Читать книгу: «Ontwerp van wet tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee met toelichtende memorie»

Шрифт:

Cornelis Lely

Ontwerp van wet tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee met toelichtende memorie


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066316853

Inhoudsopgave

MEMORIE VAN TOELICHTING.

Inleiding.

De afsluiting.

De droogmaking.

Latere droogmakingen.

Droogmaking met afsluiting in vergelijking met droogmaking zonder afsluiting.

Besluit.

Artikelen.

MEMORIE VAN TOELICHTING.

Inhoudsopgave

Inleiding.

Inhoudsopgave

De oplossing van het Zuiderzee-vraagstuk, waartoe het hierbij aangeboden wetsontwerp moet strekken, biedt twee voordeelen aan die sterk op den voorgrond treden: de verbetering van den waterstaatstoestand der om den zeeboezem gelegen landstreek door de afsluiting, en de vergrooting van de bebouwbare oppervlakte des lands door de droogmaking.

Bij de phasen die het vraagstuk in de laatste halve eeuw heeft doorloopen, is nu eens het eene, dan weder het andere voordeel meer op den voorgrond geplaatst.

Toen de Ingenieur van den Waterstaat B. P. G. van Diggelen in 1849 zijne studie „de Zuiderzee, de Friesche Wadden en de Lauwerzee, hare bedijking en droogmaking”, in het licht gaf, waarin een plan werd ontwikkeld tot afsluiting van de geheele Zuiderzee achter de eilanden, met insluiting alzoo van den IJssel, liet de ontwerper in de eerste plaats het licht vallen op de verbetering van den vaderlandschen bodem, die zou worden verkregen door de bedijking, welke, zoo schreef hij, „inderdaad zal voeren tot eene geheele herziening van den binnenlandschen waterstaat der omliggende gewesten”.

Eerst in de tweede plaats noemde de ontwerper de geleidelijke droogmaking van de binnengedijkte watervlakte, waardoor eene gedeeltelijke vergoeding zou worden verkregen voor de aan de bedijking verbonden uitgaven.

De insluiting van den IJssel, welke rivier volgens het plan van Diggelen door breede stroombanen langs en door de droogmaking zou worden geleid naar de bij Terschelling en te Petten te bouwen uitwateringssluizen, werd evenwel toen ter tijde een onoverkomelijk bezwaar tegen de onderneming geacht, en dit was oorzaak dat het plan langen tijd bleef rusten.

De Inspecteur van den Waterstaat J. A. Beijerinck, die in 1866 op uitnoodiging van de Maatschappij voor Grondkrediet een nieuw ontwerp opmaakte, dat onder den titel „Proeve van een ontwerp tot afsluiten, indijken, droogmaken en in cultuur brengen van een gedeelte der Zuiderzee” in het licht verscheen, liet dan ook den IJssel buiten de bedijking, en stelde voor een afsluitdijk te leggen van Enkhuizen over Urk naar den Ketelmond, waarachter de geheele afgesloten watervlakte zou worden drooggemaakt.

Het plan Beijerinck, omgewerkt door den ingenieur T. J. Stieltjes, vormde den grondslag voor eene concessie-aanvraag, die in 1870 werd ingediend door de in de plaats van de Maatschappij voor Grondkrediet getreden Maatschappij tot droogmaking van het zuidelijk deel der Zuiderzee.

Uit den aard der zaak stond bij dit plan de wensch naar vermeerdering van grondbezit op den voorgrond, en was verbetering van den waterstaatstoestand der omliggende landstreek niet het doel van de concessie-aanvrage; in het plan waren dan ook slechts werken opgenomen om te voorzien in de nadeelen, die voor afwatering en scheepvaart uit de droogmaking zouden voortvloeien. De concessie-aanvraag werd onderzocht door een Staatscommissie, die in 1873 verslag uitbracht, in welk verslag, door de meerderheid der commissie het gevoelen werd uitgesproken, dat het indijken, droogmaken en in cultuur brengen der Zuiderzee op de in het verslag aangegeven wijze technisch mogelijk zou zijn, en dat er in het algemeen belang geen aanleiding bestond om het uitgeven der onderneming in concessie aan eene maatschappij in beginsel te ontraden, mits van Rijkswege krachtige hulp en medewerking werd verleend, welke hulp met het oog op het algemeen belang alleszins gerechtvaardigd werd geacht.

De Regeering kwam echter, na langdurige onderhandelingen met de concessie-aanvragers, tot het besluit dat de indijking en droogmaking van de Zuiderzee meer vatbaar was om van Staatswege dan bij wijze van concessie te worden uitgevoerd, en nam zelf de zaak ter hand, door in 1877 een wetsontwerp in te dienen tot bedijking en droogmaking van het zuidelijk deel der Zuiderzee.

Aan dat wetsontwerp lag ten grondslag het door de Staatscommissie onderzochte plan Beijerinck-Stieltjes, ofschoon zoowel in de richting van den afsluitdijk als in de inrichting van de afwaterings- en scheepvaartkanalen verschillende wijzigingen waren gebracht.

Ook bij het Regeerings-ontwerp van 1877 stond de landaanwinning op den voorgrond, zóó zelfs, dat in de Memorie van Toelichting omtrent de voorziening in de waterstaatsbelangen van de omliggende landstreek nagenoeg niets werd vermeld.

Bij uitvoering van dat ontwerp zou dan ook voorzeker geen algemeene verbetering van den waterstaatstoestand zijn verkregen, en zouden zelfs sommige belangen, o. a. die der scheepvaart van Amsterdam naar den IJssel en het Zwolsche diep, in niet geringe mate zijn geschaad.

Ook zou de provincie Friesland geheel van de verbetering zijn uitgesloten, en werd zelfs meerder gevaar voor de zeedijken van die provincie en van Overijssel niet onmogelijk geacht, een reden waarom de afsluiting van het Eijerlandsche gat tusschen Texel en Vlieland in het plan was opgenomen.

Het wetsontwerp werd intussen den 19den November 1877 door het inmiddels opgetreden Ministerie ingetrokken, zonder in behandeling te zijn geweest.

Het was de heer A. Buma, lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, die de Zuiderzee-vraag, nadat zij eenige jaren was blijven rusten, weder op den voorgrond bracht, en wel in den geest waarin de eerste ontwerper, de heer van Diggelen, haar had opgevat. De afsluiting, het sluiten van de Noordzee buiten de landpalen, was bij hem hoofdzaak.

Nadat een door den heer Buma ingediend wetsvoorstel, om van Staatswege een nieuw onderzoek in die richting in te stellen, door hem was ingetrokken, werd naar aanleiding van zijn initiatief de Zuiderzee-vereeniging opgericht, die zich ten doel stelde het instellen van een technisch en financieel onderzoek omtrent de afsluiting, mede ter voorbereiding eener latere geleidelijke drooglegging, van de Zuiderzee, de Wadden en de Lauwerzee.

De Zuiderzee-vereeniging heeft in de jaren 1887-1892 de uitkomsten van haar onderzoek openbaar gemaakt in een achttal technische nota's en in eene nota, bevattende economische en financieele beschouwingen, terwijl in 1898, nadat het verslag der hieronder te vermelden Staatscommissie was openbaar gemaakt, in het licht verscheen eene, in opdracht van het bestuur, door den secretaris, den heer H. C. van der Houven van Oordt, met medewerking van Mr. G. Vissering geschreven studie, getiteld: „De economische beteekenis van de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee”(1).

Het onderzoek leidde tot het plan voor de afsluiting van de Zuiderzee van de Noordhollandsche kust bij de van Ewijcksluis over Wieringen naar de Friesche kust bij Piaam, dus meer binnenwaarts dan door den heer Buma was bedoeld, en voor het achtereenvolgens droogmaken van vier inpolderingen in de afgesloten watervlakte, waarbij een binnenmeer overblijft, dat de wateren van den IJssel en van de andere op de afgesloten kom afwaterende rivieren, boezems en polders opneemt en, voor zooveel noodig, door op Wieringen te bouwen sluizen naar zee voert.

Naar aanleiding van den arbeid der Zuiderzee-vereeniging werd bij Koninklijk besluit van 8 September 1892, no. 21 eene Staatscommissie ingesteld, met opdracht om te onderzoeken of eene afsluiting en eene droogmaking van de Zuiderzee, op eene wijze als door de Zuiderzee-vereeniging is voorgesteld, in 's lands belang behoort te worden ondernomen, en zoo ja, op welke wijze dit werk tot uitvoering moet worden gebracht.

Nadat het ontwerp van de Zuiderzee-vereeniging door de technische afdeeling dezer commissie, onder voorzitterschap van den Inspecteur van den Waterstaat W. F. Leemans, onderzocht en op verschillende punten nog eenigszins gewijzigd was, en de economische en financieele zijde van het vraagstuk door eene andere afdeeling, onder voorzitterschap van Mr. C. J. Sickesz, nauwkeurig was nagegaan en uiteengezet, kwam in het op 14 April 1894 vastgestelde verslag de groote meerderheid der Staatscommissie (een en twintig van de zeven en twintig leden) tot het besluit dat de vraag, of eene afsluiting en eene droogmaking van de Zuiderzee, op eene wijze als door de Zuiderzee-vereeniging is voorgesteld, in 's lands belang behoort te worden ondernomen, bevestigend moet worden beantwoord, behoudens de wijzigingen, in het verslag aangegeven. Het antwoord op de vraag „op welke wijze dit werk tot uitvoering moet worden gebracht” behoorde, volgens de meening van alle leden, te luiden: door den Staat op den voet, in dit verslag vermeld.

Het plan van de Zuiderzeevereeniging, zooals het door de Staatscommissie is aangevuld en gewijzigd, vormt den grondslag voor het wetsontwerp dat hierbij wordt aangeboden. In overeenstemming met de grondgedachte, waarvan de vereeniging uitging, bedoelt het wetsontwerp eerst afsluiting en daarna geleidelijke droogmaking van de Zuiderzee.

Voor eene juiste beoordeeling van het voorstel moet worden gelet op de beide zijden van het vraagstuk, en wel niet minder op de afsluiting waardoor de waterstaatstoestand van een aanzienlijk deel des lands zal worden verbeterd, dan op de droogmaking, waardoor de oppervlakte des lands met een groot aantal hectaren vruchtbaren grond zal worden vergroot.

In het onderstaande zullen daarom eerst de afsluiting en de daarmede samenhangende belangen nader worden beschouwd.

(1) Van dit werk zal eene nieuwe uitgave verschijnen. Een exemplaar dezer uitgave zal aan de leden der Staten-Generaal worden toegezonden.

De afsluiting.

Inhoudsopgave

Aan de richting van den afsluitdijk, waardoor de IJssel binnen de afsluiting valt, ontleent het voorgestelde ontwerp zijn bijzonder karakter.

Ofschoon reeds van Diggelen het denkbeeld als uitvoerbaar had erkend, en ook in den boezem der Staatscommissie van 1870 op een nieuw onderzoek in die richting was aangedrongen, werd de binnensluiting van den IJssel, welke rivier in gewone omstandigheden ongeveer een negende van het water van den Boven-Rijn afvoert, en bij dijkbreuk langs de bovenrivier in Pruissen zelfs een nog grooter aandeel in dien afvoer ontvangt, toch vrij algemeen voor een onoverkomelijk bezwaar gehouden.

Het denkbeeld van een achter den afsluitdijk gelegen groot binnenmeer, dat de wateren van den IJssel met die van de overige binnengesloten rivieren, boezems en polders opneemt, en gedurende enkele dagen, waarop de loozing door de uitwateringssluizen wegens hoogen zeestand belet wordt, kan bergen, zonder dat, ook bij het grootste waterbezwaar, de waterstand van het meer tot een nadeelige hoogte stijgt, is, hoewel ook vroeger ter sprake gekomen, voor het eerst ernstig onderzocht door de Zuiderzeevereeniging, waarbij de uitvoerbaarheid van het denkbeeld duidelijk aan het licht trad.

Hierdoor was de zaak van de droogmaking der Zuiderzee eene groote schrede verder gebracht. Terwijl het toch eenerzijds mogelijk bleek de afsluiting uit te voeren langs eene veel korter lijn dan met vrijlating van den IJssel het geval kan zijn (volgens het Regeeringsontwerp van 1877 zou de afsluitdijk eene lengte verkrijgen van ruim 48 K.M.), konden anderzijds door middel van het IJsselmeer aan de omringende gewesten zulke belangrijke voordeelen verzekerd worden, dat in de waarde daarvan de kosten van de afsluiting, zooal niet geheel dan toch voor een aanzienlijk deel, teruggevonden worden, waardoor deze niet voor hun volle bedrag op rekening van de droogmaking behoeven te worden gesteld.

Voordeelen van de afsluiting.

Door de afsluiting met insluiting van den IJssel, op de wijze als in het ontwerp is aangegeven, wordt niet alleen de tegen de zee te verdedigen kustlijn belangrijk verkort, doch wordt midden in het land in plaats van een met de Noordzee gemeen liggende zoutwaterplas, waar onder den invloed van de standen der Noordzee sterk afwisselende waterstanden voorkomen, een zoetwatermeer verkregen met een veel meer standvastigen waterspiegel, laag genoeg voor eene behoorlijke afwatering van de omringende landstreek, uit welk binnenmeer de provinciën Friesland en Noordholland, die tot dusver steeds leden onder het gemis eener behoorlijke waterverversching, op overvloedige wijze van zoetwater kunnen worden voorzien.

De voordeelen, welke uit deze verandering voortspruiten voor de waterverversching, de waterloozing en de waterkeering van de omringende gewesten, alsmede voor het verkeer te water en te land, zullen achtereenvolgens nader worden beschouwd.

a. de waterverversching.

De boezem der provincie Friesland ontvangt geen ander water dan het hemelwater, dat op den boezem zelf en in de polders valt en het weinige, dat van de hooge gronden in het oosten der provincie afstroomt.

In droge zomers houdt de aanvoer nagenoeg geheel op, en lijdt de boezem groot gebrek aan water, waarin niet door inlating van buiten kan worden voorzien, daar het zoute zeewater dat de provincie van drie zijden omringt, hiertoe niet geschikt is. Deze toestand brengt mede een te lagen boezemstand in den zomer, waarvan uitdroging der graslanden, gebrek aan drinkwater voor het vee en bezwaren voor de scheepvaart het gevolg zijn.

Een tweede, indirect, gevolg van de onvoldoende aanvulling van den boezem is dat, uit vrees voor te groote daling van den boezemstand, de uitwateringssluizen, waardoor de boezem op de zee wordt afgestroomd, vaak vroeger moeten worden gesloten dan met het oog op eene goede afwatering wenschelijk is, waardoor bij ongunstige verandering van weersgesteldheid overlast van water kan ontstaan.

In het algemeen heeft men in Friesland de regeling der hoogte van het boezemwater niet in de hand, wat veel meer het geval zou zijn indien eene behoorlijke gelegenheid tot inlating van versch water aanwezig was.

Hetzelfde doet zich, ofschoon in eenigszins mindere mate, voor in het deel der provincie Noordholland benoorden het IJ. De verversching van het boezemwater kan hier slechts geschieden door inlating van water uit het Noordzeekanaal, en deze verversching is zeer gebrekkig, daar het water van het Noordzeekanaal brak is tengevolge van de schuttingen te IJmuiden en te Schellingwoude en de inlating van Zuiderzeewater te Zeeburg ten behoeve van de waterverversching van Amsterdam, terwijl de boezem bovendien nog verontreinigd wordt door de loozing van het vervuilde grachtwater van Amsterdam.

In dezen toestand zal een geheele omkeer worden gebracht door de vorming van een met zoet water gevuld IJsselmeer, waaruit een ruime hoeveelheid zoet water tot verversching van de boezems kan worden afgetapt.

Reeds tijdens de uitvoering van de afsluiting wordt de toevoer van zoutwater naar het zuidelijk deel der Zuiderzee beperkt, terwijl na de voltooiing van den afsluitdijk niet anders dan zoet water in het IJsselmeer zal worden aangevoerd, ter vervanging van het brakke water dat met elk gunstig tij door de sluizen te Wieringen wordt geloosd.

Het meer zal dus op den duur een zoetwatermeer worden. Hoewel het niet mogelijk is, te bepalen hoeveel jaren moeten verloopen eer al het zoute water door zoet water zal zijn vervangen, zoo mag toch met de Staatscommissie, die zich daarbij ook grondde op de uitkomsten van de door haar medelid, den hoogleeraar J. M. Telders, genomen proeven, worden aangenomen, dat het water van het IJsselmeer reeds korten tijd na de voltooiing van den afsluitdijk voldoende ontzilt zal zijn, om te dienen tot boezemverversching van Friesland en Noordholland en, wat het zoutgehalte betreft, tot drinkwater voor mensch en vee, althans voor vee.

Ten einde de gelegenheid tot waterinlating nog gemakkelijker te maken, zal de waterstand van het IJsselmeer, die als regel op 0.40 M. -N.A.P. is aangenomen, in droge tijden tijdelijk kunnen worden opgezet tot 0.20 M. -N.A.P., hetgeen alsdan zonder hinder voor de afwatering zal kunnen geschieden, indien slechts gezorgd wordt, dat bij te verwachten waterbezwaar de boezem tijdig tot de normale hoogte wordt afgestroomd.

b. de waterloozing.

Voor het afgesloten deel der Zuiderzee, het latere IJsselmeer, is een peil aangenomen van 0.40 M. -N.A.P., welke hoogte nog iets blijft beneden den gewonen laagwaterstand in het zuidelijk deel van den open zeeboezem.

De aangenomen hoogte is natuurlijk niet meer dan eene gemiddelde, daar eenerzijds de waterstand van den afgesloten boezem in verband met de verhouding tusschen afvoer door de sluizen en aanvoer van den IJssel en van de andere rivieren, de boezems en de polders, steeds zal afwisselen, anderzijds de waterspiegel van het meer onder den invloed van den wind een hellenden stand zal kunnen aannemen, door afwaaiing aan de eene en opwaaiing aan de andere zijde.

De door de Zuiderzeevereeniging en de Staatscommissie ingestelde berekeningen hebben doen zien, dat met de aangenomen sluiswijdte van 300 M. de gemiddelde stand van 0.40 M. -N.A.P. in normale omstandigheden zonder moeite zal kunnen worden gehandhaafd.

Indien echter de loozing door de sluizen op Wieringen door stormvloed gedurende eenige achtereenvolgende tijen wordt belet, en in het algemeen indien gedurende eene eenigszins langere periode de afvoer van de sluizen door den aanvoer van den IJssel en de andere bronnen van waterbezwaar wordt overtroffen, zal de gemiddelde waterstand van den afgesloten zeeboezem boven het aangenomen peil kunnen rijzen, en wel hooger naarmate de ongunstige verhouding tusschen aanvoer en afvoer sterker is of langer aanhoudt.

Voorts zal door opwaaiing de waterstand langs een deel van de kust eene grootere hoogte dan de gemiddelde kunnen bereiken, en wel hooger naarmate de wind krachtiger en langduriger op den waterspiegel inwerkt.

De ingestelde berekeningen toonen echter aan, dat ook onder die omstandigheden de waterstand van het IJsselmeer nog belangrijk zal blijven beneden de laagwaterstanden die thans bij menigen stormvloed in den open zeeboezem voorkomen, zoodat de afwatering op de Zuiderzee, ook al ondervindt die dan tijdelijk bezwaar, toch niet in die mate en zoo langdurig zal worden belemmerd als thans menigmaal het geval is.

Ofschoon bij uitvoering van de vier door de Staatscommissie aangegeven inpolderingen de oppervlakte van het IJsselmeer van 360.000 H.A. tot 145.000 H.A. zal worden teruggebracht, en dan een gelijk waterbezwaar op den zooveel kleineren boezem een sterker rijzing zal veroorzaken, zoodat onder ongunstige omstandigheden hoogere waterstanden op het IJsselmeer te verwachten zijn dan zonder inpoldering zullen voorkomen, zoo zal toch, naar de Staatscommissie aantoonde, ook dan nog eene verbetering worden verkregen in vergelijking met de thans voorkomende hooge waterstanden, terwijl in normale omstandigheden de verbetering van de waterloozing, door het constante lage peil verkregen, even groot zal zijn als zonder inpoldering.

De afsluiting der Zuiderzee zal dus over het algemeen eene belangrijke verbetering ten gevolge hebben van de waterloozing op het afgesloten gedeelte.

Hierdoor worden verschillende voordeelen verkregen:

Vooreerst wordt eene betere afwatering verzekerd aan de polders en uiterwaarden langs het benedengedeelte van den IJssel, alwaar de lagere waterstanden van het IJsselmeer hun invloed nog zullen doen gevoelen, en aan de kleine rivieren en boezems die thans op de open zee loozen, als Schermerboezem, de Vechtboezem in Utrecht en Noordholland, de Eem, het Zwartewater met de Overijsselsche Vecht, de Sallandsche Weteringen en het Meppelerdiep, de boezem van het waterschap Vollenhove en de Linde.

De loozing van deze wateren is thans verre van voldoende, en onderscheidene, deels zeer kostbare, plannen tot verbetering zijn ontworpen, die nog niet tot uitvoering kwamen.

Sommige van die ontworpen werken zullen bij afsluiting van de Zuiderzee onnoodig worden, andere kunnen met minder kosten tot uitvoering worden gebracht. De afsluiting van de Zuiderzee vertegenwoordigt dus eene belangrijke besparing op deze, zeker eenmaal noodige, werken.

Eene jaarlijksche besparing zal voorts door de afsluiting worden verkregen op de kosten van waterloozing der boezems en polders, die door stoombemaling op de Zuiderzee en op de daarmede gemeen liggende wateren loozen, als het Noordzeekanaal, de polders Mastenbroek, Oosterwolde, Arkenheem, enz., doordat de stoomgemalen, in plaats van op den afwisselenden Zuiderzeestand, op een meer standvastigen lageren waterstand zullen kunnen uitslaan.

Een dergelijk voordeel zal ook kunnen verkregen worden ten aanzien van Frieslands boezem. Onder de middelen om de schadelijke hooge waterstanden op dien boezem te voorkomen, komt ook in aanmerking de invoering eener stoombemaling, waartoe o. a. aan de zuidkust eenige stoomgemalen zouden zijn te stichten. Indien deze stoomgemalen in plaats van op de open Zuiderzee op het IJsselmeer kunnen uitslaan, zal het vereischte stoomvermogen, en zullen dus ook de bemalingskosten, belangrijk kleiner kunnen zijn.

c. de waterkeering.

Door het leggen van den afsluitdijk wordt de tegen de zee te verdedigen kustlengte van 320 K.M. teruggebracht tot ongeveer 40 K.M., zijnde de lengte van den afsluitdijk met de noordkust van Wieringen.

Stormvloeden uit de Noordzee, die thans het Zuiderzeewater tot eene groote hoogte opzetten, kunnen na de afsluiting op het IJsselmeer hun invloed niet anders doen gelden, dan door gedurende enkele tijen de loozing te Wieringen te beletten.

De opwaaiing door den wind blijft echter ook op den afgesloten waterplas mogelijk; evenwel zal, doordat de gemiddelde hoogte van den waterspiegel steeds veel lager zal zijn dan thans gewoonlijk bij stormweder het geval is, het opgewaaide water langs de kust ook een veel geringere hoogte bereiken.

Dit geldt zoowel de afgesloten Zuiderzee zonder inpoldering, als het IJsselmeer, dat na uitvoering van de door de Staatscommissie aangegeven inpolderingen overblijft.

De thans langs de Zuiderzee aanwezige bedijkingen behoeven dus na de afsluiting slechts als binnendijken te worden onderhouden, voorzoover zij aan het IJsselmeer blijven liggen, terwijl die welke achter de bedijking van een der inpolderingen vallen, niet meer dan slaperdijken zullen zijn, en als zoodanig behouden kunnen worden.

Ook de dijken langs den Beneden-IJssel tot Wijhe zullen door de afsluiting worden ontlast, daar de hooge waterstanden, die op dat deel der rivier thans voorkomen indien de afvoer van hoog opperwater samenvalt met de opzetting van de Zuiderzee door stormvloed, in het vervolg worden voorkomen.

Op het onderhoud van de dijken en zeeweringen zal dus eene aanzienlijke besparing worden verkregen.

Voorts zal, in verband met de geringere hoogte, die de waterspiegel ook onder de ongunstigste omstandigheden zal verkrijgen, belangrijk worden bespaard op het onderhoud van de zee- en havenwerken langs de afgesloten Zuiderzee en op de eilanden Schokland, Urk en Marken.

De jaarlijksche besparing, die op deze wijze zal worden verkregen, is niet met juistheid te berekenen, doch zal zeker ver overtreffen, het bedrag der onderhoudskosten van den nieuwen afsluitdijk, met inbegrip van de werken op Wieringen en het kanaal Harlingen–Piaam, die door de Staatscommissie op ruim ƒ90.000 's jaars werden geraamd.

Daarbij komt nog dat de waterkeeringen langs de Zuiderzee thans lang niet overal in een voldoenden toestand verkeeren, en dat bij stormvloed op verschillende plaatsen door overstrooming schade wordt geleden ten gevolge van het ontbreken eener behoorlijke waterkeering, o. a. langs de Eem, in den omtrek van Kampen en langs het Zwarte Water tot boven Zwolle.

Verschillende werken tot verbetering der waterkeering zijn dan ook ontworpen, welke bij afsluiting van de Zuiderzee kunnen worden gemist, zooals de bedijking van Dronthen, de watervrijmaking van Zwolle en omstreken en de verbetering van de bedijking langs de Eem. Ook door het onnoodig worden van deze werken zal de afsluiting eene besparing vertegenwoordigen.

Het grootste voordeel van de afsluiting ten aanzien van de waterkeering echter, hoewel de waarde daarvan niet onder cijfers is te brengen, is gelegen in de meerdere veiligheid bij stormvloeden van de om de Zuiderzee gelegen landstreek.

Hoewel de zeeweringen langs de Zuiderzee in de latere jaren belangrijk versterkt zijn geworden, en doorbraken als in 1825, en hoewel van minder omvang o. a. nog in 1877 plaats hadden, thans minder te vreezen zijn, zoo behooren dergelijke rampen ook thans nog geenszins tot de onmogelijkheden.

Na de afsluiting zal elk gevaar in dat opzicht kunnen geacht worden te zijn buitengesloten.

Ook zullen dan de geregeld terugkeerende overstroomingen van de niet of niet voldoende bedijkte oeverlanden langs de Zuiderzee, den IJssel en het Zwarte Water, die herhaaldelijk groote schade hebben veroorzaakt, tot de geschiedenis gaan behooren.

Бесплатный фрагмент закончился.

Возрастное ограничение:
0+
Дата выхода на Литрес:
11 октября 2024
Объем:
61 стр. 2 иллюстрации
ISBN:
4064066316853
Издатель:
Правообладатель:
Bookwire
Формат скачивания:

Похожие книги