Читать книгу: «Gids bij de studie der Nederlandsche letterkunde»

Шрифт:

E. Rijpma

Gids bij de studie der Nederlandsche letterkunde


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066403393

Inhoudsopgave

VOORBERICHT VOOR DEN VIERDEN DRUK.

VOORBERICHT VOOR DEN VIJFDEN DRUK.

Van den Vos Reynaerde.

Bespreking van de verschillende karakters.

Vondels Hekeldichten.

Palamedes.

Gysbreght van Aemstel.

Lucifer.

Granida.

Warenar.

De Spaansche Brabander.

Huygens en zijn Zeestraet.

Het Wederzijdsch Huwelijks Bedrog.

Saartje Burgerhart.

De Jaromir-cyclus.

Hagar.

Potgieter als criticus.

Jan, Jannetje en hun jongste kind.

De Roos van Dekama.

TWEEDE DEEL.

Het Huis Lauernesse.

De Camera Obscura.

Waarheid en Droomen.

Sinjeur Semeyns.

Akbar.

In Dagen van Strijd.

Vorstenschool.

Mathilde. Een sonnettenkrans.

Eline Vere.

Iets over Kloos als Criticus.

Gorters Mei.

EERSTE ZANG.

TWEEDE ZANG.

DERDE ZANG.

Op Hoop van Zegen.

De Kleine Johannes.

Querido en zijn Menschenwee.

De Vlaschaard.

VOORBERICHT VOOR DEN VIERDEN DRUK.

Inhoudsopgave

De voornaamste aangebrachte wijziging is het opnemen van Gorters Mei, waardoor tevens ’t verplaatsen van De Roos van Dekama uit het tweede deel naar ’t eerste noodig werd. Bovendien is rekening gehouden met de nieuwe publicaties over den Reinaert en met de jongste Perk-studiën.

Ter aanvulling van dezen „Gids” is geschreven een „Kort Overzicht der Nederlandsche Letteren”, dat vooral inzicht tracht te geven in den ontwikkelingsgang van onze litteratuur.

Amsterdam, Januari 1916. E. R.

VOORBERICHT VOOR DEN VIJFDEN DRUK.

Inhoudsopgave

In dezen druk zijn geen wijzigingen van beteekenis aangebracht. Zoowel het „Kort Overzicht” als de uitgebreidere „Beknopte Geschiedenis der Nederlandsche Letteren” kunnen ter aanvulling van dezen „Gids” gebruikt worden.

Amsterdam, September 1918. E. R.

Van den Vos Reynaerde.

Inhoudsopgave

Ontstaan van de dierenverhalen. Indië is de bakermat van de dierenverhalen. Daar komen verschillende langere en kortere verhalen voor, soms in den vorm van fabels, soms als meer uitgebreide dierennovellen, en in vele daarvan speelt de leeuw en daarnaast de slimme jakhals, een voorname rol. Langzamerhand zijn deze vertellingen overgebracht naar ’t Westen, gedeeltelijk door vertalingen in ’t Perzisch en Arabisch, en verder in ’t Grieksch en Latijn, maar voor een goed deel ook door mondelinge overdracht. In de Middeleeuwen bestond er reeds een levendig handelsverkeer tusschen Oost en West; door de Kruistochten trokken groote scharen Westerlingen naar ’t wonderbare Oosten en vertelden bij hun terugkomst wat ze daar gehoord en gezien hadden. Zoo kreeg men in West-Europa kennis van dat alles en tevens lazen daar de meer ontwikkelden de in ’t Latijn geschreven dierengeschiedenissen. Nu begon ook de eigen letterkunde zich van de nieuwe stof meester te maken. Zoo zijn in ’t Fransch een menigte verhalen (branches) ontstaan, die betrekking hebben op de vele streken door den vos uitgehaald. Kenmerkend is dat in deze branches de uitheemsche dieren al zijn vervangen door inlandsche: de vos is in de plaats gekomen van den jakhals.

Oorsprong van den Reinaert. Ook ons land heeft zijn dierenepos gekregen: in de 13e eeuw is hier „Van den Vos Reynaerde” geschreven, gedeeltelijk een bewerking van een Fransche branche nl. Le Plaid (het pleidooi). Een vertaling is het niet, want soms is iets weggelaten en op andere plaatsen heel wat bijgevoegd, terwijl in de laatste helft (te beginnen bij Reinaerts veroordeeling) ook vrijwat voorkomt dat aan Fransche verhalen is ontleend, maar ’t hoofdverhaal daarin schijnt toch eigen vinding.

Letterkundige waarde. Men is ’t er over eens dat onze Reinaert ver staat boven ’t origineel, vooreerst omdat de schrijver de verschillende verhalen op heel natuurlijke wijze met elkaar in verband heeft weten te brengen en er een logisch geheel van heeft gemaakt, en vooral omdat zijn stijl uitmunt door aanschouwelijkheid en geest. Daarbij komt nog dat hij aan zijn werk een typisch Vlaamsch karakter heeft weten geven, o. a. door ’t geheel in Vlaanderen te laten spelen en Vlaamsche eigennamen te gebruiken, zoodat men haast van een oorspronkelijk werk kan spreken.

Tweeslachtigheid. Een dierenverhaal heeft altijd iets tweeslachtigs: er wordt telkens gesproken over dieren, maar daarachter staat de menschenmaatschappij. In die dieren worden menschelijke eigenschappen of maatschappelijke toestanden gehekeld. Treedt dit menschelijke te veel naar voren, dan wordt het geheel onnatuurlijk, onaesthetisch en belachelijk. Zoo laten de Fransche dichters de dieren op bankjes zitten, blozen van schaamte, de armen om elkaars hals slaan, een ring aan den vinger steken en zelfs werpt men een in zwijm gevallen kip water over den kop om haar weer bij te brengen. Bij ’t doorlezen van den Reinaert stuit men soms ook wel op menschelijke eigenschappen bij dieren, maar hinderlijk is dit nooit, de dichter weet ons voortdurend de illusie te geven dat we met dieren te doen hebben, en de eigenschappen van de verschillende dieren zijn juist typeerend voor hen, zooals we straks zullen zien. Ook in dit opzicht is de Vlaamsche clerc een meester geweest.

Schrijver. De aanvang van den Reinaert luidt:

„Willem, die Madocke1 makede,

Daar hi dicke omme wakede,

Hem vernoide soo haerde

Dat eene avonture van Reinaerde

In dietsche was onghemaket bleven

(Die Aernout niet en hadde bescreven),

Dat hi die vite dede souken

Ende hise uten walschen bouken

In dietsche dus hevet begonnen.”

en daaruit wordt in verband met eigenaardige verschillen tusschen ’t eerste en ’t laatste gedeelte van den Reinaert wel de conclusie getrokken, dat er twee schrijvers zijn geweest: een oudere, Aernout, die ’t laatste gedeelte heeft geschreven, en een jongere, Willem, die naar een Fransche branche het eerst heeft bewerkt als inleiding voor Aernouts verhaal, dat hij bovendien eenigszins heeft gewijzigd.

Bespreking van de verschillende karakters.

Inhoudsopgave

Karakterteekening van Reinaert. Zijn slimheid. Reinaert. De meest in ’t oog springende eigenschappen van den vos zijn z’n schranderheid en z’n moed, die soms zelfs overslaat tot brutaliteit. Slim is Reinaert in hooge mate en juist daardoor is hij ver de meerdere van alle andere dieren. ’t Verstand zegeviert over de brute kracht. Enkele bewijzen: de hofdag, waar geklaagd wordt over Reintjes streken en waar o. a. blijkt op wat voor geslepen manier hij de kinderen van Cantecleer heeft weten te pakken, de wijze waarop Bruin en Tibeert beet worden genomen; de onvergelijkelijke handigheid en brutaliteit, waarmee hij koning Nobel en de koningin er in laat loopen door ’t verhaal van den gefingeerden schat, en ten slotte als apotheose Reinaert de pelgrim, die statig zijn bedevaart naar Rome aanvangt, terwijl ’t heele hof hem uitgeleide doet. Zelfs de zegen ontbreekt niet:

(vers 3044) Na dese tale ghinc hi staen

Up sine achterste twee beene

Ende maende die diere, groot ende cleene,

Datsi alle voer hem baden,

Of si an sine weldaden

Gherecht deel hebben wouden.

Si seiden alle datsi souden

Sijns ghedinken in haer ghebede.

Wat zal de slimmerd zich verkneukeld hebben, toen hij al die botteriken zoo vol ernst zag luisteren, ’t Beetnemen van Cuwaert en den aartsdommen en verwaanden Belijn is bij dit alles vergeleken kinderspel.

Maar niet nog in ’t beetnemen op zich zelf, doch in de wijze waarop dit gebeurt, ligt de groote verdienste. Hannibal, de geniale Puniër, behaalde zijn schitterende overwinningen vooral door ’t feit dat hij studie maakte van ’t karakter van zijn tegenstanders en zijn plan van aanval inrichtte naar de eigenschappen van dengene die tegenover hem stond. Dit is ook ’t plan van aanval van Reinaert, hij kent de zwakheden van zijn tegenstanders.

Tegenover den Beer. Hoe weet hij ze in hun zwak aan te tasten! Bruun komt, vertrouwende op z’n kolossale kracht, vol overmoed in Maupertuus; maar Reynaert behoeft hem niet te vreezen, hij kent de onverzadelijke vraatzucht van den beer, hij weet dat ’t enkele woord honig hem ten val zal brengen. En hij heeft zich niet vergist, nauwelijks heeft hij minachtend over den honig gesproken of Bruun roept uit:

„Helpe, dor die doot, Reinaert,

Hebdi honich dus onwaert?

Honich es eene soete spise

Die ic voor alle gherechten prise,

Ende voor alle gherechten minne,

Reinaert, helpt mi dat ics ghewinne.”

De misdadiger van zooeven, die door Bruun voor den koning moest gebracht worden, is nu al de „lieve vos Reynaert, de edele Reynaert, de soete neve!”

Tegenover den Kater. Ook Tibeert is een vraat, maar hij is veel slimmer dan de domme Bruun en Reynaert heeft dus met hem niet zoo’n gemakkelijk spel. De looze kater weigert standvastig den nacht bij Reynaert door te brengen, hij kent de streken van zijn tegenpartij en is op z’n hoede, maar als de vos zijn laatste troef uitspeelt en over vette muizen spreekt, denkt Tibeert nergens meer aan dan aan smullen. Van tegenstand is geen sprake meer, muizen eten dat is ’t eenige. Met hem is ’t nog erger dan met Bruun: voor vette musen wil hij desnoods z’n heele familie geven!

Tegenover den Leeuw. Bij koning Nobel is ’t een verwante eigenschap: ook hier begeerigheid, nu niet naar lekker eten, maar dorst naar goud. Reynaert kent weer die kwetsbare plek, hij kent de hebzucht van den koning, maar weet ook dat Nobel niet zoo gemakkelijk om den tuin te leiden is. Vandaar dat de vos zijn best doet om zijn verhaal zoo geloofwaardig mogelijk te maken, vandaar, dat hij zich niet ontziet de nagedachtenis van zijn eigen vader te belasteren, zijn trouwen verdediger Grimbert, den das, te beschuldigen, vandaar ook de nauwkeurige beschrijving van de plaats waar de schat begraven is en ’t ten-getuige-roepen van Cuwaert. Buitengewoon handig is dan weer de wijze waarop hij weet te voorkomen dat hij zelf mee moet gaan naar de Kriekepit om den schat aan te wijzen.

Moed van Reinaert. Reynaerts tweede eigenschap, zijn moed, komt het beste uit als hij met Grimbeert in ’s konings hof komt, want heel goed weet hij dat het zal gaan om leven of dood, en toch zegt hij den das hem „die hoechste strate” te leiden en hij gaat tot voor den koning

„In alsoo bouden ghebare,

Ghelijc of hi sconincx sone ware.”

Ook zijn aanspraak tot Nobel is typisch brutaal. Trouwens gedurende ’t geding verlaat hem zijn tegenwoordigheid van geest geen oogenblik.

Spotzucht. Op nog één kenmerkende karaktertrek van Reynaert moeten we wijzen, zijn spotzucht. Hij voelt zelf hoe oneindig ver hij in verstand staat boven alle anderen en juist daarom kan hij niet nalaten zijn slachtoffers nog een duw achterna te geven. Humaan is ’t niet, maar begrijpelijk wel. Klauwen en tanden zijn de wapens van de andere dieren, hoon en spot die van Reynaert. Wat grinnikt hij van genoegen als hij ziet hoe de beer door de dorpelingen toegetakeld is, en wat moet Bruin gevoeld hebben, toen hij den fellen roodbaard hoorde roepen:

„Nu seghet priester, soete vrient,

Bi den heere dien ghi dient:

In wat ordinen wildi u doen,

Dat ghi draghet rooden caproen?

Weder sidi abt so priore?

Hi ghinc u harde na den oore

Die u dese crune hevet bescoren.

Ghi hebt uwen top verloren

Ende uwe hantscoen af ghedaen:

Ic wane ghi wilt singhen gaen

Van uwen complete dat ghetide.”

Bij Tibeert is het net zoo; zoodra de kater vast zit in den strik roept Reynaert hoonend:

„Vindise goet

Die muse, Tibeert, ende vet?”

en verder:

„Tibeert, ghi singhet als ghi et,

Pleghet men tes coninx hove des?”

De arme wolvin Hersinde, die van haar klauwen beroofd is en krimpend van pijn op den grond ligt, moet de volgende schijnheilige woorden hooren:

„Ghi sijt, des gheloovet mi

Een die liefste van minen maghen.

Bedi sal ic u scoen andraghen.

God weet, dat es al uwe bate.

Ghi sult an dien hooghen aflate

Deelen ende an alt pardoen,

Dat ic, lieve moie, in u scoen

Sal bejaghen over see.”

Over de eigenschappen van de andere dieren behoeft weinig gezegd te worden, omdat juist de zwakke zijde van hun karakter ’t meest naar voren treedt en daarover al gesproken is. Sympathiek is slechts één van allen: Grimbeert, die zijn oom telkens verdedigt en tot het laatste toe hem trouw blijft: als Reynaert veroordeeld wordt, verlaat Grimbeert met al zijn magen het hof. We zagen boven dat de niemand-sparende vos juist van dat vertrek gebruik maakt om zijn trouwen neef bij den koning te belasteren. Dat is wel een van Reynaerts gemeenste streken, hoewel de vrees voor den dood zijn handelwijze begrijpelijk maakt.

De Reinaert als satire. In ’t voorgaande wezen we op het sterk ironische element in Reynaerts karakter, we hadden dat ook kunnen uitbreiden tot den schrijver zelf, want het gedicht zit vol satirieke toespelingen op maatschappelijke toestanden, die soms geweldig scherp zijn. En hierin is de schrijver weer een kind van zijn tijd. In de Middeleeuwen is er veel gehekeld, soms, zooals Willem het doet, spottend en snijdend, soms, zooals we dat in Maerlants werken vinden, vol ernst en heilige verontwaardiging. Vooral de dienaren van de Kerk, die toen maar al te dikwijls onwaardige dienaren waren, moesten het ontgelden, dat getuigen Maerlants Martijnzangen, Der Kerken Claghe en zijn Van den Lande van Oversee. Overal klachten over weelde en onzedelijk leven bij de geestelijkheid, over verwaarloozing van hun kerkelijke plichten. Ook in den Reynaert wordt de geestelijkheid niet gespaard: heel dikwijls wordt gesproken over de priesters en gewoonlijk spelen ze geen mooie rol. Zoo belooft de priester wiens vrouw door Bruun in de rivier geworpen wordt, onmiddellijk „vul pardoen en aflaet van alre sondeliker daet”; de pastoor bij wien Tibeert muizen gaat stelen, komt er al heel slecht weg; de „pape” van Amblois, uit wiens kelder de wolf vleesch wil halen is een echte smulpaap: niemand was rijker dan hij, in z’n „spiker” was „menech vet bake en rentvleesch in cupen,” en de geestelijke was zelf bezig een kapoen te eten, „dat alre beste hoen, dat men in al dat lant vant.” Eindelijk is Belijn, de ram, de hofkapelaan van den koning, een van de allerdomste dieren en bovendien iemand, die van vrees beeft, als Nobel maar even boos wordt. De woorden van Tibeert, die niet in ’t gat durft kruipen, want:

„Die papen connen soo menich baraet” (= list)

spreken boekdeelen.

Parodie op ridderromans. Ook op andere punten is de Reynaert hekelend: zoo is’t zeer waarschijnlijk dat de schrijver de ridderromans heeft willen parodiëeren door zijn dierenverhalen in vele opzichten den vorm te geven van een ridderroman. Die beginnen immers eveneens met een grootschen hofdag, waar de grooten samenkomen en waar over allerlei avonturen gesproken wordt. En hoe vaak vooral in de Karelromans, wordt er niet verhaald van twisten tusschen de grooten onderling en zelfs van strijd tusschen den leenheer en zijn leenmannen. Een samenzwering tegen ’t leven van den koning als in Carel ende Elegast vermeld wordt, ontbreekt niet in den Reynaert. En zoo zijn er nog wel meer punten van overeenkomst op te sporen.

1 Een Artur-roman waarvan overigens niets bekend is.↑

Vondels Hekeldichten.

Inhoudsopgave

Verdeeling. De meeste en voornaamste hekeldichten van Vondel zijn geschreven naar aanleiding van de drie volgende gebeurtenissen:

1o. den strijd tusschen Remonstranten en Contra-Remonstranten, met alles wat daaruit voortvloeide.

2o. den strijd in Engeland tusschen Karel I en zijn Puriteinsche onderdanen.

3o. den aanval van Willem II op Amsterdam in 1650.

Aan de hand hiervan is het vrij gemakkelijk een overzicht te krijgen van de meest bekende dier gedichten.

De burgertwisten tijdens en na het Bestand grepen diep in ’t leven en hoewel ze op economisch gebied niet veel sporen hebben nagelaten, was hunne werking op dat van den geest zeer groot. Voor den hekeldichter Vondel was deze tijd buitengewoon vruchtbaar, het aantal en de vreeselijke scherpte van de meeste dier voortbrengselen verraadt ons, hoe zeer hij meeleefde met de gebeurtenissen die rondom hem voorvielen.

Gedichten op Oldenbarnevelt. We nemen van deze groep ’t eerst die gedichten welke betrekking hebben op Oldenbarnevelt.

De voornaamste hiervan zijn:

1o. Weegschael van Hollandt, of de Hollandtsche transformatie;

2o. Gespreck tusschen eenen wandelaer en den galm der hofkerke;

3o. Het stockske van Joan van Oldenbarnevelt;

4o. Geusevesper of Siekentroost; en

5o. Jaergetyde van wylen Heer Joan van Oldenbarnevelt.

De Weeghschael. 1o. De Weegschael. Dit gedicht is de beschrijving van een zinneprent op de zegepraal der Contra-Remonstranten door invloed van Maurits.

Op de plaat ziet men een groote weegschaal, bij de eene schaal staat Arminius, bij de andere Gomarus. De laatste heeft de boeken van Calvijn en Beza op de schaal geworpen, de eerste legt daartegenover het gezonde verstand, de privilegiën der steden, het gezag van de vroedschappen en vooral van Oldenbarnevelt. (Men vergelijke regel 8–14. Op de plaat ziet men werkelijk een tabbaard op de schaal liggen.) Gomarus schijnt te zullen verliezen, maar plotseling werpt Maurits zijn zwaard „in de weegschaal.” Zoo behalen door ’t krachtig ingrijpen van Maurits de Contra-Remonstranten de overwinning.

Het gesprek. 2o. „Het gesprek”, een echogedicht in den trant der Rederijkers, waarin Vondel het voorstelt alsof een bezoeker van ’t graf van Oldenbarnevelt vragen doet en door den galm wordt beantwoord. De vragen zijn dus zóó gekozen, dat het laatste deel van ’t slotwoord ’t antwoord geeft op de vraag die in den geheelen zin ligt opgesloten. Maurits wordt hierin beschuldigd van tyrannie, hij is de despoot die de rechten zijner onderdanen met voeten treedt.

Het stockske. 3o. „Het stockske”, een roerende aanspraak tot den stok die zoovele jaren den grijsaard tot steun verstrekte, die hem de trappen hielp bestijgen, als hij de belangen van ’t land ging bepleiten in de vergaderzaal der Staten, die hem schraagde als de gebogen rug dreigde te bezwijken onder de beslommeringen welke ’t landsbestuur meebracht, maar die ook zijn steun was op den laatsten gang, den gang naar ’t wreede, bloedige schavot. Geen wonder, dat scherpe, bittere woorden den dichter uit de pen vloeiden, als hij dacht aan hem, die dit roemvolle leven had vernietigd, die „Hollants Vader”, door den beul had doen sterven. Maurits wordt dan ook vergeleken bij Nero, hij is ’t Geweld, die ’t Recht vertrad.

De Geusevesper. 4o. „Geusevesper” is gemaakt voor de vier en twintig rechters van Oldenbarnevelt. Vondel beweert hierin dat de rechters berouw gevoelen over hun daad (regel 23–24) en om die wroeging te verklaren, zegt de dichter dat de gronden waarop de veroordeeling rustte, niet zuiver waren. De rechters handelden uit wreedheid, om hun haat aan een politieken tegenstander te koelen, en uit gierigheid (= begeerigheid. Vgl. vers 17). De goederen van den landsadvocaat werden nl. verbeurd verklaard en brachten bij den verkoop heel weinig op, waardoor velen goede zaken konden doen. Daartegenover stelt Vondel de groote verdiensten van Oldenbarnevelt (vers 1–4) en zijn onkreukbare eerlijkheid. Wat men van hem vertelde was onjuist, ’t verhaal dat hij omgekocht zou zijn door Spanje, was slechts uitgestrooid om het volk tegen hem op te zetten (vers 13–16). (Vergelijk hiermee wat over deze zaak bij de behandeling van den Palamedes gezegd wordt). Vandaar dus die wroeging bij de rechters, vandaar ook den raad om bij de predikanten troost te zoeken, misschien kan de wroeging door hulp van deze „Santen” verzacht worden. Maar dan in eens een heel andere toon. (vs. 29). Neen er is geen troost, geen leniging der smart te vinden, bij geen predikant, bij geen heilige ter wereld. Gij zijt schuldig, het bloed van den grijsaard kleeft nog aan uwe handen, het roept om wraak. De Heer, de straffende God zal over u rechten!

Deze rechters zijn een waarschuwend voorbeeld voor ieder die door haat of woede verblind, misschien zijn handen zou willen bezoedelen met het bloed van Vaders en Vromen.

De naam Siecke-troost is duidelijk: de dichter stelt zich voor als een verpleger die zijne zieken bezoekt en ze troostende toespreekt; hier echter dient het slechts om de schuld des te duidelijker te doen uitkomen, om de wroeging nieuw voedsel te geven. Geusevesper beteekent letterlijk: avondgebed voor de Geuzen; Unger verklaart den geheelen titel aldus: „Vondel neemt nu de rol van zieketrooster op zich; doch inderdaad om hen hun vergrijp nog dieper te doen inzien, en hij luidt als ’t ware de vesperklok, om hun geweten, voor zooverre het nog slapen mocht, wakker te maken”.

Jaergetyde. 5o. „Jaergetyde” (verjaardag), een roerende herinnering aan de bloedige terechtstelling en tevens voor een goed deel een beschrijving daarvan (couplet V–VIII). We halen voor ’t goed begrijpen van ’t geheel enkele regels aan uit een artikel van v. Heeckeren in den zevenden jaargang van Taal en Letteren. „Zoo had de dichter dan in zijn verbeelding den geest van den gestorvene gezien, zijne stem gehoord en had hem als een heilig verrezene uit de dooden zien verrijzen en gelijk dezen in Gods vaderschoot rust zien vinden. Maar de stem zweeg, de geest onttrok zich aan de menschelijke blikken, niets ziet de dichter meer dan het bloedige lijk, niets hoort hij dan de wind die langs het zwart gevaarte huilt. Nu de geest des staatsmans voor altijd is geweken, heerscht in Nederland niets dan nacht. Wel mag dus de dichter zijne oogen beklagen, dat zij dien schim voor ’t laatst hebben aanschouwd, want met dien geest zijn ook de vrijheid en het recht uit het land verdwenen. Zoo eindigt dan het dichtstuk somber als de laatste tonen van het geluid eener doodsklok….”

Als tweede groep nemen we de gedichten, die ontstonden door de godsdiensttwisten in Amsterdam in 1626 en volgende jaren. De Rommelpot is hiervan de meest bekende.

Gedichten op Amsterdamsche toestanden. In Amsterdam heerschte eenige jaren na het Bestand een vrij groote gematigdheid onder de leden der vroedschap, waardoor de plakkaten niet meer in al hunne scherpte werden gehandhaafd en den Remonstranten oogluikend de oefening hunner godsdienstplichten werd toegestaan, hoezeer de predikanten en hunne rechtzinnige volgelingen zich daartegen ook verzetten. Overal werden geheime bijeenkomsten gehouden, die echter weldra meer en meer openbaar begonnen te worden. Gebeurtenissen in 1626.Zoo werd den 13 April 1626 op den Tweeden Paaschdag een Remonstrantsche bijeenkomst gehouden in een huis op den Montelbaans-Burgwal of Oude-Schans. Eenige kinderen die voor het huis speelden en de gemeente door hun rumoer hinderden, werden door de vergaderden verjaagd, eerst met woorden, doch toen dat niet hielp door slagen. ’t Toegesnelde grauw bemerkte weldra wat er aan de hand was en begon het huis aan te vallen; eerst werden de glazen ingeworpen, daarna drong men naar binnen en vernielde de meubelen of wierp ze door de ramen op straat, terwijl de Remonstranten zich zoo goed mogelijk trachtten te redden.

Ondertusschen hadden Burgemeesteren en Wethouders kennis gekregen van ’t gebeurde en om de orde te herstellen en verder te bewaren, zonden ze majoor Nicolaas Hasselaar met eenige stadssoldaten naar ’t bedreigde huis, dat reeds voor een goed deel door de woeste menigte was afgebroken. Aan zijne sommatie om uiteen te gaan werd geen gehoor gegeven; de houding van ’t volk werd steeds dreigender en zelfs begon men met steenen naar de soldaten te werpen. Hasselaar liet hierop het eerste gelid vuur geven en een der belhamels stortte neer met een mes tusschen de tanden en de handen vol steenen, waarna de overigen terugdeinsden tot aan den Montelbaanstoren. De soldaten konden nu rustig het huis bezetten, maar toch bleef het den geheelen avond onveilig en rumoerig in de buurt, zoodat eenigen tijd later nog iemand doodgeschoten werd. Het woedende grauw sleepte ’t lijk eerst naar ’t Huis van Burgemeester Jakob van Nek en daarna voor dat van Burgemeester Pieter de Vlaming van Outshoorn, wien zij ’t voorgevallene verweten. Eindelijk werd het na veel drukte naar ’t gasthuis gebracht.

Vele Contra-Remonstranten o.a. Simon van der Does, Oud Schepen en Raad, weten aan Hasselaar het gebeurde en scholden hem voor een moordenaar. Ondertusschen waren drie der onruststokers gevat, een zekere Zwart, kapitein in dienst der Westindische Compagnie, en twee matrozen, die op Oost-Indië voeren. Een van de laatsten werd veroordeeld om gegeeseld te worden, terwijl de beide anderen gestraft werden met „het zwaart over ’t hoofd”. Vele kerkelijken vreesden voor ’t leven van Zwart, waarom de kerkeraad een bezending naar Burgemeesteren afvaardigde, bestaande uit de predikanten Adriaan Smout en Johannes Kloppenburg met twee Ouderlingen, waaronder de Oud-Schepen Jan Willemszoon Bogaard, om het bestuur aan te zeggen „dat zy, zo Zwart met de doot gestraft werdt, ’t gebed in de Kerke niet voor hem doen, noch de uitvoering van ’t vonnis bywoonen zouden, veel min hem vermaanen, om zig tot sterven te bereiden, alzo hy, in een goede zaak, geyverd hadt.” Wagenaar teekent aan: „Doch my is niet gebleeken, hoe deze boodschap van de Heeren opgenomen werdt.”

Optreden der Predikanten. De meeste predikanten veroordeelden het optreden van Hasselaar, „ze vergoeilykten het bedrijf der plonderaren en schreeven het toe aan yver voor de ware leere.” Ds. Smout ging zelfs zoo ver, dat hij de twee belhamels noemde: „onnoozele luiden, die deerlijk waren omgebragt.” Alleen Kornelis Hanekop, die zijne standplaats Breda wegens de inneming van deze stad door Spinola had moeten verlaten en nu sedert Juli 1625 in Amsterdam als predikant werkzaam was, trad krachtig op tegen de onruststokers, berispte hen en vermaande ze zich te onderwerpen aan ’t gezag der wettige overheid. Bovendien verklaarde hij zich tegen te strenge handhaving der plakkaten ten opzichte der Remonstranten en sprak verder openlijk uit „dat de vyf Arminiaansche punten zulke groove dwalingen niet waren, dat zij den grondslag der zaligheid ondermynden.” Deze handelingen maakten hem verdacht in de oogen zijner medebroeders, zoodat de kerkeraad hem in November 1626 besloot te schorsen, onder voorwendsel van lichaamszwakheid.

De Rommelpot. Naar aanleiding van deze troebelen schreef Vondel zijn Rommelpot van ’t Hanekot, waarin vooral de predikanten Smout, Trigland en Kloppenburg gehekeld worden. Van deze drie was Smout stellig de hevigste, zoodat zelfs de bezadigde Hooft schreef, niet te weten „of men wel eenig schrijver zou kunnen aanwyzen, die in lasteren en schelden by Smoutius zou kunnen halen.” Hij werd dan ook, evenals Kloppenburg, ten slotte uit Amsterdam verbannen.

Ook Trigland kon geweldig uitvaren, maar zijn voornaamste wapen bleef toch steeds zijn geleerdheid, waardoor hij voor de Remonstranten een geduchte tegenstander was.

Verklaring van den naam. Bij dit hekeldicht grijpt Vondel niet, zooals in andere gevallen, naar zijn lier, maar naar den Rommelpot, „het oude, wanstaltige muziekinstrument, dat op zijn geklikklak de straatjongens aan ’t schreeuwen hielp, en de bewoners der achterwijken bij hoopen aan de voetstappen der spelers en zangers verbond. Zijn rommelpot zou hem sterken bij ’t bezingen van de fraaie historie die in ’t hanekot was voorgevallen. De aanleiding tot het kiezen van dezen naam lag voor de hand, de naam Hanekop noodigde daartoe al uit. Trigland droeg reeds in de wandeling den naam van ’t Kalkoensche Haantje, terwijl eindelijk het optreden der strijdlustige predikanten den naam hanen rechtvaardigde: hun alarmgeschreeuw van den kansel was reeds lang bij kraaien vergeleken, het spreekwoord bestond reeds:

„Wie hoord’ oyt haen op een preeckstoel soo reêlyck snacken.”

Bovendien hadden de Contra-Remonstranten reeds vroeger een liedje in ’t licht gegeven, waarbij ze hun tegenstanders uitscholden voor „Arme Hanen”.

Vondels groote verdienste ligt echter vooral hierin, dat hij ’t geheele gedicht door zooveel mogelijk het eens gekozen beeld heeft behouden, en steeds de personen als hanen heeft doen optreden, terwijl hij tevens zijn karakter als rommelpotspeler niet heeft verloochend. Meestal immers wordt deze musicus vergezeld door een zanger, vaak een uitgehongerden jongen, die de straatzangen met krijschende stem uitgalmt. Deze rol laat Vondel vervullen door den Contra-Remonstrantschen boekverkooper Marten Janszoon Brandt, die aan den ingang der Nieuwe Kerk woonde (vgl. couplet 1 en 34).

Doorzichtige namen. Voor iederen persoon kiest de dichter een typeerenden naam, waarvan we hier de meest bekende vermelden.

Smout is „’t Haentje Dikkop van de Maze”, omdat hij vroeger in Rotterdam had gewoond.

Trigland, die een hoogroode kleur had, is „’t Kalkoensche Haentje”.

Kloppenburg draagt den doorzichtigen naam van „Haentje Klopper” en Hanekop dien van Koppen.

Merkwaardig is het dat Vondel als oorzaak van het ijveren der predikanten tegen Hanekop noemt de jaloerschheid: Hanekop was een zeer gewild en gezien predikant en de kerk was gevuld met een uitgelezen publiek als hij preekte:

„Alle kraejers lagen achter,

Elck die scheen in ’t kraejen schor;

Toen begon er een gemor.”

Verhouding van staat en kerk. Vondel meende dat het geestelijk gezag ondergeschikt moest zijn aan het wereldlijke: de overheid moest, desnoods met geweld, de roerige predikanten tot rede weten te brengen. Vandaar de wenk aan de Burgemeesters (de „Toorenwachters”) om op hanen te letten (couplet 29–33). Dezelfde idee vinden we meer uitgewerkt in den Harpoen.

Oordeel van Bakhuizen. We eindigen onze bespreking van het gedicht met de volgende woorden van Bakhuizen van den Brink: „Omtrent den Rommelpot van het Hanekot moge gelden, hetgeen aan Hooft vooral tegen de borst stond, „dat men die luiden leelijk en afschuwelijk in het oog der gemeente maakte, daar zij leer en stichting bij te zoeken en uit te zuigen heeft”1; te gereeder vergeven wij aan Vondel zijnen stouten aanval op de Predikanten, om hunne eigene onverdraagzaamheid, om de spranken van vernuft, waarvan zijn gedicht schitterde. Spranken van vernuft, zeggen wij; en gij vraagt, of het Amsterdamsche gemeen wel zoo ontwikkeld was, dat het die kon opmerken en opvangen: en of niet, terwijl de dichter den roem van zijne luim luisterrijk handhaafde, juist daardoor eene andere verdienste, van zich op het standpunt dergenen, tot wie hij sprak te verplaatsen, de verdienste der objectiviteit, hem ontging? Indien het echter waar is, dat Bredero, uit eigene ondervinding, eene getrouwe schilderij van de zeden, taal en denkwijze des gemeens ophing, dan moet het inderdaad luimig en levendig, en voor een wel aangebrachten kwinkslag te vangen geweest zijn; dan moeten de vele laffe en nietswaardige schotschriften, minder met de vatbaarheid des volks, dan met de onbekwaamheid der schrijvers gestrookt hebben; dan mogten misschien al de fijne trekken van Vondel niet begrepen, noch het lange gedicht in zijn geheel onthouden worden; vele van de geestigste schimpscheuten zijn voorzeker in de ooren blijven kleven, en het is der ernstige vroomheid van ’t volk dank te weten, dat het, om ’s dichters vroolijke invallen lagchende, echter den eerbied voor zijne Leeraars niet verloor.”

’t Sprookje van Reintje de Vos. In den „Rommelpot” werd aan den Oud-Burgemeester van Amsterdam Reinier Pauw reeds een waarschuwing toegediend (zie couplet 36), maar ’t schijnt, dat deze zijn wegen nog niet gebeterd had, want in 1627 zag Vondel zich genoodzaakt zijne bedreiging ten uitvoer te leggen en hem „al mee een beurt” te geven. Zoo ontstond ’t „Sprookje van Reintje de Vos”:

„Gemaekt om op de brug te zingen;

Al zouw’ er Reintje uit zijn vel om springen.”

Weer verhaalt de dichter, evenals in den Rommelpot, ons iets in allegorischen vorm, weer is het een kip, die bezongen wordt, maar nu een hen die door ’t looze Reintje, door den vos bedreigd wordt. De aanleiding tot deze wijze van voorstellen was natuurlijk de naam Reinier.

Een Otter in ’t Bolwerck. Even persoonlijk als het bovengenoemde hekeldicht is het in 1630 gedichte: „Een Otter in ’t Bolwerck”. Tot verklaring hiertoe diene ’t volgende. Toen in 1630 de predikanten Kloppenburg en Smout de stad moesten ruimen, werd deze heugelijke gebeurtenis door hun felste tegenstanders, de leden der Academie van Coster, gevierd met het spelen van de „Iphigenia”, die geheel gericht was tegen ’t drijven der felle Calvinisten, vooral tegen hunne leeraren. De kerkeraad en vooral Smout had indertijd hevig getoornd, toen het stuk voor ’t eerst werd opgevoerd en zelfs was er een bezending ouderlingen en predikanten naar ’t stadsbestuur geweest, om te trachten het spelen te beletten. Nu Smout de stad had moeten verlaten, werd zijn taak overgenomen door Otto Badius, eerst predikant bij de Duitsche, later bij de Hervormde Gemeente te Amsterdam, die geweldig tegen het stuk en de leden der Academie uitvoer, wat natuurlijk een uitstekende reclame voor deze instelling werd, zoodat de dichter in de voorrede van den zesden druk spottend kon uitroepen: „hartelijck bedanckende deze voorz. ghestoorde uijlskuykens dat se alle de werelt met haer roepen ende krijten so gaende gemaeckt hebben, dat de speelplaats te enghe om de aenschouwers te vatten, ende de bus te kleen was om de penninghen te vergaren.”

Op deze gebeurtenis dichtte Vondel „Een Otter in ’t Bolwerck”, een zangerig volksliedje, dat op de wijze van het veel gezongen en ook uit Bredero bekende „Betteken voer naar Maryemont” vervaardigd was. Het hoofddenkbeeld moge een werkelijke aanleiding gehad hebben, of door Vondel verdicht zijn, het is zeer geestig gegrepen. Hij veronderstelt, dat de predikant een oog van welgevallen en liefde op de dochter van Jan Willemse Boogaerd heeft geslagen, en, om haar hart te winnen, zeker eenen allerzonderlingsten, maar echter karakteristieken weg heeft ingeslagen.

Bij de bewondering, die de familie Boogaerd voor strafpredikers als Smout koesterde, wil hij toonen, dat hij voor dezen in profetischen ijver niet onderdoet. En mocht hij het zoover gebracht hebben, dat ook voor hem, evenals voor zijn beide voorgangers, de trekschuit gereed lag, ten einde hem buiten de palen der stad te brengen, dan zou voorzeker zijne schoone niet langer aarzelen, eenen zoo eerwaardigen martelaar hare hand en trouw te schenken. Thans echter was hij tegen de Akademie, dien steen des aanstoots, te velde getrokken en Dr. Coster, die tot de bloedverwanten der Boogaerds behoorde, maar hun voorzeker sedert lang als de Heiden en de Tollenaar geworden was, werd het minst van allen gespaard. Het telkens wederkeerend

„o Jemy, o jemy!”

drukt de bedenkelijke tronie en het onbehagelijk gehuil, dat de jeremiaden van den Predikant, volgens Vondel, vergezelden, voortreffelijk uit. (Bakhuizen).

De Roskam. In Mei van hetzelfde jaar verschenen twee hekeldichten, Roskam en Harpoen, die volgens Brandt „onder al ’t geen hy van dat slagh had geschreven, de kroon spannen.” ’t Zijn geen gedichten, die met het oog op bepaalde gebeurtenissen of bepaalde personen zijn geschreven, maar meer op algemeene zaken zien; Vondel had zooals hij zelf in den Roskam getuigde:

„Een kneppel onder een hoop hoenderen gesmeten:

’k Heb weetens niemant in ’t byzonder aengerant,

Misschien wie ’k trof, tot nut van ons belegert lant.”

Deze laatste regel geeft ons volkomen het doel aan, waarom de dichter zijn Roskam schreef; hij had medelijden met zijn arm land, dat uitgezogen werd door gewetenlooze bestuurders die slechts hun eigen voordeel op ’t oog hadden en dat kon Vondel niet aanzien zonder lucht te geven aan zijne verontwaardiging. Hij was de man niet, die zou zwijgen als zijn hart hem gebood tot spreken, met recht kon hij zeggen:

„— — — — — — wat op ’s harten gront leit,

Dat weltme naer de keel: ik word te stijf geperst,

En ’t werkt als nieuwe wijn, die tot de spon uitberst.”

Ook was zijn hart tot berstens toe gevuld door al de schandelijke dingen, die hij om zich heen zag gebeuren, hij moest zijn verontwaardiging luchten en greep den ijzeren roskam om de „landsdieven” de waarheid eens te doen gevoelen. Doch verbitteren alleen wilde hij niet, hij wilde toonen, dat ook het goede hem niet ongemerkt voorbijging, vandaar de verheerlijking der rechtschapen bestuurders, het loflied op de mannen die hun plicht deden, op Oud-Burgemeester Cornelis Pietersz Hooft en den heer de Bie. Burgemeester Hooft was steeds voor Vondel het ideaal geweest van een eerlijk, rechtschapen regent; het klinkdicht in 1626 vervaardigd bij den dood van dien edelen grijsaard, getuigt van den diepen eerbied dien de dichter voor hem koesterde.

Van vele treurige toestanden verhaalt ons de dichter: schijnheiligheid speelt een hoofdrol, de godsdienst wordt misbruikt om onrecht te verbergen, de regenten zijn hebzuchtig en letten alleen op eigen voordeel. Hoe anders dan in de dagen van burgemeester Hooft, wiens leus steeds was:

„Indien ’t gemeen u roept, bezorgt het als uw eigen,”

terwijl thans de hebzucht de bestuurders aandrijft, de hebzucht

„Die ’t algemeen verzuimt, en vordert slechts haer eigen.”

’t Gevolg is: telkens nieuwe lasten opgelegd aan ’t volk, ’t arme „eselkijn”, en ’t ergste is dat men daarbij nog „zwetst van ’t geloof!”

De Harpoen. De Harpoen is niet gericht tegen de regeeringspersonen, zooals de Roskam, maar tegen de predikanten. ’t Gedicht is opgedragen aan Jonkheer Landeslot, Heer van Vryburgh m. a. w. aan de overheid, die ’t lot van een land in haar handen heeft en die dit land weet te maken tot een oord, waar vrijheid, vooral gewetensvrijheid, heerscht. De compositie is vrij wel gelijk aan die van den Roskam, daar stelde Vondel den eerlijken, trouwen burgemeester Hooft tegenover de plichtvergeten regenten, hier vinden we Godefried, het toonbeeld van een goeden herder, tegenover Wolfaert, de incarnatie van den slechten predikant, zooals Vondel ze naar zijn meening dagelijks in Amsterdam voor zich zag.

Godefried is een ideaal-predikant volgens Vondel en uit hetgeen van hem verteld wordt, kunnen we opmaken welke eischen de dichter aan een goeden herder stelde. Voorop staat een goed, zedelijk leven; allerlei spitsvondige geloofsonderscheidingen geven niets, men moet iemands geloof afmeten naar de daden, niet naar de woorden.

Godefried

„drong op ’t weten niet zoo vierigh, als op ’t doen.”

Hijzelf ging hierin voor:

„(Hij) braght dat woeste volk tot deughdige bekeering,

Door voorgang eer dan door zijn ongetoide lering.”

En vooral:

„Noit moeid’ hij zich met staet of werelts heerschappij,”

„Gode offerde hij zijn dienst, zijn’ trou aaen zijn’ Lantsheer.”

Daartegenover staat Wolf-aert, (een fraaie naam voor een hérder!) die het volk opruide tegen de overheid, de gemeente onderling verdeelde, zoodat elk zijn medechristenen de zaligheid misgunde. Tegenover zulke predikanten past maar één middel: krachtig optreden van de overheid, zooals de „wakkre heer van Schagen” inzag. We wezen er reeds op, dat Vondel in zijn Rommelpot aan de Amsterdamsche burgemeesters denzelfden raad gaf: de „Toorenwachters” behooren de „Hanen” goed in ’t oog te houden.

Hekeldichten op Engelsche toestanden. De hekeldichten, die geschreven zijn naar aanleiding van den strijd tusschen Karel I en de Puriteinen zijn van veel minder beteekenis dan de reeds behandelde. We kunnen hierover dus kort zijn.

Vondel kiest de zijde van Karel I vooral om twee redenen:

1o. Uit godsdienstige overwegingen. De Katholieke Vondel was tegen den fellen Protestant Cromwell. Om dezelfde redenen kiest hij in Maria Stuart partij voor deze vorstin en bestrijdt de Protestantsche Elisabeth. We weten uit vroegere gedichten hoe gebeten Vondel op de Calvinistische ijveraars was en dit waren Cromwell en zijn mannen immers.

2o. Hij hechtte aan goddelijk recht der vorsten en moest dus den opstand afkeuren. Zeer duidelijk blijkt dat bv. uit de volgende aanhaling uit den „Morgenwekker der Sabbattisten”, waaruit we tevens zien dat Vondel de Engelsche predikanten gelijk stelde met mannen als Smout en Trigland.

„Uw predikstoelen zelfs gedyen

U tot zoo vele baterijen,

Waer uit men vier geeft op den Vorst,

En ’t heiligh Recht der Majesteiten.”

Iets verder lezen we in datzelfde gedicht:

„Apostolijke Orakels leeren

Godt vreezen, en den Koningk eeren:

Zoo klinkt dit nimmer faelbaer woort.”

De Koning is de vertegenwoordiger Gods op aarde, wie tegen den vorst opstaat, vergrijpt zich aan God zelf; vandaar dat Cromwell wordt vergeleken bij Lucifer:

„Uw scepterstormen, geen hervormen,

Volght Lucifers banier in ’t stormen.”

Aanslag van Willem II op Amsterdam. De laatste groep hekeldichten die we vermelden, hebben betrekking op den aanslag van Willem II op Amsterdam.

’t Voornaamste dat ons in deze gedichten treft, is de warme liefde die Vondel koestert voor Amsterdam en de vereering welke hij gevoelt voor groote figuren als de Bickers. Men leze bv. „de Bikkers in Marmer.”

Merkwaardig is verder dat hij denzelfden Willem II, wiens geboorte hij in de „Geboortclock” bezongen had, den zoon van den zoo vereerden Frederik Hendrik, nu „een tiran,” „een schelm,” „een zoon, die zijne moeder de borst afsnijt,” noemt, en hem rekent tot de „Monsters onzer Eeuwe!”

1 Dit oordeel werd door Hooft uitgesproken in een brief aan Baeck over den „Harpoen”. Zie v. Vloten, Brieven, deel II, blz. 23–24.↑

Palamedes.

Inhoudsopgave

Ontstaan. Volgens Vondels biograaf Brandt heeft de dichter zijn drama geschreven op aanraden van den Amsterdamschen Schepen Albert Koenraadts Burgh, die hem eens zou hebben gezegd, toen ze samen spraken over Oldenbarnevelt, „maak er een treurspel van.” Dit denkbeeld liet Vondel niet los, en daarom trachtte hij een verhaal uit de oudheid te vinden, dat in hoofdzaak parallel liep met het leven van den Landsadvocaat. „Eindelyk quam hem de Grieksche Palamedes te vooren, daar men van schryft, dat hy, onder deksel van het oogh naar den vyandt gewendt, en geldt genooten te hebben, by het gemeene volk in haat wierdt gebraght, en door Agamemnon en Ulysses, tot onvergoedbare schaade van geheel Grieken, gedoodt.”

Deze geschiedenis was uiterst geschikt om op Oldenbarnevelt toegepast te worden en het gelukte dan ook Vondel zijn Grieksch-Nederlandsch tooneelstuk samen te stellen.

Strekking. In 1625, eenigen tijd nadat Prins Maurits was gestorven, verscheen het spel in druk. Vondels optreden wekte groote verbazing en opschudding, want ieder begreep dadelijk de strekking van het werk, te meer daar onder den titel: Palamedes, of vermoorde onnoozelheit, een plaat stond, voorstellende een oud man, gelijkende op Oldenbarnevelt, aangegrijnsd door woedende dieren. En Vondel had het drama onder zijn eigen naam uitgegeven, zoodat ieder dadelijk den schrijver kende.

Gevolgen voor Vondel. Een aanklacht was onvermijdelijk, het boek werd door ’t Stedelijk Bestuur „opgehaald,” en er was zelfs sprake van den schrijver naar Den Haag te zenden. Misschien zou Vondels hoofd er mee gemoeid zijn! ’t Werd hem in zijn huis te bang; hij vluchtte en vond een schuilplaats bij den kunstbeschermer Laurens Baeck.

Ondertusschen liep ’t niet zoo’n vaart met de vervolging als ’t zich eerst liet aanzien; Vondels vrienden deden hun best en door invloed van Schepen Burgh kwam de schrijver ten slotte vrij met een boete van ƒ 300.

Door dit alles was de aandacht van ’t publiek zeer gespannen: ieder wilde het veel besproken stuk lezen. Vandaar dat er nog in 1625 zeven drukken zijn verschenen. ’t Boek werd later vooral herdrukt in tijden dat men tegen de Oranje’s gekant was, b.v. in ’t eerste en tweede stadhouderlooze tijdvak.

De Palamedes als politieke allegorie.

De allegorie. We zagen in ’t voorgaande dat Vondel de politieke toestanden van ons land wilde beschrijven en het tegelijk trachtte voor te stellen, alsof zijn stuk speelde in een ander land en alsof de personen die er in optraden, heel andere menschen waren dan hij in werkelijkheid bedoelde. Een dergelijk werk noemt men een politieke allegorie.

Bij zoo’n politiek-allegorisch werk moet er overeenkomst zijn in den algemeenen loop van ’t verhaal en ook overeenkomst tusschen de personen, althans de hoofdpersonen. In den Palamedes is dat zeer duidelijk het geval.

Palamedes was een der aanvoerders van de Grieken voor Troje en algemeen geacht om zijn beleid, schranderheid en dapperheid. Maar enkelen benijdden zijn roem, vooral Ulysses en de opperbevelhebber Agamemnon. Zij beschuldigden hem van heulen met den vijand, van landverraad, en wisten hem op deze wijze met behulp van de priesters Calchas en Eurypilus ten val te brengen.

Lezen we voor Palamedes Oldenbarnevelt, voor Agamemnon Maurits, voor Ulysses Oldenbarnevelts doodsvijand François van Aerssen, en voor Grieksche priesters Contra-Remonstrantsche predikanten, dan geeft ’t bovenstaande overzicht in enkele hoofdtrekken Oldenbarnevelts strijd en val weer en tevens kennen we de personen die Vondel onder den dekmantel van een Grieksch verhaal heeft willen teekenen. Deze personen zullen we nog iets uitvoeriger nagaan.

Palamedes = Oldenbarnevelt. Palamedes is Oldenbarnevelt. We wijzen hier op enkele punten van overeenkomst.

1o Beiden dienden hun land vol toewijding.

2o. Tegen beiden werden valsche beschuldigingen ingebracht.

3o. De voornaamste beschuldigingen waren: heulen met den vijand en tevens omkooping.

4o. Beiden werden onschuldig ter dood gebracht.

In sommige verzen is ’t al heel duidelijk dat Vondel aan Oldenbarnevelt dacht en niet aan Palamedes, vooral als men weet dat de laatste een man was in de kracht van zijn leven.

Men leze bv. het volgende gedeelte, waarin Palamedes’ dood wordt beschreven:

„d’Eubeër vorst rees op van daer hij was gezeten

En sprack: o mannen, die met onrecht zijt gebeten

Op mijne onnozelheit, wat is dit voor een wijs,

Dat veertighjaergen dienst en zoo veel slavernijs

Met storten van mijn bloet vergolden wort in ’t ende?

En is ’t niet in de volgende regels of de Advocaat van ’t schavot spreekt tot de verzamelde menigte?

„So staende in ’t openbaer, met opgerechten hoofde,

O mannen, zeght hy, of uw heusheit noit geloofde,

Al ’t geen de valsheit heeft van lantverraet gedicht,

Dat was mijn leste wensch. ’k Heb volgens mijnen plicht

Gansch vroom, en ongeveinst, en openlyck gehandelt,

En sterf een oprecht Grieck, gelijck ick heb gewandelt.”

Zoo wordt nog gesproken van „’t eerlyck grijze haer” en tooneelen worden geschetst, als er voorvielen bij Oldenbarnevelts schavot bv. het in ’t bloed doopen van doeken door de omstanders.

Agamemnon-Maurits. Agamemnon is Maurits. De gelijkheid springt in ’t oog: Agamemnon is de aanvoerder van ’t leger der Grieken, Maurits van dat der Nederlanders; de macht van Oldenbarnevelt was Maurits een doorn in ’t oog, Agamemnon was jaloersch op den grooten invloed van Palamedes. Als men nog slechts een klein gedeelte van ’t stuk gelezen heeft, bv. de verdediging van Palamedes, waarmee ’t drama aanvangt, voelt men dadelijk dat over Maurits wordt gesproken. Zoo ziet ieder in de verzen waarin verhaald wordt dat Agamemnon de vloot in zee liet steken om zijn soldaten tot een moedigen strijd te dwingen, een toespeling op den slag bij Nieuwpoort.

Wichelaers-Predikanten. In Calchas en Eurypilus zijn geteekend de Contra-Remonstrantsche predikanten, de bittere vijanden van Oldenbarnevelt. Bepaalde personen stellen ze waarschijnlijk niet voor; Vondel heeft de predikanten in ’t algemeen willen schilderen.

Verhouding van Kerk en Staat. De „wichelaers” zijn vooral gebeten op Palamedes, omdat hij hun macht trachtte te beperken en er op uit is hen buiten de staatszaken te houden.

„— — — — My docht, ’t was tijt zijn hovaerdy te toomen,

Naerdien hy verder dan de kerck en ’t outer gaet,

En ommesnufflen komt uit staetzucht in den raet.”

Vergelijking met Ifigenia. Zeer leerzaam is de vergelijking van dit gedeelte, of eigenlijk van den geheelen Palamedes, met de Ifigenia van Dr. Samuel Coster. De typeering van de predikanten is in beide stukken dezelfde. Zoo durft Eurypilus in de Ifigenia uitingen doen als de volgende:

vs. 889 „’k Ben een gezante Gods.”

904 „Protesilaus ’t schijnt ghy Godes Volck bespot,

En die dat Volck bespot, die spot ook selfs met God.”

en eindelijk:

„De Godtheit vertoont zich in my lichaemlijck.”

Vergelijk hier b.v. mee ’t geen Calchas in den Palamedes zegt:

975 Wy sijn afdrucksels Gods.”

Coster wenscht dat de predikant zich niet met staatszaken zal bemoeien; hun plicht is:

868 „Uws ist den Volck’ in vreed, in suyverheyt, in leer,

En in geboorsaemheyt te stichten langs so meer:

Dat is dijn Godlijck ampt, dat hebdy te verschaffen.”

Dit is ook de meening van Oldenbarnevelt geweest en Vondel had dezelfde inzichten, zooals duidelijk uitkomt in zijn verschillende hekeldichten, o.a. in zijn Harpoen, waarin hij in Godefried den goeden, in Wolfaert den slechten predikant schildert.

„— — — — — Noit moeid’ hy sich met staet

Of weerelts heerschappy.”

Dat was een der beste eigenschappen van Godefried.

Hooft heeft ongeveer dezelfde ideeën, wat heel duidelijk uitkomt in de alleenspraak van Seghemont in Baeto.

Een andere eigenaardigheid is dat men de predikanten vaak voorstelde als indringers, als vreemdelingen; Coster noemt hen in zijn Ifigenia: „een hoop vreemde slaven”, en Vondel in zijn Palamedes spreekt dezelfde beschuldiging uit:

95 „Hy is een vreemdeling.”

Op een andere plaats (vs. 1502) wordt Calchas een „verloopen Phrijg” genoemd, een overlooper dus. Ook dit wierp men enkele predikanten dikwijls voor de voeten, o.a. Trigland, die oorspronkelijk Katholiek was geweest, en waarschijnlijk zelfs voor den geestelijken stand bestemd was, en bovendien den Leidschen predikant Fabricius, waarvan Vondel in „Haec Libertatis Ergo” zegt:

57 „Een lichte Monnik, die zijn kap hing op den tuin,

Stelt Leiden nu de wet, en maakt zich ’s volks Tribuin.”

In de „Bede aen de oppervyanden van de voorstanders der Vryheit tot Leyden” wordt hij betiteld als „Paep Henrix” (vs. 14)1.

Ulysses-Aerssen. Ulysses vertoont veel overeenkomst met François van Aerssen, die door Oldenbarnevelts steun opklom tot gezant aan het Fransche Hof maar de meest verbitterde tegenstander van den Advocaat werd. Zoo wordt o.a. een pamflet dat in 1617 verscheen, het „Nootwendigh ende levendig discours”, waarin Oldenbarnevelt geducht wordt aangevallen, gewoonlijk toegeschreven aan Aerssen. In 1618 werd er een scherpe pamfletten-strijd gevoerd tusschen Aerssen en den schoonzoon van Oldenbarnevelt, Van der Mijle. Nadat Oldenbarnevelt gevallen was werd Aerssen de leider der buitenlandsche politiek.

In de hekeldichten van Vondel wordt de voormalige gezant niet gespaard; telkens wordt op zijn minder eerlijke praktijken gezinspeeld. In de „Medaellie voor de Gommariste Kettermeester en Inquisiteur te Dordrecht” vinden we ’t volgende:

9. „Hangt een van u ledematen,

Die tot nadeel van de Staten,

Voor den duivel henen zeilt,

En het lant aan Vrankrijk veilt,

Die veel schatten heeft verzwolgen,

En staegh toeleit op vervolgen.

waarbij aangeteekend staat: „François van Aerssen, Heer van Sommelsdijk, weleer gezant van Vrankrijk, een vrek en gierig man, die zich tot alles met geschenken liet omkoopen, een bitter vijant van Barnevelt en de Remonstranten.”

Dezelfde getuigenis geeft Vondel nogmaals van hem in het „Decretum horrible:”

„— — — — — Zou men dan, om pistolettegout,

Of heldren zonneglans van Fransche lelikronen,

Geen Vaderlant verraên, en zeven vorstentroonen?”

waarbij aangeteekend is, dat Oldenbarnevelt van den bedoelden persoon in eene zitting van de Staten van Holland ’t volgende getuigde: „Ik heb deesen Aerssen tot het Ambassadeurschap helpen promoveeren, alzoo ik bespeurde, dat hij gaeu was, en heeft ook zeer goede diensten gedaan; maer in ’t jaar 1606 heeft hij in presentie van mij, en zoo ik goede memorie heb, mede bij de Heeren Van der Aa en Joachimi, geproponeert om deesen landen aen de Majesteit van Vrankrijk op te draegen op zekere conditiën: als men de Roomsche Religie in het Land zou toelaten; en in ’t jaer 1607 daer nae heeft hij nog breeder de zaak gededuceert; welke propositie of zij eerst van den koning is voortgekomen, dan of Aerssen zelve die den Koning hadt ingegeven, kan ik wel niet zeggen; doch zoo heb een advijs, van een Grooten van Vrankrijk geschreven: „Aujourdhuy est cecy au Roi remonstré,” en die overgroote rijkdom van Aerssen is mij zeer suspect.”

Aerssen behoorde tot de commissie, die belast werd met het doorzoeken van Oldenbarnevelts papieren. Fruin zegt van dit onderzoek: „Dat geen bewijzen van schuld uit de vermeesterde papieren aan den dag is gebracht, staat in mijn oogen met een finale vrijspraak gelijk.”

Er is een treffende overeenkomst tusschen de handelingen van Ulysses en Aerssen: Ulysses beschuldigt Palamedes goud te hebben aangenomen van den vijand; Aerssen zegt in zijn pamfletten hetzelfde.

422. „Mijn vyand staet versuft, en dut, en is versaeght:

Hij vind sich raedeloos, om van de lastermonden

En logens sich t’ ontslaen, waer mede hy wordt geschonden.

Te meer hij sich verweert2 en na sijne onschuld tracht,

Te meer het lastren groeyt. Hy is, en blyft verdacht.

Het krijghsvolck is gedeelt: d’ een looft hem als een vader,

En d’ ander hem verspuwt, en scheld voor landverrader.

In de laatste bedrijven van den Palamedes is Ulysses echter niet identiek met Aerssen, omdat de laatste niet tot de 24 rechters heeft behoord.

Diomedes-Muys van Holy. Diomedes is waarschijnlijk Hugo Muys van Holy, schout en burgemeester van Dordrecht en tevens rechter van Oldenbarnevelt. Hij speelde een gewichtige rol op de Dordtsche Synode. Vondel noemt hem in de Medaellie:

„Groote lantsdief, Hollants kruis.”

terwijl de dichter ook in den Roskam op hem zinspeelt, als hij spreekt over de slechte, ontrouwe regenten:

163 „Wat wordt er nu gespilt! wat sou men dan bespaeren!

Men had, in tijt van noot, een schatkist sonder tal:

Maar nu is ’t Muisevreught: de kat sit in de val.”

Het handschrift van de Leidsche Universiteits-bibliotheek (zie de Palamedes-uitgave van Hoogstra, blz. XXV) zegt: Diomedes is Graaf Willem, de Heer van Duivenvoorde, de Raadsheer Franken, Pauw en andere vijanden. Met Diomedes had Vondel dan ook zeker niet één persoon op ’t oog, maar meerdere tegenstanders van den Advocaat.

Andere personen. Nestor komt op voor de belangen van Palamedes: misschien mogen we bij hem daarom denken aan den raadsheer Junius die Oldenbarnevelt verdedigde. Een andere pleiter voor den advocaat was de Fransche gezant Du Maurier, die op last van de Fransche regeering verschillende vertoogen indiende om ’t leven van den beschuldigde te redden. Frankrijk stond echter niet meer onder ’t krachtige bestuur van Hendrik IV; vandaar dat de nota’s van den Franschen gezant eenvoudig ter zijde werden gelegd.

Thersites is volgens beide uitgaven Gerrit Beukelsz. van Santen van Delft, een der 24 rechters, die volgens de overlevering den wensch uitsprak: „beul te mogen zijn om den Advocaat te kunnen verscheuren.”

De Bode is misschien Jan Franken. Hij was de knecht van Oldenbarnevelt die met hem de gevangenschap gedeeld heeft, hem in ’t naar buiten smokkelen van verschillende papieren behulpzaam is geweest en hem tot op ’t schavot diensten heeft bewezen. Later heeft Franken dit alles opgeteekend en is zoodoende de beschrijver geworden van de geheele lijdensgeschiedenis.

Tweeslachtigheid van den Palamedes. Tengevolge van de bewerking moest de Palamedes een tweeslachtig stuk worden: we heeten ons te bevinden in ’t Grieksche leger voor Troje, maar worden telkens in Holland verplaatst. We zouden daarvan vele voorbeelden kunnen bijbrengen, maar zullen slechts een paar, die heel sprekend zijn, aanhalen.

Ulysses wil Palamedes niet tot gevangenschap veroordeeld hebben, dat is hem te gevaarlijk, misschien „draeght men hem in een kist voor boeken uit”. Een wonderlijke uitdrukking in den mond van een Griek, maar heel begrijpelijk voor Nederlanders uit Vondels tijd die zich de ontvluchting van Oldenbarnevelts vriend De Groot nog zoo goed herinnerden.

Palamedes verdedigt zich tegen de ingebrachte beschuldigingen en wijst bovendien op ’t vele, dat ’t land aan hem heeft te danken. Zoo heeft hij zelfs

„daer de naelde zwijmt, gestaen naer vrijen pas.”

Geen Griek heeft zeker ooit aan iets dergelijks gedacht, nòch aan een kompasnaald, noch aan ’t zoeken van een doorvaart door de IJszee naar Indië, maar Vondels tijdgenooten dachten natuurlijk dadelijk aan Heemskerks pogingen, die eindigden met de overwintering op Nova Zembla.

Vergelijking met den Ilias. Aan ’t slot van onze beschouwing wenschen wij na te gaan in hoeverre Vondel bij ’t teekenen der hoofdpersonen zich gehouden heeft aan de Grieksche overlevering. Daarvoor zullen we Vondels karakterteekening vergelijken met die uit den Ilias. De voorstelling die Vondel in den Palamedes geeft van Ulysses, is geheel afwijkend van die welke we in den Ilias vinden: bij Vondel is hij niets dan een listige schurk, in den Ilias daarentegen een groot en dapper krijgsheld, wel de „in vindingen rijke Odusseus”, maar tevens de godlijke krijgsheld, de „godengeliefde”. Een enkele aanhaling moge dit bewijzen.

„Maar thans stond er verlaten de lansenzwaaier Odusseus;

Geen der Argeiërs bleef, daar allen de vlucht op het lijf viel.

Wrevelig zeide hij nu tot het moedige hart bij zich zelven:

—Wee, wat moet mij geschieden? Een schandelijke daad als ik wegvlood

Bang voor die menigte volks; maar erger indien ik gedood word

Gansch alleen, want Zeus deed d’ andere Danaërs vluchten.

Doch waarom overlegt mijn gemoed toch zulke gedachten?

Immers ik weet dat de laffen zich wel onttrekken aan ’t slagveld,

Maar die de edelsten zijn in den strijd, hunne dure verplichting

Eischt dat zij standvast blijven, getroffen of anderen treffend.”3

En hierop volgt hoe de dappere held zich verdedigt tegen de Trojanen en hen neervelt als een wild zwijn de jachthonden.

Vondel kon Ulyssus evenwel niet voorstellen als een dapper en edel krijgsman; waarom natuurlijk niet?

In de teekening van Diomedes merken we ’t zelfde op: van hem zegt de dichter niets goeds en toch behoort ook deze held tot de dapperste Grieken. Hij staat onder bizondere bescherming van de godin Pallas Athene en de vijfde zang van den Ilias4 is zelfs geheel aan zijn heldendaden gewijd. Hij verdrijft de dapperste Trojanen o. a. Aineas en Hector en wondt de godin Afrodite, die den eerste tracht te beschermen. Ten slotte brengt hij zelfs met behulp van Athene den krijgsgod Ares een geduchte wond toe.

In zijn gesprek met Ulysses (vs. 455–590) wordt Diomedes door Vondel zelfs voorgesteld als een lafhartig mensch.

Later wordt evenwel van hem gezegd:

„Ik ben een man in ’t veld, om op een moedigh paerd,

Dat schuymbeckt, briescht, en krabt, en stof werpt met sijn voeten,

Mijn’ vijand voor de vuyst, met swaerd en speer, t’ ontmoeten.”

Hierin vinden we althans den echten Diomedes terug.

Agamemnon, de aanvoerder der Grieken, is ook in den Ilias een heerschzuchtig vorst, die soms wel dapper strijdt, maar toch op andere oogenblikken heel wat van zijn krijgsgezellen moet hooren. Zoo voegt Diomedes hem toe:

„— — — — — — — — — — — — Zeus

Gunde u wel door uw scepter vereerd voor allen te wezen,

Maar moed gaf hij u niet, de vermogendste toch van de krachten,5

terwijl hij ook in andere gedeelten als een hoogmoedig vorst wordt geschilderd. In dat laatste opzicht komt de Agamemnon van Vondel overeen met dien uit den Ilias.

Nestor is in Vondels drama de wijze raadgever, de verstandigste der Grieken en evenzoo stelt hem Homerus voor. Een enkele aanhaling bewijst dat duidelijk.

„Nadat zij spijzen en dranken naar begeerte des harten genoten,

Gaf hun de grijsaard ’t eerst in beraad zijn verstandigen voorslag,

Nestor, die bleek ook vroeger den zekersten raad te verschaffen.”6

Calchas is de wichelaar, de priester in ’t leger der Grieken. Hij is vooral beroemd door zijne voorspellingen. Dat hij in den Ilias volstrekt niet als een slecht mensch wordt voorgesteld, blijkt uit de volgende aanhaling.

„— — — — — — — —; toen rees uit hun midden

Kalchas, Thestors zoon, de voornaamste der vogelenwichelaars,

Hij die naar Ilios meê aan de vloot der Achaiërs tot leidsman

Ziener van alles wat is, zijn zal en te voren geweest is,

Was met zijn schouwenden geest, als Apolloon Foibos het ingaf.

Deze nu sprak welmeenend hun toe. — — — — — —7

In den Palamedes is hij geheel anders geteekend: daar is hij de slechte priester, die het geloof misbruikt en zijn macht aanwendt om zijn wraakzucht te bevredigen.

Eurypilus speelt in den Ilias een zeer ondergeschikte rol; hij is een Griek, die door Paris met diens pijlen gewond wordt.

Zeer goed in den toon is gebleven Thersites, die zoowel in den Palamedes als in den Ilias voorgesteld wordt als een onbeschaamde schreeuwer. We halen de volgende verzen aan, die hem duidelijk typeeren. Er wordt in ’t leger der Grieken eene vergadering gehouden, die geleid wordt door den aanvoerder Agamemnon.

„Nu zat elk daar neder en hield zich bedaard op de zetels.

Maar alleen nog schreeuwde de eindlooze zwetser Thersites,

Hij steeds vaardig van geest met een vloed onpassende woorden,

Dwaaslijk, om tegen de orde, de vorsten te tergen met schimptaal,

Waar het hem scheen, dat er iets den Argeiërs belachelijk ware.

Als men hiermee vergelijkt Thersites’ optreden tegenover Nestor in ’t vierde bedrijf van den Palamedes, blijkt dat Vondel het karakter van den schreeuwer goed heeft weergegeven.

1 Vergelijk nog de volgende verzen uit hetzelfde gedicht:

83 Ondankbre vreemdeling, die om uw oproerstukken

Korts naekt verbannen, tracht uw’ huisheer te verdrukken.”

en Palamedes vs. 1540:

„Toen quam de balling naeckt in Griecken aangedreven.”

↑

2 Oldenbarnevelt schreef in 1618 om zich tegen de vele beschuldigingen in de pamfletten tegen hem uitgesproken, te verdedigen, zijn Remonstrantie, gericht tot de Staten.↑

3 Ilias—Vertaling van Vosmaer, blz. 161, regel 400–410.↑

4 Ilias blz. 61–82.↑

5 Ilias blz. 122 vs. 38–39. Vgl. verder blz. 205 vs. 82–102.↑

6 Idem blz. 123 vs. 92–94.↑

7 Idem blz. 3 vs. 68–73.↑

Gysbreght van Aemstel.

Inhoudsopgave

Ontstaan. De Gysbreght werd door Vondel geschreven als openingsstuk voor den nieuwen schouwburg, die in 1637 ’t vroegere houten gebouw verving, ’t Is dus een gelegenheidsstuk, zooals reeds dadelijk blijkt uit ’t „Voorspel” (regel 1–5):

„De trotse Schouwburgh heft zijn spitse kap

Nu op, en gaet de starren naderen,

En wellekoomt met dartel handgeklap

Al ’t Raedhuis, en ons wijze Vaderen,

Het heiligh Raedhuis wijd den Schouwburgh in.”

Ook in ’t stuk zelf vinden we een duidelijke aanwijzing, namelijk in Rafaels voorspelling, waarin Gysbreght gezegd wordt, dat eens Amsterdam een nieuwen schouwburg zal bouwen en zijn daden daar aan de overheid der stad zullen „tegemoet gevoerd worden” (regel 1847–1850).

Optreden der predikanten. De opvoering werd vastgesteld op den tweeden Kerstdag 1637, maar de Kerkeraad verzette zich heftig, omdat het stuk te Roomsch was. Tot een verbod kwam het niet, alleen eenig uitstel kon verkregen worden: den 3den Januari 1638 werd de Gysbrecht voor ’t eerst gespeeld.

Vondel droeg zijn treurspel op aan zijn vereerden vriend Hugo de Groot, en in deze opdracht vermeldt de schrijver welke twee overwegingen hem vooral geleid hebben bij ’t opbouwen van zijn werk.

Stof uit de geschiedenis van Amsterdam. 1. Juist omdat het werk diende ter inwijding van een echt Amsterdamsch gebouw, nam hij zijn stof uit de geschiedenis van Amsterdam, immers reeds „d’aeloude dichters pooghden de gedichten den volcke smaeckelijck te maken met zaecken te ververschen, die hunne vorsten en voorouderen betroffen.”

Vergelijking met de val van Troje. 2. Vondel vergelijkt telkens den ondergang van Amsterdam met dien van Troje. Hij was nl. bezig met de vertaling van den Aeneis van Vergilius, waarin de val van Troje en de omzwervingen van Aeneas verhaald worden. Nu had hem in dit epos bizonder getroffen de beschrijving van ’t brandende Ilium, zóó wil hij trachten den brand van Amsterdam te beschrijven. Men vergelijke weer de opdracht, b.v.: „Beneffens dit insicht prickelde ons hier toe de genegenheid, om eens (was het mogelijck) den schoonen brand van Troje t’ Amsterdam, in het gezicht zijner ingezetenen, te stichten,” en zie verder het „Voorspel”, vers 16 en 17.

„’t Aeloude Troje word herboren,

En gaet te gronde in ’t gloeiende Amsterdam.”

In ditzelfde voorspel werkt Vondel de vergelijking nog veel verder uit, ieder der personen uit den Gysbreght schijnt volgens deze verzen een tegenhanger te vinden in Vergilius’ epos.

Gysbreght komt overeen met Aeneas,

Badeloch met Creüze, de vrouw van Aeneas,

Gozewijn met den eerwaardigen koning Priamus,

Vosmeer de Spie is gekomen naar ’t model van Sinon, den Griekschen verspieder, die ’t paard binnen Troje wist te brengen.

Bij ’t schrijven dacht Vondel voortdurend aan zijn Latijnsch voorbeeld, sommige gedeelten uit den Gysbreght stemmen bijna letterlijk met zinnen uit den Aeneis overeen. Bovendien worden vele daden van den hoofdpersoon eerst duidelijk als men weet dat hij gevormd is naar ’t model van den Trojaanschen held en dus ook ongeveer dezelfde handelingen als deze moet verrichten.

Zoo is ’t opvallend dat Gysbreght telkens torens beklimt; wel is dit soms noodig om een overzicht van den stand van zaken te krijgen, maar een anderen keer is ’t een navolgen van Aeneas, die eerst het dak van zijn eigen huis en later dat van ’t paleis van koning Priamus bestijgt. In dit opzicht heeft het Latijnsche epos een slechten invloed op Vondels drama gehad.

Invloed op den bouw van het drama. Maar ook in een ander opzicht. We zagen, dat Vondel in ’t bizonder een grooten brand wilde beschrijven, maar hij dichtte een drama en geen epos! Wat in een epos heel natuurlijk is, n.l. een beschrijving van iets wat men gezien heeft, is in een drama veel minder op zijn plaats, omdat men daarin alles zooveel mogelijk op ’t tooneel moet zien gebeuren. De drie omvangrijke verhalen van Arend, Gysbreght en den Bode komen in ’t stuk voor, omdat Vondel dien grooten brand wilde beschrijven. Dat vertellen en kalm toeluisteren maakt in een tooneelstuk een zonderlingen indruk. Gysbreght had wel iets nuttigers te doen, dan kalm zitten luisteren!

Historische waarde. Historische waarde van den Gysbreght.

Het meest eigenaardige is wel, dat Vondel niet het Amsterdam van 1304, maar dat van 300 jaar later beschrijft, het machtige Amsterdam uit de 17de eeuw. En had hij hiervoor zijn goede redenen. In 1304 was het immers niets dan een visschersdorp, en de verovering van zoo’n onbeteekenend plaatsje was geen stof voor zijn grootsch treurspel. Daarom beschreef hij Amsterdam, zooals hij dat kende: „de groote stad vermaert in oorelogen.” In de opdracht zegt Vondel dan ook: „Wy bouwden dit treurspel op de gedachtenis ons by de schrijvers en de faem daer van nagelaeten; en stoffeerden en bekleedden de zaeck na de wetten, regelen en vrijheid der poëzije”, hij bereidt ons er dus op voor, dat we geen zuivere historie zullen hooren. ’t Gevolg van deze voorstelling is natuurlijk, dat er in ’t stuk tal van anachronismen voorkomen. Zoo waren het stadhuis, de kerk en de beurs, die in ’t treurspel een groote rol spelen, in 1304 natuurlijk niet aanwezig.

Karakter van Gysbreght. 1. Gysbreght.

Hij wordt voorgesteld als geheel onschuldig, en dat Vondel hierop den nadruk gelegd wil zien, blijkt uit het feit dat hij Aemstel zich in een monoloog van ruim 150 verzen laat verdedigen.

Verder moet Gysbreght een held zijn.

Hij zelf getuigt van zijn houding gedurende het beleg:

„En heb in ’t zwaer belegh de stormen uitgestaen,

En dagh en nacht voor aen geworsteld op de wallen:

’t Vermoeide volck gesterckt, en rustig uit gevallen.”

en ook in den schrikkelijken nacht als Amsterdam overrompeld wordt, strijdt hij dapper:

„Hij zellef was de voorste, om elleck moed te geven.”

Zijn houding in ’t laatste bedrijf, zijn antwoord aan Voorne, die de burcht komt opeischen, zijn besluit om zich tot het uiterste te verdedigen, dat alles zijn bewijzen van Gysbreghts moed.

En toch als men ’t heele stuk gezien of gelezen heeft, zal niemand den indruk gekregen hebben dat Aemstel een groot en dapper krijgsman is. Dat komt door de rol die Vondel hem spelen laat: Gysbreght moet als Aeneas op torens klimmen om te kunnen vertellen wat hij gezien heeft; hij vertelt aan Badeloch zijn wedervaren, terwijl daar buiten de vijanden woeden in zijn stad; hij zit kalm te luisteren naar den Bode, in plaats van naar buiten te snellen en te strijden tegen de aanvallers. Hij praat te veel en doet te weinig. Dat komt goed uit als we hem vergelijken met zijn broer Arend. Dàt is een nobele figuur, we zien dat hij iets doet en dat pakt meer dan lange redevoeringen. Al dadelijk treedt hij op als man van de daad: hij is ’t, die den vijand achtervolgd heeft en aan ’t hoofd van zijn soldaten op ’t tooneel komt, hij ook is de leider van den uitval in ’t laatste bedrijf en sterft strijdende voor zijn goed recht. Jammer dat ook deze krijgsman als de strijd op ’t hevigste is door Vondel gedwongen wordt tot werkeloosheid, en aan zijn schoonzuster moet verhalen welke verwoestingen de vijanden in Amsterdam hebben aangericht.

Badeloch. Badeloch is het geheele stuk door de liefhebbende echtgenoote, wat vooral aan den dag komt in het laatste bedrijf; maar ook vroeger blijkt telkens de liefde voor haar man. De rei der burghzaten is dan ook aan hàar gewijd! In het derde en vierde bedrijf speelt Badeloch een vrij ondergeschikte rol, hoewel ze voortdurend op ’t tooneel is: ze is niets dan toehoorster, maar in ’t laatste bedrijf is zij de hoofdpersoon, daar ontstaat het conflikt tusschen haar liefde voor Gysbreght en ’t besluit van dezen om zich tot het uiterste te verdedigen.

Vosmeer de Spie. Vosmeer de Spie is uitstekend geslaagd; vooral is mooi de wijze waarop hij Gysbreght om den tuin weet te leiden. Eerst wordt de spion op norschen toon toegesproken:

„Wie zijtghe? waer van daen?”

„Wat zijtghe voor een gast? of in wat land geboren?”

maar langzamerhand wordt de burchtheer door ’t verhaal van den geslepen Vosmeer iets vriendelijker gestemd. Eerst ligt de Spie gekneveld voor Gysbreghts voeten, maar na eenigen tijd klinkt het reeds, nog wel gebiedend, maar tevens met belangstelling:

„Sta op, en heel my niets van allas wat ghy weet.”

en iets later, als de mededeelingen belangrijk schijnen te worden:

„Ontbind den knecht, zoo magh hy onverhinderd spreeken.”

Ten slotte, als Gysbreght door den slimmerd geheel in de val gelokt is:

„Ga heen, ick schenk u ’t lijf.”

De geslepenheid van Vosmeer blijkt verder vooral uit de wijze waarop hij het „Zeepaard” veilig weet binnen te loodsen. Eigenaardig is, dat het verhaal voor een goed deel ontleend is aan „het turfschip van Breda.” (Men vergelijke vers 620–659).

Egmond en Diederik. Willem van Egmond en Diederik van Haerlem, de beide veldheeren der belegeraars, verschillen heel wat in karakter. Egmond is meer een nobele krijgsman, terwijl Diederik veel driftiger en ruwer is. Dit blijkt vooral uit hunne geheel verschillende houding bij ’t Karthuizer klooster: Egmond wil dit zooveel mogelijk verschoonen en heeft eerbied voor den geestelijken stand, terwijl Diederik zich niet van „paepen laet ringelooren” en het klooster desnoods in brand wil steken „om zich bij de kolen te warmen.” Egmond kent zijn krijgsmakker, van daar zijn waarschuwing

„Versteur de broeders niet, maar hou u wat in toom,

Noch roept niet luid, men moght uw stem te verre hooren.”

Men leze het geheele gesprek van Diederik met den portier en met Willebrord eens na, juist daarin treedt Diederiks driftige krijgsmansaard duidelijk aan ’t licht.

Gozewijn. Gozewijn is de eerwaardige, grijze priester, die bereid is te sterven en die blij is, dat God hem eindelijk „in aller zielen troon” zal halen. De „lofzang van den ouden Simeon” geeft geheel zijn gedachten weer. Sedert men hem als bisschop van Utrecht afzette, was hij „dit lastigh leven moe” (vers 1066–1069). Juist daarom kan hij niet meegaan met Gysbreght, die hem nog tracht te verlossen. Gozewijn wil sterven.

Klaris. Klaris van Velzen is geheel een van gedachte met Gozewijn: hij is haar „maegschap na vleesch en geest te saemen.” Dat blijkt ook als de bisschop aangevallen wordt en zij hem met haar eigen lichaam tracht te beschermen.

Willebrord. Willebrord, de abt van ’t Karthuizer klooster, is een vrij onbeteekenend persoon, zooals vooral blijkt uit het feit dat hij de komedie door Egmond en enkele anderen gespeeld, geheel voor goede munt heeft opgenomen. Verder heeft hij een vrij hoogen dunk van zich zelf en meent dat hij het is, die feitelijk Amsterdam gered heeft. Geen oogenblik komt de gedachte bij hem op dat men hem geducht bij den neus heeft gehad. Tegenover Diederik treedt hij eerst forsch op maar eindigt toch met toe te geven.

De ontknooping. De ontknooping en ’t verschijnen van Rafaël.

Een eerste eisch voor ieder tooneelstuk is, dat het volgende logisch uit het voorafgaande voortvloeit; men moet den indruk krijgen, dat het slot zóo moet zijn en niet anders. Laat de auteur echter een bovennatuurlijk wezen ingrijpen in de handeling, zoodat alles plotseling heel anders wordt dan men moet verwachten, dan spreekt men van een „deus ex machina”. Letterlijk is dit een „God uit de machine”, m.a.w. een godheid, die men door middel van een machinerie op ’t tooneel laat neerdalen, om zoodoende het stuk tot een gewenscht einde te brengen. Tegenwoordig verstaat men er onder elk middel dat buiten den logischen samenhang van ’t stuk valt, b.v. een armen man plotseling een onverwachte erfenis te beurt laat vallen, zoodat hij juist daardoor zijn doel kan bereiken. ’t Is duidelijk, dat dergelijke „trucjes” af te keuren zijn en ook, dat ze vaak een uiting zijn van onmacht bij den auteur. Vondel liet Rafaël vooral om twee redenen verschijnen:

Rafaël. 1o Hij wist dat Gysbreght niet was gedood bij de verwoesting van zijn stad en toch kon hij iemand die als held wordt voorgesteld, den strijd niet dan in ’t uiterste geval laten opgeven. Gysbreghts houding is dan ook volkomen consequent: de stàd is verloren, maar niet de burcht. Daarom moeten allen die niet weerbaar zijn, worden weggezonden om de strijders niet noodeloos te hinderen, terwijl de burchtheer zelf met zijn manschappen moet blijven om zich te verdedigen, daar er wellicht nog ontzet mogelijk is. Is er geen andere uitkomst mogelijk, dan rest ten slotte nog een eervolle krijgsmansdood, een sterven „met vollen roem in ’t harrenas”, zooals met Arend geschiedde. Dit moet dan ook iedereen van een man als Gysbreght verwachten. Maar nu verschijnt Rafaël en beveelt hem „zijn wettigh erf” te verlaten. Hiermee is het historische gedeelte gered: Gysbreght blijft leven na den val van Amsterdam en tevens kon hij niet beschuldigd worden uit lafheid de stad verlaten te hebben: voor den goddelijken wil te buigen is geen schande!

2o. Rafaël heeft nog een andere taak te verrichten. ’t Was niet aangenaam voor de Amsterdammers den ondergang van hunne stad te aanschouwen, daarom verzachtte Vondel dit, door Rafaël den sluier die de toekomst voor Gysbreght en de zijnen verborg, even te laten oplichten, zoodat aan ’t slot gewezen kon worden op de verbazende vlucht die het oude Amstelredam eens zou nemen (vers 1829–1850). Dat Vondel werkelijk deze bedoeling had, blijkt uit de opdracht, waarin gezegd wordt: „Of eenige Amsterdammers moghten walgen van den zwaeren val hunner muren, en ’t verstrooien der voorouderen te hooren; zoo wordt die bittere nasmaek verzoet, door Rafaëls voorspelling van de heerlijcke verrijsenisse der verdelgde vesten en verstroielingen.” Ook het harde lot van Gysbreght wordt door de schildering van den „berg van geluk, die zijne nazaten eens zullen opklimmen” (vgl. vers 1855–1864), eenigszins verzacht.

Lucifer.

Inhoudsopgave

De predikanten tegen Lucifer. Evenals bij den Gysbreght trachtten de predikanten ook bij Vondels Lucifer de opvoering te beletten. Toen het stuk in 1654 gespeeld werd, wekte dit in den Kerkeraad zooveel verontwaardiging, dat een deputatie naar ’t gemeentebestuur gezonden werd om verdere opvoeringen te verhinderen, wat gelukte. Eveneens werd later het drukken en verkoopen tegengegaan. Het voornaamste argument der predikanten bij Burgemeesteren was, dat de „Hooghe Matery”, de godheid zelve, op ’t tooneel gebracht werd.

Vondels verdediging. Tegen deze bestrijding van zijn werk komt Vondel op in ’t „Berecht aen alle Kunstgenooten en Begunstigers der Tooneelspelen”, dat den Lucifer vooraf gaat. Hij wenscht te spreken „tot onschult van tooneel en tooneeldichteren, die Bybelstof voorstellen, naerdienze by wylen opspraeck onderworpen zyn”, terwijl hij iets later gewaagt van twee tooneelspelers, die „onder het spelen, den Christenschen Godtsdienst willende beschimpen, overtuight wierden van de waerheit, diese geleert hadden uit hun deftige speelrollen, doorgaends beter gestoffeert met pit van wysheit dan laffe redenen, uren lang in den wint gestroit, en eer verdrietigh dan leerzaem”. Wie denkt bij ’t laatste gedeelte niet aan een uitval tegen de predikanten?

Vondel wijst in het „Berecht” vooral op de drie volgende punten:

1. De stof is door hem niet verzonnen, maar getrokken uit de geschriften van Profeten of Heiligen, waarom de schrijver dan ook gerechtigd is te zeggen: „Wy stuiten dan met deze goude spreucken, en inzonderheid met Judas Thaddeus, leerling en afgezant des hemelschen Leeraers, en Koning aller Koningen, gelyck op een diamanten schilt, alle de pylen der ongeloovigen, die de zekerheit van der Geesten afval zouden durven in twyfel trekken.”

2. Heilige stof mag door den dichter niet willekeurig veranderd worden: „we ontkennen geenszins dat heilige stof den tooneeldichter nauwer verbint en intoomt dan weereltsche historien, of Heidensche verziersels” (= verdichtsels). De enkele veranderingen, die Vondel aangebracht heeft, steunen dan ook het gezag van sommige (niet alle!) godgeleerden.

3. Bijbelstof mag op het tooneel gebracht worden; indien het op de goede manier gedaan wordt, geeft het geen aanstoot en vooral deze stof strekt tot leering: „Scholieren, en opluickende jongkheit wordt door spelen, in talen, welsprekentheit, wysheit, tucht, en goede zeden en manieren, geoefent, en dit zet in de teere gemoeden en zinnen, een ploy van voeghlyckheit en geschiktheit, die hun, tot in den ouderdom toe, byblyven en aenhangen: ja het gebeurt by wylen dat overvliegende vernuften, by geene gemeine middelen te buigen, noch te verzetten, door spitsvondigheden en hooghdravenden tooneelstijl geraekt, en buiten eigen vermoeden, getrocken worden.”

Bouw van het stuk. Thans willen we het werk zelf bespreken en daarbij in ’t bizonder nagaan, hoe ’t volgende telkens voortvloeit uit het voorafgaande, om zoodoende aan te toonen, dat de compositie van den Lucifer in waarheid meesterlijk is.

Oorzaak van de ontevredenheid. De dichter schildert ons eerst de jaloerschheid van de engelen: de mensch, die later geschapen is dan zij, wordt thans in vele opzichten boven hen bevoorrecht. Om dit goed te doen uitkomen, moet de schildering die Apollion van de eerste menschen geeft, buitengewoon schoon zijn en niemand zal zeker kunnen ontkennen dat Vondel hierin volkomen geslaagd is—juist deze verzen behooren tot de beste uit het geheele treurspel.

In ’t bizonder moet nog op het volgende gelet worden:

1. Apollion brengt vruchten mee, die door Belzebub verre gesteld worden boven ’t „hemelsch mann”,—dat moet al jaloerschheid opwekken.

2. Het Paradijs is in vele opzichten schooner dan ’t verblijf der engelen, de edelgesteenten die men er vindt, „dooven den glans der hemelsche starren.”

3. De lucht in het Paradijs is zoeter dan de adem der engelen.

Dat de jaloerschheid werkelijk reeds binnensluipt in ’t gemoed der engelen, blijkt uit een gezegde van Apollion:

82. „Wie zou ons Engelsdom voor ’t menschdom willen wenschen?”

4. De beschrijving van ’t eerste menschenpaar, waardoor de jaloerschheid der engelen nog grooter wordt; de menschen immers, en vooral Eva, zijn schooner dan een der hemelsche geesten:

„Bejegent Engelen, hoe schoonze uw oogh behaeghden;

Het zyn wanschapenheên bij ’t morgenlicht der maeghden.”

Apollion kon slechts noode scheiden van ’t schoone dat hij in ’t Paradijs had aanschouwd.

5. Eén troost blijft de engelen nog over: zij zijn onsterfelijk, terwijl de mensch dit voorrecht niet heeft gekregen. Maar ook deze laatste illusie wordt door Apollion weggenomen; in Eden groeit de wonderbare levensboom:

181. „………. zijn aert is onbederflyck.

Hierdoor geniet de mensch het eeuwigh en onsterflyck,

En wort den Engelen, zijn’ broederen, gelyck,

Ja overtreftze in ’t eindt.”

Door deze analyse blijkt duidelijk, hoe treffend Vondel de oorzaken van de steeds aangroeiende jaloezie der engelen heeft geteekend; hunne stemming wordt uitstekend weergegeven door de woorden van Belzebub:

189. „De mensch is machtig dus ons over ’t hoofd te wassen.”

Gods besluit. Maar de ergernis en droefheid der gekrenkte engelen wordt nog grooter: Gods geheimenistolk, de aartsengel Gabriël, verschijnt en verkondigt Gods besluiten.

1. De mensch zal steeds hooger stijgen:

218. „Godt sloot van eeuwigheit het Menschdom te verheffen

Oock boven ’t Engelsdom.

2. Uit den mensch zal voortkomen: „het Eeuwigh Woort, bekleet met been en aren.” Hij zal plaats nemen op den troon en over hemel en aarde gebieden.

3. De engelen zullen dus ten slotte iemand die mènsch geweest is, moeten aanbidden.

4. Reeds dadelijk worden de engelen in dienst gesteld van den mensch, hij is dus als ’t ware reeds nu hun gebieder. Men vergelijke de regels 261–280.

Het is te begrijpen hoe vernederd vele engelen zich moeten gevoelen—er wordt wel is waar nog niet aan een opstand gedacht, maar toch is de bodem reeds bewerkt. Een enkel doortastend persoon kan in deze omstandigheden veel uitwerken. ’t Is dus zeer juist gezien van Vondel, dat hij thans Lucifer laat optreden.

Stemming van Lucifer. De aartsengel is natuurlijk met den geheelen toestand op de hoogte; zijn zielstoestand moet ons dus doen denken aan de klachten in ’t eerste bedrijf geuit. Dit is dan ook werkelijk het geval, zooals uit het volgende zal blijken.

Hij verkeert in een zeer bittere stemming: Lucifer, de machtige aartsengel, Gods stedehouder, de Morgenstar, „waer voor d’Aertsengelen nijgen,” moet nu „duicken” voor een nieuwe ster: zijn macht verdwijnt, een nieuwe „klaerheit komt in ’t licht der Godtheit stygen.”

Aan een opstand denkt de aartsengel evenwel nog niet, zooals blijkt uit de woorden:

374. — — — — — „Hier gelt geen tegenspraeck: ghy hoort

Wat Gabriël bazuint voor ’s hemels goude poort.”

Invloed van Belzebub. Thans komt echter Belzebub en dit is degene, die Lucifer door listige middelen, vooral door te speculeeren op de zwakheden van zijn karakter, tot den opstand dwingt. Belzebub handelt op de volgende wijze:

1. Hij wijst er op, dat de mensch van zeer lage, geringe afkomst is, dus feitelijk ver beneden de engelen behoort te staan. De Mensch is

389. „Een aerdtworm, uit een klomp van aerde en klay gekropen.”

2. Toch worden de engelen dienstbaar gemaakt ten behoeve van den mensch:

401. „Wy zyn ter dienstbaerheit, de menschen tot regeeren

Geboren.”

3. De laatste troef: Zelfs Lucifer, die vroeger heerscher was, moet „het Menschdom met neêrgeslagene oogen aanbidden;” hij moet zijn morgenstralen afleggen en het nieuwe licht met eerbied groeten.

Hoe goed kende Belzebub zijn meester Lucifer! Nijd en hoogmoed waren de meest kenmerkende eigenschappen van den aartsengel: zijn nijd (afgunst) is ons reeds gebleken uit zijn alleenspraak in ’t begin van ’t tweede bedrijf, zijn hoogmoed komt thans aan den dag. Lang heeft hij zich ingehouden, met verbeten woede heeft hij de woorden van Belzebub aangehoord, maar als deze gewaagt van het feit, dat Lucifer zijn plaats moet afstaan aan een ander, dan kan de aartsengel zich niet langer inhouden en barst hij los:

410. „Dat zal ik keeren, is het anders in myn maght.”

Hier ontmoeten we het eerste symptoom van een geest tot verzet, het eerste teeken van een mogelijken opstand.

En merk nu op, hoe handig Belzebub van dezen uitroep gebruik maakt: daartoe wilde hij Lucifer brengen; zijn taak is thans den aartsengel in zijn verzet te stijven en dit doet hij door nogmaals op diens hoogmoed en eerzucht te werken. Hij begint zijn meester te vleien: „Nu herken ik Lucifer, den machtigen vorst, den eerste en allernaaste aan God, den engel in wien wij allen God aanbidden—en zou zoo iemand lafhartig zwichten voor een ander? En nog wel voor een jonger zoon? Zou hij dus toestaan, dat het erfrecht werd geschonden?”

Lucifer windt zich al meer en meer op, zoodat hij ten slotte uitbarst:

433. „En liever d’ eerste Vorst in eenigh lager hof,

Dan in ’t gezalight licht de tweede, of noch een minder.”

Dan is hij reeds geheel de trotsche Cesar, die de heerschappij wenscht alleen, omdat hij wil heerschen.

Gesprek met Gabriël. Thans komt Gabriël en wordt dus de eerste poging gedaan om Lucifer op het goede spoor te brengen; maar, zooals te verwachten was, gelukt het niet—de stedehouder wordt juist al meer en meer tot den opstand gedreven. Hij moet tegen Gabriël argumenten gebruiken, zijn gevoelens moet hij onder woorden brengen, hij moet ze verdedigen tegen een ander en juist dit veroorzaakt dat zijn overtuiging steeds hechter wordt.

Duidelijk komt hier uit dat Lucifer geheel onder invloed van Belzebub staat, want hij gebruikt telkens dezelfde argumenten als deze, soms letterlijk dezelfde woorden.

Door zijn gesprek met Gabriël wordt Lucifer nog meer verbitterd: tegen al ’t geen hij zegt, voert „Gods geheimenistolck” niets anders aan dan dit: „God heeft het aldus besloten, gij hebt slechts te gehoorzamen.” Natuurlijk wordt iemand met een temperament als dat van Lucifer daardoor steeds meer geprikkeld. Zijn prikkelbaarheid blijkt uit de wijze waarop hij Gabriël antwoordt.

Bovendien moet er op gelet worden dat thans een nieuw argument door Lucifer gebruikt wordt, ’t is de gewone fictie, welke door alle opstandelingen uit Vondels dagen werd vooropgesteld: we strijden niet tegen den vorst, maar slechts tegen zijn dienaren, dus feitelijk niet tegen, maar vóor den souverein. Deze stelling is zoowel door Willem van Oranje, als door Cromwell en Wallenstein verkondigd.

Gabriël ontneemt den opstandeling deze illusie echter dadelijk: ’t is niet noodig voor Gods eer te strijden. Hij zelf weet dat beter te doen dan iemand anders. „God kent het punt waarin zijn hoogheid is gelegen, veel beter dan wij.”

We zullen verder zien dat Lucifer niettegenstaande Gabriëls opmerking toch deze fictie tot het laatst toe volhoudt, en telkens zijn getrouwen er aan herinnert dat ze voor God strijden.

Gabriël treedt ten slotte autoritair op en maakt eenvoudig een einde aan ’t gesprek door Lucifer in naam van God te bevelen zijn plicht te doen als stedehouder. Natuurlijk wordt de opgewonden aartsengel daardoor nog prikkelbaarder.

Ophitsing door Belzebub. Direct na Gabriëls vertrek is Belzebub weer op zijn post: Lucifer mag geen oogenblik alleen zijn, hij mocht eens door Gabriël tot inkeer gebracht zijn—Belzebub smeedt het ijzer als ’t heet is. Zijn wijze van optreden is weer meesterlijk: hoe door en door kent hij Lucifer! Deze is natuurlijk verontwaardigd over Gabriëls optreden en dadelijk maakt Belzebub van die gemoedsstemming gebruik: hij prikkelt den aartsengel nog meer, door hem er oogenblikkelijk aan te herinneren, hoe hij door Gabriël als een ondergeschikte is behandeld:

564. „Hy gaf Gods oogmerck u oock scherp genoegh te ruicken.”

Dat Lucifer gekrenkt is door Gabriëls handelwijze blijkt duidelijk uit zijn antwoord aan Belzebub:

567. „Geen minder droome hier zyn’ meerder te gebiên.”

Nog een laatste troefkaart speelt Belzebub uit, die weer berekend is op Lucifers karakter, hij speculeert thans op den hoogmoed van den aartsengel. „Denk er om, als ge u verzet, wordt ge verpletterd—wees dus verstandig, sta niet op!”

Dat is te veel voor Lucifer. Zou hij bevreesd zijn? Hij, de machtige stedehouder! Voor niemand wil hij onderdoen, thans is zijn besluit genomen: alles zal op ’t spel gezet worden. Men leze vs. 569–585 eens nauwkeurig na en merke op, hoe juist de woordenkeuze hier den hoogmoedigen trotschaard die geheel buiten zich zelve is van woede, typeert.

Opdracht aan Apollion. De tijd van handelen is gekomen, daarom wordt Apollion opgeroepen. Lucifer heeft diens hulp noodig voor de uitvoering der verdere plannen. De stedehouder legt zijn plan dadelijk bloot:

593. „Het wit is Michaël den slagveer uit te rucken

Op dat ons toelegh niet op zyn vermogen stuit.”

Apollion maakt bezwaar de zending uit te voeren: deze taak is niet te volvoeren. Wie kan strijden tegen de Almacht? Toch wint Lucifer hem ten slotte, vooral door hoop op een ruime belooning:

661. „Men zal uw kloeck beleit met eere en ampten kroonen.”

Belial zal Apollions helper zijn. ’t Is een waardig paar verleiders! Apollion die iedereen tot slechte daden kan overhalen,

654. „Ghij kunt bederven zelfs de vroomsten van de wacht;

En leeren weifelen wat nooit op weiflen dacht.”

Belial, de meester in de kunst van veinzen:

664. „Zyn troni, gladt vernist van veinzen en bedriegen,

Is ’t mommen niemant kent, die haer voorby kan vliegen.”

We willen thans nagaan, op welke wijze de beide zendelingen van Lucifer hunne taak ten uitvoer brengen.

1. De engelen zijn reeds ontevreden; het doel van Apollion en Belial moet dus zijn, deze ontevredenheid te versterken:

713. „Zy morren vast: men moet hier heimlyck onder roejen,

Zich mengen in dien hoop, en voeden hun beklagh.”

2. Ze willen de engelen duidelijk het doel van de geheele beweging voor oogen stellen. De strijdleus zal zijn:

705. „Den mensch in eeuwigheit ten hemel uit te sluiten.”

3. Als de ontevredenheid genoeg is gegroeid en alles daarvoor rijp is, moet een aanvoerder gekozen worden en natuurlijk moet gezorgd worden dat dan de keuze op Lucifer valt. Eerst zal Lucifer veinzen niet te willen en ten slotte, als ’t ware noodgedwongen, toegeven.

Toestand der Luciferisten. In ’t hierop volgende derde bedrijf heeft de ontevredenheid haar hoogtepunt bereikt en moet het tot een uitbarsting komen. We zien thans op ’t tooneel wat Apollion en Belial ons al geschilderd hebben. De ontevredene engelen, de Luciferisten, zitten weeklagende neer, terwijl de godgetrouwe rei hen tracht te troosten.

De Luciferisten denken voorloopig nog niet aan verzet: ze klagen slechts. Toch blijkt hun misnoegde, ontevreden stemming uit verschillende uitdrukkingen die ze gebruiken.

Het best wordt hun stemming weergegeven door de telkens terugkeerende woorden:

„Helaes, helaes, helaes, waer is ons heil gevaren.”

Thans komt de rei om de weeklagenden te troosten; maar de uitwerking is geheel anders dan de getrouwe engelen zich die hadden voorgesteld: de ontevredenheid der Luciferisten vermeerdert namelijk. Dit is evenwel heel natuurlijk. De rei vraagt immers waarom men zoo bedroefd is; de engelen mogen hun leed dat ze zoo lang voor zich hebben gehouden, thans uitspreken. Is het wonder dat ze juist daardoor in een steeds meer opgewonden stemming geraken?

Die opwinding blijkt uit hun stemming: de toon verandert geheel. Steeds meer groeit de ontevredenheid, vooral omdat de rei tegen al de ingebrachte bezwaren in hoofdzaak niets anders aanvoert dan

„Wat Godt behaeght en schickt, dat wordt met recht geprezen,”

en juist dat „dwingen van hooger hant” wekt verbittering.

Volvoering van het plan. Thans verschijnen Apollion en Belial, die geheel op de afgesproken wijze te werk gaan. Ze zeggen het geschil te willen bijleggen, maar geven juist de ontevredenheid op handige wijze nieuw voedsel. De rei doorziet ten slotte hunne bedoelingen zeer goed en geeft dat ook duidelijk te kennen in de waarschuwing:

986. „Ziet toe, en wacht u wel deze ongenoeght te styven.”

Nadat op deze wijze de onrust nog vermeerderd is, komt Belzebub met hetzelfde loffelijke doel als zijn beide voorgangers. Hij handelt echter op een andere wijze. Hij toont zich zeer verwonderd over de droefheid die onder de engelen heerscht: is droefheid mogelijk in Engleburgh! Een engel is immers altijd gelukkig! Kermt dus niet langer, maar dank God voor al ’t goede, dat Hij schenkt! En juist door deze wijze van spreken wordt natuurlijk de ontevredenheid nog grooter. Zouden zij geen reden tot droefheid hebben! En ze storten hun hart uit voor Belzebub, klagen hem al hun leed en winden zich onder ’t spreken steeds meer op. Juist wat de verleider wenschte! Door deze wijze van handelen hoopt hij bovendien te bewerken dat niemand hem van heulen met de opstandelingen kan verdenken. Hij wijst er daarom tegenover Michaël uitdrukkelijk op dat hij zelfs alles gedaan heeft om de ontevredenheid te verminderen en dus volkomen onschuldig is.

Ingrijpen van Michaël. De vrede en rust in den hemel zijn verstoord en Michaël verschijnt om de orde te herstellen. Zijn pogingen zijn evenwel vruchteloos, de engelen willen in hunne opgewondenheid van geen toegeven weten. ’t Eenige wat de veldheer kan doen is de getrouwen en de afvalligen te scheiden, en zoodoende de Luciferisten te dwingen tot openlijk optreden: aan alle geheimzinnigheid is thans een eind gekomen. Tevens ontneemt hij den afvalligen de illusie, dat hun strijd niet tegen God zelf gericht is: dit was noodzakelijk, omdat de opstandelingen dikwijls de fictie verkondigen dat ze strijden in ’t belang van hun souverein en niet tegen hem. Vandaar de waarschuwende woorden:

1145 „Wie anders oorelooght dan onder myn banier,

Beoorlooght Godt en is een vyant van zyn Rycken.”

Door ’t optreden van Michaël is er een openlijke breuk ontstaan, de Luciferisten zijn voortaan opstandelingen, ze hebben de eerste schrede gedaan en kunnen niet meer terug. Er moet een aanvoerder gekozen worden en thans is het dus tijd dat Lucifer verschijnt. Zijn komst is door Apollion, Belial en Belzebub voldoende voorbereid, het zaad dat zij gestrooid hebben, is welig opgeschoten en daarom laat de dichter thans Lucifer zelf optreden. Zijn houding is dan ook geheel overeenkomstig het plan dat vroeger beraamd was; eerst weigert hij de waardigheid te aanvaarden, maar geeft daarna, als door den nood gedwongen, toe.

Fictie der opstandelingen. En dan is er nog iets waar de aandacht op dient gevestigd te worden: we zagen boven dat Michaël reeds van te voren de gewone fictie der opstandelingen onmogelijk voor de Luciferisten tracht te maken en toch: Lucifer houdt nog deze fictie vol; hij voert oorlog niet tegen God, maar in diens eigen belang. Hij aanvaardt het bevel:

1262 „Tot voorstant van Godts Ryck, om ons bederf te keeren.”

Lucifer bewierookt. Lucifer wordt door de opstandelingen gehuldigd als veldheer en wat het ergste is: bewierookt, dus beschouwd als een god. We zullen in ’t volgende bedrijf zien dat juist deze heiligschennis de oorzaak wordt van Lucifers val.

Oproep tot den strijd. In ’t vierde bedrijf roept Gabriël Michaël op tot den strijd. De opstand wint steeds meer veld, reeds een derde deel des hemels steunt Lucifer, het wapenhuis wordt bedreigd. Michaëls optreden kan niet langer uitgesteld worden. Lang was God tot genade gestemd: de Genade en de Gerechtigheid pleitten voor Zijn troon, zelfs

„— — — — scheen de Godtheid tot genade en zoen genegen,”

maar toen de opstandelingen Lucifer als een god bewierookten, was geen genade meer mogelijk.

Michaël maakt zich gereed tot den strijd, bijgestaan door den schildknaap Uriël. Ook Lucifer monstert zijn troepen, terwijl Belzebub hem goede tijdingen brengt: de macht groeit ieder oogenblik.

Thans tracht de Veldheer zijn leger aan te vuren en gebruikt daarvoor in ’t bizonder twee argumenten:

1. Er is geen hoop op genade.

2. De engelen zijn onsterfelijk en kunnen dus nooit geheel vernietigd worden.

Let er ten slotte op dat ook nu nog Lucifer volhoudt niet tegen Gòd te strijden: dat blijkt uit den eed dien hij zijn troepen laat zweren:

1451 „Wij zweeren te gelyck by Godt, en Lucifer.”

Poging tot verzoening. De legers zijn gereed, de strijd tusschen de broeders kan ieder oogenblik beginnen, maar thans verschijnt Rafaël, de verzoenende engel, die een laatste poging waagt om het onheil te voorkomen. Zijn doel is Lucifer te bewegen zijn rampzalig opzet te laten varen en werkelijk gelukt het den goeden geest bijna het hart van den afvallige te vermurwen. Rafaëls wijze van optreden is dan ook zeer menschkundig. Eerst herinnert hij Lucifer aan diens vroegere positie: hij was de schoonste en machtigste der engelen, door God zelfs tot stedehouder aangesteld, niemand was zijns gelijke. Daarna wijst Rafaël hem op de toekomst: wat zal zijn lot zijn, als hij werkelijk zijn voornemen zal trachten ten uitvoer te brengen? Hij, de schoonste onder de schoonen, zal herschapen worden in een wangedrocht waarvan de schepping gruwt. Zal de stedehouder zelf tot een dergelijke vernedering medewerken! Dat kan niet zijn. Daarom leg af die wapens, buig het trotsche hoofd!

Lucifer wijst den goeden raad af: hij heeft zich niets te verwijten. Hij strijdt immers vóor, niet tégen God!

Dat argument wordt hem echter door Rafaël uit de hand geslagen. Wat tracht Lucifer zijn doel nog te verbergen? God is alziende: reeds lang heeft Hij de geheimste gedachten van den eerzuchtige gelezen.

Ten slotte moet de stedehouder dan ook wel bezwijken, er is echter één omstandigheid die hem belet aan Rafaëls roepstem gehoor te geven en de wapens neder te leggen: er is geen genade mogelijk. Doch ook deze laatste hindernis neemt de goede engel weg. Hij zal Lucifers middelaar bij God zijn.

Eindelijk schijnt het dat Rafaël zal overwinnen; Lucifer staat in twijfel. Hij ziet zelf in hoe slecht zijn handelwijze is, hij ziet den afgrond die aan zijn voeten gaapt en is op ’t punt terug te treden.

Ook Rafaël bemerkt dien tweestrijd en hoopt reeds op een goeden uitslag, maar plotseling hoort Lucifer de schetterende trompetten van Michaëls leger, Apollion roept hem op tot den strijd, de bevelhebber kan niet meer terug, de wanhoop aan genade dwingt hem vol te houden. Vol droefheid roept Rafaël uit:

1670. „Helaes, hy stont alreede in twyfel, en beraet:

Nu voert hem Wanhoop aan.”

De strijd. In ’t vijfde bedrijf vernemen we den uitslag van den strijd. Vondel kon den slag moeilijk op ’t tooneel brengen en laat daarom alles door Uriël vertellen aan Gabriël.

Michaël had zijn leger den vorm van een driehoek laten aannemen (de symbolische voorstelling der drieëenheid). Lucifer schaarde de zijnen in een halve maan (het ongeloof).

De strijd zelf, die natuurlijk in de lucht gevoerd wordt, stelt Vondel voor als een gevecht tusschen twee vogels: een valk en een reiger. Wie ’t hoogst stijgt, zal winnen. Aan Michaël gelukt dit, maar Lucifer verdedigt zich met den moed der wanhoop. Twee dieren voeren zijn strijdwagen, een leeuw en een draak, de symbolen van hoogmoed en afgunst, en zelfs durft de vermetele opstandeling zijn strijdbijl opheffen om Gods banier te vellen. Maar dat is juist zijn val: op Michaëls diamanten schild springt de heirbijl in stukken en door den bliksemstraal getroffen, stort Lucifer naar beneden. Wel tracht Apollion, door allerlei monsters bijgestaan, de krijgskans te doen keeren, maar zijn poging is vruchteloos.

Lucifers voorspelling komt uit: God ontneemt de verslagen engelen het leven niet, ze blijven onsterfelijk. Maar ze worden herschapen, veranderd in monsters. Lucifer zelf wordt in een „wanschapenheid” veranderd, dat samengesteld is uit deelen van zeven monsters, die de zeven hoofdzonden vertegenwoordigen. Zoo zijn de engelen geworden tot duivels.

Lucifers wraak. Met Lucifers val kon het treurspel eindigen, maar Vondel meende er nog iets aan te moeten toevoegen: de wraak van den gevallen engel. Het geluk der menschen had hem tot opstand gebracht, dezelfde menschen moesten het volle gewicht van zijn wraak ondervinden, vandaar de zending van Belial en de val van ’t eerste menschenpaar.

Aan ’t slot wijst de rei op het verzoenende element: eens zal de Redder opstaan, die

„’t Vervallen Menschdom eens van Adams errefschult”

zal verlossen.

Politieke allegorie. Nog één punt moeten we bespreken: Lucifer als politieke allegorie. Jonckbloet en Van Lennep waren van meening dat Vondel in zijn drama een deel uit onze geschiedenis op het tooneel had gebracht nl. den opstand tegen Spanje. Hiertegen zijn anderen in verzet gekomen o. a. Beets en ook zeer uitvoerig Dr. Cramer, die den Lucifer in de Zwolsche Herdrukken heeft uitgegeven. Jonckbloet en Van Lennep voerden als argumenten o. a. aan, het te menschelijk voorstellen der engelen en meenden ook in vele regels toespelingen op Nederlandsche toestanden te ontdekken, terwijl de tegenstanders vooral op het volgende wijzen:

1o. Er is een hemelsbreed verschil in den afloop: Lucifer delft het onderspit, Prins Willem overwint in zijn afstammelingen.

2o. Vondel was wel Katholiek, maar een te goed vaderlander om Prins Willem als Lucifer te kunnen voorstellen. De allegorie zou als geheel trouwens ook zwak zijn: Granvelle die de afgunst der Nederlandsche grooten opwekte, kon in Adam voorgesteld zijn, maar Alva zou dan geschilderd moeten zijn in Michaël en Filips II in God zelf.

3o. Vondels tijdgenooten hebben in den Lucifer geen allegorie gezien, had Vondel dus een politieke strekking in zijn stuk willen leggen, dan was hij al heel slecht geslaagd.

Bovendien kunnen de regels die zoogenaamd toespelingen op Nederlandsche toestanden bevatten, heel goed uit het stuk zelf verklaard worden.

Wel legde Vondel een bepaalde strekking in zijn treurspel, maar een algemeene, die niet op een bepaald land of een bepaald persoon betrekking heeft. Lucifer, zegt Vondel in zijn opdracht aan Keizer Ferdinand III, is „een spiegel van alle ondanckbare staetzuchtigen”.

Granida.

Inhoudsopgave

Geschiedenis van het herdersdrama. De eerste bukolische poëzie (boukolos = herder) is geschreven op Sicilië door Theocritus, die in de 3e eeuw voor Christus leefde. Deze gedichten waren eenvoudige idyllen (= tafereeltjes), beurtzangen tusschen herders en andere landlieden. In de eclogae (= uitgelezen gedichten) van Virgilius (midden van de eeuw voor Christus), komt voor ’t eerst goed uit het eigenaardige karakter van deze poëzie: de tegenstelling tusschen ’t onbedorvene, reine leven op ’t land en de verdorvenheid van ’t groote-stadsleven.

Door de renaissance kwamen ook de herdersgedichten weer in de mode, we vinden ze o.a. bij Petrarca en Boccaccio (14e eeuw). Uit deze poëzie ontstaat dan de herdersroman of Arcadia, door verschillende gedichten onderling te verbinden door een prozaverhaal, zooals o. a. gebeurd is in de beroemde Arcadia van Sannazaro (± 1500). De naam Arcadia werd gekozen, omdat men het verhaal liet spelen in de bergstreken van Arcadia (Z.-Griekenland), die men als ’t ware afzonderde van de slechte wereld en zich voorstelde als een streek bevolkt met onbedorven herders en herderinnen.

In de 15e eeuw ontwikkelde zich uit en naast deze poëzie een herdersdrama, de pastorale (pastor = herder). Eerst was het een soort zangspel, een opera, maar later maakte het zich los van de muziek, zooals in de Aminta van Torquato Tasso (1573) en in den Pastor fido van Guarini (1583).

Invloed op Hooft. Hooft heeft op zijn reis naar Italië deze poëzie leeren kennen, en dat ze een diepen indruk op hem gemaakt heeft, blijkt uit het feit dat hij zelf een pastorale, de Granida, heeft geschreven. Er is zelfs onmiddellijke navolging aan te wijzen: het eerste gedeelte nl., het gesprek tusschen Daifilo en Dorilea, is geheel gemaakt in den trant van Guarini’s Pastor fido, en soms meer een vertaling dan een navolging. De eigenlijke intrigue—de geschiedenis van Daifilo en Granida—herinnert aan het Engelsche drama Mucedorus, uit Sidney’s Arcadia.

Andere pastorales. Veel pastorales zijn er in ons land niet geschreven. De voornaamste zijn: Trouwen Batavier van Rodenburg, vrijwel een vertaling van Guarini’s Pastor fido; de Angeniet, begonnen door Bredero en voltooid door Starter; de Leeuwendalers van Vondel, dat echter niet meer het zuivere karakter van een herdersspel vertoont.

’t Kenmerkende van de pastorale. De pastorale is een product van de overbeschaving. De dichter ziet in zijne omgeving—meestal ’t hof of althans de hoogere kringen—zooveel gekunsteldheid, zedeloosheid en verdorvenheid, dat hij zich afwendt van de werkelijkheid en zich in zijn verbeelding een ideale wereld schept, vrij van al die zonden. Dat ideale zoekt hij in de natuur, op ’t platte land, dat hij in z’n gedachten bevolkt met schuldelooze herders en herderinnen. ’t Is een teruggaan naar vroegere, reine tijden en toestanden, zooals later ook Rousseau dat wenschte.

Tegenstelling hof en platteland. Kenmerkend voor de pastorale is dus de tegenstelling tusschen ’t hof- en ’t landleven. Ook in de Granida is deze tegenstelling heel duidelijk op te merken, men luistere bv. eens naar de woorden die de schoone prinses zegt tot Daifilo:

„Ach, gheluckighe rust van licht-vernoechde sielen,

Die nijt noch spijt des Hoofs versteurt haer soete vree!

Wiens sorghen wijder niet en weyden dan haer Vee.

De lusten daer sich ’t Hof met moeyten om beslommert,

Werpt u nature toe en is voor u bekommert.

Ghy treckt door hongher, en door dorst uyt drank, en spijs,

De lust van ’t Hof ghelockt door soo veel leckernijs;

Het Hof door drincken dorst, en hongher soeckt door ’t eeten,

En jaecht de lusten voor, u zijnse toeghesmeten;

’T lustsoeckend Hof ontvliên de lusten daer ’t om slóóft;

Ghy vollicht de natuyr, wy sien haer over ’thóóft.”

Zoo ook de waarschuwende woorden van Dorilea tot Daifilo:

„’T is al geveynst ten Hoof watmen’er siet vertoogen,

Gheveynst is haer ghelaet, gheveynst haer mondt, haer oogen,

Geveynst haer Godsvrucht, jonst, haer vrientschap en haar vree,

En g’lijck haer deuchden zijn, soo is haer weelde mee.”

En ten slotte het laatste couplet van de „Rei van Jofferen” in ’t eerste bedrijf:

’T eenvoudich leven haylich, leydt

Ghyliên in vreed’ en vaylicheydt,

Uw vreyheyt gaet te boven

De schijn-wellust der Hoven.”

Het tweeslachtige. Een ander kenmerk van de pastorale is het tweeslachtige, ook weer natuurlijk voortvloeiende uit den aard van ’t gedicht. In een waar herdersdrama moeten echte herders voorkomen, m. a. w. het moet realistisch zijn. En dat is nu in een pastorale op verre na niet het geval: de zoogenaamde herders en herderinnen zijn heeren en dames van de groote wereld en de voornaamste speler is gewoonlijk de auteur zelf. ’t Gevolg is dat de eenvoudige herders vaak allerlei geleerde en wijsgeerige bespiegelingen houden, die in den mond van onontwikkelde menschen niet passen. Zoo gaat het ook in de Granida. Daifilo is eerst een eenvoudige herder, wordt dan plotseling een volmaakt hoveling, een waar ridder, die zelfs een vechterbaas als Ostrobas kan overwinnen, en ’t verwondert ons in ’t geheel niet, dat de schoone Granida in hem het ideaal van haar droomen ziet, en dat hij eens een model koning voor de Perzen zal worden. De pastorale is nu eenmaal niet realistisch maar idealistisch.

Staatkundige ideeën. ’t Ligt voor de hand dat een dergelijk werk dikwijls tendenzieus is; de personen die er in optreden dienen gewoonlijk alleen om den dichter gelegenheid te geven zijn denkbeelden over vragen van den dag in ’t publiek te uiten. Ook Hooft heeft deze gelegenheid aangegrepen om eens te zeggen hoe hij over verschillende dingen dacht. Zoo op staatkundig gebied over de verhouding tusschen vorst en volk, een geliefd thema van Hooft, zooals blijkt uit zijn Baeto en zijn Geraert van Velzen.

Verhouding tusschen vorst en volk. Volgens de „Rey van Jofferen” in ’t derde bedrijf kenden de menschen eerst geen koningen, ieder voedde zich met hetgeen Moeder Aarde overvloedig opleverde. Men nam, wat men noodig had om te leven. Later veranderde dat: sommigen kregen lust naar meer, vandaar de noodzakelijkheid ieder een eigen bezitting te geven. De aarde werd verdeeld: het begrip mijn en dijn was ontstaan. En nu bleek het noodig die bezittingen te beschermen tegen anderen. Er moest iemand zijn die als rechter optrad in geschillen en als aanvoerder tegen vreemdelingen, die de ingezetenen het hunne wilden afnemen. Twee eigenschappen zijn dus noodzakelijk voor een goed vorst: rechtvaardigheid en moed. Die eigenschappen hadden de vroegere koningen, maar niet altijd bleef dat zoo. Latere vorsten kregen lust in ’t heerschen, ze bleken niet tevreden met hunne macht, maar wilden hun gebied steeds uitbreiden: vandaar de talrijke oorlogen, die als zoovele plagen over ’t arme volk komen. En nu worden andere volken gedwongen een koning te erkennen, die niet de hunne is: de koning is tiran geworden. In zoo’n geval is de ellende niet te overzien:

„Wat onghelucken

Komen ’t landt verdrucken

’T wellek moet lijen

Vreemde tyrannijen!”

Verschil tusschen een goed en een slecht vorst. Volgens Hooft is het kenmerkende onderscheid dus: een goed koning is rechtvaardig en moedig, is een beschermer van zijn onderdanen, een slechte is heerschzuchtig, tyranniseert z’n volk. In de Granida is dit thema verder uitgewerkt; Granida’s vader is het type van een goed, Ostrobas van een slecht vorst.

Hoe de onderdanen denken over den Koning, blijkt uit ’t geen Daifilo zegt tot Granida:

„Wij weten lijckewel dat wy dees groene laen,

Dat wy de schaduw koel van dees dienstighe blaen,

Dees vrolijcke heuvels, dit heldere waters vlieten,

En al ons levens lust van ’s Conings handt ghenieten.

’T en waer die ’t wijsselijck al te versorghen wist,

’T verwoeste metter haest, door verquistende twist.

’T is hy, die de begeerten van sijn Ondersaten

Maticht bescheydelijck in soo verscheyden maten,

Dat niemandts minders list zijn meerder yet ontruck,

Dat niemandts meerders macht zijn minder en verdruck.

’T is hy die sorghe draecht alleene voor ons allen,

Dat vreemdelingen wreedt ons niet en overvallen

Met vernielende krijgh, en schennen in een uyr

De dracht van menich jaer, door ’t yser en het vuyr.

Danckbaer behoortmen voor een aertschen Godt te eeren

Dien ’t lust om anders lust zijn eyghen lust t’ ontbeeren:

Maer ons eerbieden is te laech nae zijn waerdy.”

In de samenspraak tusschen Tissiphernes en Ostrobas (tweede bedrijf) worden de beide opvattingen nog eens scherp tegenover elkaar gesteld. Voor Ostrobas is elke onderdaan,—zelfs al is hij als Tissiphernes van bijna vorstelijk bloed—een slaaf; de verhouding van koning tot onderdaan is als die van meester tot slaaf. Tissiphernes daarentegen verkondigt Hoofts opinie op dit punt, vandaar zijn antwoord:

„De ry van Prinssen oudt, uyt welcker brave saedt

Ghy u ghesproten roemt, en wort hier niet versmeten;

Maer dat ghy d’eer van mijn doorluchtich huys versmaedt,

Om dat een Oppervoocht is boven my gheseten,

Ick en dees Persen al u bittren ondanck weten,

Want onse Coning valt ons niet soo wreedt en wrang,

Noch wy den onsen, als ghy, die trots en vermeten,

U verblufte Ghemeent in slavernije strang

Ondraghelijck verheert met hart ghewelt en dwangh.

Maer ons bysonder volck rechtvaerdich wij verheeren,

En met bescheydenheyt de Coning ’t alghemeen:

Dees deuchden houden wy op ’t alderhoochst in eeren,

Die ghy verkeert, vervreemt van alle recht en reên,

Soo smadelijck ghewoon met voeten zijt te treên.”

Recht tot opstand. Zelfs klinkt in de woorden die Tissiphernes verder zegt, een revolutionnaire gedachte door: het recht nl. om een opgedrongen vorst niet te erkennen, zich met de wapens in de hand tegen zoo iemand te verzetten.

Hooft heeft zijne ideeën over de verhouding tusschen vorst en onderdanen nog duidelijker uiteengezet in den Geeraert van Velzen. Enkele deelen halen we hier aan ter vergelijking.

Duidelijk blijkt dat de dichter is tegen ’t absolute gezag van de vorsten, die meenen zich boven allen te kunnen stellen. Als Machteld uitroept:

„Van hoe veel quaets, helaes! sal ik al oorsaeck wesen!”

antwoordt haar man Geeraert:

„Misschien oock van veel goets: indien de Prinssen prat

Haer spieg’len willen maer, sy moghen leeren, dat

Geen man het recht ontwast.”

Ook de vorst is gebonden door de wetten der gerechtigheid.

Nog veel duidelijker spreekt Hooft zich uit in het gesprek dat de drie edelen: Geeraert van Velzen, Gijsbert van Aemstel en Harman van Woerden, hebben met den gevangen graaf Floris.

De graaf vraagt:

„Ghy Heeren, ben ick niet uw wettich Vorst?”

en ’t antwoord halen we in zijn geheel aan, omdat het een helder inzicht geeft in de denkbeelden van Hooft. Het luidt:

„Gheweest—

Ghy waert het, alsoo lang ghy eer en eedt betrachte:

Doen die versturven in uw goddeloos ghedachte,

Verstorf aen ons de staf des vorstelijcken handts.

Aen ons, die Leden zijn der Staeten deses Lands,

Dien ghy ’t voorneemste der voorwaerden hebt ghebroocken,

Ghy swoert met daeghing Gods, en by gestaefden eed,

Dat ghy dit vrye volck, in oorloch en in vreed,

Berechten trouwlijck soudt, en vroomelijck beweyren:

Eer dat het Graeflijck gouwdt ghenaecken mocht uw heyren.

Daer zijdy op gehuldt; en is uw toeghezeydt

By eede wederom, daer op, ghehoorsaamheydt.

’T welck doen ghy maeckte los, los wierden d’ ondersaeten.

Een contract tusschen vorst en volk. Hooft is dus van meening, dat er tusschen vorst en volk een soort overeenkomst bestaat, die beiden bezworen hebben. Breekt een van hen, in dit geval de vorst, het contract, dan heeft ook de andere partij het volste recht de overeenkomst verder als ongeldig te beschouwen. ’t Is dus in hoofdzaak de theorie later door Rousseau verkondigd en door de mannen der Fransche revolutie in practijk gebracht. Dat Hooft in dien tijd met betrekking tot deze meening niet alleen stond, blijkt uit de afzwering van Filips II in 1581. We halen hier enkele regels aan uit de acte waarbij dit geschiedde, omdat ze volkomen dezelfde strekking hebben als de verzen van Hooft. De stelling luidt: „Dat een Prince van den Lande van God gestelt is Hooft over sijne ondersaten, om deselve te bewaren ende beschermen van alle ongelijck, overlast ende gheweldt, gelijk een herder tot bewarenisse van sijne schapen. (Vergelijk hiermee Granida vs. 990–1020). Ende de onderdanen niet en sijn van Godt geschapen tot behoef van den Prince, om hem in alles wat hij beveelt, weder het goddelijck of het ongoddelijck, recht onrecht is, onderdanigh te wesen en als slaven te dienen: (Granida vs. 665!) maar de Prince om d’ ondersaten wille, sonder dewelke hij geen Prince en is — — —”

Hooft gaat zelfs nog verder: Floris vraagt na dit antwoord om dan ten minste de Staten, die hem tot graaf hebben gehuldigd, ook te laten oordeelen; maar hierop antwoordt Velzen: „De minste van het volk is Halsheer des tyrans,” prediking van tyrannenmoord dus. Of Hooft dit werkelijk meende, weten we niet zeker, omdat Velzen hier natuurlijk wel gedwongen was een dergelijk antwoord te geven: hij moest zijn daad verdedigen.

Verschil in standen. In een pastorale moeten krasse uitdrukkingen ons niet verwonderen, en nog minder moet er op gelet worden wie het zegt: de dichter immers is telkens aan ’t woord, niet de personen zelf. In Granida komt dat b.v. heel duidelijk uit, zoo in de beschouwingen die de prinses ten beste geeft over ’t verschil in standen. Tusschen haar en den eenvoudigen herder bestaat volgens deze redeneering feitelijk geen verschil in stand: de deugd alleen maakt edel, en in deugdzaamheid wordt Daifilo door geen edelman ter wereld overtroffen. Ook voor Tissiphernes staan Granida en Daifilo even hoog:

„O liefde gansch volmaeckt, en sonder zijns ghelijck

Om haer ghetrouwe lief een groote Coninginne

Verwisselt haeren staet, en wordt een Harderinne.

Een Harder weyghert, om sijn Lief te laten niet,

Een Prinsselycke staet diemen hem annebiedt.”

Men ziet: aan standsverschil wordt niet gedacht; deugd adelt. De koning zelfs maakt dan ook niet ’t minste bezwaar zijn toestemming te verleenen; dat Daifilo een herder is, komt er niet op aan: men moet eenvoudig „der Goden wille” volgen. Of Hooft, die later zoo gaarne in den adelstand verheven wenschte te worden, het in dit opzicht heelemaal met de schoone prinses eens was, is een andere vraag

Liefde en Minne. Dit alles zijn denkbeelden van Hooft over staatsbestuur en maatschappij, maar daarnaast moeten we nog wijzen op ’t geen Hooft te zeggen heeft over de liefde. In Hoofts minneliederen is vaak sprake van Minne en van Liefde en wat hij daaronder verstaat blijkt duidelijk uit de Granida.

De verhouding tusschen Daifilo en Dorilea noemt Hooft minne; het is de aardsche liefde, het minnen zooals dat overal in de natuur wordt gezien:

„De Min het al verwint,

Hemel en Aerde mint”.

Liefde daarentegen is een geestelijke verhouding, zielsverwantschap. Meer platonisch dus. Dat is in ’t eerst de verhouding tusschen Daifilo en Granida, die heel juist wordt weergegeven door Daifilo’s woorden in ’t begin van ’t tweede bedrijf:

„O schoone Son, als ghy verscheent in mijn ghedacht,

Doe leerde my den dach dat ick in duystre nacht,

Met vliesen overschaeuwt zijnde mijn ooghen beyde,

Bij ’t rookrich licht eens lamps mijn dromich leven leyde.

Want als begeerlickheyt in eyghen lust verblindt,

Die Schoonheyts lichaam meer als lichaems schoonheyt mindt,

My tot vereenigingh van aertsch met aertsch dee póóghen,

Doen suyverde’ uwe glans de dickheyt van mijn óóghen,

Optreckende’ haer ghesicht tot uwaerts, waerdoor mijn

Siel kennende’ haer waerdy, poocht met haer een te zijn.”

Hieruit blijkt, dat de gevoelens van Daifilo voor Dorilea (Minne) niets waren dan aardsche begeerte, terwijl zijn verhouding tot Granida ziele-liefde (Liefde) is. In verband hiermee wijzen we op de twee bekende regels uit Hoofts minnedichten:

„Het lijf-omhelsen moet bij ’t Sielvermengen swichten,

Voor overst ken ick Liefd’, acht Mins vermeugen cleen.”

Voor Daifilo is het dan ook voorloopig voldoende, dat hij als dienaar van Tissiphernes Granida nu en dan ziet en zelfs een enkelen keer haar kan spreken. Bij Granida is het gevoel minder platonisch, zij denkt zich Daifilo in haar gedachten zelfs een oogenblik als „Heer en Vriendt”; als man dus. Ook bij Daifilo heeft langzamerhand een verandering plaats, met de ziele-liefde vermengt zich de bijgedachte aan aardsche begeerte, vandaar dat hij door minnesmart gedreven ’s nachts ronddwaalt onder ’t venster van zijn schoone, zoodat deze zijn „verliefde klacht en ongheveynsde suchten” kan hooren. En reeds vroeger heeft de prinses zijn „innerlijcke vlammen” uit zijn „uyterlijcke jonst” bespeurd. Granida zelf is nog verder gegaan; lang heeft ze er reeds over gepeinsd om een middel te vinden, waardoor ze voor altijd met haar geliefde vereenigd zou kunnen worden en ’t feit, dat ze den volgenden dag met Tissiphernes zal moeten trouwen, geeft den doorslag. Zij is degene die ’t plan tot de schaking heeft voorbereid, zij ook verklaart Daifilo haar liefde en spoort hem aan nu geen tijd meer te verliezen. Dat het van haar kant niet een plotselinge opwelling is, maar een zorgvuldig beraamd plan, blijkt uit haar woorden:

„Eer ick met dese saeck dus ver ben voortghetoghen,

Heb ick in juyste schael de dinghen overwoghen”,

en uit haar alleenspraak, waarin ze de uitdrukking „voorganghen overlegh” bezigt.

Zoo is dus de platonische liefde gedeeltelijk overgegaan in aardsche, of, om Hoofts terminologie te gebruiken, Liefde en Minne zijn één geworden. Aan ’t slot zingt de „Rey van Jofferen” dan ook terecht:

„Liefd en Min aen een vertuyt,

Beyde siel- en lichaem- menghers,

Heylighe’ opper-vriendtschap-strenghers

Salicht Bruydegoom en Bruyt.”

Warenar.

Inhoudsopgave

Ontstaan. De Warenar is geen oorspronkelijk werk, maar ontleend aan een Latijnsch blijspel, de Aulularia van den bekenden dichter en tooneelspeler Plautus, die omstreeks 200 jaar voor Christus’ geboorte in Rome leefde. Toch zit er veel eigens in, zóó veel zelfs, dat niemand die ’t stuk leest of beter nog ziet, zal denken aan een spel van vreemden bodem. Niet Athene, waar de personen van Plautus wonen, verrijst voor onzen geest, maar Oud-Holland zien we voor ons: het jolige Amsterdam van Roemer Visscher en Bredero. Dàt is de grootste verdienste van den schrijver: hij gaf geen vertaling, maar een bewèrking, wist alles te verwijderen wat sloeg op Romeinsch-Grieksche toestanden en verving deze gedeelten door echt Hollandsche. De Lar (huisgod) werd naar den trant der Sinnespelen vervangen door Personificaties (Miltheydt en Giericheydt), de slavin door een oude dienstmeid, de tempel van Fides door ’t Ellendige Kerkhof; tal van Amsterdamsche straten, steegjes en gebouwen worden genoemd; vele namen hooren wij, die òns weinig interesseeren, maar die de toenmalige bezoekers van den schouwburg vaak een glimlach ontlokt zullen hebben, omdat ze wisten wie de schrijver op ’t oog had. Met recht vermeldt ’t titelblad:

„Warenar. Dat is Aulularia van Plautus,

Nae ’s Landts gheleghentheyt verduytschet.”

Dat zulk „verduytschen” geen kleinigheid is, leert ons Bredero’s Moortje, ook bewerkt naar een Latijnsch voorbeeld, ook vol met tafereeltjes uit het Amsterdamsche volksleven en toch als geheel geen Nederlandsch blijspel.

Schrijver. Het staat vast, dat Hooft in dit meesterwerk een groot aandeel heeft gehad, maar hoe alles precies in z’n werk gegaan is weet men niet. De eerste drukken vermelden den naam van den auteur niet, later worden genoemd P. C. Hooft en Samuel Coster en ten slotte Hooft alleen. Vandaar dat men gewoonlijk spreekt van Hoofts Warenar.

Karakter van Warenar. Hooft heeft in hem iemand geteekend, die door zijn gierigheid een dwaas geworden is, een „ware nar.” In de „Voor-reden” lezen we dan ook:

„Want verleggende de stede van den ouden haert,

Heeft hij de Pot gevonden met het gout daer in vergaert.

De welcke hy bewaert oft hy nar waer te deghen,

Daerom heeft hy Warnar tot zyn rechte naem gekreghen.”

Gierigheid. Dat hij een gierigaard in hart en nieren is, bewijzen de verhalen die van hem in omloop zijn: zoo spant hij een zeil over den schoorsteen opdat de rook niet te gauw zal wegtrekken, de afgeknipte nagels bewaart hij, en toen hij eens bij Nicht Trijn te gast ging, vastte hij drie dagen vóor dien feestdag en at zóoveel, als hij in drie dagen kon verteren.

„Soo was hy uyt te gast voor volle seven daghen.”

Een andere kenmerkende karaktertrek van den gierigaard is het voorwenden van armoede. Tegen zijn eigen trouwe dienstmeid Reym zegt Warenar:

„Arm ben ick, dat weet ick wel, en draech ’t lijdtsaem en geduldich,”

en als buurman Rijckert informeert hoe ’t met hem gaat, is ’t antwoord dadelijk:

„Hart ende swart, onbelaen met ghelt,

„Ghelijck slechte luytjens van mynen doene pleghen.”

In ’t verdere gesprek komt Warenar er telkens op terug, dat van een bruidschat voor Klaertje natuurlijk geen sprake is, en de kosten voor de bruiloft zal schoonzoon moeten betalen.

Wantrouwen. Naast dit alles staat een andere typeerende trek die zooveel bij gierigaards wordt aangetroffen: het wantrouwen. Warenar meent telkens, dat anderen zijn rijkdom kennen: hij vertrouwt niemand.

„En hoe nauw dat ick het heel, noch schijnt het dat meest

Al de Werelt dat droomen ken; met sulcken feest

Segghense go’en dagh die my nu ontmoeten,

Daermen my te voren hiel magertjens pleech te groeten.”

Vooral in zijn gesprek met Rijckert blijkt duidelijk zijn onrust, in alles hoort hij toespelingen op zijn gevonden schat. Men vergelijke b.v. de regels 258, 272, 300 en 365. En als Rijckert hem later uitnoodigt een glas wijn te drinken op „het welvaren van ’t hijlijck”, moet daar natuurlijk meer achter zitten:

„Hy meentme mit ien abelheyt droncken te maken,

Om moytjens en mackelijck after de duyten te raken.”

Tengevolge van dit alles heeft Warenar geen oogenblik rust, in ieder ziet hij een belager van zijn pot. Reym wordt het huis uitgejaagd, Warenar vertrouwt haar niet:

„Sy wroet mit heur oogen as ien varcken mit zijn snuyt.”

In ’t gesprek met Rijckert stormt Warenar plotseling naar binnen omdat hij gerammel meent te hooren; de kok Teeuwes krijgt een pak slaag, en zelfs ontstaat een „bataelje” met den haan, die toevallig op de plek krabde waar de pot verborgen lag.

Verplaatsen van den schat. Een gevolg van dezen voortdurenden angst is het telkens verplaatsen van den schat. In de voorrede lezen we reeds:

Op verscheyde weghen heeft dees dese schadt,

Hier in huys tot meer mael begraven gehadt;”

en in ’t stuk zelf gebeurt dit eveneens. Vooreerst het opgraven om te zien of alles nog in orde is (b.v. regel 104) en eindelijk het verbergen buitenshuis, omdat er met de bruiloft veel vreemden in huis komen, en de schat daar dus niet veilig is.

Als geschikte plaats wordt uitgekozen het kerkhof, waar misdadigers begraven worden (het Ellendige kerkhof), en als Warenar den pot ook daar niet veilig acht, omdat hij Lecker niet vertrouwt, verbergt hij ’t geld onder een steiger, waar Lecker ’t vindt.

Dwaasheid. Uit al ’t voorgaande blijkt dat de schrijver in ’t teekenen van den hoofdpersoon zeer goed geslaagd is: hij schildert ons in hem een gierigaard en tevens een dwaas. Dit laatste was noodzakelijk, omdat een echte vrek geen geschikte figuur is voor een blijspel, daarvoor brengt hij te veel onheil over zijn medemenschen. Maar de dwaze Warenar is belachelijk en daardoor vrij onschadelijk. Men lacht om hem, maar ergert zich niet.

Dat Hooft den vrek belachelijk wil maken, blijkt heel duidelijk uit het vierde bedrijf, als Warenar bemerkt dat zijn schat gestolen is. Van ernst is er bij den schrijver al heel weinig te bespeuren, want in plaats van een vrek te teekenen die krankzinnig is van smart, omdat zijn geld, „zijn hart en nieren”, weg is, laat hij hem zóó tegen ’t publiek spreken, dat menig toehoorder stellig in een lach geschoten is. (Men zie o.a. regel 1069–1074.)

Van de overige personen, die voor ’t geheel van veel minder belang zijn dan Warenar, zullen we met enkele woorden ’t karakteristieke aangeven.

Reym. Reym, de oude dienstmeid, is al bizonder goed geslaagd. Zij is ’t type van een oude, trouwe meid, een echt familiestuk. Ze heeft bij Warenar gediend, toen zijn vrouw nog leefde, van wie ze zooveel hield; Claertje heeft ze als kind verzorgd en nog zorgt ze voor haar als een moeder. Als ze over Claertje spreekt, weet ze van geen ophouden, dat ondervindt Geertruyd op de korte wandeling naar ’t huis van buurman Warenar. (1328–1408.)

Van Warenar zelf ondervindt Reym niets dan onvriendelijkheden en zelfs mishandelingen, maar weer ter wille van Claertje verdraagt ze alles en blijft.

Rijckert. Rijckert, zijn naam zegt het al, is de rijke, solide koopman, die reeds op jaren begint te komen (ze „hebben vrij wat tellens aan,” zegt Warenar in regel 296) en die er nu nog aan denkt een vrouw te nemen, maar dan een bescheidene, lieve, werkzame vrouw, geen verkwistende, pronkzieke dame, en ook geen kletskous als hij aan zijn buurman beschrijft in hun gesprek in ’t derde bedrijf.

Ritsert. Van Ritsert, den jongen koopman, krijgt men wegens de verleiding van Claertje natuurlijk geen hoogen dunk, maar toch stelt Hooft hem niet voor als een losbandig, onzedelijk jongmensch. Zijn daad wordt daarom zoo zacht mogelijk voorgesteld, de schrijver doet duidelijk uitkomen, dat alles geschied is in onbedachtzaamheid, in jeugdige onbezonnenheid, terwijl de omstandigheden de verleiding al zeer gemakkelijk maakten. (Men vergelijke regel 950–979.)

Voor Ritsert pleit bovenal, dat hij thans alles zooveel mogelijk tracht goed te maken: hij wil immers Claertje huwen, hoewel ze arm is en niettegenstaande zijn moeder zeer tegen dat huwelijk is gekant en hem wijst op meisjes met geld, die hem graag tot man zouden willen hebben. Bovendien schijnt hij veel van zijn vroegere lichtzinnigheid te hebben afgelegd, want Lecker, die hem zoekt, vindt hem niet meer op de plaatsen waar de vroolijke jongelui toen veel kwamen, in de danskamer, de schermschool of de kaatsbaan, maar in de Libry, „mit de neus inde boeken.” We mogen dus veronderstellen, dat Ritsert een goed echtgenoot van Claertje zal worden en als zij de eigenschappen bezit die Reym haar toekent, zal het stellig een gelukkig huwelijk geworden zijn.

Geertruid. Geertruid is de deftige koopmansvrouw en vertegenwoordigt met Rijckert en Ritsert den gegoeden middenstand van omstreeks 1600. En dan valt het ons op van hoe weinig beschaving en goeden toon de gesprekken van deze menschen getuigen, b.v. het gedeelte waarin Geertruid haar broer meedeelt dat ze een geschikte vrouw voor hem weet (vers 213 en volgende), en het derde tooneel van ’t vierde bedrijf (gesprek tusschen Geertruid en haar zoon Ritsert, o. a. de regels 1006–1008). ’t Is mogelijk dat de schrijver om komische effecten te verkrijgen, de personen woorden in den mond legt die ze in gewone omstandigheden niet zullen gebruiken, maar deze rijke koopmansfamilie moet toch in hoofdzaak een beeld van dien stand geven.

Een kenmerkende trek in haar karakter—en daarin wijkt ze van haar broer en haar zoon af—is de zucht om te bewerken, dat er bij huwelijken geld in de familie komt. Ze vraagt niet naar eigenschappen die een goede huisvrouw sieren; de eenige vraag is: heeft het meisje geld? Eerst na veel tegenstribbelen stemt ze dan ook toe in ’t huwelijk van Ritsert met Claertje en zelfs dan is ’t nog een geldkwestie die haar over de bezwaren doet heenstappen. Immers, als Ritsert met het meisje trouwt zal oom Rijckert waarschijnlijk wel ongetrouwd blijven, en zal ooms geld ten slotte aan Ritsert komen. Dat is een soort vergoeding voor ’t huwelijk met een arm meisje (vers 1026–1028).

In ’t laatste bedrijf leeren we Geertruid van een betere zijde kennen, als zij zich haast om haar aanstaande schoondochter bij te staan.

Lecker. Lecker is geen gewone knecht, maar iemand die zelf later koopman denkt te worden, hij is koopmansleerling, zooals blijkt uit het gezegde tegen Ritsert (vers 127):

„Ick ben om te lieren tot uwent besteet.”

Dat verklaart zijn familiariteit tegenover Ritsert.

Zijn naam Lecker verdient hij ten volle: hij houdt van een lekker leventje en ’t gevolg daarvan is dat hij geld uit de kas neemt:

„Ick heb de kas een vier vijfhonderd gulden ten afteren e set.”

’t Geluk dient hem, hij vindt den Pot en als alles terecht komt, schenkt Ritsert hem op Warenars voorspraak vergiffenis en ook het vermiste geld.

Lecker is in vele opzichten de komische figuur uit het stuk; hij heeft ongeveer de rol die in andere blijspelen b.v. die van Langendijk, door den knecht vervuld worden. Zoo ’t tooneeltje bij ’t Ellendige Kerkhof, en dat met Caspar en Teeuwes.

Caspar en Teeuwes. Caspar en Teeuwes, de hofmeester en de kok, zijn bijfiguren, waarvan vooral Caspar komisch is. Hij herinnert aan Bredero’s Spaanschen Brabander; ook Caspar is een Antwerpenaar, die zéér trotsch is op zijn afkomst en zijn taal. De Amsterdammers zullen in hun schouwburg zeker hartelijk om hem gelachen hebben en dat was voor den schrijver hoofdzaak.

Twee bezwaren tegen het karakter van Warenar. In 1843 gaf Prof. de Vries den Warenar uit. Hij voorzag deze uitgave van een uitvoerige inleiding en ontwikkelde daarin twee bezwaren tegen het karakter van den hoofdpersoon.

1o. Het is niet waarschijnlijk, dat een arm man zooals Warenar bij ’t vinden van een groote som gelds plotseling gierig wordt; zoo iemand zal veel eerder, daar hij de waarde van ’t geld niet kent, overgaan tot verkwisting. „Hoe veel juister is de zaak bij Molière voorgesteld! Niet dan na lang woekeren, schrapen en sparen, niet dan met opoffering van alle levensgenot, heeft Harpagon zijne cassette met dukaten opgevuld, en wel was er dus, uit een menschelijk oogpunt, aanleiding voor hem om tot de uiterste vrekkigheid te vervallen.”1

Hiertegen is het volgende aan te voeren. Voordat Warenar den pot vond, was hij reeds zuinig, had hij dus reeds aanleg om gierig te worden.

169. „Se hebbe me lang e kent voor suynich en vroet.”

557. „Die wat spaert, die wat het, dat leerde me myn Peet.”

763. „Zijn jou Bruigoms klieren al of?

Of vaer? neense trouwen.”

Zoo iemand kent dus de waarde van ’t geld zeer goed en het vinden van een schat zal zijn zuinigheid eerder tot gierigheid dan tot verkwisting doen overgaan. Bovendien moet men niet uit het oog verliezen dat reeds de grootvader van Warenar een gierigaard was: hij is dus erfelijk belast, heeft aanleg om gierig te worden. Psychologisch is de figuur van Warenar zeer goed te verdedigen.

2o. Het tweede groote bezwaar van de Vries is het volgende:

„Maar de groote feil van Plautus ligt hierin, dat hij zijnen Euclio aan het slot eensklaps mild doet worden, en hem zijn goud aan Lyconides schenken laat. Wie had eene zoo plotselinge uitschudding van eene diep ingekankerde kwaal bij den vrek kunnen vermoeden? Waarlijk, hij moest den schat wel onverwacht verkregen hebben, om er even onverwacht afstand van te kunnen doen. Die afstand, door Plautus verdicht, is een vergrijp tegen de waarheid en de natuur, dat onder geen voorwendsel vrij te spreken is; evenmin kunnen wij Hooft verontschuldigen, dat hij dien misstap niet vermeden heeft. Molière daarentegen gevoelde het gebrek van Plautus en verbeterde het. Het karakter van den gierigaard blijft zich bij hem tot het einde toe gelijk, en dat einde zet het werk de kroon op, wanneer na de woorden van Anselme: „Allons vîte faire part de notre joie à votre mère”, Harpagon besluit met de woorden: „Et moi voir ma cassette!”2

Tegen dit bezwaar is reeds in ’t zelfde jaar Bakhuizen van den Brink opgekomen in zijne beoordeeling van de Vries’ uitgave in De Gids (blz. 554–579). Wel is de wijziging van Molière zeer menschkundig aangebracht, maar toch is ook de houding van Warenar te verdedigen. Hij begint aan ’t eind in te zien, hoeveel ellende die pot hem heeft berokkend: „O, Pot, wat heb-jeme hertseer e kost”, zegt hij terecht, hij ziet in, dat zelfs de treurige toestand van Claertje te wijten is aan zijne verblindheid, hij heeft dus een helder oogenblik en evenals een dronkaard op zoo’n oogenblik de flesch van zich werpt, geeft ook Warenar den pot, den bewerker van alles, aan Ritsert. Maar daarmee is niet gezegd dat hij voor goed van zijn gierigheid genezen is: evenals de drankzuchtige op den duur de verleiding niet zal kunnen weerstaan en opnieuw tot dronkenschap zal vervallen, zoo is ook de genezing van Warenar slechts tijdelijk, zijn oude schraapzucht zal later terugkeeren. Ook hier is dus volstrekt geen psychologische fout begaan. Dat Hooft het weggeven van den pot op deze wijze beschouwd wenscht te zien, blijkt uit de voorrede; Giericheydt, die door Miltheyt wordt weggejaagd, roept uit:

58. „O Waernar, Waernar, onthoudt myn Leere,

„Siet dat men niet weere „my heel uyt u gemoet,

„Gelijckmen my uyt u woninghe doet.

„Syts altijd vroet „al moet ick spoen mijn ganghen,

„Ick weet hij heeft zijn hart soo vast aen myn gehanghen

„Dat hy sal blyven ghevangen „met liefde tot my,

„Al ist dat ick door dwang van synent ty.”

Bovendien moet men er aan denken dat de gierigheid van Warenar een familiekwaal is, een reden te meer om te veronderstellen dat ze stellig zal terugkeeren.

Merkwaardig en pleitende voor ’t echt Nederlandsche van Hoofts werk is, dat Warenar een historisch persoon is, n.l. Willem Barendszoon, „die in 1523 geboren werd en kort na 1601 stierf.” Veel van ’t geen Hooft ons verhaalt met betrekking tot Warenar is ontleend aan de geschiedenis van dien in Amsterdam zoo bekenden vrek. In den Spaanschen Brabander treedt dezelfde persoon op als „Gierighe Geeraert.”

1 Inleiding Warenar (uitgave De Vries) blz. XXXV.↑

2 Inleiding Warenar (uitgave De Vries) blz. XXXV.↑

De Spaansche Brabander.

Inhoudsopgave

Doel. In zijn voorbericht „tot den goetwillighen leser” zegt Bredero dat hij zijn tooneelstuk geschreven heeft „niet uyt haet, noch om yemandt te vertoornen noch te verbitteren, maar om my en alle menschen te verlustighen en verbeteren.” En ook vinden we daarin deze woorden: „Ick stel u hier naacktelijk en schilderachtich voor oogen de misbruycken van dese laatste en verdorven werelt; de gebreckelijckheyt van onse tijdt en de Kerck, en straat-mare mishandelinghen van de gemeene man.”

Het doel van Bredero is dus geweest: zijn tijdgenooten lachende de waarheid te zeggen, ze op hunne verkeerdheden te wijzen, in de hoop dat ze zich daardoor zullen beteren.

Op dat didactisch karakter van den Brabander wijst duidelijk het gedicht, dat aan ’t stuk voorafgaat en dat aanvangt met deze regels:

„Is ’t dat ghy yet merckt, leest, of siet,

Dat quaat is, schuwt dat, doetet niet.

Ick heb ’t met lust tot leer ghedaan,

En niet om dien wegh in te slaan.”

Hekeling der oplichters. ’t Hoofddoel was in zijn blijspel te hekelen de oplichterij, het misbruik maken van ’t vertrouwen der eenvoudige burgers. Fel is de schrijver in zijn oordeel. „Ick kent, het is een slapheyt in myn, dat ick de eereloose-geen-noot-hebbende-moet-willige-Banckeroetiers (die haar goet aensien en gheloof by de lieden met eeren misbruyken en diefs ghewijs de vromen ’t haren onbruyck arm en ellendigh maken) niet en kan troetelen noch na de mondt spreken, ghelijckerwijs alsser veel fielen en rabauwen doen, die de buyt t’ samen staan of die aan ’t selve euvel sieck zijn en wel lichtelijck den eenen dag of den anderen het opgheven en deurgaen sullen. Ick ben soo kleen als ick mach, maar soo groot en goedt van ghemoedt, dat ick so een stucke-drochs niet en kan toestaan soo een verdoemelijcke schelmery, noch ick en kan niet onbeklaaght noch onbeschreyt laten de ghene, die door ongevallen tot een bedroeft verloop moeten komen.”

Niet alleen in de voorrede, maar ook in ’t stuk zelf vinden we dergelijke krasse woorden. Zoo in ’t gesprek van de „drie ouwe Klouwers”, waarin Jan Knol zijn hart uitstort.

„Neen Thomas, wat mienje, ick ben voor geen banckerotier vervaert,

Wat rijdt mijn dat volck? dat ik schoon maer een vriend an mijn geslacht hat,

En speelden hij banckerot sonder noot, ick sou hem hangen, dat ick de macht hat.

Men hangt wel duysent diefjes, die door de armoede doolen,

En die soo veel niet en hebben als so een schellem gestolen.”

En verder:

Ick segh, men hoort de moedwillighe banckrotiers te bannen van de straat,

Iewers alleen, en soo sy dan buyten haar bepaalt besteck ginghen,

Soo hooren heur de jonghens met slick te goyen en met andere dingen.”

Karel V wist wel raad met zulke oplichters: gehangen behoorden ze te worden, zooals hij dan ook in zijn keur van 1531 bepaalde.

Jerolimo als oplichter. Zoo’n oplichter heeft Bredero ons geteekend in Jerolimo Rodrigo, zijn Spaanschen Brabander. Reeds in Antwerpen was hij, volgens zijn eigen bekentenis „schandelayck ghefalgeert” en nu komt hij in Amsterdam om de goe gemeente beet te nemen, wat hem dan ook heel wel gelukt. Hij weet van verschillende personen goederen te krijgen, die later betaald zullen worden, of die hem eenvoudig op zicht worden gezonden, verhuurd of geleend.

Balich, de tinnegieter, verhuurt hem tinnen schotels, kandelaars en tafelborden; Jasper tapijten en goudleer; de schilder Otje zendt hem waardevolle schilderijen, terwijl buurman Joost zilveren schalen, zoutvaten, kannen en dergelijke huishoudelijke artikelen leent. Allen zijn vol vertrouwen, want Jerolimo gedraagt zich als een grand seigneur en geeft hoog op van de belangrijke handelszaken die hij doet. Zelfs verhuurt Gierighe Geraert hem een huis, en ook aan de slimme Byateris, die zich anders niet gemakkelijk laat beetnemen, is hij geld schuldig. Aan ’t einde van ’t vierde bedrijf toont Jerolimo zich als echte oplichter, door mee te deelen, dat hij „verrayst nô Kuylenburgh en Vyanen”, de vrijplaatsen waarheen bankroetiers gewoonlijk vluchtten. In ’t laatste bedrijf laat Bredero al de bedrogenen op ’t tooneel verschijnen en zien we dus met eigen oogen de ellende door een eerloozen schurk over nijvere burgers gebracht.

’t Wijzen op andere verkeerde toestanden. Zeer zeker is dus de hoofdstrekking van den „Brabander” het aan de kaak stellen van dergelijke personen, maar Bredero heeft daarnaast nog op vele andere verkeerdheden gewezen. In Geeraert hekelt hij de dwaze gierigheid, Floris Harmensz, de „hondtslager” vertelt ons veel van de kakelende, kwaadsprekende vrouwen en niet minder van de „ouwe praters”, de „ouwe klouwers”, terwijl we in ’t gesprek van de drie „Patriotten” heel wat dingen hooren, die niet door den beugel kunnen. Veel wordt geklaagd over onbeschaamde landloopende vreemdelingen, „Moffen, Poepen en Knoeten”, die bij heele troepen de stad binnenkomend, overal bedelen en de oorzaak zijn, dat de werkelijk hulpbehoevenden weinig krijgen. Zelfs laat Bredero een stedelijke ordonnantie voorlezen, waarbij geordonneerd wordt „dat nu voortaan geen Bedelaers, Landtloopers, Bayertboeven, Trogghel-saecken, Huyckevaken, ’t sy oudt ofte jongh, blint, kreupel, manck, melaats ofte anders, en sullen mogen ommegaan, omme de aalmoesen te vergaderen op Marckten, Bruggen, voor Kercken, Poorten, hoecken van straten, maar dadelijk te vertrecken, op pene van openbaarlijck geschavotteert ende strengelijck gegeesselt te worden.” Met welke vreugde zouden de toenmalige Amsterdammers een dergelijke ordonnantie, maar dan wèrkelijk door Schout en Schepenen uitgevaardigd, begroet hebben!

Op nog meer verkeerde toestanden wijst de dichter: o. a. op het ontduiken der belastingen door de brouwers en de importeurs van „Fransche en Rijnsche wijnen”, die zich bovendien nog aan andere ongeoorloofde praktijken schuldig maken.

„En hadden sommighe haar handen recht ghehouwen,

Sy souwen in soo kort gheen groote huysen bouwen.”

Geen wonder dat, waar Bredero zoo véel en zoo vélen over den hekel haalde, verschillenden zich persoonlijk beleedigd gevoelden. In de voorrede verdedigt de schrijver zich nadrukkelijk, hij heeft geen persoonlijkheden willen zeggen, maar in ’t algemeen gesproken. „Nu heb ik inder waarheyt op niemant in ’t besonder gemeent, maar heb de knuppel in ’t hondert blindelingh gheworpen, luck raack; die getroffen is, volght het rijmpje: Doetet u seer, wachtet u meer.”

Geen satire op Rodenburg. Men heeft zelfs wel beweerd dat Bredero in den hoofdpersoon zijn letterkundigen tegenstander Theodoor Rodenburg heeft uitgebeeld, omdat deze evenals Jerolimo in Antwerpen was geboren en ook bekend was om zijn hoogmoed. Er is echter tusschen hen beiden te groot verschil, om aan deze bewering meer dan een schijn van waarheid te geven: Rodenburg is door opvoeding een echt Amsterdammer geworden, die stellig geen dwaas Brabantsch, maar goed Amsterdamsch sprak en hij moge dan ook al niet rijk geweest zijn, een bankroetier was hij zeker niet.

Tijd waarin ’t stuk speelt. Opzettelijk heeft Bredero zijn stuk in een vroegeren tijd laten spelen „op dat men te minder beduydenisse op de teghenwoordighe levende soude maken.” In April 1617 was de Spaansche Brabander voltooid, de handeling moet volgens verschillende aanduidingen een veertigtal jaren vroeger plaats gevonden hebben. Daarom spreekt de Schout over

„….. een deel Wilde Geusen en guyts, die uyt een duyvelsche lust

Met haar predicatie en t’samen-rotten perturberen de gemeene rust,

Tot achterdeel van de Moer de Kerck en de heylige Inquisicy,”

en klaagt hij

„Daar is gisteren weer een Geus-Liedtboeck verspreyt,

Dat bitter schemt en schiet op onze Geestelijckheyt.”

Niet altijd houdt Bredero zich stipt aan dezen tijd, zoo laat hij b.v. Tryn Snaps aan Jut Jans vragen, of ze Arminiaansch is, maar dergelijke anachronismen komen toch weinig voor.

Bespreking der verschillende personen.

Jerolimo. De twee hoofdpersonen, Jerolimo en Robbeknol, zijn ware contrasten. Jerolimo is het type van een kaal, verwaand heer, die zich zelf zeer gewichtig vindt en juist daardoor belachelijk wordt. Hij is de zoon van een pasteibakker uit Hoboken bij Antwerpen, maar beschouwt zich toch als een edelman, dat zegt hem zijn „generose couragie”. In kleeding en manieren tracht hij de Spaansche dons na te bootsen, want „de Spanjers is een magnifijke nacy!!” Robbeknol wil hij fatsoeneeren, van den Amsterdamschen botmuil moet een „parmantighe, gracelijcke” Brabander gemaakt worden; vooral het botte Hollandsch is hem een ergernis, het Brabantsch, dat is iets anders!

„O de Brabantsche taal die is heeroyck, modest en vol perfeccy,

Soo vriendelayck, soo galjaart, soo minjert en so vol correccy,

Dament niet gheseggen en kan.”

Al heel gauw blijkt de hoorders, hoeveel verschil er is tusschen Jerolimo’s manier van optreden en zijn werkelijken toestand: hij is doodarm, zijn beurs vertoont niets dan duizend vouwen, eten is er niet in huis en de meester smult zelfs van de lekkere beetjes die zijn knecht door bedelen gekregen heeft. En toch blijft hij dezelfde pochhans, zijn aangeboren hoogmoed verlaat hem nooit. Dàt is juist het komische in Jerolimo.

Dat hij behalve de lachlust ook de verontwaardiging opwekt door zijn oplichterij, maakt hem nog meer antipathiek.

Robbeknol. Robbeknol vormt in vele opzichten een tegenstelling met Jerolimo, tegenover den pochenden Brabander staat de eenvoudige, goedronde, geestige Amsterdamsche jongen, die door zijn snedige zetten en zijn goed hart de lieveling van het schouwburgpubliek moest worden. Veel geluk heeft hij in zijn leven niet gehad, zijn meesters waren niet gemakkelijk, maar steeds behoudt hij zijn onverstoorbaar goed humeur en weet hij met een kwinkslag zijn leed te verdrijven. Van lekker eten houdt hij veel, wat trouwens een kenmerkende trek is in vele knechtsrollen.

Geeraert. Geeraert is het type van een vrek die in vele opzichten overeenkomt met Hoofts Warenar. Waarschijnlijk heeft de bekende Amsterdamsche vrek Willem Barendszoon, die ± 1601 stierf, en van wie vele verwonderlijke staaltjes verteld werden, zoowel Hooft als Bredero tot model gediend.

Byateris. Byateris staat op de „rollijst” vermeld als „uytdraaghster”, maar zelf vertelt ze ons dat ze vooral geld verdient als koppelaarster. Overigens is het een oudevrouwenfiguur als Reym in den Warenar, minder sympathiek, maar even praatlustig.

Notaris en Schout. Bizonder goed geteekend zijn enkele bijfiguren b.v. de notaris en de schout, die beide dringende bezigheden voorwenden en eerst na lang vragen er in toestemmen met Geeraert mee te gaan, om hem later een gepeperde rekening te kunnen voorleggen.

Bijpersonen. Verschillende personen hebben met de eigenlijke handeling weinig te maken, sommige belemmeren zelfs het overzicht van ’t tooneelstuk. Zoo b.v. de drie „ouwe klouwers” of „patriotten”, de knikkerende jongens, de „hondtslager” en de spinsters.

Geen eenheid. Eenheid is er door dit alles weinig in den „Brabander”, maar wel is ’t Bredero gelukt, juist in deze bijpersonen een buitengewoon levendige schildering te geven van het Amsterdamsche volksleven, en dit Amsterdam vormt als ’t ware den achtergrond, waartegen de scherpe trekken van Jerolimo des te beter uitkomen. Bovendien geven ze een doorslaand bewijs van Bredero’s talenten als realist.

Ontstaan. Tot slot enkele woorden over het ontstaan van ’t tooneelstuk. Geheel eigen werk is ’t niet, vertaling evenmin. Bredero las in een Hollandsche vertaling de lotgevallen van een Spaanschen bedeljongen Lazarillo de Tormes, die in dienst komt van een hoogmoedigen, doodarmen schildknaap (Escudero.). De schildknaap werd in zijn blijspel Jerolimo, de bedeljongen Robbeknol. Uit een vergelijking met den prozaroman blijkt dat Bredero in hoofdzaak het verhaal volgt en sommige deelen heel nauwkeurig, soms bijna letterlijk weergeeft, maar andere gedeelten, met name de realistische schildering van Amsterdamsche toestanden, zijn geheel van eigen vinding.

Бесплатный фрагмент закончился.

182,29 ₽
Возрастное ограничение:
0+
Дата выхода на Литрес:
16 января 2025
Объем:
390 стр. 1 иллюстрация
ISBN:
4064066403393
Издатель:
Правообладатель:
Bookwire
Формат скачивания:

Похожие книги