Читать книгу: «Spaens Heydinnetie»

Шрифт:

Jacob Cats

Spaens Heydinnetie


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066311766

Inhoudsopgave

Inleiding.

I

II

III

IV

V

VI

SELSAEM TROU-GEVAL TVSSCHEN EEN SPAENS EDELMAN, ENDE EEN HEYDINNE;

Soo als de selve edelman, ende alle de werelt doen geloofde.

Aenmerckingen

Tekstkritische noten

Aantekeningen.

Glossarium

A

B

D

E

F

G

H

I, Y

J

K, Q

L

M

N

O

P

R

S, Z

T

U

V

W


Majombe met, op den arm, de kleine Constance “behangen met juweelen”

Inleiding.

Inhoudsopgave

I

Inhoudsopgave

Van Vader Cats kwam in 1637 uit zijn ”’s Werelts begin, midden, eynde, besloten in den Trov-ringh, met den proef-steen van den selven.”1

’t Is een vervolg op een vroeger werk, ’t Houwelick; “door een vorigh Boeck” heeft hij “de gronden van een goet houwelyck geleyt, en een afkeer gepooght te maken van quade gangen die in soodanigen gelegentheyt sigh openbaren”; en daarom heeft hij het “dienstigh geacht, by dese jegenwoordige (z)ijne oeffeninghe de sake door exempelen meerder klaerheyt te geven.”2 Immers “de wegh tot wetenschap is lang door regels, kort door exempels, seyter een wys schryver.”3 En Cats zijn “ooghmerck is geweest... onse Landts-genooten met vermakelickheydt wat goets te doen lesen, en daer door bequamer te maken tot het huyselick en borgerlick leven, en een gelucksaligh sterven.”4

De Trouringh vermeerderde de populariteit van de meest populaire nederlandse dichter. Zijn werken werden bij duizendtallen verspreid;—van het Houwelyck “bij de vijftigh duysent... van d’ Emblemata, Maegde-plicht, Zelf-strijt en Manlyke Achtbaerheyt... weynig min”.. wat buitengewoon is als men in aanmerking neemt dat Nederland in die tijd maar een paar miljoen bewoners had; velen in ’t Noorden en Oosten nog hun eigen taal alleen verstonden; bovendien het aantal niet-lezers veel groter was dan nu.

Dit werk, “hoe wel verscheyde jaren na d’andere werken uytgekomen” (die telkens herdrukt waren), overtreft dat getal (van 25,000 eksemplaren, die alleen van de “Spieghel” verspreid werden), “en is in twee besondere Steden weer op de pers”, zo schrijft de uitgever van Alle de Wercken in 1655: een jaar of 16 na de eerste uitgave.

Het buitengewoon in-trek-zijn van Cats, bij aanzienlik en gering, bij geleerd en ongeleerd, is te bekend om er hier over uit te weiden.5

II

Inhoudsopgave

De Trouringh handelt over de Liefde. Die is de meeste. Zie mens en dier; zie de onbezielde natuur, “siet de zeylsteen en het yser”, dat elkaar aantrekt, ziet “het amber en het stro.”

Leringen nu wekken, maar voorbeelden trekken. Daarom:

“Ick heb by een gebracht verscheyde trou-gevallen,

Om daer te mogen sien hoe jonge sinnen mallen,

En hoe een rijper aert bequamer vvegen vint,

En hoe een reyne ziel haer tochten overvvint.

Maer dat is niet genoegh. VVy moeten ondersoecken

VVt al wat Reden hiet, uyt alderhande boecken,

VVie in dit noest gewoel de rechte baen verliest,

En vvie in tegen-deel de beste vvegen kiest.

Al hooger, mijn vernuf, vvy moeten onder-gronden

Het vvonderbaerste stuck van alle trou-verbonden,

Des Heeren diepste gunst, des hemels grootste vverck,

Hoe God de Sone paert met syn geminde Kerck.

Almachtigh, eevvigh, goet, oneyndigh, heyligh, vvesen,

Naer eysch, en rechte maet, by niemant oyt gepresen,

VViens onbegrepen VVoort de vverelt heeft gebout,

En noch door hooge macht geduerigh onderhout,

Die Adam hebt vergunt door u te zijn geschapen,

En in syn even-beelt syn lust te mogen rapen,

Die noch voor yder mensch, tot heden op den dagh,

Beschickt een eygen deel dat hem vernugen magh.

Die even uvve Kerck den segen hebt gegeven,

Te kennen voor een hooft den Prince van het leven,

En, uyt u diepste gunst, de menschen hebt gejont

Een noyt begrepen heyl, een eeuvvigh trou verbont.”6

Zo schikt Cats, “naar het motief van het wondere huwelik zijn lier aanstemmend, heel het menselik leven om dit éne middelpunt. En ongemerkt glijdt langs gouden draad deze aardse liefdeweelde over in de mysteriën van het geestelik huwelik.”7

Want—“door-leest vry trou-gevallen van alderley eeuwen en volcken met vermakelickheyt, overleghtse in u selven met wijsheyt, steltse in ’t werck met omsichtigheyt, en geniet vry u deel daer van met vernougen: dies alles niet tegenstaende, soo sal’t al te samen eyndelick komen uyt te loopen tot enckele ydelheyt, jammer en verknisinge des herten, ten zy sake dat u gesicht en oogemerck komt te eyndigen in dat groot en onbegrijpelick trouverbont...: door middel van het welck het schepsel wort vereenight met synen schepper, de gemeente met haren bruydegom, en de ziele met haren Salighmaker. Laet vry Salomon op-soecken tot sijn vermaeck alles wat sijn ooge wenschen magh, laet hem verkiesen menighte van inlantsche ende uyt-lantsche wijven, koninghs dochteren, Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonitische en Hethitische, tot seven hondert in getale, en boven dien drie hondert by-wijven; noch sal hy ten uyt-eynde van dien allen, klagelijck uyt-roepen, ’Tis allemael ydelheyt, jammer, ende hertenleet. En sal ten lesten tot besluyt seggen, Laet ons de hooft-somme aller leere hooren: Vreest God, en hout syn geboden; vvant dat behoort alle menschen toe. Eccl. 12.13. Siet, lieve, daer alleen is eyndelick rust en lust te vinden, ende te vergeefs wert die elders gesocht: laet daer u beste sinnen veel henen gaen, en uwe suyverste gedachten op-stijgen, even terwijl ghy besigh zijt om voor u een gewenscht geselschap en een bequame huys-sorge te bekomen. Hij en reyst mijns oordeels niet wijsselick, die in’t vorderen van sijnen wegh vergeet, wat eygentlick het eynde ende oogemerck is van dat hy begonnen heeft.”8

Hoe intenser en praktieser er geleefd wordt, hoe meer de geest ’t evenwicht daartegen zoekt in zijn fantazie; maar ook, hoe meer de buitengewone daden van sommigen tot fantazeren aanzetten.

De romantiese trek naar het ongewone en stoute, een grondtrek van ’t Nederlandse karakter9, blijkt uit avontuurlike zeereizen, als die van Bontekoe, van Willem Barentz, van zovele anderen; in sommige wonderlike stukken van Rembrandt; de stoute poging van de Groot om het recht van vrede en krijg tot een vast systeem te brengen; in het nog stoutere waagstuk van Spinoza om het Godsbegrip tot een mathematiese zedelike formule te herleiden. In welke volksgeschiedenis is een romantieser tafreel te vinden dan die van Tromps aanval en overwinning bij Duins? Die aanval van een klein getal schepen op deze nieuwe armada, dat eensklaps aangroeien van onze vloot, dat geven van stengen en buskruit zelfs aan de overmachtige vijand, is ’t niet alsof alles tot het gebied van de romantiese legende hoort?”

En wat al romantiese verhalen ook in de Trouringh: “uit alle oorden en alle tijden wist hij zijn volk wat te vertellen.”

’t Boek is als Cats, ‘zeitgemäss’ en aktueel. Evenals Hooft zijn Historiën aantrekkelik maakte door over toen bekende historiese personen mededelingen te doen, zo ook Cats. En hij wist veel van deze. Nu eens memoreert Cats een verhaal van een gebeurtenis tijdens de pest, die in Holland woedde, hoe op “seker dorp in Zuyt-Hollant (soo men my heeft doen verstaen)”, een vroegere minnaar de zieke vrouw in zijn eigen huis verpleegt, terwijl de eigen man bang voor de ziekte, haar in de steek had gelaten; als zij geneest, trouwt ze de trouwe verpleger. Dan verhaalt hij van wat een hollants vrijer overkwam, die “op-settelick de Jacht om zeylde, op dat hy (wel konnende swemmen) aen syn geminde soude mogen toonen de trou-hertige genegentheyt.” Of hij weet iets van zeker “eerlick jongelingh”, die eerst om zijn ongegoedheid afgewezen werd, maar later, toen de ouders van het meisje alles verloren hadden, en uit Vlaenderen naar Engeland waren uitgeweken, toch het meisje tot vrouw kreeg; hoe toevallig ze elkaar ontmoetten in een “slecht vertreck” van een herberg. Hij vertelt van een “jonge deerne binnen de stadt van Amsterdam,” die door vrienden en voogden, op hoop van haar erfenis belet werd te trouwen, en welke remedie zij daartegen nam.” Of ook van een “oudt, wijs, en aensienelick man, die zijn dochter als vrouw aan een bequaem jongelingh” aanbood. Hij verhaalt van een andere vader, die zijn enige dochter onterfde om dat zij tegen zijn zin zich met “de vrijer buyten den lande hadde begeven.” Hij maakt melding van een brief die in 1632 de Prins in handen kwam, en waarin “sekere joffrou van aensien” omtrent haar nicht een-en-ander minder lofwaardigs voorstelde; als hij “de jonckvrouwe noemde, ick geloove datse aen u en andere wel bekent soude wesen.” Hij weet van de weduwe, die, voordat haar eerste man stierf, al “trou-belofte” had gegeven en die later deze niet hield, en niet behoefde te houden, omdat zo iets vooraf te doen verboden was; en hoe gelukkig zij toen zich gevoelde, omdat ze een ander genegen was. Hij kent de “dochter van een voortreffelick persoon” in Nederland, die, om haar schaker te redden, verklaarde “den jonck-heer selfs versocht” te hebben. Hij berijmt in den brede meer dan éen geval, zo een “Zeeus houwelick”, en een “geschiedenisse, in Hollant voorgevallen.”

Hij weet van tal van histories iets mede te delen, van zovele, dat hij schertsend zelfs Sophroniscus aan Philogamus laat vragen: “Tuyten u de oiren noch al niet van de menighfuldighe trou-gevallen, die wy dese voorlede dagen te samen over den hekel hebben gehaelt?” Want hij bespreekt—in pittig proza—in die trouwzaken, hoe die hier, en ook in Indië zijn behandeld.—“Dese en diergelijcke dingen zijn dienstigh bedacht te werden in desen onsen tijt, daer veel mans soo langhdurige reysen op Oost en West-Indien ter hant nemen, en dickwils veel jaren uyt-blyven”..... Hij handelt er over hoe dergelijke huwlikszaken in Zuid-Nederland, in Duytsland, in Frankrijk beoordeeld worden. Dit alles met voorbeelden en toelichtingen uit het “hedendaagse, Romeynse en kerkelick recht” opgehelderd.

Immers: Nederlanders zwierven de wereld over:

“ghy meught op heden gaen

Oock naer het heet Brasil, of na den Indiaen...

Men vinter Nederlants, men vinter Hollants bloet.”

Met de Hervorming was al wat, in ’t algemeen of in ’t biezonder, ethies-juridies vaststond in de ME., op losse schroeven geraakt.

Wat al kwesties van praktijk en theorie kwamen niet op. Vader Cats voelde dit: hij de praktikus! Hij gaat ze uiteen zetten: de vragen van den dag in zijn tijd.

Een kwestieus punt in die dagen was of een Protestant een Katholiek mag trouwen: “het bysonderste dat uyt dese gheschiedenisse in bedencken behoort te komen: een hooft-stuck.”—Een ander is: “of het een Christen geoorloft is syn handen te laten sien om eenige voorsegginge in ’t stuck van syn houwelick daer uyt te mogen verstaen? of dat hy andere middelen vermagh te gebruycken, om van toe-komende dingen de uytkomste te weten.” Dan, kan men uit de polsslag opmaken of iemand verliefd is.—Zo Cats nu leefde, zou hij uit het schrift zijn konkluzies hebben getrokken: of iemand verliefd was in ernst, of ’t maar voorwendde, “om de wille van de smeer.”

Cats-zijn “betrachtinge” in de gehele Trouringh is geweest, “t’elcken nieuwe gevallen en van een bysondere uytkomste voor te stellen: ten eynde om door de verscheydentheydt van stoffe, geduerighlijck versche bedenckingen in den leser te verwecken; opdat alsoo yeder een yet wat hier soude vinden dat op syne bysondere gelegentheyt soude mogen slaen. Waer in ick meyne soo veel gedaan te hebben datter by-naest niemant en sal gevonden werden, of hy en sal aen het een of het andere trou-geval syn eygen konnen toutsen en ter preuve stellen.”

In de “Tafel” van de Trouringh vindt men een lijst van de meeste gevallen; nog meer staan er in de tekst zelf. Hier volgt die Tafel:

Het volgende VVerck bestaet in vier deelen, vvaer van het eerste deel begrijpt vijf bysondere Trou-gevallen ontleent uyt de H. Schrifture.

Het eerste daer van is de beschrijvinghe van ’t houwelick der eerste voor-ouderen Adam ende Eva.

En volght by die gelegentheyt een onderlinge t’samen sprake, waer in wert gehandelt van verscheyde bedenckelicke vraeghstucken ontrent den echten staet: ende onder anderen,

1 1 Offet alle menschen geoorloft, en dienstigh is te trouwen, dan niet.

2 2 Offet beter is getrout of ongetrout zijnde te leven.

3 3 Wat middelen prijsselick zijn om een vrouwe te bekomen, en hoedanige niet.

4 4 Hoe veel het gebedt, en de in-vallen daer op volgende, is toe te schrijven in dese gelegentheydt: en sonderlinghe exempelen daer op slaende.

5 5 Offet beter is onder houwelickse voorwaerde te trouwen, dan niet.

6 6 Vrouwen weyger-kunste in ’t geheym van ’t houwelick.

Het volgende trou-geval, wesende het tweede, vertoont aen den leser een houwelick van drien: dat is, van Iacob met Lea en Rachel, Labans dochters.

En by gelegentheyt van ’t selve een t’samen-sprake, daer in wert verhandelt,

1 1 Het stuck van de Polygamie, ofte veelwijvigh houwelick.

2 2 Van de dwalinge ontrent de personen in ’t stuck van houwelick, en wat voor werckinge de selve voort-brenght.

3 3 Van de houwelicken die op schoonheyt haer ooghmerck hebben, en hoe verre de selve geoorloft of ongeoorloft zijn, ende diergelijcke vraegh-stucken meer.

Het derde trou-geval behelst de beschrijvinge van ’t houwelick van Athniel en Ascha dochter van den vorst Caleb.

En by gelegentheyt van ’t selve een t’samensprake op bedenckelicke pointen:

1 1 Op de houwelicken van State.

2 2 Op de macht der Ouderen ontrent het besteden van hare kinderen, en of beyder bewilginge wert vereyscht, dan niet.

3 3 Op de gelegentheyt van jonck-vrouwen die als prijsen voor-gestelt werden om met sterckte des lichaems, worstelen, snel loopen, of diergelijcke oeffeninge, gewonnen te werden.

En by die gelegentheyt in ’t voor-by gaen,

De beschrijvinge van ’t houvvelick van Hippomenes en Atalante, uyt de oude Poëten.

Het vierde trou-geval bestaet uyt de beschrijvinghe van den Maegden-roof der Benjamijten te Sçilo.

Waer op volght,

1 1 Een ondersoeck van houwelicken door ontschaken te wege ghebracht, en de macht der Overigheyt in dien deele.

2 2 Van de ontvoeringe met wille van een jonge deerne ghedaen, en of de selve straffe van ontschakinge verdient.

3 3 Of een vrou-mensch willende trouwen met haren ontschaker d’Overheyt sulcx behoort toe te staen, dan niet.

4 4 Offet waerachtigh is dat een jonge deerne dien lief heeft, die haer eerst van haren maeghdom ontset, &c.

By het vijfde trou-geval wert beschreven het houwelick van David met Abigaïl.

En by dîe gelegentheyt werden in ondersoeck gebracht,

1 1 De houwelicken van weduwen ende weduwenaers: en offet beter is een goet of een quaet mans weduwe ten wijve te nemen.

2 2 De houwelicken die door tusschen-gaende personen uyt werden gewracht, en of sulcx dienstigh is, dan niet.

3 3 De houwelicken daer een man een sneger, verstandiger of wijser vrouwe verkiest als hy selfs is.

4 4 Of een vrouwe aen een droncken man de schuldige goet-willigheyt moet geven, dan niet.

5 5 Van nieu-gehoude die in ’t harnas beslapen worden.

6 6 Of men een man of vrouwe by testamente magh besetten.

7 7 Een groote menighte van twijfelaehtighe vraegh-stucken, soo over vryagien als het houwelick selfs.

Het Tweede Deel Bestaet uyt Trou-gevallen ontleent van de oudtste tijden naest de Bibelsche historien.

Het eerste geval begrijpt het ongelijck houwelick van Crates en Hipparchia.

Waer door in bedencken komt,

1 1 Offet altijt best is dat yder syns gelijcke trouwe.

2 2 Of yemant willende trouwen, syn heymelick gebreck openbaren moet: immers of voor nieu-getroude sulcx dienstigh is om malkanderen beter te mogen vieren.

Hier een by-voughsel van een nieuvve geschiedenisse op die gelegentheyt, dienende om man en vvijf aen te vvijsen een middel om malkanders gebreken te konnen vieren.

1 3 Of een jonge deerne een kint te voren hebbende gehadt, sulcx, ten houwelick versocht zijnde, behoort te openbaren.

2 4 Of sulcx naer het houwelick geweten zijnde, het selve daerom magh ghescheyden werden.

3 5 Of jonge dochters voor haer selven een man mogen versoecken.

4 6 Of men behoort te trouwen yemant die uyt-wendige en sienelicke ghebreken heeft.

5 7 Wat eygentlick de beweegh-reden en oorsaeck is van liefde. En by die gelegentheyt, Een tvveede verhael, van een plotselicken in-val een Italiaensche jonckvrou over-gekomen, en een houvvelick daer uyt ontstaen.

Een derde in-vallende gelegentheyt, van een Zeeus houvvelick, te vvege gebracht door gevaer des levens; dat anders niet en vvilde vallen.

Een vierde geschiedenisse, in Hollant voor-gevallen, van een houvvelick gevordert door ’t pijnelick genesen van een af-keerigh gebreck, om de vrijster te behagen.

Een vijfde geval, roerende een sonderlicken onlust midden in de lust plotselick ontstaen.

Een seste verhael, van een jonge vrouwe die haer van schoon gansch leelick maeckte, om haren man te behagen.

Het tweede trou-geval bestaet in ’t verhael van een sonderlinghe geschiedenisse van twee Grieksche jonck-vrouwen by een edelman op eenen dagh verkracht: en het bedenckelick gedingh daer uyt ontstaen.

Waer door in bedencken komt,

1 1 Of een verkrachte dochter wel doet haren ontschaker te trouwen.

2 2 Of een jongelingh wel doet een deerne te trouwen, die by een anderen verkracht of onteert is.

3 3 Of een courtisane, of een vrou-mensch dat met haer lichaem gewin heeft ghedaen, dient getrout.

4 4 Eyndelick van houwelicken door het verbidden van misdadige te wege gebracht.

In het derde trou-geval wert verhael ghemaeckt van een vorstelijck houwelick, veroorsaeckt door een droom of nachtgesichte.

En wert by die gelegentheyt ondersocht,

1 1 Van wat gewichte dat droomen zijn, sonderlinghe in de gelegentheydt van houwelicken.

2 2 Hoe men goede ende goddelicke droomen kan onderscheyden van de bedriegerijen van de boose geesten.

3 3 Wiens sinnelickheydt gevolght moet werden, soo wanneer een vader en een dochter, d’een met desen, d’ander met genen vrijer genegen is een houwelick aen te gaen.

In ’t vierde trou-geval wert beschreven het houwelick tusschen Cyrus en Aspasia; dat is, tusschen een groot-vorst, en een geringe lant-vrijster: met een spoock-vryagie tusschen beyde.

Waer uyt dan komt t’ontstaen het ondersoeck,

1 1 Van spokerije die in liefde gebruyckt wort.

2 2 Van de kracht der minne-drancken.

3 3 Van teyckenen en characters om liefde te verwecken, en diergelijcke.

Het verhael van de wonderbare liefde van den keyser Charlemagne, mitsgaders van Cha,Selim groote Mogol.

Het Derde Deel, Behelsende verscheyde geschiedenissen onsen tijt naerder komende als de voorgaende, oock eenighe onlanghs voor-gevallen.

In-leydinge. De Wijsheyt spreeckt, tot uytlegginge van de Titel-plaet.

Het eerste trou-geval is ’t houwelick van Emma, jonge prinçesse, en dochter van den keyser Charlemagne, met Eginart des selfs Secretaris.

Waer uyt ontstaen de volgende vraeghstucken,

1 1 Of het dienstigh is een houwelick te vorderen door sigh meester te maken van de eerbaerheyt van de gene die men ten houwelicke versoeckt.

2 2 Wat een vader vermagh of behoort te doen, ten aensiene van een dochter die buyten syn wete of danck met trou-belofte ofte by-slapen haer ontgaen heeft.10

3 3 Wat in soodanigen gelegentheyt beter is hart of sacht te wesen: en daer toe bedenckelicke exempelen.

4 4 Of een vader syn dochter magh ont-erven, vermits sy buyten syn weten, of tegen synen danck getrout is.

Het tweede trou-geval begrijpt in sigh het houvvelick van koningh Ulderick van Bohemen ten eenre, ende Phryne Bocena een herderinne ter anderer zijden.

En wort by dese gelegentheyt ondersocht,

1 1 Of prinçen wel doen sigh te versellen met geringe vrou-personen.

2 2 Of gelijckheyt van gebreken dienstigh is tot eendracht van de gehoude.

3 3 Bedenckenheyt op de schoonheyt der vrouwen.

4 4 Van het queesten dat in sommige gewesten van Noort-Hollant wert geseyt gebruickelick te wesen.

5 5 Of vrymoedigheyt in jonge maeghden prijsselick is, dan niet, &c.

Het derde trou-geval behelsende een selsaem houwelick tusschen een Spaens edelman ter eenre, ende een heydinne ofte lantloopster (soo doen gemeynt wert) ter anderer zijden: met eenige bysondere tusschenvallen.

Waer door in ondersoeck koomt,

1 1 Den oorspronck van de landt-loopers (anders heydens genaemt.)

2 2 Of men uyt den pols kan gewaer worden dat yemant verlieft is: dat is, of de liefde eenen bysonderen aderslagh is hebbende daer aen de selve te kennen is.

3 3 Of uyte hant van yemant toe-komende dingen of yemants heymelicken aert geseyt kan werden.

4 4 Of men op houwelickse saken, of andere toe-komende dingen, magh ondersoeck doen.

5 5 Van de Physiognomie oft wesen-kennisse: en wat uyt het gelaet, gestalte des lichaems, en diergelijeke voorgeseyt kan werden.

Een tusschen-val poëtelick verhandelt, van liefde sonder sien vervveckt, en schoonheyt blindelincx verkoren.

Het vierde geval is een Fransche geschiedenisse, gansch vreemt, sonder exempel, en vol doortrapte rancken.

En daer uyt dese volgende bedenckingen,

1 1 Offet goet is trou-belofte te doen tusschen kinderen in de wiege, of anders minder-jarigh zijnde.

2 2 Wanneer de vrouwen mogen her-trouwen by af-wesen of uyt-blijven van hare mans.

3 3 Onmacht van mans wat werckinge in het stuck van houwelick uyt-brengt.

4 4 Nestel-knoop in Vrancrijck van vvat kracht en eygentschap aldaer gehouden wert.

5 5 Of een kint dat in overspel is gewonnen eeniger wijse wettigh genaemt kan worden; ende om wat redenen.

Het vijfde verhael bestaet in de prachtige en dertele liefkoserije van Marcus Antonius velt-overste van de Romeinen, en Cleopatra koninginne van Egypten.

Een by-voughsel van een droevigh trou-geval tusschen den koningh Masanissa en de koninginne Sophonisba.

Een Hollants trou-bedrogh onlangs voor-gevallen.

Rosen-krijgh, de Griecsche dichters na-gebotst.

Een jammerlick en bedenckelick verhael, dienende tot vvaerschouvvinge van alle ouders om op hare dochters acht te slaen.

Het seste trou-geval bestaet in de beschrijvinge van de opkoomste van Rhodope: eerst gevrijt ende ten houwelicke versocht van seven bysondere jonge-lieden van verscheyde gelegentheyt, die yder met een bysonder ghespreck haer beroep aen de selve soecken aengenaem te maken.

Waer by naderhant koomt de beschrijvinghe van een bedaeght mans liefde: met een tusschen-val, vervatende het krackeel van de Doot met de Liefde.

Volgt by dese gelegentheyt een ondersoeck,

1 1 Waer op eygentlick yemant die een vrou of man wil verkiesen, behoort te sien.

2 2 Wat van houwelicken by ’t lot, of diergelijcke middelen te wege gebracht, te houden is.

3 3 Een bedenckinge op het trouwen van een oudt man met een jonge vrouwe: of een jongh man met een oudt wijf.

Volght een verhaal van liefde door het vlechten van een krans vervveckt.

Toe-mate, ende besluyt, bestaende in de beschrijvinge van de Vrijster-marckt, in sommige gevvesten gebruyckelick, en hoe men aldaer beyde leelicke en schoone aen den man brenght.

Het Vierde Stvck Behelst het Geestelick Houvvelick. Daer in te vinden is,

De beschrijvinge van de Sond-vloet.

D’ontschakinge van Dina.

De kopere slange in de woestijne: en andere geschiedenissen uyt ’t Oude Testament.

Noch het Hooge-liet Salomons.

De geschiedenisse en klachten vande verlatene Babylonische vrouwen.

De bysonderste geschiedenissen van het Nieuwe Testament: als de neder-komste ende groete van den Engel.

De geboorte Christi.

De lof van de H. maget Maria.

Kinder-moort Herodis.

Wonder-wercken, leere, en leven Christi.

Desselfs lijden, en daer op verscheyde bedenckingen.

Eynde ick de beschrijvinghe van den jonghsten dagh en het oordeel.

Wat worden hier een aktuéle kwesties aangeroerd. En met hoeveel romantiese zin zijn die verhalen gesteld. En met hoe grote kunst is deze Trouringh ineengezet.

De nieuwste wetenschap van die tijd wordt meegedeeld. En de geleerdsten van zijn tijd worden hierbij in rade geroepen. Cats-zelf was een authoriteit. Was hij zelfs niet de “geleerde Cats”11, de evenknie van Hooft, Reaal, Vossius, ja, van Hugo de Groot; werd hem, de Zeeuw, in de gouden tijd van onze geleerdheid niet in ’t naijverige Holland het professoraat in Leiden aangeboden?

Cats met zijn geleerdheid schuilt in deze Trouringh: geen wonder dat hij, aan wie ’t vrouwvolk van de jeugd af had bevallen, het werk opdraagt aan de geleerde Anna Maria Schuurmans:

“Die in de Nederlandtsche, Hooghduytsche, Fransche, Latijnsche talen, soo wel ervaren is geweest, dat sy daer in loffelick spreken, brieven schrijven, en dichten konde.

Die in de Griecsche, Bibels-Hebreusche talen soo wel geoeffent was, datse daer in de Auteuren lesen, verstaen, daer van oordeelen, oock in schrijven konde.

Die in de Italiaensche ende Engelsche talen soo verre is gevordert geweest, dat sy boecken op saken van State, of diergelijcke, bij den Italianen geschreven: en daer beneffens de uyt-nemende Theologische boecken by den Engelschen uit-gegeven, lesen ende gebruycken konde.

Die in de Rabbijnsche-Hebreusche, Chaldeusche, Syrische, Arabische talen soo veel geleert hadde, datse die konde lesen, verstaen, en met de heylige Hebreusche tale confereren, tot reynder ende geleerder openinge van de H. Schrifture. Die vorder van sin en voornemen is geweest in toe-komende, met Godes hulpe, daer in voort te gaen, en daer noch by te voegen het Samaritaens, Æthiopisch, ende Persisch, verwachtende alleen maer noodige boecken tot uyt-werckinge van haer loffelick voor-nemen.

Die in de Historien, Poëten, Orateuren, ende andere goede schrijvers, mitsgaders de liberale konsten, neffens de Philosophische, ende andere wetenschappen, soo wel belesen ende ervaren is ghevveest, datse daer van discoureren, ende over de swaerste stucken ende questien der selver dicteren ende in ’t schrift stellen konde.

Die voortreffelijcke kennisse hadde, ende een diepsinnigh oordeel, in Theologiâ Textuali, Dogmaticâ, Practicâ, Elencticâ; selfs tot de swaerste ende subtijlste Scholastique questien toe.

Die haer dagelicx noch neerstelick oeffende in alle deelen ende methoden der Theologie.

Die in de Schrijf-konste geen meesters en hadde te wijcken: jae te boven gingh de netste ende aerdighste drucken, en dat in ’t Hebreusch, Syrisch, Arabisch, Griecx, Samaritaens, Æthiopisch, Latijns, Italiaens, &c. ende de meeste Handen van dien op verscheyde manieren, als Capitale letters, Staende, Loopende, kunstelick konde schrijven.

Die in ’t Teyckenen en Schilder-kunste wel was ervaren.

Die zijde bloemen of diergelijcke naer het leven konde bordueren.

Die Teyckenen konde met Pot-loot, De Penne, Crayon, &c.

Die wist te Schilderen in miniature, ofte water-verwe.

Die de wetenschap hadde met een Diamant op het glas geestigh te schrijven.

Die konde Hout-snijden, of met een Pennemes in palmen-hout Conterfeytsels maken.

Die de wetenschap hadde van plaet-snijden tot haer eygen Conterfeytsel toe.

Die wist te boetseren in wasch.

Die in de Musijcque loffelick was ervaren.

En van gelijcke mede in het slaen van de Luyt.

Nu soo isset alsoo, dat niet alleen de hooge Schole van het Sticht van Utrecht, maer oock menigh geleert man in Hollant met volle reden van wetenschap kan getuygen, dat al het gene voren is verhaelt, gelijckelick is te vinden in den persoon van Jonckvrou Anna Maria Schurmans...”12

Zo iemand was de opdracht van Cats z’n geleerd werk waardig.

Cats was populair onder de vrouwen en mannen van de daad in de XVIIe eeuw: geen wonder! Cats bevredigde fantazie en weetlust: ’t was de eeuw van onderzoek, op elk gebied, in Nederland; hij prikkelde bij al zijn leren tot beleven; tot daden doen! En deed dit poëtieser dan iemand anders van zijn tijdgenoten.

III

Inhoudsopgave

In een brief, dd. 11 Nov. 1633, aan prof. Barlaeus, geeft Cats enkele stukken aan, welke hij van plan is een plaats in zijn Trouringh in te ruimen.13 Hij heeft deze “gevallen niet erdicht, ofte in (syn) eygen breyn gesmeet, gelijck het gebruyck van de Poëten veel plagh te wesen: maer (hy heeft) beter gevonden, de geschiedenissen van goede schrijvers te ontleenen”; evenwel heeft hij ze “breeder uyt-gemeten als die by de oude schrijvers gevonden werden ... Sulcx dient sonderlinge tot beter glimp van de stoffe, ende tot meerder vermakelickheydt van den leser” ...

Uit zeer uiteenlopende werken van eigen en ouder tijden heeft Cats nu zijn verhalen in de “Trouringh”, gelicht, en minder of meer vrij bewerkt. Men vindt wat gevonden is, aangewezen en besproken bij J. Bolte, Tijdschr. XVI, 241, n.—Dr. A. S. Kok, Van Dichters en Schrijvers I, 81.—Dr. J. A. Worp, Noord en Zuid XX, 39 tot 66.

Ook was zijn doel de “Nederlantsche tale te verçieren, de Hollantsche gedichten sacht-vloeyende en sonder stoot en stop-woorden te maken; ten eynde de selve eenpaerlick en sonder stuyten gelesen mochten werden”.14

De verhalen in de Trouringh van Cats worden meestentijds afgewisseld door samenspraken tusschen Sophroniscus en Philogamus over “vraegh-stucken (die) uyt ydere geschiedenisse rijsen.” De eerste is “out-man ende weduwenaer”, de ander “jonghman ende noch ongehout”; deze overlegt hoe hij “bequamelijck uyt desen eensamen staet tot een geselligh leven soude mogen komen.” Het hapert hem er maar aan dat hij “te weynigh kennisse van saken hebbe in die gelegentheyt, en noch de rechte gronden niet en weet van dat groot werck.” Waarom de eerste hem “een nieu Poëtisch werck” in handen geeft, “verscheyde gedenck-weerdige trou-gevallen .... voor oogen stellende...” Met aandacht zal hij “letten vvatter voor aenmerckingen uyt sullen te trecken syn ... ende daar nae willen vvy reden en tegen-reden onderlinghe seggen en hooren.”15

Dit is niet door Cats “over-al in volle leden ghedaen konnen werden, vermits (s)ijn ampt (geduerende den tijt dat (hij) met het voorsz. Werck besigh was) (hem) veel beswaerlijcker quam te worden als wel te voren. In vougen dat (hy s)yn begonnen ontworp naer eysch van saken niet en (heeft) konnen vol-trecken: maer (heeft) de vervullinge van verscheyde bedenckelicke vraegh-stukken ghelaten aen het oordeel van den ervaren en geoeffenden leser.”

Deze dialogen waren algemeen in de XVIIe en in de XVIe eeuw: ’t hoofddoel was aangename geestverrijking: ze behandelden in elegante causerie alle vragen van kunst, smaak, wetenschap, zeden. Vooral in Italië was dit genre inheems.—Lucianus, en Athenaeus waren ’t voorbeeld, zie vertaling en commentaren door Casaubonus.—Vgl. Erasmi Colloquia; Bargagli’s Trattenimenti; Cremaille’s Jeux de l’Incognu; Harsdörffer’s Frauenzimmergesprächbücher (dames-encyclopaedie).

Ook in de Middeleeuwen vindt men al deze leerzame dialogen in navolging van Augustinus.16

IV

Inhoudsopgave

Ex uno disce omnes.

Een van de meest bekende is het “Selsaem Trou-geval tusschen een Spaens Edelman ende een Heydinne, soo als de selve edelman, ende alle de werelt doen geloofde”, of kortweg genoemd Het Spaens Heidinnetje.

Cats zelf vond het nog al biezonder: in de oudste druk staat het met een mooi vignet, en een extra groot ’hoofd’ boven de bladzij waar ’t begint, en wordt op biezondere wijs onderscheiden ook door het bericht in de Tafel.

Cats wilde prof. Barlaeus overhalen zijn Trouringh in het Latijn te bewerken. Hij noemt in een van zijn brieven aan deze professor17 zekere doctor Pozzo; die zou dit Spaens Heydinnetie in het Spaans hebben bewerkt, maar die schrijver heeft hij niet onder de ogen gehad. Dit aardige verhaal heeft enige overeenkomst met de vertellingen, van Heliodorus. Dan deelt hij Barlaeus de inhoud mede.

De 20 Febr. 1634 zendt hij het hem, in ’t ruwe afgewerkt. Of het waar is, zoals zijn zegsman vastelik beweert, of verzonnen, en of het pas gebeurd is, of dat het aan de oudheid is ontleend, laat hij in ’t midden. Hij geeft Barlaeus volle vrijheid er in te veranderen, wat hem goed dunkt. Het stuk wacht en vereist nog een tweede doorwerking; de minste verandering is reeds uitstekend.18

Deze kwam in 1643 uit; het privilegie is van 7 Desember. Daaronder als “Cheiromantis” het Spaens Heydinnetie.

Cats hield dus Pozzo voor de auteur. Maar ’t verhaal is een van de “Novelas ejemplares” van Cervantes; die zegt dat hij ’t verhaal vond bij “el licenciado Poço”.

Heeft Cats niet geweten dat Cervantes de auteur was van “la Gitanella de Madrid?” Hij noemt hem niet! En overal elders citeert Cats zijn bronnen wel! Hoogstwaarschijnlik had Cats het verhaal in een vertaling gelezen; dan nog was zijn zeggen juist: “historiam ... ex hispanorum monumentis hausi.” ’t Was “zeer waarschijnlijk een Italiaanse, daar hij spreekt van Ferdinando, voor ’t spaanse Fernando”19

De Novelas ejemplares van Cervantes verschenen in 1613—waarin de Gitanella—en zijn vele malen herdrukt of nagedrukt. De franse vertaling is van 1621 door F. de Rosset en d’Andiquier. De italiaanse is van 1626 door Guglielmo Alessandro de Novilieri Clavelli, in Venetië; met de naam van Cervantes op ’t tietelblad; in 1627 verscheen de tweede (van D. Fontano), en 1629 nog een derde, de beide laatste in Milaan. Maar mischien ook stond het verhaal in de een of andere bundel novellen.20

Zodat we nog niet met zekerheid kunnen aangeven waar Cats zijn Pozzo-Gitanella kan gevonden hebben.

In 1643 kwamen uit vier verhalen, vertaald door F. V. S.—“moogelyk Felix van Sambix, die den drukker is geweest” zoals van Meekeren meedeelt in zijn voorrede van “De doorluchtige dienstboden”, door hem naar een van deze verhalen bewerkt. Zij verschenen bij Felix van Sambix in Delft; het eerste, tweede en vierde zijn van Cervantes. Dit laatste is Het schoone Heidinnetje.21

Heeft Cats ook deze niet gelezen, dat hij in latere drukken het eerst-medegedeelde niet gepreciseerd heeft?

In J. van Beverwyck’s Schat der Ongesontheyt (1660) (blz. 106) wordt dit Spaens Heydinnetje gedeeltelik aangehaald, en omtrent de “polsslagh” naar “de redenen aanghewesen by d’Heer Ridder Iacob Cats” verwezen.

Het verhaal van dat Spaanse zigeunerinnetje was erg in trek. Men bewerkt het, men vertaalt het in ’t Nederlands.

M. Gansneb Tengnagel gaf in 1643 uit: Het Leven van Constance, waer af volght het Tooneelspel, de Spaensche Heydin. En Cath. Verwers Dusaert publiceerde in 1641 haar Spaensche Heidin.

V

Inhoudsopgave

Litteratuur over Cats: de monografie van Dr. G. de Rudder, Un poète Neerlandais, Cats, sa vie et ses euvres, Calais, 1898; breedvoerig, met voorliefde geschreven. En daarnaast die van G. Kalff, Cats (Gids 1899, dl. III, 387–435; dl. IV, 69–119); afzonderlik uitgegeven in: Studiën over nederlandsche dichters der XVIIe eeuw 2e herziene dr., 1916; (nieuwe titeluitgave in 1908, van de) 1e dr., 1901.

Een overzicht van leven en werken in F. Buitenrust Hettema, Uit alle de Wercken van Jacob Cats (met Inleiding: XXXIX, 216). 1905.

Verder vooral Van Heeckeren, Vader Cats (1876), in Taal en Letteren V (1895), blz. 73, gepubliceerd.

Dr. A. Kuyper, Het Calvinisme en de Kunst (Rektorsrede), 1888.

Museum Catsianum, door de Jonge van Ellemeet, 2e vermeerderde uitgave, 1887.—

H. Jansen Marijnen, Jac. Cats, een mislukt eerherstel, in Studieën LXXIV (1910) 497.—

Buitenrust Hettema, Van Lennep op Kongressen in Nieuwe Gids 1910, bladz. 411.

De oudere literatuur vindt men bij Kalff, a. w.

VI

Inhoudsopgave

Deze “Zwolsche Herdruk” (Nº. I) werd in 1890 voor ’t eerst uitgegeven. De Inleiding werd in hoofdzaak in 1887 opgesteld; evenwel niet bij de eerste druk gepubliceerd; wel werd een klein gedeeltetje in die eerste druk in de Aantekeningen verwerkt. Bij de tweede (1903), als in de derde, (1913), en in deze vierde druk is die Inleiding verder alleen bijgewerkt.

In deze herziene herdruk zijn de Aantekeningen vermeerderd; de woordelijst vergroot en aangevuld. (De aanhalingen zonder meer zijn alle uit de Trouringh zelf.)

De tekst zelf is afgedrukt naar de eerste uitgave van Cats zijn Trouringh, Quarto, 1637 (Mus. Catsian. nº. 171).22 Deze druk is zo goed als zonder drukfouten.

In de noten is een enkele maal aangehaald de Octavo uitgave, de tweede druk van den Trouringh, van 1638. In deze ontbreken de proza-aenmerckingen.

De belangrijkste varianten uit de folio-drukken van “Alle de wercken”, voor zover zij tijdens Cats-zijn leven nog verschenen, zijn aangetekend.

De eerste van deze, een folio van 1655 (F1), heeft vrij veel drukfouten; overigens stemt de tekst met de eerste druk van 1637, op enkele uitzonderingen na, overeen.

Meer veranderingen in de spelling, maar minder drukfouten, treft men aan in de tweede folio-druk van 1658 (F2).

Niet genoteerd zijn de variante lezingen uit latere drukken. In de tekst van de bekende editie van 1700, die bezorgd en gedrukt werd door Dan. van Dalen, Franç. Halma, de wed. van A. van Someren, te Amsterdam, J. en Wilh. van de Water te Utrecht, is hier en daar gewijzigd; zo heeft deze, om een voorbeeld te noemen: verre voor verde (vs. 596); let my doch, voor hangt my uyt (vs. 939); boot voor biet (vs. 734), troep voor roep (vs. 1032), enz.

De taal der XVIIe eeuw verschilt van de onze voornamelik in de vele woorden, die nu een van de toenmalige, dikwels weinig, afwijkende betekenis hebben. Bij de samenstelling van het Glossarium is voornamelik op deze synoniemen gelet: niet enkel zijn die woorden opgenomen, welke geheel van betekenis zijn veranderd, of sedert uit de taal zijn verdwenen.

De asterisken in de tekst staan in ’t algemeen waar de zin of het woord kon worden misverstaan. Zij verwijzen naar het Glossarium, en in een aantal gevallen naar de Aantekeningen. In beide is evenwel meer opgenomen, dan het aantal asterisken aangeeft.

Ten slotte een woord van dank aan die op enigerlei wijze door hun hulp deze uitgave hebben bevorderd.

Zwolle, Herfst 1921. B. H.


1 Deze werd gedrukt voor Matthias Havius, “opper-Klerck van den Raet-Pensionaris”, by Hendrick van Esch, boeckdrucker, woonende in ’t Hof, in de Druckerije van de Maeght van Dordrecht.

De titelplaat: “A v. Venne, inuen:” en “Crispiaen v.q. sculp:”—heeft als bijschrift: I Cats | Prouf-steen | van den Trou-ringh. | 1636. |

’t Privilegie is van 4 April 1635.

’t Werk is al enige jaren vroeger opgezet en bij gedeelten afgewerkt; zie hierna, blz. XXI, over het Sp. Heyd., en blz. XVIII.

2 Voorreden.

3 Aenm. Adams Houwelick.

4 Voorreden.

5 Verzamelde bewijzen bij Kalff, Cats, Gids 1899, III, blz. 387. En bij Van Heeckeren, Vader Cats: Taal en Letteren V. Verder: Uit alle de Wercken van Jacob Cats, blz. VI. Med. Dr. E.D. Baumann, Johan van Beverwijck, in leven en werken geschetst (1910), blz. 41 vv.—Zie ook over zijn populariteit: Nieuwe Gids 1910, II, 412, Groot Nederland 1911, II, blz. 225.

6 Cats, Trouringh, ’t Gront-Houwelick, blz. 6.

7 Lees verder de mooie bladzijden betreffende Cats van Dr. A. Kuyper, Het Calvinisme en de Kunst, 1888, blz. 34 vv.

8 Vryster-mart (slot).

9 Zo schrijft van Heeckeren (1876) in Taal en Letteren, V, 83.

10 Q. geeft.

11 C. Huygens, Costelick Mal.

Zie o. a. hier Aant. bij 1582.

In zijn Trouringh (1637) 4º, blz. 304 vermeldt hij, hoe het Parlement van Parijs—5e Sept. 1634—het geval beslist van “de broeder des konings.”

12 Bij haar afbeeldsel, achter de Tafel in de Trouringh.—Zie over haar: Eucleria, van haar zelf, Altona, 1673.

13 Tijdschrift Mij. Letterkunde, Leiden, VI. 25.

14 Inleydinge (of “Voorreden”) van de Trouringh 1637.

15 In de voorrede van de Lat. bewerking, die ook in dit opzicht van Cats zijn werk verschilt, worden beide personen aldus gekarakteriseerd: “Loquuntur in Opere Catsii Belgico Sophroniscus et Philogamus, quorum hic discentis, ille docentis partes sustinet, hic amantium officia scire satagit, ille exponit. alter concitatior et ardentior, alter cautior; alter nullum non conjugii modum probat; alter non nisi legibus circumscriptum: hic juvenili ardore et fiducia promit, quiequid dictat amoris affectus, ille senili gravitate regit dictis animos et pectora mulcet, hic, ut vivant, aut ut vivere optent amantes, ille ut vivere oporteat, ostendit.”

16 Ebert, Allgem. Gesch. d. litt. d. MA. II.—Kalff, Nederl. Letterk. I, 419.

17 “Est historia quaedam ex hispanorum monumentis depromta lectu amoena ob varios cuentus: Doctor Potzzo hispanice dicitur eam descripsisse, quem autorem tamen non vidi. habet quaedam similia cum narrationibus Heliodori. argumentum est nobilis quidam hispanus amore ill ctus Aegiptiam puellam (quam nos heijdens vocamus) per longum satis tempus sequitur, vitam illam rudem, mendicam et rusticam tolerat, et mores sorditos istius hominum generis, tandem agnita fuit ista Aegiptia pro virgine nobili et hinc foelix matrimonium.” (Tijdschrift 1.1.)

18 “En igitur tibi historiam quam ex hispanorum monumentis hausi, siue illa vera, vt isti affirmant, siue noua, siue ex antiquitate deprompta, non admodum curo; narratio est rara et amoena, ego rudi Minerea eam tractaui, tu contrahere, omittere, noua inserere, prout videbitar, poteris. locus communis his in Censurâ esse poterit ... narrationes ... rudes sunt, secundas expectant et requirunt curas.

In nominibus si quid mutare tibi visum, non refragabor; teut nica disponam vt potero; minima mutatio etiam optima.” (Tijdschrift 1.1. 27, 28.)

19 Zie J. A. Worp, Noord en Zuid XX, 56.

Of gebruikt Cats Ferdinando om de maat? Wat heeft de franse vertaling? Waarschijnliker toch gebruikte Cats een franse.

20 Worp, a. pl.

21 A. Borgeld, Tijdschr. XXV, 73.

In de Vyf nieuwicheden (1653 door Henryk Takama vertaald) wordt dit Sp. H. vermeld als vroeger al uitgegeven.

22 Alleen de ē (nu en dan) is voluit als en gedrukt; het een enkele maal voorkomende en̄ (naast ende) als ende; de vv als w. Vgl. hiervoor, Cats-z’n tekst op blz. VI.

Mr. N. Beets, Oud-Onder-Direkteur van ’s Rijks Prenten Kabinet in Amsterdam had de welwillendheid de volgende mededelingen ons te zenden over de bijgevoegde autotypieen, waarvoor wij hem onze beste dank zeggen.

De drie tusschen den text geplaatste reproducties zijn genomen naar de oorspronkelijke illustraties van het Spaens Heydinnetie in Cats’ Trou-Ringh (ed. 1637).

Twee ervan (pag. 7 en 15) zijn gegraveerd naar teekeningen van den bekenden Haagschen schilder en dichter Adriaen Pietersz van de Venne (1589–1662), die voor nog tal van andere illustraties van den Trou-Ringh—ook voor de groote titelprent van 1636—de ontwerpen gaf; de een door Crispijn van Queborn (1604–1653 ?); de ander door A. Mattham (1606–1660). De derde (pag. 30) is door denzelfden Adriaen Mattham gegraveerd naar een teekening van den Dordtschen schilder Jan Olis, (± 1610–± 1655) die eveneens eenige teekeningen voor den Trou-Ringh leverde.

Als titel wordt hier gereproduceerd een ets die Majombe met, op den arm, de kleine Constance “behangen met juweelen” te zien geeft. De ets is van Pieter Nolpe (1613–1652) naar Simon de Vlieger (1601–1653), welke laatste ook aan de Trou-Ringh van 1637 medewerkte. Het prentje is er een uit een reeks van zes, alle door Nolpe geëtst. Het zijn illustraties voor

het leven van konstance. Waer af volgt het tooneelspel De spaensche heidin: Door M. G. T. t’Aemsterdam, gedrukt bij Nicolaes van Ravesteyn, voor Johannes Jacott, Boekverkoper by de Beurs, op ’t Rockin, inde vergulde Cronyck, 1643.1

1921. 1913.) N. Beets.


1 Men zie Mr. Ch. M. Dozy: Pieter Nolpe, Oud-Holland 1897 pag. 49.

SELSAEM TROU-GEVAL
TVSSCHEN EEN
SPAENS EDELMAN, ENDE EEN HEYDINNE;
Soo als de selve edelman, ende alle de werelt doen geloofde.

Inhoudsopgave

Daer is een selsaem* volck genegen om te dwalen,1

Gedurigh om-gevoert in alle vreemde palen*,

Dat (soo het schijnen magh) als in het wilde leeft,

Maer des al niet-te-min syn vaste wetten heeft.

5Het laet sigh over-al den naem van heydens geven,

En leyt, al waer het koomt, een wonder selsaem leven;

Het roemt sigh dattet° weet uyt yders hant te sien,

Wat yemant voor geluck of onheyl sal geschien.

Maiombe was het hooft van dese rouwe gasten,

10Die staegh op haer bevel en op haer diensten pasten*,

Sy was loos, vals, doortrapt, en slim in haer bejagh*,

Soo veel als eenigh wijf op aerden wesen magh*;

Sy quam veel tot Madril° of in de naeste steden,

Want mitse* kluchtigh* was, soo wertse daer geleden*.

15Sy had in haer gevolgh al menigh gau verstant,

Soo datse gunst en hulp by al de jonckheyt vant.

Sy stal eens seker kint te midden opter straten,

Dat uyt een edel huys daer eensaem was gelaten,

Het was een aerdigh dier*, maer jongh en wonder teer,

20En ’t is maer twee jaer out, of slechts een weynigh meer.

De meyt, wiens ampt het was hier op den dienst te passen,

Die gaf de buert een praet, en liet het wicht verrassen:

Maiombe was verblijt, niet om het geestigh* kint,

Maer datse rijck gewaet ontrent* syn leden vint.

25Sy geeft haer metten buyt in onbekende vlecken*,

En waer het onguer* heir genegen is te trecken.

Doch wat de moeder socht, en waer de vader schreef,

Men hoort niet hoe ’t haer gingh, of waer het meysje bleef.

Hoe nau daer wort gevraeght, hoe nau daer wort vernomen,

30Men weet niet wat geval het kint is over-komen:

Waer dat men immer* sont, of waer men vragen kan,

’T is al om niet gepooght, geen mensch en weter van.

Maiombe liet het kint verscheyde dingen leeren,

Waer mede dat het mocht syn teere jeught vereeren*,

35Eerst singen na de kunst, oock springen op de maet,

En wat na ’s lants gebruyck een vrijster* geestigh staet.

Het kint wast onderwijl, en leerde vreemde saken,

En grepen na de kunst, en veelderhande spraken,

En selsaem hant-gespel,* en ick en weet niet wat,

40Waer van schier niet een mensch de rechte gronden vat.

Het was van schoone verw, en vrolick in het wesen*,

Daer is een diep vernuf in syn gelaet te lesen:

Het had een wacker oogh, en swart gelijck een git*,

Syn aensicht even-wel is uyter-maten wit.

45Het kon syn frissche jeught, syn wel-gemaeckte leden

Tot alderley gedans* en alle spel besteden*;

In vougen° dat het volck, en wie het maer en sagh,

Sigh van het aerdigh dier als niet versaden magh.

Noch* kan de jonge maeght geen kleyne lust verwecken,

50Als sy met haer gesangh de sinnen weet te trecken:

Men vint dat hare stem een yders herte steelt,

Wanneerse maer een reys een aerdigh deuntjen queelt.

Maer des al niet-te-min sy wil geen vuyle dingen,

Sy wil geen dertel jock, geen slimme* rancken* singen;

55Haer mont is wonder heus, haer oir en sinnen teer,*

Al wat oneerlick* luyt en singhtse nimmermeer.

Des heeftse by haer volck soo veel ontsagh gekregen,

Dat sy het menighmael geleyt in beter wegen:

En schoon dat hun de mont tot vuylheyt is gewent,

60Men hoort geen dertel woort als syder is ontrent.

En of oock al het rot* tot stelen is genegen,

Sy straft het vuyl* bejagh en isser heftigh tegen:

En mits* sy wonder veel met sangh en spelen wint,

Soo is Maiombe zelfs tot stelen° niet gesint.

65Doch sooder eenigh dingh bywijlen is genomen,

Sy doetet aen den dagh en voor de lieden komen;

Maer al door sneegh* beleyt en met een loosen vont,

Soo datter niet een mensch en weet den rechten gront.

Sy riep een van den hoop, en liet hem veerdigh° draven,

70En liet, wat yemant stal, in eenigh velt begraven,

En dat of by een boom, een hooght of kromme bocht,

Ten eynde men het pant by teyckens vinden mocht.

En wertse dan gevraeght op ’t gunter is gestolen,*

En wie het heeft ontvremt, en waer het is verholen,

75Soo maecktse voor het volck een wonder vreemt verhael,

In woorden sonder slot in onbekende tael.

Maer seyt dan op het lest, dat onder gene linden*,

Of aen den naesten bergh het goet is uyt te vinden:

En als men dan het kraem* daer uyter aerden track,

80Soo wast dat al het lant van hare wonders sprack.

Doch sy wist boven al haer saken aen te leggen,

Om aen de losse* jeught geluck te konnen seggen;

Het schijnt dat sy den gront van alle zielen kent,

En schier wat yder mensch in syn gedachten prent

85Sy wist al watter loopt* op in de hant te kijcken,

En hoe dat yemants aert kan uyt het wesen blijcken,

En wat een kleyn, een groot, een puntigh hooft beduyt,

En wat men uyt een oogh of ander lidt besluyt.

Oock uyt den neus alleen soo kanse gronden* trecken,

90Waer heen dat yemants lust of gulle* sinnen strecken;

Want isse plomp, of scherp, of hoogh, of bijster plat,

Sy heeft van stonden aen syn aert daer uyt gevat.

Sy wist als op een draet, nae mate van de jaren,

Wat yder over-koomt en plagh te wedervaren,*

95En wat een teere maeght in haer gewrichte voelt,

En wat een jonge wulp* ontrent den boesem woelt.

Sy weet (gelijck het schijnt) de gangen van de sterren,

Waer in het klouckste breyn by wijlen kan verwerren:

Sy weet en wat de son en wat de mane dreyght*,

100En waer toe sigh het jaer en al den hemel neyght.

Een wie haer openbaert wanneer hy is geboren,

Dien weetse by gevolgh* syn leven na te sporen:

Nu spreecktse wonder breet van druck en ongeval,

En offer yemant arm of machtigh* werden sal.

105Sy weet den leven-streep in yders hant te wijsen,*

Daer uyt een vremt gevolgh en groote dingen rijsen;

Want is de linij recht en sonder krommen tack,

Soo roemtse stage vreught en nimmer ongemack.

Maer valtse dickmael scheef en in verscheyde bochten,

110Soo wort hy dien het raeckt met droufheyt aengevochten*.

Indiense somtijts rijst, en dan eens neder koomt,

Soo dienter voor gewis een swaren val geschroomt.

Sy gaet hier bijster hoogh, sy kent een yders wesen,

Sy kan oock rijcken* selfs uyt hant of vingers lesen:

115En somtijts groot verlies, en somtijts grooten schat,

En somtijts wel een galgh, of oock een schendigh* rat.

Sy wijst een vrijer aen, wanneer hem staet te paren,

Een vrijster ofse veel of luttel heeft te baren,

En ofse by den man sal wesen liefgetal*,

120Dan of hy buyten haer syn lust gebruycken* sal.

Dit meynt schier al het volck alsoo te moeten wesen;*

Soo dat haer laegen naem gansch hooge was geresen,

En al vermits sy breet in desen handel* weyt*,

En van het naer* geheym soo klare reden seyt.

125Genaeckt men eenigh dorp daer weetse flucx te vragen.

Hoe sigh in haer bedrijf* de meeste lieden dragen,

En wie sigh daer ontgaet* in lust of dertel bloet,

Doch meest wat over-al de losse jonckheyt doet.

En als sy gasten vint daer yet op valt te seggen,

130Soo weetse na de kunst haer saken aen te leggen;

Sy maeckt aen yder mensch syn feylen openbaer,

Als of uyt syn gesicht het quaet te vinden waer.

Wat sy van yemant weet dat veynst sy als te lesen

Of uyt het oogh alleen, of uyt het ander wesen*:

135En dit noch altemael met soo een gauwen streeck,

Dat oock de sneeghste* man verwondert stont en keeck.

Als haer een juffer vraeght, wat man haer staet te trouwen,

Sy kan het nieusgier volck gansch aerdigh onderhouwen;

Sy spreeckt als door een wolck en noyt met open mont,*

140En al haer gansch beleyt dat heeft een loosen* gront.

Hoe oyt de sake valt sy kan het al verdrayen*,

Sy kan de gauste selfs met schijn van reden payen;

En alsse dan een reys de rechte gronden treft,

Dan isset dat men haer tot in de lucht verheft.

145Men hielt dat sy gestaegh een geest met haer geleyde,

Die haer als in het oir verholen dingen seyde:

En mits* dit al geschiet door soo een jonge maeght,

Soo isset dat het spel hun des te meer behaeght.

’T geviel om desen tijt dat in dien eygen lande

150Een jongh een aerdigh dier door jeught en liefde brande,

En hy die haer het breyn en oock den geest besat,*

Was even als de maeght met hare min gevat.

Maer daer en was geen raet om oyt te mogen paren,

Vermits sy niet gelijck in goet of staet* en waren;

155De juffer is te* rijck, als maer een eenigh kint,

Soo dat haer drouve vrient voor hem geen troost en vint.

Giralde lijckewel* die bleef tot hem genegen,

En is om synent wil als sieck te bed gelegen;

Maer seyt het niet een mensch wat haer van binnen schort,

160Soo datse menighmael veel drouve tranen stort.

Of schoon een ander lacht, sy kan geen vreughde rapen*,

Sy kan haer in den nacht niet geven om te slapen,

Sy klaeght, en (soo het schijnt) sy voelt gestage pijn,

En desen onverlet* sy wil geen medeçijn*.

165Haer vader niet-te-min die liet een doctor halen,

Maer die gingh even-staegh* als in het wilde dwalen,

Hy weet niet watter schort, hy weet niet wat te doen,

Hy weet voor hare quael geen sap of heylsaem groen*.

Hy staet als buyten spoor, en is geheel verlegen,

170En al wat hy begint dat zijn bekaeyde wegen:*

Dies seyt hy, dat het quaet een langer tijt behouft,

En, siet, hier is het huys* ten hooghsten in bedrouft.

Iuyst op dien eygen tijt soo quammer Preçiose,

Op datse daer ontrent een goede plaets verkose

175Voor haer°, voor haer gevolgh, en voor het gansche rot;

Dies wortse veel gesien ontrent het naeste slot.

De vrouwe van het huys, bewust* van hare saken,

Wou door het aerdigh dier haer dochter wat vermaken;

En daerom sentser om, en leytse voor het bedt,

180En seyde: Niemant weet wat dese vrijster let.

Ghy siet* eens wat haer schort, en soo ghy weet te seggen

Hoe wy dit selsaem stuck behooren aen te leggen,

Mijn gunste, soete* maeght, die sal u zijn getoont,

En ghy van mijner hant ten hooghsten zijn geloont.

185Daer vingh het geestigh dier de vrijster aen te spreken*

Met wonder soet* beleyt en ongewoone streken,

Het queelt een geestigh dicht, het speelt een aerdigh liet;

Maer wat het immer* doet ten* baet de siecke niet.

Als dit Constançe merckt sy gaet sigh naerder setten*,

190Sy gaet in meerder ernst op alle dingen letten,

Sy bid dat al het volck wil* uyt de kamer gaen,

En sprack de siecke maeght in dese woorden aen:

Ey lieve segh een reys (ick dien het toch te weten)

Hebt ghy ontijdigh* freuyt of harden kost gegeten,

195Of is u swacke maegh met suycker overlast,*

Of hebje by geval te langen tijt gevast?

Of is u ’t lijf verdraeyt van op de jacht te rijden,

Of door een harden val gebracht in bitter lijden?

Of is u bloet verhit door al te langen dans,

200Of hebje laet gewaeckt ontrent de maeghde-krans?

Of isser yet verstopt in uwe teere leden,

Daer van ghy die het lijt alleen verstaet de reden?

Of isser yet verstelt* in uwen teeren schoot?

Een maeght magh aen een maeght wel seggen haren noot.

205Spreeckt ront gelijck het dient van u verholen wesen,

Ghy sult door mijn behulp in korten zijn genesen;

Ick weet wat aen de jeught by wijlen kan geschien,

En schoon al ben ick jongh ick hebbe veel gesien.

Giralde seyde neen op al haer snege vragen,

210Dies gaet Constançe voort en opent nieuwe lagen*;

Hoort (seytse) kenje niet een hups en aerdigh quant*,

De schoonste van de stadt, jae van het gansche lant.

Hebt ghy hem menighmael niet geestigh hooren praten,

Of door een gunstigh oogh tot in het hert gelaten?*

215Waerom doch soo geveynst, dat ghy soo langen tijt

Hem in bedencken hout en niet te wil en zijt?

Ey lieve, zoo je meent den vrijer oyt te trouwen,

En wilt hem niet te langh in angst en twijffel houwen.

Een die syn tanden breeckt als hy een note kraeckt,

220Diens vreught is niet te groot schoon hy de keeren* smaeckt.

Бесплатный фрагмент закончился.

178,74 ₽
Возрастное ограничение:
0+
Дата выхода на Литрес:
11 октября 2024
Объем:
142 стр. 5 иллюстраций
ISBN:
4064066311766
Издатель:
Редактор:
Правообладатель:
Bookwire
Формат скачивания:

Похожие книги