Читать книгу: «De Scheepsjongen van "De Gouden Leeuw"»

Шрифт:

Johannes Hendrik Been

De Scheepsjongen van "De Gouden Leeuw"


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066404284

Inhoudsopgave

I.

II.

III.

IV.

V.

VI.

VII.

VIII.

IX.

X.

XI.

XII.

XIII.

XIV.

JONG HOLLAND

I.

Inhoudsopgave

De bazinne van "Lagerwoude".

Op een grauwen namiddag in de maand December van 't jaar onzes Heeren 1615, zat in de groote keuken van een hofstede, die, een half uurtje buiten den Briel, dicht bij het wagenveer naar Hellevoetsluis gelegen was, een vrouw druk aan het verstelwerk.

Hoewel het niet later dan half drie geweest zal zijn, heerschte er toch al een soort van schemering in het vertrek, dat tegelijk tot woonkamer diende, en door de kleine, in het lood gezette ruitjes van de twee ramen het daglicht moest ontvangen.

"Moeder," zei een deerne, die aan den gootsteen, met het wasschen van vaatwerk bezig was, maar even ophield om naar de vrouw te kijken, die zich àl dieper over haar naaiwerk heen boog, "moeder je bederft nog je oogen."

"Zei-je iets Katrijn?" riep een ongeveer vijftienjarige knaap, die in de aangrenzende schuur bij de koeien bezig was.

En zijn hoofd door de openstaande deur stekende, waardoor de reuk van den stal in de keuken drong, zag hij vragend zijn zuster aan. Moeder hief het hoofd op.


[Illustratie: Ga jij maar aan je werk, Andries.]

"Ga jij maar aan je werk, Andries. Je zuster heeft het niet tegen jou."

Dat kwam er niet vriendelijk bij haar uit. En toch was Andries van haar drie zoons de meest geliefde, omdat hij naar haar vader heette.

Trouwens, die boerenvrouw hàd iets norsch, iets stugs over zich, en, door een loodrechten rimpel tusschen de wenkbrauwen, zelfs iets strengs. Zij was niet jong meer, maar toch droeg zij haar zeven-en-vijftig jaren met eere. Wat vooral uitkwam, als men haar vergeleek bij haar dochter en bij haar zoon, die in gestalte en gelaat iets zwaks en ziekelijks over zich hadden. En zoo boersch als zij gekleed was, met het eenvoudige gladde mutsje, dat haar nog niet grijzende haren alleen bij de slapen zichtbaar liet, zag zij er uit als een heerscheres; en dat was zij ook, de bazinne van deze hofstede. "Och, Andries," zoo lichtte de deerne, die wij Katrijn noemden, maar als Catharina gedoopt was, haar broeder in, "moeder zit haar oogen te bederven, en nu wou ik, dat ze zich een beetje rust gunde."

"Rust?" sprak de oude vrouw bitter, "rust zal: ik hebben, als ik bij je vader in de Groote Kerk van den Briel begraven lig!"

Katrijn wenkte met de oogen en het hoofd, dat Andries maar aan zijn werk blijven en moeder stil moest laten zitten.

Of hij die teekenen niet opmerkte, dan wel dat niet wilde, durven wij niet beslissen. Zeker is het, dat hij uit den stal in de keuken kwam, en zich naar zijn moeder begaf.

Snel had die opgekeken, toen zij hem de holsblokken van de voeten hoorde gooien, om op de kousenvoeten binnen te komen.

Afwerend strekte zij de hand uit; maar reeds was Andries bij haar en sloeg de armen om haar heen.

"Toe, moeder; u moet niet zulke akelige dingen zeggen!"

Met bovenlijf en armen maakte zij zich los uit de omhelzing. Wel niet ruw of afstootend, maar toch met een zekere beslistheid.

"Dwaasheid, Andries! Wij moeten elk uur van ons leven bereid zijn om rekenschap af te leggen!"

"Dat weet ik wel, moeder, maar...."

"Ga aan je werk, Andries," kwam Katrijn tusschen beiden, niet zonder eenige spijtigheid in haar toon van spreken, "je weet, dat moeder niet tegengesproken wil worden."

De rimpel tusschen de wenkbrauwen van moeder verdiepte zich en haar felle oogen gingen den kant van haar dochter uit.

"Andries heeft je raad niet noodig, Katrijn. Bewaar dien.... voor je oudsten broer!"

't Was, alsof Andries bij die woorden wederom behoefte gevoelde zijn armen om moeders hals te slaan; maar omdat hij dit niet aandurfde, vielen zij slap neer, en vouwde hij de handen.

"Is.... is er alweer iets met Witte?" vroeg hij angstig.

"Alweer?" gaf moeder schouderophalend ten antwoord, terwijl zij haar verstelwerk, dat in haar schoot gegleden was, weer opvatte. "Vraag liever, wanneer er niet wat met hem aan het handje is!"

En plotseling van onderwerp veranderende:

"Waar zit toch heel den middag broer!"

Broer was de jongste zoon, die Abraham heette, en ongeveer den leeftijd van veertien jaar bereikt had.

"O, moeder," gaf Katrijn dadelijk ten antwoord, blijde, dat zij over iets anders kon spreken, "broer is met den speelwagen naar den Briel, voor de boodschap bij burgemeester Lenaert Jans 1), u weet wel...."

"Dat kon de knecht toch alleen wel af!" merkte moeder op, die weer met haar verstelwerk begonnen was. "'t Was beter, als broer met dien hoest thuis gebleven was; de lucht is vandaag te guur voor hem."

"Kom, moeder," waagde zij luchtigjes tegen te spreken, "de jongen is toch geen papkindje. Wat jij, Andries!"

Andries gaf haar gelijk. 't Was buiten niet zoo guur als moeder dacht.

Moeder gaf geen antwoord. Een Doopsgezinde spreekt nooit onwaarheid, maar behoeft daarom toch niet altijd al de gedachten, die er in een menschenhoofd omgaan, te vertolken!

Zij wist, welke zwakke vaten het waren, die kinderen van haar.

Dat wil zeggen, haar kinderen op één na.

En die eene!....

Even was er iets als van bezorgdheid over haar streng gelaat gegaan. Nu verdiepte zich wederom die steile rimpel.

En in den toenemenden schemer stond haar lievelingszoon voor haar, het hart vol vragen en naar het gelaat starende, dat, door het hagelwitte mutsje omlijst, heel eigenaardig hoe langer hoe meer uit die schemering leek te komen. Angstig keek ook Katrijn dien kant uit, vreezende, dat een ondoordacht woord moeders gedachten weer op dien eenen zou terugbrengen, en ze wist niet, dat moeders hoofd en hart er thans meer dan vol van waren.

En zoo kwam het, dat zij niet hadden opgemerkt, hoe een kloek manspersoon, die op het voetpad van den Brielschen kant kwam aangestapt, even, als onderzoekend, was stil blijven staan, en toen vastbesloten op de boerenwoning af stevende.

Ja maar, dat gaat bij een boerensteê, waar de hofhond het erf bewaakt, niet zoo gemakkelijk! Het beest ging verschrikkelijk aan, rukte aan zijn ketting, dat het knarste en het duurde een heel poosje, eer de vreemdeling, en niet anders dan door tusschenkomst van Andries, die den hond in bedwang hield, de keuken binnenstapte.

"Hé daar! Ben ik hier bij de weduwe de With?"

Bij dat onverwachte lawaai van den hond hadden zij allen verschrikt opgezien, maar moeder de With had zich het eerst hersteld, en wijl de vreemdeling, die wat haastig gebakerd scheen, zijn vraag herhaalde, gaf zij rustig ten antwoord:

"Ja, sinjeur, als je de weduwe de With moet hebben, ben-je terecht."

Hij trad nu binnen.

"'t Is vroeg donker, vrouw de With!"

"Ja, sinjeur.... En wat was er van je dienst?"

"Nou.... dat is in één woord niet te zeggen...."

Zij gaf geen antwoord, maar haar felle oogen keken hem strak aan.

"Bij alle blauwtjes uit de Indiën!" dacht de vreemdeling in zichzelf, "precies de oogen van dien jongen."

En luide voegde hij erbij:

"Mag ik even gaan zitten, vrouw de With? Ik heb een heelen tippel achter me. Je moet weten, ik kom heelemaal uit den Briel."

"Dat 's toch op zijn best een half uurtje!" lachte Katrijn.

"Zwijg, Katrijn, en ga aan je werk!"

Maar de vreemdeling had zich met een gezicht vol jool tot de bestrafte gewend.

"Wel, moeder de With.... ja, is dat je dochter?"

Zij knikte.

"Nu, die schijnt niet te weten, dat een half uur loopen voor een zeeman een heele torn is."

Het gelaat van de weduwe werd opeens minder hard en norsch.

"O, ben-je zeeman, sinjeur."

"Zeker.... en zeg daarom liever maar schipper."

"Wel, heel graag. En nu weet ik meteen, waarom je hier ben gekomen."

"Te deksel.... doe-je een beetje aan de zwarte kunst, vrouw de With?"

"Ik had liever, dat-je niet zoo ijdel sprak, schipper!" kreeg hij vermanend tot bescheid.

"Kom, kom, vrouw de With, voor een zeeman moet-je een beetje toegeefelijk zijn!"

"Dat mag ik op die dingen niet zijn!"

Even gleed er een schaduw over zijn door weer en wind gebruind gezicht.

"'t Zal een strijd op leven en dood zijn!" dacht hij.

Maar met een gebaar als wilde hij zeggen: "Kom, kom, 't is niet het eerste vuur, waarvoor ik sta!" wierp hij zijn hoed op een bank, maakte den haak van zijn mantel los, zoodat die langs zijn schouders afgleed tot op den stoel, waarop hij zich hoorbaar had neergezet.


[Illustratie: Wel, moeder de With.... ja, is dat je dochter?]

"We zullen daar niet over twisten, vrouw de With," begon hij op jovialen toon. "Toch mag-je het me niet kwalijk nemen, dat ik graag zou willen weten, wat je denkt, waarvoor ik hier bij je gekomen ben."

"Als je 't weten wil, schipper, moet ik eerst je vraag met een wedervraag beantwoorden."

"Die vraag is....?"

"Ligt je schip zeilree?"

"Dat is te zeggen.... half Januari hoop ik er vandoor te gaan."

"Een lange reis?"

"Een paar jaartjes."

"Naar.... naar de Indiën zeker?"

"Je slaat den spijker op den kop. Maar, moedertje, nu heb-je in plaats van één mij drie vragen gedaan."

Ze glimlachte: doch heel even.

"Ik wou juist mijn vierde doen."

"Nu, ga dan in vredesnaam je gang maar! Wat had-je dan nog meer op je geweten?"

"Schipper," sprak ze nu weer vermanend, "wat ben-je toch los in je mond. Wat heeft eens menschen geweten nu met victualie te maken!"

"Hé?" riep hij verwonderd uit, "victualie?"

"Wel, je komt toch zeker om tonne-boter voor de reis? Eigenlijk is dat het werk van je vrouw, maar jullie zeelui zijn zulk een veranderlijk slag van lieden!"

Nu begreep de zeeman haar.

Er dreigde een misverstand, dat hij gauw uit de wereld moest helpen.

Om dit te begrijpen, diene hier de toelichting, dat als de oorlogsschepen een reis zouden ondernemen, de vrouw van den kapitein — of zooals hij toen meestdeels genoemd werd: van den schipper — de eetwaren insloeg, zooals gezouten vleesch en spek, stokvisch, haring, erwten en boonen, brood en boter. Voor die boter-leverantie zagen de boeren zoo'n kapiteinsvrouw gaarne een bezoek aan de hofstede brengen, en niet minder voor de erwten, gort en boonen, en de varkens, die gekuipt moesten worden.

Doch kapitein Geen Huyghen Schapenham, gezagvoerder van den reusachtigen Oostinjevaarder, die op de reede van Hellevoetsluis zeilree werd gemaakt, liet insgelijks al die dingstigheden aan zijn vrouw over, die daarvan, zooals gewoonlijk, de boekhouding hield, en er wel voor zorgde, dat er voor haar man nog een aardig winstje uit geslagen werd.

Hoe dom, dat hij zijn vrouw ook niet naar deze boerenhoeve gezonden had, hoewel zij daarvoor maar eventjes van Rotterdam had moeten komen.

Hij glimlachte om dit denkbeeld.

En met dienzelfden glimlach op het gelaat sprak hij:

"Neen, vrouw de With, ik kom om een varken, zooals je nog nooit aan iemand geleverd hebt."

Vragend zag zij hem aan.

"Ik wou...."

Plotseling voelde en begreep zij het.

"Andries!" zei ze kort en snijdend, "ga naar den stal.... En jij, Katrijn...."

Ze zocht naar een voorwendsel, maar kon die niet zoo gauw vinden.

"Weg!" beval zij toen met een gebiedend handgebaar.

Broeder en zuster verwijderden zich dadelijk.


[Illustratie: Je komt om Witte?]

Nu waren de weduwe de With en kapitein Geen Huyghen Schapenham alleen in de toenemende schemering van het vertrek, langzamerhand gevuld met het roodachtige licht, dat van het turfvuurtje onder den grooten schouw kwam. En in dat eigenaardige licht nu, zag de zeeman aldoor die felle oogen, dien grooten, spitsen neus en heel dat strakke, koude, gebiedende gelaat.

"Je komt om Witte?"

Het klonk kort en beslist, en de oogen lieten hem niet los.

"Ja, vrouw de With."

Hij wilde er nog iets bijvoegen, maar met een handbeweging lei ze hem het zwijgen op.

"Nooit!"

Ze sprak dat ééne woord niet luide uit, maar tóch met een nadruk, alsof zij het met een vuistslag er had in willen hameren.

1) Den 1sten October 1615 waren (voor een jaar) tot burgemeesteren gekozen Jakob Allert van Couwenhoven en Lenaert Jans.




II.

Inhoudsopgave

In de geheime bijeenkomst.

Hoe het kwam, dat kapitein Geen Huyghen Schapenham geheel onverwacht een bezoek bracht aan de hofstede, om zich met de huiselijke aangelegenheden van vrouw de With te bemoeien, was eigenlijk een erg ingewikkelde geschiedenis.

Den dag tevoren had hij in den Briel doorgebracht, waar men betere gelegenheid vond om te overnachten dan in het pas opkomende Hellevoetsluis. En er was nog iets anders geweest, dat hem naar den Briel getrokken had. Hij had dien Zondag, die voor hem, gelijk voor het meerendeel der menschen uit dien tijd, een volstrekte rustdag was, de gaven willen hooren van dominee Willem Crijnsze, die de ochtendbeurt had in de Groote Kerk.

Ik mag mijn lezers niet vermoeien met een verhaal over de geloofstwisten uit die dagen tusschen de Remonstranten en Contra-Remonstranten. In December van het jaar 1615 waren althans in den Briel de eersten de meest bevoorrechten en hadden twee predikanten naar hun zin. Het meerendeel der gemeente echter hield het bij den derden, n.l. ds. Willem Crijnsze, een man van wonderlijken levensloop en groote welsprekendheid. Dien Zondagavond nu waren de Contra-Remonstranten bij elkaar gekomen om zich te oefenen en een preek te hooren. Dat was door de overheid verboden, en op de bijwoning van die conventikels, gelijk dergelijke bijeenkomsten geheeten werden, stond straf. Dat waagde men erop, en zoo waren er velen samengekomen om ds. Leo te hooren, die predikant te Nieuwenhoorn was.

Al had hij 't met z'n leven moeten betalen, kapitein Schapenham moest en zou dit conventikel bijwonen. Een goede oefening was hem ook daarom zooveel waard, omdat een gezagvoerder op de wijde wateren meer dan eens zelf daarin de leider en voorganger moest zijn, of zoo hij dit aan den ziekentrooster overliet, althans er zeker van wilde wezen, of die wel "goed in de leer was".

Dat laatste leek hem zelfs zoo gewichtig, dat hij na afloop van het conventikel nog graag den als zeer ijverig bekend staanden predikant van Nieuwenhoorn over een gebedenboek voor den zeeman wilde raadplegen.

Zoodanig nu vervulde dit alles zijn gedachten, dat hij onder de oefening zoowaar aan het afdwalen ging.

Zijn blik gleed van den voorganger af, en, eigenlijk zonder veel op te merken, langs de gemeente, die het slecht verlichte vertrek tot berstens toe vulde.

Uit het half-duister kwam het blanke van de gezichten nog sterker naar voren, doordat mannen zoowel als vrouwen voor den Zondag in stemmig zwart gekleed waren.

De kapitein kende die eigenschap van onze blanke gelaatskleur, zoo gevaarlijk in een nachtelijken scheepsstrijd, omdat men in de verte den bleekgezicht in het duister onderscheiden kon. Waarom vóór een expeditie in het donker van den nacht de matrozen meestal het bevel kregen, zich het gelaat zwart te maken.

Toen onze zeerob zich op deze en dergelijke gedachten betrapte, kwam een gevoel van ergernis bij hem op. Hoe zaten, als een beschamend voorbeeld voor hem, al die menschen aandachtig te luisteren! Daar had-je nu dien jongen vooraan, wel, die scheen geheel en al in het woord van den voorganger op te gaan!

Het was geen vriendelijke verschijning, die knaap, die naar schatting zestien of zeventien jaar kon tellen. Er sprak norschheid uit dat gelaat. De neus was groot en scherp, de kin vierkant en de kaken stevig. De mondhoeken gingen naar omlaag. Maar vooral waren het die felle, als het ware stekende en priemende oogen, welke aan dit jeugdige gelaat iets bijzonders verleenden.

Met die oogen verslond hij als het ware de woorden van ds. Leo, die nu sprak van niet bevreesd zijn of moedeloos, al behoorde men tot de verdrukten der wereld, van sterk zijn, opdat het woord vervuld werd, dat men dan gesterkt zou worden.

"Wel, wel," dacht de kapitein onwillekeurig, "wat zit me dat baasje te luisteren!"

En nu geschiedde het, wat meer plaats heeft, wanneer men strak naar iemand zit te kijken: de oogen gingen plotseling den kant uit van den persoon, die hem zoo aankeek.

Daar lag iets als van uittarting en vijandschap in dien fellen blik, en op het nog ondoorploegde voorhoofd vertoonde zich plotseling een steile, loodrechte rimpel vlak boven den neuswortel.

Dat alles was op zijn best het werk van een seconde geweest, want dadelijk wendde de kapitein den blik naar den voorganger; maar in zichzelf kon hij toch niet nalaten te mompelen:

"Daar groeit een maat uit, waarmee zijn vijanden rekening zullen hebben te houden!"

Eenige oogenblikken later was onze zeerob, die alweer spoedig gansch en al door den voorganger geboeid werd, heel dit kleine voorval vergeten.

De oefening liep gelukkig zonder stoornis of inmenging van politie of justitie af. Uit voorzichtigheid en om op straat geen opzien te verwekken, verlieten de bezoekers een voor een of slechts bij enkele paren tegelijk langs verschillende uitgangen het gebouw. Kapitein Schapenham maakte volstrekt geen haast om te vertrekken. Hij zocht zich juist deze gelegenheid ten nutte te maken, om den predikant te kunnen spreken over de onderwerpen, welke hem zoo na aan het hart gingen.

"'t Zal moeilijk zijn om hem te praaien," gromde de kapitein, toen hij op zijn best ds. Leo in het oog kon krijgen, omdat die bijna voortdurend omringd was van lieden, die een druk onderhoud met hem schenen te hebben. Maar gedachtig aan de spreuk, dat geduld alles overwint, bleef hij maar wat treuzelen, om op het juiste oogenblik hem aan den haak te pikken, gelijk de brave zeerob zich uitdrukte.

Dat oogenblik scheen eindelijk gekomen.

Ds. Leo wond zich uit een plukje menschen los en richtte zijn schreden naar het achtergedeelte van het vertrek. De kapitein hem achterna en zou juist "beet gekregen hebben", toen hij uit het duister van den achtergrond zoowaar denzelfden jongen zag opduiken, die daarstraks zijn aandacht getrokken had, omdat hij zoo aandachtig luisterde. Ds. Leo scheen wel expres op weg om hem te ontmoeten. Want de hand op den schouder van den knaap leggend, sprak hij vriendelijk:

"Wat deed mij dat goed, Witte, je hier te zien!"

De jongen hakkelde verlegen eenige woorden, maar er was een kleur van genoegen op zijn gezicht gekomen en zijn felle oogen zagen als in dankbaarheid tot den predikant op.

"Hoor eens," dacht de kapitein, "nu de dominee daar zoo apart staat, is het voor mij net een goede gelegenheid hem bij den tabbaard te krijgen. Dien nijdigen jongen boegseer ik wel weg."

En met zeemansrondheid stevende hij recht op den predikant aan.

"Ik ben kapitein van een Oostinjevaarder, dominee, en had u, voor ik uitvaar, graag eens wat te vragen."

Daar ging een schok door den knaap heen.

"Kapitein van een Oostinjevaarder?" kwam het hem onwillekeurig over de lippen.

De dominee verstond het en moest er onwillekeurig om glimlachen.

"Spreekt weer je zeemanshart, Witte?"

"Zeemanshart?"

Het was kapitein Schapenham, die dit uitriep, terwijl hij met een gezicht van niet begrijpen nu eens den predikant, dan weer dien zonderlingen jongen aankeek.


[Illustratie: Spreekt weer je zeemanshart, Witte?]

"Ik zoek naar volk," ging hij voort. "Is soms die knaap....?"

Een gloeiend roode blos kwam nu over het gelaat van Witte. Vast klemde hij de kaken op elkaar, dat de spierbundels bij zijn slapen zichtbaar werden. En 't was, alsof er iets vochtigs in zijn oogen trachtte te komen. Wat onmogelijk leek, omdat die knaap zelfs van spijt niet schreien kon.

Het gelaat van den predikant teekende een ongewonen ernst.

"Schipper," sprak hij, "ik wenschte wel, dat mijn doopkind u niet ontmoet had."

"Uw doopkind?.... Niet ontmoet?.... Vergeef me, dominee, ik begrijp u niet goed."

De predikant schudde het hoofd.

"De oogenblikken zijn te kostbaar voor me om u alles te vertellen, wat over dit jonge hoofd gegaan is. En 't zou niet passend zijn, als mijn doopkind daar bij bleef en dat alles aanhoorde. Maar heel het hart van dezen knaap is vervuld van het geruisch der wijde wateren."

Er kwam een glans als van begrijpen op het gelaat van den kapitein.

"En de ouders verzetten zich ertegen?" riep hij uit. "De moeder.... Witte heeft geen vader meer."

"Een moeder alleen? Daar is het leelijk vechten mee!" gaf de zeeman met een bedenkelijk gezicht te kennen.

"Met deze moeder vooral!" lichtte ds. Leo toe.

"Hoe zoo?"

"Ze behoort tot de Menisten."

"Wat nu?.... Dan màg deze jongen niet vechten! En op zee moet-je met handen en tanden van je afweren, gezwegen van kartouwen, sabels en kortjan..."

"Hij.... is mijn doopkind."

"Dus?"

Ds. Leo maakte een gebaar, als wilde hij aan het gesprek een einde maken.

"Ik moet nog naar Nieuwenhoorn terugloopen, schipper. Witte zou zeker anders wel met me meegegaan zijn tot Lagerwoude, waar de hofstede zijner moeder gelegen is, maar moet het nu maar alleen doen. Indien u me ten minste een eind vergezellen wilt."

"Eerlijk gezegd, ik heb aan 't loopen een broertje dood, dominee; maar u hebt me zoo nieuwsgierig gemaakt.... En dan heb ik u ook nog wat te vragen."

Nu nam Witte, die den wenk van zijn doopvader begrepen had, afscheid.

"Een stevige lans!" oordeelde de kapitein, die hem nakeek, "en een paar knuisten om aan te pakken."

Ds. Leo glimlachte.

"Dat hebben de Brielsche jongens ondervonden, die hem eerst zoo plaagden, toen hij nog Menist was!"

Daar dook plotseling een herinnering bij den zeeman op.

"Wel heb ik van mijn leven, dominee.... Is dat die Voornsche boerenjongen, waarvan ik wel heb hooren vertellen, dat hij zich liet doopen om zijn bloedzuigers op d'r tabernakel te slaan?"

Ds. Leo schudde het hoofd over deze ongezouten uitdrukking van den zeeman.

"Ik zal u alles vertellen," sprak hij, "maar laten we nu heengaan."

Bij dat gesprek op den weg naar Hellevoet, waaraan het bloeiende dorp Nieuwenhoorn gelegen was behoeven wij niet tegenwoordig te zijn om onze nieuwsgierigheid te bevredigen. Wij weten uit de vaderlandsche geschiedenis, hoe de latere vice-admiraal Witte Corneliszoon de With zich als elfjarig kind tot ds. Leo van Nieuwenhoorn gewend had, om zich te laten doopen, omdat de jongens van den Briel hem zoo plaagden en tergden en hij, als Doopsgezinde of Menist, niet mocht terugslaan.

Doch óók vertelde ds. Leo aan den zeekapitein van den grooten strijd om de beroepskeuze. Zijn moeder wilde maar niet hebben, dat hij naar zee ging, en daarom moest Witte aan wal een rustig en vreedzaam vak leeren.

Men kent het spreekwoord van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Op het oogenblik, dat wij met dien zonderlingen knaap kennis maakten, had hij precies de helft van dat dozijntje achter den rug. Of eigenlijk was hij met het zesde vak nog bezig, hoewel hij net op het punt stond door zijn baas weggejaagd te worden.

Maar daar zullen we in het vervolg van dit verhaal vanzelf op moeten terugkomen.







III.

Inhoudsopgave

Op de kleermakerstafel.

Een Engelsch reiziger, die in den winter van 1592 op '93 in ons land vertoefde, vertelt, dat hier de vrouwen heel wat in de melk te brokken hadden en meestal niet alleen het gezin maar ook de kostwinning bestierden. Wat daarvan aan zij, zeker is het, dat hij in het gelijk gesteld zou zijn, wanneer hij op een Maandagmorgen van 't jaar 1615 een kijkje had kunnen nemen in de werkplaats van Jochum Stoffelsen, meester snijder in den Briel. De baas haalde met zulk een snelheid de naald door de stof, welke hij onderhanden had, alsof er zij leven van afhing. Zijn oogen sloeg hij niet op en knikte maar van ja of schudde van neen op al de vragen, die zijn waardige echtgenoote met groote radheid van tong stelde. Ongelukkig knikte hij door de verbouwereerdheid een keertje van ja, toen het neen had moeten wezen.

Moeder Stoffelsen, die tot nu toe de handen op de breede heupen had doen rusten, hief ze nu met een trilling van woede omhoog.

"Heb ik ooit van m'n levensdagen zoo'n man gezien! Daar vraag ik hem, of hij zijn beklagenswaardige vrouw op zulk een ongehoorde wijze mag laten verhabbezakken — en daar knikt dat monster getroost van ja!"

"Goeie, beste vrouw...."

"Góéie, bèste vrouw," bauwde zij hem smalend na. "Ik bèn niet goed, en ik bèn niet best. Enkel en alleen maar een zondig mensch. Maar je vrouw bèn ik. En die moest door jou beschermd worden. Ze mogen jou met recht een ridder noemen.... van de naald altijd, bah!"

"Ho, ho, vrouwtje! Die naald...."

Hier stokte de meester. 't Speet hem, dat hij het maar niet bij ja en neen knikken gehouden had. Want bij ondervinding wist hij wel, dat gemeenlijk het eene woord het andere uitlokt. En omdat moeder de vrouw altijd het laatste moest hebben, bleef dat een gevaarlijke proef.

Zijn vrouw evenwel merkte wel, dat hij meer op de tong had.

"Wat wou-je zeggen?"

"Maar vrouwtje, vrouwtje...."

"Wàt wou-je zeggen?" herhaalde zij.

"Ja, zie-je.... begrijp-je.... vat-je.... Ik wou niets anders zeggen dan.... wat toch de waarheid is, zie-je.... begrijp-je.... vat-je...."

Zij stampvoette van ongeduld.

"Houd toch je mond met die onnoozelheden!.... Kort en bondig, wàt heb-je te zeggen?"

De naald vloog nu met reuzensnelheid door het werk des meesters.

"Niets anders.... dan dat de naald.... zie-je.... om zoo te zeggen het brood voor je verdient.... vat-je — éh ja, ik bedoel, zie-je — of neen, begrijp-je...."

De handen van moeder Stoffelsen kwamen weer op de heupen.

"Wel zoo!" smaalde ze, "wel zoo!"

Met zulke nadrukkelijke voetstappen, dat er het zand over de roode vloertegels van onder haar leeren muilen knarste, kwam zij tot vlak voor den baas, wiens naald, zouden wij in 20e-eeuwschen stijl zeggen, nu het record sloeg.

"Wat brengt meer op?" vroeg zij, elk woord op den armen man inhamerend, "de taveerne of de rommel, dien je hier dag aan dag zit te verknoeien?"

"Ho, ho, vrouwtje!.... Verknoeien is een hard woord.... Ik heb toch mijn meesterproef afgelegd!"

"Dat is ten minste het eenige goede, dat je in je leven uitgevoerd hebt!"

Hij knikte van neen.

"'k Heb nog iets beters gedaan!"

"???"

Hij zag haar aan als een onderdaan, die zijn vorst iets heel zoets heeft te vertellen.

"Toen ik mijn suikerdotje getrouwd heb," vleide hij.

Het suikerdotje liet zich deze vleierij genadig aanleunen.

"Malle vent!" zei ze.

Meester Stoffelsen was een en al lach van geluk. Hij werd er woordenrijk door.

"Zeker, vrouwtje; ik geef je toe, dat het een héél verstandige zet van je was, om een eet- en drinkgelegenheid voor de zeelui en de soldaten op te zetten...."

"Dat was het," bevestigde zijn vrouw.

"En dat aardig wat opbrengt."

"Dat brengt het."

"Maar.... maar.... maar..... Het gaat met de kleermakerij ook niet slecht. Ik krijg meer werk dan ik af kan. Alleen is het jammer, dat mijn hulp niet deugt."

"Je bedoelt dien leerjongen?.... Waar zit die luiwammes nu weer?"

"Op een boodschap, en dat duurt natuurlijk weer een eeuw voor hij terug komt.... Maar spreek-je over den vent, dan is hij bij je of omtrent.... Daar heb-je den guit.... Zeg eris, waar heb-jij al dien tijd gezeten?"

"Natuurlijk wat rond wezen slenteren!" antwoordde zijn vrouw voor den leerjongen, in wien wij den knaap herkennen, dien wij op het conventikel ontmoet hebben.

Hij gaf geen antwoord. Met een gelaat, waarop niets anders dan de gewone norschheid en onverschilligheid te lezen stonden, ging hij naar de kleermakerstafel.

De oogen van vrouw Stoffelsen begonnen te glanzen; maar de ondervinding, welke zij met dezen leerjongen had opgedaan, stemde haar eenigszins tot voorzichtigheid.

"Kun-je tegen je meester boeh noch bah zeggen, als hij je wat vraagt?" kwam het er eindelijk bij haar uit. En dat luchtte haar merkbaar.

Witte haalde de schouders op.

"Vroeg-t-ie wat?" klonk het norsch.

"Waar of je gezeten hebt, onbeschaamde jongen!"

"Dàt weet-je.... en daarom is dat geen vraag, meester!"

De felle oogen gingen nu haar kant uit. "Geef hem een draai om de ooren!" raadde vrouw Stoffelsen.


[Illustratie: De felle oogen gingen nu haar kant uit.]

"Ik ben geen Menist meer!"

Moeder de vrouw, die wist wat die woorden in den mond van dezen zonderlingen knaap te beduiden hadden, stond te trillen op haar voeten.

"Je was waard, dat de meester je wegjoeg."

"Lààt hij me dan wegjagen!"

"Dat wou-je wel," zoo wond de vrouw zich op zonder te gevoelen, dat zij van Noord naar Zuid was gedraaid. "Dat wou-je wel, hé? Net als van de lijnbaan, toen je daar te lui was, om aan het wiel te draaien."

Witte haalde onverschillig-weg de schouders op en zette zich met gekruiste beenen naast meester Stoffelsen, die volgens zijn gewoonte de wijste partij gekozen en zich stilzwijgend aan den arbeid gezet had.

Maar moeder Stoffelsen liet den leerjongen zoo gemakkelijk niet schieten. Ze ging aan 't voorspellen, dat hij voor galg en rad opgroeide.

"Vrouw," kwam de patroon eindelijk op zijn gewone onderworpen wijze er weer tusschen, "wees toch wijzer en verspil je woorden niet aan.... aan dat sujet."

"Juist," triomfeerde zij. "Zeg maar: verloren sujet. Want dàt zal hij wezen, als hij ook hier vandaan wordt gejaagd...."

"Of wegloopt," vulde Witte droogjes aan.

"Hoor-je dat, man; hóór-je dat?"

De patroon glimlachte even.

"Hij zal 't wel uit zijn lijf laten.... Ja, als daar geen zware boete op stond!"

De vrouw maakte een gebaar van: wat kan hèm dat schelen!

"Zijn arme moeder is er goed voor."

Witte gaf daar geen antwoord op. Hij boog zich dieper over het wambuis, waaraan hij bezig was knoopen te zetten, maar boven zijn neuswortel werd weer die loodrechte rimpel zichtbaar.

De baas zag het.

"Vrouw, vrouw!" vermaande hij "laat z'n moeder buiten het spel!"

Wat zij op deze vermaning geantwoord zou hebben, is niet te zeggen. Erg vredelievend stond in elk geval haar gelaat niet. Gelukkig werd juist op dit oogenblik in het aangrenzende vertrekje eenig gestommel vernomen en een krachtige stem riep: "Hei daar!"

"Vrouw, ik geloof dat er volk is!"

Dadelijk kreeg haar gelaat een andere plooi.

"'t Wordt tijd," zei ze, "want ik heb vanmorgen nog geen handgeld ontvangen."

En met deze opmerking verdween ze van het tooneel.

In de werkplaats was het heel stil geworden. Daardoor hoorde men duidelijk uit het nevenvertrekje, dat als taveerne dienst deed, de stemmen van eenige mannen. Het waren meest vreemde klanken, maar dat verbaasde meester noch knechtje. Den Briel toch was in die jaren, n.l. van 1585—1616, een Engelsche pandstad, gelijk gij wel uit de vaderlandsche geschiedenis weet. In deze sterkte, evenals in Vlissingen en Rammekens, lag een Engelsche bezetting. Door veelvuldige aanraking waren de inwoners wat Engelsch gaan parlevinken en de Engelsche soldaten wat Hollandsch. Men kon elkaar, ten minste wat eten en drinken betreft, vrij goed verstaan. De Engelschen vonden het eten hier te lande best naar hun zin. Zelfs wat overdadig, omdat men op het brood niet alleen van die heerlijke goudgele boter smeerde, maar daarop weer flinke plakken kaas lei. Dat laatste mocht men zélf doen. Was men daarmee klaar, dan woog de hospes het stuk kaas, wist op die manier precies wat ervan afgesneden was en berekende daar den prijs naar.

Na wat meester Jochum Stoffelsen uit het stemgerucht kon opmaken, zou 't ook nu wel een kroes bier, en brood met boter en kaas zijn.

De baas kreeg er een kleur van plezier door. 't Had hem groote moeite gekost, om voor zijn vrouw de vergunning van klein-tapster te krijgen, en als zij nu maar geld verdiende, was zij thuis veel zachtzinniger. Haar booze bui van dezen morgen was enkel een gevolg geweest van te weinig nering in de laatste dagen en dat een buurvrouw haar zulks in de keel gestoken had. En blijde, dat bij moeder de vrouw voorloopig de muts weer goed zou staan, oordeelde hij het verstandig ook wat olie te storten over den toorn van zijn leerjongen.

"Je moet de vrouw niet zoo tegenspreken, Witte... Dat heb ik wel honderdmaal gezegd."

Witte zweeg.

"Hoor-je me niet?"

"Ja, meester."

"Waarom geef-je me dan geen antwoord?"

"Omdat ik dan tegenspreek," meester.

De patroon schudde het hoofd.

"Wat ben-je toch een rare jongen."

Zwijgen.

"Je wordt haast zeventien, is 't niet?"

Knik met het hoofd.

"Wanneer?"

"Komende jaar."

"Dat spreekt!... Maar wannéér?"

"Den 29en Maart."

"Zeventien is al een heele leeftijd, Witte!"

Zwijgen.

"Zou het zoetjesaan geen tijd worden, dat je veranderde?"

"Van vak?"

De patroon keek hem een beetje verbluft aan. Witte zag dat, en moest daar toch even om glimlachen.

"Dàt zal je niet gelukken, ventje!" voer zijn meester voort. "Je ben — laat eens kijken, wat je zoo al geweest ben.... Lijndraaier, knoopenmaker, kalfsleerwerker... en wandsnijder, is't niet?"

"Ja, meester.... En toen zeilmaker en nu ben ik kleerenjutter!"

"Hoe? Je spot toch niet met dat mooie ambacht?"

"Neen, meester; ik ben blij, dat ik het een beetje versta. Daar zal ik profijt van hebben.... als ik op zee vaar."

"Jongen, stel toch die malligheid uit je hoofd! Leer je vak goed, dan word-je een man in de maatschappij. En denk er toch aan, dat als je van mij met schade en schande weggaat, je een verloren man ben."

"Dat zie ik nog niet in, meester."

"Hoe? Je weet toch, dat je zoo goed als in niet één gilde meer terecht kunt komen. Uit hoeveel gilden ben-je al niet weggestuurd! En dáár kom-je nooit meer in."

Zwijgen.

"En wat moet er dan van je terecht komen? M'n vrouw sprak daarstraks van een verloren sujet. Neen, kijk me niet zoo nijdig aan!.... Weet-je wel wat dat is?"

"Ja, zeker; als je nergens meer voor deugt en door de dienaars van den baljuw buiten de grenspalen wordt geleid."

"Of op een schip naar Oostinje," vulde de baas aan.

Witte liet zijn werk op zijn knie vallen.

"Doen ze dat óók met een verloren sujet?"

"Ho, ho! Zoo bedoelde ik het niet!"

"Neen, baas, nu moet-je er geen doekjes om winden."

De baas keek strak op zijn werk.

"Daar zijn ze pas bij het Gerecht mee begonnen... Maar (en hier sloeg hij zijn oogen op en keek Witte vlak in het gezicht) op die manier zou-jij toch niet het zeegat willen uitvaren?"

De jongen gaf geen antwoord en vatte zijn werk weer op. Hij bromde wat, dat zoowel ja als neen kon beteekenen, en het gesprek verliep.

Na een half uurtje kwam de vrouw weer in de werkplaats. Zij was bijzonder in haar nopjes, dat zag de baas dadelijk. Zij telde op, wat de Engelsche krijgslieden verteerd hadden. Zooveel boterhammen, zooveel boter, maar in het gebruik van de kaas waren zij haar tegengevallen.

"Je schalen en gewichten zijn toch zuiver, vrouw?"

"Als de zon.... Maar wat zit die jongen te grijnzen?"

"Ze hebben je te pakken gehad, vrouw."

"Mij?.... De eerste, die mij te pakken neemt, moet nog opstaan.... Maar.... maar wat begint de jongen nu? Is hij dol geworden? Houd hem tegen, man!.... Hij gaat op den loop, of...."

Met de vlugheid zijner jaren was Witte van de kleermakerstafel gesprongen en ijlde naar de taveerne.


[Illustratie: O, die gauwdieven, die schurken!]

De vrouw als de drommel hem na, en daarachter de meester met zijn knipbeenen.

Toen hij in de taveerne gekomen was, zag hij, dat Witte het stuk kaas in handen genomen had, en hoorde zijn vrouw aangaan als een Noordwester: van dat de jongen er met zijn leelijke, vuile handen af moest blijven.

Maar Witte had zijn mes te voorschijn gehaald en sneed toen heel netjes de kleine, looden kogeltjes eruit, die de soldaten na het gebruik stiekem in de kaas gestopt hadden.

De vrouw hief haar handen omhoog.

"O, die gauwdieven, die schurken!"

"Hoe wist-jij dat?" vroeg de baas aan zijn leerjongen.

"Wel meester, wie veel langs de kaai loopt, hoort wel eens dingen, die hij in zijn ooren knoopt. Het kan altijd te pas komen, zooals je ziet."







IV.

Inhoudsopgave

Een oase in de woestijn.

Dien avond wachtte zijn zuster hem op bij den ingang van de hofstede.

Ze wist, dat hij komen zou, want het was lichte maan.

Niettegenstaande de zwaar bewolkte lucht, kon men, wanneer men zich slechts een poosje buiten bevond, ten minste zien waar men liep. Bij donkeren winternacht was dat niet te doen, ja, zelfs gevaarlijk. Men had dan kans terzijde van den weg in de sloot te geraken, omdat men, om de vochtige wagensporen en de brijachtige modder te ontwijken, meestal op den glibberiger graskant langs het pad liep, vanwaar men licht naar den verkeerden kant uitgleed.

In den winter bracht Witte meestal den nacht in het huis van zijn patroon door, waar hij in den kost was. Met mooi weer en maneschijn trok zijn hart hem echter naar Nieuwenhoorn, al was het niet zoozeer naar de steê van zijn moeder, waar hij echter wel zijn slaapplaats vond.

Waarheen hij dan ging, eer hij zijn kooi opzocht?

Dat zullen we dadelijk wel vernemen. Catharina de With wist dus, dat haar broer zou aankomen, om te zeggen, dat hij vannacht thuis sliep, en wist ook wel omstreeks welken tijd dat zijn zou.

In het onzekere licht van dien winteravond zag zij hem toch al in de verte aankomen, eenzame figuur op den weg, die tegen de grauw-groene grasbanden afstak, zich als eindeloos verlengde en opging in het schijnsel, dat in de verte de stad afgaf, waar de olielantaarns aangestoken werden en een weerschijn wierpen op den zwaren toren, die in het groezelige licht van den door zware wolken verduisterden maan-avond toch nog duidelijk te onderscheiden was.

"Ben-jij daar, Witte?"

"Ja, Katrijn."

"Je komt zeker zeggen, dat je hier vannacht slaapt."

"Ja."

"En je gaat zeker naar nicht Maertje."

"Ja."

"Ga er dan maar dadelijk heen."

"Is er ginder zwarigheid?"

"Neen, dáár niet.... maar hier."

"Wat dan?.... Is Abram weer ziek?"

"Neen.... moeder."

"Erg?"

"Nou erg?.... Ze heeft zich kwaad gemaakt."

"Op wie nu alweer?"

"Da's ook een vraag! — Op jou."

"Natuurlijk omdat ik gisteravond...."

Maar de rest van zijn woorden ging in een soort gegrom verloren.

"Gisteravond?.... O, Witte, ben-je soms weer bij de fijnen geweest?"

"Als je 't vragen moet, weet-je het niet.... En dus is moeder weer om iets anders nijdig op me."

Katrijn zweeg eenige oogenblikken.

"Wacht.... ik loop een eindje met je mee."

"Goed!" zei Witte kortaf.

Ze gingen samen voorbij de steê, den hoogen dijk af en het Hellevoetsche zandpad op.

"Ik begrijp uit alles, dat je me nou liever niet thuis wil hebben."

"Neen.... moeder zou er wakker van kunnen worden en dan krijgen jullie weer ruzie."

"Kan ik dat helpen?"

"Anders wel, Witte.... maar nu niet."

"Dus moeder weet niets van dat conventikel?"

Zijn zuster stond stil.

"Waarom doe-je moeder toch dàt verdriet?"

"Omdat men God meer moet gehoorzamen dan de menschen," klonk het dadelijk terug.

Katrijn zuchtte.

"Laten we daar maar geen ruzie over krijgen.... en ik wil dat ook niet."

"Nee, je màg niet."

"Juist!.... Omdat ik Menist ben."

"Of die niet strijdlustig zijn!" ging Witte op bitteren toon voort.

"Foei, je bedoelt moeder?"

"Ja."

"Hoe durf-je dat zeggen!"

"Omdat ik geen duivel op mijn hart smoor. Vandaag niet en morgen niet en nooit niet. Dàt heb ik tenminste nog van de Menisten overgehouden."

Katrijn zuchtte weer.

"Witte," riep zij eindelijk uit, "je ben zoo in het net van die fijnen verstrikt...."

"Wat zeg-je?" riep hij uit, stilstaande en zich dreigend voor haar plaatsend.

"Neen, neen," weerde ze af, "geen ruzie tusschen ons. Je weet, dat ik je help, waar ik kan.... Maar je gedachten zijn zoo van dat.... dat andere vervuld, dat je niet eens vraagt, waarom moeder ziek geworden is."

Witte haalde onverschillig de schouders op.

"Je hebt het al gezegd: van boosheid op mij. Oud nieuws. Ik heb het immers altijd gedaan?"

"Neen, Witte, nu is het nieuw nieuws.... Er is iemand over je wezen praten."

"Dominee Leo?"

"Die kan komen, zooveel als hij wil; maar je weet, dat moeder dan als een stom beeld zit."

"Dat weet ik," merkte Witte bitter op. "Hij heeft me immers ongelukkig gemaakt, zooals moeder altijd gelieft te zeggen!"

Katrijn liet dat nu maar voor wat het was.

"Je raadt het nooit. Witte," zei ze.

"Láát me dan ook niet raden. Ik heb daar een hekel aan."

"Ik.... ik durf het haast niet zeggen."

"Is het dan zóó erg?"

"Erg?.... Neen, dat wel niet, maar als je het weet, is het weer voor weken en maanden mis met je."

Weer stond Witte stil.

"Zeg op, Katrijn!.... Dacht-je, dat op heel de wereld me één ding nog schelen kon?"

"Ja, Witte.... één. En 't is juist dáárover, dat het tusschen moeder en hem ging."

Witte haalde diep adem.


[Illustratie: "De zee?"]

"De zee?"

Hij stootte die ééne klank eruit.

Toen greep hij zijn zuster beet, maar deze rukte zich lachend los.

"Zie-je wel, dat één ding je toch nog wel schelen kan?"

Nu lachte hij ook.

"Toe, zusje.... zeg het me nou!"

Ze vertelde hem van het bezoek van den zeeman en stond er vreemd van op te kijken, toen ze hoorde, dat hij dien al kende.

"Op de oefening, gisteravond."

"Welzoo? Ik dacht, dat je daar...."

"Stil, zusje, toe, alsjeblieft nu niet daarover...."

Ze kreeg met hem te doen. Vooral, omdat ze hem moest mededeelen, dat moeder ook nu niet te bewegen was geweest.

Gelijk hij gewoon was, werd Witte er weer hard tegenin.

"Eens ga ik toch," sprak hij.

En zonder hem aan te zien, wist zijn zuster, hoe zijn gezicht stond.

Ze waren dicht bij een andere boerenhuizinge aangekomen, waarvan zij reeds geruimen tijd 't verlichte venster hadden gezien.

"Ik ga nu terug, Witte. Moeder sliep, toen ik heenging, maar kan wakker worden en naar mij vragen. Zonder noodzaak behoeft zij niet te weten, dat ik jou gesproken heb."

"Geen nood!.... Over mij spreekt ze toch nooit.... of...."

Katrijn sloot hem den mond.

"Je mag de Tien Geboden nog wel eens overleeren, Witte."

Dadelijk stond de jonge ijveraar pal.

"Ik eer mijne moeder.... Dáárom gehoorzaam ik haar en loop ik niet weg."

Na dit gezegd te hebben, keerde hij zich bruusk om, en liet het aan zijn zuster, die op haar schreden terugkeerde, over, om het onderscheid tusschen eeren en liefhebben, te overpeinzen.

Intusschen had het geblaf van den hofhond een meisje buiten doen komen.

"Ben-jij daar, Witte?"

"Ja, Marie."

"Malle, jongen, waarom zeg-je toch geen Maertje, zoo heet ik immers?"

Witte was reeds bij haar en ging met haar in huis.

"Maertje vind ik zoo, zoo.... net of je je moeder ben."

Hij leek wel heelemaal veranderd. Veel zachter, maar ook veel onbeslister in zijn woorden, die anders, precies als bij zijn moeder, gelijk hamerslagen neer konden vallen.

Het meisje, dat van zijn jaren was, lachte luid:

"Hoe kan dat nou?.... Mijn eigen moeder zijn!"

"Och, ik bedoel.... je moeder heet Maertje."

"En ik naar haar."

"Wat is er?" zoo kwam uit de boerenkeuken, waarin zij binnentraden, de stem van een nog jonge vrouw hen tegemoet.

"Goeien avond, nicht.... Waar is de baas?"

"Naar bed.... Hij gevoelde zich niet wel. En de jongens zijn verkouden.... dus ook naar de kooi. Je weet: de de With's zijn niet sterk... Nu, ja, Witte, jij en je moeder zijn een uitzondering."

"Hij is ten minste weer aan den gang, moeder!"

"Zoo.... heeft hij een pak kleeren bij zijn baas bedorven?"

Witte maakte een afwerend gebaar.

"Toe.... nicht Maertje, kom me daar nu alsjeblieft niet mee aan boord. Ik ben bang, dat die lucht van de kleermakerstafel nog aan m'n plunje hangt."

Plagend berook hem het jonge meisje.

"Ja waarlijk," riep ze uit. "Ik ruik.... baas Jochum Stoffelsen en zijn vrouw."

Daar begon Witte te lachen, eigenlijk heel vreemd voor dat anders zoo nijdige gelaat.

Hij vertelde van de loodjes in de kaas, en de twee vrouwen hadden daar wàt 'n schik in.

"Goed, dat ik het weet," riep nicht Maertje uit, "want die Engelschen zwerven tegenwoordig over het heele eiland.... 't Wordt tijd, dat ze weggaan."

Nu, Witte kon het gerucht meedeelen, dat het vermoedelijk niet lang meer duren zou. Er moesten onderhandelingen aan den gang zijn tusschen den landsadvocaat en den koning van Engeland over het inlossen van de pandsteden.

Dat gesprek werd te taai voor het jonge meisje en die begon nu maar gauw over de gekheid van daarstraks.

"Hoe kwam-je zoo mal?" vroeg nicht Maertje aan Witte. "Waarom moet Maertje nu Marie heeten?"

"Om den boel een beetje uit elkaar te houden, nicht."

Zij knikte toestemmend.

"Ja, onze familie zit ook op een wònderlijke wijze in elkaar."

"O, Witte," riep het jonge meisje uit, "wat bèn-je begonnen!.... Je weet, als moeder daarover begint...."

"Wel, jou nest," bestrafte haar d'r moeder; "Als ik dat boeltje niet telkens uit elkaar haalde, zou-jij later niet meer weten, of Witte een oom, een neef of een achterneef van je was...."

"Voor mij blijft hij Witte, hoor!"

"En jij, Marie!" zei hij dadelijk.

"Hóór-je 't, moeder?" vroeg het meisje.

Maar deze was al aan haar geslachtkundige uitlegging begonnen.

"Jou vader, Witte, was een broer van mijn vader."

"Ja, nicht Maertje."

"Jou vader heette Cornelis, en de mijne Leendert de With."

"En die waren broers," plaagde haar dochter, die we nu ook maar Marie zullen blijven noemen.

"Ssst!" deed haar moeder, "ik ben er nog niet!"

"Nog lang niet," plaagde nu ook Witte.

"En," aldus ging zij op zwaarwichtiger toon voort, "daarom heet ik voluit Maertgen Leenderts-dochter de With."

De beide jongelieden gaven elkaar een knipoogje maar durfden toch niet lachen.

"Ik, Maertgen Leendersdr. de With, trouwde weer met dien de With, die nu mijn man is."

"Ze vergeet den voornaam," dacht Witte, "dat schiet vast op."

"En uit die echt werd nu Maertje geboren, die net zoo oud is als jij, Witte, hoewel jou vaders broer haar grootvader is."

"Hè," zei Witte, "daar zou een mensch simpel van worden."

"Ssst," waarschuwde nu op haar beurt Marie, "moeder is er nog niet."

"Nu, ik was toch al zoover, dat Maertje geboren was."

"En die zit hier," kon Marie niet nalaten te schertsen.

"En die heet net als ik...."


[Illustratie: Moeder is er nog niet.]

"Ho, ho, nicht," kwam Witte tusschen beiden, "maak een beetje onderscheid alsjeblieft en noem haar Marie."

"Dus.... ze moet zich over haar moeder schamen?"

"Hoe kòm-je daaraan, nicht!.... Maar, zie-je, als ik later aan 't varen ben..."

"Altijd dat varen, Witte?"

"Altijd dat varen, nicht!.... Maar, wat ik zeggen wil, als ik ergens in een apenland zit en een brief wil schrijven aan.... aan die lachebek hier.... hoe moet ik dan de dochter van de moeder onderscheiden?...."

"O ja, dàt 's waar," riep Marie uit, "dáár had ik niet aan gedacht!"

"Net goed!" plaagde nicht Maertje, "dan krijg ik den brief in handen."

"En u kunt niet lezen!" plaagde haar dochter weerom.

"Daar vind ik wel iemand voor," dreigde haar moeder.

Maar toen hij naar huis ging, na een uurtje in dit gezin verkeerd te hebben, dat voor hem als 't ware een oase in de woestijn van zijn wanhopig eentonig leven was, — fluisterde zijn achternicht hem toe; dat hij haar voortaan Marie mocht blijven noemen.

En dat is zoo gebleven, tot haar dood toe.







Бесплатный фрагмент закончился.

178,42 ₽
Возрастное ограничение:
0+
Дата выхода на Литрес:
17 января 2025
Объем:
148 стр. 31 иллюстрация
ISBN:
4064066404284
Издатель:
Правообладатель:
Bookwire
Формат скачивания:

Похожие книги