Читать книгу: «Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart»

Шрифт:

Elizabeth Bekker Wolff, Agatha Deken

Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066061708

Inhoudsopgave

INLEIDING.

EERSTE BRIEF.

DERDE BRIEF.

VIERDE BRIEF.

VYFDE BRIEF.

ZEVENDE BRIEF.

TIENDE BRIEF.

ELFDE BRIEF.

VEERTIENDE BRIEF.

ZEVENTIENDE BRIEF.

NEGENTIENDE BRIEF.

TWINTIGSTE BRIEF.

VIER EN TWINGTIGSTE BRIEF.

VYF EN TWINTIGSTE BRIEF.

NEGEN EN TWINTIGSTE BRIEF.

TWEE EN DERTIGSTE BRIEF.

DRIE EN DERTIGSTE BRIEF.

ZEVEN EN DERTIGSTE BRIEF.

VEERTIGSTE BRIEF.

VIJF EN VEERTIGSTE BRIEF.

ACHT EN VEERTIGSTE BRIEF.

EEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.

TWEE EN VIJFTIGSTE BRIEF.

ZES EN VIJFTIGSTE BRIEF.

ZEVEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.

EEN EN ZESTIGSTE BRIEF.

VIER EN ZESTIGSTE BRIEF.

VYF EN ZESTIGSTE BRIEF.

ZEVEN EN ZESTIGSTE BRIEF.

EEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.

VIER EN ZEVENTIGSTE BRIEF.

ZEVEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.

NEGEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.

ACHT EN TACHTIGSTE BRIEF.

NEGEN EN TACHTIGSTE BRIEF.

NEGENTIGSTE BRIEF.

EEN EN NEGENTIGSTE BRIEF.

TWEE EN NEGENTIGSTE BRIEF.

NEGEN EN NEGENTIGSTE BRIEF.

HONDERD-EERSTE BRIEF.

HONDERD-DERDE BRIEF.

HONDERD-VIJFDE BRIEF.

HONDERD-ZESDE BRIEF.

HONDERD-ZEVENDE BRIEF.

HONDERD-AGTSTE BRIEF.

HONDERD-ELFDE BRIEF.

HONDERD-TWAALFDE BRIEF.

HONDERD-DERTIENDE BRIEF.

HONDERD-VEERTIENDE BRIEF.

HONDERD-ZESTIENDE BRIEF.

HONDERD-ACHTTIENDE BRIEF.

HONDERD-EEN EN TWINTIGSTE BRIEF.

HONDERD-TWEE EN TWINTIGSTE BRIEF.

HONDERD-DRIE EN TWINTIGSTE BRIEF.

HONDERD-ZEVEN EN TWINTIGSTE BRIEF.

HONDERD-ACHT EN TWINTIGSTE BRIEF.

HONDERD-ZES EN DERTIGSTE BRIEF.

HONDERD-ZEVEN EN DERTIGSTE BRIEF.

HONDERD-NEGEN EN DERTIGSTE BRIEF.

HONDERD-ZES EN VEERTIGSTE BRIEF.

HONDERD-NEGEN EN VEERTIGSTE BRIEF.

HONDERD-VYFTIGSTE BRIEF.

HONDERD-ZES EN VYFTIGSTE BRIEF.

HONDERD-ZEVEN EN VYFTIGSTE BRIEF.

HONDERD-AGT EN VYFTIGSTE BRIEF.

HONDERD-ZESTIGSTE BRIEF.

HONDERD-TWEE EN ZESTIGSTE BRIEF.

HONDERD-EEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.

HONDERD-TWEE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.

HONDERD-VYF EN ZEVENTIGSTE BRIEF.

EINDE.

INLEIDING.

Inhoudsopgave

Voor ELISABETH WOLFF-BEKKER (1738—1804) is in het buitenland zoo-nu-en -dan wel notitie genomen van onze litteraire kunst—gezwegen natuurlijk van de latinisten uit den renaissancetijd;—en LAROUSSE kent naast REMBRANDT tegenwoordig ook VONDEL—doch eigenlijk tellen we pas eenigszins mee in den vreemde na SARA BURGERHART, dat in het Fransch werd vertaald—waar de Schrijfster niets mee ingenomen was. Ze meende dat haar boek eigenlijk niet te vertalen was en alleen verstaanbaar voor Hollanders. En ze had daarin volkomen gelijk, ook naar het oordeel van BUSKEN HUET, die o.a. schreef:—"om die kunst te waardeeren moet men van de natie zijn."

Gaat er bij elke vertaling van een goed boek iets moois verloren, zeer stellig, meen ik, moet dit het geval zijn met de uitstekende werken van BETJE WOLFF. Ze zijn zoo door-en-door Hollandsch, als de Camera Obscura b.v., als heelveel van Multatuli, dat vreemdelingen er gewoonlijk onverschillig voor blijven, inzonderheid als niet de intrigue van den roman op zichzelf belangstelling wekt, als wederom bij BETJE.

Ik spreek hier alleen van BETJE WOLFF, echter zonder haar vriendin AAGJE DEKEN (1741-1804) tot bloot belangstellende te willen verkleinen. Er is over het al of niet samenwerken heelveel getwist; ikevenwel meen dat AAGJE veel meer is geweest dan toeschouwster, al laat ik die kwestie hier rusten en noem ik alleen BETJE'S naam.

Wie zich nu tot het lezen zet van Sara Burgerhart, moet zich tenminste eenigermate een voorstelling maken van den tijd waarin het boek werd geschreven (1782). Wij zijn te allen tijde een volk van theologen geweest, is er terecht gezegd, en dat zijn we gebleven; dat waren we vooral nog in BETJE'S dagen. Doch toen inzonderheid was het geloof verstelseld en verdogmatiseerd, het leven was verdord in den godsdienst, veruiterlijkt, en de nieuwe denkbeelden waren nog verward: 't was voor 't reveil, waarvan DA COSTA de dichter werd, en de Aufklaerung, wier profeet KINKER worden zou, schemerde nauwelijks. BILDERDIJK vervroegrijpte pas.

LOCKE (1632-1704) en de oudere DESCARTES vooral (1596-1650) hadden invloed gehad; BOILEAU (1630-1711) en VOLTAIRE (1694—1778) waren veel gelezen; ROUSSEAU (1712—1778) was aan 't woord: Nouvelle Heloise, Julie, Emile, Contrat Social behoorden tot de in zekere kringen populaire lectuur—en tot die kringen behoorde ELISABETH WOLFF. Er bestaat een portret van haar als jong meisje met POPE'S beroemd boek: Essay on Man in haar hand. Dat lierdicht verscheen in (1733).

FIELDING (1707—1754) beroemd door zijn Tom Jones en Richardson (1689—1761) waren vertaald… Ja, veel werd er vertaald; het was zelfs een bijzonderheid dat er een roman verscheen die niet was vertaald. Niet vertaalt liet BETJE dan ook op het titelblad drukken. De VAN KWASTAMA'S en dergelijken—en hun aantal was talrijk—lazen nooit Hollandsch; dat achtten ze als wijlen BARLAEUS een boerentaal, ongeschikt voor fijnere geesten.

Ik noemde zooeven RICHARDSON den schepper van den modernen Engelschen roman, algemeen vermaard om zijn Clarisse Harlowe, Pamela en Grandisson, lektuur tot in POTGIETER'S jeugd.

RICHARDSON is BETJE'S voorbeeld; van eigenlijk gezegde navolging mag misschien sprake zijn in BETJE'S laatste werk: Cornelia Wildschut; doch merkbaar is zijn voorbeeld overal. ROUSSEAU en RICHARDSON, die twee bewondert en vereert BETJE; maar toch weer niet zoo, of ze durft met den eerste in 't godsdienstige verschillen en door den laatste verliest ze haar in-hollandsch karakter niet: zij wil Hollandsche karakters uitbeelden, menschen zooals er bij ons leven.

En ze slaagt uitstekend: Blankaart, Edeling, Suzanna, Stijntje —enzoovoort zeg ik maar, om niet te reppen thans van tante Martha de Harde en haar man, in Willem Leevend. En zooveel anderen, meesterlijke scheppingen.

Als we in ons letterkundig leven terugblikken, vinden we BREDERO (1585—1618), COSTER (1579—1658), HOOFT (1581—1647), men denke aan diens Warenar, ASSELIJN (1620—1701), BERNAGIE (1656—1699), VAN EFFEN (1684—1735) en LANGENDIJK (1683—1756), tot BETJE'S geestverwanten, en die lijn loopt door tot BEETS (1814—1903), wiens realisme echter gepolitoerd is, tenminste overal een grondverfje heeft: het ruige is er af, tot zelfs in Barend, den tuinmansknecht,—en tot Multatuli, die heel hoog liep met Blankaart.

Zooals reeds vermeld is werd BETJE in (1738) geboren, te Vlissingen; zij was de dochter van JAN BEKKER en JOHANNA BONDRIE, een Vlaamsche. BETJE was van haar geboorte af teer en prikkelbaar—ze werd begaafd en hartstochtelijk; leergierig was ze en las vroeg boeken, die anderen pas veel later of nooit lezen.—Niet vrij te pleiten van zekere koketterie liet ze het zoover komen, dat een zekere GARGON haar kon ontvoeren; ze was toen pas zeventien jaar. Zij is er met den schrik afgekomen, ongedeert, zooals we van Sara lezen, wie iets dergelijks overkomt. Opzettelijk historie heeft ze niet geschreven in Sara, maar ongetwijfeld is die meneer R. wel een heugenis aan GARGON en SARA is niet vreemd aan BETJE.

Ze schrijft haar boek ook ter waarschuwing voor jonge meisjes als Saartje; van l'art pour l'art had ze geen idee; ze onderwijst altijd, 't zij ze romans schrijft, of in spectatoriale geschriften, als De Grijsaard, De Denker of De Borger. Die weekblaadjes bleven na van Effen geregeld, en telkens weer onder andere titels verschijnen.

Na dit voorval met GARGON had BETJE in Vlissingen en in het ouderlijk huis geen leven. Haar broer LAURENS—die iets had van broeder BENJAMIN —maakt haar 't leven zuur. Tijdelijk vindt ze een onderkomen bij den Amsterdamschen advocaat NOORDKERK, die haar wist te kalmeeren. Maar ze moest weer terug naar Vlissingen.

Het was een uitkomst voor haar, toen ze door dominee ADRIAAN WOLFF, met wien ze door haar geschriften kennis had gemaakt, altijd schriftelijk alleen, ten huwelijk werd gevraagd. Dat ging vlug in zijn werk: den 9den October kwam WOLFF in Vlissingen, den 23sten ondertrouwden ze, (1759).

WOLFF was in (1707) geboren, dus 31 jaar ouder dan de vroolijke levenslustige BETJE. Hij was sinds (1730) dominee in de Beemster en weduwnaar van WILHELMINE KAYZER; hij was een geleerd, zelfs dichterlijk, en een hoogstachtenswaardig man, met een ruime wereldbeschouwing.

De eerste huwelijksjaren waren echter niet gelukkig: Betje koketteerde wat met dominee AMIJS. Wolff leed, als altijd ouwe mannen van jonge vrouwtjes, aan jaloezie—en Betje maakte 't wel wat bont. Na (1770) echter wordt het beter: Betje wordt wat stemmiger, heeft haar verkeerdheid leeren inzien en leert haar man waardeeren. In (1772) treedt WOLFF zelfs openlijk op om zijn vrouw te verdedigen. En dat was noodig, want Betje had door haar vinnige en zeer vrijzinnige geschriften vrijwat vijanden en belasteraars.

Tot haar bestrijdsters behoorde ook AAGJE DEKEN, die zich zeer ongunstig over Betje had uitgelaten. Ze leerden elkaar kennen bij den Amsterdamschen fabrikant GRAVE, in (1776)—en die persoonlijke kennismaking leidde tot ideale vriendschap—waar Betje zoo mee dweepte—vriendschap tot aan hun dood: (1804). Kort na elkaar overleden ze.

AAGJE was een boerenmeisje, opgevoed in het Weeshuis "De Oranje-appel" te Amsterdam. In (1767) was ze gezelschapsjuffrouw geworden bij de weduwe BOSCH, wier dochter MARIA dichteres was—en ziekelijk. Maria overleed echter al in (1773) en in (1775) gaf AAGJE hun werk uit onder den titel van Stichtelijke Gedichten. Aagje was zeer ernstig en deftig. Men zal haar in Sara Burgerhart gemakkelijk herkennen in ANNA WILLIS.

In (1777) overleed dominee WOLFF, die in de Beemster zijn aspergebedden had aangelegd. De man was, als Dominee SMIT in Sara Burgerhart, veel te verdraagzaam en te ruim van blik om opgang te maken. En toen gingen BETJE en AAGJE samenwonen en samenwerken.

Eerst vestigden ze zich in De Rijp, waar ze woonden tot (1781); toen verhuisden ze naar Beverwijk, waar Aagje het buitentje Lommerlust geerfd had. Tegenwoordig is dat de pastorie der R.C. kerk.

Daar hebben ze gewoond—Sara Burgerhart is er geschreven in het beroemde Koepeltje—tot (1788). Toen kwamen de Pruisen in het land, bij welke gelegenheid BILDERDIJK zich verdienstelijk hoopte te maken, en de dames weken met tal van patriotten naar het buitenland, want ze waren patriotisch gezind.

Ze trokken naar Trevoux in Bourgondie en hebben daar gewoond tot (1795), toen het den patriotten beter ging. Intusschen waren ze wel wat genezen van hun vrijheidsroes: 't had maar weinig gescheeld, of BETJE zelf was op de guillotine terechtgesteld.—Ze vestigden zich in Den Haag en daar zijn ze blijven wonen. Ze hadden het maar armpjes: hun kapitaaltje hadden ze toevertrouwd aan een Haarlemsch notaris en die had het zoek gemaakt.—Ze moesten nu weer vertalen, dat "ze kikhalsden" schreef BETJE. Wel hielpen de oude vrienden haar: LOOSJES en VOLLENHOVEN; ze kregen nieuwe in VAN HALL en VAN DER PALM; ze raakten heel intiem met mevrouw OVERDORP—POST, ELISABETH-MARIA, maar ze waren erg "eergierig" en men moest het, als VAN HALL, heel kiesch aanleggen om hen te ondersteunen.

Ze werden ziekelijk: AAGJE leed aan jicht, BETJE aan kramp. De goeie tijden waren voorbij—voor Willem Leevend hadden ze 6000 gld. honorarium ontvangen; Cornelia Wildschut bracht minder op.

De beteekenis dier vrouwen voor onze algemeene volksontwikkeling en ook voor onze letterkunde overschat men niet licht. Het is gemakkelijk aanmerkingen op de samenstelling van Sara Burgerhart te maken; men moge den snoodaard R. wat al te tooneelsnood vinden; men brenge bedenkingen in tegen den briefvorm, toen in de mode, door RICHARDSON —en nog door mevrouw BOSBOOM—TOUSSAINT gebezigd in Majoor Frans —maar onsterfelijk blijven Saartje, Blankaart en de andere reeds aangeduiden—en nooit kan verdwijnen de geest van gezond menschenleven dien haar werken ademen.

Zij rusten in vrede op het kerkhof "Ter Navolging", bij Scheveningen.

* * * * *

SARA BURGERHART is niet alleen als roman bedoeld, 't is een tendenz- werk—theologisch, paedagogisch, politiek zelfs en apologisch. Daardoor is 't voor leerlingen inzonderheid te lang en te langdradig. Eerst wanneer men er toe komt de 18de eeuw te bestudeeren, ons leven onder den invloed van den vreemde, dan wordt het heele boek hoogst belangwekkend. Misschien komen er velen toe het dan in zijn geheel te herlezen. In deze uitgave wilden we behouden, behalve wat vanzelf bleef, den roman en het karakteristiek Hollandsche. Het zou ons bijzonder aangenaam zijn als we daarin waren geslaagd.

Voornaamste Werken.

Van BETJE alleen:

Bespiegelingen over den staat der Rechtheid, den val en den gevallen mensch,(1765). Walcheren in 4 zangen, (1769). Onveranderlijke Santhortsche Geloofsbelijdenis, en De Menuet en de Domineespruik, (1774). Die Menuet werd zelfs door hel volk gezongen als een kermisliedje. Mengelpoezie. (1785).

Van AAGJE en BETJE samen:

Historie van juffr. Sara Burgerhart, (1782).

Historie van den heer Willem Leevend, (1784).

Brieven van Abrah. Blankaart, (1788).

Dichterlijke wandelingen door Bourgondie, (1789).

Historie van Cornelia Wildschut, (1796).

J. B. MEERKERK.

Zwolle, April '19.

EERSTE BRIEF.

Inhoudsopgave

DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
PARYS.

Lieve jonge juffrouw!

Nu ja, ik heb beide uwe Brieven ontfangen, maar, wat hamer, meent gy, dat ik tyd heb om u zo cito, per post, (zoo 't u blieft,) te antwoorden; en dat wel zo dikwyls, als myne Pupil goedvindt om my met een hoope wisjewasjes aan 't hoofd te lellen? Zie, ik ben maar een Vryer, (een Oude Vryer, zo je wilt;) ik weet echter, hoe die Nufjes van halfwassen Vrouwen bestaan. Van daag willen zy zus, morgen willen zy zo. Wel nu, wat zal ik ik u antwoorden? Weet ik, in hoe ver gy gelyk hebt? Niet, Saar lief, dat ik u in staat ken om my te pieren, zo wat op myn mouw te spelden, gelyk men zegt: Neen, gy waart altoos een oprecht kind; maar gy zyt jong, gy hebt het maar gansch niet naar uw zin: reden genoeg, om zulke droevige dingen aan my te schryven.

Indien ik niet in dit verbruide Land, daar niemand my en ik niemand, dan zeer gebrekkig, verstaan kan, buiten de Familie, waar mede ik myne zaken heb aftedoen, en daar ik wel zakken vol complimenten, doch geen geld krygen kan, nog vooreerst diende te blijven, en te Amsteldam kon komen, of ik die Russische winkel by Tante eens zoude komen opschudden! Wee, zo gy my gefopt hadt! maar wee ook het oud Wyf, indien zy myne Pupil, de dochter myns waardsten Vriends, kwalyk behandelde! Maak van myn vertrouwen geen misbruik, maar uwe Tante verdient niet de Zuster uwer brave Moeder te zijn; op myn eer, dat verdient zij niet! Zy is een geveinsde inhalige Feeks; en ik kan het nog niet in den kop krygen, door wat middel zy uwe zalige Moeder heeft weten te bewegen, om u, haar eenig, haar tedergelieft kind, by haar te betrouwen. Voor honderd halve ryertjes[1] moest gy het beter hebben; (uwe kleding betaal ik immers nog byzonder[2]). En krabt zy die echter niet zo vrekkig naar zich, als of zy arm en gy haar wild vreemt waart. Zo gy kunt, hou het uit; ik zal er u te liever om hebben, kind; en ik zal my tegen u niet laten innemen. Nu, zy schryft my ook nooit. Mooglyk acht zy my die eer onwaardig. Alles heeft zyn reden, meisje; zie, ik heb Tante, als zy het al te erg maakte, zo wel eens doen zien, dat haar manier van doen zeer dikwyls verbaast verre afweek van hare wyze van zeggen, en breden ophef, als of zy, ten minsten, eene heilige van den eersten rang ware. Gy hebt zulke brave ouders in 't graf; draag u toch wel, kind. Ik beken, zo eene behandeling is haast niet om te verdragen; zo zy het al te erg maakt, en gy beter kunt te recht komen, ik guarandeer uw kostgeld; mids dat de Lieden onbesproken en hupsche menschen zyn. —Doe deezen stap echter niet, dan in den dringentsten nood, of wy zullen geen Vrienden blyven; ik kan niet toestaan, dat gy u zelf zoudt benadeelen; daar heb ik u veels te lief toe. Ja, wat ik zeggen wou? Ik heb hier eene menigte muziek voor u gekogt, en die zal ik u met een los adres[3], als ik goederen afzend, toeschikken. Zy geven hier voor dat de Compositie heerlyk is: ik vergeet al myn kunst met die druktens; maar ik heb zo graag, dat zoete meisjes zich wel diverteeren; en gy zyt toch een muziekgekje. Ik denk wel om u, en kan dikwyls wenschen, dat ik u hier had. Hier, Saartje, zoude uwe geestige hekelzucht stoffe vinden, al hoorde en zaagt gy niets dan dien nimmer stillen zwerm van Gouwe torren, en Zomerkapelletjes; want zo noem ik dat lastig beslissent wel opgepronkt Jan hagel, dat men Petits maitres hiet: Ik ben zoo bang voor zo een rekeltje, als gy voor een Aap; zy noemen my hier: le gros Hollandais; wat beduidt dit Kind? mooglyk nietmetal.

Binnen zes maanden denk ik thuis te zyn. Wat lange brief is dit? nu gy yder een niet; maar toch, ik schryf niet graag Brieven.—Vaarwel, leef vrolyk, wees gegroet van

Uwen toegenegen Voogd,

ABRAHAM BLANKAART.

Noten:

[1] Rijer = 14 gulden. [2] Afzonderlijk. [3] Apart pakje.

TWEEDE BRIEF.—Aletta de Brunier heeft Saartje gezien als een "kwakerinnetje", in den winkel van Mad(elle) G. Dat is te gek, schrijft ze aan Saartje, met wie ze vroeger heeft school gegaan, en ze stelt haar voor bij haar te komen wonen, en pension bij de wed(e) Spilgoed-Buigzaam—daar hebben ze 't best. Er wonen nog twee dames.

DERDE BRIEF.

Inhoudsopgave

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.

Ge-eerde Heer, zeer ge-achte Voogd!

Dat was een blyde Postdag voor my. Een Brief van myn geeerden Voogd. Waarlyk, ik heb geschreit, ziende hoe veel belang gy in my naamt: doch dat zes maanden uit blyven! daar lag al myn vreugd in 't voetzant. Wel, myn allerliefste Voogd, ik kan het hier geen zes weken langer uithouden; zo als ik ook evenwel behandelt word, maar ik kan 't niet half schryven; zo gy, myn Heer, hier waart, gy zoudt het my toestaan. Och, zo waar, ik heb u geen een jokkentje, hoe klein ook, op den mouw gespelt. Foei, myn Heer, zou ik liegen? dan was ik een zeer slegt meisje, en verdiende dat gy my bekeeft. Ik ben niet alleen de slavin van Tantes grillen, maar ik word ook geringeloort door eene oude lelyke zotte meid, die, om Tante te behagen, my dol maakt.

De Juffrouw, daar ik gaarne by zoude inwonen, is de ongelukkige weduw van een fatsoenlyk man, die niet dan ordentelyke Dames logeert. Een myner oude schoolmakkertjes is daar reeds eenigen tyd geweest, en pryst de Juffrouw heel zeer. Daar zyn nog twee andere Dames ook.

Vry, vrolyk en onbeknort te leven, dit is myn eenig oogmerk; en is dat berispelijk? By Tante kan ik niet blyven, zo ik my niet tot huichlary wil verlagen, eene ondeugd, die allerafschuwlykst voor my is; en waar aan ik my zeker nooit zal te buitengaan.

Ik beveel my in uwe gunst. Ik zal my in allen opzichte altoos zo pogen te gedragen, dat gy voldaan zyt, maar by Tante kan ik niet blyven: Laat my toe, dit nogmaal te zeggen.

Wat ben ik blyde met de my toegezegde Muziek! ik zing al in voorraad[1]. o! Wat zal die fraai zyn: mooglyk is er wel van Rousseau's[2] Compositie by? duizendmaal dank. Ik hoop al die stukken u eens, onder het rooken van een Pypje, voor te spelen. Maar, denk eens aan, myn Heer Blankaart, daar wil Tante niet hebben dat ik speel, dan naar ouwe lollige zeuzeryen [3]; en lieve Heer, ik speel evenwel zo graag en ik heb zulke mooije Cantata's. Mag ik u bidden, myn Heer, zendt het pakje aan Tantes huis niet; het ging wis en waarlyk op 't vuur; ik zal hier een adresje insluiten. Ik bidde den goeden Hemel alle daag voor u, en dat ik u gezond en vrolyk moge weder zien, my zelf gelukkig rekenende van te zyn,

Uwe liefhebbende Pupil en Dienares,

SARA BURGERHART.

Adres: Chez Mademoiselle G——, Marchande sur le ——.

Noten:

[1] Bij voorbaat. [2] Wolffje dweept met Jean Jacques. [3] Zeurige deunen.

VIERDE BRIEF.

Inhoudsopgave

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLES.

Ge-eerde vriendin!

Hield ik my niet verzekert, dat uw hart veel beter gestelt was, dan dat van wylen den Heer Achitofel[1], (trotscher gedagtenis), die zich, om dat men zynen raad verwierp, maar zo eens, met een gaauwigheid, handigies ging opknopen, ik zou zeker by u niet om raad komen, want ik zeg u in voorraad, dat ik niet van mening ben dien te volgen; ten ware hy, onverhoopt, met myn reeds genomen besluit overeenstemde.

En nu, myne zeer statige, zeer hoogwaardige Vriendin, zult gy my vragen: "waarom, indien dit zo is, of ik dan uwen raad verzoek"? Dat zal ik u zeggen, Naatje. Ik schryf aan u, om myn hart te ontlasten; om u in staat te stellen van te kunnen oordelen over myn lastig lot, op dat gy, den stap dien ik ga doen, al niet goedkeurende, dien echter zoudt kunnen inschikken. Een stap mooglyk, onvoorzichtig; doch voor my nodig. Gy hebt al myn vertrouwen, om dat gy alle myne achting hebt, en elk die u acht is zeker niet verachtelyk, om dat gy zulk een fraai karakter hebt, enz. Ik moet kort zyn. Maar by Tante heb ik het zo slegt, dat ik er niet langer blyven kan of wil. Raad my dit niet af. 't Is wel waar, Naatje, dat gy zo wel veel wyzer als veel ouder zyt dan ik; maar gy zyt echter niet wyzer dan Salomon, de wyze Koning Salomon zou ik denken, ende wat zegt zyne Philosophische Majesteit ergens? "Het is beter te wonen aan de zyde des Daks, dan by eene kyvende "Huisvrouw". Hoe kan ik nu langer wonen by eene Tante, die, schynt het, eene belofte gedaan heeft, om my zo veel bitterheid aan te doen, als Vrekheid en Dweepery maar immer kunnen opbaggeren…. Daar schreeuwt zy alweer haar keel uit het lid. "Ja Tante, ik kom." Eerst echter deezen agter 't slot. Zo dra ik kan zal ik een tweeden Brief beginnen, ik moet u eindelyk voldoen omtrent zaken, my, voor ik u kende, ontmoet. Vaarwel, myne waarde.

S.B.

Noot:

[1] 2 Sam. XV, 12 vv. 2 Sam. XVI, 23. — Vert. Kuenen c.s.

VYFDE BRIEF.

Inhoudsopgave

DE ZELFDE. Ten vervolge.

Ik moest mynen vorigen brief, die hier nevens gaat, zo schielyk afbreken, om dat Tante my riep, schoon zy my niets te zeggen hadt, en slegts beval, by haar te zitten: Onze gromparty sla ik maar over, om dat ik u nu eens ernstig moet schryven.

Myn waarde Vader, weet gy, was Jan Burgerhart; hy negotieerde in de Thee; zyn handel was voordeelig. Myne lieve Moeder was, zo als men dat noemt, een bestorven meisje[1]. Zy hadt een stuiver goeds, en trouwde zeer jong. My, het eenig kind, voedde men op als een meisje, dat van eene goede familie is, en geld te wagten heeft, door brave Ouders opgevoed wordt. Gy kent myn aandoenlyk hart; gy weet hoe vatbaar het is voor de minste blyken van genegenheid; oordeel dan hoe ik deeze myne dierbare Ouders eerde en beminde. Ouders! dat is toch een zielroerent woord, Naatje, en kost my meermaal eene stille traan. Myne Ouders waren gelukkig met elkander. Hun karakter was voor elkander berekent. Meer zeg ik niet. Wie spreekt ooit dan met achting van myne zalige Ouders? och, yder een!… Gy weet het. Hoe aangenaam was ons zeer geregelt huishouden! Myne Ouders lazen veel, en zagen deeze zucht in my met goedkeuring. Nog zie ik hen in onzen tuin, op de bank zitten, als Vader zyn pypje van rust, zo als hy het noemde, rookte, en Moeder hem iets voorlas, terwyl ik op des goedaartigen mans knie zat te luisteren, of te spelen. Nog zie ik, hoe hy my, gevolgt door myne glimlachende Moeder, in huis draagt. o! Dat waren gouden dagen; waren het niet?

Myne Moeder hadt eene Zuster, die veel ouder was, en waar by ik nu inwoon. Die Zuster vondt maar gansch niet billyk, dat Saartje voor haar ten huwelyk verzogt wierd, en kyk, de Juffrouw was magtig gestelt op het Decorum[2]; dat was het maar: zy meende ook zeer wel te weten, dat zy zo wel veel meer verdiensten, als jaren telde, dan myne Moeder. Doch, of het spel sprak, daar kwamen geene Liefhebbers. Indien onze Vriendin hadt kunnen bewogen worden, om eene aanpryzende VOORREDE voor Tante te schryven, mooglyk zou men haar gezogt hebben. Hoe 't zy—(verschoon dien inval!) zy begreep, (Tante heeft ook haare invallen, Naatje), dat er geen beter party voor haar opzat, dan zich te voegen by die Lieden, die wy fynen, en die zich zelf vroomen noemen. Veele deezer menschen, ik spreek van de besten uit de zoo, meenden dat haar grimmige uitkyk, haar grommig voorkomen, haar nutteloze berisping, de zoete vrugtjes waren van eene naauw-gezette godsvrugt. Die goede Slooven dagten, dat Tante los was van de Waereld, om dat de wyze schikkingen der Voorzienigheid nooit de eer hadden van haar Wel Edele te voldoen. Hoe zeer zy ook de Fyne uithing, zy beviel evenwel meer aan de Zusjes, dan aan de Broedertjes: men moet bekennen, dat Juffrouw Hofland juist niet heel oogelyk is.

Met myn zesde jaar hield ik al mee Oeffening by Tante. De Vriendjes hadden veel met my op. Men zag wat goeds in my. Ik hield ook veel van Tantes Oeffening; want, met myn zak en peperhuizen vol Lekkers, kwam ik altoos thuis, zie daar de genoegzame rede. Hoe zeit Wolff[3], de ratio sufficiens der dingen?

Zoo veele middelen bleven niet ongezegent. Ik verlangde altoos naar Tantes oeffendag. Wat zal ik meer zeggen? Gy kent my: medelydent, meegaande, en zoo voords. Toen kon ik al geene droefheid zien zonder ook te kryten; en er werdt ook meest altyd eens geweent, (waarom weet Joost; want me dunkt, dat zy het nog al zoo taamlyk wel hadden). Deze weekheid behaagde. Myne Tante zelf, of schoon ik hare gehate Zusters dochtertje was, kreeg my, op hare wys, recht lief. Zy mydde ons huis niet meer, om dat ik mee oeffening hield, en mee huilde.

Twaalf jaren leefde ik zo gelukkig, als een gehoorzaam en gelieft kind leven kan. Toen keerde myn lot. Myn waarde Vader, zich op eenen heten dag, door het inpakken en afzenden van Thee, zeer verhit hebbende, kreeg een pleuris, en stierf binnen drie dagen, nog geen veertig jaren oud zynde.

Geene VAN MERKEN[4] zou u kunnen afbeelden, hoe groot myner Moeders en myne droefheid was. Wy verloren alles, en myne teder-lievende Moeder voelde alles wat zy verloor; meer zeg ik niet. Oordeel nu. Myne Moeder deedt den handel aan iemand onzer Kantoorbedienden over, vertrok naar de ——gragt, en hielt maar eene onzer meiden; daar leefden wy stil en proper. Maar haar verlangen naar stilte was te gunstig voor haar, om toch onafgebroken aan haar Overledenen te denken! Myne Ouders hadden elkander hartlyk bemint: de dood myn's Vaders stortte haar in de allerdiepste zwaarmoedigheid. Zy sneedt alle uitspanningen af, zag niemand, sprak weinig, zuchtte veel, en stortte veele droeve tranen. Zy werdt ook wel dra zo ziek van lichaam als van ziel. De lieve Vrouw hadt nu reeds de geschiktheid, om het zaad der dweepery, 't welk myne Tante met eene voorbeeldige mildheid uitstrooide, te ontvangen; zy ontfing het ook, helaas!

Ik was bitter bedroeft over myne Moeder! myne zucht tot vermaak verzwakte. Geen wonder! ik zag myne kwynende Moeder in eene sleepende ziekte vervallen, die, zo als Docter E—— duchte, ongeneeslyk was. Ik leed niet minder dan myne dierbare toegeeflyke Moeder. De Teering is eene elendige kwaal, Naatje. Wat heeft de brave Vrouw geleden, en dat zo lang; zo heel lang! Nooit verliet ik haar in het laatste jaar haars levens. Ik sliep voor haar bed, gaf haar alle de medicynen; en zag, buiten myne Tante en den Docter, niemand dan onze goede Pieternel; die brave meid, welke myne Ouders reeds diende, toen ik geboren wierd, en waar voor ik zo veel liefde heb. Nu en dan las ik voor myne zwakke stervende Moeder; doch de Boeken, waar uit ik las, waren niet voor my, ook niet voor haar geschikt, en werden door Tante bezorgt, akelige, zotte geschriftjes, die myne Moeder, voor de droefheid haren geest geheel hadt benevelt, met versmading zoude beschouwt hebben: Ik ben nu te ernstig, anders zoude ik u eens een paar douzynen Titels opgeven, die my by u zouden verdedigen.

Dodelyk ongerust over myne geliefde Moeder; onpasselyk door het gestadig zitten in eene ziekenkamer, verstoken van lucht, dien balsem des levens, van licht, dat den geest opheft: zonder de minste afleiding; het zwarte beeld des doods gedurig voor my warende; verdrietig over de smarten myner Moeder, verloor ik eerst myne eetlust, toen myne gezonde kleur, en wel dra myne werkzaamheid. Ik keek zo bang en zo zuur als Tante; zuchte, zat leeg en lui met de hand onder myn hoofd, dat dof en zwaar werdt en ongekapt bleef. Met een woord ik vervreemde zodanig van de jonkheid en de natuur, dat Tante my voor een geheel omgekeert meisje[5] begon aan te zien. Zy liefkoosde my, om dat zy haar eigen portret in my waande te vinden: en ik, och! ik had vrede met Tante, om dat zy met my in haar schik was.

In dien staat was ik, toen gy ons uit naam uwer Moeder bezogt, die de beleeftheid hadt, om, uit oude vriendschap met myn Vader, en uit nieuwe Buurschap, zo als gy zeide, (want gy kwaamt eerst onlangs op de zelfde gragt), te laten vragen, hoe of myne Moeder nu was, zynde zy begeerig om de zieke eens te bezoeken.

Hy, die ons in treurige omstandigheden toespreekt, met heusheid toespreekt, is ons welkom: dit beurt ons op; het vleit ons; het verwydert ons eenige oogenblikken van ons verdriet: Oordeel des of gy my aangenaam waart! ik voelde nu, dat ik nog vatbaar was voor blydschap. O dierbare aandoening! Hoe, (gy wordt immers niet knorrig, Naatje lief?) hoe staatig, hoe weinig toeschietent, hoe geheel anders gy ook waart, dan ik, in houding, in kleding, in gelaat, toen echter scheent gy my de voorkomenheid, de minzaamheid zelve.

Myne grootste, zoo niet eenigste behoefte, gy weet het nu zelf, is lief te hebben, en gelieft te worden: myne liefde voor myne Moeder was zo oprecht, zo teder, als die van eene dochter ooit zyn kan, maar die liefde vervulde echter myn geheel hart niet.

Hare onbegrypelyke zwakheid, en myn gegronde eerbied waren de oorzaken van dit verschynsel. Die bron stroomde niet hoog genoeg voor my, en yder uur dreigde de dood die voor altoos te verstoppen. Gy werdt voor my noodzaaklyk. Ik zag wel, dat Naatje Willis een geheel ander voorkomen hadt dan Saartje Burgerhart, of alle die Juffertjes, daar ik mede om plagt te gaan, voor deze toenemende krankheid myner lieve Moeder: maar toen stak uwe statigheid niet heel sterk af by myne dofheid; wel verre van de oorzaak optesporen, dacht ik er niet eens aan: ik kende u; dat was genoeg.

Uwe achtingswaardige Moeder bezogt de myne: het afscheid was teder en bedaart. Zy zag my schreijen, nam myne hand, sprak vriendelyk, troostelyk, kuste my; ja, noemde my, lief Meisje.

Gedurende deze ziekte hadt myne Moeder Tante tot medevoogdes, nevens den Heer Blankaart, aangestelt; haar des jaars zevenhonderd Guldens toeleggende, tot ik kwam te trouwen, of, tot myne meerderjarigheid indien Tante my by haar wilde innemen. Deeze schikking zal u niet verwonderen, als gy bedenkt, hoe verzwakt myne Moeder was; als gy bedenkt, dat Tante en ik toen zeer wel te recht konden: Tante hadt Nicht lief, om dat die ziek en zwaarmoedig was, en Nicht, wel, die kon niet denken, dat 'er zulke Tantes in de geheele waereld waren!

Weinige dagen na het bezoek uwer Moeder, storf de dierbare Lyderes, des nagts, in 't byzyn van onze Pieternel en den Heer Blankaart, die toen juist in de stad was, en ik bleef, nog geen zeventien jaar oud zynde, ouderloos. Myn Voogd berustte in de dispositie myner Moeder, doch heeft met Tante niet veel op. Zy noemt bykans nooit zyn naam, of zy voegt er by, dat hy geen godsdienst heeft. Denk eens aan; en dat van zo een allerbest man! Is 't geen schande?

Aanhoudent, stil aan myn hart bytent huisselyk verdriet, heeft maar te veel van die goede lessen, die ik ontfing, uitgewischt. O vrede! o kalmte der ziel, waar zyt gy zedert deeze drie laatste jaren geweest? o myne Naatje, kan ik met nimmer wankelende treden den weg der pligten altoos bewandelen; daar men mynen weg zoo hart, zo doornig, zo ruw maakt? Nu 't is ook uit: myn gerekt geduld is ten einde; ik zal my dus niet langer laten plagen. Neen! vast niet.

Ik kan u al myn verdriet niet vertellen; daar is in vele opzichten zulk een zweem van beuzelagtigheid by, dat gy, die zo gelukkig leeft, niet kunt geloven, dat het my zo treft. Ik heb geen de minste vryheid; komen myne Meesters, dan tiert zy als een zottin; ik mag niet op myn Clavier spelen; ik mag my niet kleden, zo als ik gewoon ben; ik mag niemand zien dan in haar byzyn. Gy weet dat ik altoos proper, en eenigzins modieus gekleed wierd, maar hoe takelt zy my toe! Nu, zedert de rouw uit is, moet ik in een grove lelyke Stoffen Japon lopen; myn Pelise[6] is van eene ouden zyden faly myner Grootmoeder, (en is vol vouwen en kerven,) gemaakt; zonder kap of lintje, met een tinnen haak en oog maar vast gekonkelt. Myn linnen muts is zo groot, dat even het puntje van myn neus er uitkykt. Ik heb dikke drommels van schoenen, en dieren van groene kousen aan. Alle Kerkdagen moet ik gaan, en by dien Leeraar[7] dien zy uitkiest. Maandag en Saturdag moet ik Tante, en die Hottentot van een Bregt, na klungelen, om voor de Oeffenings-vrienden alles gereed te zetten. Ik moet thee schenken, presenteeren, zotteklap en lastertaal hooren … maar genoeg. Dit evenwel nog: alle avonden moet ik in malle Boeken lezen, die wel door verliefden in een Dolhuis gemaakt schynen, doch die noemt myne Tante innige zielsdierbare Schriftjes, kostelyke Pandjes, enz. By ydere zinscheiding zucht Tante, en snurkt Bregt. Ik mag voor my zelf niets lezen, dan 't geen zy goed keurt; uwe Julia Mandeville heeft die vinnige kwezel op 't vuur gebruit; och ja, voor myn' oogen deedt zy het. Ik beken, dat ik toen niet heel zoetzinnig was, maar het geen kleentje roerde. Waarlyk, Naatje, als ik hier bleef, wierd ik de grootste haneveer die er ooit leefde, en 't is toch geheel tegen myn inborst; doch nood breekt wet.

Ik lyde juist geen honger, maar 't scheelt niet veel. Altoos is 'er iets voor my alleen, nu onder dit, dan weder dat voorgeven. Is dat voor my uittestaan? Weet gy wel, dat ik hier zevenhonderd Guldentjes verteer, kind? Meermaal gaf zy my, in heilige woede, een brave klap om de ooren, en ik ben echter bykans twintig jaar, kind, en zou Tante, schaamde ik my dit niet, er even goed een weerom kunnen geven. Hoor, ik heb aan myn Voogd geschreven, en wagt een gunstig antwoord.

Ik zal wel ergens belanden. Ik heb myne Kinderkennis vernieuwt met myn Schoolmakkertje, Letje de Brunier. Die zegt, dat zy by eene zeer fatsoenlyke Vrouw gelogeert is; eene Weduw, die op de Keizersgragt woont. Juffrouw de Brunier schynt wel wat lugtig; maar dat's haar zaak. De Weduwe zal my wel innemen; althans, Letje zal het haar voorslaan. Ik laat my niet langer plagen: ik verteer te veel geld. Ik ben immers niet kwaad, Naatje? maar zo te leven is my onmooglyk. Wat! zou ik geen braaf mensch kunnen zyn, om dat ik de slavin myner Tante niet zyn wil; om dat ik my naar myn zin wil kleden, 't geen myn Voogd my gaarn inwilligt? Zou ik myn hair niet mogen opkappen, zonder dat myn hart er by leedt? Vrees niet voor my, ik zal wel op de wagt staan. Ik ken de liefde niet; denk er nooit om, breek myn hoofd nooit met zulke snuisteryen. Ik begeer niets dan een leven, dat vry vrolyk en schoon afloopt; goed gezelschap, aangename Boeken, en het vry gebruik van het Clavier.

Dit voornemen heb ik; nu weet gy alles. Bekyf my, preek, vermaan, bestraf, vlei my, ik zal alles lezen, u liefhebben, en—myn eigen zin doen. Antwoord my toch ten eersten[8]: wat verlang ik naar een brief van u! geadresseert in la Reine de France, chez Mademoiselle G——. Niemand acht u hooger dan

Uwe Vriendin,

SAARTJE BURGERHART.

Noten:

[1] Wees. [2] Hier: betamelijkheid. [3] K.F. Wolff 1733—94; rat. suff. genoegz. rede. [4] Luc. Wilh., Nut der Tegenspoeden, 1721—84. [5] Bekeerd. [6] 't Zelfde als faly: mantel. [7] Dominee. [8] Gauw.

ZESDE BRIEF.—Cornelia Slimpslamp schrijft aan Zuzanna Hofland —Saartjes Tante, bij wie ze inwoont—hoe Saartje als jong kind al niet deugde. Ze leest verkeerde boeken! Ze noodigt Zuzanna bij zich.

ZEVENDE BRIEF.

Inhoudsopgave

MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP.

Dierbare Vriendinne!

Wel, wat heb ik een dag gehad, een dag gehad: och! ik vrees dat de Boze maar te veel vat op my gehadt heeft; ik was zo toornigjes, zo toornigjes. Och ja, zo van myn hert afgedwaalt. Dogt ik dat, toen ik dat meisje by me nam? Ik dogt, dat er wat goeds in was; want toen haar Moeder ziek was, was zy zo stil en zo ingetogen, en kreeg ook onze kleur[1] al; maar 't was ook maar onze kleur, en meer niet. Zy was my nog te waereldsgezint; zo bedroeft was zy over hare Moeder; en moest het Hellewicht niet gedagt hebben, dat ik haar beter was dan zeven Moeders? Wat zeg jy, Zusje? Ik, die alles doe om hare lusten te doden en te kruizigen. Och ja!

Ja, het stond my ook nooit wel aan, dat zy, als zy in het oude Testament las, altyd met er neus in de Spreuken en den Prediker zat. En ik vond het nog erger, toen Broeder Benjamin zei: "dat Salomon al dat pligtmatige, waar van hy zo veel schreef, geschreven hadt, in den tyds zyn's afvals; eenigjes en alleentjes om zyne Heidensche Wyven en Bywyven te behagen, die wel zin daar aan hadden, in die blinkende zonden, zei hy; en dat, toen Salomon zich bekeert hadt, hy ook van dat betrachten, dat doen, zoude gezegt hebben: Ydelheid der ydelheden, dit alles is ook ydelheid". Al dat doen, Zusje, laat de ziel maar leeg; die draf van goeije werken zyn ook al todden en vodden van eigen gerechtigheid, zo als de Zuster Alida met yver altoos zegt.

Zusje, wat is die Broeder Benjamin toch een groot mannetje! Nou, ik zal zien te komen, en dan zullen wy spreken van herte tot herte. Ik heb u en de broeders lief.

Z. HOFLAND.

PS. Het Theologiesch Verrekykertje van Zuster

Welgeleert gebruik ik met stichting: als je

weer eens een zoet Boekje hebt, hoor.

Noot:

[1] Geestesrichting.

ACHTSTE BRIEF.—Sara schrijft Aletta de Brunier, dat ze komt, als de weduwe Sp. haar wil hebben.

NEGENDE BRIEF.—Deze verklaart zich bereid Sara te ontvangen, tegen billijke vergoeding. Het zal haar wel bevallen.

TIENDE BRIEF.

Inhoudsopgave

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA DE BRUNIER.

Douce et tendre amie!

Je suis enrage, op het oud Wyf—op myne Tante; ik wil geen week langer blyven; 't is of ik in de hel woon. Myne Tante heeft zeer veel van zyn Satansche Majesteits karakter; en Bregt verdient wel een schonen dienst in zyn onderaardsch ryk … Ja! bons wat aan; ik zal niet antwoorden, ik zal ook niet open doen. Sus! daar hompelt zy, al grommende, den trap weer af. Goeije reis naar beneden. Ik moet, chere, u eens een Scene tekenen, die u niet zal uit de hand vallen.

Woensdag voormiddag raasde zy als eene bezeetene, om dat ik eenige nieuwe Aria's speelde. (Dat's een Wyf, ook?) Zy werd geholpen door haar Hottentot van een meid, die my dorst zeggen, dat zy ook danig ontsticht was. Met wordt er gebelt. Bregt, die volmaakt een zog van een Bollebuisjeswyf[1] gelykt, waggelde naar voor; en Tante gaf my een verbruide oorvyg, om dat ik bleef spelen…. "Juffrouw, daar is Sinjeur Benjamin."—"Wel hede, laat Broeder maar agter komen." Daar kwam Broeder, een luije zuipzak van een Kerel, in een paarschen Japon; (men zou wel zeggen, wie of zo een verlopen Slagers Knegt toch een Japon heeft leren dragen.) "Welkom Broertje, wel hoe is het nu nog al met je?"—"'t Gaat nog al; maar men hoofd, men hoofd!"—"Wel, dat is droevig, maar je vergt je ook wat veel."—"Ja 't is myn Ambtsbezigheid; en hoe vaart Zuster? Je schynt wel wat onthutst."—"Ja, dat ben ik ook, 't is niet altyd het effen wegje, Broertje." (Tegen Bregt.) "Ei meid, is er niet wat? dan zou Broeder hier maar familiair blyven." (Tegen my.) "Toe, lieve Saartje, was dat uittestaan, lieve Saartje, en myn wang gloeide nog van den slag, bak jy nou ereis schielykjes wat dunne Pannekoekjes, Broeder lust die zo graag." Ik sloot myn Clavier, en zei: 't is wel, Tante. Ik ging naar de Keuken, en bakte helder door: maar-ik -at-die-al-bakkende-zelf-op. Dit is de eerste trek, die ik haar speelde, hoe zelden ik myn genoegen kryg.

Ik moet hier alles doen; want Bregt is een lomp schepsel, en snuift sterk. Toen ging ik, terwyl Bregt in huis klungelde, de tafel dekken. Bregt eet met ons, want het is Zuster Bregtje, moet je weten, Letje. Tartuff[2] zou een goed woord spreken, maar de Vent badt, (zo noemen zy dat gehuilebalk,) wel een kwartier lang. Het geen hy jankte, geleek veel meer naar het morrent gegnor van ondankbaar Vee, dan naar de zuchten van een bewogen hart, 't geen zynen God looft.

Ik kreeg, a l'ordinaire[3], eeten op myn bord, twee schepjes groente; met een slenter kout vleesch van 's daags te voren. Ik spelde myn Servet voor: "als ik gelyk een kind eeten kryg, moet ik ook zien, dat ik my niet bemors." "Och of gy een kind waart," zei de Smulpaap, die onderwyl met zyn duim en vinger de boter van de robe de chambre[4] eener Cottelette aflikte. "Dat zou heuchelyk zyn," zei Tante; "ja wel heuchelyk," zei Zuster Bregitta. Toen kreeg ik nog wat byeengeschraapte Spenage, en een stuk Cottelet. Zuster Zantje, en Broeder namen onderwyl eens. Ik kryg nooit wyn. Tante zegt, dat het niet goed is voor my, en dat kan wel zyn; want ik ben jong en gezont. "Kom, Saartje, neem nou maar af; Bregtje is wat vermoeit; de sloof wordt oud." Ik deed zo; zette het Dessertje op. "Waar bennen de Flensjes, Saartje?" "Die bennen in myn maag, Tante." Snap myn servet neer gegooit, (by ongeluk tegen Broeders palmhoute[5] pruik,) en het onweer op myne Kamer ontweken. Gy weet, ik ben tamelyk vlug, dat my toen te pas kwam. Knap de deur op slot. 's Avonds kwam de Hottentot met een stuk brood en een glas zuur bier, er by voegende, "dat ik het nooit kon verantwoorden, zo als ik een vroom mensch evel plaagde." "Scheer je van myn kamer," zei ik, en duwde haar de deur uit. Het brood (het was goed op de Flensjes,) at ik op. Het bier gaoide ik weg, en dronk eens helder uit myn Caraffe: ging vroeg te bed, en sliep als een roos. Daar aanstonds kreeg ik een boterham, met een kom Thee, die wel omspoelzel lykt. Tante gaat uit, en wil my voor haar oogen niet zien. Zo zitten nu de zaken. Mooglyk geef ik u deezen wel in eigen handen, mooglyk niet: Ik weet niet hoe 't zal uitkomen.

Vast kom ik, de brief der goede Weduwe heeft my in dit voornemen gesterkt. Ik zou al by u geweest zyn, maar ik wagt op een Brief; die brief komt niet. Ik zal, voor ik dit huis verlaat, aan haar die ik bedoel nog eens schryven … doch dat kan ik by u evengoed doen.

Ja, lieve meid, gy hebt wel kostelyk gelyk! Men moet maar wel doen en vrolyk leven. He, wat? op die Fynen is toch geen staat te maken; echter zyn er (of jy 't niet geloofde,) zulke vrome zielen onder, die, waren de hoofden dezer brave menschen zo goed georganiseert als hunne harten, wel zuiver en godsdienstig zyn … enfin, kort gezeit, Letje, Salomon, de wyze Koning Salomon, is myn man: men moet het goede genieten van zyn leven, ende van zyn arbeid;—daar mee is dat maar uit, en afgedaan.

't Wordt donker, en ik kryg geen licht in myn kamer; ik kan des niet langer schryven. Hoe zal dat gaan als ik beneden kom? Ik zal eerst Tante goeden avond zeggen, en als zy draaglyk is, by haar gaan zitten breijen; zoo niet, dan ga ik in de zydkamer, de lantaarn brandt toch in het voorhuis, open myn Clavier, en speel op 't gevoel maar weg. Maak myn Compliment aan Mejuffrouw de Weduwe Spilgoed; en zeg haar zo veel gy nodig oordeelt, zo gy deezen nog, voor ik u omhels, in handen krygt. Nagt, lieve ziel.

Tout a Toi, S. BURGERHART.

Noten:

[1] Poffertjeswijf. [2] Benjamin = huichelaar (Moliere). [3] Als gewoonlijk. [4] 't Vleezige. [5] P.-H.-kleurige.

[Illustratie: Snap mijn servet neer gegooit, (bij ongeluk tegen Broeders palmhoute pruik,) en het onweer op mijne kamer ontweeken. Illustratie van C. Bogerts, naar teekening van J. Buys, in de 1e uitgave van 1782.]

ELFDE BRIEF.

Inhoudsopgave

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.

Ge-eerde Heer, zeer waarde Voogd!

De steen is geworpen: ik ben 't ontvlugt, en acht het pligtmatig u alles te melden. Gister namiddag ben ik hier in myn nieuw Logement gearriveert: Ik zal alles vertellen.

Ik twyffel dikwyls, of Tante my deeze laatste weken niet zo geplaagt heeft, om my deezen stap te eerder te doen doen. Het volgende deedt my nog te eerder tot een besluit komen. Ik ontmoette in een Fransche winkel, daar ik een paar handschoenen kogt, eene myner School- vriendinnetjes, zekere Letje de Brunier. Het lieve meisjes Vader was de Heer Phillips de Brunier, geen ongeacht Commissionaris[1] op Duitschland en Italien: Ik leg haren brief aan my, ook die der Weduwe, daar zy by logeert, hier in; op dat gy zoudt weten al wat er my van bekent is. Nu de Vertelling.

Gister middag ging Tante uit eeten. Ik kleedde my aan, stak wat linnen by my, ook myne juweelen, die ik van u gekregen heb, voor gy naar Frankryk ging, doch die ik nooit heb aangehad, met een weinig gelds, (want zy geeft my niets,—geen duit.) Bregt hadt de stoutheid om my te vragen: "waar ga jy heen?"—"Dat raakt jou niet."—"Dan zel je ook in huis blyven."—"Heb jy 't hart, en belet my dat eens." Ik kan wel boos worden, maar niet kyven; en ziende dat Bregt haar talent te werk stelde, bedagt ik my: "Bregt, zei ik, heeft Tante je die ordres gegeven, dan moet ik haar de reden vragen, als zy t'huis komt; wat zullen wy eeten?"—"Kliekjes", zei zy. "Goed, ik heb honger; maar wy zullen Tantes gezondheid eens drinken; toe meid, haal eens een fles wyn, jy hebt zeker den sleutel."—"Ik doe niet, juffrouw Saartje: (nu ik van putten[2] sprak, kreeg ik aanstonds deezen tytel!) "Jy jokt, Bregt; als Tante er van spreekt, zal ik haar den wyn betalen."—"Je Tante heeft altoos zelf den sleutel; maar als Juffrouw my niet beklappen zou, ik kan er toch wel by."—"Ik je beklappen! wel, dan moest ik wel gek zyn; kryg maar, toe, schielyk." Zy ging. Ik had al lang gemerkt, dat Zuster Bregtje aan de fep was; ik tastte haar des van de zwakke zyde aan. Doch, pasjes was zy in den Kelder, of ik, flink de deur in slot, en de grendels er op. Toen ging ik het huis uit, en haalde de huisdeur agter my toe. Hoe het verder met de Zuster gegaan is, weet ik niet.

Ik heb, op Tantes tafeltje, een kaartje laten leggen, om dat zy niet ongerust zyn zoude. Zy heeft my schrikkelyk geplaagt: mooglyk zal zy zich dit herinneren; en wat hoef ik haar te kwellen, nu ik uit haar magt ben: Is 't niet waar, myn Heer?

Wat verlang ik naar een Brief van u! De Muziek heb ik ontfangen. o Wat zyt gy een goed man! Kon ik u mondeling zeggen, hoe zeer ik u acht, en hoe gelukkig ik my reken van te zyn,

MYN HEER!

Uwe Ootmoedige Dienaresse en Pupil,

SARA BURGERHART.

PS. Myn adres zal ik hier ook by leggen.

Noten:

[1] Handelsagent. [2] Zuipen, pimpelen.

TWAALFDE BRIEF.—Anna Willis waarschuwt Saartje: ze is zoo jong; ze moet zich nogeens bedenken; misschien trouwt ze gauw; gaat 't verkeerd, dan krijgt Sara de schuld. Bij die wed. Sp. leven ze luchtigjes, ook Aletta is maar luchtig. Hoe denkt Blankaart erover? Zij zal 't haar moeder vertellen: misschien wil die Saar wel hebben.—Deze brief blijft wat lang uit.

DERTIENDE BRIEF.—Sara beklaagt er zich over en wordt boos om Anna's koelheid. Haat me desnoods, zegt ze, maar veracht me niet. Eindelijk komt Anna's brief en Sara schrijft haar.

VEERTIENDE BRIEF.

Inhoudsopgave

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.

Dierbare Willis!

Zoo ontfang ik den uwen. Kunt gy my nog liefhebben? Hemel, wat ben ik ongelukkig! Zedert de dood my myne Moeder ontnam, liep my alles tegen. Waarom ontfing ik uwen Brief niet eerder? dien voor my zo allernodigsten Brief, o Myne voortvarentheid!… Wat meer geduld, en wie weet hoe gelukkig ik nu zyn zoude. Maar durfde ik daar op hopen? By u te zyn;—onder het zorgende oog uwer Moeder. Dat is nu te laat! En ik moest nog de Zedemeestres spelen! Ik moest, zo onkundig van myn hart, het uwe beproeven! Ik moest—och, lieve Naatje, vergeef het my; zoek toch naar eenige verschoning voor my, ik kan niets vinden. Ik heb, voor een jong mensch, al veel verdriets gehad, en al veel ongelyks geleden; maar nu, nu ondervind ik voor 't eerst, dat zelfverwyting eene zeer grievende smart veroorzaakt; alles is daar beuzeling by. Als ons hart zegt, men doet u ongelyk, gy verdient dit niet, dan is de belediging zelf, vreugd, by de bewustheid dat wy haar, die ons lief heeft, kwalyk behandelen; ook terwyl zy zich bevlytigt om ons te helpen. Dit gevoel, hoe pynlyk, troost my echter; het maakt my uwer vergeving waardig.

Verscheur myn laatsten Brief. Laat hy zyn als niet geschreven: ik was moedeloos. Wat zal het my nu helpen, uwe bedenkingen te wikken? Helaas, Naatje, de stap is gedaan! Ik ontken niet, dat ik hier zeer vergenoegt ben; maar uw Brief, uw Brief! Ik had dan mogen hopen altoos by u te zyn? Gy weet hoe gaarn ik by u, by uwe lieve Moeder ben! En is Willem t'huisgekomen? (van hem eens nader.) Waarlyk, ik heb het hier zeer wel, hoewel het is nog vroeg, eerst de vierde dag; indien ik het vergelyk by de laatste jaren: doch by u te zyn … 't is vrugteloos. Dit maakt my droefgeestig, en verbetert myn lot niet; ik schrei er van.

Mejuffrouw de Weduwe schynt een zeer goedaartig mensch, zy ziet er allervriendelykst uit; ik denk, dat zy byna veertig jaar oud is. Zy heeft fraaije manieren; zy is eene Vrouw van fatsoen en opvoeding, dat ziet men. Zy spreekt niet veel, doch 't geen zy zegt is goed gezegt.

Zy leest veel, en in verscheidene talen; heeft de Waereld gezien; speelt keurlyk op 't Clavier; is zindelyk over haar huishouden, naarstig; modieus, doch niet opzichtig gekleedt; een weinig gekapt, wel te vreden met ons, zo als wy met haar. Gezelschappen heb ik hier nog niet gezien. Juffrouw Letje is een lief vriendelyk meisje, niet zoo levendig als ik: zy zucht meermaal; waarom weet ik nog niet. Zy leest gaarn, zingt fraai, en is, alles in eens gezeit, als de meeste meisjes, die niet veel goed of kwaad bedryven. De twee andere Dames heb ik nog maar eens aan 't middagmaal gezien: beiden hebben goede manieren; en, schoon ik de jongste ben, behandelen ze my met veel beleeftheid. Zy gaan veel uit, schynt het. Letje is meer t'huis nu zy my heeft, dan van te voren, zegt de heusche Weduwe Spilgoed.

't Is raar! alles is zo wel naar myn zin, en echter ik ben niet gerust. U heb ik kwalyk behandelt, en weet niet hoe of gy my beschouwt. Acht ik u dan hoog? heb ik uwe achting voor myn geluk nodig?

Letje kwam daar by my; ziende dat ik geschreit had, was zy zeer met my bewogen. "Wat scheelt er aan, Liefje," zei zy. "Och niets," zei ik, "maar ik ben my zelf moede, o die Brief, die Brief!" Zy zag dien leggen, maar weet te wel wat de betaamlykheid eischt, om onbescheiden te zyn. Zy zag my aan, vatte myne hand, en 't was of zy my iets wilde zeggen, doch, zich bedenkende: "Kom, Burgerhart," hervatte zy, "gy zyt niet vrolyk: ik ben 't ook niet altoos, en dien wel by u te zyn om het te wezen. Wil ik die solo eens zingen, die gy zo graag hoort? dat zal u wat van u zelf verwyderen." Droevige toevlucht! dit toont wel dat het hier, hier onder de borst, niet richtig is. Ik verlang en beef teffens voor een Brief van u. Och! schryf alles wat gy maar wilt, zo gy my maar in waarheid kunt schryven dat gy nog bemint

Uwe Vriendin,

S. BURGERHART.

VIJFTIENDE BRIEF.—Sophia Willis-Van Zon—Anna's Moeder—schrijft Blankaart over Sara. Saartje heeft haar tante verlaten en woont nu bij de wed. Spilgoed—wat ze niet goedkeurt. Zij zelf kan Sara niet nemen, want behalve voor achterklap vreest ze voor haar zoon Willem. Willem is verliefd op Saar, en hij heeft geen geld, zij wel; bovendien: die twee passen niet voor elkaar. Sara moet een man hebben die haar aan kan; Willem is een lobbes.

ZESTIENDE BRIEF.—Anna Willis schrijft een allerdeugdzaamst en vriendelijk antwoord aan Sara: ze gevoelt zich na dien boozen brief nog meer aangetrokken tot haar. Geeft haar den raad: "leen nooit geld van anderen, kom dan bij mij."

ZEVENTIENDE BRIEF.

Inhoudsopgave

MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.

Myn Heer!

De Apostel zegt: "dat wy allen ommegang met Zondaren niet kunnen vermyden, want dan zouwen wy buiten de Waereld gaan moeten." En schoon ik my zo kan vinden in de woorden van dien Heiligen sukkelaar, zo als Broeder Benjamin Koning David wel eens noemt; zo kan vinden, zeg ik, in de woorden daar hy zegt: "ik kome niet op den weg der Zondaren:" zo vind ik het nu in mynen weg noodzaaklyk, myne oogen naar het Afgodisch Vrankryk te slaan, ende my als te begeven onder hen, die het teken des Beestes aan hun voorhoofd dragen.

Je weet, myn Zusters man vondt het zo, om u tot eersten Voogd voor zyne Dochter te verkiezen, en hare Moeder maakte my mede-Voogdesse, bevelende, wil ik spreken, haar aan myne liefde en bescherming. Daar voor kreeg ik 's Jaars een matig stuivertje van honderd halve ryertjes; och ja! Dit was weinig genoeg; want het Meisje was weelderigjes opgevoet: ik moest, om haar, nog al meer omslag maken, dan ik zo in myn eigen gedoente gewoon ben; och ja! Maar, wat is 't? men doet veel uit liefde ende tot liefde. Had ik maar vruchten mogen zien, dan zou ik my alles nog kunnen troosten. Doch al myne moeite, al myne zorg was te vergeefsch. De Meid heeft een Keistenen hart, geheel voor de Waereld; en zo lang ik zoo met dat lastig Zeeschip getobt en gewroet hebbe, ben ik zo van myn hart afgeweest. 't Is of de Zegen uit myn huis is. Ja, ik heb van haar kwaad humeur veel verdragen; maar ze is weg gevlugt.

Voorleden vrydag was ik by eene hele vrome Mevrouw ten eeten, met Broeder Benjamin en nog ettelyke vromen, om een goed woord te spreken. Ik beval aan myne meid, onze Bregt, op Saartje te passen. Wat gebeurt er? Ik kom 's avonds met den Broeder welletjes en vriendelykjes thuis, ga naar 't zaaltje, roep; kryg geen antwoord. Eindelyk door myn gang gaande, hoor ik iemand die roept: "Juffrouw, och Juffrouw! ik zit in de kelder." Ik doe de deur open, daar zat myn meid in den donker opgesloten, en was zo ontstelt, dat zy my pasjes kon zeggen, dat die ondeugende Sara haar in de kelder gesloten hadt, en zelf de deur was uitgegaan. De meid was zo bezet van den drank, dat ik wel denken kan, dat zy haar die heeft ingeperst, en toen in de kelder gebragt, op dat Bregtje haar niet in hare snode vlugt zoude beletten.

Nu is zy in een godloos huis, daar gedanst en gespeelt wordt, daar de Juffrouwen een el hoog gekapt gaan, en met alle vromen den spot dryven. Ik zou haar wel laten weer halen; maar ik dank den Here, dat zy maar weg is. Nu zal ik weer rust en stilte in myn hutje hebben, en myn eigen wegje gaan. Maar jy moet haar straffen, dat is jou pligt. Ik eisch het volle geld tot zy trouwt, of vyfentwintig jaar is; zy is uit 'er zelf weggegaan: nou, dat spreekt van zelf. Ik geef u aan u zelf, en haar den Duivel over, wiens lievrei zy al aan heeft. Ik sny haar af. Zy zal geen duit van myn goedje hebben. Nou, 't geld wagt ik op den vervaldag. Hoe heuchelyk zou het zyn, indien gy ook in onzen Wyngaart arbeidde; maar uwe vervreemding van het goede laat my niet toe u anders te noemen dan

MIJN HEER,

Ik ben, uwe beterschap en bekering wenschende,

ZUZANNA HOFLAND.

ACHTTIENDE BRIEF.—Blankaart antwoordt wed. Willis: hij is zeer vereerd. Zelf heeft hij vroeger een oogje op Sophia gehad; wie weet wat er nog gebeurt!—Hij is het met haar eens: Willem is op Saar verliefd, dat heeft hij gemerkt. Geld was 't ergste niet, maar als ze niet bij elkaar passen—'t zij zoo! Dan niet aanmoedigen. Laat Sophia een oogje op Saar houden; hij wil Willem wel voorthelpen.

NEGENTIENDE BRIEF.

Inhoudsopgave

DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND.

Mejuffrouw!

Wel zeit het Hollandsch spreekwoord: "Hoe later op den dag hoe schoonder Volk." Maar wat heb ik met uw gelol en uw heilige sukkelaar te doen? Wat geef ik om uw Broer Benjamin? Weet gy wat, Juffrouw Hofland, uwe hele ouwe voddenwinkel van kweeslary raakt my niets, geen oogvol. Hou uwe brieven maar t'huis, ik weet alles in 't lang en in 't breed. Het Kind heeft deugdelyk gedaan. Zy moet meer gedulds hebben dan ik, anders hadt zy zo lang niet eens by u gebleven; dat 's maar uit. Waar ik in Amsterdam geweest, ik zou haar zelf uit uwe klaauwen gehaalt hebben, en in myn huis gebragt; al hadt gy en uw volk my braaf gelastert, dat scheelt my weinig. Hoe, wat hamer! denkt gy, dat ik niet weet hoe jy haar gedaan hebt, en dat jy haar als een zottin door de godgantsche stad hebt laten lopen in ouwe konkelige kleeren, en dat voor een meisje die geld heeft, en altoos proper gekleet pleeg te zyn; iets dat ik ook byster graag zien mag: wat wilje nu daar van hebben, he? Jy meugt waaragtig nog wel spreken van omslag! Wat heeft Saartje by u gehad? overgeschoten klieken, en niet half haar bekomst. Weet je wat? Jy hebt het geld van een Wees met uw Smulbroers, en Fekel-kousen[1] verteert, en het meisje nog gebruikt, om dat Gespuis optepassen; dat heb je. Je meid is een dronken Tobbe, hoor! Zy komt er genadig af. Laat zy nooit onder myne oogen komen, want ik ben wat poestig[2]; ik mag geen onrecht zien, dat om de hagel niet; er zullen konkels zwaaijen[3].

Wat leg jy ook te wauwelen over afgodisch Vrankryk; en van menschen, die het teken des Beestes aan hare Voorhoofden dragen? Ik weet niet veel van al die nieuwe snofjes en modes; noch hoe die duivelderage hiet, die de Dames nu alweer opzetten; doch jy weet er ook niet veel van. Maar zo zyt gy allemaal: dat gonst, en dat bromt over zottigheden, en wezentlyke zaken laat men zo als zy zyn. Je slagt[4] de Dominees, die, als zy haar studeertyd verkwanselt hebben, zulk tuig op den Preekstoel brengen, daar het te pas komt als een Olykoek in een Treurspel. En wat brust[5] het my, al droegen de Fransjes het Zevengesternte op hun hoofd? Ik ben een oud Hollander, die hier niet kom om zulke grillen, maar om myne affaire te doen, en bemoei my niet met het teken des Beestes, of waar zy dat opplakken; doe ook zo, en je zult wel doen.

Wel, ik denk dat ik zo wel in den Bybel lees als jy, maar wie duivel heeft daar ooit van heilige Sukkelaar gelezen? Broer Benjamin is een zotte Vent, hoor! En ik zou my dood schamen, dat zou ik op myn eer, indien ik zo met Gods woord omsprong, en het zo Satans gek toepaste, zo als jy Fynen doet. Weetje wat? David was een held, die de Oorlogen des Heren voerde, en een Kaerel als een boom aan dorst: den Reus Goliad van Gad, meen ik. Paf, daar lag hy, en David ook niet lui, als de blis er op, flink maar, zyn dikken kop afgeslagen: dat was zeker geen sukkelaars werk, meen ik. Hy was een Groot Generaal; dat klinkt je wat anders voor den snoet.

Paulus? van Paulus moet je afblyven. Paulus was de beste, de raisonnabelste man van de waereld; want hy zegt met ronde Zeeuwsche woorden: "Gierigheid is afgodery". o He! kwam die vrome Apostel eens hier, ik verzeker je, (voor een kwart per Cent,) dat hy uw huis een afgodisch zou noemen. Wat praat jy van een goddeloos huis? mogen de jonge Dames dan niet zingen, niet spelen, als zy maar wel oppassen en braaf zyn? En ik hou veel van de Muziek, en Saartje speelt capitaal, en ik heb haar eene hele scheepslading Muziek gezonden; doch gy zult geen occasie hebben om ze op 't vuur te smyten. Wat zeg je; wat blief je: weet ik van de zaak?

Ik heb zo veel achting voor brave vrome menschen als iemand in de Waereld, maar al je gekwaek, en al je geteem is geen snuifje waart; op myn eer, dat is het niet. Ik weet meer van joului werk der Duisternis dan je denkt; ik ken dat lieflyk Oeffening houden; de goeijen niet te na gesproken; want ik wil allen niet met een kwast overstryken. Maar gy en uwe Soci, daar heb ik de nyd op.

Wat weet zo een luije Zuipzak van Gods Woord? Hadt hy liever voor 't lieve Vaderland, (en alle zoete meisjes) Ossen en Schapen geslagt, hy zou een veel nutter werk gedaan hebben. Hoe! hebben wy in Amsterdam dan geen wyze Dominees, die werk van hunne studie maken, en kunnen wy daar niet Kokseaansche, Voetsiaansche, en Lampiaansche Waarheden horen[6]? maar neen: die goeije menschen klagen over yverloosheid, en velen preken, God betert, ook voor stoelen en banken; en in je lui kamers zitten de Vroompjes gepakt als haring in de ton: zo dat ik wil maar zeggen, dat ik een vyand van zulke Oeffeningen ben.

Hoor, als ik Burgemeester T., of een ander braaf Regent van onze Stad was, ik zou Amsterdam eens terdeeg zuiveren van die onnutte Broodeeters. Ik zou, door de stads Omroepers, met het wapen der stad op hunne bekkens geschildert, de les van Paulus laten opklinken: Hoort, gy brave Burgers en ingezetenen: hoort: "Die niet werkt zal niet eeten". En zulke kwanten, als Broer Benjamin, kregen logement in 't grote Werkhuis, dat er zal gebouwt worden op 't Wezeper Veld: wyl hy een van die Borsten is, die by de huizen omgaande, de Vrouwtjes gevangen nemen, die met zonden beladen zyn. Ik zou niet half zo boos op jelui zyn, indien de stille zielen, die het zo wel met het goede voor hebben, om zulk volkje niet bespot of veracht wierden.

Ik heb veel gereist en getrokken, en heb veel in Roomsche Landen verkeert, maar de Papen zyn nog beter dan jy lui; en er valt evel ook niet veel op te roemen. Jy Saartje aan den Duivel overgeven! Weet gy wel, dat hy een kwaaje Gek is, en dat, als gy haar niet kunt leveren, het er wel eens heel benaauwt voor u zou kunnen uitzien? mooglyk neemt hy Tante, om dat hy Nichtje toch niet bekomen kan. Ken jy de Weduwe, daar zy by inwoont? Je mogt wat, een struif. Puis! Tante! is het zo goddeloos, een menuetje te dansen; Wel dat mogt jy, en broeder, en je dikke Bregt ook wel eens ondernemen, om de kwade humeuren, door luiheid, en lekker smullen opgegaert, uit te dampen. Zie, wy kennen malkander van voor dertig jaar; je plagt zo vies niet van een Dansje te zyn. Hoor, ik ben eens door zo een Fynbaar schrikkelyk bedrogen, en zedert gaat er een kou over myn lyf, als ik aan je lui denk. Ik spreek niet van vrome naauw-gezette lieden; dat weet jy heel wel. Wel, wie hoort er van, gy Vrienden gebruikt ons, zo als de Smausen de Christenen gebruiken, om de Sabbatslampen optesteken. Ik kan 't niet knopen[7], dat uw' lieve Zuster besloot, u haar eenig Kind toe te betrouwen. Mooglyk hebt gy zo lang aan haar zwak hoofd liggen gonzen en huilebalken, dat zy het moest opgeven. Alles is jelui gaaijing. En 't was nog eene zoetigheid, honderd halve ryers voor haar kostgeld. En durf jy nog van geld kikken! Hoe, wat hamer! denk je dat ik een schurk of denk je dat ik razende dol ben? Ik ben haar Voogd; zy is met myne goedkeuring heen gegaan. Jy hebt het haar moede gemaakt.—Trekken zul je,—ja! aan een askar. Wel, je bent eene overheerlyke Tante! Je bent immers nu veels te oud en te lelyk om nog eens te trouwen: wat zul je met jou geld doen? Meenemen? Loop voor Joost, ontmaak het kind uw goed, zy heeft genoeg. Procedeeren? Ei spreek eerst den Advocaat naast den gouden ketting eens[8]. Zo die het u aanraadt; hier is je man.

Spreek niet van haar kwaad humeur. Zy is maar al te zoet van aart, en te toegeeffelyk. Zoo zeit de brave Weduwe Willis, en elk die het lief kind kent. Doch wie Satan kan met zo een paar ouwe Meerkatten omgaan, als jy en Bregt?

Zie daar Zusje, nu heb ik ook eens gewerkt in uwen zondigen Wyngaert; ja, ja! ik heb de ranken zo verbruit besnoeit, dat, zo er nog iets goeds van zal komen, het volgende jaar goede vruchten zal leveren. Ik twyffel, of Broer de Uitlegger u, voor alle uwe Smulpartytjes, wel zo vele heilzame Waarheden gelevert heeft, dan gy hier ontvangt voor eene Fransche Briefport.

Om u aan den Drommel overtegeven, (in plaats van myne Pupil,) denk ik dat nu te laat is; en ook, hoe boos ik op u ben, ik wensch uit grond van myn hart, dat gy u verbeterde: gy zyt wel oud; doch men is nooit te oud om iets goeds te leren: gy waart toch in uw jeugd nog al een rare schommel; hoe kom je zo verandert?

Ik wil geen katteschrift meer van u ontfangen, zo gy u niet bekeert; daarom wordt alles in eens afgedaan door

Бесплатный фрагмент закончился.

179,29 ₽
Возрастное ограничение:
0+
Дата выхода на Литрес:
10 октября 2024
Объем:
240 стр. 1 иллюстрация
ISBN:
4064066061708
Издатель:
Правообладатель:
Bookwire
Формат скачивания:

Похожие книги