Читать книгу: «Keltische Mythen en Legenden»

Шрифт:

T. W. Rolleston

Keltische Mythen en Legenden


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066071578

Inhoudsopgave

Inleiding.

Lijst van illustraties.

Hoofdstuk I: De Kelten in de oude geschiedenis.

Oudste mededeelingen.

Het echte Keltische ras.

De gouden eeuw der Kelten.

Bondgenootschappen met de Grieken.

Alexander de Groote.

De plundering van Rome.

Keltische plaatsnamen in Europa.

Oude Keltische kunst.

Kelten en Germanen.

Ondergang van het Keltische rijk.

De eigenaardige historische gesteldheid van Ierland.

Het Keltische karakter.

De beschrijving van Caesar.

Strabo over de Kelten.

Polybius.

Diodorus.

Ammianus Marcellinus.

Rice Holmes over de Galliërs.

Zwakheid der Keltische politiek.

De classieke staat.

Teutoonsche trouw.

De godsdienst der Kelten.

De vervloeking van Tara.

Wat Europa aan de Kelten te danken heeft.

Hoofdstuk II: De Godsdienst der Kelten.

Ierland en de godsdienst der Kelten.

De volksgodsdienst der Kelten.

Het megalithische volk.

Dolmens, cromlechs en tumuli.

Oorsprong van de megalithische bevolking.

De Kelten der vlakten.

De Kelten uit de berglanden.

De godsdienst der toovenarij.

Plinius over den godsdienst der magie.

Sporen van magie in megalithische monumenten.

Chiromantie of handwaarzeggerij te Gavr’inis.

Uitgeholde steenen.

Vereering van steenen.

Teekens in den vorm van schotels en ringen.

De tumulus te New Grange.

Symbolisch beeldhouwwerk te New Grange.

Het schipsymbool te New Grange.

Het schipsymbool in Egypte.

De “Navetas”.

Het schipsymbool in Babylonië.

Het symbool der voeten.

De Ankh op megalithisch beeldhouwwerk.

Bewijzen uit de taal.

Egyptische en “Keltische” denkbeelden omtrent onsterfelijkheid.

De leer der zielsverhuizing.

Caesar over de beschaving der Druïden.

Menschenoffers in Gallië.

Menschenoffers in Ierland.

En in Egypte.

De namen van Keltische godheden.

Caesar over de Keltische godheden.

De god der benedenwereld.

De God van het licht.

De Keltische opvatting van den dood.

De vijf factoren bij de oude Keltische beschaving.

De Kelten uit onzen tijd.

De mythische literatuur.

Hoofdstuk III. De Mythen omtrent de invallen in Ierland.

Het ontstaan der wereld volgens de Kelten.

De verschillende cyclen van Iersche legenden.

De mythologische cyclus.

De komst van Partholan.

De Fomoriërs.

De legende van Tuan mac Carell.

De Nemediërs.

De komst der Firbolgs.

De komst van het volk van Dana.

De populaire opvattingen en die der Barden.

De schatten van het volk van Dana.

Het volk van Dana en de Firbolgs.

De eerste slag by Moytura.

Het verdrijven van koning Bres.

De tyrannie der Fomoriërs.

De komst van Lugh.

De tocht van de zonen van Turenn.

De tweede slag bij Moytura.

De dood van Balor.

De harp van den Dagda.

Namen en karaktertrekken van de godheden van het Volk van Dana.

De Dagda.

Angus Ōg.

Len van Killarney.

Lugh.

Midir, de trotsche.

Lir en Mananan.

De Godin Dana.

De Morrigan.

De golf van Cleena.

De godin Ainé.

Sinend en de put der kennis.

De komst van de zonen van Miled.

De dichter Amergin.

Het oordeel van Amergin.

De nederlaag van het volk van Dana.

De beteekenis der Dana-mythe.

De beteekenis der mythe van de zonen van Miled.

De kinderen van Lir.

De vertelling over Ethné.

Christendom en Heidendom in Ierland.

Hoofdstuk IV. De Oude Milesische Koningen.

Het Volk van Dana na de Milesische Verovering.

De vestiging der Milesiërs in Ierland.

Tiernmas en Crom Cruach.

Ollav Fōla.

Kimbay en de stichting van Emain Macha.

Laery en Covac.

Legenden over Maon, den zoon van Ailill.

De cyclus van legenden van Conary Mōr.

Etain in het tooverland.

Eochy en Etain.

De liefdesgeschiedenis van Ailill.

Midir de trotsche.

Het land der jeugd.

Een partij schaak.

Midir en Etain.

Oorlog met het tooverland.

De vertelling van Conary Mōr.

De wet van de Geis.

De pleegdochter van den Koeherder.

Afstamming en geboorte van Conary.

Conary de Opperkoning.

De geise van Conary.

Begin der wraak.

De pleisterplaats van Da Derga en de Drie Rooden.

Verzameling der gasten.

De Morrigan.

Conary en zijn gevolg.

Kampioenen in het huis.

De dood van Conary.

De wond van mac Cecht.

“Leeft uw Heer nog?”

Hoofdstuk V. Verhalen van den Cyclus van Ulster.

De vloek van Macha.

Conor mac Nessa.

De roode tak.

De geboorte van Cuchulain.

De hond van Cullan.

Cuchulain neemt de wapenen ter hand.

Hoe hij dong naar de hand van Emer.

Cuchulain in het land van Skatha.

Cuchulain en Aifa.

De tragedie van Cuchulain en Connla.

De eerste strooptocht van Cuchulain.

Cuchulain wint de hand van Emer.

Cuchulain Kampioen van Erin.

Deirdre en de Zonen van Usna.

De Opstand van Fergus.

Koningin Maev.

De Bruine Stier van Quelgny.

De Troepen van Koningin Maev.

Ulster onder den Vloek.

Profetische Stemmen.

Cuchulain brengt den Troep onder Geise.

De Wadde van den Vertakten Paal.

De Wagenmenner van Orlam.

De Strijdwoede van Cuchulain.

De Overeenkomst aan de Wadde.

Fergus en Cuchulain.

Het rooven van den bruinen stier.

De Morrigan.

Het gevecht met Loch.

Lugh de beschermer.

De opoffering van het knapenkorps.

Het bloedbad van Murthemney.

De Clan Calatin.

Ferdia neemt deel aan den strijd.

De dood van Ferdia.

Ulster verheft zich eindelijk.

De slag bij Garach.

Het gevecht der stieren.

Cuchulain in het tooverland.

Fand, Emer en Cuchulain.

De wraak van Maev.

Cuchulain en Blanid.

De krankzinnigheid van Cuchulain.

Het waschmeisje aan de wadde.

Nog eens Clan Calatin.

De dood van Cuchulain.

Het terugwinnen van de Tain.

De spookwagen van Cuchulain.

Dood van Conor mac Nessa.

Ket en het everzwijn van mac Datho.

De dood van Ket.

De dood van Maev.

Fergus mac Leda en het volk der dwergen.

De misvorming van Fergus.

De dood van Fergus.

Beteekenis van Iersche plaatsnamen.

Hoofdstuk VI: Verhalen uit den Cyclus van Ossian.

De Fianna van Erin.

De Ossian-Cyclus.

Verschil met den Cyclus van Ulster.

De komst van Finn.

Finn en de booze geest.

De voornaamste volgelingen van Finn: Conan mac Lia.

Conan mac Morna.

Dermot O’Dyna.

Keelta mac Ronan en Oisīn.

Oscar.

Geena mac Luga.

Leerstellingen van de Fianna.

Karakter van Finn.

Eischen van de Fianna.

Keelta en St. Patrick.

De geboorte van Oisīn.

Oisīn en Niam.

De reis naar het tooverland.

Oisīn’s terugkomst.

De betoovering verbroken.

Oisīn en Patrick.

Het betooverde hol.

De jacht van Slievegallion.

Het “Gesprek der Ouden.”

Keelta ontmoet St. Patrick.

De bron van Tradaban.

St. Patrick en Iersche legende.

De Brugh van Slievenamon.

De drie jonge krijgers.

De schoone reuzin.

St. Patrick, Oisīn en Keelta.

Verhalen van Dermot.

De ever van Ben Bulben.

Hoe Dermot de liefde-vlek kreeg.

De vervolging van den harden knecht.

Dermot bij de bron.

De verlossing uit het Tooverland.

De invloed van het Christendom op de ontwikkeling der Iersche literatuur.

De verhalen van Deirdre en Grania.

Grania en Dermot.

De vervolging.

Dermot en Finn sluiten vrede.

Finn’s wraak.

Dood van Dermot.

Grania’s einde.

Twee stroomingen van Fian-legenden.

Einde van de Fianna.

De slag van Gowra.

De dood van Oscar.

Het einde van Finn.

Hoofdstuk VII: De reis van Maeldūn.

Het eiland van den moordenaar.

Het eiland met de mieren.

Het eiland met de groote vogels.

Het eiland met het woeste beest.

Het eiland met de reuzenpaarden.

Het eiland met de steenen deur.

Het eiland met de appelen.

Het eiland met het wonderbeest.

Het eiland met de bijtende paarden.

Het eiland met de gloeiende zwijnen.

Het eiland met de kleine kat.

Het eiland met de zwarte en witte schapen.

Het eiland met het reuzenvee.

Het eiland met den molen.

Het eiland met de zwarte rouwdragers.

Het eiland met de vier heggen.

Het eiland met de glazen brug.

Het eiland met de schreeuwende vogels.

Het eiland van den kluizenaar.

Het eiland met de wonderfontein.

Het eiland met de smidse.

De zee van zuiver glas.

Het eiland onder de zee.

Het eiland der voorspelling.

Het eiland met het spuitend water.

Het eiland met de zilveren zuil.

Het eiland met het voetstuk.

Het eiland van de vrouwen.

Het eiland met de roode bessen.

Het eiland met den arend.

Het eiland met de lachende menschen.

Het eiland met den wal van vlammen.

Het eiland van den monnik van Tory.

Het eiland met den valk.

De thuiskomst.

Hoofdstuk VIII: Mythen en verhalen van de Kimbren.

Barden-philosophie.

De Arthur-sage.

Nennius.

Geoffrey van Monmouth.

De sage in Bretagne: Marie de France.

Chrestien de Troyes.

Bleheris.

Conclusie betreffende den oorsprong van de Arthur-sage.

De sage in Wales.

Galische en Kimbrische legenden.

Galische en continentale romantiek.

Galische en Kimbrische mythologie: Nudd.

Llyr en Manawyddan.

Llew Llaw Gyffes.

De geslachten van Dōn en van Llyr.

Het geslacht van Arthur.

Gwyn ap Nudd.

Myrddin, of Merlin.

Nynniaw en Peibaw.

De “Mabinogion.”

Pwyll, hoofd van het Schimmenrijk.

Het huwelyk van Pwyll en Rhiannon.

Riannon’s boete.

Pryderi wordt gevonden.

Het verhaal van Bran en Branwen.

De tooverketel.

DestrafvanBranwen.

Bran’sinval.

Demeelzakken.

DoodvanEvnissyen.

Hetwonderlijkehoofd.

HetverhaalvanPryderienManawyddan.

Het verhaal van Māth zoon van Māthonwy.

Gwydion en de zwijnen van Pryderi.

Dood van Pryderi.

De boete van Gwydion en Gilvaethwy.

De Kinderen van Arianrod: Dylan.

Llew Llaw Gyffes.

Hoe Llew aan zijn naam kwam.

Hoe Llew wapens droeg.

Llew’s Bloem-vrouw.

Llew verraden.

Llew’s genezing.

De droom van Maxen Wledig.

Het verhaal van Lludd en Llevelys.

Arthur-verhalen.

Kilhwch en Olwen.

Kilhwch aan het Hof van Arthur.

Arthur’s dienaren.

Custennin.

Olwen met het Witte Spoor.

Yspaddaden.

Wat Kilhwch werd opgelegd.

De droom van Rhonabwy.

De Vrouw van de Bron.

Kymon’s avontuur.

Het karakter van de vertellingen van Wales.

Nederlaag van Kymon.

Owain en de Zwarte Ridder.

Het zoeken naar Owain.

Owain vergeet zijn vrouw.

Owain en de leeuw.

Luned’s bevrijding.

Het verhaal van Enid en Geraint.

Graal-legenden: Het verhaal van Peredur.

Hij gaat avonturen zoeken.

Zijn eerste wapenfeit.

Het Kasteel der Wonderen.

De Conte del Graal.

Wolfram von Eschenbach.

De voortzetters van Chrestien.

De Graal een talisman van overvloed.

De Keltische ketel des overvloeds.

Het verhaal van Taliesin.

De buitenkans van Elphin.

Taliesin, de voornaamste bard van Brittannië.

Besluit.

Woordenlijst en Bladwijzer.

De uitspraak van Keltische namen.

I. Galisch.

II. Kimbrisch.

A.

B

C.

D.

E.

F.

G.

H.

I.

J.

K.

L.

M.

N.

O.

P.

Q.

R.

S.

T.

U.

V.

W.

Y.

Z.

MOOIE BOEKEN UITGEGEVEN DOOR W.J. THIEME & CIE, ZUTPHEN.

Inleiding.

Inhoudsopgave

Het verleden kan worden vergeten, het sterft nimmer. De elementen, die in de vroegste tijden bij de vorming van een natie in het spel kwamen, blijven bestaan en dragen er toe bij haar geschiedenis te maken en den stempel te drukken op het karakter en den geest van het volk.

Daarom moet het nasporen van die elementen en het bepalen, voor zoover mogelijk, van het deel dat zij hebben gehad aan schering en inslag van het leven van een volk, van niet gering belang zijn voor hen die inzien, dat uit het verleden het heden en uit het heden de toekomst wordt geboren; die zich zelf, hun magen en hun medeburgers niet willen beschouwen alleen als voorbijgaande schimmen, zich van de eene duisternis in de andere spoedend, maar die weten dat door hen een breede historische stroom gaat, van een verwijderden en geheimzinnigen oorsprong naar een toekomst, die in hooge mate wordt bepaald door al de vroegere omzwervingen van dien menschen-stroom, maar ook, in niet geringen graad door hetgeen zij, dank zij hun moed, hun vaderlandsliefde, hun kennis en hun verstand, er van verkozen te maken.

De rol door het Keltisch ras gespeeld als vormende kracht in de geschiedenis, de literatuur en de kunst van het volk dat de Britsche Eilanden bewoont—een volk dat van dat middelpunt uit zijn heerschappij heeft uitgebreid over zulk een uitgestrekt gebied van de oppervlakte der aarde—is in de volksgedachte onbehoorlijk verkleind geworden. Voor een groot deel heeft hieraan schuld de algemeen gangbare benaming “Angel-Saksisch” voor het Britsche volk, als ras-aanwijzing. Uit een historisch oogpunt is die benaming ten eenenmale verkeerd. Niets wettigt deze onderscheiding van twee Neder-Duitsche stammen, wanneer wij het ras-karakter van het Britsche volk willen aangeven. Het gebruik dier benaming leidt tot ongerijmdheden als die welke de schrijver niet lang geleden opmerkte, toen de voorgenomen verheffing van een Ierschen bisschop tot kardinaal, door den Paus, in een Engelsch blad werd voorgesteld als te zijn ingegeven door den wensch van het hoofd der Katholieke kerk om een vriendelijkheid te bewijzen aan “het Angel-Saksisch ras.”

De juiste benaming voor de bevolking dezer eilanden en voor het typische en overheerschende deel van de bevolking van Noord-Amerika, is niet Angel-Saksisch maar Angel-Keltisch. Het is juist door deze vermenging van Germaansche en Keltische elementen dat het Britsche volk eenig is—het is juist die vermenging die aan dat volk het vuur, den élan, en in literatuur en kunst het gevoel voor stijl, kleur en handeling geeft—niet in het algemeen producten van den Germaanschen bodem—en te gelijkertijd de vastberadenheid en diepte, den eerbied voor oude wetten en gebruiken en de passie voor persoonlijke vrijheid, die min of meer vreemd zijn aan de romantische volken van Zuid-Europa. Mogen zij aan de Britsche Eilanden nimmer vreemd worden! Ook moet het Keltisch element in die eilanden niet worden geacht als geheel of zelfs zeer overwegend te zijn geleverd door de bevolkingen van den zoogenaamden “Keltischen Rand.” Het is thans aan de ethnologen wel bekend dat de Saksers volstrekt niet de Keltische of met Kelten vermengde bevolkingen uitroeiden die zij in het bezit vonden van Groot-Brittannië. De heer E.W.B. Nicholson, bibliothecaris van de Bodley-bibliotheek1 schrijft in zijn belangrijk werk “Keltische Nasporingen” (1904):

“Namen niet opzettelijk bedacht om rassen aan te duiden moeten nooit worden beschouwd als bewijzen voor ras, maar alleen als bewijzen voor het gemeenschappelijke van taal, of staatkundige organisatie. Wij noemen een man die Engelsch spreekt, in Engeland woont en een klaarblijkelijk Engelschen naam draagt (bijv. Freeman of Newton) een Engelschman. Toch geven statistieken van ‘betrekkelijke nigrescentie’2 goede gronden om aan te nemen dat Lancashire, West-Yorkshire, Staffordshire, Worcestershire, Warwickshire, Leicestershire, Rutland, Cambridgeshire, Wiltshire, Somerset en een deel van Sussex even Keltisch zijn als Perthshire en Noord-Munster; dat Cheshire, Shropshire, Herefordshire, Monmouthshire, Gloucestershire, Devon, Dorset, Northamptonshire, Huntingdonshire en Bedfordshire meer Keltisch zijn—en even Keltisch als Noord-Wales en Leinster; terwijl Buckinghamshire en Hertfordshire zelfs nog meer Keltisch zijn en gelijk staan met Zuid-Wales en Ulster.”3

Het is dus voor een Angel-Keltisch, niet een Angel-Saksisch volk dat dit overzicht van de oude geschiedenis, den godsdienst en de mythische en romantische literatuur van het Keltisch ras is geschreven. Het is te hopen dat dat volk daarin dingen zal vinden, waardig in herinnering te blijven als bijdragen tot den algemeenen schat der Europeesche cultuur, maar vooral waardig in de herinnering te blijven van hen, die meer dan eenig ander levend volk hebben geërfd van het bloed, de neigingen en den aanleg der Kelten.

1 Te Oxford, dus genaamd naar den stichter, Sir T. Bodley (N.v.d.v.).

2 Het voorkomen van het donkere type onder de bewoners. (N.v.d.v.).

3 Met betrekking tot den naam “Freeman” voegt de heer Nicholson er nog bij: “Niemand was meer hartgrondig “Engelsch” in zijn sympathieën dan de groote historicus van dien naam en vermoedelijk zou niemand zich hardnekkiger hebben verzet tegen de onderstelling dat hij misschien uit Wales afstamde; toch heb ik zijn bijna physiek evenbeeld ontmoet in een pachter uit Wales (Evans geheeten), die op een paar minuten afstands van Pwllheli woonde.”

Lijst van illustraties.

Inhoudsopgave


Koningin Maev (Titelplaat).
“Wij vreezen niemand” 6
“Wij zijn op weg naar Rome” 8
“Onmiddellijk stapte een ander over hem heen toen hij daar nederlag” 22
Vercingetorix rijdt langs het Romeinsche Kamp 24
“Moge Tara voor eeuwig verlaten zijn” 32
Praehistorische Tumulus te New Grange 38
Rijen Steenen, te Kermaris, Carnac 42
Moderne Steenaanbidding te Locronan, Bretagne 50
Ingang van den Tumulus te New Grange 56
Menschenoffers in Gallië 68
“Zij vroegen melk en koren in ruil voor hun Kinderen” 70
St. Finnen en de Heidensche Aanvoerder 82
Tuan bespiedt Nemed 84
De Twee Afgezanten 90
Corpre en Koning Bres 92
“Sawan gaf den halster der koe aan den Knaap” 94
“De Druïde dreef het naar het huis van zijn vader, Kian” 96
De Boot van Mananan 98
“Bij de feesten van het Toovervolk” 102
“Hier bij het meer werkte hij” 108
Sinend en de Put van Connla 112
De komst van de Zonen van Miled 114
Het volk van Dana luistert naar de Muziek der Zwanen 124
Ethné hoort stemmen 128
Macha meet den omtrek der Stad uit 136
“De eerste boom was een wilg” 138
Midir en Etain 146
“Op den vloer van de hut vallen zijn vogelveeren af” 150
Conary in de Netten van het Toovervolk 154
De Vloek van Macha 162
De Knaap Setanta Volgt Koning Conor 164
De Hond van Cullan 166
Cuchulain vraagt den Koning om wapenen 168
“Cathbad keek naar de sterren en hij werd zeer verontrust” 180
Koningin Maev en de Druïde 188
Cuchulain in den Strijd 190
“Slaap nu, Cuchulain, bij het graf in Lerga” 196
“Cuchulain greep Ferdia toen hij viel” 202
“Het Hoofd ging nog altijd door met roepen en vermanen” 204
Cuchulain en de Toovermaagden 206
Emer hoort van de afspraak 208
De Dood van Cuchulain 214
Forbay en Koningin Maev 224
Koning Fergus en de Dwerg 226
Finn vindt de Oude Mannen in het Bosch 236
“Finn hoorde de tonen der Tooverharp” 238
“Ik ben Saba, O Finn” 244
Oisīn en Niam 248
“Het witte paard was uit hun oogen verdwenen als een krans van nevel” 252
“Zij vonden zich plotseling verward in draden garen” 254
“Patrick verzoekt zijn schrijvers alles nauwkeurig op te schrijven” 256
“Zij joegen hem naar het strand” 262
“De Fianna richtten een steenen pilaar op, met haar naam in Ogham letters” 264
Dermot nam den Horen en vulde dien 270
Dermot en Grania 274
“De troep der Fianna verdween, en liet haar over aan haar smart” 278
“Het ware beter voor u den man te wreken, die hier verbrand is” 286
“De helft van het koren van uw land wordt hier gemalen” 292
“Den vierden dag kwam zij naar hen toe buiten de vesting” 294
Het offer van Diuran den Rijmer 304
De Boetedoening van Rhiannon 332
“Evnissyen legde zijn hand op den zak” 340
“Ik zal haar niet loslaten” 346
“Het jammeren en weeklagen werd nog luider dan te voren gehoord” 372

Hoofdstuk I: De Kelten in de oude geschiedenis.

Inhoudsopgave

Oudste mededeelingen.

Inhoudsopgave

In de kronieken van de classieke volken van omstreeks vijfhonderd jaar vóór de Christelijke jaartelling vindt men herhaaldelijk gewag gemaakt van een volk, dat met die naties in betrekking stond, somtijds in vrede, somtijds in den oorlog, en dat blijkbaar een krachtige en invloedrijke plaats innam in het onbekende gebied van Midden-Europa. Dit volk wordt door de Grieken de Hyperboreërs of Kelten genoemd; de laatste uitdrukking wordt het eerst gevonden bij den aardrijkskundige Hecataeus, ongeveer 500 v.C.1

Herodotus spreekt omstreeks een halve eeuw later van de Kelten, als van een volksstam die “aan gene zijde van de Zuilen van Hercules woont”—d.i. in Spanje, en verhaalt eveneens, dat de Donau in hun land ontspringt.

Aristoteles wist, dat zij “voorbij Spanje” woonden, dat zij Rome hadden ingenomen, en dat zij uitmuntten in krijgshaftige eigenschappen. Van tijd tot tijd vinden wij ook andere dan aardrijkskundige mededeelingen zelfs bij oude schrijvers. Hellanicus van Lesbos, een geschiedschrijver uit de vijfde eeuw v.C., beschrijft de Kelten als handhavers van rechtvaardigheid en als mannen, die de deugd liefhadden. Ephorus (omstreeks 350 v.C.) geeft drie dichtregels over de Kelten, waarin hij zegt, dat zij “dezelfde gewoonten hadden als de Grieken” (het is niet duidelijk, wat hij daarmee bedoelt), en dat zij op vriendschappelijken voet met dezen verkeerden, die dan ook gastvriendschap met hen sloten. Plato echter rangschikt in de “Wetten” de Kelten onder de volken, die zich aan dronkenschap overgeven en strijdlustig zijn, en men schrijft hun groote barbaarschheid toe bij gelegenheid van hun inval in Griekenland en de plundering van Delphi van het jaar 273 v.C. Hun aanval op Rome en de plundering dier stad omstreeks een eeuw vroeger is één der mijlpalen in de oude geschiedenis.

De geschiedenis van dat volk gedurende den tijd, toen het de overheerschende macht in Midden-Europa voerde, moet men gissen of weder opbouwen uit verspreide aanwijzingen en mededeelingen van op zich zelf staande gebeurtenissen in hun optreden tegenover Griekenland en Rome, zooals de dierkundige dikwijls een voorwereldlijk dier weder opbouwt uit enkele fossiele beenderen. Geen kronieken zijn van hen tot op onzen tijd overgeleverd, geen bouwkundige overblijfselen zijn tot op onze dagen in wezen gebleven; slechts enkele munten en enkele versierselen en bronzen wapenen, met email opgelegd of waarop fijne en schoone patronen zijn gegraveerd of gedreven—alleen deze en de namen, die dikwijls in wonderlijk gewijzigde vormen verbonden zijn gebleven aan de plaatsen, waar zij woonden, van de Zwarte Zee tot aan de Britsche Eilanden, zijn zoowat al de zichtbare sporen, die ons door dien eertijds zoo machtigen volksstam van zijn beschaving en heerschappij zijn nagelaten. Toch kan daaruit en uit die verhalen van classieke schrijvers veel met zekerheid worden afgeleid, en nog meer kan met tamelijk veel waarschijnlijkheid worden gegist. De groote kenner der Keltische geschiedenis en oudheden, die voor enkele jaren is overleden, d’Arbois de Jubainville, heeft uit de beschikbare feiten een overtuigende schets gegeven der Keltische geschiedenis gedurende den tijd, die voorafgegaan is aan dien, waarop zij in het volle geschiedkundige licht zijn gekomen tijdens de veroveringen van Caesar2, en van die schets geven wij hier de voornaamste trekken weer.

Het echte Keltische ras.

Inhoudsopgave

Om te beginnen, moeten wij het denkbeeld op zijde zetten, dat het Keltenland ooit door één enkel zuiver en homogeen ras is bewoond geweest. De echte Kelten waren, als wij op dit punt de met zorg bestudeerde en goed gedocumenteerde gevolgtrekkingen mogen aannemen van Dr. T. Rice Holmes3 welk betoog wordt bevestigd door de eensluidende mededeelingen der oudheid, een rijzig, lichtharig ras, oorlogslievend en heerschzuchtig4, dat oorspronkelijk (zoover wij het nog kunnen nagaan) hun woonplaats gehad heeft ergens bij de bronnen van den Donau, en die, zoowel door verovering als door op vredelievende wijze door te dringen, hun heerschappij uitstrekten over Midden-Europa, Gallië, Spanje en de Britsche Eilanden. Zij roeiden de oorspronkelijke praehistorische bewoners van die streken—palaeolithische en neolithische rassen, dolmen-bouwers en bewerkers van brons—niet uit, maar zij legden hun wel hun taal, hun industrie en hun overleveringen op, waartegenover zij ongetwijfeld van hun kant veel van hen overnamen, vooral, zooals wij zullen zien, op het gebied van den godsdienst. Onder de rassen vormden de echte Kelten een aristocratische en overheerschende kaste. In die hoedanigheid stonden zij, zoowel in Gallië en in Spanje als in Brittannië en in Ierland, aan de spits van het gewapend verzet tegen vreemde invallen. Zij vingen den krachtigsten stoot op van oorlogen, verbeurdverklaringen en verbanning. Het ontbrak hun nooit aan moed, maar zij waren niet krachtig of niet eensgezind genoeg om de overhand te krijgen, en zij kwamen in veel grootere verhouding om dan de andere bewoners, die zij zelf hadden ten onder gebracht. Maar ook verdwenen zij, door hun bloed met dat van die andere bewoners te vermengen, waardoor zij den stempel van een aantal van hun eigen edele en mannelijke eigenschappen op hen drukten. Dit is de reden, dat de karakteristieke eigenschappen van die volken, die in onzen tijd Kelten genoemd werden en die de Keltische overleveringen en de Keltische taal voortplantten, in enkele opzichten zoozeer verschillen van die der Kelten uit de classieke geschiedenis en die der Kelten, die de litteratuur en de kunst van het oude Griekenland hebben voortgebracht, terwijl zij in andere opzichten daarmede zoo treffend overeenkomen. Om slechts één lichamelijk kenmerk te kiezen, de bewoners der meer Keltische districten van de Britsche eilanden kenmerken zich tegenwoordig door hun donkere gelaatskleur, hun haren enz. Zij zijn niet bijzonder donker, maar toch donkerder dan het overige gedeelte der bewoners van het koninkrijk.5 Maar de echte Kelten der twaalfde eeuw zijn door Giraldus Cambrensis als een licht gekleurd ras beschreven.

De gouden eeuw der Kelten.

Inhoudsopgave

Maar wij loopen op ons onderwerp vooruit en moeten terugkeeren tot het tijdperk van den oorsprong der Keltische geschiedenis. Evenals de sterrenkundigen het bestaan eener onbekende planeet hebben ontdekt door de storingen, door deze op de reeds waargenomen planeten uitgeoefend, zoo kunnen wij in de vijfde en vierde eeuw vóór Christus de aanwezigheid van een groote macht en van krachtige bewegingen onderscheiden, die geschiedden achter een sluier, die nooit meer zal worden opgelicht. Dit was de Gouden Eeuw der Kelten op het vasteland van Europa. Gedurende dat tijdperk voerden de Kelten drie groote en voorspoedige oorlogen, die geen geringen invloed hadden op den loop der geschiedenis van Zuid-Europa. Omstreeks 500 v.C. veroverden zij Spanje op de Carthagers. Een eeuw later zien wij hen bezig met de verovering van Noord-Italië op de Etruskers. Zij vestigden zich in grooten getale op het gebied, dat later bekend werd als Gallia Cisalpina, waar een aantal namen, zooals Mediolanum (Milaan), Addua (Adda), Virodunum (Verduno), en misschien Cremona (creamh, knoflook)6, er getuigenis van afleggen, dat zij dit gebied hebben bezet. Zij hebben nog een grooter herinnering achtergelaten in den voornaamsten der Latijnsche dichters, wiens naam, Vergilius, schijnt te wijzen op zijn Keltische afstamming7. Tegen het einde der vierde eeuw overstroomden zij Pannonia, toen zij de Illyriërs ten onder brachten.

Bondgenootschappen met de Grieken.

Inhoudsopgave

Al die oorlogen werden ondernomen in bondgenootschap met de Grieken, met wie de Kelten in die periode op den meest vriendschappelijken voet verkeerden. Door den oorlog met de Carthagers werd het monopolie, dat deze bezaten op het gebied van den handel in tin met Brittannië en in zilver met de Spaansche mijnwerkers, vernietigd, en de weg over land door Frankrijk heen naar Brittannië, ten behoeve waarvoor de Phoceërs in het jaar 600 v.C. de haven van Marseille hadden gesticht, werd voor goed aan den Griekschen handel verzekerd. Grieken en Kelten waren in dat tijdperk verbonden tegen Phoeniciërs en Perzen. De nederlaag, Hamilcar te Himera, in Sicilië, door Gelon toegebracht, viel in hetzelfde jaar als die van Xerxes te Salamis. Het Carthaagsche leger in dien veldtocht bestond uit huurlingen van een half dozijn volken, maar in de rangen der Carthagers werd geen enkele Kelt gevonden, en de vijandschap der Kelten was een voorname oorzaak, dat de Carthagers de Perzen geen hulp boden ter vernietiging van hun gemeenschappelijken vijand. Deze feiten bewijzen, dat de Kelten een belangrijke rol speelden, om te beletten, dat het Grieksche type van beschaving werd overweldigd door de dwingelandij van Oostersche volken, en dat het in Europa het onschatbare zaad van vrijheid en menschelijke cultuur in het leven hield.

Alexander de Groote.

Inhoudsopgave

Wij zien de Kelten weer naar voren treden als een hoogst belangrijken factor, toen Hellas van haar kant onder Alexander den Groote haar tegenaanval tegen het Oosten begon.


“Wij vreezen niemand”

In de vierde eeuw v.C. werd Macedonië door Thracische en Illyrische benden aangevallen en bijna vernietigd. Koning AmyntasII werd verslagen en in ballingschap gedreven. Zijn zoon PerdiccasII werd in den slag gedood. Toen Philippus, een jongere broeder van Perdiccas, den onbeteekenenden en waggelenden troon besteeg, dien hij en zijn opvolgers tot den zetel van een machtig rijk zouden maken, werd hij krachtig gesteund in zijn pogingen de Illyriërs het hoofd te bieden door de veroveringen der Kelten in de valleien van den Donau en de Po. In de dagen van Alexander werd het bondgenootschap voortgezet en misschien meer op wettelijken grondslag gevestigd. Toen Alexander op het punt stond, Azië te veroveren (334 v.C.) sloot hij eerst een verdrag met de Kelten “die aan de Jonische Golf woonden”, ten einde zijn Grieksch grondgebied tijdens zijn afwezigheid tegen een aanval te beveiligen. Die gebeurtenis is door Ptolemaeus Soter beschreven in zijn geschiedenis van de oorlogen van Alexander8. Het verhaal is zóó levendig, dat het den stempel draagt van een authentieke geschiedenis, en een andere merkwaardige getuigenis van de waarheid van het verhaal is door de Jubainville aan het licht gebracht. Toen de Keltische afgevaardigden, die beschreven worden als mannen, hooghartig in hun optreden en van grooten lichaamsbouw, na hun zending te hebben volbracht, met den koning dronken, vroeg hij hun, naar het verhaal zegt, wat wel datgene was, waarvoor zij het meest bevreesd waren. De afgevaardigden antwoordden: “Wij vreezen niemand: er is slechts één ding, waarvoor wij bang zijn, en wel, dat de hemel op ons zou kunnen neervallen; maar wij stellen niets zoo zeer op prijs als de vriendschap van iemand zooals gij.” Alexander nam afscheid van hen, en fluisterde, na zich tot zijn edelen te hebben gewend, “Wat zijn die Kelten toch vreeselijke pochers.” Toch was het antwoord, met al zijn Keltische bravour en pralerij, niet zonder waardigheid en hoffelijkheid. De uitdrukking omtrent het neervallen van den hemel schijnt een blik te schenken op het eene of andere primitieve geloof of de eene of andere mythe, waarvan de beteekenis niet meer te doorgronden is.9 De nationale eed, waarmede de Kelten zich verbonden, aan hun verdrag met Alexander trouw te blijven, is zeer merkwaardig. “Als wij dit verdrag niet gestand doen,” zoo zeiden zij, “moge dan de hemel op ons neervallen en ons verbrijzelen, moge de aarde zich openen en ons verzwelgen, moge de zee openbarsten en ons overweldigen.” De Jubainville vestigt met nadruk de aandacht op een plaats uit de “Táin Bo Cuailgne,” in het Boek van Leinster,10 waar de helden uit Ulster hun koning, die hen in den strijd wenschte te verlaten, ten einde een aanval af te weren op een ander gedeelte van het slagveld, mededeelen: De hemel is boven ons, en de aarde onder ons, en de zee is om ons heen gelegen. Tenzij de hemel met zijn menigte sterren neervalt op den grond, waarop wij gekampeerd zijn, of tenzij de aarde door een aardbeving wordt van een gereten, of tenzij de golven der blauwe zee over de bosschen der levende wereld komen, zullen wij niet wijken.11 Het overleven van dit eigenaardige eedsformulier gedurende meer dan duizend jaar, en het weder te voorschijn komen in een mythisch Iersch verdichtsel, nadat er het eerst van gehoord is onder de Kelten van Midden-Europa, is ongetwijfeld zeer merkwaardig, en is met andere feiten, die wij later zullen vermelden, een krachtig bewijs voor de eenheid en de onverwoestbaarheid der Keltische beschaving.12

De plundering van Rome.

Inhoudsopgave

Wij hebben reeds melding gemaakt van twee der groote oorlogen, door de op het vasteland wonende Kelten gevoerd; wij komen thans tot den derden, dien tegen de Etruskers, die hen ten slotte in botsing bracht met de grootste macht van het heidensche Europa, en aanleiding gaf tot hun grootste wapenfeit, de plundering van Rome. Omstreeks het jaar 400 v.C. schijnt het Keltische rijk het toppunt van zijn macht te hebben bereikt. Onder een koning, bij Livius Ambicatus genoemd, die waarschijnlijk het hoofd van een overheerschenden stam was in een militairen bond, zooals in onze dagen de Duitsche Keizer, schijnen de Kelten in sterke mate te zijn samengesmeed tot een politieke eenheid, en een op eenzelfde doel gerichte politiek te hebben gevolgd. Daar zij aangetrokken waren door het vruchtbare land van Noord-Italië, daalden zij af door de passen der Alpen, en wisten zij zich daar, na hevige gevechten met de Etruscische inwoners, te handhaven. In die dagen drongen de Romeinen van beneden af op de Etruskers aan, en Romeinen en Kelten werkten volkomen met elkander in overleg en voor dat doel verbonden met elkander samen. Maar de Romeinen, die waarschijnlijk een groote minachting hadden voor de Noordelijke barbaarsche krijgslieden, hadden de onbezonnenheid oneerlijk spel met hen te spelen bij het beleg van Clusium (301 v.C.) welke plaats de Romeinen beschouwden als één der bolwerken van Latium tegen het noorden. De Kelten herkenden Romeinen, die bij hen gekomen waren in het onschendbare karakter van afgevaardigden, als strijders onder de rijen van den vijand. De gebeurtenissen, die toen volgden, zijn, in den vorm, waarin zij tot ons zijn gekomen, zeer vermengd met legenden, maar er zijn toch enkele trekken onder van dramatische kracht en levendigheid, waarin het ware karakter der Kelten duidelijk herkenbaar naar voren treedt. Zooals ons wordt verhaald, wendden zij zich tot Rome, om genoegdoening te krijgen voor het verraad der afgezanten, de drie zonen van Fabius Ambustus, den opperpriester. De Romeinen weigerden aan dien eisch gehoor te geven, en kozen juist de Fabii tot militaire tribunen voor het volgende jaar. Daarop braken de Kelten het beleg van Clusium op en trokken regelrecht op Rome af. Zij dachten er niet aan, op goed geluk te plunderen of te verwoesten, zij vielen geen enkele stad of vesting aan. “Wij zijn op weg naar Rome,” zoo riepen zij tot de wachten op de muren der provinciesteden, die verwonderd en beangst den ontzaglijken troep, die onafgebroken naar het zuiden trok, nastaarden. Eindelijk bereikten zij de Allia, enkele mijlen van Rome af, waar de geheele beschikbare troepenmacht der stad in slagorde stond geschaard om hen tegemoet te trekken. De slag werd geleverd den 18den Juli 390, dien ongelukkigen dies Alliensis, die lange jaren in den Romeinschen kalender de herinnering levendig hield aan de diepste vernedering, die de Republiek ooit heeft ondergaan. De Kelten omsingelden het Romeinsche leger en vernietigden het in één enkelen geweldigen aanval. Drie dagen later waren zij in Rome, en omstreeks een jaar bleven zij meester van de stad of van haar puinhoopen, totdat een groote geldboete was betaald en de trouweloosheid bij Clusium ten volle was gewroken. Omstreeks een eeuw lang nadat het vredesverdrag gesloten was, bleef de vrede tusschen de Kelten en de Romeinen gehandhaafd, en het verbreken van dien vrede, toen enkele Keltische stammen zich met hun ouden vijand, de Etruskers, verbonden tijdens den derden Samnietischen oorlog, viel samen met het ineenstorten van de Keltische macht.13 Wij moeten thans nog twee vragen bespreken voordat wij het geschiedkundige gedeelte van deze Inleiding kunnen afsluiten. In de eerste plaats, wat zijn de bewijzen dat de Keltische macht zich gedurende die periode zoover over Midden-Europa heeft verspreid? In de tweede plaats, waar waren toen de Germaansche volksstammen, en wat was hun verhouding tot de Kelten?


“Wij zijn op weg naar Rome”

Keltische plaatsnamen in Europa.

Inhoudsopgave

Het zou ons te ver tot philologische vraagstukken terugvoeren, die alleen de wetenschappelijke beoefenaar der Keltische wetenschappen ten volle kan waardeeren, als wij deze vragen volledig zouden willen beantwoorden. Men vindt de bewijzen volledig ontwikkeld in het werk van de Jubainville, waarnaar wij reeds herhaaldelijk hebben verwezen. De studie der Europeesche plaatsnamen vormt den grondslag zijner bewijsvoering. Neem bij voorbeeld den Keltischen naam Noviomagus, samengesteld uit twee Keltische woorden, waarvan het bijvoeglijk naamwoord “nieuw” beteekent en magos (in het Iersch magh) een veld of vlakte.14 Er waren in de oudheid negen plaatsen met dien naam bekend. Zes waren in Frankrijk gelegen, daaronder de plaatsen, nu Noyon, in Oise gelegen, Nyon in de Vogezen, Nyons, in Drôme. Buiten Frankrijk waren er drie, en wel Nijmegen, in de Nederlanden, Neumagen, in het Rijnland en één in Spier, in het Palatinaat.

Het woord dunum, dat nog zoo veelvuldig in onzen tijd in plaatsnamen kan worden herkend (Dundalk, Dunrobius enz.) en dat vesting of kasteel beteekent, is een tweede typisch Keltisch element in Europeesche plaatsnamen. Het kwam zeer dikwijls in Frankrijk voor—b.v. Lugdunum (Lyon), Virodunum (Verdun). Men vindt het ook in Zwitserland—b.v. Minno-dumun (Moudon), Eburo-dunum (Yverdon)—en in Nederland, waar de naam Leiden kan teruggevoerd worden tot het Keltische Lug-dunum. In Groot-Brittannië werd de Keltische uitdrukking dikwijls eenvoudig vertaald door castra; zoo werd Camulo dunum Colchester, Brano-dunum Brancaster. In Spanje en Portugal worden door classieke schrijvers acht namen, die op dunum eindigen, vermeld. In Duitschland kunnen de moderne namen Kempton, Karnberg, Liegnitz, teruggevoerd worden tot de Keltische vormen Cambo-dunum, Carro-dunum, Lugi-dunum, ook vinden wij een Singi-dunum, nu Belgrado in Servië, Novi-dunum, nu Isakstcha, in Rumenië, een Carro-dunum in Zuid-Rusland, bij den Dniester, en een ander in Croatië, thans Pitsmeza. Sego-dunum, nu Rodez, in Frankrijk, wordt ook in Beieren gevonden (Wurzburg) en in Engeland (Sege-dunum), nu Wallsend, in Northumberland, en het eerste gedeelte, sego, vindt men terug in Segorbe (Sego-briga), in Spanje. Briga is een Keltisch woord, de oorsprong van ons burg, en komt in beteekenis overeen met dunum.

Nog een ander voorbeeld: het woord magos, een vlakte, dat veel voorkomt als deel van Iersche plaatsnamen, wordt herhaaldelijk in Frankrijk gevonden, en ook buiten Frankrijk; in landen, die niet meer Keltisch zijn, komt het voor den dag in Zwitserland (Uro-magus, nu Promasens) in het Rijnland (Broco-magus, Brumath), in Nederland, zooals wij reeds opmerkten (Nijmegen), verschillende malen in Lombardije, en in Oostenrijk.

Wij hebben met die enkele voorbeelden het onderwerp volstrekt niet uitgeput, maar zij dienen alleen om een denkbeeld te geven hoezeer de Kelten over Europa verbreid waren, en om aan te toonen, dat over dat uitgestrekte gebied de taal der Kelten overal dezelfde was.15

Oude Keltische kunst.

Inhoudsopgave

De overblijfselen van oude Keltische kunstwerken geven alle hetzelfde beeld. In het jaar 1846 werd een groote vóór-Romeinsche necropolis (doodenstad) ontdekt te Hallstatt, bij Salzburg, in Oostenrijk. Het bevat overblijfselen, die naar de meening van Dr. Arthur Evans afkomstig zijn uit den tijd van 750 tot 400 v.C. Die overblijfselen wijzen in sommige gevallen op een hoogen trap van ontwikkeling en beschaving en een uitgebreiden handel. Men vindt daar barnsteen uit de Oostzee, Phoenicisch glas en goudblad van Oostersche bewerking. Er worden ijzeren zwaarden gevonden, waarvan de gevesten en scheeden rijkelijk versierd zijn met goud, ivoor en barnsteen.

De Keltische beschaving, zooals die zich openbaart in de overblijfselen te Hallstatt, ontwikkelden zich later in wat men noemt de beschaving uit de La-Tène periode. La Tène was een nederzetting aan het noordoostelijke uiteinde van het meer van Neuchâtel, en daar zijn een aantal voorwerpen van het hoogste belang gevonden, sedert die plaats in 1858 voor het eerst werd nagezocht. Die oudheden vertegenwoordigen volgens Dr. Evans het hoogtepunt der Gallische beschaving en dagteekenen van ongeveer de derde eeuw vóór Christus. Het type der kunst, die daar is gevonden, moet beoordeeld worden in het licht van een opmerking door Romilly Allan voor eenige jaren gemaakt in zijn “Keltische Kunst” (blz. 13).

“De groote moeilijkheid voor het begrijpen der ontwikkeling van de Keltische kunst is gelegen in het feit, dat de Kelten, hoewel zij nooit nieuwe denkbeelden schijnen te hebben uitgevonden, een buitengewone vatbaarheid bleken te hebben, om denkbeelden aan te grijpen en over te nemen van de verschillende volken, met wie zij hetzij door oorlogen, hetzij door handelsbetrekkingen in aanraking kwamen. En zoodra de Kelt een denkbeeld van zijn naburen had overgenomen, was hij in staat daaraan een zóó duidelijk Keltische kleur te geven, dat het spoedig iets werd, dat volkomen afweek van wat het oorspronkelijk geweest was, en dan ook bijna niet meer te herkennen was.”

Wat nu de Kelten ontleenden aan de kunstbeschaving, die op het vasteland haar hoogtepunt bereikte in de overblijfselen van La Tène, waren bepaalde, oorspronkelijk aan de natuur ontleende motieven van Grieksche versierselen en wel in de eerste plaats de palmette- en de meander-motieven. Maar een eigenaardige karaktertrek van de Kelten was het, dat zij in hun kunst er tegen waakten, de natuurlijke vormen der planten- en dierenwereld na te bootsen of zelfs maar in de verte te naderen. Zij brachten alles terug tot zuivere versiering. Wat zij bij hun versieringen beoogden, was de afwisseling van breede kromme en golvende lijnen met dicht ineen gedrongen spiralen of krullen, en met die eenvoudige grondmotieven, en met overneming van enkele motieven, ontleend aan Grieksche kunst, bouwden zij een prachtig en fijn stelsel van versiering op, rijk aan afwisseling, dat zij toepasten op wapenen, sieraden en huishoudelijke voorwerpen van den meest verschillenden aard, in goud, brons, hout en steen, en voor zoover wij in staat zijn daarover te oordeelen, ook op geweven stoffen. Eén prachtige wijze van versiering van metaalwerk schijnt geheel haar oorsprong gehad te hebben in het Keltische gebied. Emailleeren was bij de classieke volken onbekend totdat zij het van de Kelten hadden geleerd. Tot zelfs in de derde eeuw na Christus was het voor de classieke wereld een vreemde bewerking, zooals wij vernemen uit een mededeeling van Philostratus:

“Zij zeggen, dat de barbaren, die in den oceaan gelegen zijn, (Britten) die kleuren gieten over verhit koper, dat deze zich daarop vasthechten, zoo hard worden als steen, en de patronen bewaren, die daarop zijn aangebracht.”

Dr. J. Anderson schrijft in de “Verhandelingen van het Genootschap van Oudheidkundigen van Schotland:”

“De Galliërs, zoowel als de Britten—van denzelfden Keltischen stam—oefenden het emailleeren uit vóór de Romeinsche verovering. De werkplaatsen voor het emailleeren te Bibracte, met haar fornuizen, smeltkroezen, mallen en bruineersteenen, en met het ruwe email op de verschillende trappen van bewerking, zijn voor enkele jaren opgegraven uit de puinhoopen der stad, die door Caesar en zijn legioenen verwoest was. Maar het email van Bibracte is niets meer dan het werk van knoeiers op kunstgebied, vergeleken met het Britsche werk. De zetel der kunst was in Brittannië gevestigd, en de stijl der patronen, zoowel als de wijze, waarop zij in verband stonden met de voorwerpen, waarop de versiering was aangebracht, wezen er met absolute zekerheid op, dat zij haar hoogsten trap van inheemsche ontwikkeling had bereikt voordat zij in aanraking kwam met de Romeinsche beschaving.”16

Het Nationale Museum te Dublin bevat een aantal prachtige voorbeelden van Iersche decoratieve kunst in goud, brons en email, en de “krachtige Keltische kleur” waarvan Romilly Allen spreekt, is even duidelijk daar waar te nemen als bij de overblijfselen van Hallstatt of La Tène.

Alles wijst dus op een gemeenschappelijke cultuur, op een volkomen gelijkheid in het karakter van het ras, dat men in het geheele uitgestrekte grondgebied vindt, en dat bij de oude wereld bekend stond als het gebied der Kelten.

Kelten en Germanen.

Inhoudsopgave

Maar, zooals wij te voren hebben opgemerkt, dit gebied was niet uitsluitend door de Kelten bewoond. In het bijzonder moeten wij trachten de vraag te beantwoorden, wie de Germanen, de Teuto-Gothische stammen waren, die ten slotte de plaats innamen der Kelten, als een uit het noorden afkomstige bedreiging der classieke beschaving; en tevens moeten wij nagaan, waar deze hun zetel hadden.

Zij worden genoemd door Pytheas, den voortreffelijken Griekschen reiziger en aardrijkskundige (omstreeks 300 v.C.), maar zij spelen geen rol in de geschiedenis, totdat zij onder den naam van Cimbren en Teutonen in Italië afdaalden, waar zij op het einde der tweede eeuw v.C. door Marius werden overwonnen. De oude Grieksche aardrijkskundigen van vóór den tijd van Pytheas weten niets van hen af, en schrijven het geheele gebied, dat thans als Germaansch bekend staat, aan verschillende Keltische stammen toe.

De verklaring, door de Jubainville gegeven, en die door hem is gegrond op verschillende philologische overwegingen, is deze, dat de Germanen een onderworpen volk waren, te vergelijken met die “onvrije stammen,” die in Gallië en in het oude Ierland werden gevonden. Zij leefden onder de heerschappij der Kelten, en hadden geen onafhankelijk politiek bestaan. De Jubainville is van oordeel, dat alle woorden, die samenhangen met wet en regeering en met den oorlog, die zoowel voorkomen in de Keltische als in de Teutonische talen, door de Teutonen aan de Kelten waren ontleend. De voornaamste daaronder zijn de woorden, voorgesteld door het moderne Duitsche woord Reich (Hollandsch, rijk), Amt (Hollandsch, ambt) en het Gothische reiks, Koning, welke woorden alle ontwijfelbaar van Keltischen oorsprong zijn. De Jubainville telt eveneens onder de woorden, aan het Keltisch ontleend, Bann, een bevel, Frei, vrij; Geisel, een gijzelaar, Erbe, een erfenis; Werth, waarde; Weih, gewijd, Magus, een slaaf (Gothisch); Wini, een vrouw (Oud-Hoogduitsch); Skalks, Schalk, een slaaf (Gothisch); Hartha, slag (Oud-Duitsch); Helith, Held, een held, van denzelfden stam als het woord Kelt; Heer, een leger (in het Keltisch choris); Sieg, overwinning; Beute, buit; Burg, een kasteel; en nog een aantal andere woorden.

De etymologische geschiedenis van sommige van die woorden is bijzonder merkwaardig. Amt, bij voorbeeld, dat woord, dat van zoo groote beteekenis is in het moderne Germaansche staatsbestuur, kan teruggevoerd worden tot een oud Keltisch woord ambhactos, dat is samengesteld uit de woorden ambi, omtrent en actos een verleden deelwoord, afgeleid van den Keltischen stam AG, dat handelen beteekent. Nu is ambi afgeleid van het oorspronkelijke Indo-Europeesche mbhi, waar de m aan het begin een soort van klinker is, die later in het Sanskrit is voorgesteld door a. Die klinker m werd een n in die Germaansche woorden, die onmiddellijk zijn afgeleid van de oorspronkelijke Indo-Europeesche taal. Maar het woord, dat nu door amt wordt voorgesteld, komt in zijn oudsten Germaanschen vorm voor als ambaht, waaruit dus duidelijk blijkt, dat het afstamt van het Keltische ambhactos.

Zoo wordt het woord frei in zijn oudsten Germaanschen vorm gevonden als frijo-s, dat afkomstig is van het oorspronkelijke Indo-Europeesche prijo-s. Het woord beteekent hier echter niet vrij; het beteekent bewind (Sanskrit priya-s). Wij zien echter, hoe in de Keltische taal prijos zijn p aan het begin verliest, in het oude Keltisch was de moeilijkheid, die letter uit te spreken een eigenaardig kenmerk; tevens veranderde de j, volgens een vasten regel, in dd, en zoo komt in de moderne volkstaal van Wales het woord voor onder den vorm rhydd—vrij. De Indo-Europeesche beteekenis is in de Germaansche talen blijven bestaan in den naam van de godin der liefde, Freia, en in de woorden Freund, vriend, Friede, vrede. De beteekenis van het woord op het gebied van het burgerlijk recht kan tot een Keltischen oorsprong worden teruggebracht, en schijnt in dien zin aan het Keltisch ontleend te zijn.

Het Germaansche Beute, buit, roof, heeft een bijzonder leerzame geschiedenis. Er bestond een Gallisch woord bodi, dat gevonden wordt in samenstellingen, zooals de plaatsnaam Segobodium (Seveux), en verschillende namen van personen en stammen, zooals Boudicca, beter bij ons bekend als de “Britsche strijdlustige koningin”, Boadicea. Het woord beteekende oudtijds “overwinning.” Maar de vrucht der overwinning is de buit, en in dien stoffelijken zin werd het woord overgenomen in het Duitsch, in het Fransch (butin), in het Noorsch (byte), en in de volkstaal van Wales (budd). Daarentegen heeft het woord zijn hoogere, meer verheven beteekenis gehouden in het Iersch. In de Iersche vertaling van Kronijken XXIX, 11, waar de Vulgata in het oorspronkelijke luidt: “Tua est, Domine, magnificentia et potentia et gloria et victoria”, wordt het woord victoria in het Iersch vertaald door búaidh, en zooals de Jubainville terecht opmerkt, “ce n’est pas de butin qu’il s’agit.” Hij vervolgt zijn betoog aldus: “Búaidh heeft in het Iersch, dank zij een krachtige en voortdurende beschaving, de verheven beteekenis gehouden, die het in de taal der Gallische aristocratie had. De stoffelijke beteekenis van het woord werd alleen opgemerkt door de lagere klassen der bevolking, en het is de overlevering van die lagere klassen, die in de Germaansche, Fransche en Cymrische talen is bewaard gebleven.”17

Er waren echter twee dingen, die de Kelten òf niet wilden òf niet konden opdringen aan de overwonnen Germaansche stammen—hun taal en hun godsdienst. In die twee groote factoren van raseenheid en trots liggen de zaden van den opstand der Germanen en ten slotte van het omverwerpen der Keltische overmacht. De namen der Germaansche godheden verschillen van die der Keltische, ook hun begrafenisgebruiken, waarmede de diepste godsdienstige opvattingen der oorspronkelijke rassen samenhangen, zijn geheel andere. De Kelten, of ten minste het overheerschende gedeelte van hen, begroeven hun dooden, en beschouwden het gebruik van vuur als een vernedering, die alleen mocht worden opgelegd aan misdadigers, of aan slaven of gevangenen bij die vreeselijke menschenoffers, die de grootste smet zijn op hun oorspronkelijke cultuur. De Germanen daarentegen begroeven hun beroemde dooden op brandstapels, evenals de oude Grieken—en als geen brandstapel kon worden opgericht voor het geheele lichaam, dan werden de edelste deelen, zooals hoofd en armen, verbrand, terwijl het overige gedeelte werd begraven.

Ondergang van het Keltische rijk.

Inhoudsopgave

Wij zullen wel nooit met juistheid te weten komen, wat geschiedde ten tijde van den Germaanschen opstand; doch zeker is het, dat ongeveer na het jaar 300 v.C. de Kelten allen mogelijken politieken samenhang en alle gemeenschappelijk streven hadden verloren, die zij ooit hadden bezeten. Als waren zij door de uitbarsting van de eene of andere onderaardsche kracht uiteengescheurd, stortten hun stammen als stroomen lava neer naar het zuiden, oosten en westen van hun oorspronkelijke woonplaats. Enkelen baanden zich een weg naar Noord-Griekenland, waar zij het schandelijk vergrijp pleegden, dat hun vroegere vrienden en bondgenooten zoozeer ergerde, en wel de plundering van den tempel van Delphi (273 v.C.). Anderen hernieuwden, doch met slechter resultaat, den ouden strijd met Rome, en kwamen in groote menigte te Sentinum (295 v.C.) en bij het meer Vadimo (283 v.C.) om. Eén afdeeling drong tot Klein-Azië door, en stichtte den Keltischen staat Galatia, waar, zooals de Heilige Hieronymus verhaalt, nog in de vierde eeuw na Christus een Keltisch dialect werd gesproken. Anderen namen als huurtroepen dienst onder Carthago. Een woelige oorlog van Kelten tegen verstrooide Germaansche stammen, of tegen andere Kelten, die vroegere golvingen van veranderingen in woonplaats en van verovering vertegenwoordigden, werd over geheel Midden-Europa, Gallië en Brittannië gevoerd. Toen deze tot rust kwam, bleven Gallië en de Britsche eilanden feitelijk de eenige overblijfselen der Keltische oppermacht, de eenige landen, die nog onder Keltische wetten en onder Keltische leiding stonden. Tegen het begin der Christelijke jaartelling waren Gallië en Brittannië onder het juk van Rome gekomen, en was het slechts de vraag, hoe lang het nog zou duren, voordat zij in ieder opzicht in zeden en karakter geheel Romeinsch zouden geworden zijn.

De eigenaardige historische gesteldheid van Ierland.

Inhoudsopgave

Ierland was het eenige land, dat nooit door de Romeinsche legioenen bezocht, laat staan onderworpen was, en dat in naam zijn onafhankelijkheid tegen alle bezoekers wist te handhaven tot aan het einde der twaalfde eeuw, doch practisch zelfs nog een goede driehonderd jaar later.

Ierland is hierom dan ook van een zoo eigenaardige beteekenis, en boezemt ons dan ook hierom zooveel belang in, dat het een zuiver inheemsche Keltische beschaving, Keltische instellingen, kunst en letterkunde en den oudsten nog in leven gebleven vorm der Keltische taal18 over de kloof draagt, die de oude wereld van de moderne scheidt, de heidensche van de Christelijke, en die haar brengt onder het volle licht der moderne geschiedenis en der moderne waarneming.

Het Keltische karakter.

Inhoudsopgave

De zedelijke zoowel als de lichamelijke karaktertrekken door de classieke schrijvers aan de Keltische volken toegeschreven, vertoonen een merkwaardige helderheid en bestendigheid. Veel wat omtrent hen wordt verhaald, zou, zooals wel te verwachten was, kunnen worden gezegd van ieder nog primitief en ongeletterd volk, maar er blijft toch zóóveel over, dat hen onder de verschillende menschenrassen onderscheidt, dat indien die oude mededeelingen omtrent de Kelten zouden worden voorgelezen zonder dat de naam van het ras genoemd werd, waarop zij sloegen, iedereen, die alleen door zijn kennis der nieuwe geschiedenis daarmede bekend was, zonder een oogenblik te aarzelen de Keltische volken zou noemen als die, waarvan in de beschrijving werd melding gemaakt.

Sommige van die mededeelingen zijn reeds door ons aangehaald, en wij behoeven de bewijzen niet te herhalen, die ontleend zijn aan Plato, Ephorus of Arrianus. Maar wel mogen wij hier een opmerking aanhalen, die M. Porcius Cato over de Galliërs maakt. “Er zijn twee dingen,” zoo zegt hij, “waaraan de Galliërs bijzonder gehecht zijn—de krijgskunst en de scherpzinnige wijze van uitdrukking” (”rem militarem et argute loqui”).

De beschrijving van Caesar.

Inhoudsopgave

Caesar heeft ons een nauwkeurige en critische beschrijving van hen gegeven, zooals hij ze in Gallië heeft leeren kennen. Zij waren, zooals hij zegt, bijzonder strijdlustig, maar spoedig door tegenspoed uit het veld geslagen. Zij waren zeer bijgeloovig, en onderwierpen zich aan de beslissing der Druïden in alle publieke en private aangelegenheden, en beschouwden het als de grootste straf, als zij in den ban werden gedaan en hun geweigerd werd aan de godsdienstige ceremoniën deel te nemen.

“Zij die op dien grond in den ban zijn gedaan (omdat zij geweigerd hadden zich te onderwerpen aan een beslissing der Druïden) worden onder de laagsten en de goddeloozen gerekend; iedereen ontvlucht hun gezelschap en vermijdt het zich met hen in een mondgesprek te begeven, uit vrees, door die nauwere aanraking te worden besmet; zij mogen geen rechtsgeding aanhangig maken; en geen enkele betrekking wordt hun toevertrouwd. De Druïden zijn meestal vrij van militairen dienst en dragen niet, zooals de anderen, in de belasting bij... Door dergelijke belooningen aangemoedigd, komen een aantal van hen uit eigen beweging in hun scholen, en worden door hun vrienden en bloedverwanten daarheen gezonden. Men vertelt, dat zij daar een aantal verzen uit het hoofd leeren; enkelen zetten hun opvoeding gedurende twintig jaar voort; en evenmin wordt het voor geoorloofd beschouwd die dingen (de leerstellingen der Druïden) op schrift te brengen, hoewel zij in bijna alle openbare handelingen en private mededeelingen de Grieksche letterteekens gebruiken.”

De Galliërs waren fel op nieuwtjes en vielen kooplieden en reizigers lastig met hun ijdel gesnap19, zij kwamen gemakkelijk onder den invloed van anderen, waren hartstochtelijk en ongeduldig, verzot op afwisseling en besluiteloos bij hun beraadslagingen. Tevens waren zij merkwaardig slim en verstandig, zeer snel in het gebruik maken van iederen kunstgreep, dien zij konden aanwenden en volgden alles na, wat zij geschikt achtten. De vindingrijkheid, waarmede zij de gevaren der nieuwerwetsche belegeringswerktuigen der Romeinsche legers wisten te vermijden, wordt door Caesar in het bijzonder vermeld. Hij spreekt met grooten eerbied van hun moed, en schrijft hun doodsverachting, ten minste voor een groot deel, toe aan hun innig geloof in de onsterfelijkheid der ziel20. Een volk, dat in vroeger dagen herhaaldelijk Romeinsche legers had vernietigd, Rome had geplunderd, en meer dan eens zelfs Caesar geplaatst had in een toestand waarin hij aan de grootste zorgen en gevaren was blootgesteld, bestond blijkbaar niet uit zwakkelingen, wat ook zijn godsdienstige opvattingen en gebruiken mochten zijn. Caesar gaat niet mank aan overgevoelige bewondering van zijn vijanden, maar één episode bij het beleg van Avaricum dwingt hem er toe, de dapperheid der verdedigers aan de onsterfelijkheid over te geven. Een Romeinsche houten stellage of agger was door de Romeinen opgericht om boven de muren uit te steken die bleken weerstand te kunnen bieden aan de aanvallen van den stormram. De Galliërs slaagden er in, dien toestel in brand te steken. Het was nu van het hoogste gewicht, de belegeraars te beletten de vlammen te blusschen, en een Galliër klom op een gedeelte van den muur boven den agger en wierp daarop stukken vet en pik neer, die hem van binnen uit werden toegereikt. Hij werd spoedig neergeveld door een werptuig van een Romeinschen catapult. Onmiddellijk stapte een ander over hem heen toen hij daar neerlag, en vervolgde de taak van zijn makker. Ook hij viel neer, maar een derde nam dadelijk zijn plaats in, zoo ook een vierde; en die post werd niet verlaten voordat de soldaten ten slotte de vlammen hadden gedoofd en de verdedigers hadden gedwongen naar de stad terug te keeren, die eindelijk den volgenden dag werd ingenomen.


“Onmiddellijk stapte een ander over hem heen toen hij daar nederlag”

Strabo over de Kelten.

Inhoudsopgave

De aardrijkskundige en reiziger Strabo, die in het jaar 24 n.C. stierf en dus iets later leefde dan Caesar, weet ons heel wat omtrent de Kelten te vertellen. Hij merkt op, dat hun land (in dit geval Gallië) dicht bewoond is en hun akkers goed bewerkt, geen natuurlijke hulpbronnen worden daar ongebruikt gelaten. De vrouwen zijn vruchtbaar en bijzonder goede moeders. Hij beschrijft de mannen als oorlogszuchtig, hartstochtelijk, verzot op twistgesprekken, gemakkelijk op te hitsen, maar daarbij edelmoedig en onergdenkend, zoodat zij gemakkelijk door krijgslisten kunnen worden overwonnen. Zij bleken begeerig te zijn naar ontwikkeling en beschaving, en Grieksche letters en Grieksche wetenschap waren snel van Massilia uit onder hen verspreid; in hun steden werd openbare opvoeding ingesteld. Zij vochten beter te paard dan te voet, en in de dagen van Strabo vormden zij de bloem der Romeinsche ruiterij. Zij woonden in groote huizen gemaakt van boogvormige planken met muren van vlechtwerk—zonder twijfel bepleisterd met klei en kalk, zooals in Ierland—en dicht met stroo gedekt. Steden van groote beteekenis werden in Gallië gevonden, en Caesar maakt gewag van de sterkte der muren, die gebouwd waren van steen en hout. Caesar en Strabo zijn het er beiden over eens, dat er een zeer scherpe scheiding was tusschen de edelen en den ontwikkelden of priesterstand aan den éénen kant en het gemeene volk aan den anderen kant, daar de laatsten in strikte onderworpenheid gehouden werden. De maatschappelijke verdeeling komt in ruwe trekken ongetwijfeld overeen met het onderscheid in ras tusschen de echte Kelten en de oorspronkelijke bewoners, die door hen waren onderworpen. Terwijl Caesar ons verhaalt, dat de Druïden de onsterfelijkheid der ziel verkondigden, voegt Strabo er aan toe, dat zij geloofden in de onvernietigbaarheid—wat in sommige opzichten de goddelijkheid insluit—van het stoffelijk heelal.

De Keltische krijgsman hield van uiterlijke praal. Alles wat aan het leven glans en een indruk van tooneelmatigheid schonk, werkte op zijn verbeelding. Zijn wapenen waren rijk versierd, zijn paardentuigen waren in brons en email bewerkt, even prachtig ontworpen als eenig overblijfsel der Myceensche of Cretensische kunst, zijn kleeding was met goud geborduurd. Het tooneel van de overgave van Vercingetorix, toen zijn heldhaftige strijd tegen Rome bij den val van Alesia tot een einde was gekomen, is de vermelding waard als een typisch Keltisch mengsel van ridderlijkheid en van wat de zeer bezadigde Romeinen als een kinderachtige pralerij toescheen21. Toen hij zag, dat de zaak verloren was, riep hij een vergadering der stammen bijeen en deelde de verzamelde aanvoerders, aan wier hoofd hij gestaan had in een roemrijken, hoewel rampspoedigen oorlog, mede, dat hij bereid was zich op te offeren voor zijn nog steeds getrouwe volgelingen—hetzij zij als zij dat wilden, zijn hoofd aan Ceasar zouden zenden, hetzij hij zich vrijwillig overgaf met het doel gunstiger voorwaarden te bedingen voor zijn landgenooten. Het laatste voorstel werd aangenomen. Daarop wapende Vercingetorix zich met zijn schitterendste wapenen, bekleedde zijn paard met zijn rijkste tuig en, na driemaal om het Romeinsene kamp te zijn heen gereden, hield hij voor Caesar stand en legde hij het zwaard, dat het eenige overgebleven verdedigingsmiddel der Gallische onafhankelijkheid was, voor diens voeten. Caesar zond hem naar Rome, waar hij zes jaren lang gevangen werd gehouden, totdat hij ten slotte ter dood werd gebracht, toen Caesar zijn triomftocht hield.


Vercingetorix rijdt langs het Romeinsche Kamp

Polybius.

Inhoudsopgave

Een karakteristiek tooneel uit den slag bij Clastidium (222 v.C.) wordt door Polybius beschreven. De Gaesaten22, zoo verhaalt hij, die aan het front van het Keltische leger stonden, kleedden zich voor den strijd naakt uit, en het gezicht van die krijgslieden, met hun groote gestalte en hun blanke huid, waarop de gouden halsketenen en armbanden schitterden, die door al de Kelten zoozeer als versierselen op prijs werden gesteld, vervulden de Romeinsche soldaten met eerbiedige vrees en ontzag. Maar toen de slag geëindigd was, gingen die versierselen bij wagenvrachten naar Rome, om het Kapitool te versieren; en de slotopmerking van Polybius over het karakter der Kelten is, dat zij “ik zeg niet gewoonlijk, maar steeds en voortdurend, in alles wat zij beproefden door hun hartstochten werden medegesleept, en zich nooit aan de wetten der rede onderwierpen.” Zooals men kan verwachten, was de kuischheid, waarvoor de Germanen bekend stonden, nooit, tot in de allerlaatste tijden, een Keltische karaktertrek.

Diodorus.

Inhoudsopgave

Diodorus Siculus, een tijdgenoot van Julius Caesar en Augustus, die in Gallië had gereisd, bevestigt in hoofdzaken de mededeelingen van Caesar en Strabo, maar voegt er enkele merkwaardige bijzonderheden aan toe. Hij vestigt in het bijzonder de aandacht op de voorliefde der Galliërs voor goud. Zelfs harnassen werden van goud vervaardigd. Dit is ook een zeer opmerkelijke karaktertrek der Kelten in Ierland, immers men heeft daar een verbazend aantal praehistorische overblijfselen van goud gevonden, terwijl het vaststaat, dat er nog veel meer hebben bestaan, die thans zijn verloren gegaan. De tempels en heilige plaatsen, zoo zeggen Posidonius en Diodorus, waren vol van onbeschermde gouden offers, die nooit door iemand werden aangeraakt. Hij maakt melding van den grooten eerbied aan de barden bewezen, en vestigt evenals Cato de aandacht op de wijze van uitdrukking, door de welopgevoede Galliërs gebezigd: “Zij zijn geen praatziek volk, en zijn er verzot op, zich uit te drukken in raadselen, zoodat de hoorder het grootste gedeelte van wat zij willen zeggen, maar moet raden.” Dit komt volmaakt overeen met de deftige en beschaafde taal van het oude Ierland, die in hooge mate kort en zinnebeeldig is. De Druïde werd beschouwd als de voorgeschreven tusschenpersoon tusschen God en mensch—niemand zou een godsdienstige plechtigheid verrichten zonder zijn bijstand.

Ammianus Marcellinus.

Inhoudsopgave

Ammianus Marcellinus, die veel later leefde, en wel in de tweede helft der vierde eeuw na Christus, had eveneens Gallië bezocht, dat toen reeds, zooals duidelijk is, den invloed van Rome sterk had ondervonden.

Doch ook hij verhaalt ons, evenals vroegere schrijvers, van de groote gestalte, de schoonheid en het aanmatigende optreden van den Gallischen krijgsman. Hij voegt er aan toe, dat het volk, in het bijzonder in Aquitanië, merkwaardig helder en zindelijk was in zijn uiterlijk—niemand werd in lompen of haveloos aangetroffen. Hij beschrijft ons de Gallische vrouw als buitengewoon lang, blauwoogig en bijzonder schoon; maar onder zijn bewondering is tamelijk veel eerbiedige vrees gemengd, immers hij voegt er aan toe, dat terwijl het al gevaarlijk genoeg was tegen een Gallischen man te moeten strijden, de zaak hopeloos stond, als zijn vrouw met haar vervaarlijk groote, sneeuwwitte armen, die konden neerkomen als catapulten, haar man te hulp kwam. Onweerstaanbaar wordt men herinnerd aan de galerij van krachtige, onafhankelijke, vurige en heftige vrouwen, zooals Maev, Grania, Findabair, Deirdre en de historische figuur van Boadicea, die in de mythen en in de geschiedenis der Britsche eilanden naar voren treden.

Rice Holmes over de Galliërs.

Inhoudsopgave

Het volgende uittreksel uit het werk van Rice Holmes “Caesars Verovering van Gallië” moge hier een plaats vinden als een uitnemend overzicht van het maatschappelijk beeld van dat gedeelte van het gebied der Kelten korten tijd vóór de Christelijke jaartelling, en dit komt overeen met alles, wat omtrent de inheemsche Iersche beschaving bekend is:

“De Gallische volken waren ver boven den toestand van wilden gestegen; en de Kelten uit het binnenland, van wie velen reeds onder Romeinschen invloed waren gekomen, hadden een zekeren graad van beschaving verkregen, ja zelfs van weelde. Hun broeken, waaraan de provincie haar naam van Gallia Bracata ontleende, en hun veelkleurige geruite wollen rokken wekten de verbazing op van hun veroveraars. De aanvoerders droegen gouden ringen, armbanden en halsketenen; en als die groote, blondharige krijgslieden te paard ten strijde trokken, met hun helmen, vervaardigd in de gedaante van den kop van een of ander woest dier, waarboven waaiende pluimen uitstaken, en met hun metalen wapenrusting, hun lange schilden en hun groote rammelende zwaarden, maakten zij een schitterende vertooning. Ommuurde steden of groote dorpen, de versterkte plaatsen der verschillende stammen, waren op een groot aantal heuvels duidelijk zichtbaar. De vlakten waren bedekt met een groot aantal open gehuchten. De huizen, van hout en vlechtwerk gebouwd, waren ruim en goed met riet bedekt. De akkers waren in den zomer geel van het koren. Er waren van stad tot stad wegen aangelegd. De rivieren waren overspannen door stevige bruggen; en schuiten, met koopwaren beladen, dreven op de rivieren. Schepen, wel lomp van vorm, maar grooter dan eenig schip, dat op de Middellandsche Zee werd gezien, trotseerden de stormen in de Golf van Biscaye en brachten ladingen over tusschen de havens van Bretagne en de kust van Brittannië. Er werd tol geheven van de goederen, die over de groote waterwegen werden gevoerd; en aan het verpachten van die rechten ontleenden de edelen een groot deel van hun rijkdom. Iedere stam had zijn eigen muntstelsel; en de kennis der schrijfkunst in Grieksche en Romeinsche letterteekens was niet tot de priesters beperkt. De Aeduers waren op de hoogte van het pletten van koper en van tin. De mijnwerkers van Aquitanië, van Auvergne en van Berry waren beroemd om hun bekwaamheid. In één woord, in alles wat bijdroeg tot den uitwendigen voorspoed, hadden de volkeren van Gallië ontzaglijke vorderingen gemaakt sedert hun stamgenooten voor het eerst met Rome waren in aanraking gekomen.”23

Zwakheid der Keltische politiek.

Inhoudsopgave

Maar toch had die aangeboren Keltische beschaving, die in menig opzicht zoo aantrekkelijk was en zooveel beloften inhield, blijkbaar het ééne of andere gebrek of eenige ongeschiktheid, die de Keltische volken belette zich te handhaven tegen de oude beschaving der Grieksch-Romeinsche wereld, of tegen de ruwe jeugdige kracht der Teutoonsche rassen. Wij zullen trachten na te gaan, wat dit was.

De classieke staat.

Inhoudsopgave

Op den bodem van het welslagen der classieke volken lag het begrip der burgerlijke gemeenschap, de [Greek: pholis], de res publica, als een soort van goddelijk bestaan, de bron van zegen voor de menschen, om haar ouderdom eerbiedwaardig, maar die toch voortdurend verjongd wordt bij ieder volgend geslacht; een macht, waaraan iedereen gaarne gehoorzaamt omdat hij weet, dat, al worden zijn trouwe diensten niet in de geschiedboeken geboekstaafd en overgeleverd, deze toch zijn eigen kortstondig bestaan zullen overleven en het bestaan van zijn vaderland of vaderstad ten eeuwigen dage zullen verheffen. Met dien geest bezield wees Socrates zijn vrienden, die er op aandrongen, dat hij zijn doodvonnis zou ontgaan door gebruik te maken van de middelen die zij hem aanboden om te ontsnappen, terecht, omdat zij hem aanzetten tot een goddelooze schending der wetten van zijn vaderland. Immers, zoo zeide hij, iemands vaderland is heiliger en eerbiedwaardiger dan vader of moeder, en hij moet kalm aan de wetten gehoorzamen waaraan hij zich heeft onderworpen, om daaronder zijn geheele leven door te brengen, daar hij zich anders den gerechten toorn op den hals haalt van de groote Broeders der aardsche Wetten, de Wetten der Onderwereld, aan wie hij ten slotte rekenschap moet geven van zijn gedrag op aarde. In meerdere of mindere mate maakte die verheven opvatting van den Staat den practischen godsdienst uit van iedereen onder de classieke naties der oudheid, en gaf zij aan den Staat zijn samenhang, zijn geschiktheid zich te handhaven en zich verder te ontwikkelen.

Teutoonsche trouw.

Inhoudsopgave

Bij de Teutonen werd de kracht van samenhang nog versterkt door een andere oorzaak, die bestemd was zich te vermengen met den burgerzin en, daarmede vereenigd—ja zelfs dien dikwijls overheerschend—den voornaamsten politieken factor te vormen bij de ontwikkeling der Europeesche volken. Dit was het gevoel, dat de Germanen bestempelden met den naam van Treue, de persoonlijke trouw aan een aanvoerder, die zich in zeer oude tijden uitstrekte tot een koninklijke dynastie, een gevoel dat diep geworteld was in het Teutoonsche karakter, en dat nooit door eenige andere menschlijke drijfveer is overtroffen als bron van heldhaftige zelfopoffering.

De godsdienst der Kelten.

Inhoudsopgave

Geen menschelijke invloeden worden ooit zuiver en onvermengd aangetroffen. Het gevoel van persoonlijke trouw was bij de classieke volken niet onbekend. Het gevoel van burgerzin en vaderlandsliefde schoot, hoewel het bij Teutoonsche rassen slechts langzaam opgroeide, daar eindelijk wortel. Geen van beide eigenschappen, trouw en burgerzin, waren bij de Kelten onbekend, maar er was nog een andere factor, die in hun geval bij hen die eigenschappen overschaduwde en in den groei belemmerde, en voor de politieke bezieling en de macht tot vestiging van een eenheid zooveel mogelijk bouwstoffen leverde, die de classieke volken aan hun vaderlandsliefde en de Teutonen aan hun trouw ontleenden. Die factor was de godsdienst; of misschien zou het juister en nauwkeuriger zijn te spreken van Priesterdienst—dat is godsdienst, in dogma’s vastgelegd en door een priesterkaste toegediend. Zooals wij bij Caesar hebben gezien, wiens opmerkingen volkomen zijn bevestigd door Strabo en door hetgeen in Iersche legenden wordt gevonden24, waren de Druïden de werkelijk souvereine macht in het gebied der Kelten. Alle zaken, openbare zoowel als private, waren aan hun gezag onderworpen, en de straffen die zij konden opleggen, zoo dikwijls een leek zich van hen onafhankelijk trachtte te maken, waren, al berustten zij, wat haar practische beteekenis en uitwerking betrof, evenals in de middeleeuwen de door de Katholieke kerk opgelegde banvloeken, alleen op het bijgeloof der menigte, voldoende, om den meest trotschen geest te buigen. Hier lag de ware zwakheid der Keltische politiek. Er is misschien geen wet, die duidelijker is geschreven in de lessen der geschiedenis, dan dat volken, die geregeerd worden door priesters, welke hun gezag ontleenen aan de goedkeuring van een bovennatuurlijken wil, daardoor ongeschikt worden voor waren nationalen vooruitgang, en wel des te meer, naarmate zij meer onder dien invloed staan. De ongedwongen, gezonde strooming van het wereldlijke leven en de wereldlijke gedachte, is uit den aard der zaak onvereenigbaar met priesterheerschappij. Wat ook de beleden godsdienst moge zijn, zooals Druïdendom, Islamisme, Jodendom, Christendom of Fetichisme, een priesterkaste, die gezag eischt in wereldsche zaken op grond van bovenaardsche bevelen, is onvermijdelijk de vijand van dien geest van criticisme, van dien invloed van nieuwe denkbeelden, van die toeneming van wereldlijke gedachten, van menschelijk en verstandelijk gezag, die de grondvoorwaarden zijn van nationale ontwikkeling.

De vervloeking van Tara.

Inhoudsopgave

Een bijzondere en zeer treffende bevestiging van die waarheid wordt geleverd door de geschiedenis der oude Keltische wereld. In de zesde eeuw na Christus, ruim honderd jaar na de prediking van het Christendom door St. Patrick, regeerde een koning, Dermot MacKerval25 in Ierland. Hij was de Ard Righ, of Opperkoning van dat land, waarvan het bestuur gevestigd was te Tara, in Meath, en wiens ambt met zijn overmacht in naam en volgens de wet over de vijf provinciale koningen, een beeld gaf van den aandrang, die het Iersche volk dreef naar een ware nationale eenheid. De eerste voorwaarde voor zulk een eenheid was blijkbaar de vestiging van een krachtig centraal gezag. Een dergelijk gezag werd, zooals wij zeiden, in theorie door den opperkoning vertegenwoordigd. Het geschiedde nu, dat één van zijn beambten bij het uitoefenen van zijn plicht vermoord werd door een aanvoerder, Hugh Guairy genaamd. Guairy was de broeder van een bisschop, die een zoogbroeder was van St. Ruadan van Lorrha, en toen koning Dermot het bevel zond den moordenaar gevangen te nemen, werd hij door de geestelijkheid verborgen gehouden. Dermot liet echter naar hem zoeken, rukte hem weg van onder het dak van St. Ruadan en liet hem naar Tara brengen, om daar terecht te staan. Onmiddellijk maakten de geestelijken van Ierland gemeene zaak tegen den leekenkoning, die het gewaagd had een misdadiger, die onder de bescherming der geestelijkheid stond, te doen terecht staan. Zij kwamen te Tara samen, vastten tegenover den koning26, en vervloekten hem en den zetel van zijn bestuur plechtig. Daarop vertelt ons de kroniekschrijver, dat de vrouw van Dermot een profetischen droom had.

“Op de grasvlakte van Tara was een groote, breed gebladerde boom, waaraan elf slaven aan het hakken waren; maar iedere spaander, dien zij er van afhakten, keerde weder op zijn plaats terug en bleef daar vast op zitten, totdat er ten slotte één man kwam, die den boom slechts één slag toebracht, en dien daarbij velde27.”

De schoone boom was de Iersche monarchie, de twaalf houthakkers waren de twaalf Heiligen of Apostels van Ierland, en de eenige, die hem velde, was St. Ruadan. Het pleidooi van den koning voor zijn land, waarvan hij zag, dat het lot in de weegschaal stond, wordt met aandoenlijke kracht en met een helder inzicht door den Ierschen kroniekschrijver geboekstaafd28.

“Helaas,” zeide hij, “wat een onbillijken strijd hebt gij tegen mij aangevangen; het is toch zeker, dat ik het welzijn van Ierland op het oog heb, en dat het mijn doel is de tucht daar te handhaven en de koninklijke rechten, terwijl gij streeft naar de verwarring van Ierland en naar moord en doodslag.”

Maar Ruadan zeide: “Moge Tara voor eeuwig verlaten zijn;” en het ontzag voor de priesterlijke vervloeking had de overhand. De misdadiger werd overgeleverd, Tara werd verlaten, en met uitzondering van een korten tijd, toen een krachtige overweldiger, Brian Boru, door geweld de macht in handen kreeg, kende Ierland in werkelijkheid geen wereldlijk bestuur, totdat die het land werd opgelegd door een veroveraar. De laatste woorden der geschiedkundige verhandeling waaruit wij aanhalen, zijn de wanhoopskreten van Dermot, waaraan wij ontleenen:


“Moge Tara voor eeuwig verlaten zijn”

“Wee hem, die met de geestelijkheid der kerken den strijd aanbindt.”

Wij hebben die gebeurtenis eenigszins uitvoerig beschreven, omdat zij een factor typeert, waarvan wij den grooten invloed op de geschiedenis der Keltische volken kunnen volgen gedurende een reeks van hachelijke gebeurtenissen van den tijd van Julius Caesar tot op onzen tijd. Wij zullen later zien, hoe en waaruit die zich ontwikkelde; genoeg zij het daarop de aandacht te vestigen. Het is een factor, die de nationale ontwikkeling der Kelten in den weg stond, in de beteekenis, die wij daaraan hechten bij de classieke of Teutoonsche volkeren.

Wat Europa aan de Kelten te danken heeft.

Inhoudsopgave

Het zou echter een groote dwaling zijn, als wij op dien grond meenden, dat de Kelten niet een kracht van groote beteekenis in Europa waren geweest. Zij hebben in belangrijke mate bijgedragen tot de cultuur van de westelijke wereld. Gedurende vier eeuwen—omstreeks 500 tot 900 n.C.—was Ierland het toevluchtsoord der wetenschap en de bron van letterkundige en philosofische cultuur voor half Europa. De bouw der verzen in de Keltische poëzie heeft waarschijnlijk de grootste rol gespeeld bij het bepalen van den bouw van alle moderne verzen. De mythen en legenden der Gallische en Cymrische volken wekten de verbeelding op van een aantal dichters van het Vasteland. Trouwens de Kelten schiepen niet zelf eenig litterarisch werk van duurzamen bouw, evenmin als zij een duurzamen of indrukwekkenden nationalen staatsvorm schiepen. Hun denken en hun voelen was in wezen lyrisch en volstrekt niet abstract. Ieder voorwerp of levensbeeld maakte een levendigen indruk op hen en bewoog hen diep; zij waren uiterst gevoelig, en in hooge mate voor indrukken vatbaar, maar zagen de dingen niet in hun breedere en meer ver reikende betrekkingen. Zij hadden weinig geschiktheid voor het organiseeren van instellingen, voor het dienen van beginselen; maar zij waren, en dat zijn zij nog ten huidigen dage, onmisbare en nooit in den steek latende verdedigers der menschelijkheid tegenover de tyrannie van beginselen, de koelheid en de onvruchtbaarheid van instellingen. De instellingen van het koningschap, van burgerzin en vaderlandsliefde, zijn zeer vatbaar om tot onvruchtbare beginselen te worden versteend, en dan de ziel in boeien te leggen in plaats van die te bezielen. Maar de Kelten hadden zich steeds krachtig verzet tegen alles, wat niet den adem des levens in zich had, en tegen elken niet in den geest gegrondvesten en slechts zuiver uitwendigen vorm van overheersching.

Het is maar al te waar, dat zij te zeer er naar streefden, de schoone vruchten van het leven te genieten, zonder de lange en geduldige voorbereiding voor den oogst, maar zij hebben een onmetelijken dienst bewezen en zullen dit ook doen aan de moderne wereld, door met kracht het beginsel op den voorgrond te stellen, dat de ware vruchten van het leven een onstoffelijke werkelijkheid zijn, die nooit zonder smart of verlies verduisterd of vergeten kan worden te midden van het groote samenstel eener stoffelijke beschaving.

1 Hij maakt gewag van “Nyrax, een Keltische stad” en van “Massalia (Marseille), een stad van Liguria in het land der Kelten” (“Fragmenta Hist. Graec.”)

2 In zijn “Premiers Habitants de l’Europe,” deel II.

3 “Caesars Verovering van Gallië”, blz. 251–327.

4 De ouden waren geen nauwkeurige waarnemers van physieke karaktertrekken. Zij beschrijven de Kelten in bijna dezelfde bewoordingen, die zij voor de Germaansche rassen gebruiken. Rice Holmes is van meening, dat het eenige verschil uit een physiek oogpunt in het feit gelegen was, dat de lichte haarkleur der Germanen blond, doch die der Kelten rood was. In een belangrijk gedeelte van het reeds aangehaalde boek (blz. 315) maakt hij de volgende opmerking: “Al houden wij ook zooveel mogelijk rekening met het feit, dat ander bloed er mede vermengd is, waardoor het type der oorsponkelijke Keltische of Gallische overweldigers van dit eiland aanzienlijk is gewijzigd, worden wij toch getroffen door het feit, dat er onder alle Keltisch sprekende landgenooten een aantal exemplaren gevonden worden van een type, dat ook bestaat in die gedeelten van Brittannië, die gekoloniseerd werden door Britsche indringers, en in die gedeelten van Gallië waarin de Gallische indringers zich in grooten getale schijnen te hebben neergezet, zoowel als in Noord-Italië, waar eertijds de Keltische indringers de overhand hadden; en evenzoo treft ons het feit, dat dit type, zelfs onder zijn meer blonde vertegenwoordigers, zoowel voor den oppervlakkigen als voor den wetenschappelijken waarnemer duidelijk verschilt van dat der zuiverste vertegenwoordigers der oude Germanen. De welbekende schilderij van Sir David Wilkie, “Het lezen der Waterloo Courant”, doet, zooals Daniel Wilson opmerkte, het verschil tusschen beide typen duidelijk uitkomen. Zet een Hooglander uit Perthshire naast een uit Sussex. Beiden hebben licht haar, maar het roode haar en de roode baard van den Schot zal duidelijk afwijken van het lichte haar van den Engelschman, en hun gelaatstrekken zullen nog sterker verschillen. Ik herinner mij eens in den trein tusschen Inverness en Lairey gezeten te hebben met twee boschwachters. Zij waren beiden lang, forsch gebouwd en blond, en behoorden blijkbaar tot het Scandinavische type, dat zooals Dr. Beddoe zegt, in het hooge noorden van Schotland zoo veelvuldig wordt aangetroffen, maar zoowel in de kleur van hun haar als in hun uiterlijk in het algemeen verschilden zij volkomen van de lange, lichtharige Hooglanders, die ik in Perthshire had ontmoet. Er was geen spoor van rood in hun haar, en hun lange baarden waren absoluut geel. Het overwicht van rood onder de Keltisch sprekende bevolking is naar mijn meening een treffend kenmerk. Niet alleen dat wij op iedere honderd man elf vinden, wier haar absoluut rood is, maar op den ondergrond der zwart- en donkerbruin gekleurden kan dezelfde tint worden ontdekt.”

5 Men zie de kaart ter vergelijking der kleur van de haren en de gelaatskleur in Ripley “Rassen van Europa”, blz. 318. In Frankrijk echter zijn de bewoners van Bretagne geen donker ras in vergelijking met het overige deel der bevolking. Zij bestaan gedeeltelijk uit de oude Gallische volken en gedeeltelijk uit kolonisten uit Wales, die bij den Saksischen inval waren verjaagd.

6 Zie, wat die namen betreft, Holder “Altceltischer Sprachsatz”.

7 Het is niet onmogelijk, dat Vergilius beteekent de “zeer schitterende” of uitstekende; een natuurlijke vorm voor een eigennaam Ver is dikwijls in Gallische namen (Vercingetorix, Vercassivellasimus, enz.) een versterkend voorvoegsel, zooals het moderne Iersche fior. De naam van het dorp, waar Vergilius geboren was, Andes (thans Pietola), is Keltisch. Zijn liefde voor de natuur, zijn mysticisme en zijn krachtig gevoel voor zekere decoratieve eigenschappen in taal en rhythmus, zijn sterk op den voorgrond tredende Keltische eigenschappen. De uitdrukkingen, die Tennyson over hem bezigt, “liefhebber van landschappen, beheerscher der taal,” zijn in dit opzicht kenschetsend.

8 Ptolemaeus, een vriend en waarschijnlijk zelfs een halfbroeder van Alexander, was zonder twijfel er bij tegenwoordig, toen dit voorval plaats had. Zijn werk is niet meer overgebleven, maar wordt aangehaald door Arrianus en andere geschiedschrijvers.

9 Het doet ons denken aan het volksverhaal omtrent Henny Penny, die den koning ging vertellen, dat de hemel neerviel.

10 Het Boek van Leinster is een manuscript uit de twaalfde eeuw. De lezing der “Táin”, daarin gegeven, dateert waarschijnlijk uit de achtste eeuw. Zie de Jubainville, “Premiers Habitants,” II 316.

11 Dr. Douglas Hyde geeft in zijn “Letterkundige Geschiedenis van Ierland” (blz. 7), een eenigszins afwijkende vertaling.

12 Het is eveneens een bewijs van de groote nauwkeurigheid van het verhaal van Ptolemaeus.

13 De Romeinsche geschiedenis maakt melding van verscheidene botsingen met de Kelten gedurende die periode, maar de Jubainville heeft aangetoond, dat die verhalen bijna alle zeker mythen zijn. Zie “Premiers Habitants,” II 318–323.

14 B.v. Moymell (magh-meala) de Vlakte van Honig, een Gallische naam voor Tooverland, en een aantal plaatsnamen.

15 Voor deze en een aantal andere voorbeelden zie de Jubainville “Premiers Habitants” II, blz. 255 env.

16 Aangehaald door Romilly Allen in “Keltische Kunst” blz. 136.

17 “Premiers Habitants”, II 355, 356.

18 Het Iersch is waarschijnlijk een oudere vorm der Keltische taal dan de volkstaal van Wales. Dit blijkt uit een aantal taalkundige bijzonderheden der Iersche taal, waarvan wij hier één der merkwaardigste in het kort zullen vermelden. De Goidelische of Galische Kelten, die volgens de gewone theorie het eerst de Britsche eilanden koloniseerden, en die door opvolgende golven van inval door hun stamgenooten van het vasteland naar het uiterste westen werden gedreven, hadden een bijzonderen tegenzin tegen het uitspreken der letter p. Zoo wordt het Indo-Europeesche voorzetsel pare, dat in het Grieksch door παρά, naast of in de onmiddellijke nabijheid, wordt voorgesteld, in het oud Keltisch are, zooals in den naam Are morici (de Armorikers, zij die ar muir, aan de zee wonen); Are-dunum (Ardin in Frankrijk); Are-cluta, de plaats bij de Clota (Clyde), het tegenwoordige Dumbarton; Are-taunon in Duitschland (bij het Taunus gebergte), enz. Als de p niet eenvoudig werd weggelaten, veranderde zij gewoonlijk in een c (k, g). Maar omstreeks de zesde eeuw v.C. had er in de taal der Kelten van het vaste land een merkwaardige verandering plaats. Op een onverklaarbare wijze kregen zij het vermogen de p uit te spreken, en zelfs zetten zij die in de plaats van de bestaande c klanken; zoo werd het oorspronkelijke Cretanis: Pretanis, Brittannië, het getal qetuares (vier) werd petuares, enz. Keltische plaatsnamen in Spanje toonen aan, dat die verandering moet hebben plaats gehad vóórdat de Kelten dat land hebben veroverd, 500 v.C. Nu toont een vergelijking van een aantal Iersche woorden en die uit de volkstaal van Wales duidelijk aan, dat de Ieren die p vermijden terwijl de bewoners van Wales er volstrekt geen bezwaar tegen hebben. Hier volgen enkele voorbeelden:


Iersch Wales Nederlands
crann prenn boom
mac map zoon
cenn pen hoofd
clumh (cluv) pluv veer
cúig pimp vijf

De gevolgtrekking schijnt voor de hand te liggen, dat het Iersch den ouderen vorm der taal moet voorstellen. Merkwaardig is het, dat zelfs tot een betrekkelijk laat tijdstip de Ieren hun tegenzin tegen de p bewaard hebben. Zoo veranderden zij het Latijnsche Pascha (Paschen) in Casg; purpur, in curcair, pulsatio (door het Fransche pouls) in cuisle. Wij moeten echter opmerken, dat Nicholson in zijn “Keltische onderzoekingen” tracht aan te toonen, dat de zoogenaamde Indo-Europeesche p—dat is de p die alleen staat en niet met een anderen medeklinker is verbonden—in een vroege periode door de Goidelische Kelten werd uitgesproken. Men kan niet zeggen, dat het onderwerp reeds volkomen is opgehelderd.

19 “De Ieren,” zoo zegt Edmund Spenser, in zijn “Overzicht van den tegenwoordigen toestand van Ierland,” “plegen gewoonlijk boodschappers heen en weer te zenden om nieuws te hooren, en als iemand een ander ontmoet, zegt hij bijna onmiddellijk, wat voor nieuws is er?”

20 Zie hieromtrent Spenser: “Ik heb groote krijgslieden hooren vertellen, dat zij in alle veldtochten die zij in vreemde landen hadden medegemaakt, nooit bevalliger ruiters gezien hebben dan de Ieren, noch iemand die dapperder is in den aanval. Zij zijn zeer dapper en forsch. Zij verdragen meestal uitstekend koude, inspanning, honger en alle ontberingen, zij zijn krachtig van hand, vlug van voet, zeer oplettend en voorzichtig in hun ondernemingen, zij hebben groote tegenwoordigheid van geest, en hebben een groote doodsverachting.”

21 Het verhaal van de overgave van Vercingetorix wordt door Caesar niet gedaan, en berust uitsluitend op het gezag van Plutarchus en den geschiedschrijver Florus, maar wordt door de geleerden (Mommsen, Long, enz.) als authentiek beschouwd.

22 Dit was een stam die zijn naam ontleende aan den gaesum, een soort Keltische werpspies, wat hun voornaamste wapen was. De gedraaide gouden halsketen (torques) komt als typisch versiersel voor bij het bekende standbeeld van den stervenden Galliër, gewoonlijk genoemd “De Stervende Gladiator”. Een aantal modellen zijn voorhanden in het nationale museum te Dublin.

23 “Caesars Verovering van Gallië, blz. 10, 11. Wij voegen hieraan toe, dat de aristocratische Kelten evenals de Teutonen dolichocephalen waren—d.w.z. hun hoofden waren lang in vergelijking met de breedte. Dit is bewezen uit overblijfselen gevonden in het bekken van de Marne, dat sterk door hen bevolkt was. In één geval werd het skelet van den langen Gallischen soldaat gevonden met zijn strijdwagen, zijn ijzeren helm en zwaard, die thans zijn in het Museum van St. Germain. De bewoners der Britsche eilanden zijn over het algemeen dolichocephaal, immers het “Alpentype”, met rond hoofd komt daar slechts zelden voor. De bewoners van het tegenwoordige Frankrijk zijn eveneens rondhoofdig. Thans weten wij echter, dat de vorm van het hoofd volstrekt geen constant rassenkenmerk is. Deze verandert snel in een nieuwe omgeving zooals blijkt uit metingen van de afstammelingen van hen, die naar Amerika zijn verhuisd. Men zie een artikel hierover van Professor Haddon in “Nature,” 3 Nov. 1910.

24 In de “Tain Bo Cuailgne”, onder andere, mag de Koning van Ulster niet met een boodschapper spreken totdat de Druïde Cathbad hem heeft ondervraagd. Men haalt zich hier de regels voor den geest van Sir Samuel Ferguson in zijn Iersch epos “Congal”:

“Want steeds nog, sinds de tijden

Dat Cathbad Usnachs zoons een wreeden dood deed lijden,

Door hen in vuile modderzee te smoren,

Die door een gruwlijk tooverwoord werd opbezworen,

Aan Creeveroe’s bloedge poort, verbeiden

Verderf en smaad den vorst, die zich door priesterwoord laat leiden.

25 In het Keltisch, Diarmuid mac Cearbhaill.

26 Het was de gewoonte, evenals in Indië, dat iemand, die door een meerdere verongelijkt was, of zich dit verbeeldde, ging zitten voor den drempel van hem, die geweigerd had hem recht te doen, en dat hij vastte totdat hem recht was gedaan. In Ierland werd een tooverkracht toegeschreven aan die plechtige handeling; de gevolgen daarvan konden worden afgewend, als ook de andere partij vastte.

27 “Silva Gadelica”, door S.H. O’Grady, blz. 73.

28 De bron, waaraan dit ontleend is, is een verhaal, dat gevonden wordt op een perkamenten handschrift uit de vijftiende eeuw, dat in het jaar 1814 in Lismore Castle is ontdekt, en dat door S.H. O’Grady in zijn “Silva Gadelica” is vertaald. Het verhaal wordt toegeschreven aan een beambte aan het hof van Dermot.

Hoofdstuk II: De Godsdienst der Kelten.

Inhoudsopgave

Ierland en de godsdienst der Kelten.

Inhoudsopgave

Wij hebben gezegd, dat onder de Keltische volken de Ieren in de voornaamste plaats hierdoor belangrijk zijn, dat zij een aantal kenmerkende trekken van een inheemsche Keltische beschaving gebracht hebben in het licht van het moderne geschiedkundige onderzoek. Er is echter één ding, dat zij niet brachten over de golf, die ons van de oude wereld scheidt, en dat is hun godsdienst.

Niet alleen dat zij dien geheel wijzigden; zij lieten dien ouden godsdienst zóó volkomen achter zich, dat elke overlevering daaromtrent verloren is gegaan. St. Patrick, zelf een Kelt, die Ierland tijdens de vijfde eeuw onder den invloed van het Christendom heeft gebracht, heeft ons een autobiografisch verhaal van zijn zending nagelaten, een geschrift van ontzaglijk veel belang en het oudste verhaal, dat omtrent het Christendom van Brittannië is overgebleven; doch dit vertelt ons niets omtrent de leerstellingen, die hij uitroeide en verving. Wij vernemen veel meer omtrent de godsdienstige opvattingen der Kelten door middel van Julius Caesar, die hen van een geheel ander standpunt naderde. De groote hoeveelheid litteratuur, waarin legenden behandeld worden en die haar tegenwoordigen vorm in Ierland innam tusschen de zevende en de twaalfde eeuw, vertoont ons, hoewel zij dikwijls blijkbaar teruggaat tot bronnen, die van vóór het Christendom dagteekenen, behalve een sterk geloof in toovenarij en een gehechtheid aan het volgen van bepaalde ceremonieele en ridderlijke gebruiken, practisch niets dat gelijkt op een godsdienstig of zelfs ethisch stelsel. Wij weten, dat een aantal hoofden en barden gedurende langen tijd weerstand boden aan het nieuwe geloof, en dat dit lange verzet aanleiding gaf tot een beslissing bij den slag bij Moyrath in de zesde eeuw, maar geen echo van eenigen geestesstrijd, geen vergelijken van de ééne leer met de andere, zooals wij bij voorbeeld vinden in de mededeelingen omtrent den strijd van Celsus tegen Origenes, heeft ons uit die periode van verandering en strijd bereikt. De litteratuur van het oude Ierland bevatte, zooals wij zullen zien, een aantal oude mythen, en daarin komen sporen voor den dag van wezens, die op een bepaald oogenblik goden of natuurlijke krachten moeten geweest zijn, maar alles is beroofd van godsdienstige beteekenis, en veranderd in verdichting en uitingen van schoonheid. En toch was er, zooals Caesar ons mededeelt, een zeer goed ontwikkeld godsdienstig stelsel onder de Galliërs, maar wij leeren ook op zijn autoriteit, dat de Britsche eilanden het vertegenwoordigende middelpunt van dit stelsel waren; zij waren, om het zoo uit te drukken, het Rome van den Keltischen godsdienst.

Wat de aard en het wezen van dien godsdienst was, moeten wij thans nagaan als een inleiding tot de mythen en legenden, die in meer of minder verwijderden zin daaruit zijn ontstaan.

De volksgodsdienst der Kelten.

Inhoudsopgave

Maar wij moeten allereerst er de aandacht op vestigen, dat de godsdienst der Kelten volstrekt niet zulk een eenvoudige zaak was, en niet wat kort kan worden samengevat tot wat wij “Druïdisme” noemen. Behalve de officiëele godsdienst was er een geheel van populaire vormen en bijgeloovige gebruiken, die uit een diepere en oudere bron afkomstig waren dan het Druïdisme, en die bestemd waren dit langen tijd te overleven, ja zelfs nog thans zijn zij nog lang niet uitgestorven.

Het megalithische volk.

Inhoudsopgave

De godsdiensten van primitieve volken zetelen meestal in of ontleenen hun oorsprong aan plechtigheden en gebruiken, die in verband staan met het begraven van dooden. De oudste volken, die Keltisch grondgebied bewonen, in het westen van Europa, waarvan wij eenige vaststaande kennis bezitten, zijn een ras zonder naam of bekende geschiedenis, maar toch kunnen wij uit hun grafmonumenten, waarvan er nog zooveel bestaan, heel wat omtrent hen te weten komen. Het waren de zoogenaamde megalithische volken1, de oprichters van dolmens, cromlechs en in kamers verdeelde tumuli, waarvan er in Frankrijk alleen meer dan drieduizend zijn geteld. Dolmens worden gevonden van Scandinavië tot naar het zuiden, in de westelijke landen van Europa tot aan de Straat van Gibraltar en Spanje, en langs de kust der Middellandsche Zee. Zij komen voor op sommige der westelijke eilanden der Middellandsche Zee en worden ook in Griekenland gevonden, waar zelfs nu nog, in Mycene een oude dolmen staat, naast de prachtige grafkamer der Atriden. Men mag in ruwe trekken zeggen, dat, als wij een lijn trekken van de monding van de Rhône naar het noorden tot aan den Varanger Fjord, alle dolmens in Europa, met uitzondering van enkele exemplaren in de Middellandsche Zee, ten westen van die lijn gelegen zijn. Ten oosten van die lijn vinden wij er geen, totdat wij in Azië komen. Maar zij worden weer gevonden aan de overzijde van de Straat van Gibraltar, en wel langs de geheele kust van Noord-Afrika, en van daar in oostelijke richting door Arabië en Indië, tot zelfs in Japan.

Dolmens, cromlechs en tumuli.

Inhoudsopgave

Een Dolmen is een soort van kamer, bestaande uit recht opstaande ongehouwen steenen, die meestal gedekt zijn door één enkelen grooten steen. Gewoonlijk hebben zij in ontwerp den vorm van een wig, en dikwijls kunnen sporen van een voorhof of vestibule worden waargenomen. De oorspronkelijke bedoeling van den dolmen was, een huis of woonplaats voor den doode voor te stellen. Een cromlech (in het gewone spraakgebruik dikwijls met een dolmen verward) is eigenlijk een in een cirkelvormigen kring geplaatste verzameling van rechtop staande steenen, meestal met een dolmen in het midden. Men is van meening, dat de meeste, zoo niet al de nu blootgestelde dolmens oorspronkelijk gedekt waren met een groote aardhoogte of met kleinere steenen. Dikwijls, zooals in de hier gegeven teekening, zijn groote lanen of wegen gevormd van rechtop geplaatste, op zich zelf staande steenen, en deze hadden ongetwijfeld de één of andere bedoeling, die in verband stond met de godsdienstige gebruiken, welke op die plaats in zwang waren. De latere megalithische monumenten, zooals te Stonehenge, mogen al van gehouwen steen vervaardigd zijn, maar in ieder geval vertoonen de ruwheid van constructie, de afwezigheid van eenige beeldhouwkunst (met uitzondering van de teekeningen of symbolen die op de oppervlakte gehouwen zijn), de blijkbare bedoeling om een machtigen indruk te maken door de ruwe kracht van ontzaglijke monolithische massa’s, en niet minder geven enkele bepaalde bijkomende kenmerkende eigenschappen in hun plan, die later zullen beschreven worden, aan deze megalithische monumenten een merkwaardige familiegelijkenis, en onderscheiden hen van de in kamers verdeelde graftomben der oude Grieken, Egyptenaren en andere meer gevorderde rassen. De eigenlijke dolmens maakten ten slotte plaats voor groote in kamers verdeelde aardhoogten of tumuli, zooals te New Grange, die wij ook rekenen als te behooren aan het megalithische volk. Zij zijn een natuurlijke ontwikkeling van den dolmen. De oudste dolmenbouwers waren op den neolithischen trap van beschaving, hun wapens waren van gepolijsten steen. Maar in de tumuli werd niet alleen steen, maar ook brons, en zelfs ijzer gevonden—in het begin, zooals duidelijk blijkt, van buiten ingevoerd, maar later in dat gebied vervaardigd.


Dolmen te Proleek, Ierland.

(Naar Borlase).

Oorsprong van de megalithische bevolking.

Inhoudsopgave

Omtrent de taal, die oorspronkelijk door dat volk werd gesproken, kunnen wij alleen iets afleiden uit de sporen, die daarvan zijn overgebleven in die van hun veroveraars, de Kelten. Maar een kaart van de verspreiding hunner monumenten wekt onweerstaanbaar de gedachte op, dat de bouwmeesters van die monumenten van Noord-Afrikaanschen oorsprong waren; dat zij oorspronkelijk niet gewoon waren over groote uitgestrektheden de zee over te trekken; dat zij in westelijke richting trokken langs Noord-Afrika, dat zij naar Europa overstaken daar waar bij Gibraltar de Middellandsche Zee zich vernauwt tot een straat van slechts enkele mijlen breedte, en dat zij zich van daar uit verspreidden over de westelijke landen van Europa, met inbegrip der Britsche eilanden, terwijl zij in oostelijke richting door Arabië tot in Azië doordrongen. Wij moeten echter in het oog houden, dat, terwijl het megalithische volk oorspronkelijk zonder twijfel een afzonderlijk ras was, het ten slotte niet een ras, maar een bepaalde cultuur vertegenwoordigde. De menschelijke overblijfselen, die in die graven zijn gevonden, met hun groote verschillen in den vorm van den schedel, enz. zijn daarvan het duidelijke bewijs.2 Deze en andere overblijfselen wijzen er op, dat de dolmenbouwers in het algemeen een hoogstaand en goed ontwikkeld type waren, op de hoogte van landbouw, veeteelt en ook eenigszins van zeevaart. De monumenten zelf, die dikwijls indrukwekkende afmetingen hebben en het bewijs leveren van veel nadenkens en goed georganiseerde samenwerking bij hun bouw, wijzen ontwijfelbaar aan, dat in die periode een priesterdom bestond, dat belast was met de zorg voor begrafenisplechtigheden, en dat geschikt was groote menschenmassa’s te beheerschen. Hun dooden werden in den regel niet begraven, maar in hun geheel verbrand; de grootere monumenten wezen ongetwijfeld de graven aan van aanzienlijke personen, terwijl het gemeene volk begraven werd in graftomben, waarvan geen sporen meer bestaan.


Praehistorische Tumulus te New Grange

De Kelten der vlakten.

Inhoudsopgave

De Jubainville houdt in zijn beschrijving van de oudste geschiedenis der Kelten alleen rekening met twee hoofdgroepen—de Kelten en de megalithische bevolking. Maar Bertrand maakt in zijn verdienstelijk werk “La Religion des Gaulois” onderscheid tusschen twee elementen onder de Kelten zelf. Behalve de megalithische bevolking zijn er nog twee groepen van Kelten, die van de vlakten en die van de bergen. De Kelten uit de vlakten waren volgens zijn opvatting afkomstig van den Donau en kwamen waarschijnlijk reeds omstreeks 1200 v.C. in Gallië. Zij waren de stichters der paalwoningen in Zwitserland, in de vallei van den Donau en in Ierland. Zij kenden het gebruik van metalen en bewerkten goud, tin, brons, en tegen het einde van die periode ook ijzer. In afwijking van de megalithische bevolking, spraken zij een Keltische taal,3 hoewel het schijnt, dat Bertrand hun volkomen rasovereenkomst met de echte Kelten betwijfelt. Zij waren misschien langzamerhand Kelten geworden, in plaats van oorspronkelijk echte Kelten te zijn. Zij waren niet oorlogszuchtig; het was een rustig volk van veehoeders, landbouwers en ambachtslieden. Zij begroeven hun dooden niet, maar verbrandden ze. In een groote nederzetting van hen, te Golasecca, in Gallia Cisalpina, zijn 6000 graven gevonden. Bij al deze was het lijk verbrand; er was dan ook geen enkele begrafenis, waar het lijk niet vooraf verbrand was.

Dat volk trok (zooals Bertrand beweert), niet als veroveraars Gallië binnen, maar door zich geleidelijk daar te nestelen, en de leege plaatsen in te nemen, waar zij die in valleien en vlakten vonden. Zij kwamen over de Alpenpassen, en hun plaats van vertrek was het land van den Boven-Donau, dat zooals Herodotus zegt “onder de Kelten oprijst.” Zij vermengden zich vreedzaam met de megalithische bevolking, waaronder zij zich nederzetten, en brachten niet tot ontwikkeling eenige van die reeds in aanzien gekomen politieke instellingen, die alleen door den oorlog groeien, maar waarschijnlijk droegen zij krachtig bij tot de ontwikkeling van het Druïdische stelsel van godsdienst en van de bardenpoëzie.

De Kelten uit de berglanden.

Inhoudsopgave

Wij hebben eindelijk nog een derde groep, en wel de echte Keltische groep, die het spoor van de tweede op den voet volgde. Het was in het begin der zesde eeuw, dat deze het eerst ten tooneele verscheen op den linkeroever van den Rijn. Terwijl Bertrand de tweede groep Keltisch noemt, noemt hij de laatste Galatisch, en vereenzelvigt hij die met de Galaten der Grieken en met de Galliërs en de Belgen der Romeinen.

De tweede groep waren, zooals wij zeiden, Kelten uit de vlakten. De derde groep waren Kelten uit de bergstreken. De eerste woonplaats, die wij van hen kennen, waren de bergketenen van den Balkan en de Karpathen. Hun organisatie was die van een militaire aristocratie—zij speelden de baas over de onder hen staande bevolking, op wier kosten zij leefden door schatting of plundering. Zij zijn de oorlogszuchtige Kelten der oude geschiedenis—de plunderaars van Rome en van Delphi, de huurlingen, die voor soldij en uit lust voor den oorlog streden in de rijen der Carthagers en later der Romeinen. Zij hadden een minachting voor landbouw en industrie, hun vrouwen beploegden de akkers, en onder hun heerschappij werd de lagere bevolking bijna tot slavernij teruggebracht; “plebs paene servorum habetur loco,” zooals Caesar ons verhaalt. Alleen Ierland ontkwam eeniger mate aan de onderdrukking dier militaire aristocratie, en aan de scherpe scheidingslijn, die door deze tusschen de beide klassen werd getrokken, maar toch wordt zelfs daar een weerspiegeling gevonden van den toestand, zooals die in Gallië bestond, zelfs daar vinden wij vrije en onvrije stammen, en onderdrukking en onteerende afpersingen van de zijde der heerschende klasse.

En toch, al had die heerschende klasse enkele der ondeugden, die onbeteugelde kracht eigen zijn, zij had eveneens vele edele en humane eigenschappen. Zij waren ontzaglijk dapper, wonderlijk ridderlijk, uiterst gevoelig voor poëzie en muziek, en hadden zin voor bespiegelende gedachten. Posidonius vond, dat het bardendom onder hen bloeide in de eerste eeuw v.C., en omstreeks twee honderd jaar vroeger beschrijft Hecataeus van Abdera de met zorg uitgevoerde, met muziek gepaarde godsdienstplechtigheden, door de Kelten op een eiland in het westen—waarschijnlijk Groot-Brittannië—gevierd ter eere van hun god Apollo4. Als meest Arische der Ariërs, hadden zij de stof in zich voor een groote en vooruitstrevende natie; maar het Druïdische stelsel—niet wat zijn wijsbegeerte en wetenschap betreft, maar wel zijn priesterlijk-politieke organisatie—was hun verderf, en hun noodlottige zwakheid was, dat zij zich daaraan onderwierpen.


Rijen Steenen, te Kermaris, Carnac

De beschaving dier Kelten uit de berglanden verschilde zeer kenmerkend van die der Kelten uit de vlakten. Zij waren uit het ijzeren, niet uit het bronzen tijdperk; hun dooden werden niet verbrand (wat zij als een schande beschouwden), maar begraven.

De landstreken, door hen gewelddadig in bezit genomen, waren Zwitserland, Bourgondië, de Palts en noordelijk Frankrijk, gedeelten van Brittannië in het westen, en Galatië en Illyrië in het oosten, maar kleinere groepen van hen moeten wijd en zijd over het geheele Keltische grondgebied zijn binnengedrongen, en een overheerschend standpunt hebben ingenomen overal waar zij kwamen.

Er waren, zooals Caesar zegt, drie volken, die Gallië bewoonden, toen hij met zijn verovering begon: “zij verschillen onderling in taal, gebruiken en wetten”. Hij noemde die volken respectievelijk de Belgen, de Kelten en de Aquitaniërs. Hij stelt in ruwe trekken hun woonplaats vast, die der Belgen in het noorden en oosten, die der Kelten in het midden, die der Aquitaniërs in het westen en het zuiden. De Belgen zijn de Galaten van Bertrand, terwijl de Aquitaniërs de megalithische bevolking uitmaken. Zij waren uit den aard der zaak allen meer of minder onder den invloed der Kelten gebracht, en de verschillen in taal, die Caesar opmerkte, behoeven niet groot geweest te zijn; toch is het de aandacht waard,—en dat is volkomen in overeenstemming met de opvattingen van Bertrand,—dat Strabo van de Aquitaniërs mededeelt, dat zij duidelijk afweken van de overige bewoners, en overeenkomst hadden met de Iberiërs. De taal der overige Gallische volken, zoo voegt hij er uitdrukkelijk bij, was niets anders dan dialecten van dezelfde taal.

De godsdienst der toovenarij.

Inhoudsopgave

Die drievoudige verdeeling weerspiegelt zich min of meer in alle Keltische landen en moet steeds in het oog gehouden worden, zoo dikwijls wij spreken van Keltische denkbeelden en Keltischen godsdienst en trachten na te gaan, in hoeverre de Keltische volken tot de Europeesche beschaving hebben bijgedragen. De mythen- en legendenlitteratuur en de kunst der Kelten hebben waarschijnlijk hoofdzakelijk haar oorsprong ontleend aan dat gedeelte, dat wordt vertegenwoordigd door de Kelten uit de vlakten, zooals Bertrand die noemt. Maar die letterkunde van gezangen en mythen werd voortgebracht door de klasse der barden ten genoege en tot leering van een trotsche, ridderlijke en oorlogszuchtige aristocratie, en moest zich dan onvermijdelijk gevormd hebben naar de denkbeelden van die aristocratie. Maar zij moest eveneens gekleurd zijn door den diep ingrijpenden invloed der godsdienstige denkbeelden en gebruiken, die door de megalithische bevolking werden gevolgd—denkbeelden, die nu langzaam verbleeken in het opkomende daglicht der wetenschap. Die denkbeelden kunnen worden samengevat in het ééne woord “toovenarij.” Wij moeten thans den aard van dien godsdienst der magie in het kort bespreken, immers hij was een machtig element bij de vorming van de meeste van die mythen en legenden, die wij later moeten behandelen. En, zooals professor Bury opmerkte in zijn inaugureele redevoering te Cambridge in 1903:

“Wanneer wij de allermoeilijkste van alle onderzoekingen, het ethische vraagstuk, de rol door het ras gespeeld in de ontwikkeling der volken en de gevolgen van rassenvermenging willen ter hand nemen, dan moeten wij wel in het oog houden, dat de Keltische wereld één der voornaamste toegangswegen beheerscht, die leiden naar die geheimzinnige prae-Arische voorwereld, waarvan wij moderne Europeanen misschien wel veel meer hebben geërfd, dan wij zouden vermoeden.”

De eigenlijke wortel van het woord “magie” is onbekend, maar het is onmiddellijk afgeleid van de Magi, of priesters van Chaldea en Medië in prae-Arische en prae-Semitische tijden, die de voornaamste dragers waren van dat stelsel van denkbeelden, dat zoo eigenaardig vermengd is met bijgeloof, wijsbegeerte en wetenschappelijke waarneming. De fundamenteele opvatting der magie is die van de geestelijke levenskracht der geheele natuur. Die geestelijke levenskracht werd niet, zooals bij het polytheïsme, van de natuur gescheiden gedacht in afzonderlijke goddelijke persoonlijkheden. Zij was opgesloten in en innerlijk vastgehecht aan de natuur; zij was duister, onbepaald en bekleed met al het ontzagwekkende van een pracht, waarvan de grenzen en de aard in een ondoorgrondelijke geheimzinnigheid gehuld zijn. In haar meer verwijderden oorsprong was zij, zooals een aantal feiten schijnen aan te toonen, verbonden met de doodenvereering, immers de dood werd beschouwd als de terugkeer tot de natuur, en als een bekleeding met onbestemde en niet te controleeren machten van een geestelijke kracht, die vroeger belichaamd was in den concreten, begrensden, handelbaren, en daarom minder angstwekkenden vorm van een levende menschelijke persoonlijkheid. Toch waren die machten niet geheel buiten controle. De begeerte naar controleering, zoowel als het zoeken naar de middelen, om dit tot stand te brengen, ontleende het aanzijn aan de eerste ruwe toepassingen der geneeskunde. Geneesmiddelen van den één of anderen aard behoorden tot één der eerste behoeften van den mensch. En de kracht van zekere aan de natuur ontleende stoffen, hetzij uit het delfstoffen-, hetzij uit het plantenrijk, om te werken zoowel op het lichaam als op den geest, en wel op een wijze, die dikwijls schrik en ontsteltenis veroorzaakte, werd uit den aard der zaak opgevat als een duidelijk bewijs van wat wij de “magische” opvatting van het heelal zouden kunnen noemen.5 De eerste toovenaars waren zij, die een bepaalde kennis hadden verkregen van geneeskundige vergiftige kruiden; maar daar de één of andere kracht werd toegeschreven aan ieder voorwerp en ieder verschijnsel in de natuur, moest er een soort van magische wetenschap ontstaan, gedeeltelijk de vrucht van het echte onderzoek, gedeeltelijk van dichterlijke verbeelding, gedeeltelijk van priesterbedrog, welke magische wetenschap vastgelegd werd in godsdienstige gebruiken en formules, gebonden aan bepaalde plaatsen en voorwerpen en door symbolen voorgesteld. Dit geheele onderwerp is door Plinius behandeld in een merkwaardig stuk, dat wij om het groote belang uitvoerig aanhalen:

Plinius over den godsdienst der magie.

Inhoudsopgave

“De magie is één der weinige zaken, die de moeite loonen ze eenigszins uitgebreid te bespreken, al ware het alleen hierom, omdat zij, hoewel de meest bedriegelijke van alle kunsten, overal en ten alle tijde groot vertrouwen heeft ingeboezemd. En het is ook niet te verwonderen, dat zij een grooten invloed heeft gekregen, want zij heeft drie kunsten in zich vereenigd, die de grootste heerschappij hebben verkregen over den geest van den mensch. Terwijl zij in de eerste plaats uit de geneeskunde is ontstaan—een feit dat door niemand kan worden betwijfeld—en onder den schijn van bezorgdheid voor onze gezondheid, is zij in den geest doorgedrongen, en heeft zij den vorm aangenomen van een ander geneesmiddel, dat heiliger en inniger is. In de tweede plaats heeft zij, als draagster van de meest verleidelijke en vleiende beloften, den godsdienst als beweegreden aangenomen, over welk onderwerp de menschheid zelfs in onze dagen nog zeer in het duister verkeert. En om op dit alles de kroon te zetten, heeft zij haar toevlucht genomen tot de sterrenwichelarij, en iedereen verlangt er vurig naar, de toekomst te leeren kennen en is er van overtuigd, dat die kennis zonder eenigen twijfel van den hemel is te verkrijgen. Daar zij dus den geest der menschen in die driedubbele boei gekluisterd houdt, heeft zij haar heerschappij uitgestrekt over een aantal volken, en de Koningen der Koningen in het oosten gehoorzamen er aan.

“Zij is ongetwijfeld in het oosten uitgevonden—in Perzië en door Zoroaster6. Alle gezaghebbenden zijn het daarover eens. Maar is er niet meer dan één Zoroaster geweest?... Ik heb opgemerkt, dat men reeds in oude tijden, ja zelfs bijna altijd, menschen heeft gevonden, die in die wetenschap het toppunt van letterkundigen roem hebben gevonden—ten minste Pythagoras, Empedocles, Democritus en Plato zijn de zeeën overgetrokken, inderdaad meer als ballingen dan als reizigers, om zich daarvan op de hoogte te stellen. En als zij daarna in hun geboorteland terugkeerden, verhieven zij zich op hun kennis der magie en handhaafden zij haar geheime leer.... Bij de Latijnsche volken vindt men reeds vroeg sporen daarvan, zooals bij voorbeeld in onze Wetten der Twaalf Tafelen7 en andere monumenten, zooals ik in een vroeger boek heb gezegd. Inderdaad was het eerst in het jaar 657 na de stichting van Rome, onder het consulaat van Cornelius Lentulus Crassus, dat het door een senatus consultum verboden was menschelijke wezens te offeren, waaruit duidelijk blijkt, dat tot op dien tijd afschuwelijke offers werden gebracht. De Galliërs zijn onder de bekoring er van gekomen, en dat wel zelfs tot op onze dagen, immers was het keizer Tiberius, die de Druïden afschafte en de geheele bende van profeten en medicijnmeesters. Maar wat voor nut heeft het, verbodsbepalingen uit te vaardigen tegen een kunst, die den oceaan is overgetrokken en zelfs tot aan de grenzen der Natuur is doorgedrongen?” (Hist. Nat. XXX).

Plinius voegt daaraan toe, dat de eerste, van wien hij met zekerheid kan uitmaken, dat hij over dat onderwerp heeft geschreven, Osthanes is geweest, die Xerxes heeft vergezeld op zijn krijgstocht tegen de Grieken, en die de “kiemen van zijn gedrochtelijke kunst” heeft verbreid overal waar hij in Europa kwam.

De magie was—zoo meende Plinius—noch inheemsch in Griekenland, noch in Italië, maar was in Brittannië zóózeer ingeworteld, en daar beoefend met zóó uitgewerkte en met zorg beoefende ceremoniën, dat Plinius zegt, dat men haast zou meenen, dat het de Britten waren, die haar aan de Perzen, en niet de Perzen, die haar aan de Britten hadden onderwezen.

Sporen van magie in megalithische monumenten.

Inhoudsopgave

De indrukwekkende overblijfselen van hun godenvereering, die ons zijn nagelaten door de megalithische bevolking, zijn vol aanwijzingen omtrent hun godsdienst. Nemen wij als voorbeeld den merkwaardigen tumulus van Mané-er-H’oeck, in Bretagne. Dat monument was in het jaar 1864 door René Galles onderzocht, die het als volkomen ongeschonden beschrijft—de oppervlakte van den grond was nog onaangeroerd, en alles was zooals de oprichters hem hadden achtergelaten8. Aan den ingang der rechthoekige kamer was een gebeeldhouwde steenen plaat, waarop een geheimzinnig teeken was gegraveerd, misschien wel de totem van een der voormannen. Zoodra men de kamer binnentrad, vond men een prachtigen oorhanger van groen jaspis, ter grootte van een ei. Op den grond in het midden der kamer was een zeer merkwaardige groep, bestaande uit een grooteren ring van jadiet, eenigszins ovaal van vorm met een prachtig bovenstuk van een bijl, eveneens van jadiet, waarvan de punt op den ring rustte. De bijl was een zeer bekend symbool van macht of van een godheid en wordt dikwijls gevonden als snijwerk in rotsen, uit het Bronzen Tijdperk, en ook op Egyptische hiëroglyphen, Minoïsch snijwerk, enz. Op korten afstand daar vandaan lagen twee groote oorhangers van jaspis, vervolgens een bovenstuk van een bijl van wit jadiet9, en ten slotte nog een oorhanger van jaspis. Al die voorwerpen waren met een blijkbare bedoeling op een rij gerangschikt, en vormden een rechte lijn, die nauwkeurig samenviel met één der diagonalen van de kamer, van het noordwesten naar het zuidoosten. In één der hoeken van de kamer vond men 101 bovenstukken van bijlen in jadiet en fibroliet. Er waren geen sporen van beenderen of asch, en evenmin vond men er een grafvorm, het geheel was een cenotaaf. “Staan wij,” zoo vraagt Bertrand, “hier niet tegenover een godsdienstplechtigheid, die met de magie samenhangt?”


Steenen uit Bretagne, gegraveerd met afdrukken van voeten, bijlen, afdrukken van vingers enz.

(Sergi.)

Chiromantie of handwaarzeggerij te Gavr’inis.

Inhoudsopgave

In verband met het groote grafmonument te Gavr’inis was een zeer merkwaardige waarneming gedaan door Albert Maitre, inspecteur van het Musée des Antiquités Nationales. Er werden daar—zooals gewoonlijk bij andere megalithische monumenten in Ierland en Schotland—een aantal steenen gevonden, die gegraveerd waren met een merkwaardig en karakteristiek patroon in golvende en concentrische lijnen. Indien men nu de merkwaardige lijnen op de vingers onder een lens beschouwt, zal men vinden, dat deze volmaakt gelijken op die patronen der megalithische graveerkunst. De ééne schijnt wel een volkomen afdruk van de andere te zijn. Die lijnen op de menschenhand zijn zóó duidelijk en eigenaardig, dat zij, zooals bekend is, zijn aangenomen als een middel, om de identiteit van misdadigers vast te stellen. Kon die groote gelijkenis het gevolg van toeval zijn? Er is nooit iets gevonden, dat met die eigenaardige verzameling van gegraveerde lijnen overeenkomt, behalve in verband met deze monumenten. Hebben wij hier niet te doen met iets dat met chiromantie in betrekking staat—een magische kunst, die in oude en zelfs in moderne tijden veel beoefend werd? De hand als een symbool van macht was een zeer bekend magisch zinnebeeld, en heeft zelfs in ruime mate haar intrede gedaan in het Christelijke symbolisme—zooals bij voorbeeld de groote hand, gegraveerd op het ondergedeelte van één der armen van het Kruis van Muiredach te Monasterboice.


Dolmen te Trie, Frankrijk.

(Naar Guilhabaud.)

Uitgeholde steenen.

Inhoudsopgave

Een andere merkwaardigheid, die tot nu toe niet is verklaard en die gevonden wordt bij een aantal van die monumenten van westelijk Europa tot aan Indië, is de aanwezigheid van een klein gat, dat door één der steenen is geboord, die de kamer vormen. Was het een opening, die bestemd was voor den geest der dooden? Of diende zij om hun offers te brengen? Ofwel was het de weg, waarlangs men meende, dat openbaringen uit de geestenwereld naar een priester of toovenaar werden overgebracht? Of dienden zij voor ieder van die doeleinden? Uitgeholde steenen, die geen deel uitmaakten van een dolmen, behooren uit den aard der zaak tot de meest gewone overblijfselen der oude godsdienstige gebruiken, en worden nog steeds vereerd en gebruikt bij plechtigheden, die in verband staan met zwangerschap en dergelijke. Hier moeten wij het zinnebeeld zonder eenigen twijfel verklaren als iets, dat met de geslachten in verband staat.


Dolmens in Dekan, Indië.

(Naar Meadows-Taylor.)

Vereering van steenen.

Inhoudsopgave

Behalve de hemellichamen vinden wij, dat ook rivieren, boomen, bergen en steenen bij dat primitieve volk het voorwerp van vereering waren. De vereering van steenen in het bijzonder kwam algemeen voor; zij is niet zoo gemakkelijk te verklaren als de vereering, bewezen aan voorwerpen, die beweging en levenskracht bezitten. Misschien kan een verklaring voor de vereering, verbonden met groote, op zich zelf staande massa’s van ongehouwen steen, gevonden worden in haar gelijkenis met de kunstmatige dolmens en cromlechs10. Geen enkele vorm van bijgeloof heeft zoolang standgehouden. Het blijkt, dat in het jaar 452 n.C. de Synode van Arles diegenen bedreigde, die “boomen, putten en steenen aanbaden,” en die bedreiging werd herhaald door Karel den Groote en door een aantal Synodes en Concilies tot op onzen tijd. Toch blijkt uit een teekening, die wij hier weergeven, en die enkele jaren geleden op de plaats zelf door Arthur G. Bell werd vervaardigd, dat diezelfde wijze van aanbidding in Bretagne nog in volle kracht is; wij zien hier, hoe de symbolen en de priesterlijke organisatie der Christenheid thans in den dienst zijn gesteld van dit onheugelijk oude heidendom. Volgens Bell neemt de geestelijkheid met veel tegenzin deel aan die plechtigheden, maar wordt zij daartoe gedwongen door de publieke opinie daar ter plaatse. Heilige bronnen, waarvan het water volgens de openbare meening ziekten geneest, zijn nog in grooten getale in Ierland aanwezig, en de vereering van het water van Lourdes, kan, in weerwil dat de Kerk er haar goedkeuring aan gehecht heeft, als een toepasselijk voorbeeld op het vasteland worden beschouwd.


Teekens in den vorm van schotels en ringen in Schotland.

(Naar Sir J. Simpson.)


Moderne Steenaanbidding te Locronan, Bretagne

Teekens in den vorm van schotels en ringen.

Inhoudsopgave

Een ander merkwaardig zinnebeeld, waarvan de beteekenis tot nu toe nog in het duister ligt, komt herhaaldelijk voor in verband met megalithische monumenten. De hier opgenomen teekeningen geven daarvan voorbeelden. Op de oppervlakte van den steen zijn holten gemaakt in den vorm van schotels; deze zijn dikwijls omgeven met concentrische ringen, en van den schotel loopen één of meer lijnen van het middelpunt naar een punt buiten den omtrek der ringen. Somtijds is een stelsel van die schotels door die lijnen vereenigd, maar meer komt het voor, dat zij iets buiten den wijdsten van de ringen eindigen. Die vreemde teekens worden niet alleen gevonden in Groot-Brittannië en Ierland en in Bretagne, maar ook in verschillende plaatsen van Indië, waar zij mahadéos11 heeten. Wij hebben ook een merkwaardig voorbeeld—want dit schijnt het inderdaad te zijn—gevonden in Dupaix “Monumenten van Nieuw Spanje.” Het is weergegeven in “de Oudheden van Mexico,” deel IV, van Lord Kingsborough. Op den cirkelvormigen top van een cilindervormigen steen, bekend als de “Steen van het Zegevieren” is in het midden een schotel, gegraveerd met negen concentrische cirkels daar omheen, en een geleibuis of kanaal, getrokken van den schotel af door al de cirkels heen tot aan den rand. Behalve dat het patroon hier rijk versierd en nauwkeurig geteekend is, gelijkt het nauwkeurig op een typisch Europeesch teeken. Men kan er nauwelijks aan twijfelen, dat die teekens een beteekenis hebben, en dat zij overal waar zij gevonden worden ook hetzelfde beteekenen, maar nog steeds blijft het voor de oudheidkundigen een raadsel, die beteekenis te doorgronden. Misschien is de gissing niet te gewaagd, dat het schetsen of plannen zijn van een megalithisch graf. De binnenste holte stelt de eigenlijke plaats van het graf voor. De cirkels zijn de opgerichte steenen, grachten en wallen, die er dikwijls omheen liepen; en de lijn of gang, die van het midden naar den rand is getrokken, stelt den onderaardschen toegang van het graf voor. Dat die “gang” inderdaad den toegang bedoelt, blijkt duidelijk uit de verschillende vormen, die wij aan Simpson ontleenen. Daar het graf tevens een heilige plaats of tempel was, is het natuurlijk, dat die voorgesteld wordt onder ander snijwerk van gewijden aard; het zal wel een symbolische vorm zijn, om uit te drukken, dat de plaats gewijde grond was. Wij kunnen onmogelijk zeggen, in hoeverre deze opvatting op het Mexicaansche model van toepassing is.


Verschillende vormen van schotels en ringen.

De tumulus te New Grange.

Inhoudsopgave

Eén der belangrijkste en rijkst gebeeldhouwde der Europeesche megalithische monumenten is de groote in kamers verdeelde tumulus te New Grange aan den noordelijken oever van de Boyne, in Ierland. Die tumulus, en de andere, die in de nabijheid gevonden worden, komen in de oude Iersche mythische litteratuur in twee verschillende karakters voor, waarvan de verbinding veelbeteekenend is. Zij worden eensdeels beschouwd als de verblijfplaatsen der Sidhe, of feeën, die waarschijnlijk de godheden der oude Ieren voorstellen, en zij zijn eveneens volgens de overleveringen de begraafplaatsen der Keltische opperkoningen van het heidensche Ierland. Het verhaal der begrafenis van koning Cormac, die ondersteld werd omtrent den Christelijken godsdienst te zijn ingelicht lang voordat deze werkelijk in Ierland door St. Patrick was gepredikt, en die verbood, dat men hem zou begraven op het koninklijke kerkhof aan de Boyne, omdat daaraan heidensche overleveringen waren verbonden, wijst er op, dat die plaats het middelpunt was van een heidenschen eeredienst, die meer in zich sloot dan eenvoudig een begraven van koninklijke personen binnen zijn gebied. Ongelukkiger wijze zijn die monumenten niet ongeschonden; zij zijn in de negende eeuw geopend en geplunderd door de Denen12, maar er zijn nog bewijzen genoeg aanwezig, die aantoonen, dat zij oorspronkelijk als begraafplaatsen dienden, en in verband stonden met den eeredienst van een primitieven godsdienst. De belangrijkste van deze, de tumulus van New Grange, is geheel en al onderzocht en beschreven door George Coffey, den bewaarder der verzameling van Keltische oudheden in het Nationale Museum te Dublin13. Aan den buitenkant gelijkt hij op een groote aardhoogte of een heuvel, die nu met struiken is begroeid. Zijn grootste middellijn is 280 Engelsche voet en hij is ongeveer 44 voet hoog. Daarbuiten loopt een wijde kring van steenen, die oorspronkelijk rechtop schijnen te hebben gestaan, vijf en dertig in getal. Binnen dien kring bevindt zich een gracht en een wal, en boven op dien wal was een cirkelvormige rand van groote steenen gelegd, ter lengte van acht tot tien voet, op den kant gelegd, die een groote aardhoogte begrensden, welke later gebleken is uit losse steenen te bestaan, die nu, zooals wij gezien hebben, geheel begroeid zijn met gras en struiken. Doch het groote belang van dat monument is gelegen in het inwendige van die aardhoogte. Omstreeks het einde van de zeventiende eeuw kwamen enkele werklieden, die van die aardhoogte materiaal haalden voor den weg, toevallig aan den ingang die naar een gaanderij naar binnen leidde, en die zich kenmerkte door het feit, dat de grenssteen daaronder rijk gebeeldhouwd was met spiralen en ruitvormige figuren. Die ingang is juist op het zuid-oosten gelegen. De gaanderij is gevormd uit rechtopstaande platen van ongehouwen steen, gedekt met dergelijke platen, en wisselt af van omstreeks 5 tot 6 Engelsche voet in hoogte; zij is 3 voet breed, en loopt over een lengte van 62 voet tot recht binnen in de aardhoogte. Hier eindigt zij in een kruisvormige kamer ter hoogte van 20 voet, waarvan de zoldering, een soort koepel, gevormd is van groote, platte steenen, die alle naar het midden gericht zijn, waar zij elkander bijna aan den top ontmoeten, en waar een groote platte steen alles bedekt. In ieder der drie inhammen van de kruisvormige kamer staat een groote steenen bekken, of een ruwe sarcophaag, doch er is geen spoor van eenige begrafenis daar overgebleven.

Symbolisch beeldhouwwerk te New Grange.

Inhoudsopgave

De steenen zijn alle ruw en onbewerkt, en waren voor het doel waarvoor zij dienden gekozen uit de bedding der rivier en andere plaatsen uit de onmiddellijke nabijheid. Op hun glad oppervlak, dat verkregen werd door platen te hakken uit de oorspronkelijke steengroeven, worden de beeldhouwwerken gevonden, die het eenige belangrijke uitmaken van dat vreemde monument. Met uitzondering van den grooten steen met spiraalvormig graveerwerk en een anderen aan den ingang van de aardhoogte, schijnt dat beeldhouwwerk niet de bedoeling gehad te hebben, als decoratief werk te dienen, behalve in een zeer ruwen en primitieven zin. Er is volstrekt geen poging bij, om een bepaalde oppervlakte te bedekken met een stelsel van versieringen, dat in overeenstemming is met haar grootte en vorm. De patronen zijn als het ware er op gekrabbeld op willekeurige wijze en op willekeurige plaatsen.14 Onder deze is overal de spiraal overheerschend. De gelijkenis van enkele dier figuren met de onderstelde vingerafdrukken op de steenen te Gavr’inis is zeer merkwaardig. Driedubbele en dubbele spiralen worden er eveneens gevonden, zoowel als ruiten en zigzaglijnen. In den westelijken inham vindt men een merkwaardige ingesneden figuur, die gelijkt op een palmtak of een blad van een varen. De teekening van dat voorwerp is naturalistisch, en het is moeilijk die te verklaren, zooals Coffey geneigd is te doen, als niets anders dan een stuk van een zoogenaamd patroon van een “haringgraat.”15 Een dergelijk patroon van een palmblad, waarvan echter de nerven loodrecht op de centrale as zijn gerangschikt, vindt men in den naburigen grafheuvel van Dowth, te Loughcrew, en verbonden met een zonnezinnebeeld, de Swastika, op een klein altaar in de Pyreneën, voorgesteld door Bertrand.

Het schipsymbool te New Grange.

Inhoudsopgave


Zonneschip (met zeil?) van New Greange, Ierland.


Zonneschip van Locmariaker, Bretagne

(Naar Ferguson).


Ingang van den Tumulus te New Grange

Een ander merkwaardige, en voor zoover Ierland betreft, zeer ongewone teekening vindt men gebeeldhouwd, in den werkelijken inham te New Grange. Door verschillende geleerden is zij verklaard als een metselaarswerk, als een stuk Phoenicisch schrift, een groep cijfers, en ten slotte (en waarschijnlijk terecht) door George Coffey als een ruwe voorstelling van een schip met mannen aan boord en met volle zeilen. Opmerkelijk is, dat juist daarboven een kleine cirkel is, die blijkbaar een deel van het patroon vormt. Een tweede voorbeeld vindt men in Dowth. De beteekenis van dat teeken is, zooals wij zullen zien, zeer groot. Men heeft ontdekt, dat er op bepaalde steenen in den grafheuvel van Locmariaker, in Bretagne16 een aantal figuren voorkomen, die daarmede veel overeenkomst hebben, waarvan één den cirkel doet zien op een overeenkomstige plaats als te New Grange. De bijl, een Egyptische hiëroglyph voor de godheid en een zeer bekend magisch zinnebeeld, is eveneens op dien steen voorgesteld. Zoo vindt men ook in een brochure van Dr. Oscar Montelius over het beelhouwwerk op de rotsen van Zweden17, een reproductie (die ook voorkomt in “Het Viking-Tijdperk” van DuChaillu) van een ruwe teekening op een rots, die ons een aantal schepen doet zien, met mannen aan boord, en met den cirkel, waarin twee loodrecht op elkander geplaatste middellijnen als kruis geteekend zijn—onmiskenbaar een zonnezinnebeeld—vlak boven hen. Dat die schepen (die, evenals het Iersche voorbeeld, dikwijls zóó ruw en oppervlakkig zijn voorgesteld dat het niets anders dan symbolen zijn, die niemand als schepen zou herkennen, als de sleutel niet gegeven was door andere, meer uitgewerkte teekeningen) zoo dikwijls in verband met de zonneschijf geteekend zijn, louter als tijdverdrijf of met een zuiver decoratief doel, schijnt ons hoogst onwaarschijnlijk toe. In de dagen der megalithische bevolking zou een grafmonument, het brandpunt van godsdienstige denkbeelden, waarschijnlijk niet bedekt zijn met nuttelooze en nietsbeteekenende krabbels. “De mensch heeft,” zooals Sir J. Simpson terecht heeft gezegd, “altijd heilige dingen en dingen die met graven in betrekking staan, met elkander verbonden.” En die krabbels vertoonen, in het meerendeel der gevallen, geen zweem van een decoratieve bedoeling. Maar als zij een symbolische bedoeling hadden, waarvan waren zij dan een symbool?


Zonneschip van Halland, Zweden.

(Naar Montelius).


Schip (met Zeil?) van Ryxö.

(Naar Du Chaillu).


Teekening van een Schip (met zonnezinnebeeld?) van Scania, Zweden.

(Naar Du Chaillu).

Wij zijn hier naar onze meening tot een hoogere orde van denkbeelden dan die van toovenarij gekomen. De opvatting, die ik zou willen verdedigen, lijkt misschien nog al vermetel; toch is zij, zooals wij zullen zien, volkomen in de lijn der resultaten voor bepaalde andere onderzoekingen omtrent den oorsprong en het karakter der megalithische beschaving. Als die opvatting algemeen wordt gehuldigd, zal zij ongetwijfeld veel grooter vastheid geven aan onze denkbeelden omtrent de betrekkingen van de megalithische Bevolking met Noord-Afrika, en omtrent den waren oorsprong van het Druïdisme en de leerstellingen, met dat stelsel verbonden. Wij meenen, dat wel als vaststaande mag worden aangenomen, dat de zooveel voorkomende verbinding van het schip met de zonneschijf bij afbeeldingen op rotsen in Zweden, Ierland en Bretagne, niet volkomen toevallig kan zijn. Niemand, bij voorbeeld, die zijn aandacht vestigt op het voorbeeld uit Halland, hierboven weergegeven, kan er aan twijfelen, dat de beide voorwerpen met een bepaalde bedoeling op één schets zijn verbonden.


Egyptische Zonnebark XXIIe Dynastie.

(Britsch Museum).

Het schipsymbool in Egypte.

Inhoudsopgave

Dit symbool van het schip, met of zonder de teekening van het zonnezinnebeeld, is van zeer ouden datum en komt veelvuldig voor bij de kunst in Egypte, die in verband staat met alles wat het begraven betreft. Het staat in verband met den dienst van Rā, die 4000 jaar vóór Christus werd ingevoerd. Zijn beteekenis als een Egyptisch symbool is welbekend. Het schip werd de Boot der Zon genoemd. Het was het schip, waarin de Zonnegod zijn tochten deed; inzonderheid dien tocht, dien hij in den nacht ondernam naar de kusten der Andere Wereld, waarbij hij in zijn schuit de zielen der gelukzalige dooden overvoerde. De zonnegod Rā wordt somtijds voorgesteld door een schijf, somtijds ook door andere zinnebeelden, die zweefden boven het schip, of daarin bevat waren. Ieder die in de gelegenheid is, een blik te slaan op de beschilderde of gebeeldhouwde sarcophagen in het Britsch Museum, zal een massa voorbeelden vinden. Somtijds zal hij voorstellingen vinden van de levenwekkende stralen, die Rā op de boot en hare bemanning neerzendt. Nu ziet men bij één der figuren van schepen op Zweedsche rotsen te Backa, Bohuslän, zooals die ons worden gegeven door Montelius, een schip vol met figuren onder een schijf met drie neerdalende stralen, en tevens een tweede schip met een zon met twee stralen daarboven. Wij voegen hieraan toe, dat in den tumulus van Dowth, in de onmiddellijke nabijheid van dien van New Grange, en die volkomen hetzelfde karakter heeft en uit dezelfde periode afkomstig is, figuren met stralen en in vier sectoren verdeelde cirkels, blijkbaar zinnebeelden der zon, in grooten getale voorkomen zooals eveneens het geval is te Loughcrew en andere plaatsen in Ierland, en dat men te Dowth eveneens nog een andere teekening van een schip heeft herkend.


Egyptische Zonneboot, met den god Khnemu en ondergeschikte godheden.

Britsch Museum.


Egyptische schuit, met de figuur van Rā, die een Ankh vasthoudt, bevat in de Zonneschijf. XIXe Dynastie.

(Britsch Museum).

In Egypte wordt de zonneboot somtijds voorgesteld met niets anders dan het zinnebeeld der zon, somtijds bevat hij de voorstelling van een god met ondergeschikte godheden, somtijds bevat hij een aantal passagiers, die menschenzielen vertegenwoordigen, en somtijds ook één enkel lijk op een lijkbaar. Het megalithische snijwerk bevat eveneens somtijds het zinnebeeld der zon, andere keeren niet; de booten zijn somtijds met figuren gevuld, andere keeren zijn zij leeg. Als een symbool eenmaal is aangenomen en begrepen, is iedere overeengekomen of oppervlakkige voorstelling daarvan voldoende. Wij meenen, dat de volledige vorm van het megalithische symbool, die van een boot is met menschelijke figuren daarin en het zinnebeeld der zon er boven. Die figuren moeten, indien wij uitgaan van de onderstelling, dat de zooeven gegeven verklaring der teekening juist is, blijkbaar worden opgevat als voorstellingen der dooden op weg naar de andere wereld. Het kunnen geen godheden zijn, immers voorstellingen der goddelijke machten onder menschelijke gedaante waren bij het megalithische volk volkomen onbekend, zelfs na de komst der Kelten—zij komen het eerst voor in Gallië onder Romeinschen invloed. Maar als die figuren de dooden voorstellen, dan hebben wij duidelijk den oorsprong der zoogenaamde “Keltische” leer der onsterfelijkheid vóór ons. Zij worden zelfs daar gevonden, waar nooit Kelten waren binnengedrongen. Toch wijzen zij op het bestaan van die zelfde leer der andere wereld, die, van den tijd van Caesar af, steeds verbonden was met het Keltische Druïdisme, en die leer was typisch Egyptisch.

De “Navetas”.

Inhoudsopgave

In verband met dit onderwerp wenschen wij de aandacht te vestigen op de theorie van Borlase, dat de typische bedoeling van een Ierschen dolmen was, een schip voor te stellen. In Minorca zijn er daarmede overeenkomende bouwwerken, die daar door het volk navetas (schepen) genoemd worden, zóó duidelijk is de overeenkomst. “Maar”, voegt hij er aan toe, “reeds lang voordat de holen en navetas van Minorca mij bekend waren, had ik de meening gevormd, dat datgene waarvan ik zoo dikwijls gesproken heb, als van den ‘wigvorm’, die zoo algemeen wordt waargenomen in de plattegronden van dolmens, zijn oorsprong ontleende aan een oorspronkelijke voorstelling van een schip. Wij weten, dat werkelijke vaartuigen bij verschillende gelegenheden zijn opgegraven uit graftumuli in Scandinavië. In begraafplaatsen uit het IJzeren Tijdperk, zoowel in Scandinavië als aan de meer zuidelijk gelegen kusten der Oostzee, was het schip de erkende vorm van een begraafplaats”18. Indien de opvatting van Borlase juist is, hebben wij daarin een zeer krachtige bevestiging der symbolische bedoeling, die wij toeschrijven aan de voorstellingen der zon op de teekeningen van een schip der megalithische bevolking.

Het schipsymbool in Babylonië.

Inhoudsopgave

Het schipsymbool kan teruggebracht worden tot omstreeks het jaar 4000 v.C. in Babylonië, waar iedere godheid haar eigen schip had (dat van den god Sin werd het Schip van het Licht genoemd), terwijl haar beeld in optocht werd gedragen op een draagbaar, die den vorm had van een schip. Jastrow19 meent, dat dit zijn oorsprong ontleent aan een tijd, toen de heilige steden van Babylonië aan de Perzische Golf gelegen waren, en toen godsdienstige processies dikwijls op het water werden gehouden.

Het symbool der voeten.

Inhoudsopgave


Het symbool der twee voeten.

Toch is er reden te meenen, dat enkele van die symbolen ouder waren dan eenige bekende mythologie, en als het ware tot een mythologischen grondslag waren gebracht, die verschillend was bij verschillende volken, welke zich uit een thans onbekende bron daarvan meester maakten. Een merkwaardig voorbeeld is dat van het symbool der Twee Voeten. In Egypte vormden de Voeten van Osiris één der deelen, waarin zijn lichaam in de bekende mythe werd gesneden. Zij waren een symbool van inbezitneming of van bezoek. “Ik ben op aarde gekomen”, zegt het “Boek der Dooden” (Hoofdstuk XVII), “en heb met mijn twee voeten bezit genomen. Ik ben Tmu”. Dit symbool nu van de voeten of van de afdrukken der voeten is wijd verspreid. Het wordt gevonden in Indië, als de afdruk van den voet van Buddha20, het wordt gebeeldhouwd op dolmens in Bretagne21 gevonden, en het komt voor op snijwerk in rotsen in Scandinavië.22 In Ierland wordt het opgevat als de voetafdrukken van St. Patrick of St. Columba. En het vreemdst van alles is dit, dat het onmiskenbaar in Mexico wordt gevonden23. Tyler verwijst in zijn “Primitieve Beschaving” (II blz. 197) naar de plechtigheid der Azteken op den Tweeden Feestdag van den Zonnegod, Tezcatlipoca, wanneer zij maïs strooiden vóór zijn heiligdom, en zijn hoogepriester bleef toezien, totdat hij de goddelijke voetstappen zag, en dan luide verkondigde, “Onze Groote God is gekomen.”

De Ankh op megalithisch beeldhouwwerk.

Inhoudsopgave


De Ankh.

Er zijn zeer krachtige bewijzen voor, dat er een betrekking bestaat tusschen de megalitische bevolking en Noord-Afrika. Zoo blijkt het, gelijk Sergi duidelijk maakt, dat een aantal teekens (waarschijnlijk cijfers) gevonden op ivoren platen op het kerkhof te Naqada, en die door Flinders Petrie ontdekt zijn, op Europeesche dolmens gevonden worden. Verscheidene latere Egyptische hiëroglyphenteekens, met inbegrip van den beroemden Ankh of crux ansata, het symbool der levenskracht of der opstanding worden eveneens op megalithisch beeldhouwwerk gevonden24. Uit die overeenstemming trok Letourneau de gevolgtrekking “dat de bouwers van onze megalithische monumenten uit het zuiden afkomstig waren en verwant waren met de rassen van Noord-Afrika.”25

Bewijzen uit de taal.

Inhoudsopgave

Rhys en Brynmor Jones, die de zaak van het linguistische standpunt hebben beschouwd, komen tot de gevolgtrekking, dat de Afrikaansche oorsprong—ten minste bij benadering—van de oorspronkelijke bevolking van Groot Brittannië en Ierland zeer waarschijnlijk is. Zij toonen aan, dat de Keltische talen in haar woordvoeging het Hamitische en voornamelijk het Egyptische type behouden hebben.26

Egyptische en “Keltische” denkbeelden omtrent onsterfelijkheid.

Inhoudsopgave

De tot nu toe vaststaande feiten geven ons, naar onze meening, geen recht een theorie te ontwerpen over de werkelijke historische betrekking der dolmenbouwers van westelijk Europa tot het volk, dat den prachtigen godsdienst en de hooge beschaving van het oude Egypte schiep. Maar indien wij alle bewijzen beschouwen, die in die richting samenkomen, dan schijnt het duidelijk, dat er een zoodanige betrekking was. Egypte was het classieke land van godsdienstig symbolisme. Het heeft aan Europa het schoonste en meest populaire van al zijn godsdienstige symbolen geschonken, dat der goddelijke moeder en haar kind.27 Wij gelooven, dat het eveneens aan de primitieve bewoners van west-Europa het diepzinnige symbool gaf van de reizende geesten, die naar de wereld van den dood geleid worden door den God van het Licht.

De godsdienst van Egypte, en daarin stond die boven dien van eenig volk, welks denkbeelden zich, zooals ons bekend is, in zoo oude tijden hebben ontwikkeld, concentreerde zich op de leer van een toekomstig leven. De prachtige en verbazende graftomben, de uitgewerkte ceremonies, de indrukwekkende mythologie, de ontzaglijke verheffing van de priesterkaste, al die kenmerken der Egyptische beschaving, stonden in het nauwste verband met hun leer van de onsterfelijkheid der ziel. Voor den Egyptenaar was de van het lichaam bevrijde ziel geen schaduwbeeld, zooals de classieke volken meenden; het toekomstige leven was niets anders dan een verlenging van het tegenwoordige; de rechtvaardige mensch bevond zich, als hij zijn plaats daar ingenomen had, onder zijn bloedverwanten, zijn vrienden, zijn ondergeschikten, met het werk en de genietingen, die veel overeenkomst hadden met die op aarde. Het lot van den booze was vernietiging; hij werd het slachtoffer van het onzichtbare monster, dat de Verslinder der Dooden genoemd werd.

Toen nu de classieke volken voor het eerst belang begonnen te stellen in de denkbeelden der Kelten, was de eerste zaak, die den grootsten indruk op hen maakte, het Keltische geloof in de onsterfelijkheid, dat naar de Galliërs zeiden, “door de Druïden was ingevoerd en verspreid.” De classieke volken geloofden in de onsterfelijkheid; maar welk een beeld geeft Homerus, de bijbel der Grieken, van de verloren, verlaagde, van hun menschelijke eigenschappen beroofde schepselen, die de gescheiden zielen der menschen voorstelden! Nemen wij bij voorbeeld, de beschrijving van de zielen der vrijers, die door Odysseus gedood zijn, op het oogenblik dat Hermes ze naar de onderwereld leidt28.

“Hermes de God, in Kyllene geboren, riep op nu de zielen

Van d’in ’t gevecht gesneuvelde vrijers; en in de handen

Droeg bij den gouden, den prachtigen staf, waarmee hij betoovert

D’oogen van hen die hij wil, en andren die slapen, weer opwekt.

Fladdrend volgden die zielen, geraakt door zijn staf, Hermes leiding,

Evenals vleermuizen snorren, al fladdrend in ’t diepste der holen,

Doch wanneer één van hen neervalt, de andren vereenigd zich houden.

Zoo gingen snorrend de zielen te zamen en Hermes de redder

Leidde hen voort langs de donkere paden, den weg naar den Hades.”

De classieke schrijvers gevoelden terecht, dat de Keltische opvatting omtrent de onsterfelijkheid iets geheel anders was dan dit begrip. Zij was zoowel meer verheven als meer realistisch; zij hield in, dat de mensch na zijn dood in werkelijkheid, in al zijn menschelijke betrekkingen blijft voortbestaan, zooals hij bij zijn leven was. Met verbazing zagen zij, dat de Kelt geld wilde leenen op een schuldbekentenis, die in het leven hiernamaals zou worden afgelost29. Dit is een volkomen Egyptische opvatting. En ditzelfde trok de bijzondere aandacht van Diodorus, toen hij schreef over de Keltische opvatting omtrent de onsterfelijkheid—het kwam met niets overeen, wat hij buiten Egypte hieromtrent had opgemerkt30.

De leer der zielsverhuizing.

Inhoudsopgave

Een aantal oude schrijvers beweren, dat de Keltische opvatting omtrent de onsterfelijkheid de oostersche denkbeelden omtrent de zielsverhuizing belichaamde, en om daarvan een verklaring te geven werd de hypothese uitgedacht, dat zij die leerstelling aan Pythagoras ontleend hadden, die er in de classieke oudheid de vertegenwoordiger van was. Zoo zegt Caesar: “Het voornaamste punt van hun (de Druïden) leer is, dat de ziel niet te gronde gaat, maar dat deze van het ééne lichaam in het andere overgaat.” En Diodorus zegt: “Onder hen is de leer van Pythagoras in zwang, volgens welke de zielen der menschen onsterfelijk zijn en na een bepaalden tijd weer beginnen te leven, na een nieuw lichaam te hebben aangenomen.” Zeker is het nu, dat sporen van die leer in de Iersche legenden voor den dag komen. Zoo wordt verhaald, dat het Iersche opperhoofd, Morgan, die een historische persoon is, en wiens dood gesteld wordt op het jaar 625 n.C., een weddenschap had aangegaan omtrent de plaats, waar een zekere koning, Fothad, was gesneuveld in een slag tegen den mythischen held Finn mac Cumhal, in de derde eeuw. Hij tracht de juistheid van zijn bewering te bewijzen door uit de andere wereld den geest op te roepen van Keelta, die de persoon geweest was, die Fothad had verslagen, en die nauwkeurig beschrijft, waar het graf kan worden gevonden, en wat in dat graf aanwezig was. Hij begint zijn verhaal met aan Morgan te te zeggen “Wij waren bij u”, en daarna zich tot de aanwezigen wendend, gaat hij verder: “Wij waren bij Finn, toen wij van Alba kwamen...” “Stil” zegt Morgan, “het is verkeerd van u, een geheim bekend te maken.” Het geheim is, natuurlijk, dat Morgan een reïncarnatie van Finn was.31 Maar het blijkt toch, dat de Kelten die leer volstrekt niet op dezelfde wijze opvatten als dit bij Pythagoras en de oostersche volken het geval was. De zielsverhuizing was bij hen niet een noodzakelijk iets. Het kon gebeuren, maar in het algemeen gebeurde het niet; het nieuwe lichaam, door de dooden aangenomen, bekleedde hen in een andere wereld en niet in deze, en voor zoover wij uit oude mededeelingen kunnen vernemen, schijnt er geen spoor van een gedachte aan zedelijke vergelding aan dien vorm van een toekomstig leven verbonden te zijn geweest. Het was niet zoozeer een geloofsartikel als een denkbeeld, dat op de verbeelding werkte, en dat, zooals reeds Morgan zeide, niet in het volle licht mocht worden gebracht.


Menschenoffers in Gallië

Hoe dit ook moge worden opgevat, zeker is het, dat het geloof in de onsterfelijkheid de basis was van het Keltische Druïdisme.32 Caesar bevestigt dit uitdrukkelijk, en zegt, dat dit leerstuk door de Druïden is aangekweekt, meer om hun moed op te wekken dan om zuiver politieke redenen. Een krachtig en innig geloof in een andere wereld, zooals dit bij de Kelten gevonden werd, is zeker één der krachtigste middelen in de handen van een priesterkaste, die de sleutels van die wereld in handen heeft. En nu is het een feit, dat het Druïdisme bestond op de Britsche eilanden, in Gallië, en feitelijk, voor zoover wij weten, overal waar een Keltisch ras gevonden werd onder een bevolking van dolmenbouwers. Er waren Kelten in het Cisalpijnsche Gallië, maar daar waren geen dolmens en evenmin Druïden33. Wat absoluut vaststaat is, dat toen de Kelten, in westelijk Europa kwamen, zij daar een volk vonden met een krachtige priesterkaste, godsdienstige ceremoniën, en indrukwekkende godsdienstige monumenten; een volk gedrenkt in magie en mysticisme en den dienst der onderwereld. Als wij de feiten met juistheid inzien, dan schijnt de gevolgtrekking deze te zijn, dat het Druïdisme in zijn voornaamste trekken op de gevoelige en aan verbeeldingskracht zoo rijke natuur der Kelten is opgelegd—de Kelten met hun “buitengewone geschiktheid” denkbeelden op te nemen—door de oudere bevolking van westelijk Europa, de megalithische bevolking, terwijl zij in dit opzicht in een zekere door ons niet in bijzonderheden te volgen betrekking stonden tot de godsdienstige beschaving van het oude Egypte. Over dit vraagstuk hangt nog veel duisters, en dit zal misschien wel altijd het geval blijven, maar als er in die opvatting iets waars is, is de megalithische bevolking eenige stappen verder gekomen uit de atmosfeer van geheimzinnigheid, die haar heeft omringd, en blijkt het, dat zij een zeer belangrijke rol heeft gespeeld in de godsdienstige ontwikkeling van westelijk Europa, en in het geschikt maken van dat deel der wereld voor de snelle uitbreiding van het bijzondere type van Christendom, dat daarin plaats had. Bertrand wijst er in zijn zoo belangrijk hoofdstuk “L’Irlande Celtique”34 op, dat wij zeer snel nadat Ierland tot het Christendom was bekeerd, het geheele land overdekt zien met kloosters, die zóó volkomen georganiseerd waren, dat alles er op schijnt te wijzen, dat het werkelijk Druïdische colleges waren, die en masse van bestemming waren veranderd. Caesar deelt ons mede, wat in Gallië de aard en de inrichting van die colleges was. Zij waren zeer talrijk. In weerwil van de ernstige studie en de strenge tucht, die daar werd geëischt, stroomden er een aantal mannen heen, ter wille van de macht, die door de Druïden werd uitgeoefend, en de burgerlijke vrijheden en voorrechten, die hun leden van alle graden daar genoten. Kunsten en wetenschappen werden daar beoefend, en duizenden versregels, waarin de leerstellingen van het Druïdisme waren neergelegd, werden daar uit het hoofd geleerd. Dit heeft veel overeenkomst met wat wij van het Druïdisme in Ierland weten. Een dergelijke organisatie zou met heel weinig moeite kunnen overgaan in het Christendom van het type, zooals het in Ierland was gevestigd. Het geloof in magische gebruiken zou blijven overleven—het oude Iersche Christendom was, zooals de talrijke heilige geschriften duidelijk aantoonen, even diep gedrenkt in magische denkbeelden als ooit met het Druïdische heidendom het geval was geweest. Het geloof in de onsterfelijkheid zou evenals te voren blijven bestaan als het voornaamste godsdienstige leerstuk. En bovenal zou de heerschappij der priesterkaste over de wereldlijke macht ongeschonden bewaard blijven, nog altijd zou waar zijn wat Dion Chrysostomus van de Druïden heeft gezegd, dat zij het zijn, die bevelen, en dat koningen op gouden tronen, die in schitterende paleizen wonen, niets anders zijn dan hun zaakgelastigden en de dienaren van hun gedachten35.

Caesar over de beschaving der Druïden.

Inhoudsopgave

De godsdienstige, wijsgeerige en wetenschappelijke beschaving, waarover de Druïden het toezicht hielden, wordt door Caesar met den grootsten eerbied besproken. “Zij bespreken en behandelen met de jeugd,” zoo schrijft hij, “een aantal dingen over de sterren en haar bewegingen, over de uitgebreidheid van het heelal en van onze aarde, over den aard der dingen, over de macht en de majesteit der onsterfelijke goden” (VI, 14). Wij zouden er heel wat voor over hebben, als wij eenige bijzonderheden konden vernemen over het onderwijs, dat hier wordt beschreven. Maar hoewel de Druïden goed op de hoogte waren van de schrijfkunst, verboden zij toch uitdrukkelijk hun leerstellingen op schrift te brengen; een bijzonder verstandige maatregel, want niet alleen omringden zij hun onderwijs met die atmosfeer van geheimzinnigheid, die een zoo machtige bekoring uitoefent over den menschelijken geest, maar zij verzekerden er zich van, dat zij nooit krachtig kon worden betwist.

Menschenoffers in Gallië.

Inhoudsopgave

In eigenaardige tegenspraak echter met de verheven woorden van Caesar staat het afschuwelijke gebruik van het brengen van menschenoffers, waarvan hij opmerkte, dat het algemeen onder de Kelten voorkwam. Gevangenen en misdadigers, of, als deze ontbraken, zelfs onschuldige slachtoffers, waarschijnlijk kinderen, werden in hoopjes bij elkander opgestapeld in groote gevlochten manden, en daarin levend verbrand om de gunst der goden te winnen. De gewoonte, menschenoffers te brengen, is natuurlijk niet uitsluitend een Druïdisch gebruik—het wordt in alle deelen der Oude en der Nieuwe wereld gevonden op een zeker peil van beschaving, en was ongetwijfeld een overblijfsel uit den tijd der megalithische bevolking. Het feit, dat het in Keltische landen moet hebben voortgeleefd nadat een overigens tamelijk hooge staat van beschaving en godsdienstige cultuur was bereikt, kan vergeleken worden met een dergelijk verschijnsel in Mexico en in Carthago, en moet in al die gevallen ongetwijfeld worden toegeschreven aan de onbeperkte overheersching eener priesterkaste.

Menschenoffers in Ierland.

Inhoudsopgave

Bertrand tracht aan te toonen dat de Druïden buiten die practijken stonden, waarvan hij, wat onbegrijpelijk moet geacht worden, zegt “dat er geen spoor” van in Ierland te ontdekken valt, hoewel daar het Druïdisme, zooals in andere streken van het Keltische gebied, oppermachtig was. Er is echter weinig twijfel aan, dat ook in Ierland menschenoffers in zwang waren. In een zeer oude verhandeling, den “Dinnsenchus”, die in het “Boek van Leinster” is bewaard gebleven, vindt men, dat in de Moyslaught “de vlakte der aanbidding” een groot gouden afgodsbeeld stond, Crom Cruach, (de bloedige Halve Maan). Aan dat beeld plachten de Galliërs kinderen te offeren, als zij om schoon weder en vruchtbaarheid baden—“zij vroegen dat beeld om melk en koren in ruil voor hun kinderen—hoe groot was hun ontzetting en hoe luid hun weeklagen!”36


“Zij vroegen melk en koren in ruil voor hun Kinderen”

En in Egypte.

Inhoudsopgave

In Egypte, waar het nationale karakter zeer optimistisch en gemakzuchtig was, tuk op pretjes en weinig vatbaar voor fanatieke opwinding, vinden wij geen berichten omtrent dergelijke plechtigheden op de inscripties en schilderingen op de monumenten, hoewel deze ons anders talrijke mededeelingen doen omtrent alle mogelijke verschijnselen van het nationale leven en den godsdienst37. Manetho immers, de Egyptische geschiedschrijver, die geschreven heeft in de derde eeuw v.C., deelt ons mede, dat menschenoffers waren afgeschaft door AmasisI, in het begin der XVIIIde Dynastie—omstreeks 1600 v.C. Maar het volkomen stilzwijgen hierover der andere historische verhalen bewijst ons, dat, zelfs als wij Manetho mogen gelooven, het gebruik in historische tijden uiterst zeldzaam moet geweest zijn, en dat men er met tegenzin aan herinnerd werd.

De namen van Keltische godheden.

Inhoudsopgave

Wat waren de namen en de attributen van de Keltische godheden? Hieromtrent verkeeren wij bijna geheel in het duister. De megalithische bevolking stelde zich hare godheden niet voor onder een concreten persoonlijken vorm. Steenen, rivieren, putten, boomen, en andere natuurlijke voorwerpen waren voor hen de passende symbolen, of waren half symbolen, half verpersoonlijkingen der bovennatuurlijke krachten, die zij aanbaden. Maar de verbeeldingrijke geest der Arische Kelten was daarmede niet tevreden. Caesar verhaalt ons van het bestaan van persoonlijke goden met verschillende titels en attributen; hij vergelijkt ze met verschillende gestalten uit het Romeinsche Pantheon—Mercurius, Apollo, Mars en anderen. Lucanus maakt van een drietal godheden melding, Aesus, Teutates en Taranus;38 en het is de vermelding waard, dat wij bij die namen tegenover een echte Keltische, dat is Arische overlevering staan. Zoo wordt Aesus door Belloguet afgeleid van den Arischen wortel as, die “zijn” beteekent, en die de Perzen den naam Asura-masda (l’Esprit Sage), de Umbriërs den naam Aesun, de Scandinaviërs den naam Asa (Goddelijk Wezen) leverde. Teutates is afgeleid van een Keltischen wortel, die “dapper”, “oorlogszuchtig” beteekent, en drukt een godheid uit, die met Mars overeenkomt. Taranus (Thor?) is volgens de Jubainville de god van den Bliksem (in het Galisch, Cornisch, en Bretonsch is taran het woord voor “bliksemflits”). Opschriften met geloften aan die goden zijn in Gallië en Brittannië gevonden. Andere opschriften en beeldhouwwerken leggen er getuigenis van af, dat er in Gallië een groot aantal godheden van minderen rang en ook plaatselijke godheden zijn, die meestal voor ons niet meer dan een naam zijn, en zelfs nog niet eens dat. In den vorm, waarin wij die hebben, dragen die begrippen de duidelijke sporen van Romeinschen invloed. De beeldhouwwerken zijn ruwe nabootsingen van den Romeinschen stijl der godsdienstige kunst. Maar wij vinden daaronder ook figuren van een veel woester en vreemder uiterlijk—goden met driedubbele gezichten, goden met vertakte geweien op hun voorhoofd, slangen met ramskoppen en andere symbolen van den ouderen godsdienst, die nu niet meer te begrijpen zijn. Zeer opmerkelijk is het herhaaldelijk voorkomen van de houding van “Buddha” met gekruiste beenen, die zoo veel voorkomt in de godsdienstige kunst van het oosten en van Mexico, en daarbij de neiging, die in Egypte zoo goed bekend is, om de goden in drietallen te groepeeren.

Caesar over de Keltische godheden.

Inhoudsopgave

Caesar, die den Gallischen godsdienst tracht in te passen in de lijst der Romeinsche mythologie—wat volkomen hetzelfde was wat de Galliërs zelf na de verovering deden—verhaalt, dat zij Mercurius als den oppersten der goden beschouwden, en in hem den uitvinder zagen van alle kunsten, den god van den handel, en den beschermer der wegen en den gids der reizigers. Men mag vermoeden, dat hij zoowel voor de Galliërs als voor de Romeinen in het bijzonder de gids was der dooden, der reizigers naar de andere wereld. Een aantal bronzen standbeelden van Mercurius, van Gallischen oorsprong, zijn nog steeds in wezen; de Galliërs hebben dien naam overgenomen, zooals blijkt uit een aantal plaatsnamen, aan hem ontleend39. Apollo werd beschouwd als de godheid der geneesmiddelen en der geneeskunde, Minerva was de leermeesteres van kunsten en ambachten, Jupiter heerschte over de lucht en Mars had het bestuur van den oorlog. Caesar rangschikt hier ongetwijfeld onder vijf typen en onder Romeinsche namen een groot aantal Gallische godheden.

De god der benedenwereld.

Inhoudsopgave

Volgens Caesar was (naar de Romeinsche benaming) een zeer op den voorgrond tredende godheid der Galliërs Dis of Pluto, de god der benedenwereld, die door de dooden werd bewoond. Alle Galliërs maken er aanspraak op, dat zij van hem zijn afgestamd, en op dien grond begonnen zij, zooals Caesar verhaalt, de vier en twintig uur van den dag te rekenen van het aanbreken van den avond af40. De naam van die godheid is niet bekend. d’Arbois de Jubainville is van meening, dat hij te zamen Æsus, Teutates, Taranus, en in de Iersche mythologie, Balor en de Fomoriërs, de machten van de duisternis, den dood en het kwaad voorstelt, en de Keltische mythologie wordt dus verklaard als een gewijzigde vorm der overal voorkomende zonnemythe, die de opvatting belichaamt van den eeuwigen strijd tusschen dag en nacht.

De God van het licht.

Inhoudsopgave

De god van het Licht komt in Gallië en in Ierland voor als Lugh, of Lugus, die zijn sporen heeft achtergelaten in een aantal plaatsnamen, zooals Lug-dunum (Leiden), Lyon, enz. Lugh komt in de Iersche legenden voor met duidelijk te onderscheiden zonneattributen. Als hij zijn leger aantreft vóór den grooten strijd tegen de Fomoriërs, krijgen zij, zoo zegt de sage, een gevoel, alsof zij het opkomen van de zon waarnemen. Maar toch is hij eveneens, zooals wij zullen zien, een god der onderwereld, die van moederszijde (Ethlinn, de dochter van Balor) tot de machten der Duisternis behoort.

De Keltische opvatting van den dood.

Inhoudsopgave

Het is een feit, dat de Keltische opvatting omtrent het rijk van den dood in ieder opzicht afweek van die der Grieken en Romeinen, en, zooals wij reeds bespraken, overeenkomst had met die van den Egyptischen godsdienst. De andere wereld was geen plaats van somberheid en van lijden, maar van licht en van bevrijding. De Zon was evenzeer de godheid van die wereld als van deze. Er waren daar ongetwijfeld ellende, pijn en somberheid, en ook is het zeker, dat die beginselen door de Iersche Kelten belichaamd waren in hun mythen van Balor en de Fomoriërs, waarover wij zoo aanstonds zullen hooren; maar dat zij in het bijzonder verbonden waren met het denkbeeld van den dood, is naar mijn meening, een onjuiste onderstelling die berust op misleidende vergelijkingen met de denkbeelden der classieke volken. In dit opzicht hebben de Kelten eer Noord-Afrikaansche of ook Aziatische opvattingen gevolgd, dan die van de Ariërs uit Europa. Alleen als wij er ons voldoende rekenschap van geven, dat de Kelten, zooals wij die in de geschiedenis kennen, van het instorten der Middel-Europeesche Keltische opperheerschappij af een merkwaardige vermenging vertoonden van Arische met niet-Arische karaktertrekken, zullen wij tot een juist begrip komen van wat zij tot de geschiedenis van Europa hebben bijgedragen en van den invloed, dien zij op de Europeesche cultuur hebben uitgeoefend.

De vijf factoren bij de oude Keltische beschaving.

Inhoudsopgave

Resumeeren wij nu de gevolgtrekkingen, waarop wij gewezen hebben, dan kunnen wij, naar wij meenen, vijf verschillende factoren onderscheiden, die ingewerkt hebben op de godsdienstige cultuur der Keltische landen, zooals wij die waarnemen vóór de inwerking van den invloed der classieke volken en van het Christendom. In de eerste plaats hebben wij een aantal populaire vormen van bijgeloof en magische gebruiken voor ons, met inbegrip van menschenoffers. Deze waren meer of minder gewijzigd naar gelang van de plaats, daar zij nauw in verband stonden met locale trekken en eigenschappen, die beschouwd werden als de belichaming of de dragers van goddelijke of duivelsche macht. Ten tweede bestond er zeker een wel doordachte en wijsgeerige geloofsleer, die tot middelpunt van aanbidding de Zon had, als het zinnebeeld der goddelijke macht en bestendigheid, en tot middelpunt van leerstelling de onsterfelijkheid der ziel. Ten derde had men de vereering van gepersonifieerde godheden, Æsus, Teutates, Lugh en anderen, die men zich dacht als vertegenwoordigers van natuurkrachten of als bewakers der maatschappelijke wetten. Ten vierde stonden de Romeinen zeer onder den indruk van het feit, dat er onder de Druïden een geheel van leerstellingen van schijnbaar wetenschappelijken aard bestond over natuurverschijnselen en den bouw van het heelal, van welke leerstellingen wij in bijzonderheden feitelijk ongelukkiger wijze niets weten. En ten slotte hebben wij onze aandacht te vestigen op de ontzaglijke beteekenis van een priesterorganisatie, die het geheele stelsel van godsdienstige en wereldlijke kennis en litteratuur in handen had41, die met zorg die wetenschap beperkte tot een bevoorrechte kaste, en die ten gevolge van zijn verstandelijk overwicht en van de atmosfeer van godsdienstig ontzag, waarmede zij was omgeven, de hoogste macht op maatschappelijk, staatkundig en godsdienstig gebied werd in ieder Keltisch land. Wij hebben van die elementen als van verschillende zaken gewag gemaakt, en wij kunnen ze dan ook inderdaad in gedachten van elkander onderscheiden, maar in de practijk waren zij op niet te ontwarren wijze samengeweven, en de organisatie der Druïden doortrok en regelde alles. Kunnen wij nu, zoo vragen wij, daaronder onderscheiden wat van Keltischen, en wat van prae-Keltischen en waarschijnlijk niet-Arischen oorsprong is? Dit is een lastiger taak; toch meenen wij, lettende op alle analogieën en waarschijnlijkheden, dat wij niet ver van de waarheid afzijn, indien wij aan de megalithische bevolking de eigenaardige leerstellingen, de godsdienstige gebruiken en de priesterorganisatie van het Druïdendom toeschrijven, en aan het Keltische element de gepersonifieerde godheden, met den dorst naar wetenschap en bespiegeling; terwijl het bijgeloof der groote menigte niets anders was dan de plaatselijke vorm, die aangenomen was als gevolg van opvattingen, die even ruim verspreid waren als het menschelijke ras.

De Kelten uit onzen tijd.

Inhoudsopgave

Met het oog op het onloochenbaar gemengde karakter der volken, die in onze dagen “Keltisch” genoemd worden, heeft men dikwijls beweerd, dat die uitdrukking niet in werkelijk verband staat met eenig ethnologisch feit. De Kelten, die met Caesar in Gallië en in Ierland met de Engelschen streden, bestaan, zoo zegt men, niet meer—zij zijn op duizenden slagvelden gesneuveld van Alesia tot aan de Boyne, en een oudere rassenlaag is in hun plaats naar de oppervlakte gekomen. Volgens die opvatting kunnen de echte Kelten alleen teruggevonden worden in de groote, rossige Hooglanders van Perthshire en het noordwesten van Schotland, en in enkele families van het vroeger heerschende ras, die nog in Ierland en in Wales zijn overgebleven. Naar onze meening moet worden toegegeven, dat in al die opvattingen heel wat waarheid steekt. Toch moet niet worden vergeten, dat de afstammelingen der megalithische bevolking in onzen tijd, wat hun physieke eigenschappen betreft, diep gedrenkt zijn met Keltisch bloed, en wat hun geestelijke eigenschappen betreft met Keltische overleveringen en idealen. En evenmin moet men, bij het bespreken van die vraagstukken omtrent den aard van het ras en den oorsprong daarvan, ooit beweren, dat het karakter van een volk kan worden ontleed, zooals men een scheikundige verbinding ontleedt, waarbij men eens vooral de samenstellende deelen vaststelt en hun toekomstig gedrag en lot bepaalt. Raseigenschappen, hoe machtig en bestendig die mogen zijn, zijn geen dood iets, in een ijzeren vorm gegoten, en daardoor ongeschikt voor verandering en groei. Zij zijn een deel van de levende krachten der wereld; zij zijn vervormbaar en levensvatbaar; zij hebben verborgen mogelijkheden met een rijkdom van oorzaken, zooals een gelukkige kruising met een afwijkenden, maar ook weer niet te zeer afwijkenden stam, of—om een ander gebied te betreden—zooals het aannemen van een nieuw godsdienstig of maatschappelijk ideaal die op ieder oogenblik kan openen en in werking kan brengen.

Van één zaak zijn wij persoonlijk overtuigd—en wel dat aan het vraagstuk van de ethische, maatschappelijke en geestelijke ontwikkeling van het volk, dat men den “Keltischen zoom” in Europa zou kunnen noemen moet gewerkt worden langs Keltische lijnen; door het in stand houden der Keltische overlevering, de Keltische litteratuur, de Keltische taal—in één woord, de aanmoediging van al die Keltische eigenaardigheden, waarvan dat gemengde ras nu de eenige bewuste erfgenaam en bewaker is. Daaraan zal het ras gehoor geven, daardoor zal het diep bewogen worden; en de oogst heeft nooit iemand in den steek gelaten, die met moed en geloovig vertrouwen den ploeg door dit rijke veld heeft getrokken. Aan den anderen kant moet dit werk, zal het met vrucht verricht worden, niet in een pedanten, kleingeestigen, onverdraagzamen geest geschieden; men moet zich niet angstvallig vastklampen aan de uitwendige vormen van het verledene, eenvoudig omdat de Keltische geest daarin eertijds uiting heeft gevonden. Laat men in het oog houden, dat in het begin der Middeleeuwen Kelten uit Ierland de meest bekende ontdekkingsreizigers waren, de meest bekende baanbrekers op het gebied van godsdienst, wetenschap en bespiegelende gedachten in Europa42. Moderne onderzoekers hebben hun lichtende voetsporen getrokken over de helft van het heidensche vasteland, en de Iersche scholen waren overstroomd met leerlingen, die nergens anders de gelegenheid hadden onderwezen te worden. Toen speelde de Keltische geest zijn ware rol in het werelddrama, en nooit heeft hij een grootere rol gespeeld. Wat die mannen ons hebben nagelaten, moet in eere gehouden worden, maar niet als een in een museum opgeborgen merkwaardigheid; niets zou meer in strijd zijn met hun vrijen, vermetelen, avontuurlijken geest dan het erfdeel te laten versteenen in de handen van hen, die aanspraak maken op de erfenis van hun naam en hun faam.

De mythische literatuur.

Inhoudsopgave

Na de schets, in dit en in het voorafgaande hoofdstuk gegeven van de oudste geschiedenis der Kelten en van de krachten, die haar hebben gevormd, zullen wij nu overgaan tot het bespreken van de mythen- en legendenlitteratuur, waarin hun geest zoo echt mogelijk leeft en schittert. Wij zullen hier alle litteratuur, die niet speciaal Keltisch is, buiten beschouwing laten. Wij hebben ons hier niet bezig te houden met al datgene, wat door andere volken is voortgebracht—zooals in de Arthurlegende—op het gebied van mythen en vertellingen. Niemand kan meer zeggen, hoeveel Keltisch daarin is, en hoeveel niet. En in dergelijke zaken is het meestal de definitieve inkleeding, die werkelijk van belang en van waarde is. Wat wij dus geven, wordt gegeven zonder toevoegingen of omwerkingen. Natuurlijk moeten verhalen dikwijls verkort worden, maar er zal niets in zijn, dat niet onmiddellijk uit den Keltischen geest is voortgekomen, en dat niet thans nog in de één of andere verscheidenheid der Keltische taal, zij het Galisch of Cymrisch, bestaat.

1 Van het Grieksche megas, groot, en lithos, steen.

2 Zie Borlase, “Dolmens van Ierland,” blz. 605, 606, waar dit onderwerp wordt besproken.

3 Professor Ridgeway (zie Verslagen der Brit. Assoc. van 1908) heeft beweerd, dat de megalithische bevolking een Arische taal sprak; anders zouden, zoo meende hij, meer sporen van haar invloed overgebleven zijn in het Keltisch, dat daarvoor in de plaats is gekomen. Zoowel het gezag der grootste geleerden als de directe bewijzen, die wij bezitten, schijnen tegen die opvatting te pleiten.

4 Zie Holder, “Altceltischer Sprachschatz” sub voce “Hyperboreoi.”

5 Men lette op het Grieksche woord pharmakon = geneesmiddel, vergif, toovermiddel; naar men mij mededeelt, is in Centraal Afrika het woord voor toovermiddel mankwala, wat ook geneesmiddel beteekent.

6 Indien Plinius bedoeld heeft, dat het daar het eerst werd vastgelegd en geregeld, kan hij wel gelijk hebben gehad, maar de opvattingen, waarop de toovenarij berusten, zijn in haar wezen over de geheele aarde verspreid en onheugelijk oud.

7 Ingevoerd in het jaar 451 v.C. Livius noemt ze “de bron van alle publieke en private recht.” Zij stonden op het forum tot aan de derde eeuw n.C., maar zij zijn nu verloren, behalve enkele fragmenten, die in verschillende commentaren zijn bewaard gebleven.

8 Zie “Revue Archéologique”, Deel XII, 1865, “Fouilles de René Galles.”

9 Jadiet wordt niet in Europa, ten minste niet in den natuurstaat, gevonden; het dichtst bij vindt men het in China.

10 Kleine steenen, kristallen en edelgesteenten werden echter ook vereerd. De beroemde groote steen van Pergamos was het doel van een gezantschap uit Rome naar die stad gezonden ten tijde van den Tweeden Punischen oorlog, daar de Sibyllijnsche boeken de overwinning voorspelden aan de bezitters van dien steen. Hij werd onder groot vreugdebetoon in het jaar 205 naar Rome gebracht. Men zegt, dat hij ongeveer de grootte had van een mansvuist, en hij was waarschijnlijk een meteoorsteen. Men vergelijke hiermede de mythe bij Hesiodus, die verhaalt, hoe Kronos een steen verslond in de meening, dat deze zijn zoon Zeus was. Het was toen mogelijk, een steen voor een godheid aan te zien.

11 Zie “Archaïsch beeldhouwwerk”, 1867 van Sir J. Simpson.

12 Dit feit wordt vermeld in de “Annalen der Vier Meesters” onder het jaar 861 en in de “Annalen van Ulster”, onder het jaar 862.

13 Zie “Handelingen van de Koninklijke Iersche Academie,” Deel XXX, Afdeeling I, 1892, en “New Grange,” door G. Coffey, 1912.

14 Men moet echter in het oog houden, dat de versiering, zeker in sommige, en misschien in alle gevallen, was aangebracht voordat de steenen in den juisten stand waren geplaatst. Dit is eveneens het geval te Gavr’inis.

15 Hij heeft die opvatting gewijzigd in zijn laatste werk, “New Grange,” 1912.

16 “Verhandelingen der Koninklijke Iersche Academie,” Deel VIII, 1863, blz. 400 en G. Coffey, aangehaald werk blz. 30.

17 “Les Sculptures de Rochers de la Suède,” voorlezing gehouden op het Praehistorisch Congres, Stockholm, 1874; zie ook G. Coffey, aangehaald werk, blz. 60.

18 “Dolmens van Ierland”, blz. 701–704.

19 “De Godsdienst van Babylonië en Assyrië.”

20 Een goed voorbeeld uit Amaravati (naar Fergusson) vindt men bij Bertrand, “La Religion des Gaulois”, blz. 389.

21 Sergi “Het Ras aan de Middellandsche Zee,” blz. 313.

22 Te Lökeberget, Bohuslän; zie Montelius in zijn aangehaald werk.

23 Zie Lord Kingsborough “Oudheden van Mexico” op verschillende plaatsen, en het Humboldt-fragment van Mexicaansch schilderwerk (weergegeven in Churchwards “Teekenen en Symbolen van den Oorspronkelijken Mensen”).

24 Zie Sergi, in zijn bovengenoemd werk, blz. 290, over den Ankh op een Franschen dolmen.

25 “Bulletin de la Société d’Anthropologie,” Paris, April 1893.

26 “De bevolking van Wales”, blz. 616–664, waar het onderwerp volledig besproken wordt in een aanhangsel door Professor J. Morris Jones. “De prae-Arische taaleigens, die nog bestaan in de talen van Wales en Ierland, waren afgeleid uit een taal, die nauw verwant was met talen van Egypte en van de Berbers.”

27 Flinders Petrie, “Egypte en Israël”, blz. 137, 899.

28 Homerus, Odyssee XXIV, 1–11.

29 Valerius Maximus (omstreeks 30 n.C.) en andere schrijvers maken melding van dit gebruik.

30 Boek V.

31 De Jubainville, “Iersche Mythologische Cyclus” blz. 191 env.

32 De etymologie van het woord Druïde is niet langer een onopgelost raadsel. Het vermoeden is uitgesproken, dat het laatste gedeelte van het woord in verband stond met den Arischen wortel VID, die ook voorkomt in “wijsheid”, in het Latijnsche videre, enz. Thurneysen heeft aangetoond, dat die wortel in verband met het versterkende woordje dru het woord dru-vids vormt, dat in het Gallisch wordt voorgesteld door draoi, een Druïde, evenals een ander versterkend woordje, su, met vids het Gallisch saoi, een wijze (sage) vormt.

33 Zie Rice Holmes “De Verovering van Caesar”, blz. 15 en blz. 532–536. Wij merken hier op, dat Rhys van meening is, dat het Druïdisme de godsdienst was van de oorspronkelijke bewoners van Westelijk Europa, van de Oostzee tot aan Gibraltar (“Keltisch Brittannië” blz. 73). Maar zekerheid hebben wij eerst, waar Kelten en dolmenbouwers vereenigd waren. Caesar merkt omtrent de Germanen op, dat zij geen Druïden hadden en weinig gewicht hechtten aan offerplechtigheden.

34 “La Religion des Gaulois,” leçon XX.

35 Ontleend aan Bertrand, aangehaald werk, blz. 279.

36 “De Iersche Mythologische Cyclus,” door d’Arbois de Jubainville, blz. 61. De genoemde “Dinnsenchus” is een oud Christelijk document. Geen spoor van een wezen als Crom Cruach is tot nu toe gevonden in de heidensche letterkunde van Ierland, noch in de geschriften van St. Patrick, en wij gelooven dan ook, dat zelfs in den tijd van St. Patrick menschenoffers nog alleen slechts in de herinnering bestonden.

37 Een voorstelling van een menschenoffer is echter voor eenige jaren ontdekt in een tempel der Zon in de Ethiopische hoofdstad, Meroë.

38 “Gij (Kelten), die door het vergieten van wreed bloed den onmeedoogenden Teutates, den afgrijselijken Æsus met zijn barbaarsche altaren en Taranus, wiens eeredienst niet zachtzinniger is dan die van de Scythische Diana, (aan wie krijgsgevangenen werden geofferd), meent te verzoenen.” (Lucanus, “Pharsalia” I, 444). Een altaar, aan Æsus gewijd, is te Parijs ontdekt.

39 Mont Mercure, Mercoeur, Mercoirey, Montmartre (Mons Mercurii), enz.

40 Tot nog op dezen tijd gebruikt de landbouwende bevolking in vele streken van Frankrijk uitdrukkingen als annuit, o’né, anneue enz., die alle “van avond” beteekenen, in plaats van aujourd’hui (Bertrand, La Religion des Gaules, blz. 356).

41 De fili, of beroepsdichters, waren, zooals wij uitdrukkelijk vermelden, een onderdeel van de kaste der Druïden.

42 Bij voorbeeld, Pelagius in de vijfde eeuw, Columba, Columbanus en St. Gallus in de zesde eeuw; Fridolijn, Viator “de Reiziger” genoemd, en Fursa in de zevende eeuw; Virgilius (Feargal) van Salzburg, die zich te Rome moest verantwoorden, omdat hij de bolvormige gedaante der aarde leeraarde, in de achtste eeuw; Dicuil “de Aardrijkskundige,” en Johannes Scotus Erigena—de grootmeester van den geest in zijn tijd—in de negende eeuw.

Hoofdstuk III. De Mythen omtrent de invallen in Ierland.

Inhoudsopgave

Het ontstaan der wereld volgens de Kelten.

Inhoudsopgave

Was er onder de geheime leerstellingen omtrent den “aard der dingen”, die, zooals Caesar ons mededeelt, nooit door de Druïden zijn geboekstaafd, iets dat herinnerde aan een cosmogonie, eenige mededeeling omtrent het ontstaan van de wereld en den mensch? Zeker was dit het geval. Het zou immers werkelijk vreemd zijn, als de Kelten het eenige ras zouden geweest zijn, dat geen mythen had, die op dit onderwerp betrekking hadden. Het schouwspel van het heelal met al zijn groote en geheimzinnige verschijnselen in den hemel en op aarde heeft eerst op de verbeeldingskracht gewerkt, en daarna tot bespiegelende beschouwingen geleid bij elk volk, dat voor die dingen vatbaarheid heeft. De Kelten bezaten nu beide eigenschappen in de hoogste mate, en toch weten wij, behalve in één zinsnede omtrent de “onvernietigbaarheid” der wereld, door Strabo tot ons gekomen, niets omtrent hun oudste voorstellingen of bespiegelingen over dit onderwerp. Ierland bezit een uitgebreide litteratuur op het gebied van legenden. Dat alles nam eerst in Christelijke tijden zijn tegenwoordigen vorm aan; toch is er zóóveel, dat in wezen heidensch is, daarin overgebleven, dat het vreemd zou zijn als Christelijke invloeden geleid hadden tot de uitroeiing van alles in die oude teksten, dat wees op een niet-Christelijke opvatting omtrent den oorsprong der dingen—indien Christelijke uitgevers en verspreiders ons zelfs niet het geringste schijnsel hadden gegeven van zulk een opvatting. En toch is het werkelijk het geval, dat zij ons dit niet geven; er is niets in de oudste legendarische letterkunde der Iersche Galiërs, wat de oudste Keltische letterkunde is, die nog bestaat, dat overeenkomt met de Babylonische mythe omtrent de verovering van den Chaos, van de woeste Noorsche mythe omtrent de schepping van Midgard uit het lichaam van Ymir, of de Egyptische mythen der schepping uit het oorspronkelijke Water door Thoth, het woord Gods, of zelfs de oorspronkelijke folklore opvattingen, die bij bijna iederen wilden volksstam gevonden worden. Het is onmogelijk er aan te twijfelen, dat de Druïden de één of andere leerstelling over dit onderwerp hadden. Maar door die met de meeste vastberadenheid verborgen te houden voor de niet-ingewijden en alle leekenbespiegeling over dat onderwerp te beletten, schijnt het, dat zij het mythenmakende instinct onder de groote menigte ten opzichte der cosmogonie hebben verstikt, en er voor hebben gezorgd, dat als hun eigen kaste te gronde ging, hun leerstellingen, wat die ook waren, met hen zouden te gronde gaan.

Wij vinden dan ook in de oudste Iersche verhalen omtrent het begin der dingen, dat de vertellers niet met de Wereld beginnen, maar met hun eigen land, Ierland. Het was wel is waar de gewoonte, aan die verhalen der oudste invallen en kolonisaties het verhaal uit den Bijbel te doen voorafgaan omtrent de schepping van de wereld en van den mensch, en dit bewijst, dat men voelde, dat iets van dien aard werd verlangd; maar wij weten volstrekt niet, wat vóór de dagen van het Christendom de plaats van het Bijbelsche verhaal innam, en het is te betreuren, dat wij waarschijnlijk daaromtrent nooit iets zullen te weten komen.

De verschillende cyclen van Iersche legenden.

Inhoudsopgave

De Iersche litteratuur op het gebied van mythen en legenden, zooals die in den oudsten vorm tot ons is overgebracht, valt, naar men mag aannemen, in vier afdeelingen, en daaraan zullen wij in onze bespreking in dit werk vasthouden. In chronologische volgorde zijn het de mythologische cyclus, of die der invallen, de Ulster- of Conorische Cyclus, de Ossian- of Feniancyclus, en een aantal gemengde verhalen en legenden, die moeilijk in een historisch lijstwerk kunnen ingevoegd worden.

De mythologische cyclus.

Inhoudsopgave

De mythologische cyclus omvat de volgende afdeelingen:

 1. De komst van Portholan in Ierland.

 2. De komst van Nemed in Ierland.

 3. De komst der Firbolgs in Ierland.

 4. De inval der Tuatha De Danann, of Volk van den god Dana.

 5. De inval der Milesiërs (Zonen van Miled) uit Spanje, en hun verovering van het Volk van Dana.

Met de Milesiërs beginnen wij te naderen tot iets, dat op geschiedenis gelijkt—zij vertegenwoordigen in de Iersche legenden het Keltische ras; en men neemt aan, dat de heerschende Iersche families van hen afstammen. Het Volk van Dana zijn blijkbaar goden. De kolonisten of overweldigers uit den prae-Danaïschen tijd zijn kolossale, spookachtige figuren, die slechts flauw voor den dag komen door de nevelen der overlevering, en die weinig duidelijke karaktertrekken hebben. De verhalen, die omtrent hen worden gedaan, zijn talrijk en tegenstrijdig, en uit deze kunnen wij hier alleen de oudste verhalen mededeelen.

De komst van Partholan.

Inhoudsopgave

De Kelten geloofden, zooals Caesar ons heeft medegedeeld, dat zij waren afgestamd van den god der onderwereld, den god der dooden. Men verhaalt, dat Partholan in Ierland gekomen was uit het westen, waar aan de overzijde van den uitgestrekten, nooit bevaren Atlantischen Oceaan, het Iersche Tooverland, het land der levenden—dat is het land der gelukzalige dooden—gelegen was. De naam van zijn vader was Sera (het westen?). Hij kwam met zijn koninklijke gade Dalny1 en een aantal makkers van beide geslachten. Ierland was—en dit is een aan de verbeelding ontleende trek, die ten doel heeft een denkbeeld te geven van de ontzaglijke oudheid—in die dagen uit een natuurkundig oogpunt een geheel ander land dan tegenwoordig. Er waren toen slechts drie meren in Ierland, negen rivieren en slechts één vlakte. Langzamerhand kwamen er andere bij tijdens de regeering der dynastie van Partholan. Volgens de verhalen was één meer, en wel het Rurymeer, opengebarsten, toen een graf werd gedolven voor Rury, den zoon van Partholan.

De Fomoriërs.

Inhoudsopgave

De mannen van Partholan hadden, zoo loopt het verhaal, te strijden tegen een vreemd ras, de Fomoriërs genaamd, waarvan wij in latere gedeelten van dit werk veel zullen hooren. Zij waren een kolossaal, wanstaltig, heftig en wreed volk, dat naar wij mogen aannemen, de machten van het kwaad vertegenwoordigde. Eén van hen had den bijnaam van Cenchos, wat De Voetlooze beteekent, en schijnt dus verwant te zijn aan Vitra, den god van het kwaad in de Veda mythologie, welke godheid noch voeten noch handen had. Partholan vocht met een aantal van die demons om de heerschappij over Ierland, en joeg ze naar de noordelijke zeëen, vanwaar zij van tijd tot tijd het land onder zijn latere heerschers verontrustten en plunderden.

Het ras van Partholan werd ten slotte door de pest aangetast, en nadat zij zich verzameld hadden op de Oude Vlakte (Senmag) om hun dooden te kunnen begraven, kwamen zij daar allen om; en weer lag Ierland ledig, om later weer opnieuw te worden bezet.

De legende van Tuan mac Carell.

Inhoudsopgave

Wie vertelde dan het verhaal? Dit leidt ons er toe, melding te maken van een merkwaardige en belangwekkende legende—één der vele legendarische mededeelingen, waarin die verhalen uit de mythische periode tot ons zijn gekomen. Deze wordt gevonden in het zoogenaamde “Boek der Dun Koe”, een manuscript van omstreeks het jaar 1100 na Christus en dat tot titel draagt “De Legende van Tuan mac Carell”.


St. Finnen en de Heidensche Aanvoerder

St. Finnen, een Iersche abt uit de zesde eeuw had, naar verhaald wordt, gastvrijheid gezocht bij een opperhoofd, Tuan mac Carell genoemd, die niet ver van het klooster van Fin te Moville, (Graafschap Donegal) woonde. Tuan weigerde hem den toegang. De heilige ging op den drempel van het huis van het opperhoofd zitten, en vastte den geheelen Zondag2, waarop de norsche heidensche krijgsman de deur voor hem opende. Tusschen hen ontstonden vriendschapsbetrekkingen, en de heilige keerde naar zijn monniken terug.

“Tuan is een uitnemend man,” zoo sprak hij tot hen; “hij zal bij u komen en u verkwikken, door u de oude vertelsels van Ierland te herhalen”3.

Die menschelijke belangstelling in de oude mythen en legenden van het land, is, naar hier moge worden opgemerkt, een even standvastige als aangename trek in de litteratuur der oudste Iersche Christenheid.

Tuan kwam kort daarna bij den heilige, om hem een tegenbezoek te brengen, en noodigde dezen en zijn leerlingen uit, hem in zijn kasteel te komen bezoeken. Zij vroegen hem naar zijn naam en afkomst, en hij gaf een wonderbaarlijk antwoord. “Ik ben een man uit Ulster”, zeide hij. “Mijn naam is Tuan, zoon van Carell. Maar vroeger heette ik Tuan, zoon van Starn, zoon van Sera, en mijn vader, Starn, was de broeder van Partholan.”

“Vertel ons de geschiedenis van Ierland,” zoo sprak toen Finnen, en Tuan begon. Zooals hij zeide was Partholan de eerste mensch, die zich in Ierland nederzette. Na de groote pest, waarvan reeds melding is gemaakt, was hij de eenige die in leven bleef, “want er is nooit een slachting zóó groot, dat er niet een man aan ontkomt, om het verhaal te doen.” Tuan was alleen in het land, en hij trok rond van de ééne ledige vesting naar de andere, van rots naar rots, om een schuilplaats te zoeken tegen de wolven. Zoo leefde hij twee en twintig jaar in eenzaamheid voort, in verlaten plaatsen wonend, totdat hij stokoud en vreeselijk gebrekkig was geworden.

“Toen nam Nemed, de zoon van Agnoman Ierland in bezit. Deze (Agnoman) was de broeder van mijn vader. Ik zag hem van de klippen af en deed voortdurend mijn best, hem te vermijden. Ik had lange haren en klauwen, was afgeleefd, grijs, naakt, ongelukkig en ellendig. Op zekeren avond viel ik in slaap, en toen ik weer ontwaakte, was ik in een hert veranderd. Weer was ik jong en vroolijk van hart. Toen zong ik van de komst van Nemed en van zijn ras, en van mijn eigen gedaanteverwisseling.... Ik heb een nieuwe gedaante aangenomen een ruwe en grijze huid. Overwinning en vreugde zijn gemakkelijk voor mij; een korten tijd geleden was ik zwak en hulpeloos.”


Tuan bespiedt Nemed

Daarna was Tuan koning van al het roode wild van Ierland, en bleef dat gedurende al den tijd, dat Nemed en zijn ras in Ierland regeerden.

Hij vertelt, hoe de Nemediërs naar Ierland zeilden in een vloot van twee en dertig booten, en in iedere boot waren dertig personen. Zij zwierven anderhalf jaar over de zeeën, en de meesten van hen stierven van honger en dorst of kwamen in een schipbreuk om. Slechts negen ontsnapten—Nemed zelf, met vier mannen en vier vrouwen. Deze landde in Ierland, en vermenigvuldigden zich in den loop der tijden, totdat hun aantal 8060 mannen en vrouwen bedroeg. Daarop stierven zij allen op geheimzinnige wijze.

Weer was Tuan oud en gebrekkig geworden, maar hem wachtte weer een nieuwe gedaanteverwisseling. Ik stond eens aan den ingang van mijn hol—ik herinner mij dat nog duidelijk—en ik wist, dat mijn lichaam weer een andere gedaante aannam. Ik was een wild zwijn. En ik zong daarover het volgende lied:

“Vandaag ben ik een wild zwijn.... Er was een tijd, dat ik in de vergadering zat, die de uitspraken van Partholan openbaarden. Zij werden gezongen, en ieder prees de melodie. Hoe heerlijk was de trant van mijn schitterend oordeel! Hoe heerlijk voor de bevallige jonge vrouwen! Mijn wagen reed in majesteit en schoonheid rond. Mijn stem was ernstig en liefelijk. Mijn stap was vlug en stevig in den strijd. Mijn gelaat was vol bekoorlijkheid. Maar zie, thans ben ik in een zwart zwijn veranderd.”

“Zoo sprak ik. En werkelijk was ik een wild zwijn. Daarna werd ik weder jong, en ik was verheugd. Ik was koning der kudden wilde zwijnen in Ierland, en getrouw aan mijn gewoonte, ging ik mijn verblijfplaats rond, als ik in de landen van Ulster terugkeerde, zoo dikwijls ellende en ouderdom mij overvielen. Want het was steeds daar, dat mijn gedaanteverwisselingen plaats hadden, en daarom keerde ik daarheen terug, om de vernieuwing van mijn lichaam af te wachten.” Tuan vertelt dan verder, hoe Semion, de zoon van Stariat, zich in Ierland vestigde. Van hem stamden de Firbolgs af en twee andere stammen, die nog in historische tijden bleven voortleven. Weer komt de oude dag nader, zijn krachten laten hem in den steek, en hij ondergaat weer een nieuwe gedaanteverwisseling; hij wordt “een groote zeearend” en verheugt zich weer eens in nieuwe jeugd en kracht. Daarop vertelt hij, hoe het Volk van Dana in Ierland kwam, “goden en valsche goden, uit wie, zooals iedereen weet, de Iersche geleerden gesproten zijn.” Daarna kwamen de zonen van Miled, die het Volk van Dana overmeesterden. Al dien tijd hield Tuan de gedaante van een zeearend, totdat hij, toen hij ontdekte, dat hij op het punt stond weer een nieuwe gedaanteverwisseling te ondergaan, negen dagen lang vastte; “daarop overviel mij de slaap, en veranderde ik in een zalm”. Hij geniet van zijn nieuw bestaan, waarbij hij jarenlang aan de valstrikken der visschers ontkomt, totdat hij ten slotte door één van hen wordt gevangen, en gebracht wordt naar de vrouw van Carell, het opperhoofd van het land. “De vrouw had zin in mij en at mij geheel op, waarbij ik in haar baarmoeder kwam.” Hij wordt weder geboren, en gaat door voor Tuan, den zoon van Carell; maar de herinnering van dat voormalige leven en van al zijn gedaanteverwisselingen, en van de geheele geschiedenis van Ierland, die hij had meegemaakt sedert de dagen van Partholan, blijft nog bij hem achter, en hij onderwijst al die dingen aan de Christenmonniken, die al die verhalen zorgvuldig bewaren.

Dit allervreemdste verhaal, met zijn atmosfeer van grijze oudheid en van naïeve wonderlijkheid, doet ons denken aan de gedaanteverwisseling van den Galischen Taliessin, die eveneens in een arend veranderde, en wijst op die leer der zielsverhuizing, die zooals wij gezien hebben, zoo sterk werkte op de verbeelding der Kelten.

Wij moeten thans eenige bijzonderheden voegen bij de schets der opvolgende kolonisaties van Ierland, zooals die in het kort zijn aangeduid door Tuan mac Carell.

De Nemediërs.

Inhoudsopgave

Zooals wij gezien hebben, waren de Nemediërs verwant aan de Partholaniërs. Beiden waren afkomstig uit het geheimzinnige gebied der dooden, hoewel latere Iersche verhalen, die trachtten een verzoening tot stand te brengen tusschen die mythische opvatting en het christendom, het deden voorkomen, alsof zij afstamden van bijbelsche aartsvaders en aan aardsche landen zooals Spanje en Scythië hun oorsprong te danken hadden. Beiden hadden voortdurend strijd te voeren met de Fomoriërs, die volgens de latere legenden zeeroovers van over de zee waren, maar die zonder twijfel godheden waren, die de machten van duisternis en kwaad voorstelden. Er is geen legende bekend, hoe de Fomoriërs in Ierland gekomen zijn en zij werden ook nooit beschouwd als een geregeld deel der bevolking. Zij waren even oud als de wereld zelf. Nemed vocht met het beste gevolg tegen hen in vier groote gevechten, maar hij zelf stierf kort daarna aan de pest, die ook tweeduizend van zijn volgelingen ten grave sleepte. De Fomoriërs waren toen in staat hun oppermacht over Ierland te vestigen. Zij hadden in die dagen twee koningen, Morc en Conann. De macht der Fomoriërs had haar krachtigste versterking op het eiland Tory, dat zijn woeste klippen en afgronden doet oprijzen uit den Atlantischen Oceaan, in de nabijheid van Donegal—een geschikte woonplaats voor dat ras, dat zoo rijk was aan geheimzinnigheid en afgrijselijkheid. Zij hieven een vreeselijk drukkende schatting van het Iersche volk, en wel tweederden van al de melk en tweederden van al de kinderen uit het land. Ten slotte stonden de Nemediërs op. Onder aanvoering van drie opperhoofden, landen zij op het eiland Tory, nemen de Toren van Conann in, en Conann zelf sneuvelt door de hand van den Nemedischen aanvoerder Fergus. Maar op dat oogenblik treedt Morc in het gevecht op met een nieuwe troepenmacht, en jaagt de Nemediërs geheel op de vlucht, die op een dertigtal na sneuvelen:

“De mannen van Erin, zij togen ten strijde,

Nadat de Fomoriërs kwamen,

De zee verzwolg hen allen,

Behalve driemaal tien.”

Gedicht van Eochy O’Flann, omstreeks 960 n.C.

De dertig overlevenden verlaten Ierland in wanhoop. Volgens de oudste overlevering zijn zij allen omgekomen zonder nakomelingen achter te laten, maar latere verhalen, die trachten uit al die mythen nuchtere geschiedenis op te bouwen, stellen het voor, alsof één familie, die van het opperhoofd Britan, zich in Groot Brittannië vestigde en hun naam aan dat land schonk, terwijl twee andere na vele omzwervingen, naar Ierland terugkeerden als de Firbolgs en het Volk van Dana.

De komst der Firbolgs.

Inhoudsopgave

Wie waren de Firbolgs, en welke rol hebben zij gespeeld in de Iersche legenden? De naam schijnt te beteekenen: “Mannen van de Zakken,” en in later tijden werd er een legende uitgedacht, om dien naam te verklaren. Er werd verhaald, dat zij, na zich in Griekenland te hebben gevestigd, door het volk van dat land onderdrukt werden, die hen aarde lieten aantrekken van de vruchtbare valleien naar de rotsachtige heuvels, zoodat zij daarvan beploegbaren grond konden maken. Zij vervulden hun taak door middel van leeren zakken; maar ten laatste, toen zij de onderdrukking moede geworden waren, maakten zij van hun zakken booten met leder overtrokken, en zetten daarin koers naar Ierland. Nennius echter zegt, dat zij uit Spanje kwamen, want volgens hem waren al de verschillende rassen, die Ierland bewoond hebben, oorspronkelijk uit Spanje, en “Spanje” is bij hem een rationalistische vertaling van de Keltische woorden, die het Land der Dooden aanduiden4. Zij kwamen in drie groepen, de Fir-Bolg, de Fir-Domnan en de Galioin, die allen in het algemeen als Firbolg worden aangeduid. Zij spelen geen groote rol in de Iersche mythologie, en hun schijnt een zekere trek van slaafschheid en minderwaardigheid eigen te zijn.

Eén van hun koningen, Eochy5 mac Erc, trouwde met Taltiu, of Telta, de dochter van den koning der “Groote Vlakte,” (het Land der Dooden). Telta had een paleis in de stad, die nu naar haar Telltown (eigenlijk Teltin) heet. Daar stierf zij, en daar werd zelfs nog in de Middeleeuwen, een groote jaarlijksche bijeenkomst of jaarmarkt ter harer eere gehouden.

De komst van het volk van Dana.

Inhoudsopgave

Wij komen thans tot verreweg de merkwaardigste en belangrijkste der mythische overweldigers en volksplanters van Ierland, het Volk van Dana. De naam, Tuatha De Danann, beteekent letterlijk “het volk van den god, wiens moeder Dana is.” Dana draagt somtijds ook een anderen naam, en wel dien van Brigitta, een godin, die in het heidensche Ierland in hooge eer werd gehouden, wier attributen in de legenden grootendeels overgebracht zijn op de Christelijke Heilige Brigitta uit de zesde eeuw. In Gallische opschriften vindt men haar naam ook wel als “Brigindo” en in Britsche opschriften komt deze voor als “Brigantia.” Zij was de dochter van het hoogste opperhoofd van het Volk van Dana, den god Dagda “Den Goeden.” Zij had drie zoons, van wie men vertelt, dat zij gemeenschappelijk een eenigen zoon hadden, Eene genaamd—wat beteekent “Kennis” of “Poëzie”6. Men mag dus zeggen, dat Eene de god was, wiens moeder Dana was, en het ras, waaraan zij haar naam schonk, waren de duidelijkste vertegenwoordigers, die wij in Iersche mythen hebben van de machten van Licht en Kennis. Men zal zich herinneren, dat Tuan mac Carell alleen aan het Volk van Dana onder al die mythische rassen den naam van “goden” had gegeven. Toch komen zij niet als goden voor in den vorm waarin de Iersche legenden omtrent hen tot ons zijn gekomen. De invloed van de christelijke opvattingen bracht hen terug tot den rang van feeën, of vereenzelvigde hen met gevallen engelen. Zij werden door de afstammelingen van Miled overwonnen, die worden gedacht als een volkomen menschelijk ras, en die een aantal betrekkingen van liefde en oorlog met hen hadden tot in latere tijden. Toch is ook in de latere legenden het Volk van Dana bekleed met een zekeren luister en met groote verheffing, die herinnert aan den hoogen rang, waarvan zij waren afgedaald.

Бесплатный фрагмент закончился.

180,02 ₽
Возрастное ограничение:
0+
Дата выхода на Литрес:
16 января 2025
Объем:
613 стр. 89 иллюстраций
ISBN:
4064066071578
Издатель:
Переводчик:
Правообладатель:
Bookwire
Формат скачивания:

Похожие книги