Читать книгу: «Schetsen uit Zeeland»

Шрифт:

Anoniem

Schetsen uit Zeeland


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066402341

Inhoudsopgave

I.

II.

III.

IV.

V.

VI.

VII.

VIII.

IX.

X.

XI.

XII.

XIII.

XIV.

I.

Inhoudsopgave

Het was een warme, liefelijke Meidag in het jaar 1873. Vroolijk straalde de zon aan den helder blauwen hemel, slechts hier en daar met fijne, witte, donzige wolkjes bestrooid, en goot haar licht uit over de woelige kaaien van Antwerpen, over de schepen in dichte rijen voor de groote koopstad geankerd, over de breede, spiegelende watervlakte van de Schelde, en over den lagen, groenen, vlaamschen oever aan de overzijde. Daar lag, snuivend en sissend als van ongeduld, de stoomboot naar Vlissingen, en twee reizigers traden de loopplank over, op het dek der boot. Een der reizigers, een Hollander van geboorte, had geruimen tijd in den vreemde, in het zuiden, vertoefd, en keerde nu naar zijn land terug. Hij had zijn weg over België en Antwerpen genomen, om een bezoek te kunnen brengen aan eene der minst bekende provinciën van Nederland: eene provincie, tot voor betrekkelijk korten tijd, als te midden der wateren verloren, onbezocht, onbekend en, bijna meer nog dan door deze natuurlijke hinderpalen, door de vrees voor een schier als doodelijk berucht klimaat, van het overige des lands afgezonderd. Vroegere herinneringen hechtten hem aan dat gewest: nu, uit den vreemde terugkeerend, wilde hij het wederzien, dat niet vergeten Zeeland, in zijne natuur en zijne menschenwereld nog zoo menig beeld van den goeden ouden tijd vertoonende. Maar nog een andere reden had zijne keuze van den weg bepaald. Zijn vriend, die met hem op de boot stapte, was—ge kondt het der donkere figuur, met haar zwarte, doordringende oogen, wel aanzien,—een vreemdeling, een zuidlander, een zoon der bergen, die nimmer de zee had aanschouwd, en die kennis wenschte te maken met het lage land aan de kusten der Noordzee, waarvan hij veel had gehoord, maar waarvan hij zich niet recht een denkbeeld vormen kon. Was er beter middel, om hem het nederlandsche landschap, in al zijne eigenaardigheid, te doen kennen en waardeeren, dan hem in de eerste plaats naar Zeeland te voeren? Derwaarts dan richtten onze beide reizigers hun schreden. Zij hebben dat land doorkruist en doorwandeld, nederzittende aan den haard der landlieden, in de gelagkamer der dorpsherberg, toegelaten ook in den salon der aanzienlijken; overal vriendelijk ontvangen, overal zich beijverende land en volk te leeren kennen, de trekken op te vangen van het eigenaardige, nationale leven, helaas, ook hier der verdwijning nabij.

En nu vermeet zich een hunner, enkele bladen uit zijne portefeuille den welwillenden lezer aan te bieden. Schetsen zijn het, niet meer; losse teekeningen met de pen, die niets anders bedoelen dan den indruk van het aanschouwde weer te geven, en zoo mogelijk eenigszins bij te dragen tot de kennis en waardeering van het in zoo menig opzicht merkwaardige en karakteristieke gewest, sinds de vroegste dagen onzer historie met Holland lotgemeen, en door zoo velerlei banden aan Holland verbonden.

Statig klieft de boot de golven der steeds breeder en breeder wordende rivier. Wij hebben de lage gebouwen van het fort Bath reeds achter ons, en voor ons uit dwaalt de blik over de wijde, welhaast onafzienbare watervlakte, door slechts even opdoemende oevers begrensd. Vroolijk dansen en schitteren de zonnestralen over de kabbelende golfjes van den koninklijken stroom; de frissche zeewind waait ons koelte tegen; een eindelooze horizon breidt zich voor ons uit. Een eigenaardig gezicht. Is het nog eene rivier, waarop wij varen? De lage oevers verdwijnen bijkans uit het oog; nu en dan vertoonen zich enkele roode daken, om een spitsen toren gegroept; een stad, een dorp schemert in de verte, half wegduikend achter lage, groene dijken: het land is hier niets, het water alles. En zie: is het niet, of zij zich harer meerderheid, harer kracht bewust is, die prachtige rivier, zich koesterende in den zonneschijn, en weelderig zich tooiende met al de tinten, al de schakeeringen, die de speling van het licht over haar groenachtig-zilveren wateren spreiden kan, tot ze beurtelings flonkeren als diamanten, of stralen in matten glans als van vloeiend smaragd? Is zij niet schoon, zoo als ze daar haar licht gekuifde golfjes, met hun franje van zilverschuim, al huppelend voortstuwt, de ranke booten, de zware schepen torschende alsof het speelgoed ware, en al kabbelend de dijken kussende, aan wier voet de zachte deining wegsterft? Is ze niet schoon, niet bekoorlijk schoon?—Maar o, ze kan vreeselijk zijn, als ze opstaat in hare kracht, als hare donkere golven zich opstapelen en in wilde woede het land bedreigen, maar noode tegen dien aanval bestand, zoo vaak daarvoor bezwijkende....

Welke beelden rezen voor mijne verbeelding, terwijl ik, op het dek staande, den breeden stroom overzag, waarin de boot een dubbel spoor van spattend schuim trok. Ik zag mijn vriend aan, die geheel onder de betoovering verkeerde van dit voor hem ongewone schouwspel, en wiens blikken de schier eindelooze ruimte poogden te meten. “Schoon, prachtig!” sprak hij, half voor zich, in de aanschouwing verzonken.

Ja, inderdaad schoon, antwoordde ik; in zijn aard niet minder schoon, dan uwe bergen met hunne gletschers en sneeuwvelden;—en toch, niet zonder huivering kan ik haar aanzien, die schoone, verleidelijke, wellustige rivier. Kent ge het wapen dezer provincie? Het vertoont, op gouden veld, een leeuw van keel, ter halverlijve zich opheffende uit azuren en zilveren golven, met het devies: Luctor et Emergo. Sprekender wapen was daar nooit, welsprekender zelden. In dat beeld, in dat devies, ligt de gansche geschiedenis van dit land, van dit volk. Luctor et emergo, ik worstel en drijf boven:—voorwaar, het is Zeelands lot en bestemming, van den beginne tot heden. Die worsteling hield nimmer op: Goddank, ondanks wonden en verliezen en persende angsten, mocht het tot heden het hoofd boven houden.

Een handvol zeewier dreef door ’t nat,

Ten spel van wind en golven,

Nu, ’t moedig hoofd omhoog gebeurd,

En dan, in ’t schuim bedolven;

Maar hobblende op den woesten vloed,

En worstlend met zijn baren,

Kwam ’t eindlijk op een oeverplaat

Als eilandje aangevaren.

De stroom bespoelde ’t met zijn slib,

Die ’t nu eens overdekte,

En dan, aan de eene of andre zij,

Tot waterboordsel strekte.

De zee, in ’t bruischen opgezet,

Bewierp het met haar zanden;

De slib bracht nieuwe planten voort

Van zaad uit verre landen.

Die planten vatten nieuwe slijk;

Die, teelde weer gewassen;

En ’t hoopjen gronds won telkens aan

Door ’t stadige overplassen.

Zoo zijn ze ontstaan, die vele eilanden en platen en schorren, in den wijden zeeboezem, waarin Rijn en Maas en Schelde hunne wateren uitstortten. Zoo zijn ze langzamerhand gewassen; en eeuwen bij eeuwen zijn voorbij gegaan, eer de grauwe weeke zandvlakte, beurtelings door de wateren overstort, beurtelings zich opheffende uit de golven, vastheid genoeg verkregen had om den plantengroei ten bodem te verstrekken; eer het land hoog genoeg gerezen was om niet bij iederen vloed weder weg te duiken in den schoot des oceaans. Toch rijst het plekje gronds allengs, en dekt zich met een groen kleed; maar in de hoog opschietende rietbosschen huist nog maar alleen de listige otter, loerende op zijn schubbige prooi; op de vochtige weiden hupt de kievit en nestelt de leeuwerik; en boven de wateren en de gele zandige oevers zwiert de meeuw in breede kringen: van ander, hooger leven nog geen spoor.—En wederom gaan eeuwen voorbij: en daar komen, de groote stroomen afdrijvende in hunne prauwen, of voorttrekkende langs de oevers, de bewoners van het hooge binnenland, uit welke oorzaak dan ook hun geboortegrond verlatende om zich nieuwe woonplaatsen te zoeken. En zij vestigen zich op de groene eilanden, waar de welige weide hen lokt, waar in zee en rivier, in kreek en poel, een rijke vangst den visscher loont; en zij bouwen er hunne hutten op de opgeworpen terpen, om met gezin en have veilig te zijn voor den wassenden vloed. Zoo neemt de mensch bezit van den grond; hij weidt zijne runderen, en drijft zijn ploeg door het land; hij verschalkt het konijn in het duin en den visch in den stroom; hij bouwt zich vaste woningen, en richt zijne altaren op, en vermenigvuldigt zich—tot somwijlen, onverwacht, de opgezweepte oceaan zijne bulderende golven over het land jaagt, en hut en terp vernielt en de bewoners wegspoelt met al hun have.... Maar toch, de worsteling is begonnen, om niet meer te eindigen. Voet voor voet wordt de grond op de zee veroverd, in eeuwenlangen kamp. Is een schor zoo hoog uit de golven gerezen, dat het gras er wortel schiet en wier en bies het vette slib terughouden bij deinende ebbe, dan duurt het niet lang of er worden middelen beraamd, om dien wordenden grond voor goed aan het water te ontwringen en ter bewoning geschikt te maken. Dan komen de kloeke arbeidslieden en trekken, in lange rijen, op en neder, en graven en delven: en waar zij gaan, wast de dijk omhoog, voet voor voet, en stopt de plassen en werpt een dam op tegen de zee, die zich terugtrekt, en, hoe onwillig ook, den mensch zijn buit overlaat. Zoo sluit zich polder aan polder; de eilanden vergrooten zich; de breede stroomen, die hen scheiden, slinken welhaast tot smalle rivieren, tot kreken; straks worden ook zij, wegstervende in het zand, zelven in land herschapen, of als onschadelijke meren en wateringen ingesloten tusschen de dijken; verwijderde kusten naderen tot elkander, eilanden hechten zich aan eilanden: steeds breidt het vasteland zich uit, steeds krimpt het gebied der zee. Waar vroeger de zoute wateren bruischten en de schepen voeren, daar verrijzen nu de hoeven met boomgaard en hof, daar grazen de runderen, daar golft het goudgele graan, daar beurt de kerk hare spits omhoog, omgeven door de groep vriendelijke huizen. Luctor et emergo!

Maar de zee is een vijand, die nimmer sluimert, die geen rust gunt, en altijd gereed staat te hernemen, wat hij niet dan gedwongen heeft afgestaan. Zeeland kent zijne kracht, het geweld dier wateren, die het van alle zijden omringen, die zijne eilanden omslingeren; het heeft heugenis van menigen schrikkelijken dag, van menigen bangen nacht, als de felle orkaan gierde door de zwarte lucht; als de opgezweepte zee met donderend krijgsgeschreeuw hare golven tegen de schuddende dijken joeg, tot ze eindelijk, ondermijnd, gebeukt, geteisterd, reddeloos, scheurden, bezweken, en de wilde wateren met woest triomfgeklater den polder binnen stroomden, in een oogwenk alles vernielende wat arbeidzame vlijt en taai geduld hadden gewrocht, het vruchtbare land herscheppende in een zouten plas.... Then chaos was come again! Dan begon de worsteling van voren af aan; en wat, na lange jaren arbeidens en zwoegens, in weinige oogenblikken verloren ging,—het duurde vaak eeuwen, eer het weer ten deele kon herwonnen worden. Nog kunt gij ze zien, op menige plek, de sombere gedenkteekenen dezer overwinningen van het ontembare element: die vale, grauwe vlakten, half slijk, half water, zich ter nauwernood boven de golven beurende en telkens overspoeld, van poelen en kreken doorsneden; die weeke zandbanken, waarin de voet, die ze onvoorzichtiglijk betreedt, soms reddeloos wegzinkt. Verdronken landen heet men ze: eenmaal stonden daar hoeven en dorpen, graasde daar het vee, golfde daar het goudgele graan; nu zijn het naakte wildernissen, naamlooze tusschendingen, door het water half uitgeworpen, door het land nog niet aanvaard.... Geduld maar, en ook hier zal de beschermende dijk het rijpende schor omsluiten, zal de mensch zijn verloren eigendom hernemen, zal leven en welvaart bloeien, tot... ja, tot dat alles wellicht weer verzinkt om nogmaals boven te komen.... Luctor et emergo!

Een der treffendste episoden in die lange worsteling is wel de ondergang van Reimerswael, de aloude stad aan de noord-oostelijke kust van Zuid-Beveland, aan den linker oever der Ooster-Schelde. Allengs van gehucht tot dorp, van dorp tot vlek gestegen, werd zij, in 1374, door den Graaf-Hertog Albrecht van Beieren ommuurd en met stadsrechten begiftigd. Sedert won zij in macht en voorspoed, en nam weldra hare plaats in onder de goede, dat wil zeggen stemhebbende, steden van Zeeland, die het recht hadden afgevaardigden naar de Staten van het graafschap te zenden. De gunst der Landsheeren bleef haar verzekerd, ook ondanks voorbijgaande uitspattingen van overmoed en al te dartele vrijheidszucht, straks weder door boete en onderwerping verzoend. Zoo deerde het der stede luttel, dat haar burgers, ten jare 1454, na een dergelijk feit, ’s Hertogen stadhouder, bersbeens, blootshoofds ende in heur hemde, moesten te gemoet treden en hem genade smeeken voor hun vergrijp tegen de hoogheid van mijnen genadigen Heere den Hertog: zulke episoden behooren tot de bonte, levensvolle, dramatische geschiedenis van elke middeleeuwsche stad.—In het begin der zestiende eeuw had zij het toppunt van haar macht en voorspoed bereikt; in 1528 kreeg zij van Keizer Karel V de vergunning, dat haar schepenen, in plaats van driemaal ’s weeks, ten gerieve der kooplieden dagelijks recht zouden mogen spreken: wel een bewijs voor de levendigheid van het verkeer in de bloeiende, rijke, weelderige koopstad. Ruim twintig jaren later, in 1549, werd zelfs Koning Filips, met groote staatsie en pracht, binnen hare muren als Graaf van Zeeland gehuldigd: maar toen had haar toch reeds de eerste slag getroffen van het onverbiddelijk noodlot, dat haar in ’t eind verderven zou.


Het Beeldenhuis te Vlissingen.

De vijfde November 1550 was weder een dier verschrikkelijke dagen in de geschiedenis van Zeeland, waarin op nieuw de heete strijd om het bestaan met den onverzoenlijken, onvermoeiden erfvijand moest worden gestreden. Ditmaal gold het voornamelijk Zuid-Beveland, dat voor ver het grootste gedeelte geheel werd overstroomd, en zelfs voor een deel zijn met moeite gewonnen gebied weder aan de golven moest afstaan. Het verdronken land van Zuid-Beveland, nog heden maar even den grauwen, valen rug boven de wateren opheffende, getuigt nog altijd van dien noodlottigen dag. Wel bleef ditmaal de stad zelve gespaard, maar zij verloor haar gansche rechtsgebied, eene uitgestrektheid van ruim duizend bunders, waarmede tevens aan een der hoofdbronnen van haar bestaan, de zoutbereiding, een onherstelbare slag was toegebracht. Doch de grimmige vijand liet niet af. In Januari 1551 hernieuwt hij zijn aanval: de dijk, die de stad en het onmiddellijk daaraan grenzende poldertje beschermt, bezwijkt; het water stroomt de stad binnen, rijst tot twaalf voet hoog in de kerk, verwoest eene gansche straat, vernielt alle zeeweringen. Wel wordt, met moeite en groote kosten, de dijk weer hersteld; maar nauwelijks is dit geschied, of daar buldert op nieuw de woeste aanvalskreet: den 2den en 3den November 1555 wordt de pas opgeworpen dam wederom vernield en de gansche omtrek onder water gezet. Was het wonder, dat den burgers van Reimerswael de moed ontzonk, en zij den dijk niet weder herstelden? Daar lag zij nu, de ten ondergang gedoemde stad, in het midden der wateren, nog maar alleen door haar eigen ringmuur beschermd. Doch die muur—hij mocht een veilige beschutting zijn tegen vijandelijke benden: om den vijand af te weeren, die nu Reimerswael bedreigde, daartoe bleek hij onmachtig. Wederom in Januari, in het jaar 1557, blies de gierende orkaan het sein tot de bestorming: daar rukten ze aan, als wilde ruiterscharen, de schuimende golven, en wierpen zich op den trillenden, schuddenden muur, met onwederstaanbaar geweld. Wat baatte tegenweer? De muur stortte in, de poorten werden vernield: de zegevierende vijand trok de stad binnen, en verwoestte in weinige uren kerken, kloosters, het stadhuis, het meerendeel der huizen.... Reimerswael was bijkans in een puinhoop herschapen.—Toch de moed niet ganschelijk verloren; de hand aan het werk geslagen, hersteld wat te herstellen was. Zoo herrees zij weder, de fel geteisterde stad: maar zie, op den 31sten Augustus des volgenden jaars, tast haar een andere, niet min geduchte vijand aan. In de weinige, nog overgebleven zoutketen ontstaat, men weet niet door welke oorzaak, brand: het vuur breidt zich uit, wint in kracht, grijpt met felle woede rondom zich—en drie vierde gedeelte der stad ligt in de asch.....

“Denn die Elemente hassen

Das Gebild der Menschenhand.”

mompelde mijn vriend, luisterende naar dit somber verhaal.


Gezicht op Vlissingen.

Ja, het is waar, dat diepzinnige woord des dichters: wel haten zij de schepping der menschelijke kunst, de ruwe krachten der natuur, hernam ik; het bleek ook hier. Want mijne treurige geschiedenis is nog niet ten einde. In Februari 1561, in September 1563, hernieuwt de oude vijand zijn aanval, en laat op nieuw, in schromelijke verwoestingen, de teekenen van zijn zegepraal achter. Nu, reddeloos en hulpeloos, gaf zij den ongelijken strijd op, de arme stad. Haar onvermijdelijken ondergang voor oogen ziende, onmachtig dien af te wenden, richt zij zich in 1564 met een bede om hulp tot de Staten van Zeeland, tot ’s Konings stadhouder, den Prins van Oranje. Doch de regeering, als ware het in de zoo herhaalde rampen, die de stad getroffen hadden, een soort van godsgericht ziende, en haar toestand onredbaar oordeelende, sluit het oor voor den noodkreet der stervende, en wijst haar terug met de koele vermaning dat zij zich zelve helpen moest, zooals zij best kon. Zich zelve helpen! Maar het ontbrak haar aan alles, want van haar vroegere welvaart was geen spoor meer over; slechts flauwelijk en met groote moeite, kon zij de rest van haar armzalig leven verdedigen tegen den vijand, aan wiens genade zij nu was overgeleverd. En hij, van zijne prooi gewis, haastte zich niet; hij behoefde zich niet meer in te spannen om de verloren stad te verderven: met spottende, tergende wreedheid, liet hij haar over aan haar onontkoombaar lot, aan haar langen doodstrijd. Van nu geen nieuwe watervloeden meer, geen geweldige worstelingen meer op leven en dood, tusschen den mensch en de krachten der natuur: neen, een langzaam wegsterven, alleen verhaast door andere rampen.

Daar waren zware tijden voor geheel het vaderland aangebroken, en Zeeland had daarin ruimschoots zijn deel. Zuid-Beveland, nog door de Spanjaarden bezet, maar van alle kanten door de schepen der Geuzen omsingeld en bedreigd, leed bitter zwaar van de lasten des oorlogs. Daar tastte, in het laatst van 1573, eene afdeeling van het Geuzenleger Reimerswael aan, en vermeesterde haar, na korten wederstand. Maar wat zou men met de gewonnen veste uitvoeren? Zelf haar te houden, was onmogelijk; den vijand gunde men haar ook niet: zoo werd de stad door de ruwe bende in brand gestoken en weder verlaten. En sedert zinkt zij, langzaam, al dieper en dieper, zoo als de onvoorzichtige wegzinkt in het weeke welzand aan den oever der zee. Ontmanteld, ontvolkt, tot een schamel dorp gekrompen, doet zij zelve, in hare uiterste vernedering, afstand van haar rang als stad, van haar recht om met de vier andere goede steden van Zeeland ter Statenvergadering te verschijnen. Zoo sleept zij, in ellende en armoede, haar kommerlijk bestaan voort tot 1631. In September van dat jaar werd, in het naburige Slaak, dat merkwaardige gevecht tusschen de spaansche en de staatsche vloten geleverd, door Vondel in een prachtig gedicht verheerlijkt, en waarbij een groot aantal spaansche krijgslieden in handen der Zeeuwen vielen. De regeering vond goed, die krijgsgevangenen, ruim vierduizend in getal, op te sluiten in het afgelegen dorp, dat eenmaal Reimerswael was geweest; maar de weinige arme inwoners, op deze gasten niet gesteld, verlieten nu hunne woonplaats en trokken elders heen, meest naar Tholen. Zoo bleef de plek verlaten achter, den winden en golven ten prooi, tot eindelijk, in 1634, op last der Staten-Generaal, de straatsteenen, alles wat van de vroegere rijke koopstad was overgebleven, in openbare veiling werden verkocht: de opbrengst dier verkooping—ruim duizend gulden—werd tusschen de schuldeischers der stad, bij preferentie, verdeeld!—Dat was het einde van Reimerswael; voor haar faalde het zeeuwsche devies: zij heeft geworsteld, maar is bezweken. En nog heden, wanneer bij ebbe de gele zandvlakte droogvalt, herkent men de plek, waar eenmaal de stad heeft gestaan, de fondamenten der weggespoelde huizen, den loop der uitgewischte straten: ontroerende sporen van ondergegaan leven, als de voetstappen dier voorwereldlijke vogelen, voor immer afgedrukt in het slijk.

En zij is de eenige niet die aldus onderging. Onder de kalme, lachende, stralende oppervlakte dezer breede wateren slaapt menig vlek, menig dorp, menige hoeve. Ook hier zou, op menige plek, voor u dat aangrijpende visioen kunnen rijzen, zoo schoon door Heine geschilderd:

... tief im Meeresgrunde,

Anfangs wie dämmernde Nebel,

Jedoch allmählich farbenbestimmter,

Kirchenkappel und Thürme sich zeigten,

Und endlich, sonnenklar, eine ganze Stadt,

Alterthümlich niederländisch,

Und menschenbelebt.

Bedächtige Männer, schwarzbemäntelt,

Mit weiszen Halskransen und Ehrenketten,

Und langen Degen und langen Gesichtern,

Schreiten über den wimmelnden Marktplatz

Nach dem treppenhohen Rathhaus,

Wo steinerne Kaiserbilder

Wacht halten mit Scepter und Schwert.

Unferne, vor langen Häuserreihn,

Wo spiegelblanke Fenster

Und pyramidisch beschnittene Linden,

Wandeln seidenrauschende Jungfern,

Schlanke Leibchen, die Blumengesichter

Sittsam umschlossen von schwarzen Mützchen

Und hervorquellendem Goldhaar.

Bunte Gesellen, in spanischer Tracht,

Stolzieren vorüber und nicken.

Bejahrte Frauen,

In braunen, verschollnen Gewändern,

Gesangbuch und Rosenkranz in der Hand,

Eilen, trippelnden Schritts,

Nach dem groszen Dome,

Getrieben von Glockengeläute

Und rauschendem Orgelton.

Verwondert het u nog, dat bij een blik op deze schoone, vroolijk lachende rivier, weemoedige gedachten, sombere beelden, in mijnen geest oprijzen? Toch, wat ook in den fellen strijd verloren ging, meer bleef behouden en werd gewonnen. Nog staven wij de oude spreuk: Luctor et emergo!

Zwijgend staarden wij een poos op het dartel spel der schuimende golven, door de zon met fonkelende diamanten overstrooid.

“En het volk, dat dit land bewoont?” vroeg mijn vriend.

Het draagt den stempel van zijn land. Open en rond, vrijheidslievend en onversaagd tot vermetelheid toe, ondernemend en kloek van zin: zoo heeft het zich getoond in de beste dagen zijner geschiedenis, en van die deugden is het nog niet geheel ontaard. Van kindsbeen af met het water vertrouwd, dat hen van alle zijden omgaf, voelden de rappe, forsche Zeeuwen zich op de stroomen niet minder te huis dan op het land: visscherij, zeevaart, handel, kaapvaart ook, waren van oudsher hunne geliefkoosde bezigheden. Zeeuwsche matrozen vormden voor een goed deel de bemanning van ’s Lands vloot; eene gansche reeks der uitnemendste vlootvoogden en zeehelden was uit Zeeland afkomstig. In de bange jaren der groote worsteling bleven de Zeeuwen niet achter; en deze wateren en deze eilanden waren getuige van menig heldenfeit, van menigen bloedigen kamp, ook met ongelijke krachten tegen de overmacht bestaan. Met hunne ranke vliebooten zwierven de zeeuwsche kapers en geuzen, de zeeuwsche ballingen, op de stroomen en langs de kusten rond, en tastten den vijand aan waar zij hem vonden; als het schelpdier aan de klip, hechtte zich de kleine boot aan het zware zeekasteel, en liet niet af voor de trotsche galei in de warrelende golven was verzonken, of aan den hoogen mast het oranjevendel den koninklijken standaard vervangen had. Ook op de zeeuwsche wateren heeft het in dien tachtigjarigen kamp geschuimd, gedonderd en gestormd; onder al deze rivieren, stroomen en kreken bijna geen enkele, die niet meer dan eenmaal was roodgekleurd door het bloed van vriend en vijand, van landzaat en vreemdeling. Zoo werd de aan de zee ontwoekerde grond, de steeds met ondergang bedreigde en juist daarom te vuriger beminde vaderlandsche grond, ook vrijgevochten van onrechtmatigen dwang, van het juk der vreemden, ondragelijk voor den kloeken, vrijen man, die zich zelven, in eeuwenlange worstelingen met de natuur, zijn land geschapen had. Het waren geduchte vijanden, die zeeuwsche waterleeuwen, met wie niet te spotten viel: dat ondervonden, op hun beurt, Spanjaarden, Engelschen en Franschen. Maar het waren ook trouwe vrienden, wier hart hun op de tong lag, wier ontvankelijk gemoed vatbaar was voor de edelste en zachtste indrukken: echte zonen van hun land, eenvoudig en vriendelijk, ongekunsteld en zachtmoedig, maar eenmaal in toorn ontbrand, vreeselijk in hun kracht, te duchten in hun wraak.....

Eene eigenaardige beweging op het dek deed ons opzien: Vlissingen was in het gezicht.

II.

Inhoudsopgave

Tegen den grijsachtig blauwen, met een lichten nevel half oversluierden hemel, aan welks benedenrand, onbewegelijk, donkere wolkgevaarten hingen; tegen de grijsgroene golven van den onoverzienbaren stroom, samenvloeiende met de zee,—teekenden zich de blanke en roode zeilen der schepen, de zwarte palen der steigers en hoofden, de donkerbruine muren, scherp af. Voorts een stuk strand, stralende in het zonnelicht; een paar kerktorens en spitsen; de roode daken der huizen, half wegduikende achter het groen eener lange, statige boomenrij.

“Zachtjes aan!” riep de kapitein der boot, en zij, gehoorzaam aan dat bevel, haar gang vertragende, lag weldra stil, dansende op de golven. Wij daalden in eene sloep, en stapten kort daarna aan land, aan een zwarten steiger, beklommen de vochtige, glibberige trappen, en gingen onder een soort van donker gewelf door. Aan het einde stond een politiebeambte, die beleefdelijk verzocht, onze papieren te mogen zien. Alles was in orde, en wij traden Vlissingen binnen.


Een boerenbinnenhuis op Walcheren.

Vlissingen maakt geen prettigen indruk. Het is stil in de straten, stil op de met fraaie boomen beplante kaaien en grachten; de beminnaars der oud-hollandsche architectuur zullen hier echter menig geveltje opmerken, dat van den frisschen kunstzin, den naïeven smaak der vaderen getuigt. Hier althans zoekt gij ze vergeefs, die lange reeksen eenvormige, wit of geel gepleisterde, met ornamenten van koekebakkersdeeg beplakte huizen, waarin de bouwstijl onzer dagen, naar het schijnt, zijne hoogste uitdrukking vindt. De heerschende kleur is hier donkerrood, met al de schakeeringen die de tijd daaraan geven kan, en voorts afgewisseld door versieringen in witten of grijzen steen. Teekenachtig genoeg doen zij zich voor, die bont gekleurde huizen, met hunne fantastische, spitse gevels, in wier versiering en uitmonstering de smaak en de luim—niet altijd de schoonheidszin—van eigenaar of bouwmeester zich vrij spel gunde; teekenachtig genoeg, vooral wanneer de zonnestralen, spelend tusschen het gebladert, grillige licht- en schaduwpartijen op de muren schetsen en de roode en gele steenen met warme tinten kleuren. Vroeger, en nog tot voor korten tijd, hadden de meeste huizen, op de met een hekje afgesloten stoep, een houten bank, waarop de bewoners zich des avonds, na afloop van den dagelijkschen arbeid, nederzetten om te rooken, te kijken en wat met elkander te keuvelen. Tegenwoordig zijn die banken, te Vlissingen zoowel als in andere nederlandsche steden, verdwenen; waartoe zouden ze ook dienen? De zeden zijn zeer veranderd; vooral is het zoo eigenaardige buurtleven der vroegere steden geheel verdwenen. Tegenwoordig staat ieder zoo veel mogelijk op zich zelven; men bemoeit zich niet meer met zijne allernaaste buren, als het niet tevens toevallig goede bekenden zijn; wat is er nog gemeens tusschen de bewoners derzelfde straat, derzelfde wijk? Onze vaderen dachten daar anders over; in hun tijd bestond er nog een echt volksleven, waarvan nu bijkans geen spoor meer over is, dat zich in een rijkdom van allerlei vormen openbaarde en zich om tallooze middelpunten samentrok: middelpunten, die weer door allerlei banden onderling verbonden waren. Zoo had ieder, als van zelf, een hem aangewezen kring, waarin hij zich bewoog, waarin en waarmede hij werkte, waaraan hij door persoonlijke herinneringen, door traditioneele banden van belang, van sympathie, van gemeenschappelijk streven, nauw verbonden was. Dat alles heeft opgehouden: de innige, organische samenhang der maatschappij is verbroken; men gevoelt wel het gemis, maar het zal moeite genoeg kosten, eer de roekeloos verscheurde banden weer zijn aangeknoopt.


SIERADEN DER ZEEUWSCHE LANDLIEDEN.

Gouden sloten en knoopen. Oorhangers. Horlogeketting. Spelden. Ringen. Tabaksdozen. Beugeltasch. Halsketting. Broeksknoopen. Tondeldoos enz.

Verwondert het u, dat wij, door deze ouderwetsche stad wandelende, in gedachte worden teruggevoerd naar den goeden ouden tijd? Vlissingen toch heeft heugenis van oude dagen. Voert het niet in zijn wapen een zilveren flesch of kruik op een veld van keel, ter herinnering aan de flesch van den heiligen Willebrord, die, naar sommigen beweeren, nog op het stadhuis bewaard wordt? Ge haalt ongeloovig de schouders op. Nu ja, we weten het wel, dat het tegenwoordige Vlissingen, ten tijde van Willebrord, nog zeer ver te zoeken was; dat het zelfs meer dan twijfelachtig is, of het sedert lang geheel verdwenen Oud-Vlissingen, hoezeer vele eeuwen ouder dan de tegenwoordige stad, in die dagen reeds bestond. Maar Vlissingen mag daarom wel de herinnering bewaren aan dien eerbiedwaardigen apostel, die ook in deze streken het Evangelie predikte, en op Walcherens bodem—in de heidensche tijden, heilige grond—het kruis plantte, waarvan ook hier een nieuw leven zou uitgaan. Voor ’t overige behoeft de stad zich geen verleden te dichten; zij heeft zich door eigen daden, in de historie des lands een roemrijken naam verworven, dien niemand haar betwisten kan.

Het was in de eerste dagen van April 1572. Het gerucht der inneming van Den Briel was ook tot Vlissingen doorgedrongen, en had ook daar de gemoederen in beweging gebracht. Maar er was meer. Aanstonds na de verovering van Brielle, had Lumey Jan van Cuyck, Heer van Herpt, naar Vlissingen gezonden om ook daar eene omwenteling tot stand te brengen. De stad was, op dat oogenblik, in zeer onvoldoenden staat van tegenweer; maar Alva—wel wat laat—het groot gewicht van deze vesting, die den mond der Schelde beheerschte, beseffende, had haastig de noodige maatregelen verordend om haar tegen een mogelijken aanval in veiligheid te stellen. De kolonel Osorio de Angulo had last ontvangen, zich met drie vendelen spaansche krijgers van Breda naar Vlissingen te begeven; de ingenieur Scipio Hampi was er reeds aangekomen, om met den meesten spoed den bouw eener citadel te voltooien, waarmede bereids een aanvang was gemaakt, ten einde die van Vlissingen in bedwang to houden. Het hervatten der werkzaamheden aan deze citadel was juist niet geschikt om die van Vlissingen—een volk, opgewassen in vrijheid, rad ter hand en geneigd “het doen aan ’t dreyghen te knoopen”—tot kalmte te stemmen, en Cuyck, die wist dat voor ’t minst een deel der burgerij op zijne hand was, deed, vooral in overleg met den burger-hopman Glaude Willemsz., het zijne om de gemoederen nog meer op te winden.

Den zesden April, in den vroegen morgen van den eersten Paaschdag, verschenen de spaansche foeriers in de stad, om de noodige schikkingen te maken voor de huisvesting der troepen van Angulo. Hunne komst deed de spanning nog toenemen; Cuyck en zijne vrienden begrepen, dat er geen tijd meer te verliezen was. In de stad heerschte de grootste opgewondenheid. Op het stadhuis was de regeering vergaderd, met de foeriers overleggende wat te doen stond. Een deel der burgerij had zich ter kerke begeven; maar het waren niet de heilige herinneringen van den grooten feestdag, die hunne harten vervulden. De pastoor hield, zegt men, een preek over de verlossing der kinderen Israëls uit de egyptische slavernij; en hij nam daaruit aanleiding, zijn toehoorders te vermanen, de Spanjaarden niet in de stad toe te laten. Op het hoofd aan de rivier stond een dichte drom volks, uitziende naar de schepen, die, ten getale van zeventien, met de spaansche vendelen aan boord, naderden. Onder die schare bevond zich ook Cuyck, die den opgewonden menigte den stouten raad gaf, naar het stadhuis te trekken, en voor de Spanjaarden de poorten te sluiten. Die raad vond gehoor; onder de kreten: “Verraad! verraad! de Spanjaarden komen!” stroomde de menigte naar ’t stadhuis, onder weg vermeerderd door de burgers, die, mede vrij opgewonden, uit de kerk kwamen, en zich aanstonds bij haar voegden. “Weg met de Spanjaards!” klonk het van alle kanten; en de pogingen der regeering om het wassende rumoer te stillen, baatten niet.

In hare verlegenheid, zond zij haastig naar Middelburg, om den stadhouder van Zeeland, Antonie van Bourgondië, Heer van Wackene, die, in de kerk vernemende wat er gaande was, zich onmiddellijk te voet naar Vlissingen spoedde. Inmiddels had de verbitterde menigte, na de weigering der regeering om de sleutels van het kruithuis over te geven, de deur opengebroken, zich van het geschut meester gemaakt, en de kanonnen op de wallen tegen de schepen gekeerd. Deze lagen nog op de reede, wachtende op het getij, om de haven binnen te loopen; Cuyck vermaant het volk, het reeds begonnen werk zonder aarzelen te voltooien: geschiedde dit niet, tastten zij nu niet krachtig door, de straf voor de gepleegde rebellie zou dan niet uitblijven. Een matroos biedt zich aan, voor een drinkgeld, het eerste schot te doen; Cuyck geeft hem twee daalders; de man loopt naar het rondeel, en vuurt het grootste kanon af. De kogel treft den mast van een der schepen. De Spanjaarden, niet wetende wat dit te beduiden heeft, zenden een man af, die al zwemmende den wal bereikt, en vraagt wat deze vreemde ontvangst beteekent. “Wij willen geen Spanjaarden meer, luidt het antwoord; zij mogen keeren van waar ze gekomen zijn.” De man belooft dat dit gebeuren zal, en verzoekt dat men niet meer zal schieten. En inderdaad: Angulo wendt zich tot den stadhouder; en deze, die vergeefs gepoogd had, de menigte tot bedaren te brengen, geeft zijne toestemming dat de schepen weder vertrekken, en keert ook zelf naar Middelburg terug, straks gevolgd door de foeriers, en door Hampi met zijne onderhoorigen. De omwenteling was volbracht; Vlissingen was de eerste nederlandsche stad, die geheel uit eigen beweging, zonder vreemde hulp, de Spanjaarden had verdreven en de zijde van Oranje gekozen. De vier burger-hoplieden, Jacob de Zwijger, Glaude Willemsz., Pieter de Geldersman en Hendrik van Baerle, namen nu de verdere leiding der beweging op zich, en stelden, in een uitvoerig verweerschrift, de redenen van hun verzet te boek. De zoo onvoorzichtiglijk aan haar lot overgelaten stad bleef in handen der patriotten, en alle pogingen, later aangewend, om door geweld, bij verrassing of ook wel door verraad, de zoo belangrijke vesting voor den Koning te herwinnen, mislukten; daarentegen speelden haar kloeke burgers een zeer gewichtige rol in de vaak bloedige worstelingen, waarvan met name de provincie Zeeland jaren lang het tooneel was.

Wandelen wij even de stad door. Elke goede middeleeuwsche gemeente of poorterije had twee groote middelpunten, waarom zich haar godsdienstig en staatkundig leven samentrok: de kerk en het raadhuis. Het is niet meer dan billijk, dat ons eerste bezoek deze gebouwen geldt.

Wij staan voor de Oude of Groote kerk, weleer aan Sint-Jacobus gewijd, en in 1328, onder de regeering van Graaf Willem III, gebouwd. Als alle oorspronkelijk katholieke kerken, later voor de hervormde eeredienst ingericht, heeft ook deze haar eigenlijk karakter verloren en maakt een onaangenamen indruk: een natuurlijk gevolg van het gemis van allen samenhang tusschen de inrichting en de tegenwoordige bestemming van het gebouw. Deze misstand valt hier te meer in ’t oog, omdat men den zonderlingen inval heeft gehad, waarschijnlijk zuinigheidshalve, een van de kruispanden door een muur van het lichaam der kerk af te scheiden en voor de engelsch-episkopaalsche gemeente in te richten. In de Groote kerk trokken een paar graftomben, door hare zonderlinge opschriften, mijne aandacht. Het eene monument is gewijd aan een vlissingschen burgemeester, Jan Lambrechtsen Coolen geheeten, die tevens bewindhebber was der Oost-Indische Compagnie en den 9den Maart 1619 overleed. Deze waarschijnlijk rechtzinnig gereformeerde burgemeester heeft zich een grafschrift laten vervaardigen, dat een strenggeloovige Boeddhist niet zou kunnen verbeteren: Esse nihil mundum nisi vana insomnia, zoo luidt de aanhef van dit grafschrift: De wereld is niets dan een ijdel droombeeld; eene toespeling op ’s mans devies: Omnia mundus, het is al wereld.—Maakt dit epitaphium een weemoedigen indruk, geheel anders wordt ge gestemd bij het lezen van het opschrift op een ander monument, ter nagedachtenis van den Engelschman Daniel Octavius Barwell, die in 1779, bij het verongelukken van het schip Woestduin, op de kust van Walcheren, is omgekomen. Behalve deze bijzonderheid, verhaalt men nog van hem dat hij driemaal begraven werd: eerst te Westkapelle, waar het lijk was aangespoeld; vervolgens te Vlissingen, waarheen het op verlangen der familie werd overgebracht; en eindelijk, omdat men de toen aangewezen rustplaats nog niet eervol genoeg oordeelde, in deze kerk, waar hem een gedenksteen werd opgericht. Het is goed dat wij ons herinneren, hoeveel moeite het heeft gekost om voor dezen doode een hem passende laatste woning te vinden: dit zal ons helpen het grafschrift te verstaan, dat van Daniel Octavius Barwell getuigt, dat hij, door zijne vele deugden en begaafdheden, niet slechts de lust en vreugde zijner vrienden was, maar dat het geheele menschelijke geslacht—tota gens hominum—in hem een sieraad verloren heeft. Voorwaar, als wij dit lezen, keeren wij ons maar weer tot de spreuk van den ouden Lambrechtsen Coolen: het is al wereld!


Een vlissingsche loods.

Aan deze kerk, of liever aan haar later bijgebouwden toren, hecht zich het verhaal uit de jongensjaren van De Ruyter, het bekende verhaal van zijn roekelooze torenbeklimming. De herinnering aan den grooten zeeheld is hier, in zijne geboortestad, nog niet geheel ondergegaan. Voor ruim dertig jaren heeft men, aan de haven, een standbeeld voor hem opgericht, dat, helaas, juist niet strekken kan om den ondeugenden den mond te stoppen, die beweeren dat het ons volk aan eigenlijken zin voor de plastische kunst mangelt. Waarom heeft men ook den held met het aangezicht naar de stad, in plaats van naar de zee, gekeerd? Doch hoe dit zij, zonder een zeker gevoel van eerbied en sympathie, van liefde had ik bijna gezegd, ziet geen rechtgeaard Nederlander dit standbeeld aan. Want, ziet ge, De Ruyter is bij ons de populaire held bij uitnemendheid. Dat dankt hij niet alleen, niet in de eerste plaats zelfs, aan zijne militaire bekwaamheden, aan zijn krijgsmansgenie, aan zijne overwinningen;—anderen komen hem, dunkt mij, hierin vrij wel nabij;—neen, dit dankt hij hoofdzakelijk aan zijn karakter als mensch; hieraan, dat hij, om het met één woord te noemen, ondanks zijn heldendaden en te midden van al zijn grootheid en glorie, tot zijn dood toe, een echt hollandsch burgerman is gebleven. Ons volk nu is burgerlijk in merg en been; en het streelt den eerzamen burgerman, in een zoo beroemd en doorluchtig personage als De Ruyter zijn gelijke te kunnen zien. En inderdaad, dit is geene aanmatiging. De Ruyter is de echte type van onzen oud-hollandschen, degelijken burgerstand, in wien al de deugden en goede eigenschappen van dien stand op het volkomenst vertegenwoordigd zijn, zonder dat ook de eigenaardige keerzijde van dat karakter geheel ontbreekt. De Ruyter zou, ondanks zijn hertogstitel en ridderlint, zeker eene ongelukkige figuur hebben gemaakt onder de edellieden aan het hof van Lodewijk XIV: en dat is hem, den gewezen jongen uit de lijnbaan, niet kwalijk te nemen; maar wat hem tot groote eere strekt, wat voor de gezonde degelijkheid zijner natuur pleit, is dat hij nooit heeft willen schijnen wat hij niet was; dat hij nooit de allures van een geboren hertog heeft aangenomen; nooit reden heeft gegeven, hem een parvenu te schelden. Dat is iets groots; dat was, ook in zijn dagen, iets niet zoo alledaags, dat het volk, de kern der burgerij, dit niet zou hebben opgemerkt en op prijs gesteld, hem daarom niet zou hebben liefgekregen boven vele anderen, die toch weinig minder voor het vaderland hebben gedaan dan hij, maar wien nooit die algemeene, die blijvende populariteit ten deel viel.


Een boer van ’t Nieuwland. (Walcheren.)

Van de andere kerken van Vlissingen valt volstrekt niets te zeggen. Wij wandelen dus voort, en staan voor het stadhuis, een eenvoudig gebouw, dat zich, behalve door zijn arduinsteenen gevel, door niets bijzonders onderscheidt, en dat dan ook oorspronkelijk niet voor stadhuis was bestemd. Vroeger had Vlissingen een vrij wat statelijker raadhuis, dat in 1594, naar het voorbeeld van dat van Antwerpen, werd gebouwd, en meer dan twee eeuwen lang de trots en roem der stad was. Maar dit monument van Vlissingens grootheid ging onder in de bange dagen van 13 en 14 Augustus 1809, toen de destijds fransche stad door de engelsche vloot werd gebombardeerd. Op de omwenteling van 1795, ook door de meerderheid van Vlissingens burgerij met zoo dwaze ingenomenheid begroet, waren bittere en zware tijden gevolgd. Al aanstonds had de stad fransche bezetting gekregen; en toen Napoleon, nog als eerste consul, haar bezocht, had hij met zijn genialen blik onmiddellijk het uitnemend maritiem en strategisch gewicht van deze prachtige havenstad, de sleutel der Schelde, doorzien. In zijne verstrekkende ontwerpen was ook aan Vlissingen eene belangrijke rol toebedeeld, en zij moest daarvoor geschikt worden gemaakt. Op zijn last werden groote vestingwerken aangelegd, kazernen, magazijnen, werven gebouwd: de stad in eene wapenplaats herschapen. Wat beteekende het, of zij haar sierlijken krans van lusthuizen en buitenplaatsen moest missen, en haar omtrek in een woestijn veranderd werd? Wat deerde het, of haar handel wegstierf, en haar welvaart wegslonk met den dag? De imperator had andere dingen met haar voor: zij moest hem geheel toebehooren. Bij het hem afgeperst verdrag van Parijs van 11 November 1807, stond de Koning van Holland, Vlissingen aan Frankrijk af; en met kracht werd nu aan de werken voortgearbeid. Maar ook de engelsche regeering hield het oog op dit punt gevestigd. Was Napoleon onbepaald gebieder over het vasteland van Europa, zij hield den schepter der zeeën in de vuist geklemd, en zou wel zorgen, dat haar die niet ontwrongen werd. Zoo verscheen, in de eerste dagen van Augustus 1809, een engelsche scheepsmacht voor Vlissingen; en na eenige schermutselingen en vergeefsche onderhandelingen, begon in den namiddag van 13 Augustus, het bombardement, dat, met zeer kleine tusschenpoozen, aanhield tot twee uur in den nacht van 14 op 15, en zoo ontzaggelijke schade aanrichtte. Drie kerken, het raadhuis en eene menigte andere gebouwen waren of vernield of reddeloos beschadigd; geen twintig huizen in de stad bleven geheel ongedeerd. Vlissingen viel in de handen der Engelschen, die het echter spoedig weer ontruimden; het bleef in de macht der Franschen tot in het voorjaar van 1814.


In de herberg te Oost-Souburg.

Op het stadhuis toonde men ons een fraai bewerkte zilveren flesch of kruik, in den stijl der renaissance; volgens de legende zou deze kruik van Willebrord afkomstig zijn. Aandoenlijker herinnering hecht zich aan een zilveren beker, mede hier bewaard. Naar men zegt, zou deze beker, in den spaanschen tijd, door de uitgeweken fransche Calvinisten, die hier in een kelder hunne godsdienstoefeningen hielden, bij het Avondmaal zijn gebruikt. Ook bevindt zich hier op het stadhuis de zilveren toren, de zoogenoemde Bossche-toren, door Frederik-Hendrik ten geschenke gegeven aan den vlissingschen snijdersgezel, Pieter Janssen, die, in den vroegen morgen van den 14n September 1628, nog eer de stad zich had overgegeven, binnen ’s Hertogenbosch sloop, en het oranjevaandel op den toren van de Sint-Janskerk plantte.

Ruim zoo statelijke vertooning als het stadhuis met zijn arduinsteenen gevel, maakt het huis daar tegenover, in de wandeling het Beeldenhuis genoemd, naar de standbeelden, waarmede de gevel van dit in meer of min pseudo-klassieken stijl opgetrokken gebouw prijkt. Dit huis houdt er eene legende op na; vreemd genoeg, niet waar, voor een gebouw, dat waarschijnlijk niet veel ouder is dan eene eeuw, althans naar den bouwstijl te oordeelen. Naar men verhaalt, zouden de twee huizen, het Beeldenhuis en het tegenwoordige stadhuis, gebouwd zijn door twee zwagers, waarvan de een, de stichter van het Beeldenhuis, zich ophing, uit spijt dat zijn schoonbroeder een fraaier huis dan het zijne had gebouwd. De man was het slachtoffer van een verkeerden smaak: het Beeldenhuis wint het, als architectonisch kunstwerk, stellig van het stadhuis. Op denzelfden dag, waarop de eigenaar zoo ongelukkig aan zijn einde kwam, viel een der vier standbeelden, die op de kroonlijst waren geplaatst, naar beneden en brak in stukken. Een ander beeld, in de plaats van het eerste gesteld, werd door den bliksem ter aarde geworpen. Een derde was niet gelukkiger: bij het bombardement van 1809 werd het door een engelschen kogel verbrijzeld. Sedert heeft men er van afgezien om de beeldengroep volledig te maken; het voetstuk aan den eenen hoek is en blijft ledig. Aldus de legende.

Er is nog een ander huis in Vlissingen, waaraan zich eene legende hecht: het zoogenaamde Prinsenhuis, tegenwoordig een koffiehuis. Dit huis zou op last van Prins Willem van Oranje zijn gebouwd, om hem ten verblijve te strekken; en wel met de steenen afkomstig van Alva’s onvoltooide citadel, die de Vlissingers zich hadden gehaast, dadelijk na de gelukkig volbrachte omwenteling, tot den grond af te breken. In den tuin van het Prinsenhuis werden, naar men zegt, de eerste aardappelen in Zeeland gepoot.

Wij brachten den avond door in de militaire sociëteit, waar wij door een der officieren waren geïntroduceerd. Natuurlijk liep het gesprek al spoedig over Vlissingen, over haar tegenwoordigen toestand, over haar vooruitzichten. Mijn vriend had zijne verwondering te kennen gegeven, dat eene zoo bij uitnemendheid gunstig gelegen stad, met eene zoo prachtige haven, blijkbaar zoo in verval verkeerde.—“Gijlieden zijt toch een zonderling volk, zeide hij. Uwe grootste koopsteden liggen midden in het land, en gij geeft schatten uit om ze, op eenigszins behoorlijke manier, met de zee in gemeenschap te brengen. Inmiddels hebt ge hier een haven, zoo ruim en goed gelegen als ge maar wenschen kunt, door de natuur zelve aangewezen—en die laat gij ongebruikt liggen.”

“Zacht wat, werd hem geantwoord. Voor eene koopstad is zeker een haven noodig; maar een haven alleen maakt nog geene koopstad. Het ontbreekt hier aan allerlei zaken, die voor eene koopstad even onmisbaar, ja nog onmisbaarder zijn dan een haven: in de eerste en voornaamste plaats aan kapitaal. Bedenk ook, dat Vlissingen aan een verloren uithoek des lands ligt, verre verwijderd van de groote middelpunten van handel en verkeer; en dat, althans in onzen tijd, geen handel van beteekenis mogelijk is, waar de middelen tot snelle en ver verbreide gemeenschap ontbreken. Vroeger was dat anders; en toen was Vlissingen ook inderdaad eene niet onbelangrijke koopstad; de teekenen van haar welvaart vindt ge nog in meer dan een harer oude woonhuizen. Boven de deur eener woning in deze stad staat deze Bijbeltekst: “Hoe zit die stad eenzaam, die vol volks was; zij is als eene weduwe geworden!” En daaronder leest men het bemoedigend woord: “Het zal beter gaan.”—Welnu, dat woord geeft zeer getrouw de stemming weder, waarin men thans hier verkeert. Het zal beter worden; eene andere, schoone toekomst gaat voor Vlissingen open. Onze prachtige haven zal niet langer afgezonderd blijven: een nieuw kanaal zal de stad met Middelburg verbinden; een spoorweg zal niet alleen eene rechtstreeksche gemeenschap openen met de hoofdstad, maar ook met Noord-Brabant, en daardoor met Duitschland en het groote europeesche spoorwegnet. Al deze werken, zoowel als die aan onze haven, naderen hunne voltooiing; zijn zij eenmaal voltooid, dan zal de handel zich hier heen verplaatsen, dan zal het kapitaal toevloeien, dan zal Vlissingen, zooveel gunstiger dan Antwerpen gelegen, de mededingster van de Scheldestad worden, en haar overvleugelen. Dat is alles maar een kwestie van tijd.”

Wij wachtten ons wel, de hooggespannen verwachtingen van onzen nieuwen kennis tegen te spreken, en konden ons nog beter zijne geestdrift en zijn hoopvol vertrouwen begrijpen, toen wij den volgenden morgen in zijn gezelschap de uitgestrekte dok- en havenwerken bezochten, tot voor weinige jaren bij de Rijksmarine in gebruik, maar thans schijnbaar doel- en nutteloos. Ge verwacht hier van mij geene beschrijving dier kolossale werken; zoodanige beschrijving heeft alleen waarde, wanneer zij door een deskundige voor deskundigen gegeven wordt. Ik nu ben geen deskundige, en ik vermoed dat de meesten mijner lezers dit evenmin zijn. Alzoo, verder geen bijzonderheden omtrent de werven, magazijnen, dokken, sluizen, havens, allen op zeer groote schaal aangelegd, en in den laatsten tijd nog verbeterd en uitgebreid. Toch zeide men ons, dat nog meer werken noodig zouden zijn, om Vlissingen inderdaad tot eene haven van den eersten rang te maken; en onze driftige, optimistisch gestemde gids verborg zijn ongenoegen niet, dat men niet aanstonds met den aanleg dier werken was aangevangen. Ik kon mij dit echter wel begrijpen. Vlissingen is geene koopstad van den eersten, zelfs niet van den tweeden of derden rang; ook nu nog niet, nadat de spoorweg en kanaalwerken zijn voltooid, en de rechtstreeksche gemeenschap met Duitschland en het europeesche spoorwegnet geopend is. De vraag komt nu eigenlijk hierop neer: moet men eene haven op groote schaal aanleggen, in de hoop daardoor den handel te lokken; of moet men, naarmate de handel zich ontwikkelt en nieuwe behoeften ontstaan, de werken uitbreiden en de haven verruimen en verbeteren? Dat men in Vlissingen de vraag in den eerst bedoelden zin beantwoordt, is begrijpelijk; maar voor het andere antwoord toch is ook het een en ander te zeggen. Wat hiervan zij: op dat oogenblik maakten deze bijkans ledige havens en dokken een zonderlingen, treurigen indruk; denzelfden indruk bijna, dien een vervallen stad op u maakt, binnen wier ruime wallen plaats is voor het dubbele van haar bevolking, en waar uitgestrekte velden en tuinen de ruimte hebben ingenomen van verdwenen straten en pleinen. Deze inderdaad prachtige haven wacht op de schepen, die hier de schatten van den wereldhandel zullen aanvoeren. Zullen zij komen? Zal Vlissingen het punt van uitgang worden voor onze transatlantische vaart, het groote débouché voor noordelijk en midden Duitschland? De toekomst alleen kan daarop antwoord geven. Onze beste wenschen zijn voor haar; zij heeft het wel verdiend, de dappere, kloeke stad, van haar vroegeren rang zoo zeer gedaald; zij heeft het wel aan het vaderland verdiend, dat al het mogelijke worde gedaan om haar uit haar verval op te heffen, en haar althans voor een deel haar vorige welvaart weer te geven. Moge het haar eigen burgers daartoe niet aan de oude geestkracht en stoute ondernemingszucht ontbreken.

Het was een heerlijke, zonnige morgen. Reeds vroegtijdig waren wij op de been; zoo vroeg, dat wij nog den ouderwetschen wekker of klopper konden zien rondgaan, die met zijn langen stok, aan welks uiteinde een plankje bevestigd is, tegen de ruiten der bovenkamers tikt, om de bewoners, wier dagtaak hen vroegtijdig tot den arbeid roept, te wekken. Wij wandelden naar het strand; een frissche koelte woei ons uit zee tegen; vroolijk kabbelden de golfjes en zongen, melodisch ruischend, hun morgenlied.

“Willen wij een klein zeetochtje doen?”

“Van harte gaarne,” antwoordde mijn vriend.

Wij huurden een zeilboot en staken van wal. Het was een waar genot, te dobberen en te dansen op de golven, die ons nu en dan met zilver schuim overspatten, als zij, in een regen van diamanten, braken tegen de ranke kiel. Met vaste hand hield onze bootsman het roer; zijne levendige grijze oogen, zijn scherp geteekend, door de zon gebruind gelaat, de gulle lach om zijn mond, getuigden van schranderheid, kracht en zachtmoedigheid. Het vaartuig gaat met de deining op en neder, en glijdt over de wateren; de stad wijkt op den achtergrond; de wijde zee opent zich voor ons. Zoo zwierven wij een poos rond, de krachtige zeelucht inademende, vroolijk en opgewekt. En nu terug, naar den wal. Nog maar weinige oogenblikken resten ons, en wij moeten vertrekken. Nog even toeven wij op de kaai, en werpen een blik op de breede watervlakte, waarop enkele schepen en stoombooten zich schier verliezen; de breede watervlakte, die u als uitlokt in de boot te stappen en op de zeeën uw geluk te gaan beproeven. Is het wonder, dat zoo velen, in Vlissingens wallen geboren, aan deze machtige bekoring geen weerstand hebben kunnen bieden, dat hun hart hen trok naar de geheimzinnige zee, waarachter het land van belofte voor hunne oogen opdoemde? Zij hebben hun geluk op de wateren beproefd, en met den besten uitslag: waarom zouden ook hunne zonen het niet doen?

“Ik blijf er bij, zeide mijn reismakker;—gij moogt zulk eene haven niet ongebruikt laten! Waarom trekt ge uw spoorweg tot hier door: toch niet om hem aan het strand dood te laten loopen? En die havens en dokken,—ze zijn immers toch gemaakt om gebruikt te worden?

—Denk aan het opschrift op die woning: Het zal beter gaan. Laat ons hopen, dat deze woorden eene profetie blijken, die de toekomst niet zal logenstraffen.”

III.

Inhoudsopgave

Tusschen Vlissingen en Middelburg reden vroeger een soort van wagens, zeer veel overeenkomende met de in Holland welbekende snorwagens, maar die hier den eigenaardigen naam droegen van pietjeswagens, of ook wel bij verkorting pieten. Zij ontleenden dien naam aan de bijzonderheid, dat de vracht voor vier personen niet meer dan een pietje, zes-en-een-halve stuiver, bedroeg. Zeker goedkoop genoeg. Nu, de wagens maakten ook geen aanspraak op bijzondere sierlijkheid; vrees voor op hol gaan, behoefden de passagiers ook niet te koesteren, want de eerwaardige paarden, voor deze pietjeswagens gespannen, waren hun laatste stadium van bruikbaarheid sinds lang ingetreden. De pietjes en de pietjeswagens zijn beiden verdwenen; de eersten zijn opgeruimd bij de hervorming van het muntstelsel; de anderen hebben moeten wijken voor meer moderne vervoermiddelen, omnibussen en spoorwegen.


Stadhuis te Middelburg.

Gij zult het wel begrijpelijk vinden, dat wij, op dien fraaien zomerdag, de voorkeur gaven aan eene wandeling boven welk antiek of modern vervoermiddel ook. Alzoo, de reistasch omgehangen, den trouwen stok ter hand genomen, en dan op weg.


Heulen.

De trouwe stok? Wel zeker; verwondert u dat epitheton? Hebt ge nimmer een voetreis gedaan, en voeldet ge dan niet eene zekere gehechtheid, die met den dag toenam, voor het valies, dat uw sobere bagage bevatte, voor den stok, die u schraagde en steunde, en bij het beklimmen van steile bergpaden van zoo groote dienst was? Was het u niet, terwijl ge eenzaam, in een onbekende streek, uwen weg vervolgdet, of dat valies, die stok, oude bekenden, vrienden waren, die voor u het zoet te-huis, met al zijne herinneringen vertegenwoordigden, en in het vreemde land u de eenzaamheid minder eenzaam maakten? En wanneer die stok, ten gevolge van veelvuldige diensten, eindelijk onbruikbaar begon te worden, zaagt ge dan niet met smart het oogenblik naderen, waarop ge hem door een anderen zoudt moeten vervangen; en wanneer dan eindelijk, na lang uitstel, dat oogenblik gekomen was, als ge volstrektelijk van hem scheiden moest,—wel, is het u dan nooit overkomen, dat ge in de struiken ergens een plekje zocht, waar ge dien makker, dien ge hadt leeren waardeeren, ter ruste legdet, liever dan hem eenvoudig op den openbaren weg weg te werpen? Begrijpt ge daar niets van; niets van de liefde van den werkman voor zijn gereedschap, van den soldaat voor zijn wapen, van den jager voor zijn geweer; niets van de liefde voor huisraad, kleedingstukken of versierselen... ja, dan zal ik maar niet beproeven, mijn epitheton van trouw, aan mijn stok toegekend, te verdedigen.—Overigens, ik moet het erkennen, is dat gevoel, waarvan ik sprak, zeer bepaald ouderwetsch, en der verdwijning nabij. In trouwe, hoe zal men zich ook, in deze eeuw van stoom en fabriekmatige voortbrenging op groote schaal, aan eenig voorwerp kunnen hechten? Vooreerst zijn die voorwerpen niet bestemd om te duren: zij zijn op niets anders aangelegd dan op de behoefte, den smaak, de gril van ’t oogenblik: wijzigen zich die—en zij doen dat telkens—dan verliezen ook de voorwerpen zelven hunne waarde, en worden, voor een korte poos, door anderen vervangen, die weer even snel verdwijnen. Kleedingstukken, die van vader op zoon, van moeder op dochter, overgaan, dikwerf drie of vier geslachten achtereen; meubelen, die eeuwen lang de huiskamer versieren: waar zijn ze nog te vinden? En hoe wilt ge, dat de mensch zich hechten zal aan deze vluchtige dingen, die hij heden in gebruik neemt, om ze morgen als onbruikbaar of uit de mode weer ter zijde te zetten? Maar er is voor deze onverschilligheid omtrent de onbezielde voorwerpen onzer omgeving nog een dieper liggende oorzaak. Vroeger droeg ieder voorwerp, ieder meubel, elk stuk huisraad of gereedschap, een eigenaardigen stempel, had eene eigene geschiedenis; elk daarvan was het gewrocht van een denkend hoofd, van eene kunstvaardige hand, die niet hadden kunnen nalaten, het merk der oorspronkelijkheid in hare schepping af te drukken, aan elk voorwerp, ook aan het minst beteekenende, eene eigene physionomie te geven. Daar leefde een ziel in al deze schijnbaar ziellooze dingen: en deze ziel was het, die den bezitter of gebruiker aantrok, die, onbewust, in zijn eigen gemoed diep verborgen snaren trillen deed, en hem het voorwerp zelf lief deed krijgen. Zie, dat alles is verloren, en reddeloos verloren gegaan, sedert de fabrikage den handenarbeid heeft vervangen, sedert de machine—de inderdaad geest- en ziellooze—den mensch, den kunstenaar, heeft verdrongen. Gezwegen nog van de wezenlijke kunstwaarde, die toch onafscheidelijk is van vinding en inspiratie, van individualiteit in één woord;—welk, ja, laat ik zeggen geestelijk, karakter kunnen zij nog hebben, die voorzeker onberispelijk afgewerkte voorwerpen, die, onderling allen volmaakt gelijk, door eene met de regelmatigheid van het noodlot werkende machine, met volslagen onverschilligheid, bij duizenden tegelijk worden voortgebracht? Hoe zullen zij tot ons gemoed kunnen spreken, zij, aan wier vervaardiging geest noch gemoed het allergeringste aandeel had? Ziet ge, dat is mede een van de vele manieren, waarop de moderne industrie de poëzie des levens ondermijnt en vernietigt; naar ik vreeze, niet zonder groote schade voor ons zelven en die na ons komen zullen. Is het onmiskenbare comfort, dat ze ons in ruil geeft, voldoende vergoeding voor dit groote gemis?

Maar ik zou vergeten, dat wij op weg zijn van Vlissingen naar Oost-Souburg; en dat het u waarschijnlijk verdrieten zou, op dezen heerlijken, zonnigen, geurigen Meimorgen, terwijl alles rondom ons leven en lust en vroolijkheid ademt, naar zulke sombere overdenkingen te luisteren. Vergeef mijne zwakheid: de oude tijd trekt mij machtig aan.—Doch nu, laat uw blikken dwalen over deze welige weiden en velden, in de verte door de blinkend witte toppen der duinen begrensd; adem de frissche lucht in, die u hier van alle kanten tegenstroomt, nog doortrokken van de krachtige geuren der zee. Langs den breeden, met fraaie boomen beplanten straatweg, ziet ge meest nieuwerwetsche buitenhuizen, villa’s en cottages, in allerlei bouwstijl, en door sierlijk aangelegde tuinen omringd. Ginds, op het veld, arbeiden mannen en vrouwen: krachtige, kloeke figuren, waarop ge uw oog met welgevallen laat rusten. Beklaag hen niet, al is nu, vooral in dezen tijd, hun dagtaak zwaar; al moeten zij, in den meest letterlijken zin des woords, in het zweet huns aanschijns hun brood eten. O, duizendmaal beter deze arbeid in de vrije natuur, onder Gods wijden hemel, op het spijze voortbrengende veld, dan die in de dompige fabriek, met honderden soms opgesloten te midden van een half verpesten dampkring, van helsch geraas, veroordeeld de onzelfstandige dienaars te zijn van stoom en machines. Beklaag ze niet: de veldarbeid, die het brood uit de aarde doet ontspruiten, is de oudste en eerwaardigste, is nog altijd, voor lichaam en ziel, in menig opzicht de gezondste.

Treden wij even die hoeve daar binnen, wier groen en rood geschilderde luiken zoo scherp afsteken tegen den witten muur, waarop de zorgvuldig besnoeide, langs latten geleide linden hun schaduw werpen. Een aardige, vriendelijke groep, niet waar, die oude man aandachtig in den Bijbel lezende; die jonge vrouw, met het kind op haar schoot; terwijl de echtgenoot en vader, ook hij in de eerste kracht des levens, met zijn eerstgeboorne speelt. Door de boomen heen dringen de zonnestralen in het stille rustige vertrek, en spreiden een warmen gloed over de eenvoudige bruin-houten meubelen, over den wit gepleisterden muur, waartegen de welbekende friesche klok hangt, wier eentonig getik zoo uitnemend bij dit kalme binnenhuis-tafreeltje past.

Wij toeven even op den drempel: mijn vriend had schik in dit tooneel, in dit hollandsch binnenhuisje, dus op ’t leven betrapt. Zoodra men ons gewaar werd, en althans een onzer als landgenoot was erkend, werd ons aanstonds een stoel aangeboden, waarvan wij gebruik maakten om met deze goede menschen—welgestelde landlieden—een poosje te praten. Van hen vernamen wij ook, waarom het op den straatweg zoo bijzonder druk was: het was kermis te Oost-Souburg.

Het duurde niet lang, of wij werden dit ook aan andere teekenen gewaar. Uit de verte klonk ons dat eigenaardig dof gerucht tegen, waaraan eene groote woelige menigte reeds van verre kenbaar is; en daar boven uit vernamen wij gezang en geschreeuw, tromgeroffel en trompetgeschal, een onharmonische mengeling van allerlei verwarde geluiden.... Nog eenige schreden, en wij staan midden op de kermis.

Wij bevinden ons op een ruim plein met statige lindeboomen beplant, en uitloopende in eene lange, vrij breede straat, ter wederzijde omzoomd door kleine steenen huizen, met groen geverfde deuren en witte kozijnen, netjes en welvarend van voorkomen. Trouwens Oost-Souburg is een vrij aanzienlijk dorp, dat nog tegenwoordig zijn rang ophoudt, al heeft het heugenis van oude dagen. Was het niet, in vroeger eeuw, beroemd om het wonderdoende beeld van Onze-Lieve-Vrouwe, in een nis van den toren geplaatst, en waarheen de bedevaartgangers uit het geheele land van Walcheren opgingen om van hunne kwalen genezen te worden? De beeldenstorm wierp het beeld ter aarde, en liet alleen de ledige nis; Oost-Souburg is geen heilige plaats meer, maar het heeft nog veel van zijn oude welvaart, van zijn oud aanzien behouden.

Een aardig tafreel. Ter wederzijde van het ruime plein staan breedgetakte, bloeiende linden, die de lucht met de geuren hunner welriekende bloesems vervullen; on daaronder staan een aantal karren en wagens, opzichtig rood en groen geschilderd, en met witte huiven overdekt. Langs den rand zijn, bij wijze van slingers, kleurige zijden doeken opgehangen. In de wagens, onder de witte huiven, zitten jongelieden van beiderlei kunne. De jonkmans dragen ronde hoeden, deels met zeer smalle, deels met zeer breede omgeslagen randen; de laatsten, waaraan ge de boeren uit het Nieuwland herkennen kunt, prijken meestal met een breed fluweelen lint met bloemen gestikt. Om den hals dragen zij een doek van sterksprekende kleur; aan hun hemdsboord prijken twee groote gouden of althans vergulde, opengewerkte knoopen. Voorts bestaat hunne kleeding uit een buis, rok of kortrok genaamd, met een opstaand kraagje van pluis, en een korten broek van zwart fluweel, waarvan de band met twee of ook wel vier groote opengewerkte zilveren platen, broekstikken geheeten, is versierd. De hemd- of borstrok is doorgaans scharlakenrood, met groote blauwe, gele of paarse bloemen bewerkt, en voorzien met eene menigte zilveren knoopen, wel twintig in getal. De plompe, van voren zeer breed uitloopende schoenen behoeven slechts groote strikken, om u aan het schoeisel van voor twee- of driehonderd jaren te herinneren. Uit den rechter broekzak steekt vaak het zilveren of hartshoornen heft van een groot mes, dat gebruikt wordt om vleesch of brood mede te snijden, maar ook somwijlen een gevaarlijk wapen wordt. Zelfs kleine jongens, wier kleeding overigens geheel op die hunner ouders gelijkt, dragen zulke messen, natuurlijk van geringer afmetingen en eenvoudiger vorm, bij zich.

Al de jonge dochters, uitgezonderd die in den rouw zijn, dragen een witten strooien hoed, die een weinig naar voren staat; van achteren is de rand van dien hoed versierd met een strook van blauw geplooid lint; lange linten van dezelfde kleur hangen op den rug; onder de kin wordt de hoed vastgestrikt met veelkleurige linten, die door een gouden haak worden saamgehouden. Van het haar ziet ge weinig of niets. Maar wat natuurlijk in de eerste plaats de aandacht van mijn vriend trok, was het hoofdtooisel dezer vrouwen en meisjes, want zoo iets ziet men, geloof ik, buiten Nederland bijna nergens. Op de zeeuwsche eilanden is, althans op het platteland, het dragen van oorijzers nog vrij algemeen in zwang. Die oorijzers zijn hier, op Walcheren, van zilver, en van voren ter wederzijde voorzien van kleine gouden spilvormige krulletjes, waarin groote gouden spelden met vrij zware knoppen steken. Bovendien is zeer dikwijls aan het oorijzer nog een zoogenaamde hoofd- of voornaald van geciseleerd goud bevestigd, die dwars over het voorhoofd loopt: bij de jonge meisjes van rechts naar links, bij de getrouwde vrouwen van links naar rechts. Voeg daar nu bij een paar groote gouden oorbellen, en een bloedkoralen ketting van drie of vier snoeren met een groot gouden of juweelen slot: en ge zult mij toegeven dat zulk een hoofdtooisel, gezwegen nog van de soms zeer fraaie kanten muts, voor ’t minst kostbaar genoeg is, al mag het ook, naar mijn smaak, geen aanspraak op bevalligheid maken. Gelukkig dat er onder deze walcherensche boerinnetjes velen zijn, wier fijn besneden gezichtjes, blozende van gezondheid en levenslust, u met ieder kapsel kunnen verzoenen, dat zoo lief gelaat omlijst.

Het jak of dusgenaamde manteltje, van glanzend blauwe, zwarte of bruine zijde, met fluweel omboord en met korte mouwen, is van voren zeer laag uitgesneden. De borst is bedekt met een kanten doek, over een blauwe of rooskleurige stof geplooid, en versierd met twee of drie strikken van veelkleurig lint. Tusschen dezen borstlap, waarvan de technische naam mij ontschoten is, en den zoom van het manteltje, prijkt een zijden doek met breede plooien en van zeer schitterende kleur. De gegoede vrouwen en meisjes dragen tot zes en zeven rokken over elkander; de bovenste rok is altijd donkerkleurig en van onderen met fluweel omboord. Over dien rok wordt de schorte of boezelaar gedragen, die dikwijls van blauwe zijde is en met violette linten wordt vastgestrikt.

Bij feestelijke gelegenheden als deze, dragen nog enkele vermogende vrouwen en meisjes den antieken beugeltasch van zwart fluweel met massief zilveren slot, doorgaans aan een ketting van hetzelfde metaal hangende. In dien tasch hebben zij fraai bewerkte zilveren reuk- en pepermuntdoosjes, en verder eenig geld. Ook hangt nog dikwijls, onder de schorte, mede aan een zilveren ketting, een groote zilveren schaar. De vingers der rechterhand zijn, bij de meisjes, overladen met gouden ringen, waaronder enkelen, die met groote kostbare steenen prijken en zeer fijn bewerkt zijn. De getrouwde vrouwen dragen alleen haar trouwring. De schoenen zijn voorzien van gespen, wier vorm en grootte niet alleen op de verschillende eilanden, maar zelfs op de verschillende dorpen, anders is.

Denk u nu deze bonte, kleurige groepen, schilderachtig omlijst door de witte huiven der wagens, en nu en dan plotseling verlicht door een dartelen zonnestraal, die door het gebladerte der linde heenschiet, en weerspiegelt in de hoofdnaalden, in de gouden en zilveren knoopen en gespen, die over de zijde en het fluweel een glanzigen weerschijn doet spelen, en der kleurenmengeling warmer tinten geeft; denk u de frissche blozende gezichten en krachtige slanke gestalten dezer jonge lieden, typen vaak van mannelijke kracht en vrouwelijk schoon, met hunne fijn besneden sprekende trekken, hunne donker bruine of helder blauwe oogen, stralende van gezondheid en levenslust:—en ge zult u wel kunnen begrijpen, dat wij met welgevallen dit levendig, schilderachtig tooneel beschouwden, waar telkens nieuwe beelden onze aandacht vorderden, nieuwe schakeeringen, nieuwe tegenstellingen van licht en bruin, onze bewondering opwekten.


De Oost- of Koepelkerk te Middelburg.

Welk een drukte en gewoel om ons heen! Caroussels, koek- en wafelkramen, uitstallingen van allerlei aard, enkele kleine spellen, waar koorddansers of goochelaars hunne kunsten vertoonen, of vreemde zonderling misvormde schepsels zijn te zien, of wel panorama’s van verre landen en steden worden vertoond. Een bijna oorverdoovend gerucht van trommels en trompetten, van fluitjes en draaiorgels, van joelende, zingende, schreeuwende stemmen. En dat alles loopt en warrelt en krioelt door elkander, in verbijsterende kleurenmengeling, tusschen de tenten en kramen, onder de kalme, lommerrijke boomen, over het ruime, zonnige plein. Onophoudelijk rijden de karren en wagens af en aan, want niet altijd stappen de bezoekers af om op de kermis te vertoeven. Velen, vooral die van elders komen, blijven in hun wagen zitten en vergenoegen zich met een kijkje te nemen. Anderen gaan de druk bezochte herbergen binnen, waaruit een verward gerucht van muziek en gezang en door elkander pratende stemmen ons tegenklinkt. Wij treden even een dier herbergen binnen. Op een kleine verhevenheid—waarschijnlijk een plank over een paar vaten gelegd,—zitten drie muziekanten, waarvan twee op half ontstemde violen krassen, en een derde aan een aamborstige fluit melankolieke tonen ontlokt. Eenige jeugdige paren dansen op deze muziek,—in de stampvolle gelagkamer, in een bijkans verstikkende atmospheer van tabaksrook, jenever en likeur, op een warmen zomerdag! Maar zie, daar voor op de bank: wat aardige groep. Een krachtig gebouwde, welgemaakte jonkman, in zijn fraaiste pak uitgedost, biedt, half knielend, zijn meisje een glas wijn aan. De manier, waarop hij dit doet, is zeer bijzonder. Hij houdt den voet van het ten boorde gevulde glas in den mond, en zij drinkt er zoo uit, zonder van den wijn te storten. Zij is mede eene mooie, flinke, blonde boerendeern, met heldere oogen, blozende wangen en een schalk lachenden mond. De groep is geestig en teekenachtig genoeg, om in het schetsboek van mijn reisgenoot te worden bewaard.


Op weg naar de kermis.

Welk eene treurige figuur maakten, te midden van deze vroolijke, krachtige, levenslustige landelijke bevolking, in haar bonte, kleurige, schilderachtige kleederdracht, eenige eerzame burgerluidjes van Middelburg, met hunne lange, ouderwetsche jassen, hunne vaal-bleeke melankolieke gezichten, waarop de verveling en bekrompenheid van het klein-steedsche leven staan afgeteekend; met hunne doffe, glanslooze oogen en linksche bewegingen. Blijkbaar gevoelen zij zich hier, te midden van dit frissche, overvloeiende leven, niet op hun gemak, en trekt hun hart weder naar de stad, naar hun dompig kantoor of hun muffen winkel, waarin zij tot dusver hun leven verdroomden, tot ze zelven suf werden.

Wat de boeren en boerinnen betreft, zij zijn inderdaad een schoon en krachtig menschenras. Slank, welgebouwd, mager, gespierd, kalm en rustig, hebben zij over het algemeen iets gedistingeerds in hun voorkomen, dat ge bij hunne standgenooten in andere streken van ons vaderland vaak te vergeefs zoeken zoudt. Hun type herinnert zeer duidelijk aan hun oorsprong uit friesch of saksisch bloed, vooral het meestal smalle, scherp geteekende gelaat, met den sterk uitkomenden neus, de groote oogen en den fijn besneden mond. Menigmaal zoudt ge meenen Engelschen voor u te zien. Ook de vrouwen hebben dien fijnen blanken tint, die heldere, sprekende blauwe oogen, harer britsche zusters eigen. Zij zijn vroolijk en opgeruimd van aard, en ontzien zich niet, hardop te lachen. Misschien weten zij ook wel, dat zulk een lach haar fraaie witte tanden op het voordeeligst doet uitkomen. Deze vroolijke, levenslustige zin doet overigens harer degelijkheid geen afbreuk, de zeeuwsche boerin, huisvrouw en moeder geworden, zal geen harer plichten verzuimen, of in ijver en werkzaamheid onderdoen voor hare misschien ietwat stijver en stemmiger zusteren in de noordelijke provinciën. Overigens staat het met deze stemmigheid en deftigheid, dezen onverstoorbaren flegmatischen ernst, die zoo vaak ons volk als een verwijt voor de voeten wordt geworpen, inderdaad toch niet zoo erg geschapen, als men somtijds wel meent. Onze vaderen wisten zeer goed vroolijk te zijn en het leven te genieten: ge behoeft slechts hunne portretten op onze regentenstukken en schuttersmaaltijden aan te zien, om ten volle overtuigd te worden, zoo ge het niet reeds van elders wist, dat deze kloeke mannen in het minst geen asceten waren, en de dooding des vleesches juist niet het hoofddoel van hun streven was. Ongetwijfeld heeft het strenge Calvinisme over ons volksleven een zekeren tint van stroeven ernst en afgekeerdheid van de wereld verspreid, aan de uiterlijke vormen van ons dagelijksch verkeer zekere stijfheid en afgemetenheid gegeven: maar, op den keper beschouwd, gold dit toch altijd maar van zekere kringen, en op verre na niet van het algemeen. De voortdurende klachten en beschuldigingen der predikanten over zedeloosheid en losbandigheid, behoeft men zeker niet naar de letter op te vatten: maar zooveel blijkt er toch uit, dat ook zij, die zoo vaak als oppermachtige toongevers worden beschouwd, hun ideaal schier in geen enkel opzicht verwezenlijkt vonden; en dat hunne klachten en beschuldigingen, hunne vermaningen en bedreigingen weinig baatten, weten wij niet alleen uit hunne eigene getuigenis, maar ook uit die van anderen. Het hapert ons volk niet zoo zeer aan vroolijkheid en levenslust, maar wel aan dien fijneren takt, aan dat ingeschapen gevoel voor het betamelijke, het welstaande en schoone, dat ook te midden van vroolijkheid en lust de rechte maat weet te houden, en de grenzen van het welvoegelijke niet overschrijdt. En zou het niet juist het instinktmatig bewustzijn van dat gemis zijn, het gevoel dat men, toegevende aan de natuurlijke aandrift tot vroolijkheid, aanstonds gevaar loopt de perken te buiten te gaan en tot woeste losbandigheid over te slaan;—zou het niet juist die overtuiging zijn, die zoo menigmaal een onnatuurlijk zelfbedwang in het leven roept, eene stroeve terughouding, eene linksche stijfheid, welke zoo dikwijls voor deftigen ernst doorgaat en daar ook wel voor wil aangezien worden? Wie zich de vormen der fijne beschaving niet eigen weet te maken, zoekt wel meermalen zijn toevlucht in opzettelijke lompheid, die dan voor onafhankelijkheid van karakter gelden moet. Waaraan nu dat gebrek in ons volkskarakter is toe te schrijven? Ja, waarschijnlijk aan zeer verschillende oorzaken. Ik wil er slechts twee noemen, die, naar mijn inzien, daartoe krachtig hebben medegewerkt. Vooreerst, de heerschappij eener kerk, die bijna alle uitspanning en vermaak veroordeelde, althans zich ganschelijk daar buiten hield, en juist daardoor allen veredelenden invloed op deze uiting van het volksleven verloor. En ten andere, het gemis van eene echte aristokratie, van een schitterend hof, die een leerschool van beschaafde vormen en hoogere esthetische ontwikkeling konden zijn en dit elders ook inderdaad waren.

Maar wij dwalen af, en zouden wederom vergeten dat wij ons nog steeds te Oost-Souburg op de kermis bevinden. Trouwens, hetgeen wij om ons zien, is niet zoo geheel vreemd aan deze overdenkingen.—Ik heb daareven gepoogd, u de kleederdracht der feestvierende landlieden te beschrijven, en te doen gevoelen hoezeer juist die bonte, veelkleurige kostumen, hoe onbevallig zo soms ook mogen zijn, aan geheel het tooneel een eigenaardig schilderachtig karakter geven; hoe ge juist daaraan dat betooverend spel van kleuren en tinten, van licht en bruin dankt, dat het oog van den kunstenaar verrukt. Maar ik had daarbij moeten voegen, dat ook hier in Zeeland, dit nationale kostuum een harden kamp te voeren heeft met de steeds verder en verder doordringende mode, wier hoogste ideaal de algemeene eenvormigheid is. Voorzeker zal het nog een geruime tijd duren, eer de zeeuwsche boer zijne trouwens reeds eenigermate gewijzigde, voorvaderlijke kleeding verwisselt voor die van den stedeling; eer de boerin haar oorijzer en hoofdnaald, haar kanten muts en strooien hoed, haar laag uitgesneden jak en kanten borstlap aflegt, om de uitzinnigheden van het moderne dames-toilet na te volgen. Maar toch, de strijd is begonnen: en in de grootere steden, onder de aanzienlijke en gegoede standen, is het nationaal kostuum reeds vergeten; ja ook op het land is eene zekere zucht tot afwijking van de traditioneele kleeding merkbaar, vooral in de gehalte en keuze der stoffen. En wanneer deze beweging eenmaal begonnen is, kan ze sneller om zich grijpen, dan men vermoedt; vooral nu Zeeland in meer rechtstreeksche gemeenschap is gebracht met andere gewesten en landen, nu de bevolking meer in aanraking met vreemden zal komen, en de stijgende welvaart ook hier in de zeden en denk- en levenswijze eene verandering zal te weeg brengen, die het vasthouden aan oude vormen en overgeleverde gebruiken weldra onmogelijk zal maken. Zoo zal waarschijnlijk ook hier, na korter of langer tijd, de lokale kleur, de individualiteit en oorspronkelijkheid, verdwijnen en opgelost worden in het eenvormige eenerlei, dat wel de vloek van onze moderne beschaving mag heeten. Gelukkig daarom, dat het ons nog gegund is, dit nationale leven in zijne oorspronkelijke vormen en uitingen te bespieden en te waardeeren; wie weet hoe spoedig dit alles, als zooveel schoons en voortreffelijks, tot de herinneringen van een onherroepelijk verleden zal behooren!

Oost-Souburg, halverwege tusschen Middelburg en Vlissingen gelegen, behoorde vroeger met het dorp West-Souburg tot de aloude heerlijkheid van Souburg, waarvan reeds in de registers der utrechtsche kerk melding wordt gemaakt, en die haar naam schonk aan een eigen geslacht van edellieden, de Heeren van Souburch, wier naam een en andermaal in de zeeuwsche geschiedenis wordt genoemd. Later in handen gekomen van het aanzienlijke, wijdvertakte geslacht der Van Borsselens, ging de heerlijkheid, in het laatst der vijftiende eeuw, over in handen van de Heeren van Bourgondië, afstammelingen van een natuurlijken zoon van Hertog Filips van Bourgondië. Het kasteel van Souburg herbergde toen meermaals vorstelijke bezoekers binnen zijne wanden. De jeugdige Aartshertog Karel van Oostenrijk vertoefde er in 1515; en een-en-veertig jaren later verscheen er nogmaals dezelfde Karel, de wijdberoemde, geduchte Keizer, der wereld en des levens moede, zijne kroon afleggende, om in een klooster althans eenigermate de rust te vinden, die hij in zijn woelig leven zoo weinig had gekend. Den 6den September 1556 teekende hij, op den huize Souburg, zijne laatste “Ordonnantie op ’t poinct van de Religie”, en den volgenden dag, nadat hij de hoop om ook de keizerlijke kroon op het hoofd van zijn zoon Filips te plaatsen, had moeten opgeven, bekrachtigde hij de acte, waarbij hij de waardigheid van duitsch Keizer overdroeg aan zijn broeder Ferdinand, den Roomsch-Koning. De Souburg was des Keizers laatste herberg op nederlandschen bodem. Eenige jaren later, in 1575, ging de heerlijkheid over in handen van Filips van Marnix, Heer van Sint-Aldegonde, die aan het kasteel een nieuwen luister schonk. Zijn naam is het, die nog steeds in de herinnering voortleeft, waar van den Souburg wordt gesproken. Op de oud-adellijke huizinge woonde hij, als een vader onder zijne kinderen, nadat de val van Antwerpen hem de zoo lang genoten populariteit en zijne plaats in de regeering, voor een tijd althans, verliezen deed. Hier arbeidde hij aan zijne verklaringen van den Bijbel, aan zijne voortreffelijke, te zeer miskende psalmberijming; hier sleet hij eenige jaren in rust en vreedzame studiën, tot hij straks wederom geroepen werd het staatstooneel te betreden. En de oude man, schoon door tegenwerking en miskenning en velerlei ondank gekrenkt, door huiselijk leed gebogen, weigerde niet, de welverdiende rust te verlaten om te gaan, werwaarts zijn plicht hem riep. Voor hem was ze eene ernstige waarheid, die verheffende en wederom zoo weemoedige spreuk: Repos ailleurs.


Zakmes van een zeeuwschen boer.

Het oude kasteel overleefde nog bijkans twee eeuwen zijn beroemden eigenaar, den vriend en medestrijder van Oranje, den dichter van ’t Wilhelmuslied, den innig vromen Christen, wiens naam in onze dagen zoo vaak, als eene krijgsleuze, wordt misbruikt door mannen, wier beginselen lijnrecht tegen de zijne overstaan, en van wie de edele held zelf, had hij ze gekend, zich ongetwijfeld met zekeren weemoed zou hebben afgewend. Maar het is, of met zijn dood ook de belangrijkheid van den ouden ridderburcht zelf verdwijnt; het kasteel gaat over van de eene hand in de andere, tot het eindelijk in 1781 werd afgebroken en tot den grond gesloopt. Thans is er van deze edele huizinge niets meer over; en ook het weleer zoo aanzienlijke dorp West-Souburg, aan de andere zijde van het kanaal naar Middelburg gelegen, is thans weinig meer dan een armzalig gehucht. De weleer zoo schoone kerk, met vele altaren en praalgraven en gedenksteenen versierd, door Marnix hersteld en waarin zijn lijk ter ruste werd gelegd, werd in 1833 voor afbraak verkocht. Zoo is ook deze grootheid van het verleden ondergegaan: het adellijk kasteel, waar eenmaal Keizer Karel toefde, de kerk, waar de edele heeren van Souburg bij hunne vaderen werden bijgezet, ze zijn beiden verdwenen.


Het huis de Steenrots te Middelburg


De Rotterdamsche kade te Middelburg.

Бесплатный фрагмент закончился.

178,42 ₽
Возрастное ограничение:
0+
Дата выхода на Литрес:
16 января 2025
Объем:
238 стр. 48 иллюстраций
ISBN:
4064066402341
Издатель:
Правообладатель:
Bookwire
Формат скачивания:

Похожие книги