rijken, meerendeels aan het ruwe leven der Amerikaansche wildernis gewoon en voortdurend gehard tegen de ongemakken van een vaak doodelijk klimaat en de gedurige invallen der Indianen, die hen van alle zijden insluiten, kampeeren zich in de steden veel meer dan dat zij er eigenlijk wonen, en meenen zich reeds vrij wel te hebben uitgesloofd wanneer zij op eene onverantwoordelijke wijs oncen goud en diamanten als dwazen hebben verkwist of weggesmeten.
De Mexicaansche woonhuizen zijn dáár om de juistheid van dit ons oordeel te bewijzen. Behalve de onmisbare Europeesche piano, die in een hoek van iedere salon ongebruikt staat, ziet men er niets dan eenige ongemakkelijke butacca’s, slecht gemaakte tafels, slecht geteekende en bontgekleurde kunstplaten aan de wit gekalkte muren opgehangen, ziedaar alles.
De woning van don Sylva verschilde in geenen deele van de overigen, en gelijk overal, moesten de paarden om van den stal naar het wed en van daar weder naar den stal te komen, druipnat de groote voorzaal of vestibule door, waar zij in den vloer met hunne hoeven reeds menigen tegel gebroken en diepe sporen hadden achtergelaten.
Op het oogenblik dat wij den lezer in het huis van Sylva de Torres binnenleiden, zaten twee personen, een man en eene vrouw, in het salon samen te praten, althans bij lange tusschenruimten eenige woorden te wisselen.
Deze twee personen waren don Sylva en zijne dochter Anita.
De kruising van het Spaansche met het Indiaansche menschen-ras, heeft de schoonste plastische vormen voortgebracht die men zich verbeelden kan.
Don Sylva, ofschoon reeds bijna vijftig jaar oud, scheen nog nauwelijks veertig; bij eene hooge welgemaakte gestalte voegde zich eene edele houding en gang, en een streng gelaat, maar gepaard met groote goedwilligheid. Hij droeg de Mexicaansche kleeding in haren zuiversten vorm, maar zoo kostbaar en zoo rijk versierd, dat slechts weinigen zijner landgenooten hem hadden kunnen evenaren, veelmin overtreffen.
Anita, in gemakkelijke houding op de kanapé uitgestrekt, half verscholen in golven van zijde en gaas, als een kolibrietje in het donzige mos, was een aanminnig kind van hoogstens zeventien of achttien jaar; hare zwarte, door lange fluweelen wimpers zedig gesluierde oogen, tintelden van zoete beloften, die geenszins werden gelogenstraft door de slanke en mollige omtrekken van haar fijngevormde leest. Tot in hare minste bewegingen bezat zij eene gratie [14]en majesteit daar de liefelijke glimlach van hare koralen lippen de hartveroverende kroon opzette. Haar frissche kleur, min of meer verguld door de warme zon van Middel-Amerika, gaf aan haar gelaat eene betooverende uitdrukking die zich moeielijk laat beschrijven; in een woord, over haar gansche persoon zweefde een bekoorlijk waas van onschuld, eenvoudigheid en oprechtheid, dat harten en zinnen boeide en sympathie en liefde gebood.
Even als alle Mexicaansche schoonen wanneer zij zich binnenshuis bevinden, droeg zij eene lichte robe van gebrocheerd mousseline; de gazen rebozo of sluier was achteloos over hare schouders geworpen en eene versche tuil van zomerbloemen tooide hare blauwzwarte lokken met een ambergeurige kroon.
Anita scheen te droomen; somwijlen trokken de wenkbrauwbogen zich donkerder samen onder den drang der gedachten die haar bestormden; haar boezem golfde nu en dan bij dieper ademhaling en de kleine, fijn geënkelde voeten, in pantoffels van zwanendons gestoken, trappelden wel eens ongeduldig op den grond.
Ook don Sylva de Torres scheen ontevreden; na een strengen en ernstigen blik op zijne dochter, stond hij op, trad naar haar toe en sprak:
»Gij zijt een dwaas kind, Anita; uwe handelwijs is buitensporig, eene welgeboren jonge dochter mag in geen geval handelen zoo als gij gehandeld hebt.…”
De jeugdige Mexicaansche antwoordde alleen met een veelbeteekenend pruilend mondje en haalde bijna onmerkbaar de schouders op.
Haar vader vervolgde.
»Vooral niet,” zeide hij, met nadruk op iedere syllabe, »in uwe positie tegenover den graaf de Lhorailles.”
Het meisje richtte zich op als of zij door een adder gestoken was en met een vragenden blik naar het onverbiddelijk gelaat van den haciendero antwoordde zij:
»Ik begrijp u niet, vader.”
»Begrijpt gij mij niet, Anita? Dat kan ik kwalijk gelooven. Heb ik dan uwe hand niet aan den graaf beloofd?”
»Wat maakt dat uit, daar ik hem toch niet bemin. Wilt gij mij dan doemen om mijn geheele leven ongelukkig te zijn?”
»Integendeel, het is uw geluk dat ik met deze vereeniging beoog. Ik heb niemand dan u, Anita, om mij te troosten over het smartelijk verlies van uwe beminde moeder. Arm kind; gij zijt goddank nog in dien door den hemel gezegenden leeftijd, waarin het hart bijna niets weet van zich zelven en de woorden geluk en ongeluk nog geene beteekenis hebben. Gij bemint den graaf niet, zegt gij; nu goed; uw hart is vrij; als gij later in staat zult zijn de edele hoedanigheden te waardeeren van hem dien ik u tot echtgenoot geef, dan zult gij mij dankbaar zijn dat ik u tot een huwelijk riep, waarin gij heden zooveel reden van droefheid ziet.” [15]
»Maar, vader,” riep het meisje met een verdrietig gezicht, »mijn hart is niet vrij, dat weet gij wel.”
»Ik weet alleen, doña Anita de Torres,” hervatte de haciendero streng, »dat eene liefde die uwer en mijner onwaardig is in uw hart geen plaats kan grijpen. Door mijne voorvaderen ben ik Cristiano Veyo en zoo er al eenige droppels Indiaansch bloed in mijne aderen vloeien, heb ik des te dieper in mijne ziel gegrift wat ik aan mijne voorouders verschuldigd ben. Onze eerste stamvader Antonio de Sylva, luitenant van Fernando Cortez, huwde wel is waar met eene Mexicaansche prinses uit het geslacht van Montecuzoma, maar al onze overige stamgenooten zijn Spanjaarden.”
»Zijn wij dan geen Mexicanen, vader?”
»Helaas! arm kind, wie kan zeggen wat wij zijn, of worden zullen? Ons ongelukkig land, sedert het de Spaansche dwingelandij afschudde, verkeert in een staat van beroering, en put zich uit onder de herhaalde pogingen der heerschzuchtigen van de lagere klasse, die binnen korte jaren eindigen zullen met ons zelfs de nationaliteit te ontrukken, daar wij zoo lang naar gestreefd en die wij met zooveel moeite verworven hebben. Deze schandelijke burgeroorlogen stellen ons ten spot voor andere volken en zijn de vreugd van onze hebzuchtige naburen, die de oogen onafgewend op ons gevestigd houden, en gereed staan onze schatten onder zich te verdeelen, daar zij reeds de eerstelingen van hebben geroofd door ons eenigen onzer rijkste provinciën te ontweldigen.”
»Maar, vader, ik ben eene vrouw en bij gevolg weet ik niets van de politiek; ik heb niets met de gringos te maken.”
»Meer dan gij denkt, meisje. Ik wil niet dat na zeker tijdsverloop de onmetelijke bezittingen, die mijne voorouders en ik door kracht van arbeid zich verworven hebben, t’ eenigen dage de prooi worden van die vervloekte ketters. Dit is de reden waarom ik, ten einde mijne bezittingen te redden, besloten heb u aan den graaf de Lhorailles uit te huwelijken. Hij is Franschman, en hij behoort tot een der eerste familiën van dat land; bovendien is hij een schoon en krijgshaftig ridder van nauwelijks dertig jaar; bij zijne natuurlijke gaven voegt hij de lofwaardigste zedelijke hoedanigheden; hij behoort tot eene machtige en geachte natie, die hare kinderen, in welken hoek der aarde zij zich ook bevinden, weet te beschermen. Door hem te huwen is uw fortuin tegen iederen staatkundigen rampspoed gewaarborgd.”
»Maar ik bemin hem niet, vader.”
»Kleingeestigheid, lief kind, spreken wij er niet langer over, ik wil u de dwaasheid wel vergeven waaraan gij u eenige oogenblikken hebt schuldig gemaakt, doch onder voorwaarde dat gij don Martial uit uwe gedachten stelt.”
»Nooit!” riep zij standvastig.
»Nooit? dat is zoo lang, dochter, gij zult u wel bedenken, dat [16]weet ik zeker. En daarbij, wie is die man? Waar komt hij vandaan? Kent gij hem? Men noemt hem Martial el Tigrero, vota a Dios! Is dat een naam! Die man ja, heeft uw leven gered door uw paard op te houden toen het met u doorging, maar is dat nu eene reden waarom hij op u verlieven moet, en gij op hem? Ik heb hem een schitterende belooning aangeboden, die hij met de meeste verontwaardiging heeft van de hand gewezen; hiermede is alles geëindigd, hij late mij nu met vrede; ik wil niets meer met hem te doen hebben.”
»Hem bemin ik, vader, en geen ander,” hernam zij.
»Hoor eens, Anita, als gij zoo voortgaat verlies ik mijn geduld, het kost mij moeite bedaard te blijven, derhalve genoeg hiervan, en houd u gereed om den graaf de Lhorailles naar behooren te ontvangen. Ik heb gezworen dat hij uw echtgenoot wordt, en bij den hemel! dat zal hij, al zou ik u met geweld naar het altaar voeren.”
De haciendero sprak deze woorden op zulk een vastberaden en onverzettelijken toon, dat Anita terstond begreep liever te moeten zwichten, al was het ook in schijn, dan een redetwist voort te zetten die slechts bitterder kon worden en misschien de ergste gevolgen zou na zich slepen; zij boog dus het hoofd en zweeg, terwijl haar vader met groote stappen en een ontevreden gezicht het salon op en neder trad.
De deur ging open en een peon stak bescheiden het hoofd door de kier.
»Wat wilt gij?” vroeg don Sylva stilstaande.
»Señoria, antwoordde de knecht, »een caballero, gevolgd door vier anderen met eene tafel vol goud, verlangt de señorita te spreken.”
De haciendero wierp een onbeschrijfelijken blik op zijne dochter.
Doña Anita boog in verwarring het hoofd.
Don Sylva dacht een oogenblik na, en toen helderde zijn gelaat op. »Laat hem binnenkomen,” zeide hij.
De peon ging heen, maar keerde een paar minuten later terug ten geleide van onzen ouden kennis Cuchares, altijd in zijn gescheurde zarapé en gevolgd door vier leperos, die een zwaar beladen tafel droegen.
Terwijl Cuchares de zaal binnentrad, nam hij eerbiedig den hoed af, maakte voor den haciendero en zijne dochter eene hoffelijke buiging en wenkte de dragers om de tafel midden in het salon te plaatsen.
»Señorita,” zeide hij op vleienden toon, »señor don Martial, getrouw aan het woord dat hij aan u gaf, verzoekt u nederig het goud aan te nemen dat hij met de monté gewonnen heeft, als een gering bewijs van zijne hulde en gehechtheid aan u.”
»Kerel!” brulde don Sylva toornig, hem een stap te gemoet gaande, »weet gij niet in wiens tegenwoordigheid gij u bevindt?”
»Ja, señor, in tegenwoordigheid van doña Anita en haar eerbiedwaardigen vader,” antwoordde de schelm zonder in ’t minst verlegen te worden, terwijl hij zich statig in zijn geplukten mantel wikkelde, »en zooveel ik weet heb ik jegens geen van beiden den verschuldigden eerbied verzuimd?” [17]
»Vertrek oogenblikkelijk en breng dat goud weer weg, daar mijne dochter niets mede te maken heeft.”
»Verschoon mij, señoria, ik heb dat goud ontvangen om het hier te brengen, en met uw verlof zal ik het hier laten; don Martial zou het mij nooit vergeven als ik anders deed.”
»Ik ken geen don Martial, of hoe gij hem ook noemt die u zendt, ik wil met hem volstrekt niets te doen hebben.”
»Dat kan wel waar zijn, señoria; maar dat gaat mij niet aan, dat moogt gij naar goedvinden zelf met hem uitmaken; wat mij aangaat, nu ik mijn boodschap verricht heb, kus ik u de handen en ga heen.”
En met eene nieuwe buiging voor de beide personages, trad de lepero vol majesteit de salon uit, met afgemeten stappen, gevolgd door zijne vier handlangers.
»Nu mijne dochter,” riep don Sylva buiten zich zelven van drift, »nu ziet gij eens aan welk een hoon ik door uwe dwaasheid blootsta.”
»Een hoon! vader?” antwoordde zij bedeesd: »integendeel, ik vind dat don Martial zich gedraagt als een echt caballero en dat hij mij een groot bewijs van zijne liefde geeft: het is eene onmetelijke som.”
»Ha! zoo,” zei don Sylva toornig, »denkt gij er zoo over! welnu dan zal ik ook doen als een caballero, voto a brios! dat zult gij zien.—Hola! help even!”
Er kwamen eenige peons binnen.
»Zet de vensters open!”
De bedienden gehoorzaamden.
De volksverzameling had zich nog niet verstrooid, een groot aantal menschen stonden nog altijd voor het huis of zwierven in den omtrek.
De haciendero boog naar het venster en keek naar buiten. Hij wenkte het volk, om stilte te verzoeken.
Werktuigelijk zweeg de woelige menigte en trad naderbij, als gevoelde zij dat er voor haar iets van belang zou gebeuren.
»Señores caballeros y amigos!” riep de haciendero met luider stem, »iemand, dien ik niet ken, heeft mijne dochter het goud durven aanbieden, dat hij met de monté gewonnen had. Doña Anita versmaadt zulke geschenken, bovenal wanneer zij van een persoon afkomstig zijn, met wien zij noch door vriendschap, noch door eenige andere betrekking verbonden is. Zij verzoekt mij dit goud, dat zij zelfs niet zou willen aanraken, onder u te verdeelen, ten einde daardoor in het openbaar en voor u allen te bewijzen hoe diep zij den man veracht, die haar zoo heeft durven beleedigen.”
Deze geïmproviseerde toespraak van den haciendero werd door de leperos en andere voor het huis saamgeschoolde bedelaars, die hem met begeerige blikken aanstaarden, met een daverend hoerah beantwoord.
Anita voelde de tranen op hare oogleden branden, ondanks hare uiterste pogingen om zich goed te houden; haar hart dreigde te bersten. [18]
Zonder zich echter om zijne dochter te bekommeren, gaf don Sylva zijne bedienden order om de oncen op straat te werpen.
Toen begon er letterlijk een gouden regen op het verbaasde volk af te dalen: de arme schooiers stormden van alle kanten toe en wierpen zich als razenden op het blinkend metaal als of er in tijd van hongersnood brood uit den hemel viel.
De calle de la Merced bood het zonderlingste schouwspel dat men zich kan verbeelden.
Het regende maar altoos goud, goud, goud, de gele schijven vlogen in alle richtingen, het scheen onuitputtelijk.
De geplukte en gelapte leperos stortten zich als uitgehongerde coyotes op het kostelijk metaal, de sterksten verdrongen de zwakkeren, de zwaksten geraakten onder de voet en werden vertrapt.
Onder het hevigst van deze stortbui kwam er een ruiter in vliegenden galop aanrijden.
Verbaasd over hetgeen hij zag, bleef hij een oogenblik staan om rond te kijken; toen gaf hij zijn paard opnieuw de sporen en door het uitdeelen van karwatsslagen links en rechts, gelukte het hem de dicht opeengepakte menigte te verdeelen, die als een onstuimige zee naar weerszijde der straat uiteenstoof, en zoo baande hij zich een weg naar het huis van den haciendero, dat hij terstond binnen reed.
»Daar is de graaf de Lhorailles,” zeide don Sylva lakonisch tegen zijne dochter.
Werkelijk trad de graaf eenige oogenblikken later de salon binnen.
»Hoe is het met u!” riep hij op den dorpel staan blijvende, »hoe kwaamt gij op dien zonderlingen inval, don Sylva? Bij mijne ziel! gij schijnt u te amuseeren met uwe millioenen het raam uit te werpen, tot groot genoegen der leperos en andere gauwdieven van dezelfde soort.”
»Ah! zijt gij daar, mijnheer de graaf,” antwoordde de haciendero kalm, »ik heet u welkom, en ik ben tot uwe dienst, nog slechts weinige handvollen en ik heb gedaan.”
»Laat ik u niet storen” lachte de graaf, »ik moet bekennen, de grap is recht origineel,” en zich thans tot het meisje wendende, dat hij met de uitstekendste wellevendheid groette, vervolgde hij: »Ei—lieve, señorita, geef mij toch de oplossing van die raadselachtige zaak, want ik verklaar u dat ik er ten hoogste nieuwsgierig naar ben die te hooren.”
»Dat moet gij aan mijn vader vragen, señor,” antwoordde zij met zekere stroefheid, die alle verdere samenspreking onmogelijk maakte.
De graaf hield zich alsof hij deze koele ontvangst niet opmerkte, maakte een statige buiging en wierp zich glimlachend op eene butacca.
»Dan zal ik een weinig wachten,” zeide hij achteloos. »Ik heb geen de minste haast.”
Toen de haciendero aan zijne dochter zeide, dat de man dien hij [19]voor haar bestemde een schoone cavalier was, bleek thans, dat hij geen vleitaal gesproken had. De graaf Maxime Gaëtan de Lhorailles was iemand van hoogstens dertig jaar, lenig en vlug van gestalte en een weinig boven de middelbare lengte. Zijne blonde haren teekenden hem als een zoon van het Noorden; zijne trekken waren schoon, zijn oogopslag vol uitdrukking, zijne handen en voeten droegen het kenmerk zijner afkomst; alles duidde bij hem den edelman van echten stempel aan, en indien dus don Sylva zich in hem evenmin bedroog wat het moreele als wat het uitwendige betrof, was de graaf de Lhorailles een volmaakt cavalier.
Eindelijk had de haciendero al het goud dat door Cuchares was binnengebracht het raam uitgesmeten; op hare beurt vloog thans de tafel die straat op, hij gaf order de vensters te sluiten en keerde in zijne handen wrijvende naar den graaf terug om naast hem te gaan zitten.
»Zie zoo!” zeide hij met een vroolijk gezicht, »dat is afgedaan, nu ben ik geheel tot uwe dienst.”
»Vooraf een woord.”
»Spreek.”
»Neem mij niet kwalijk, gij weet, ik ben vreemdeling, en als zoodanig laat ik mij gaarne onderrichten.”
»Ik hoor u.”
»Sedert ik in Mexico woon heb ik al vrij wat zonderlinge gebruiken gezien, zoo dat ik bijna onvatbaar ben om door iets nieuws getroffen te worden; intusschen moet ik u bekennen, dat hetgeen ik hier in de laatste oogenblikken zag, alles overtreft wat ik tot dusver heb waargenomen. Ik zou gaarne willen weten wat dit beduidt en of het misschien een gebruik is dat mij tot hiertoe ontsnapte.”
»Waar spreekt gij toch van.”
»Wel, hoe kunt gij dat nog vragen, van hetgeen ik u juist zag doen toen ik binnenkwam, dat goud, dat gij met milde hand uitstrooidet en als een weldadige regen over de bandieten en bedelaars van allerlei slag, die zich voor uw huis hadden verzameld, deedt nederruischen; het zijn onder ons gezegd leelijke planten om ze op die wijs te begieten.”
Don Sylva begon te lachen.
»Neen,” antwoordde hij, »dat is geen gewoonte.”
»Zeer goed. Dus was het alleen een vorstelijke tijdkorting om zoo een millioen voor het janhagel te smijten? Te duivel, don Sylva, men moet zoo rijk zijn als gij, om zich zulk eene gril te veroorloven.”
»Dat denkt gij toch niet in goeden ernst.”
»Ik heb intusschen de oncen zien regenen.”
»Dat is zoo, maar ze waren niet van mij.”
»Al mooier en mooier, dat wordt ingewikkeld, gij maakt mij inderdaad meer en meer nieuwsgierig.” [20]
»Ik zal u voldoening geven.”
»Ik ben geheel oor, want het is voor mij zoo onderhoudend als eene Arabische nachtvertelling.”
»Hm!” riep de haciendero hoofdschuddend, »het gaat u misschien nader aan, dan gij vermoedt.”
»Is het mogelijk?”
»Dat moogt gij zelf beoordeelen.”
Doña Anita lag als op de pijnbank; zij wist niet hoe zij zich houden moest: wel begrijpende dat haar vader alles aan den graaf zou vertellen, had zij den moed niet om deze toelichting af te wachten en stond zij wankelend op.
»Mijne heeren,” zeide zij met eene zwakke stem, »ik gevoel mij ongesteld; weest zoo goed en veroorlooft mij om heen te gaan.”
»Inderdaad,” riep de graaf opstaande en naar haar toeloopend om haar zijn arm te bieden en te ondersteunen, »gij zijt bleek, doña Anita, sta mij toe u naar uwe kamer te geleiden?”
»Ik dank u, caballero,” zeide zij; »ik gevoel mij sterk genoeg om alleen te gaan, en ofschoon erkentelijk voor uw aanbod ben ik zoo vrij om het af te wijzen.”
»Zoo als u behaagt, señorita,” zei de graaf, heimelijk gebelgd over deze weigering.
Don Sylva stond eene enkele seconde in beraad om zijne dochter te bevelen te blijven, maar het arme kind wierp hem zulk een wanhopigen blik toe, dat hij den moed niet bezat haar eene langere foltering op te leggen.
»Ga, mijn kind,” zeide hij.
Het meisje haastte zich van deze vergunning gebruik te maken, snelde de zaal uit en nam de vlucht naar hare slaapkamer, waar zij zich opsloot, op een stoel neerzonk en in tranen uitbarstte.
»Wat schort er toch aan doña Anita?” vroeg de graaf vol belangstelling toen zij vertrokken was.
»Vapeurs, hoofdpijn, zenuwen, wat weet ik het?” antwoordde de haciendero schouderophalend; »alle jonge meisjes zijn zoo; over eenige oogenblikken zal zij het reeds vergeten zijn.”
»Des te beter! ik moet u bekennen dat ik ongerust was.”
»Nu wij alleen zijn, wilt gij misschien de oplossing niet meer hooren van het raadsel dat u zooveel belang scheen in te boezemen?”
»Neen zeker. Spreek zonder verder uitstel, ik heb u van mijn kant een aantal gewichtige zaken mede te deelen.” [21]
[Inhoud]
III.
TWEE OUDE KENNISSEN VAN DEN LEZER.
Inhoudsopgave
Op ongeveer vijf mijlen afstand van Guaymas ligt het kleine dorp San José, in de wandeling de Rancho genaamd.
Deze armzalige pueblo of buurtschap bestaat slechts uit een plein van geringe grootte, rechthoekig gekruist door twee straten, met bouwvallige steenen huizen, deels bewoond door Hiaquis-Indianen, die jaarlijks in grooten getale naar Guaymas gaan arbeiden, als havenwerkers, timmerlieden, commissionairs enz., deels ook door die avonturiers en gelukzoekers zonder eer of deugd, daar het aan de oevers der Stille Zuidzee sedert de ontdekking der goudmijnen in Californië van wemelt.
De weg van Guaymas naar San José loopt door een dorre zandige streek, waar slechts enkele nopalplanten en verkreupelde cactus opschieten, wier verdroogde en met stof overdekte takken of bladen er bij nacht uitzien als witte spoken.
In den avond van den dag waarmede ons verhaal begint, reed een eenzame ruiter, tot aan de oogen in zijn mantel gewikkeld in vliegenden galop naar de Rancho.
De donkerblauwe hemel was met duizend fonkelende sterren bezaaid; de maan, in haar eerste kwartier, verlichtte de zwijgende velden en verlengde tot in ’t oneindige de schaduw van het geboomte over de kale aarde.
De ruiter, zonder twijfel haast hebbende om het doel eener reis te bereiken, die in dat late uur gevaarlijk genoeg was, zette zijn paard onophoudelijk aan met spoorslag en stem, ofschoon het moedige dier blijkbaar geen bijzondere aansporing noodig had.
Reeds was onze ruiter de onbebouwde landen voorbij en op het punt om een dicht woud van Peruboomen in te rijden, dicht in de nabijheid der Rancho, toen zijn paard eensklaps een zijsprong maakte en zich op de vier beenen pal zette, met schuwe blikken en achterwaarts gestreken ooren.
Een kort en knetterend geluid bewees dat de ruiter zijne pistolen wapende; na deze onverhoedsche voorzorg wierp hij een bespiedenden blik om zich heen.
»Vrees niets, caballero!” riep eene moedige vertrouwelijke stem; »en wijk maar een weinig rechtsaf uit, als het u niet schelen kan.”
De ruiter keek voor zich naar den grond en zag bijna onder de hoeven van zijn draver een man geknield liggen, met den kop van een paard in de hand, dat dwars over den weg lag.
»Wat duivel doet gij daar?” vroeg hij.
»Wat gij ziet,” antwoordde de andere bedrukt, »ik neem voor ’t laatst afscheid van mijn armen reisgenoot; men moet een geruimen [22]tijd in de wildernis geleefd hebben om te begrijpen hoe veel zulk een vriend waard is.”
»Dat stem ik u toe,” riep de vreemdeling, en hij steeg terstond af. »Maar is hij dan dood?” vervolgde hij.
»Neen, nog niet; maar ongelukkigerwijze is hij er daarom niet te beter aan toe.”
Hier zuchtte hij.
De onbekende bukte over het paard, dat aan al zijne leden lag te stuiptrekken, schoof het de oogleden open en bekeek het aandachtig.
»Uw paard heeft eene ophooping van bloed in de hersenen,” zeide hij kort daarna; »laat mij even begaan.”
»O!” riep de andere, »ziet gij nog kans hem te redden?”
»Ik hoop ja,” antwoordde de eerste lakoniek.
»Caraï! als gij dat kondt, zijn wij vrienden in leven en sterven. Die arme Negro! mijn oude kameraad op zoo menige reis.”
De ruiter wiesch de slapen van het paard met een mengsel van water en rum; na verloop van eenige minuten scheen het beest weer bij te komen, zijn dof en beneveld oog schitterde weder en het deed eene poging om op de beenen te komen.
»Houd hem goed vast,” zei de onverhoopte paardenarts.
»Wees maar niet bang, mijn beest. Stil, stil, Negro! stil, beste jongen! quieto, quieto, het is tot uw bestwil,” riep hij, zijn paard streelende.
Het schrandere dier scheen het wel te begrijpen, het stak den kop naar zijn meester op en gaf hem antwoord met een klagend gehinnik.
Intusschen had de ruiter iets uit zijn gordel gehaald, en boog hij opnieuw over het paard.
»Houd hem vooral goed vast,” waarschuwde hij opnieuw.
»Wat gaat gij doen?”
»Ik zal hem aderlaten.”
»Ja, dat is het, dat wist ik wel, maar ik dorst het alleen niet wagen, uit vrees dat ik hem zou dooden door hem te willen redden.”
»Hebt gij hem goed vast?”
»Ja. Ga uw gang.”
Plotseling maakte het dier eene felle beweging toen hij het koude staal en den prik voelde, maar zijn meester hield hem zoo ferm vast dat hij zich niet verroeren kon.
Er volgde voor de beide mannen eene angstvolle minuut; het bloed kwam niet te voorschijn, eindelijk verscheen op de plek van het priksel een zwarte droppel, daarna een tweede weldra gevolgd door een derde en opeens sprong er een straal zwart en schuimend bloed naar buiten.
»Hij is behouden!” riep de ruiter terwijl hij zijn lancet afveegde en weder in zijn foudraal borg.
»Dat zal ik u vergelden, zoo waar als ik Goedsmoeds heet!” riep de eigenaar van het geredde paard; »gij hebt mij een van die diensten bewezen die men nooit weder vergeet.” [23]
En met onweerstaanbare drift greep hij de hand van den man, dien hij zoo ter goeder ure op zijn pad ontmoet had. Deze beantwoordde zijn handdruk met gelijke warmte. Voortaan hadden zij elkander trouw gezworen; deze twee mannen, die nauwelijks eenige minuten te voren elkaar niet kenden, en niet wisten dat de andere in de wereld was, waren voor altijd vrienden geworden, door een van die kleine maar gewichtige diensten, die in de Amerikaansche wildernissen zoo oneindig veel waarde hebben.
Intusschen werd het bloed allengs minder zwart, het werd purperrood en vloeide mild, de adem van het paard, eerst hijgend en schokkend, werd gemakkelijk en regelmatig. De onbekende zette de lating nog een poos voort; eerst toen hij dacht, dat het paard op den goeden weg was, stopte hij den bloedstraal.
»Wat denkt gij thans te doen?” vroeg hij aan den andere.
»Waarachtig als ik het weet, uwe hulp heeft mij zooveel dienst gedaan, dat ik niets beter kan doen dan hetgeen gij mij raden zult.”
»Waarheen was uw weg toen u dit ongeval overkwam?”
»Naar de Rancho.”
»Dat was ook de mijne; wij zijn er niet ver meer vandaan, gij stijgt achter mij te paard, wij nemen uw paard aan den teugel mede, en vertrekken zoodra gij wilt.”
»Ik kan niets beter wenschen. Denkt gij dat mijn paard mij niet zou kunnen dragen?”
»Misschien zou hij het wel doen kunnen, want het is een flink beest; maar dat ware niet voorzichtig, gij zoudt gevaar loopen het te verliezen; het is beter dat gij het middel te baat neemt dat ik u aanwees.”
»Ja, maar ik vrees nu.…”
»Wat vreest gij?” viel de andere hem met drift in de rede, »wij zijn immers vrienden?”
»Dat is waar. Ik neem het aan.”
Het kranke paard stond uit eigen beweging op, en de twee mannen, die elkander zoo zonderling hadden ontmoet, namen de reis aan zooals gezegd was, gezeten op hetzelfde paard.
Geen twintig minuten waren er noodig, of zij bereikten de eerste huizen der Rancho.
Aan den ingang van het dorp hield de man die het paard bestuurde stil en wendde zich tot zijn tochtgenoot.
»Waar wilt gij afstijgen?” vroeg hij.
»Dat is mij onverschillig,” antwoordde de andere; »ik vind mij overal thuis; laten wij samen gaan waar gij gaat?”
»Ja!” riep de ruiter zich het oor krabbende, »ik ga eigenlijk niet bepaald ergens heen.”
»Hoedat! nergens heen?”
»Mijn hemel, neen. Ik zal u dit aanstonds verklaren. Ik ben eerst heden morgen te Guaymas ontscheept; de Rancho is mijn eerste [24]pleisterplaats op eene reis die ik naar de wildernis onderneem, en die waarschijnlijk van langen duur zal zijn.”
In het heldere maanlicht, dat den vreemdeling op dit oogenblik juist in het aangezicht scheen, lette zijn kameraad eenige seconden op diens edel en nadenkend gelaat, waarop de smart of de tegenspoed reeds diepe voren schenen geploegd te hebben.
»Gij wilt dus zeggen,” sprak hij eindelijk, »dat alle logementen u even welkom zijn?”
»Een enkele nacht is spoedig voorbij. Ik verlang alleen huisvesting voor mij en mijn paard.”
»Welnu, als gij mij dan vergunt u op mijne beurt als gids te dienen, zal ik u binnen tien minuten daarvan voorzien.”
»Dat neem ik aan.”
»Ik beloof u wel is waar geen paleis, maar ik zal u brengen in eene pulqueria, waar ik zelf gewoonlijk mijn intrek neem als het geval wil dat ik deze streek uitkom. Gij zult er een min of meer gemengd gezelschap aantreffen; maar wat geeft gij daar om, er zit niets anders op en, zoo als gij wel zegt, het is maar om één kwaden nacht te doen.”
»Zoo als ’t God b’lieft! laten wij gaan.”
Thans zijne armen onder die van zijn kameraad doorstekende, nam de nieuwe gids de teugels, en wendde het paard naar een huis, dat ongeveer in de helft der straat lag waar zij zich bevonden, en uit welks half gesloten vensters het fakkellicht in de nachtelijke duisternis blonk als uit de gaten van een oven, terwijl het gejoel, gelach en gezang, vermengd met het hortend gekras der jarabes, hun tegenklonk, ten bewijze dat, ofschoon in het dorp alles sliep, daar ten minste nog alles wakker en in vollen gang was.
Voor de deur dezer herberg van lager allooi hielden de beide vreemdelingen stil en stegen af.
»Is uw besluit stellig genomen?” vroeg de eerste aan zijn kameraad.
»Stellig en zeker,” antwoordde deze.
De gids klopte nu met de hand op de vermolsemde deur.
Het duurde vrij lang eer men antwoord gaf; eindelijk riep eene rauwe stem aan de binnenzijde, terwijl het geraas en getier dat tot dusver daar binnen heerschte als op een tooverslag zweeg, en door de diepste stilte werd afgewisseld.
»Quien vive?”
»Gente de paz!” antwoordde de vreemdeling.
»Hm!” riep de stem, »dat is geen naam. Hoe is het weer buiten?”
»Eens voor al en alles voor één! de cormuel1 blaast dat de buffels van de Cerro-del-Huerfano afwaaien.”
Oogenblikkelijk werd de deur geopend, en de reizigers traden binnen. [25]
In ’t eerst konden zij in de zaal niets onderscheiden vanwege den dikken rook, en stapten zij op den tast voort.
De gids scheen echter in dit berenhol goed bekend te zijn, want zoowel de kastelein als verscheidene der gasten drongen zich om strijd om hem heen.
»Caballeros,” zeide hij op den persoon wijzende die hem volgde, »deze señor is mijn vriend, ik verzoek u hem met de meeste onderscheiding te behandelen.”
»Hij zal op gelijke wijze ontvangen worden als gij zelf, Goedsmoeds,” antwoordde de man die in de herberg kastelein scheen te zijn, »uwe paarden zijn reeds naar de corral gebracht, waar men hun ieder een schoof haver heeft gegeven. Wat u zelven betreft is het huis tot uwe dienst, gij kunt er naar welgevallen over beschikken.”
Onder het wisselen dezer komplimenten, hadden de vreemdelingen zich door de menigte een weg weten te banen; zij waren de zaal doorgegaan en met veel moeite was het hun gelukt zich in een hoek neder te zetten, aan eene tafel waarop de kastelein zelf de noodige pulque, mezcal, chinguirito, catalonische refino en xeres-wijn geplaatst had.
»Caramba! señor Huespad (hospes),” riep de eene vreemdeling, dien men reeds eenige malen Goedsmoeds had genoemd, »gij zijt mild vandaag.”
»Ziet gij dan niet dat ik een angelito (engeltje) heb,” antwoordde de kastelein ernstig.
»Alzoo is uw zoontje Pedrito.…”
»Hij is gestorven! ik tracht mijne vrienden zoo goed mogelijk te ontvangen, opdat mijn arme kind des te feestelijker in den hemel zal ontvangen worden, het heeft nog nooit zonde gedaan en is nu een engeltje bij God.”
»Dat is waar,” zei Goedsmoeds, terwijl hij zijn glas aansloeg met dat van den vader, die zoo weinig zieletroost scheen te behoeven.
Deze dronk zijn glas refino in een enkele teug ledig en verwijderde zich.
De vreemdelingen, bereids aan den hen omgevenden atmospheer gewoon, wierpen thans een blik in het rond.
De gelagkamer der pulqueria bood een allerzonderlingst, ja een aanstootelijk schouwspel.
In het midden stond eene tafel, aan welke een tien- of twaalftal personen met schelmengezichten, in geplukte costumen en tot aan de tanden gewapend, druk monté speelden.
Als eene vreemde bijzonderheid, die echter geen der aanwezige spelers scheen te verwonderen, dient te worden vermeld, dat er rechts van den bankhouder, een ponjaard in de tafel was geplant, terwijl er twee pistolen aan zijne linkerzijde lagen. Eenige stappen van daar waren een troep mannen en vrouwen meer dan half beschonken aan ’t zingen en dansen, met walgelijke gebaren en woeste kreten, [26]op de ruwe muziek van twee of drie vihuelas en jarabes. In een minder luidruchtigen hoek der zaal stond een dertigtal personen om eene andere tafel verzameld, in het midden waarvan, op een kleinen stoel van bamboes, een kind van hoogstens vijf jaar gezeten was. Dit kind presideerde als ’t ware de vergadering, het had zijne beste kleertjes aan, een krans bloemen om het hoofd, terwijl een menigte bloemen rondom hem op de tafel gestrooid lagen.
Maar helaas het voorhoofd van dit kind was verbleekt, de oogen stonden verglaasd, de wangen waren loodblauw, hier en daar met violetkleurige vlekken, en het gansche lichaam zoo koud en stijf als een lijk, want het kind was dood: dat was nu het engeltje, welks intrede in den hemel door den pulquero zoo feestelijk gevierd werd.
Zoowel vrouwen als mannen en kinderen dronken en lachten, terwijl zij aan de arme moeder, die de heldhaftigste pogingen deed om niet in tranen uit te barsten, als om strijd herinnerden hoe voorspoedig, schrander en goedaardig het lieve kind geweest was dat zij verloren had.
»Ik vind dat ergerlijk en akelig,” mompelde de eerste reiziger met een beweging van afschuw.
»Niet waar?” antwoordde de andere, »laten wij er ons niet langer mede ophouden, maar zonderen wij ons af van dit gespuis, dat toch niet meer aan ons denkt; laten wij liever samen wat praten.”
»Ik wil wel, maar ongelukkig hebben wij elkaar niets te vertellen.”
»Misschien; vooreerst moeten wij elkander nog nader leeren kennen.”
»Dat is waar.”
»Ziet gij nu wel? Om te beginnen, wil ik u het eerst een voorbeeld van vertrouwen en openhartigheid geven.”
»Goed! daarna zal het mijne beurt zijn.”
Goedsmoeds wierp een zijdelingschen blik op het gezelschap; de ongepaste drukte en vroolijkheid was met nieuwe kracht aan den gang; het was duidelijk dat niemand der aanwezigen acht op hen gaf. Hij ging met de ellebogen op tafel liggen, schoof dichter bij zijn kameraad en begon:
»Zoo als gij weten zult, daar gij mijn naam reeds meermalen hebt hooren uitspreken, waarde vriend, heet ik Goedsmoeds2; ik ben een Canadees, dat wil zeggen, bijna een Franschman. Omstandigheden, teveel om op dit oogenblik te vertellen, maar die ik u later wel zal mededeelen, hebben mij reeds vroeg in dit land gevoerd. Twintig levensjaren heb ik besteed met de woestijn in alle richtingen te doorkruisen; er is geen verloren beek, of vergeten voetpad dat ik niet ken. Als ik dit wilde, zou ik gerust en onbezorgd kunnen leven bij een dierbaren vriend, een ouden kameraad van mij, op eene heerlijke landhoeve, die hij eenige mijlen ver van Harmosillo [27]bezit en bewoont; maar het woudloopersleven heeft zijne onweerstaanbare bekoorlijkheid, dat begrijpen alleen zij die er in gedeeld hebben; het trekt hen aan tegen wil en dank om het te hervatten.
»Ik ben nog jong, nauwelijks vijf en veertig jaar. Een ander oud vriend van mij, een Indiaansch Opperhoofd met name Arendskop, stelde mij onlangs voor om met hem een uitstapje naar Apacheria te maken; ik liet er mij toe overhalen, nam afscheid van mijne vrienden die mij vruchteloos poogden te weerhouden, en vrij van alle banden, zonder spijt over het verledene en onbezorgd voor het toekomende, ging ik vroolijk op weg, de onwaardeerbare schatten van een vrijen jager met mij voerende, namelijk een moedig hart, een opgeruimd gemoed, goede wapenen en een paard even als zijn meester gehard tegen voor- en tegenspoed, en hier zit ik nu. Ziedaar, kameraad, thans kent gij mij zoo goed als of wij reeds tien jaar samen verbonden waren geweest.”
De andere had dit verhaal aandachtig aangehoord, met den blik onafgewend op den stoutmoedigen jager gericht, die glimlachend tegenover hem zat; hij beschouwde met innige belangstelling den man, wiens open en sterksprekend gelaat ruwe maar ronde oprechtheid ademde en alle kenteekenen droeg van ware goedheid en grootheid.
Toen Goedsmoeds zweeg, zat de andere, blijkbaar in diep en ernstig nadenken verzonken, eenige oogenblikken zonder te antwoorden; daarop strekte hij hem over de tafel zijne blanke fijngevormde hand toe, en zeide met eene bewogen stem in het beste Fransch dat ooit in deze ver verwijderde gewesten gesproken werd:
»Ik dank u voor het in mij gestelde vertrouwen, Goedsmoeds; mijne geschiedenis is niet veel langer dan de uwe, maar zij is veel treuriger; ik geef u die in weinige woorden.”
»Ei!” riep de Canadees, terwijl hij de hem toegestoken hand met warmte drukte, »zijt gij misschien een Franschman?”
»Ja, die eer heb ik.”
»Pardi! dat had ik reeds kunnen vermoeden,” hervatte hij vroolijk; »als ik zoo naga hoe wij nu sedert een uur lang gebrekkig Spaansch hebben gesproken in plaats van onze eigene taal te gebruiken, want, om kort te gaan, ik ben uit Canada, en de Canadeezen zoo als gij weet zijn de Franschen uit Amerika, niet waar?”
»Gij hebt gelijk.”
»Dus, dat is afgesproken, voortaan geen Spaansch meer tusschen ons?”
»Neen Fransch, altijd Fransch.”
»Bravo! op uw welzijn, brave landgenoot; en nu,” vervolgde hij, na zijn glas geledigd te hebben, en het met kracht weder op de tafel zettende, »nu wil ik uwe geschiedenis hooren, ik luister met aandacht.”
»Zooals ik u reeds gezegd heb, is zij niet lang.”
»Dat doet er niets toe, vertel maar, ik ben zeker dat zij mij zeer veel belang inboezemt.” [28]
De Franschman smoorde een zucht.
»Ook ik heb het leven van een woudlooper geleid,” begon hij, »ook ik heb de wegslepende bekoorlijkheid van dat koortsachtig bestaan ondervonden, zoo vol treffende, altoos afwisselende en verrassende gebeurtenissen. Ver van het land waar wij ons thans bevinden, heb ik uitgestrekte wildernissen en ongerepte natuurwouden doorloopen, waar vóór mij geen sterfelijk mensch ooit zijn voet had afgedrukt. Evenals gij, op mijne avontuurlijke tochten vergezeld door een trouwen vriend, die mijn moed steunde en mijne zielskracht door zijne onuitputtelijke vroolijkheid en wel beproefde vriendschap wist te verheffen. Helaas! die tijd was de gelukkigste mijns levens!
»Ik werd verliefd op eene vrouw en ik huwde haar. Doch nauwelijks had mijn vriend gezien dat ik rijk was en een familie bezat, of hij verliet mij. »Ik kon nu maar gerust voortleven,” zeide hij, »en had hem niet meer noodig.” Zijn vertrek was mijn eerste verdriet, een verdriet, dat ik nooit goed heb kunnen verzetten, dat van jaar tot jaar drukkender werd en dat mij tot op dezen dag foltert als een zelfverwijt. Helaas! waar is thans dat moedige hart, die trouwe ziel, die ik altijd gereed zag mij in den nood bij te staan, die mij lief had als een broeder en dien ik wederkeerig een broederlijke genegenheid toedroeg? Helaas! misschien is hij dood!”
Bij het uiten dezer laatste woorden liet de Franschman het hoofd tusschen de beide handen zinken, en gaf hij zich over aan een stroom van bittere gedachten, die met iedere nieuwe herinnering als uit zijn hart opkwamen.
Goedsmoeds keek hem zwaarmoedig aan en drukte hem hartelijk de hand.
»Houd moed, broeder,” zeide hij op vertrouwelijken toon.
»Ja,” hervatte de Franschman. »Juist zoo sprak hij altijd, als ik door droefheid verslagen den moed liet zinken.
»Schep moed, broeder,” zeide hij dan met zijne ruwe maar hartige stem en met de hand op mijn schouder, en dan voelde ik mij inderdaad als geëlectriseerd; ik herleefde op het hooren van die hartelijke krachtvolle stem, ik was inderdaad opnieuw sterk en opnieuw gereed om den strijd te hervatten. Verscheidene jaren verliepen er voor mij onder het genot van ongestoord huiselijk geluk, dat door niets gestoord werd. Ik had eene beminnelijke vrouw, die ik aanbad: lieve kinderen van welke ik mij de schoonste toekomst beloofde, kortom, niets ontbrak mij, dan mijn boezemvriend, van wien ik, sedert hij mij verliet, ondanks al mijne nasporingen nooit weder iets heb mogen vernemen. Thans is mijn geluk voor altijd vervlogen, mijne lieve vrouw en mijne kinderen zijn dood, lafhartig in hun slaap vermoord door de Indianen die zich van mijne hacienda hadden meester gemaakt. Ik was de eenige die levend overbleef te midden der rookende puinhoopen eener woning waar ik zoovele gelukkige dagen had doorgebracht. Alles wat ik had lief gehad was onder bouwvallen [29]begraven; mijn hart barstte, ik besloot mijn verloren lievelingen niet te overleven; maar een enkele vriend, de eenige die mij getrouw bleef, redde mij; hij voerde mij met geweld naar zijn stam; want hij was een Indiaan. Aldaar, dank zij de trouwe zorg die hij aan mij besteedde, riep hij mij tot het leven terug en wekte in mij, zoo al niet de hoop op een voor mij onmogelijk geworden geluk, tenminste den moed om met mijn lot te kampen dat mij zulke harde slagen had toegebracht. Nu nauwelijks drie maanden geleden is hij gestorven.
»Eer hij voor altijd de oogen sloot, heeft hij mij laten bezweren te zullen doen wat hij mij vragen zou; en ik beloofde het hem. »Broeder,” zeide hij toen, »ieder heeft in het leven een doel noodig, wat het ook zij, als het maar een edel en goed is. Ik wil er u een geven; mijn wensch is dat gij zoodra ik dood ben op reis gaat, om den vriend te zoeken daar gij zoo lang van gescheiden waart; dat gij hem vinden zult daarvan ben ik overtuigd. Laat dit het doel in uw leven zijn.” Twee uren later stierf het eerwaardige opperhoofd in mijne armen. Zoodra was zijn lijk niet ter aarde besteld, of ik ging op weg. Heden juist, zooals ik u gezegd heb, ben ik te Guaymas aangekomen. Mijn voornemen is om onmiddellijk de woestijn in te trekken; zoo mijn vriend nog leeft moet ik hem daar alleen terugvinden.”
Er volgde een lange stilte.
Eindelijk nam Goedsmoeds het woord weder op.
»Waarlijk, uw lot is allertreurigst, vriend, dat moet ik bekennen,” riep hij hoofdschuddend; »en nu, bovendien, begeeft gij u in eene hopelooze onderneming, die weinig kans heeft te zullen slagen: een eenig mensch in de woestijn is als een verloren zandkorrel. Gesteld dat uw vriend nog leeft, wie weet in welk oord hij zich dan op dit oogenblik bevindt, en terwijl gij hem aan den eenen kant der wildernis zoekt, is hij misschien juist aan den anderen. Intusschen wil ik u een voorstel doen, dat ik niet twijfel of het zal voor u aannemelijk en voordeelig zijn.”
»Dat voorstel, vriend, weet ik reeds eer gij het mij zegt. Ik dank er u voor en neem het dadelijk aan,” antwoordde de Franschman schielijk.
»Dus toegestemd en afgesproken,” zei Goedsmoeds, »wij vertrekken samen en gij gaat met mij naar Apacheria, niet waar?”
»Ja.”
»Te weêrga! dat noem ik geluk. Nauwelijks ben ik van mijn vriend Edelhart gescheiden of de goede voorzienigheid voert mij een anderen, even dierbaren tegemoet.”
»Wie is die Edelhart daar gij van spreekt?”3
»Een vriend daar ik jaren lang mede samen geleefd heb en dien [30]gij eenmaal zult leeren kennen. Welaan dan op Gods genade! Met het aanbreken van den dag gaan wij op weg.”
»Zoo vroeg gij maar wilt.”
»Ik heb met Arendskop afgesproken om hem drie dagreizen van hier te ontmoeten. Ik zou mij zeer moeten bedriegen als hij mij niet reeds wachtte.”
»Maar wat gaat gij in Apacheria doen?”
»Dat weet ik niet; Arendskop heeft mij verzocht hem te vergezellen, en ik ga; een mijner stellingen is: nooit meer te willen weten dan mijne vrienden mij van hunne geheimen zelf gelieven te zeggen; dat geeft de meeste vrijheid zoowel voor hen als voor mij.”
»Zeer goed geredeneerd, mijn waarde Goedsmoeds; maar als wij nu toch zoo lang samen zullen leven, dat hoop ik tenminste.….”
»Ik ook.”
»Zal het niet kwaad zijn,” vervolgde de Franschman, »dat gij mijn naam weet, dien ik tot nog toe vergat u op te geven.”
»Laat u dat niet verontrusten, ik zelf zal er u wel een geven, zoo gij wellicht reden hebt om uw incognito te bewaren.”
»Daar heb ik volstrekt geen reden toe; ik ben de graaf Louis de Prébois Crancé.”4
Goedsmoeds sprong op als een losgelaten veer die zich ontspant, hij nam zijn bonten muts af en maakte een eerbiedige buiging.
»Duid mij niet ten kwade, mijnheer de graaf,” zeide hij, »dat ik een weinig vrij tot u gesproken heb; had ik geweten met wien ik de eer had samen te zijn, dan zou ik mij zoo veel vrijheid niet hebben veroorloofd.”
»Goedsmoeds, Goedsmoeds,” riep de graaf met een ernstigen glimlach terwijl hij driftig zijne hand greep, »moeten wij zoo onze verbintenis aanvangen? Er staan twee mannen gereed hetzelfde leven te leiden, dezelfde gevaren te trotseeren, dezelfde vijanden te bestrijden, laten wij voor de zotten in de steden de dwaze onderscheidingen over die voor ons geenerlei waarde of beteekenis hebben. Ik wil voor u niets anders zijn dan Louis, uw goede reisgezel, en uw trouwe vriend, even als gij voor mij niets anders zijt dan Goedsmoeds, de beproefde onversaagde woudlooper.”
Bij deze woorden kwam er op het gelaat van den Canadees een glans van genoegen.
»Goed gesproken, bij mijne ziel, mooi gesproken,” riep hij uit. »Ik ben maar een arme onwetende jager, waarom zou ik dit verbergen? Maar hetgeen gij mij daar gezegd hebt, was mij recht naar het hart gesproken. Bij den hemel! Louis, ik ben geheel de uwe, in leven en dood, en ik hoop u weldra te bewijzen, vriend, dat ik zekere waarde heb,” [31]
»Daar ben ik meer dan van overtuigd; en hiermede hebben wij elkander thans goed begrepen, niet waar?”
»Pardi! ja.”
Op dit oogenblik klonk er op de straat zulk een geweldig leven, dat het in de zaal duidelijk gehoord werd.
Gelijk gewoonlijk in dergelijke gevallen, zwegen de luidruchtige gasten in de pulqueria opeens doodstil om te luisteren. Men hoorde duidelijk schreeuwen en vloeken, gekletter van sabels, en getrappel van paarden, bij tusschenpoozen overstemd door het losbranden van vuurwapenen.
»Carai!” riep Goedsmoeds, »ik geloof dat er op straat gevochten wordt.”
»Dat vrees ik ook,” antwoordde de pulquero flegmatiek en meer dan half beschonken, terwijl hij nog een glas refino ledigde.
Eensklaps werd er, hetzij met het gevest van een sabel of met de kolf van een pistool, heftig op de zwakke deur der pulqueria geklopt, en riep eene krachtige stem op barschen toon:
»Doe open voor den duivel! anders trap ik de ellendige deur aan spaanders.”
1 Zekere stormwind↑
2 Zie de Pelsjagers van de Arkansas.↑
3 Zie de Pelsjagers van de Arkansas.↑
4 Zie het Opperhoofd der Aucas.↑
[Inhoud]
IV.
DE GRAAF MAXIMA GAËTAN DE LHORAILLES.
Inhoudsopgave
Alvorens onze lezers de oorzaak op te helderen van het geweldige rumoer dat den rustigen gang der zaken in de pulqueria zoo plotseling kwam storen, zijn wij verplicht eenige stappen terug te treden.
Drie jaren ongeveer voor het tijdstip waarop ons verhaal begint, in een kouden regenachtigen Decembernacht, hadden acht personen, zoo als genoegzaam uit hunne kleeding en manieren bleek, tot de hoogste klasse der Parijsche samenleving behoorende, zich vereenigd in een elegant kabinet van het Engelsche koffiehuis te Parijs.
Het was reeds diep in den nacht; de waskaarsen, meer dan twee derden verbrand, verspreidden haar zedig maar somber licht, de regen kletterde tegen de vensters en de wind blies daar buiten met naargeestig gehuil.
De gasten zaten rondom eene tafel, waarop het overschot van een schitterend souper nog aanwezig was; zij schenen zich tegen wil en dank door de sombere weersgesteldheid te laten beheerschen, en met de ruggen in de gemakkelijke leuningstoelen weggezonken waren sommigen ingesluimerd, terwijl anderen, in hunne gedachten verdiept, evenmin acht sloegen op hetgeen er rondom hen gebeurde.
De pendule op den schoorsteenmantel sloeg langzaam drie ure; nauwelijks had de laatste slag uitgegalmd, of het herhaald geklipklap [32]van een postiljonszweep en het vroolijk gerinkel van paardenbellentuig liet zich hooren onder de vensters van het vertrek, die op den Boulevard uitzagen.
De deur werd weldra geopend en een garçon kwam binnen.
»De postchais voor mijnheer den graaf de Lhorailles is voor,” zei de knecht.
»Dank u,” zei een der gasten en wenkte den garçon dat hij heen kon gaan.
Deze boog en verwijderde zich, de deur achter zich sluitende.
De weinige woorden, zoo even door den knecht gesproken, hadden de bekoring gebroken die de gasten tot hiertoe geketend hield; allen vlogen op alsof zij met schrik ontwaakten, en wendden zich tot een jong heer van omtrent dertig jaar, die in hun midden zat.
»Het is dus waar dat gij vertrekt?” riepen allen uit eenen mond.
»Ja, ik vertrek,” antwoordde hij kalm met een toestemmenden hoofdknik.
»Maar waar gaat gij dan toch heen? Men verlaat zijne vrienden maar zoo niet zonder waarschuwen en zonder adres,” hervatte een der gasten.
De man, dien deze vraag gold, glimlachte zwaarmoedig.
De graaf de Lhorailles was een schoon en welgemaakt edelman, met sprekende gelaatstrekken, krachtvollen blik, trotsche lippen; hij behoorde tot een der oudste adellijke geslachten en genoot een bepaald gevestigden roem onder de lions van dien tijd.
Hij stond op en liet zijn blik over de gasten rondgaan.
»Mijne heeren,” zeide hij, »ik begrijp al het zonderlinge van mijn gedrag; gij hebt het recht om eene verklaring van mijne zijde te verwachten; en die verklaring wil ik u gaarne geven. Bovendien is het alleen met dit doel dat ik u heden bij mij heb genoodigd om met u het laatste maal te gebruiken; het uur van mijn vertrek is geslagen, de postchais staat mij te wachten: morgen ben ik reeds ver van Parijs, binnen acht dagen zal ik Frankrijk hebben verlaten; hoort mij voor ’t laatst.”
De gasten waren blijkbaar getroffen en staarden den graaf aandachtig aan.
»Weest niet ongerust, mijne heeren,” zeide hij, »ik zal niet te veel van uw geduld vergen, de historie die ik u te vertellen heb is niet lang, het is de mijne. Hier is zij in weinige woorden, aldus: Ik ben geheel geruïneerd; van alles wat ik bezat heb ik slechts eenige biljetten van 100 francs over, waarmede ik, zoo ik te Parijs bleef, van honger zou kunnen sterven of binnen eene maand genoodzaakt zou zijn mij voor den kop te schieten, een vooruitzicht verzeker ik u, dat al te treurig is om mij aan te lokken. Ongelukkigerwijs heb ik geen de minste kans om bij het leger geplaatst te worden, want geheel buiten mijne schuld heb ik te recht of te onrecht den naam van een overgegeven duëllist, dat mij zeer in den weg staat, vooral sedert die treurige zaak met den armen burggraaf de Morseus, [33]dien ik tegen wil en dank verplicht was te dooden, om hem den mond te stoppen en een einde te maken aan zijne lasterlijke beweringen. Kortom wegens de redenen die ik de eer heb gehad u op te geven en om een aantal andere, die gij niet behoeft te weten en die ik zeker ben dat, zoo gij ze wist, u geen het minste belang zouden inboezemen, is mij Frankrijk onverdragelijk geworden, en dat wel zoo erg dat ik het met allen spoed ga verlaten. Nu nog een glas champagne voor ’t laatst en daarmede adieu aan u allen!”
»Een oogenblik, graaf!” antwoordde een der gasten, dezelfde die vroeger reeds gesproken had, »gij hebt ons nog niet gezegd naar welk land gij voornemens zijt te vertrekken.”
»Kunt gij dat niet raden? Naar Amerika. Men zegt vrij algemeen dat het mij niet aan moed of verstand ontbreekt, welnu, ik ga naar een land, waar deze twee hoedanigheden, als ik de loopende geruchten gelooven mag, voldoende zijn om fortuin te maken voor dengene die ze bezit. Hebt gij mij nog iets te vragen, baron?” vervolgde hij zich tot den laatsten spreker wendende.
Deze stond alvorens te antwoorden eenige minuten in ernstige gedachten verdiept en scheen zich te beraden. Eindelijk keek hij op en zag den graaf met een koelen doordringenden blik aan.
»Is het u inderdaad ernst, vriend, met uw vertrek,” zeide hij.
»Volkomen ernst.”
»Zweert gij mij dat op uwe eer?”
»Ja, op mijne eer zweer ik het u.”
»En zijt gij waarlijk besloten om u in Amerika een plaats te verwerven, ten minste gelijk staande met die welke gij hier hebt ingenomen?”
»Ja,” riep de graaf schielijk, »door alle mogelijke middelen.”
»Goed zoo. Hoor dan op uwe beurt naar mij, graaf, en als gij uw voordeel wilt doen met hetgeen ik u heb mede te deelen, zal het u misschien met Gods hulp gelukken de dolzinnige plannen te volvoeren die gij u hebt voorgenomen.”
Al de aanwezigen traden belangstellend nader, zelfs de graaf scheen tegen wil en dank nieuwsgierig te worden.
De baron de Spurtzheim was een man van omtrent vijf en veertig jaar; zijne vale kleur, scherp geteekende trekken en de onbeschrijfelijke uitdrukking van zijn oogopslag gaven hem een zweem van zonderlingheid, daar het gewone publiek zich geen recht denkbeeld van kon maken en die hem zelfs bij de lieden van bekende scherpzinnigheid voor een inderdaad merkwaardig man deden doorgaan.
Men kende den baron algemeen aan zijn kolossaal vermogen, dat hij koninklijk verteerde; wat echter zijne antecedenten betreft, daarvan wist niemand, ofschoon hij in de hoogste kringen den vrijen toegang had.
Alleen zeide men algemeen dat hij verre reizen gedaan en verscheidene jaren in Amerika gewoond had; maar niets is onzekerder [34]dan loopende geruchten en op dien grond zou het hem zeker nooit gelukt zijn in de salons van den hoogsten adel voet te krijgen, zoo niet de Oostenrijksche ambassadeur, zonder zich nochtans op dat punt ten zijnen opzichte ooit duidelijk uit te laten, hem niet, buiten zijn weten, meer dan eens in verscheidene netelige gevallen, met krachtdadige warmte in zijne bescherming had genomen.
De baron was meer intiem met den graaf gelieerd dan met zijne overige vroolijke vrienden; hij scheen zeker bijzonder veel belang in hem te stellen, en had hem meer dan eens in moeielijke omstandigheden, wanneer hij vermoedde dat zijn vriend in verlegenheid was, langs bedekte wegen uit den brand trachten te helpen.
De graaf de Lhorailles, ofschoon te trotsch om deze offers aan te nemen, had den baron deswege niet te min steeds een erkentelijk hart blijven toedragen en dezen onbedacht zeker overwicht bij hem laten verwerven.
»Spreek, waarde baron, maar wees kort,” zei de graaf de Lhorailles; »gij weet dat de postkoets op mij wacht.”
Zonder te antwoorden greep de baron het schelkoord en trok aan de bel.
De knecht kwam binnen.
»Zend den postiljon weg en zeg hem dat hij morgen ochtend tegen vijf ure terugkomt, gauw, gauw.”
De knecht boog en vertrok.
De graaf, hoezeer hoogelijk verwonderd over deze vrijheid van zijn vriend, maakte echter geen de minste aanmerking; hij schonk zich een glas champagne-wijn, dat hij in een teug ledigde, kruiste de armen op de borst, wierp zich met den rug in zijn stoel en wachtte.
»Welaan, mijne heeren,” begon de baron van Spurtzheim op zijn gewonen schertsenden en pikanten toon, »terwijl onze vriend de Lhorailles ons zijne geschiedenis verteld heeft en wij hier zoo fideel bij elkander zitten, waarom zou ik u dan de mijne ook niet vertellen? Het is vreeselijk weer, het stormt en stortregent daar buiten, hier zitten wij warm en op ons gemak, wij hebben regalias en champagne, twee uitmuntende zaken als men er zich niet in te buiten gaat. Wat zouden wij beter doen kunnen? Niets immers? Wilt mij dus hooren, want ik meen dat hetgeen ik u zeggen zal u wel belang zal inboezemen, te meer daar ik zeker ben dat sommigen onder u gaarne hooren zullen waaraan zij zich ten mijnen opzichte te houden hebben, en wat zij eigenlijk van mij denken moeten.”
De meeste barstten los in een schaterend gelach, bij deze stoute verklaring. Toen hunne vroolijkheid weder bedaard was, nam de baron het woord en begon:
»Wat het eerste gedeelte mijner geschiedenis betreft, mijne heeren: zal ik even kort zijn als de graaf. In de eeuw die wij beleven zijn de edelen, ten gevolge van onze vooroordeelen en van onze opvoeding, zoo geheel natuurlijk buiten den regel en de wet geplaatst, dat wij [35]allen een goede les in de school des levens noodig hebben en als het ware genoodzaakt zijn, om zonder bijna te weten hoe, in weinige jaren ons vaderlijk erfgoed door te brengen. Zoo ging het ook mij, gelijk de meesten van u, mijne heeren. Mijne voorouders waren in de middeleeuwen zoo wat roofzieke baronnen geweest, het echte bloed verloochent zich niet licht. Toen nu mijne laatste hulpbronnen bijna waren uitgeput, begon mijn aangeboren instinct wakker te worden en vestigden mijne blikken zich op Amerika. Ik ging er heen; en in minder dan tien jaren had ik het kolossaal fortuin verzameld, dat ik thans bezit en dat ik thans het onuitsprekelijk geluk heb, niet te verkwisten, daarvoor had ik niet te vergeefs eene harde les geleerd, maar te verteren en in uw onschatbaar bijzijn te genieten, wel zorg dragende mijn kapitaal onaangeroerd te laten.”
»Maar mijn hemel!” riep de graaf ongeduldig, »hoe hebt gij het kunnen verzamelen dat kolossale fortuin zoo als gij zelf het noemt?”
»Veertig millioenen ongeveer,” antwoordde de baron droogjes.
Eene begeerlijke huivering liep de aanwezigen door de aderen.
»Wel een kolossaal vermogen, inderdaad,” riep de graaf; »maar ik herhaal mijne vraag hoe hebt gij dat verzameld?”
»Als ik niet bepaald voornemens was geweest het u te openbaren, geloof mij, mijn waarde, ik zou uw geduld niet hebben misbruikt om u iets van mijne armoede te zeggen dat gij zoo aanstonds hooren zult.”
»Wij zijn geheel oor!” riepen allen.
De baron liet zijn blik langzaam over de aanwezigen rondgaan.
»Drinken wij eerst nog een glas champagne op het succes van onzen vriend,” zei de baron sarcastisch. De glazen werden gevuld, geklonken, en in een oogwenk geledigd, zoo groot was de nieuwsgierigheid die allen bezielde.
Na zijn glas voor zich op de tafel te hebben gezet, stak de baron een regalia aan en wendde zich tot den graaf.
»Het is inzonderheid tot u, mijn vriend,” zeide hij, »dat ik mij thans richten zal, gij zijt jong, ondernemend, in het bezit van een vasten wil en een ijzeren gezondheid: het staat bij mij onwederlegbaar vast dat gij, tenzij de dood uwe plannen in duigen werpt, slagen moet in alles wat gij onderneemt en welk doel gij ook beoogt. Op de baan die gij u zelven gekozen hebt is de voornaamste, ja de eenige grond van welslagen, dat men door en door bekend zij met het terrein waarop gij moet werken en den kring waarin gij zult binnen treden. Had ik bij mijn eerste optreden in het avontuurlijk leven dat gij begint, even als gij dadelijk een vriend gevonden zoo als gij, om mij in de geheimen van mijn nieuw bestaan te leiden, dan zou ik mijn fortuin reeds vijf jaar vroeger gemaakt hebben. Wat niemand voor mij gedaan heeft wil ik thans voor u doen, misschien zult gij mij later nog dank zeggen over de aanwijzingen, die ik geven zal en die u leeren zullen den weg te vinden in den verwarden [36]doolhof, dien gij gereed zijt binnen te treden. Vooreerst moet gij dit u ten beginsel stellen: dat de volken in wier midden gij leven zult uwe natuurlijke vijanden zijn, gij gaat dus een onophoudelijken strijd te gemoet, van dag tot dag en van uur tot uur; alle middelen moeten u welkom zijn die u helpen kunnen om de zege te behalen: zet al uwe grondregels van eer en kieschheid ter zijde, in Amerika zijn dat niet dan ijdele woorden, die zelfs de kracht niet hebben om er iemand mede te misleiden, om de eenvoudige reden dat niemand er aan gelooft. De eenige God van Amerika is het goud; om goud te verkrijgen is de Amerikaan tot alles in staat; en dat niet zoo als in het oude Europa, onder een eerlijken schijn of met bedekte middelen, maar open en bloot en zonder schaamte of berouw. Dit eenmaal tot regel gesteld zijnde, is u de weg aangewezen, geen plan zoo dwaas en buitensporig of het heeft in Amerika kans op welslagen, daar de middelen om het uit te voeren in ruimen overvloed en schier onbeperkt voorhanden zijn. Geen volk ter wereld heeft beter begrepen dan de Amerikaan, wat associatie vermag: dat is de machtige hefboom waarmede hij al zijne plannen tot stand brengt. Als men daar ginds, alleen, zonder vrienden, zonder kennis of ervaring aankomt, moge men zoo verstandig of zoo vastberaden zijn als men wil, maar men is verloren, omdat men alleen staat tegenover de macht van allen.”
»Dat is waar,” mompelde de graaf overtuigd en somber.
»Geduld!” hervatte de baron met een glimlach, »of denkt gij dat ik u zonder harnas ten strijd zou willen voeren? Neen, neen, ik zal er u een geven van het kostelijkste staal, dat verzeker ik u.”
Al de aanwezigen staarden vol verbazing den man aan, die in hun oog binnen weinige minuten honderd ellen grooter was geworden. De baron hield zich echter alsof hij den door hem gemaakten indruk niet opmerkte, en vervolgde een oogenblik later, met nadruk op ieder woord en als zocht hij zijne lessen in het geheugen van den graaf te willen graveeren:
»Onthoud wel wat ik u zeggen zal; het is van de grootste aangelegenheid, vriend, dat er u geen woord van ontgaat; want de uitslag uwer reis naar de Nieuwe Wereld hangt er bepaald van af.”
»Spreek, ik zal er geen syllabe van verliezen,” riep de graaf met koortsachtig ongeduld.
De baron ging voort.
»In den eersten tijd der landverhuizing, toen de toestroom der vreemdelingen naar Amerika begon, vormde zich een maatschappij van stoute gezellen zonder eer of trouw, zonder genade en zonder zwakheid, die met terzijdestelling van alle nationaliteiten, vermits zij uit allerlei volken afkomstig waren, geen andere regeering erkenden dan die zij zelven instelden op het zoogenaamd Schildpaddeneiland, een schier onmerkbare rots in het midden van den grooten Oceaan; die regeering was monsterachtig, daar zij alleen op [37]geweld was gegrond, en geen andere wet erkende dan het recht van den sterkste. Die stoute gezellen, onderling saamverbonden door eene drakonische wet, of schriftelijke overeenkomst, gaven zich den naam van Broeders der Kust en waren in twee klassen verdeeld, namelijk, de boekaniers en de vrijbuiters.
»De boekaniers zwierven in de onmetelijke wouden, jacht makende op buffelstieren, terwijl de vrijbuiters de zeeën afschuimden, alle vlaggen aanvielen, en schepen van alle natiën plunderden, onder voorwendsel van den Spanjaarden afbreuk te doen, maar inderdaad om de rijken te bestelen ten voordeele der armen, als het eenigst hun bekende middel om het evenwicht tusschen de beide klassen te herstellen. De Broeders van de Kust namen gedurig al het gespuis in zich op dat uit de oude wereld tot hen overkwam, zij werden steeds machtiger en machtiger, zoo zelfs dat de Spanjaarden beefden voor hunne Amerikaansche bezittingen en een roemrijk Koning van Frankrijk zich verwaardigde met hen verdragen te sluiten en hun een ambassadeur te zenden. Later, door de onverbiddelijke kracht der omstandigheden, zijn ook de Broeders van de Kust, gelijk alle uit regeeringloosheid voortgesproten staatsmachten, die bijgevolg geen beginsel van levensvatbaarheid in zich zelven bezitten, allengs verminderd en eindelijk geheel verdwenen. Toen men hen gedwongen had in de duisternis terug te treden, meende men hen niet slechts overwonnen, maar totaal vernietigd te hebben; het was er echter verre vandaan, zooals gij weldra met eigen oogen zien zult. Ik vraag u verschooning voor deze lange en vervelende inleiding, maar zij was onvermijdelijk noodig om u wel te doen verstaan wat ik u nog verder te zeggen heb.”
»Het is reeds half vijf, baron,” merkte de graaf aan, »wij hebben nog maar veertig minuten tijd.”
»Die tijd, hoe kort ook, zal mij voldoende zijn” antwoordde de baron; »ik hervat dus: de Broeders der Kust waren niet verdelgd. Zij waren slechts van gedaante verwisseld—zich met meesterlijke buigzaamheid schikkende naar de eischen van eene macht die hen dreigde te overtreffen; zij waren van huid veranderd, en in plaats van tijgers vossen geworden. De Broeders der Kust waren thans de Dauph’yeers; in plaats van even stout als voorheen met den dolk in de eene en de enterbijl in de andere hand de vijandelijke schepen te bespringen, hielden zij zich klein en groeven onderaardsche holen; tegenwoordig zijn de Dauph’yeers de meesters der Nieuwe Wereld, zij zijn nergens en zij zijn overal; zij regeeren overal; hun invloed doet zich onder alle rangen en standen der maatschappij in Amerika gevoelen en opmerken, zonder dat men hen zelven ooit te zien krijgt. Zij zijn het die de Vereenigde Staten aan Engeland; Peru, Chili en Mexico aan Spanje hebben ontrukt. Hunne macht is onbegrensd, des te geduchter naarmate zij meer in het duister werkt, meer verloochend en geïgnoreerd wordt, daarin juist ligt hunne kracht. Verloochend [38]en ontkend te worden is voor eene geheime maatschappij de onmisbare voorwaarde harer macht; er heeft in Amerika geen omwenteling plaats, zonder den invloed der Dauph’yeers, hetzij door haar te doen zegevieren of haar te doen mislukken. Zij vermogen alles, zij zijn alles; buiten hunnen kring is niets mogelijk, daar binnen alles; ziedaar wat in den voortgang des tijds in minder dan twee eeuwen de Broeders der Kust, thans de Dauph’yeers, geworden zijn!.… namelijk de ontwijfelbare spil waar in de Nieuwe Wereld alles op draait; wel een jammerlijk lot voor dit schoon gewest om zoo ten allen tijde, van zijne ontdekking af aan gedoemd te zijn onder de dwingelandij te zuchten van de veelsoortige bandieten, die zich tot taak schijnen gesteld te hebben het te beheeren en er hun voordeel mede te doen, onder allerlei vormen, zonder dat het ooit in staat zal zijn er zich van te ontslaan!”
Er volgde eene vrij langdurige stilte; allen dachten na over hetgeen zij gehoord hadden, dat, hoe overdreven ook, in allen deele ten minste een schijn van waarheid bezat; de baron zelf liet het hoofd op de beide handen zinken en scheen zich te verliezen in den maalstroom van ideeën, die hij in zich had wakker gemaakt en die hem in massa bestormden met de vele smartelijke en bittere herinneringen, welke zij in hem te voorschijn riepen.
Het rollen van een rijtuig in de verte, maar dat snel scheen te naderen, riep den graaf de Lhorailles tot den zakelijken ernst van zijn tegenwoordigen toestand terug.
»Daar is mijne postchais!” riep hij, »ik vertrek, en ik weet nog niets.”
»Geduld,” antwoordde de baron, »neem afscheid van uwe vrienden en vertrekken wij.”
Tegen wil en dank gedwee, door het overwicht van dezen zonderlingen man, gehoorzaamde de graaf zonder zelfs de minste aanmerking te maken.
Hij stond op, omhelsde zijne oude vrienden, wisselde met hen de warmste handdrukken, ontving hunne wenschen voor zijn welslagen en verliet het vertrek, gevolgd door den baron.
De postchais wachtte hem voor de deur van het koffiehuis.
De andere heeren hadden de vensters van de kamer geopend en wenkten hunnen vriend opnieuw vaarwel.
De graaf wierp een langen blik op den Boulevard; de nacht was donker, ofschoon de regen had opgehouden, de hemel was zwart als inkt, en de gasvlammen schitterden flauw in de verte als sterren die zich verloren in een nevel.
»Vaarwel!” mompelde de edelman met eene gesmoorde stem, »vaarwel! wie weet of ik ooit wederkom.”
»Schep moed!” klonk eene strenge stem aan zijn oor.
De jonkman sidderde; de baron stond naast hem.
»Kom vriend,” zeide hij hem in het rijtuig helpende, »ik ga met u tot aan de barrière.” [39]
De graaf steeg waggelend in het rijtuig en zonk op een der kussens neêr.
»Naar Normandië!” riep de baron tegen den postiljon en sloot het portier.
De postiljon klapte met de zweep, de chais zette zich in beweging en vertrok in galop.
»Adieu! adieu!” riepen de jongelieden uit de vensters van het Café Anglais.
Een geruimen tijd zaten de twee mannen zonder te spreken, eindelijk nam de baron het woord.
»Gaëtan!” zeide hij.
»Wat wilt gij?” antwoordde de graaf.
»Ik heb u mijne geschiedenis nog niet uitverteld.”
»Dat’s waar,” mompelde hij verstrooid.
»Verlangt gij het slot niet te hooren?”
»Spreek, vriend.”
»De toon waarop gij mij dit zegt, mijn waarde, bewijst dat uw geest in de denkbeeldige wereld omzwerft; gij denkt zeker aan hen die gij verlaten hebt.”
»Helaas!” zuchtte de graaf, »ik ben alleen op de wereld. Om wie zou ik treuren? ik heb noch magen noch vrienden.”
»Ondankbare!” riep de baron op een toon van verwijt.
»’t Is waar; vergeef mij, waarde vriend, ik wist zelfs niet wat ik zeide.”
»Ik vergeef het u, maar alleen op voorwaarde dat gij naar mij luistert.”
»Dat beloof ik u.”
»Welaan dan, vriend, om op die Dauph’yeers daar ik u van sprak terug te komen, zoo gij in uw plannen slagen wilt zijn hunne vriendschap en bescherming voor u onmisbaar.”
»Helaas! hoe zal ik, als vreemdeling mij die vriendschap en die bescherming verwerven? Nu eerst beef ik van angst als ik aan dat land denk daar ik mij zulk eene schoone toekomst droomde te zullen scheppen; de blinddoek is mij van de oogen gevallen, ik zie thans hoe buitensporig mijne plannen zijn; de moed ontzinkt mij.”
»Nu reeds?” riep de baron streng. »Kind zonder geestkracht, die den strijd reeds opgeeft eer gij hem aanvaard hebt! Man zonder kracht en zonder moed! De vriendschap en de bescherming die voor u zoo onmisbaar zijn, kunt gij verwerven, zoo gij wilt, ik zal er u de middelen toe verschaffen.”
»Gij!” riep de graaf tintelend van nieuwe hoop.
»Ja, ik. Wat denkt gij, dat ik mij zou kunnen vermaken met u twee uren lang te folteren, en met u te spelen als de jaguar met een lam, alleen uit baldadige scherts? Neen, Gaëtan, als gij dat denkt dan vergist gij u wel zeer; ik bemin u, vriend. Toen ik uw besluit hoorde, heb ik het uit grond van mijn hart toegejuicht: het heeft [40]u in mijne schatting hersteld; toen gij ons dezen nacht ronduit uw toestand te kennen gaaft en uwe plannen ontwikkeldet, was het als vond ik mij zelven in u terug, mijn hart beefde van blijdschap, wel eene minuut lang was ik gelukkig, en toen heb ik in mij zelven gezworen dat ik u den breeden en schoonen weg zou openen, op welken gij zeker slagen moet, of het zal uw eigen schuld zijn, omdat gij niet hebt gewild.”
»O!” riep de graaf met drift, »ik zou kunnen omkomen in den strijd die op dit oogenblik tusschen mij en het gansche menschdom begint; maar vrees niet, vriend, ik zal ridderlijk vallen als een man van moed.
»Daar ben ik van overtuigd, vriend; ik heb u nog maar weinige woorden te zeggen. Ook ik ben Dauph’yeer geweest, ik ben het nog; het vermogen dat ik bezit heb ik alleen aan mijne broeders te danken. Neem deze portefeuille, doe dit kettinkje met het kleine medaillon dat er aanhangt om uw hals; straks, als gij alleen zijt, leest gij de voorschriften die de portefeuille bevat, en zij zullen u den weg wijzen hoe gij handelen moet. Zoo gij ze stipt van punt tot punt opvolgt, sta ik u borg voor uw succes: dat is het cadeau dat ik voor u bestemd had en dat ik u niet heb willen geven voor dat wij alleen waren.”
»Is het mogelijk!” riep de graaf in vervoering.
»Hier zijn wij aan de barrière,” zei de baron, terwijl het rijtuig stil hield; »wij moeten scheiden. Vaarwel, vriend, moed en standvastigheid! omhels mij. Bovenal denk om de portefeuille en het medaillon.”
De beide mannen omarmden elkander lang: eindelijk rukte de baron zich met geweld los, opende het portier en sprong op de trottoir.
»Adieu;” riep hij voor ’t laatst, »adieu, Gaëtan! denk er om.”
De postchais reed in snellen draf den straatweg op.
Het was zonderling maar de beide mannen mompelden moedeloos hetzelfde woord zoodra zij zich alleen bevonden, de een met driftigen stap den trottoir afgaande, de andere half verscholen in de kussens der postkoets.
Dat woord was:
»Misschien”!
Ondanks alle moeite die zij deden om zich zelven te bedriegen, hoopten zij geen van beiden.
[Inhoud]
V.
DE DAUPH’YEERS.
Inhoudsopgave
Thans verlaten wij de oude wereld en maken een geweldigen overstap, die ons met een enkelen sprong in de nieuwe wereld overbrengt. [41]
Er is in Amerika eene stad die zich misschien met geen andere op den ganschen aardbol laat vergelijken.
Die stad is Valparaiso.
Valparaiso! de naam alleen reeds klinkt in ons betooverd gehoor als de zoetluidende tonen van een minnezang.
Behaagziek, glimlachend en schalksch, als eene dartele kreolin op de mollige sofa, uitgestrekt op den oever eener bekoorlijke baai aan het hangen van drie majestueuze bergen, de kleine rozenvoeten badend in de azuren golfjes der Stille Zuidzee, en het gedachtenvolle hoofd omsluierend met de witte nevelwolken die de zuiderwind van kaap Hoorn aanblaast en met somber gehuil heenvoert naar de hoogste toppen der Cordilleras, om haar als te kronen met een schitterende diadeem.
Al ligt zij op Chiliaanschen bodem, toch behoort deze zonderlinge stad inderdaad tot geen land en erkent zij geen bijzondere nationaliteiten, of liever, om juister te spreken, neemt zij ze allen op in haar schoot.
Te Valparaiso verzamelen zich de gelukzoekers uit alle landen; alle talen worden er gesproken, iedere tak van koophandel wordt er gedreven; hare bevolking is een bonte mengeling van de vreemdsoortigste en zonderlingste personaliteiten, samengevloeid uit de verste vijf hoeken der werelddeelen om op den windval der fortuin te loeren in deze afgelegen stad, als op den uitersten voorpost der transatlantische beschaving, welks geheime invloed de Spaansch-Amerikaansche gemeenebesten beheerscht.
Valparaiso is even als alle groote handelplaatsen van Zuid-Amerika, eene verzameling van wanstaltige hutten en prachtige paleizen, de een als boven op den ander gestapeld en in lange trossen of risten opgehangen aan de klippige steilten der drie bovengenoemde bergen.
Op het tijdstip waarmede ons verhaal aanvangt waren de straten nauw, morsig en donker, bij gebrek aan zonneschijn. Geheel of gedeeltelijk van plaveisel beroofd, worden het ware moddergoten, waarin de voetganger tot aan de knieën wegzinkt, wanneer de stortregens in het wintersaizoen of het afvlietende water van de bergen den grond doorweekt, zoodat het gebruik van rijpaarden er onvermijdelijk is zelfs voor de kortste afstanden.
Uit deze slijkpoelen, nog verergerd door het vuilnis van allerlei soort dat de dagelijksche afval bij het schoonhouden der huizen er aan toevoegt, wasemt gedurig een stinkende rotlucht, de vruchtbare moeder van kwaadaardige koortsen, zonder dat iemand er ooit aan dacht om deze ergernis uit den weg te ruimen en voor de publieke gezondheid te waken.
Tegenwoordig, zegt men, is de staat van zaken er merkelijk veranderd en herkent Valparaiso zich zelven niet meer; wij willen het wenschen en zouden het gaarne gelooven, ofschoon de welbekende [42]zorgeloosheid der Zuid-Amerikanen ons veel reden geeft om er grootendeels aan te twijfelen.
In een der morsigste en kwalijkst beruchte straten van Valparaiso stond een huis, dat wij den lezer verlof vragen om in weinige woorden te beschrijven.
Wij zijn reeds dadelijk genoopt te bekennen dat de bouwmeester die het samenstelde, al was hij ook bijzonder karig met het aanbrengen van overtollige sieraden, het volmaakt wel had ingericht voor de industrie der verschillende eigenaars, die er achtervolgens hun bedrijf in zouden uitoefenen. Het was eene groote van kalk en stroo gebouwde kavalje, welks voorgevel op de straat de la Merced uitzag; terwijl de achterzijde aan de zee uitkwam, over welke het met behulp van stevig paalwerk tot op zekere diepte vooruitsprong.
Dit huis werd bewoond door een herbergier. Geheel in strijd met de gebouwen in Europa, die naarmate men hooger komt doorgaans smaller en lichter worden, werd dit integendeel hoe hooger hoe breeder, zoodat het bovenste gedeelte zeer ruim en goed verlicht mocht heeten, terwijl de winkel en de overige vertrekken gelijkvloers klein en donker waren.
De tegenwoordige eigenaar had van dezen bouwkunstigen aanleg handig gebruik gemaakt, om in de ruimte tusschen de eerste en tweede verdieping een afzonderlijk vertrek te bouwen, dat men langs een in den muur verborgen wenteltrap bereiken moest.
Dit vertrek was derwijze gelegen dat het minste gedruisch van de straat er zeer duidelijk kon gehoord worden, en soms zoo geweldig klonk dat de personen die er zich bevonden niets merkten van het leven dat zij zelven maakten, ja nauwelijks elkanders woorden konden verstaan.
De eerzame herbergier, dien het huis toekwam, had natuurlijk een min of meer gemengde clientèle van allerlei slag: makelaars, kapers, rateros—gauwdieven—en anderen, wier gedragingen hem in gevaar brachten, om met de Chiliaansche politie in moeielijkheid te geraken; bij gevolg lag er, aan een ring onder een der vensters die aan de zee uitkwamen, doorgaans een walvischvaarder vastgemeerd, om een voorloopige toevlucht te bieden aan de gasten uit de herberg, wanneer de politieagenten soms waakzaam genoeg waren om dit dievenhol te onderzoeken en hun te dicht achter de hielen zaten.
Dit huis heette destijds, en waarschijnlijk nu nog, zoo het ten minste later niet door een brand of een aardbeving verwoest en van Valparaiso’s grond verdwenen is—de Locanda del Sol.
Op een ijzeren plaat, die boven de deur aan een driehoek bij den minsten wind hing te slingeren en te kraken, had een kladschilder zijne kunst getoond met een groot vuurrood aangezicht te schilderen, omringd van gouden stralen, dat waarschijnlijk den bovengemelden titel moest toelichten.
Señor Benito Sarzuela, kastelein uit de Locanda del Sol (logement [43]de Zon), was een groote, stuursche, magere vent, met een hoekig gelaat en gluipenden blik, een mesties van gekruist Araucaansch-, Neger-, en Spaansch bloed, wiens moraal volmaakt overeenstemde met zijn physiek, in zoover namelijk dat hij de ondeugden der drie—roode, zwarte en blanke rassen in zich vereenigde, zonder een enkele hunner deugden te bezitten, terwijl hij onder bedekking van één openbaar beroep, er een twintig andere heimelijk uitoefende, van welke het onschuldigste, zoo men er achter ware gekomen, voldoende zou zijn geweest om hem voor levenslang naar de presidios—de galeien—te sturen.
Ongeveer twee maanden na de in het vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen, des avonds tegen elf ure, in een kouden, mistigen winternacht, zat señor Benito Sarzuela druilig achter zijne toonbank, en staarde met hopeloozen blik op de ledige zaal van zijn établissement.
De wind woei met hevige rukken en deed het uithangbord der Meson met klagend geluid kraken op zijne hengsels. Zwarte, laaghangende wolken uit het zuiden dreven zwaar door het luchtruim en ontlastten zich nu en dan met groote droppels op den door vroegere onweersbuien doorweekten grond.
»Waar moet dat heen?” mompelde de ongelukkige kastelein met een weemoedig gezicht half binnenmonds; »al weder een dag als zoo vele vorigen, sangre de Dios! Sedert vele dagen heb ik geen kans meer, en als dat nog eene week zoo duurt ben ik geruïneerd.”
Werkelijk scheen de Locanda del Sol sedert eene maand ongeveer onder een samenloop van omstandigheden, ook van weêr en wind, zijn ouden luister geheel verloren te hebben, zonder dat de kastelein zich begrijpen kon waar hij dezen ongelukkigen ommekeer aan toe moest schrijven.
In de ruime gelagkamer was alles doodstil en ledig. Men hoorde er geen gezang of gevloek, veel min het rinkelen der gebroken glasruiten of het kletteren der drinkglazen, kannen of flesschen, die de luidruchtige gasten bij opkomenden twist of in een uitgelaten roes elkander vaak naar ’t hoofd in stukken smeten of door de zaal keilden.
Treurige wisselkeer der menschelijke zaken! Het topvolle fortuin was eensklaps door het volkomen ledige vervangen. Al had de pest in het huis geregeerd, kon het niet eenzamer en meer verlaten zijn geweest: de flesschen bleven ordelijk in de rakken geschaard, en in den loop van dien dag waren er slechts twee voorbijgangers binnen gekomen om een glaasje pisco1 te drinken,—dat zij dadelijk betaald hadden, zich haastende om het buffet te verlaten, ondanks de spraakzaamheid en de dringende vriendelijkheid van den kastelein, die hen vruchteloos poogde te houden om met hen over [44]de nieuwtjes van den dag te praten en vooral om zijn vervelende eenzaamheid te breken.
Na de weinige woorden die wij hem zoo even hoorden mompelen, was de eerzame don Benito opgestaan en maakte hij zich al brommende gereed om zijn hotel te sluiten, om ten minste bij gebrek van andere winsten het licht uit te sparen, toen er op eens een man binnen kwam, weldra gevolgd door een tweede, een derde, vierde—zesde, tiende,—eindelijk kwamen er zoo veel dat de locandero het opgaf ze te tellen.
Al deze mannen waren in ruime mantels gewikkeld, en hadden groote hoeden op, wier breede rand, met zorg over de oogen neergeslagen, hen geheel onkenbaar maakte.
Weldra was de zaal eivol met gasten, die rookten en dronken, maar geen woord spraken.
Zonderling verschijnsel! ofschoon al de tafels en tafeltjes bezet waren met drinkers, heerschte er onder hen zulk eene diepe stilte, dat men duidelijk daar buiten den regen kon hooren ruischen en de paarden der serenos kletteren over de keien, of klotsen in de modderplassen die hier en daar den grond bedekten.
De kastelein, door dezen onverwachten terugkeer der fortuin op het aangenaamst verrast, deed zijn uiterste best om de welkome klanten te bedienen. Nu echter gebeurde er iets dat señor Sarzuela wel verre was van te verwachten; want ofschoon het spreekwoord zegt: »dat overmaat van goede zaken geen kwaad kan,” en de spreekwoorden de dragers zijn van de wijsheid der volken, werd de toevloed der onbekenden, die met elkander schenen te hebben afgesproken om in de Locanda del Sol eene bijeenkomst te houden, binnen weinige minuten zoo ongeëvenredigd groot, dat de kastelein er eindelijk zelf bang voor begon te worden, want de Locanda, straks nog zoo ledig en doodsch, werd weldra zoo vol dat hij niet meer wist waar hij de onophoudelijk binnenkomenden plaatsen zou. Wat meer zegt, toen de groote zaai propvol was en, om zoo te zeggen overliep, vond de altoos klimmende toevloed een uitweg naar de belendende vertrekken, vervolgens steeg hij de trappen op en verspreidde zich in de bovenkamers, die alweder spoedig gevuld waren.
Kortom, met den eersten slag van elven hadden zich meer dan twee honderd gasten in de Locanda del Sol verzameld.
De locandero, overigens een welberekenende kerel dien het niet aan de noodige schranderheid ontbrak, begreep spoedig dat er iets buitengewoons moest gebeuren, en dat zijne meson er allerwaarschijnlijkst de schouwplaats, van zijn zou. Hij beefde inwendig voor de gevolgen en eene huivering van vrees deed zijne haren stoppelen, terwijl hij in zijn hoofd naar een geschikt middel zocht om zich van deze gevaarlijke en stilzwijgende gasten te kunnen ontslaan.
In den uitersten nood en niet wetende wat hij beter zou doen, stond hij op met een brutaal gezicht en in eene houding zoo ferm [45]mogelijk trad hij naar de deur, als of bij zich gereed maakte om zijne herberg te sluiten.
De gasten bleven echter zoo stom als visschen, verroerden geen vin om hem tegen te houden of om heen te gaan, integendeel deden zij als zagen zij niets.
Don Benito huiverde opnieuw en tweemaal zoo erg. Plotseling klonk er in de roerlooze stille eene stem die hem een ongezocht voorwendsel gaf, daar hij vergeefs naar zocht, het was de nachtwacht die juist de deur der locanda voorbijging en op de gewone wijs riep:
»Ave Maria purissima! Las onze han dado ylluve!”2. Ofschoon de bewegelijke toon waarop deze antieke volzin door den sereno werd uitgebalkt schier in staat was om een kater tranen af te persen, maakte zij geen den minsten indruk op de handelingen van den kastelein.
Door overmaat van angst vatte señor Sarzuela eindelijk weder moeds genoeg om zich onmiddellijk tot zijne stijfhoofdige gasten te wenden en hen op eene krachtige wijs te interpelleeren; hij plaatste zich daartoe midden in de zaal met de vuist op de linkerheup en een fier opgericht hoofd.
»Señores caballeros!” riep hij met een bevende stem, die hij te vergeefs de noodige fermeteit trachtte te geven, »het is elf uur geslagen; de politieverordening verbiedt mij om langer te tappen; weest dus als ik u verzoeken mag zoo goed van onverwijld te vertrekken, daar ik verplicht ben om mijn huis te sluiten.”
Deze toespraak, waar hij zich de beste gevolgen van had durven beloven, had juist een tegenovergestelde uitwerking dan hetgeen hij verwachtte.
De onbekende gasten sloegen met hunne bekers op de tafels en riepen als uit eenen mond:
»Drank!”
De kastelein deed een sprong achteruit van schrik, bij zijne geweldige misrekening.
»Maar, met uw welnemen, caballeros,” waagde hij opnieuw het volgend oogenblik te hervatten, »de politieverordening is streng, het is elf ure, en…!”
Hier kon hij niet verder; het leven begon opnieuw en sterker dan te voren, en de gasten riepen met donderende stem:
»Drank!”
Nu greep er in het gemoed van den kastelein eene reactie plaats, die zich licht laat begrijpen; in den waan dat men het persoonlijk op hem gemunt had en dat zijn eigen belangen op het spel stonden, geraakte de vrees bij hem op den achtergrond om plaats te maken voor de gierigheid, bedreigd in hetgeen bij hem boven alles ging, namelijk zijne bezitting.
»Ha?” riep hij sidderend van gramschap, »gaat het hier zoo toe, dan [46]zullen wij zien of ik in mijn eigen huis meester ben of niet. Ik ga terstond naar den alcade!”
Deze bedreiging met het gerecht, in den mond van een man als Sarzuela, scheen inderdaad zoo ongerijmd en bespottelijk; dat het gansche gezelschap eenparig in een homerischen lach uitbarstte en den armen kerel uitjouwde daar hij bijstond. Dit was de genadeslag; de maat liep over, de gramschap van den armen kastelein klom tot razende woede en hij stormde naar de deur als een dolleman onder het oorverdoovend gegil en geschater zijner vervolgers.
Doch nauwelijks had hij een voet over den drempel van zijn huis, of een nieuw aankomende gast hield hem tegen, greep hem bij den arm en drong hem met een ruk in de zaal terug, hem op snaakschen toon toevoegende:
»Welke vlieg heeft u gestoken, kastelein? Zijt gij gek om in zulk een weêr blootshoofd de deur uit te loopen, ’t is goed om een pleuris te krijgen.”
Terwijl de locandero, door dezen ruwen schok verschrikt en schier van de been geraakt, beide zijn physiek en moreel evenwicht poogde te herstellen om zijne gedachten weder in orde te brengen, had de onbekende gedaan alsof hij thuis was; met behulp van een paar andere gasten, die hij wenkte hem te helpen, werden de blinden in de vensters gezet, en de deur gesloten, gegrendeld en geketend, met even veel behendigheid en zorg als Sarzuela zelf gewoon was aan dat fijne werk te besteden.
»Ziedaar, dat is alweder gedaan,” zeide de onbekende tegen den verbluften kastelein, »nu zullen wij samen praten, compadre, als gij wilt. Maar, à propos, kent gij mij niet?” vervolgde hij zijn hoed afzettende, zoodat zijn fijne en schrander hoofd te voorschijn kwam en een gelaat waarop in dit oogenblik een glimlach vol scherts en goede luim schitterde.
»O! el señor don Gaëtan,” zei Sarzuela voor wien deze ontmoeting alles behalve aangenaam was, en die moeite had om geen allerleelijkst gezicht te trekken.
»Stil!” riep de andere, »kom mede.”
En met een wenk voerde hij den kastelein naar een hoek der zaal, bukte aan zijn oor en vroeg hem zoo zacht mogelijk:
»Hebt gij vreemdelingen in uw huis?”
»Zie maar eens!” antwoordde de kastelein met een benauwd gezicht naar zijne gasten wijzende die lustig zaten te drinken, »dit legio duivels heeft sedert het laatste uur mijn hôtel ingenomen, ze drinken goed, dat is waar; maar hun meer dan verdacht voorkomen is voor een fatsoenlijk man gansch niet geruststellend.”
»Zooveel te beter, dan hebt gij ten minste niets te vreezen. Bovendien, over hen loopt thans de kwestie niet, ik vraag u alleen of gij vreemde logee’s in huis hebt; wat deze heeren betreft, die kent gij misschien even goed, zoo niet beter dan ik.” [47]
»Ik heb in mijn gansche huis, van den zolder tot aan den kelder geen andere gasten dan deze caballeros, die gij beweert dat ik wel zou kennen. ’t Is mogelijk, maar zoolang als ze nu reeds hier zijn hebben zij goedgevonden zich zoo dicht in te pakken, dat ik nauwelijks de punt hunner neuzen heb gezien, zoodat ik niet in staat was hen te herkennen.”
»Gij zijt een onnoozele hals, waarde vriend; deze lieden, die u zoo erg schijnen te mishagen, zijn allen Dauph’yeers.”
»Inderdaad!” riep de verbaasde kastelein, »maar waarom verbergen zij dan hun aangezicht?”
»Waarom, meester Sarzuela? ik denk voor het naaste dat het is omdat zij zich niet gaarne laten zien.”
Terwijl hij den bedremmelden kastelein in zijn aangezicht uitlachte, gaf hij de anderen een wenk.
Twee personen stonden op, pakten den armen drommel beet en eer hij tijd had om te gissen wat er met hem gebeurde, was hij reeds zoo handig en wel vastgekneveld dat hij geen lid meer verroeren kon.
»Heb geen vrees, meester Sarzuela, men zal u geen leed doen,” vervolgde de onbekende. »’t Is maar dat wij zonder getuigen spreken willen, en daar gij een weinig babbelachtig van aard zijt, nemen wij onze voorzorgen; anders niets. Wees derhalve gerust, binnen weinige uren zijt gij weder vrij. Kom, haast u een beetje, gij daar!” vervolgde hij tegen zijne handlangers; »steekt hem een prop in den mond, brengt hem naar zijne kamer in bed, en draait de deur op het nachtslot. Tot weêrziens, brave kastelein, heb vooreerst maar een beetje geduld.”
De orders van den onbekende werden stipt ten uitvoer gebracht; de ongelukkige Sarzuela, gekneveld en den mond gestopt, werd door twee man op de schouders genomen, de zaal uitgedragen, naar zijne kamer gebracht, in een ommezien in zijn bed gelegd en in een ommezien opgesloten; dit alles ging zoo snel in zijn werk dat hij er zelfs niet aan dacht om den minsten tegenstand te bieden.
Wij zullen hem een poos aan zijne alles behalve rooskleurige beschouwingen overlaten, die hem zeker zoodra hij zich met zijne wanhoop alleen bevond in massa bestormden, en keeren naar de groote zaal der herberg terug, waar wij voor ons vrij wat belangrijker personen te beschouwen hebben, dan den armen hospes.
De Dauph’yeers zagen zich nauwelijks meester in de gelagkamer, of eensklaps werden de tafels op elkander tegen den muur gestapeld om midden in de zaal meer ruimte te krijgen, vervolgens zette men de banken in rijen, waarop eindelijk allen plaats namen.
De Locanda del Sol was zoodoende binnen weinige minuten geheel van gedaante veranderd en in eene clubzaal herschapen.
De laatstaangekomen gast van Sarzuela, op wiens order men hem den mond gestopt en armen en beenen gebonden had, scheen [48]op het uitgelezen gezelschap thans in de gelagkamer verzameld zekeren invloed of gezag uit te oefenen. Zoodra toch was de kastelein niet uit den weg geruimd, of de bevelvoerder deed zijn mantel af, gaf de vergadering een wenk om stilte te verzoeken en nam het woord op in zuiver Fransch:
»Broeders,” begon hij met eene heldere welluidende stem, »ik dank u voor uwe stipte gehoorzaamheid.”
De Dauph’yeers bogen wederkeerig beleefd.
»Mijne heeren,” vervolgde hij, »onze plannen marcheeren goed, weldra, zoo ik hoop, bereiken wij het doel dat wij zoolang reeds beoogd hebben, en treden wij uit de duisternis, in welke wij thans nog voortkruipen, te voorschijn om plaats te nemen in het volle zonlicht. Amerika is een wonderbaar land, waar aller eerzucht bevrediging kan vinden; zooals ik veertien dagen geleden, toen ik de eer had u voor de eerste maal bijeen te roepen, mij verbonden heb, heb ik alle noodige maatregelen genomen en wij zijn geslaagd. Gij lieden, mijne vrienden, hebt mij wel tot directeur der Mexicaansche beweging willen benoemen; en ik zeg er u dank voor, mijne broeders. Eene aanvraag van drieduizend acres land is mij toegestaan, te Guetzalli, in Opper-Sonora. De eerste stap is gedaan. Mijn luitenant de la Ville is gisteren naar Mexico vertrokken om het afgestane land in bezit te nemen. Heden heb ik u een verzoek te doen. Gij allen die mij hier hoort, zijt Europeanen of Noord-Amerikanen; gij zult mij dus begrijpen.
»Reeds sedert lang in schijn onverschillig voor hetgeen er in de Amerikaansche republieken omgaat, zijn de Dauph’yeers, de wettige opvolgers der Kust-Broeders, tot hiertoe werkelooze toeschouwers gebleven bij de woelige tooneelen, plotselinge veranderingen en onbeschaamde omwentelingen, die de oude Spaansche koloniën onophoudelijk teisteren.
»Het uur is voor ons gekomen om aan den strijd deel te nemen: ik heb honderd vijftig getrouwe mannen noodig. Guetzalli zal hun voorloopig toevluchtsoord zijn. Spoedig zal ik hun zeggen wat ik van hunnen moed verlang; tracht slechts te doen wat ik wil wagen. De onderneming die ik beraamd heb en in welke ik wellicht zal omkomen is geheel ten voordeele van ons bondgenootschap; zoo ik slagen mag, is elk die er deel aan heeft genomen eene rijke belooning en eene aanzienlijke plaats verzekerd. Gij kent den man die mij bij u heeft ingeleid, hij bezat uw aller vertrouwen; de gedenkpenning dien hij mij gaf, bewijst dadelijk dat hij volkomen voor mij borg staat: en nu vraag ik u of gij op uwe beurt mij vertrouwen schenkt, gelijk hij mij vertrouwde; zonder u kan ik niets uitrichten. Ik wacht uw antwoord.”
Hier zweeg hij.
Onder de aanwezigen ontstond thans ofschoon met gesmoorde stem eene levendige woordenwisseling, die een geruimen tijd aanhield. [49]Eindelijk werden allen weder stil en stond een van hen op.
»Mijnheer de graaf Gaëtan de Lhorailles,” zeide hij, »mijne broederen gelasten mij u in hunnen naam te antwoorden. Gij hebt u aan ons voorgesteld, ondersteund door de krachtige aanbeveling van een man die ons volste vertrouwen bezit; uw eigen gedrag schijnt ons toe deze aanbeveling in allen deele te bevestigen; de honderd vijftig mannen die gij vraagt zijn bereid u te volgen, onverschillig waarheen gij hen leiden zult, en wel overtuigd dat zij niet anders dan winnen kunnen door uwe plannen te ondersteunen. Ik, Diego Leon, schrijf mijn naam bovenaan op de lijst.”
»En ik!”
»En ik!”
»En ik!” riepen de Dauph’yeers om strijd.
De graaf wenkte met de hand en het werd weder stil.
»Broeders, ik dank u,” zeide hij. »Te Valparaiso zal ik, wanneer alles goed gaat, de dappere mannen kiezen, die ik in ’t vervolg zal noodig hebben. Heden heb ik aan honderd vijftig mannen genoeg. Zoo mijn plan gelukt, wie weet wat ons dan in de toekomst nog wacht. Ik heb eigenhandig een contract opgemaakt, welks voorwaarden ik niet twijfel dat stipt door u zoowel als door mij zullen worden nagekomen. Leest het eerst en teekent het daarna: binnen twee dagen vertrek ik naar Talca; maar over zes weken ben ik weder hier om mij te verstaan met diegenen onder u, die bereid zijn mij te volgen, en alsdan zal ik hun mijne plannen tot in de kleinste bijzonderheden mededeelen.”
»Kapitein de Lhorailles,” hernam Diego Leon; »gij zegt dat gij niet meer dan honderd vijftig mannen noodig hebt. Laten wij er dan om loten, want allen willen u volgen.”
»Ik zeg u wederom dank, brave kameraden,” zei de graaf, »gelooft mij, ieder van u zal zijne beurt krijgen; het door mij ontworpen plan is grootsch en uwer waardig; onder ulieden eene keus te doen zou te veel naijver wekken, tusschen mannen die allen verdienstelijk zijn; ik gelast u derhalve, Diego Leon, om door het lot te beslissen, wie van onze eerste onderneming deel moeten uitmaken.”
»Dat zal geschieden,” antwoordde Diego Leon, een stijve en regelmatige Bearnees, voormalig brigadier der Spahis, een oud soldaat, ten volle bekend met de dienst; strenge krijgstucht was zijn stokpaardje.
»Nu, mijne vrienden, nog een enkel woord: denkt er om dat ik u heden over drie maanden wacht te Guetzalli, van daar met Gods hulp zal de ster der Dauph’yeers heerlijk voor ons opgaan. Drinken wij, mijne broeders, op het welslagen onzer onderneming.”
»Drinken wij!” riepen al de Kust-Broeders in blakende geestdrift.
De kastelein werd uit zijn bed gehaald om de gasten te bedienen. [50]
Nu werd er wijn en brandewijn bij volle stroomen gelapt en gedronken.
De gansche nacht ging om in eene slemppartij, die tegen den morgen haar volle hoogte bereikte, toen de vergadering met het krieken van den dag onder de beste verwachtingen uiteen ging.
Zoo had de graaf de Lhorailles, dank zij den talisman dien de baron hem voor zijn vertrek uit Europa gegeven had, zich terstond na zijn aankomst in Amerika aan het hoofd gesteld van een troep bondgenooten, bestaande uit ondernemende en vastberaden mannen, met wier behulp een man van zooveel verstand en aanleg als hij, wel in staat was groote dingen uit te voeren.
Ongeveer twee maanden na de hierboven door ons beschreven vergadering, waren de graaf en zijne honderd vijftig Dauph’yeers vereenigd in de kolonie te Guetzalli, welke heerlijke bezitting hij zich door den geheimen invloed van den baron Spurtzheim had weten te verschaffen.
Zonder dat iemand gissen kon waaraan men zulk een opgang moest toeschrijven, genoot de graaf een ongehoorden voorspoed, alles gelukte hem, de schijnbaar dolzinnigste ondernemingen werden door hem tot een goed einde gebracht, zijne kolonie bloeide meer en meer en breidde zich uit op een wijze die een ieder bewonderde, en zelfs het Mexicaansche gouvernement met de schoonste verwachtingen vervulde.
Met de grondige wereld- en menschenkennis, die de graaf in de hoogste mate bezat, had hij de afgunst zijner benijders tot zwijgen weten te brengen en zich een kring van trouwe vrienden en nuttige helpers verworven, die hem in honderd omstandigheden met hunne voorspraak begunstigden en met hun crediet ondersteunden.
Om onze lezers terstond te doen zien, welke vorderingen hij in betrekkelijk korten tijd, nauwelijks drie jaren, maakte, zal het genoeg zijn te zeggen, dat hij op het oogenblik toen wij hem in ons verhaal lieten optreden, bijna het doel zijner standvastige pogingen had bereikt; hij had zich inderdaad in de publieke opinie weten te vestigen en was op het punt zich een eervollen rang in de maatschappij te verwerven door zijn aanstaande echtverbintenis met de dochter van don Sylva de Torres, een der rijkste hacienderas in Sonora; en dank zij den invloed van zijn aanstaanden schoonvader, had hij een aanstelling ontvangen als kapitein van een vrij-kompagnie, bestemd om de invallen der Apachen en Comanchen op het Mexicaansche grondgebied af te weren, met het recht om deze kompagnie naar verkiezing geheel uit Europeanen samen te stellen.
Keeren wij thans terug naar het huis van don Sylva de Torres, dat wij verlaten hebben weinige oogenblikken nadat de graaf de Lhorailles het was binnen getreden. [51]
1 Korenbrandewijn, gestookt in de stad Pisco.↑
2 Wees gegroet, zuivere Maria! Elf ure heeft de klok, het regent!↑
[Inhoud]
VI.
DOOR HET VENSTER.
Inhoudsopgave
Toen doña Anita de salon verliet om zich naar hare slaapkamer te begeven, oogde de graaf haar zoo lang mogelijk na, daar hij niets scheen te begrijpen van haar zonderling gedrag jegens hem, vooral uit hoofde der bijzondere betrekking waarin zij tegenover elkander waren geplaatst, ter zake van het huwelijk dat hen weldra voor levenslang zou verbinden. Na echter eenige minuten te hebben nagedacht, schudde bij eindelijk het hoofd, als wilde hij de treurige gedachten verdrijven die hem bestormden, en wendde zich tot zijn toekomstigen schoonvader.
»Spreken wij over onze zaken,” zeide hij; »zoo gij immers wilt.”
»Hebt gij mij dan iets nieuws mede te deelen?”
»Een aantal zaken.”
»Gewichtige?”
»Dat zult gij zelf beoordeelen.”
»Laat hooren dan. Ik ben ongeduldig om ze te vernemen.”
»Gaan wij ordelijk voort. Gij weet, vriend, waarom ik Guetzalli verlaten had.”
»Volkomen. Zijt gij goed geslaagd?”
»Geheel naar mijne verwachting. Dank zij zekere brieven, die ik had medegebracht en vooral ten gevolge uwer welwillende aanbeveling, heeft de generaal Marcos zich jegens mij zeer genegen getoond. De wijze waarop hij mij ontving was allerminzaamst, kortom, hij verleende mij zijn naam in blanko, met volmacht niet alleen om honderd vijftig man aan te werven, maar zelfs dubbel zoo veel als ik dit noodig oordeelde.”
»O! dat is heerlijk, inderdaad.”
»Niet waar? Bovendien heeft hij mij gezegd, dat hij in een oorlog als die welken ik thans ging ondernemen, want een jacht op de Apachen is niets minder dan een oorlog, mij volkomen vrijheid liet om naar eigen goedvinden te handelen, en keurde bij voorbaat alles goed wat door mij gedaan zou worden, wel overtuigd, voegde hij er bij, dat het alleszins strekken zou tot roem en voordeel van Mexico.”
»Wel, dat hoor ik met veel genoegen, vriend. Maar hoe zijt gij thans voornemens te handelen na zulk een gelukkigen afloop?”
»Ik ben vooreerst besloten om van hier onmiddellijk naar Guetzalli te vertrekken, dat ik reeds sedert drie weken verlaten heb. Ik moet noodzakelijk naar mijne kolonie terug, om te zien of alles geregeld gaat en mijn volk gelukkig is. Bovendien zou ik, alvorens mij, misschien voor langen tijd, met het grootste gedeelte mijner manschappen te verwijderen, de kolonisten gaarne tegen eene overrompeling beveiligen, door rondom mijne bezittingen eenige werken aan te leggen, [52]zoodat de achterblijvenden in staat zijn iederen aanval der wilden met kracht af te weren. Dit is van des te meer belang, omdat Guetzalli in zekeren zin altijd mijn hoofdkwartier blijven moet.”
»Dat is zoo. En wanneer denkt gij te vertrekken?”
»Heden avond.”
»Zoo spoedig reeds?”
»Ik moet wel. Gij zelf weet hoe zeer de tijd dringt.”
»Inderdaad. Hebt gij mij niets anders meer te zeggen?”
»Vergeef mij, ik heb u nog eene andere vraag te doen, die ik met opzet voor het laatst bewaard heb.”
»Is zij dan zoo belangrijk?”
»Van het hoogste belang.”
»O, dan moet ik haar hooren, vriend, spreek op, dadelijk.”
»Bij mijne komst hier te lande,” hervatte de graaf, »toen de onderneming, die ik thans God zij dank! tot een goed einde heb gebracht, nog slechts op het papier bestond, waart gij zoo welwillend, señor don Sylva, om niet alleen uw onmetelijk crediet, maar ook uwe onberekenbare rijkdommen te mijner beschikking te stellen.”
»Dat is zoo,” zei de Mexicaan glimlachend.
»Welnu, ik heb van uw aanbod ruimschoots gebruik gemaakt, menigmaal uit uw geldkist geput en over uw crediet zoo dikwijls beschikt als de gelegenheid het vorderde; vergun mij thans het eene gedeelte mijner verplichting aan u te kwijten, terwijl ik erken dat ik het andere gedeelte u vooreerst zal moeten schuldig blijven. Zie hier,” vervolgde hij, een papier uit zijne portefeuille nemende, »hier is een wisselbrief, ten bedrage van honderd duizend piasters, betaalbaar op zicht en getrokken op Walter Blount en Comp. bankiers te Mexico. Ik acht mij gelukkig, don Sylva, in staat te zijn deze schuld zoo gereedelijk af te doen, niet omdat.…”
»Met uw welnemen,” viel de haciendero hem in de rede, terwijl hij den wissel, dien de graaf hem aanbood, met drift afwees, »maar ik geloof dat wij elkander op dit oogenblik niet goed begrijpen.”
»Hoezoo niet?”
»Tot opheldering zal ik u zeggen: bij uwe komst te Guaymas, mijnheer de graaf, kwaamt gij bij mij met een dringenden aanbevelingsbrief van wege een man met wien ik, zonder daarom ooit intiem aan hem verbonden te zijn, nochtans eenige jaren geleden zeer groote geldelijke betrekkingen heb gehad. De baron van Spurtzheim stelde u aan mij voor, meer als een beminden zoon dan als een vriend voor wien men zich partij stelt. Ik heb mijn huis wagenwijd voor u opengezet. Ik was verplicht zulks te doen. Later, toen ik u leerde kennen en het grootsche en edele in uw karakter heb kunnen waardeeren, zijn onze aanvankelijk koele betrekkingen nauwer geworden en bood ik u de hand mijner dochter, die gij hebt aangenomen.”
»Tot mijn onuitsprekelijk geluk!” riep de graaf. [53]
»Zeer goed,” hernam de haciendero glimlachend, »het geld dus dat ik van een onbekende zou kunnen terug ontvangen, en dat hij mij als zoodanig wettig verschuldigd was, dat geld behoort aan mijn schoonzoon. Verscheur dus, bid ik u, dien wisselbrief, waarde graaf, en denken wij niet verder om dat bagatel.”
»Juist!” riep de graaf schielijk en op verdrietigen toon, »dat is juist wat mij hindert; ik ben uw schoonzoon nog niet en, als ik het u zeggen moet, ik vrees dat ik het nooit worden zal.”
»En wat geeft u aanleiding om daarvoor te vreezen? Hebt gij niet mijne belofte? Het woord van don Sylva de Torres, waarde heer graaf de Lhorailles, is een waarborg, dien nog nooit iemand heeft durven in twijfel trekken.”
»Daar twijfel ik ook in ’t minst niet aan, don Sylva; het is niet voor u dat ik vrees.”
»Voor wie dan?”
»Voor doña Anita.”
»Voor mijne dochter?”
»Ja.”
»Wat zegt gij, vriend! dat vereischt nadere opheldering, want ik zweer u dat ik het volstrekt niet begrijp” riep don Sylva, terwijl hij driftig opstond en onrustig het salon op en neder trad.
»Mijn hemel, don Sylva!” riep de graaf, »het spijt mij waarlijk dat ik dit bezwaar bij u heb ter sprake moeten brengen, want ik bemin doña Anita; maar de liefde, zooals gij weet, is ergdenkend; en ofschoon uwe dochter altijd lief en goed voor mij geweest is, heb ik haar sedert onze verloving gadegeslagen en als ik het u bekennen moet geloof ik stellig dat zij mij niet bemint.”
»Gij zijt dwaas, don Gaëtano; de meisjes weten zoo min wie zij beminnen als wie zij niet beminnen. Bekommer u niet over die kinderachtige grillen; ik heb u beloofd dat zij uwe vrouw zal worden, en dat zal zij.”
»Maar zoo zij nu evenwel een ander beminde, zou ik u niet willen.…”
»Kom, loop heen! dat is nu toch wat al te gek. Anita bemint geen ander dan u, dat weet ik zeker; en ziedaar, ik zal er u op eens van verzekeren; gij vertrekt heden avond hebt gij gezegd naar Guetzalli?”
»Ja, nog dezen avond.”
»Zeer goed; laat dan kamers in gereedheid brengen voor mij en mijne dochter, en binnen weinige dagen komen wij bij u in de hacienda logeeren.”
»Zou dat mogelijk zijn?” riep de graaf verheugd.
»Morgen met het krieken van den dag vertrekken wij; dus haast u.”
»O! duizendmaal dank.”
»Goed, zijt gij nu gerustgesteld?” [54]
»Niemand kan gelukkiger zijn dan ik.”
Na nog eenige woorden te hebben gewisseld namen de twee mannen afscheid, met de belofte dat zij elkander spoedig weêr zouden zien.
Don Sylva was gewoon om in zijn huis door niemand tegengesproken te worden of zijne bevelen in omvraag te brengen; wel overtuigd van Anita’s gehoorzaamheid, liet hij haar met de kamenier zeggen, dat zij zich den volgenden morgen tegen zonsopgang voor eene tamelijk verre reis moest gereed maken.
Dit bericht klonk het meisje als een donderslag in de ooren.
Half flauw van den schrik zeeg zij op een stoel neder en smolt weg in tranen; zij gevoelde maar al te duidelijk dat deze reis niets dan een voorwendsel was, om haar van haren beminde te scheiden en haar weêrloos over te leveren aan den man dien zij verfoeide, en aan wien men haar ongevraagd ongeweigerd dacht uit te huwelijken.
Zoo bleef zij eenige uren lang zitten, geheel in zich zelve verzonken, aan de wanhoop ten prooi, zonder te denken aan de welkome rust, die zij toch niet zou gevonden hebben, want zij wist dat de slaap hare gezwollen en roodgeweende oogleden niet zou sluiten.
Allengs waren alle geluiden in de stad verdoofd, alles sliep of althans scheen te slapen; ook het huis van don Sylva was geheel donker, slechts een enkel flauw licht blonk als eene eenzame ster door de glasruiten van Anita’s venster, en bewees dat zij ten minste nog waakte.
Op dit oogenblik vertoonden zich twee onzekere en vreesachtige schimmen op den muur tegenover het huis van den haciendero; twee mannen in lange mantels gehuld, bleven staan en keken naar het flauw verlichte venster, met eene oplettendheid zoo strak als alleen aan dieven of aan verliefden eigen is.
De twee door ons genoemde mannen behoorden ongetwijfeld tot de laatstgenoemde kategorie.
»Hm!” riep de een met eene halfgesmoorde stem, »dus zijt gij zeker van hetgeen gij beweert, Cuchares?”
»Zoo zeker als ik hoop zalig te worden, señor don Martial,” antwoordde de andere op denzelfden toon, »ik heb dien verwenschten Engelschman in huis zien komen juist toen ik er was; en don Sylva scheen op den besten voet met zoo’n duivelschen ketter.”
Wij moeten in ’t voorbijgaan aanmerken, dat de Mexicanen eenige jaren geleden en wellicht ook nu nog alle vreemdelingen, ongevraagd tot welke natie zij behooren, voor Engelschen houden en bij gevolg als ketters aanmerken; de vreemdelingen zagen zich dus, zelfs buiten hun weten gerangschikt onder de lieden die men zonder misdadig te zijn kon dooden, ja wier vermoording integendeel bijna als een verdienstelijk werk werd beschouwd.
Tot lof van de Mexicanen moeten wij er dan ook bijvoegen, dat [55]zij bij elke voorkomende gelegenheid de zoogenaamde Engelschen omhals brachten, met eenen ijver die van hunne welbegrepen vroomheid alleszins getuigenis gaf.
Don Martial antwoordde:
»Op mijn woord als Tigrero, die kerel is mij reeds tweemaal in den weg gekomen en tweemaal heb ik hem gespaard, maar laat hij zich wachten voor den derden keer.”
»O!” riep Cuchares, »de eerwaarde pater Becchio heeft mij gezegd dat ik altijd een goeden aflaat kon verdienen met een Engelschman te snijden1 (cortar). Ik heb het voordeel nog niet gehad om er een te ontmoeten, al ben ik er ongeveer acht schuldig op mijne rekening met pater Becchio. Ik heb grooten lust om met dezen een begin te maken, dat ware ten minste zooveel gewonnen.”
»Wees gewaarschuwd, om uw leven, picaro, die man hoort mij toe.”
»Dan spreken wij er niet meer van,” antwoordde Cuchares met een gesmoorden zucht; »ik laat hem voor u. Maar in allen geval het spijt mij, ofschoon de niña hem hartelijk schijnt te verfoeien.”
»Hebt gij bewijs voor hetgeen gij daar zegt?”
»Is er beter bewijs dan de afkeer dien zij hem betoont als hij komt, ik heb haar bij deze gelegenheid zien verbleeken als een doek, zonder dat er eenige andere denkbare reden voor kon bestaan.”
»O! ik zou duizend oncen willen missen om te weten wat er van is?”
»Wie belet u dat? de heele wereld slaapt, niemand zal u zien: vijftien voet! hooger is het niet. Ik ben zeker dat Anita blijde zou zijn als zij eens met u kon praten.”
»O! als ik dat kon denken,” mompelde hij aarzelend met een zijdelingschen blik naar het altijd verlichte venster.
»Misschien! wie weet of zij niet op u wacht!”
»Zwijg, ellendeling.”
»Wat weêrga! luister toch; als het waar is wat ik heb hooren vertellen, moet het arme kind erg in de verknijping zitten, om er niet meer van te zeggen; zij heeft dringend hulp noodig.”
»Wat zegt men van haar? laat hooren, maar kort.”
»Eenvoudig dit: dat doña Anita de Torres vandaag over acht dagen trouwen zal met den Engelschman don Gaëtano.”
»Gij liegt, deugniet,” riep de Tigrero met kwalijk verholen woede; »als ik mij niet weêrhield, zou ik u met mijn ponjaard de woorden teruggeven die gij daar gesproken hebt.”
»Daar zoudt gij verkeerd aan doen,” hervatte de andere zonder zijne bedaardheid te verliezen; »ik ben slechts de echo, die herhaalt wat hij heeft hooren zeggen, meer niet. Gij zijt de eenigste in Guaymas die van dat nieuws niets weet. In allen geval is dat niet te verwonderen, daar gij eerst heden avond in de stad terug zijt gekomen na eene maand afwezigheid.” [56]
»Dat is waar, wat dan gedaan?”
»Caraï! naar goeden raad luisteren en doen wat ik u zeg.”
De Tigrero keek een geruime poos naar het venster, en liet het hoofd besluiteloos hangen.
»Wat zal ze wel zeggen, als zij mij ziet?” mompelde hij.
»Caramba!” riep de lepero op sarcastischen toon, »wat zij zal zeggen? Wees welkom, alma mia (beste vriend) dat is klaar, carai! Gij zijt toch geen kind, don Martial, om voor een vrouwenblik te beven? De gelegenheid heeft slechts drie haren, in de liefde zoowel als in den oorlog; men moet haar aangrijpen als zij zich voordoet, of men loopt gevaar dat zij nooit weêrkomt.”
De Mexicaan naderde den lepero tot hij hem bijna aanraakte, en staarde hem diep in de groene kattenoogen.
»Cuchares,” zeide hij met eene zware nadrukkelijke stem, »ik verlaat mij op u. Gij kent mij; ik heb u zoo menigmaal geholpen maar als gij nu mijn vertrouwen teleurstelt, dood ik u als een coyote.”
De Tigrero sprak deze woorden op zulk een toon van stille woede, dat de lepero, die zeer wel wist met welk een man hij te doen had, tegen wil en dank bleek werd en beefde als een riet.
»Ik ben in alles tot uw dienst, don Martial,” antwoordde hij met eene stem die hij vruchteloos poogde ferm te houden; »wat er ook gebeure, gij kunt op mij rekenen: wat moet ik voor u doen?”
»Niets, wachten, opletten en bij het minste geluid dat u als onraad voorkomt of bij den eersten zweem van vijand dien gij in de duisternis ziet mij onmiddellijk waarschuwen.”
»Reken op mij, doe uwe zaken; ik ben stom en doof, en zal gedurende uwe afwezigheid voor u waken als een zoon voor zijnen vader.”
»Goed!” riep de Tigrero.
Hij trad eenige stappen terug, maakte de reata los die om zijn middel geslagen was, hield haar in de rechterhand gereed, sloeg de oogen op, berekende den afstand en toen de reata eenige malen met kracht boven zijn hoofd slingerende wierp hij haar naar het balkon van doña Anita.
De strik hechtte zich aan een der ijzeren punten der balustrade en bleef stevig vast zitten.
»Denk om uwe belofte!” zei de Tigrero zich tot Cuchares wendende.
»Ga uw gang,” antwoordde deze terwijl hij tegen den muur aan de overzijde post vatte en de beenen over elkander kruiste, »ik sta borg voor alles.”
De Mexicaan nam genoegen of scheen althans genoegen te nemen met deze verzekering; hij greep de reata, en van zijne plaats opspringende als een van die panters die hij zoo vaak had vervolgd in de savane, palmde hij zich met de vuisten naar boven en bereikte na eenige seconden het balkon. [57]
Hij stapte over de balustrade en naderde het venster.
Doña Anita zat in halfliggende houding op haar armstoel te slapen.
Het arme kind, bleek en ontdaan, de oogen door tranen gezwollen, was eindelijk overmeesterd door den slaap die zijne rechten op jeugdige en krachtvolle naturen nimmer verliest. Hare marmerbleeke wangen vertoonden nog de sporen der pas geweende tranen. Martial begluurde met verteederden blik zijne beminde, zonder haar te durven naderen. Zoo in haar slaap verrast, kwam het meisje hem bekoorlijker voor dan ooit, een aureool van reinheid en onschuld scheen te zweven boven haar hoofd, als om hare rust heilig en onschendbaar te bewaken.
Na eene lange en onverzaadbare beschouwing, besloot de Tigrero eindelijk nader te treden.
Het venster, dat slechts op een kier stond, daar Anita zeker niet gedacht had op die wijze in te slapen, week terug voor den minsten stoot van don Martial; hij deed nog een stap en stond in de slaapkamer van doña Anita.
De indruk van dit vertrek, waar alles zoo kalm, zoo maagdelijk rein en ordelijk was, boezemde den Tigrero een ongewoon gevoel van eerbied in, zijn hart klopte in zijne borst als of het zou barsten, en in zijne hartstochtelijke opwinding tusschen liefde en vrees waggelde hij voort en zonk op de knieën naast zijne beminde.
Het meisje opende de oogen.
»O!” riep zij, toen zij don Martial zag, »Gode zij dank die u te mijner hulpe zendt.”
De Tigrero keek tot haar op, met vochtigen blik en hijgende borst.
Maar plotseling rees Anita overeind, zij kwam tot bezinning en daarmede tot de schuchtere vrees die alle vrouwen is aangeboren.
»Ga heen!” riep zij terwijl zij zich in den versten hoek der kamer terugtrok, »ga heen, caballero. Hoe komt gij hier? wie heeft u bij mij ingeleid? Antwoord, antwoord mij dadelijk!”
De Tigrero boog deemoedig het hoofd.
»God alleen heeft mij hier gebracht, señorita,” riep hij met een nauwelijks hoorbare stem, »zooals gij zelf hebt gezegd, señorita. O! vergeef mij dat ik u aldus heb durven verrassen. Ik heb een groven misslag begaan, dat weet ik; maar een ongeluk bedreigt u, dat heb ik gevoeld en geraden; gij zijt alleen, zonder hulp en ik kwam hier om het u te zeggen; señorita, ik ben wel zeer gering en zeer onwaard u te dienen, doch gij hebt een trouw en vastberaden hart noodig, dat bied ik u aan; neem mijn bloed, neem mijn leven, ik zou mij gelukkig achten voor u te mogen sterven. In ’s hemels naam, señorita, in naam van al wat u lief is op de wereld! wijs mijn verzoek niet van de hand; mijn arm en mijn hart zijn tot uwe beschikking.”
Deze woorden werden met eene door hartstocht bewogen stem uitgesproken, [58]terwijl don Martial midden in de kamer geknield lag, met de handen gevouwen en de oogen op doña Anita gericht, met een smachtenden blik, waarin zijne gansche ziel zich uitdrukte.
Doña Anita keek den jongman wederkeerig strak aan, als om zich van zijne oprechte bedoeling te verzekeren, en zonder het hoofd af te wenden naderde zij hem langzaam, aarzelend en bevend, tegen wil en dank. Toen zij dicht bij hem kwam stond zij een oogenblik besluiteloos, maar legde hem eindelijk hare kleine blanke hand op de schouders en bracht haar gelaat zoo dicht bij het zijne dat hij haar frisschen adem op zijn voorhoofd voelde en hare geparfumeerde lokken zijne wangen streelden.
»Gij bemint mij dus, don Martial?” vroeg zij met een welluidende stem.
»O!” prevelde de jongman schier tot waanzinnigheid verliefd door deze zoete gewaarwording.
De Mexicaansche boog zich over den Tigrero en raakte met hare rozenlippen zijn klam voorhoofd.
»Welaan,” zeide zij, oogenblikkelijk terugspringende als eene verschrikte hinde, terwijl een purperen blos hare wangen kleurde uit schaamte over den stap dien zij had gewaagd, »nu moogt gij mij verdedigen, don Martial, want voor God, die ons ziet en hoort, ben ik uwe vrouw.”
De Tigrero vloog op als geëlectriseerd door dezen gloeienden kus. Met een fier voorhoofd en tintelenden blik, sloot hij het meisje in zijne armen, leidde haar in een hoek van de kamer naar een zilveren statuet van de heilige Maagd, voor hetwelk eene welriekende lamp brandde.
»Kniel, señora!” zeide hij met bezielde stem terwijl hij zelf de knie reeds boog.
Doña Anita gehoorzaamde.
»Heilige Mater dolorosa!” hervatte don Martial, »Nuestra Señora de la Soledad, troosteres der bedroefden. Gij die de harten beproeft, gij ziet de reinheid onzer wenschen en de heiligheid onzer liefde. In uwe tegenwoordigheid neem ik doña Anita de Torres tot vrouwe. Ik zweer haar te zullen verdedigen en beschermen tegen en voor allen, met mijn goed en leven in den strijd dien ik heden aanga voor het heil van haar die ik bemin en die ik van heden af beschouw als mijne echte en deugdelijke bruid.”
Na deze gelofte met eene duidelijke en krachtvolle stem te hebben uitgesproken, wendde de Tigrero zich naar het meisje.
»Nu is het uwe beurt, señorita,” zeide hij.
Doña Anita vouwde de handen en sloeg de oogen vol tranen op naar het heilige beeld.
»Nuestra Señora de la Soledad,” stamelde zij met eene diepe, door aandoening geschokte stem, »gij, mijne eenige beschermster van den dag mijner geboorte af, gij weet of ik u getrouw was, ik zweer dat [59]alles wat deze man heeft gezegd waarheid is; ik neem hem tot echtgenoot voor u, en zal nooit een anderen nemen.”
Zij stonden op.
Doña Anita trok den Tigrero naar het balkon.
»Vertrek!” zeide zij, »de vrouw van don Martial moet niet verdacht worden: vertrek, mijn echtgenoot en mijn broeder; de man aan wien men mij wil overleveren heet de graaf de Lhorailles. Morgen eer de zon opgaat, gaan wij waarschijnlijk op reis naar zijne hacienda.”
»En hij?”
»Is dezen nacht reeds vertrokken.”
»Waarheen?”
»Dat weet ik niet?”
»Ik zal hem dooden?”
»Tot weerziens, don Martial, tot weerziens!”
»Tot weerziens! doña Anita, houd moed, ik waak over u.”
En na haar een kus op het voorhoofd te hebben gedrukt, stapte hij over de balustrade, greep de reata en liet zich in de straat afglijden.
»Helaas! helaas!” murmelde zij met een gesmoorden zucht, »wat heb ik gedaan! … Heilige Maagd, gij alleen kunt mij den moed wedergeven die mij ontzinkt!”
Zij liet het gordijn neder dat voor het venster hing en keerde terug om voor het Madonnabeeld te knielen, maar deinsde oogenblikkelijk achterwaarts met een uitroep van schrik.
Op twee passen afstand stond don Sylva de Torres met gefronste wenkbrauwen en een streng gelaat.
»Doña Anita, mijne dochter,” zeide hij met een langzame, hortende stem, »ik heb alles gezien en gehoord; spaar dus, verzoek ik u, eene nuttelooze ontkenning.”
»Vader!.…” stamelde het arme kind met een gebroken stem.
»Zwijg!” hervatte don Sylva, »het is thans drie ure. Wij vertrekken met zonsopgang, en binnen veertien dagen wordt gij de vrouw van den graaf don Gaëtano de Lhorailles.”
Zonder er verder een woord bij te voegen stapte hij langzaam de kamer uit en sloot de deur achter zich toe.
Alleen achtergebleven, stond doña Anita in gebogen houding bij de deur als om te luisteren, zij wierp een verwilderden blik om zich heen, deed eenige wankelende stappen voorwaarts, sloeg de beide handen krampachtig naar de benauwde toegeschroefde keel, gaf een verscheurenden gil en stortte op den vloer neder.
Zij lag in onmacht. [60]
1 Gemeenzame term onder het volk in Mexico, voor omhalsbrengen.↑
Бесплатный фрагмент закончился.
