Читать книгу: «Zeemans-Woordeboek»

Шрифт:

J. van Lennep

Zeemans-Woordeboek

Behelzende een verklaring der woorden, by scheepvaart en den handel in gebruik en een opgave der algemeene wetsbepalingen daartoe


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066400514

Inhoudsopgave

Voorrede.

Verklaring der gebezigde verkortingen.

A.

B.

C.

D.

E.

F.

G.

H.

I.

J.

K.

L.

M.

N.

O.

P.

Q.

R.

S.

T.

U.

V.

W.

Y , IJ.

Z.

Voorrede.

Inhoudsopgave

By elken Nederlander, immers by den zoodanige, die dezen naam niet uit kracht eener wet, maar uit hoofde zijner afkomst voert, bestaat, in meerdere of mindere mate, zekere ingenomenheid met het Zeewezen, ’t zij, dat wy die reeds van kinds af inademen met den zeewind, die over onze velden blaast, ’t zij, dat wy haar oorsprong zoeken moeten in de herinneringen van onzen ouden roem en vervlogen grootheid ter zee, ’t zij, dat hier die beide oorzaken, de fyzieke en de moreele, te samen werken. Ook my waren, van zoo verre my heugt, zeegezichten, zeetochtjens, verhalen van zeegevechten en zeeavonturen, welkom en aangenaam. Ofschoon tot op een-en-twintigjarigen leeftijd een eenige zoon, en dus niet voor de zeedienst bestemd, bleef niet-te-min my ten allen tijde de neiging by voor al wat tot de zee betrekking had. De omstandigheid, dat ik ten gevolge van een ambt, ’t welk ik lange jaren bekleedde, gehouden was, telken jare eenige dagen op zee—al was het dan ook maar op een binnenzee—door te brengen, en dat my later bezigheden van geheel anderen aart nu en dan naar Engeland riepen, strekten om die neiging gedeeltelijk te voldoen en tevens om haar aan te wakkeren: en meer dan eene episode uit mijn werken is haar oorsprong verschuldigd aan de ondervinding, op dergelijke tochtjens verkregen.

Behalve voor ’t zeewezen heb ik, mede reeds zeer vroeg, een zonderlinge liefde gehad voor Woordeboeken1. Het feit moge eenige bevreemding baren, het is niet-te-min volkomen waar, en ik was een knaap van nog geen tien jaar, toen ik niet alleen talrijke Dictionnaires d’anecdotes en Dictionnaires de la fable van buiten kende, maar ook het min behagelijke woordeboek van Chomel, en een menigte artikelen van de Encyclopédie gelezen had. Men kan alzoo begrijpen welk een byzonderen smaak ik moest vinden in een werk, dat niet alleen tot de kategorie der woordeboeken behoorde, maar bovendien het Zeewezen betrof, te weten Winschotens Seeman. Ik was toen nog op dien gelukkigen leeftijd, waarin men gelooft, dat al wat in boeken gedrukt staat, waar is, even als alles wat groote menschen zeggen:—latere ondervinding nam my op een en ander punt vele begoochelingen weg, en zoo begon ik van lieverlede te bemerken, dat ook Winschoten, in zijn narichten, maar vooral in zijn afleidingen, geen byzonder vertrouwen verdiende. Deze ontdekking deed voor jaren by my de lust ontslaan, een verbeterde uitgave van dat werk te bezorgen, waarin niet alleen de misslagen van den schrijver hersteld, maar ook de talrijke ruimten zoo veel mogelijk zouden aangevuld worden. Reeds lang ging ik van dit ontwerp zwanger, toen my de verzameling van Spreekwoorden bekend werd, door den Heer Sprenger van Eyk verklaard2. Een mijner vrienden, voormalig zee-officier, aan wien ik dit werk ter lezing had verstrekt, deelde my daaromtrent een tal van aanmerkingen mede, hoofdzakelijk strekkende om te bewijzen, dat de geleerde schrijver zich over ’t algemeen te veel, of door zijn verbeelding of door verkeerde voorlichting, had laten leiden, en zijn arbeid alzoo met even veel omzichtigheid diende geraadpleegd te worden als die van Winschoten. De overtuiging hiervan geleidde my tot een andere, namelijk van het nut om een “verbeterden Winschoten” tevens te doen strekken tot een “betere handleiding voor hen, die den oorsprong en de beteekenis willen leeren kennen van spreekwijzen, aan het zeewezen ontleend.” Zoo zette ik my nu aan het verzamelen van bouwstoffen en aan het raadplegen van verschillende schrijvers, wier arbeid my van dienst kon zijn;—maar jaar op jaar weerhielden my verschillende omstandigheden om met ernst de handen aan ’t werk te slaan en uit den verspreiden voorraad mijn gebouw op te timmeren. Gewis zal die vertraging niemand verwonderen. By elk ander werk behoeft men alleen de luchtige schets van ’t geheel op het papier, des noods in ’t hoofd, te hebben, en men kan met schrijven een aanvang maken. Heeft men den kop, men komt van lieverlede ook aan den staart. Maar een Woordeboek is hierin van alle andere werken onderscheiden, dat het kop noch staart heeft, dat het als een cirkel in ’t rond loopt, dat de deelen in gestadige betrekking tot elkander staan en dat men niet aan ’t drukken, ja niet aan ’t overschrijven, gaan kan, voor dat het boek volledig is afgewerkt. Volledig!—een Woordeboek heeft nog dit eigenaardige, dat het nimmer volledig kan genoemd worden, en dat, ook in de beste, op de duizend woorden, die er in staan, er doorgaands honderd gemist worden.

De omstandigheid, dat met het drukken van een boeksken, dat nog geen achttien gewone vellen druks beslaat, byna drie jaren zijn verstreken, moge strekken tot een bewijs, dat hiermede niet lichtvaardig is te werk gegaan. Ik heb—om in deze voorrede van een Woordeboek over ’t Zeewezen althands eene spreekwijze te bezigen, aan dat zeewezen ontleend—ik heb niet bloot op mijn eigen kompas willen varen, en zoo wel mijn handschrift, als de drukproeven zijn herhaaldelijk, sommige door meer dan eenen zaakkundige, nagezien. En dat heen en weêr reizen der proeven, én dat trekken van menigvuldige reviziën, én de daarover gewisselde korrespondentie, heeft—moeilijkheden van anderen aart, by woordeboeken meestal onvermijdelijk, niet medegerekend—het afdrukken merkelijk vertraagd. Moge nu een weinig belangstelling in dien arbeid het bewijs leveren der waarheid van hetgeen ik in de eerste regels van dit voorbericht nederschreef.

1 Ik schrijf woordeboek, geen woordenboek, om redenen die ik elders heb ontwikkeld. ’t Is geen “boek van woorden” maar een “boek met woorden,” of “tot verklaring van woorden dienende.”—Hooft, die ’t woord het eerst gebezigd heeft, noemt het dan ook: Woordtboek. “Ik heb,” schrijft hy van Justus Baak (183) “mijn voornaamst Woordtboek oft Woordenaar hoe men op ’t Duits heeten wil, niet hier.”

2 De volledige tytel is: Handleiding tot de kennis van onze Vaderlandsche Spreekwoorden en Spreekwoordelijke zegswijzen, bijzonder van de Scheepvaart en het Scheepsleven ontleend, door J. P. Sprenger van Eyk, Predikant te Rotterdam. Te Rotterdam, by Mensing en van Westreenen 1835—en: Nalezingen en Vervolg op de Vaderlandsche Spreekwoorden enz.—1836.

Verklaring der gebezigde verkortingen.

Inhoudsopgave


z. n. zelfstandig naamwoord.
b. n. byvoegelijk naamwoord.
voorn. voornaamwoord.
m. mannelijk.
v. vrouwelijk.
o. onzijdig.
mv. meervoud.
b. w. bedrijvend werkwoord.
o. w. onzijdig werkwoord.
w. w. wederkeerig werkwoord.
onp. w. w. onpersoonlijk werkwoord.
p. persoonlijk.
bw. bywoord.
voorz. voorzetsel.
t. w. tusschenwerpsel.
komm. kommando.
N. Eenig onbepaald getal.

Voorts zijn de verklaarde woorden, wanneer zy in het artikel, dat hen betreft, nogmaals voorkomen, aangeduid door de aanvangletter en een streep. Zoo beduidt op Aak, A— Aak, A—en Aken. Zoo op Blok — B—s, Bloks, enz.

A.

Inhoudsopgave

Aak, z. n. — Onder Aken verstond men oudtijds die lastschepen, welke met wijnen van Keulen kwamen afdrijven, waarom zy ook doorgaands Keulsche aken, en door sommigen, met eene in onze taal vrij gewone voorvoeging, Haken werden genaamd. Deze schepen waren plat van bodem, van onder breed uitgezet, hoog opgeboeid en boven smal toeloopende: voor en achter met een breeden steven, in den vorm van een beitel, waarom zy ook beitel-aken werden geheeten. De naam Aken werd echter ook gegeven aan zoodanige langwerpige en laag op ’t water liggende vaartuigen, die achteraan dreven, om daarmede, met een breeden riem of schepper, van en aan boord te roeien: thands echter verstaat men door A— meer byzonder een vaartuig, met zoomwerk opgeboeid.

Aal, z. n. — Rivier- en Zeevisch.

Spreekwijze: Hy is een koopman in A—shuiden (hy doet geringe zaken.)

Aan, v. z. 1o. Op. naar. A— boord (op het schip). A— wal (op den wal, te land). A— den grond zitten (vast zitten op een bank of droogte). A— lij (op de lijzijde).

2o. By, naby. A— zee gelegen (dicht by de zee).

3o. Tot, in handen van. Hy gaf last A— het volk: — hy gaf het bevel A— den eersten officier over.

4o. Stijf, dicht. Haal de schoot A—.

5o. Aan ’t lijf. Trek uw uniform A—.

6o. Ten. A— ’t werk.—A— den arbeid!—A— ’t sjouwen.

Aanbeeren, o. w. (veroud.) — Alle zeilen byzetten en zijn best doen om voort te komen.

Aanboorden, b. w. (veroud.) — Aan Boord komen.

2o. Scheepstimmermans-uitdrukking, waarmede bedoeld wordt: het maken der bovenste deelen aan de scheepszijden.

Aanbrassen, o. w. — In den zin van Bybrassen. Stuurboord, bakboord. A—.

Aandiepen, o. w. — Al loodende naar land varen.

Aandoen, b. w. — Een haven of kust A—, een haven of kust met een vaartuig bezoeken, doorgaands alleen in ’t voorbygaan, en zonder oogmerk er lang te verblijven. Er binnen loopen, binnen vallen. Door het verlies van onzen grooten mast, waren wy genoodzaakt, die haven Aan te Doen.

Aandraaien, b. w. — Een bindsel van lichte lijnen met een draaier of spaanspil stijf draaien.

Aandrijven, o. w. — 1o. Uit zee naar wal drijven. Het lijk van den stuurman kwam heden morgen A—.

2o. Tegen iemand: Het schip kwam tegen ons A—. Zie Aanvaren.

Aangaan, o. w. — Op of Aanhouden. Wy moeten recht op dat eiland A—.

Aangang maken, o. w. (veroud,) — Voortzeilen, gang of vaart maken.

Aangeven, b. w. — Verklaring doen van hetgeen men in-, uit- of doorvoert. Men mag geene aan belasting onderworpen goederen binnen brengen, zonder die Aan te Geven.

De wetsbepalingen omtrent het A— zijn vervat in het XII Hoofdstuk der Algemeene Wet van den 26 Augustus 1822 (Staatsbl. no. 38) art. 118–126.

Aangifte, z. n. — Daad van aangeven, verklaring. Die schipper heeft verzuimd, A— te doen van zijn lading.—Hy is wegens gebrekkige A— beboet.—Art. 120 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822 schrijft voor wat het biljet van A— moet inhouden.

Aanhaken, o. en b. w. — Met een haak of kram ergends aan vasthouden of gehouden worden: aan boord haken, klampen.

Aanhalen, b. w. — 1o. Stijf halen, strak maken. De schoot A—.

2o. In beslag nemen. De gandsche lading is ten gevolge eener verkeerde aangifte Aangehaald geworden. Wanneer de ambtenaren goederen A— zijn zy verplicht die naar het naaste kantoor op te brengen.

Aanhalen, o. w. — Krachtiger worden. De wind Haalt Aan (het begint harder te waaien).

Spreekwijze: Het haalt wat aan (het geeft vrij wat voordeel).

Aanhaling, z. n. — In-beslag-neming. Een A— doen van verboden, van verkeerd aangegeven goederen.

Aanhangen, b. w. — b. v. het Roer. Vastmaken, op zijn plaats brengen.

Aanhouden, o. w. — Richten, sturen, op een plaats of streek. Wy moeten, om de haven binnen te komen, op die lantaren A—.

Aanhouden, b. w. — 1o. In beslag nemen, beletten verder te gaan. De Engelschen Hielden, gedurende dien oorlog, alle schepen Aan, die hun verdacht voorkwamen.—De ambtenaren hebben, op vermoeden van sluikery, zijn goederen Aangehouden.

2o. t. w. Touw: het vast maken, als er genoeg uitgevierd is.

Aanklampen, b. w. — Aanhaken, enteren. Zich aan een ander vaartuig vasthechten, aan boord klampen.

Spreekwijze: Iemand A— (iemand op eene, ’t zij onvriendelijke, ’t zij althands lastige wijze aanspreken. Ook wel “iemand—doorgaands tegen zijn zin—een arm geven”).

Aanklamper, z. n. — Hy die aanklampt.

Aanklamping, z. n. — De daad van aanklampen.

Aankomen, o. w. — Uit zee aan wal of in de haven komen. Er is gebrek in ’t land: ’t is tijd dat de graanschepen A—.

Aankrammen, b. w. — Met kramgarens hechten.

Aanleggen, o. w. — Een hoofd of kaai aandoen, aan wal komen. Hier is de kaai, waar wy moeten A—.

Spreekwijze: Ergends A— (een herberg of kroeg in ’t voorbygaan bezoeken

Zoo: Willen wy hier eens A—. Hy is gewoon aan alle kapelletjens Aan te Leggen.)

Aanleggen, o. w. — Op- of naar een plaats:—Op een plaats aanhouden. Hoe legt het aan? (welken koers moeten wy houden?) Tegen iemand A— (met den steven naar een ander schip gericht daarop afzeilen.)

Wy leggen ’t op de ree

De zee van Reden, aan.

Huygens, Hofwijck.

Aanleggen, b. w. — Omleggen. Het want A—.

Spreekwijze: Het te breed A— (te veel verteering maken.)

Aanlegplaats, z. n. — Plaats, bestemd of geschikt om aan te leggen. De A— der stoombooten.

Aanloeven, o. w. — By- of oploeven: Met een ruimen wind zeilende het schip dichter aan den wind doen komen.

Aanloop der zee, z. n. — Het slaan van een zwaren golf.

Aanloopen, o. w. — ’t Zelfde als Aanvaren.

Aanlijken, b. w. — Een lijk aan een zeil zetten.

Aanmaken, b. w. — 1o. Aanzetten, aanhechten, vastmaken, aanslaan: en meer in gebruik dan dit laatste.

2o. Maken. De Equipaadje was bezig met het A— van matten.

3o. Handen reppen. Maak wat Aan!

Aannemen, b. w. — Werven, in dienst nemen. Er is voor dien tocht vrij wat volk Aangenomen.

Aannemend, b. n. Toenemend. A—e koelte (een wind, die toeneemt).

Aanneming, z. n. v. — Werving, in-dienst-neming. Er heeft nog geen A— van volk plaats gehad.

Aanrakken, o. w. — De Rakken aanhalen.

Aanranden, b. w. — Met slechte inzichten overvallen, aanvallen. Wy werden op die hoogte door roovers Aangerand.

Aanrijgen, b. w. — Door een koord, draad of lijn verbinden. De bonnet A—.

Aanslaan, b. w. — 1o. Zie Aanmaken. Een zeil A— (het hechten of aankrammen, aan raas, gaffels of leiders met het lijk daarvoor bestemd).

2o. Vatten, grijpen. Een vat A—: (er een strop om heen slaan).

Aanslibbing, z. n. v. — of Aanspoeling. Land, dat op zee gewonnen wordt.

Aanspoelen, o. w. — Uit zee naar ’t strand gedreven worden. Daar kwamen vele kisten uit het verongelukte schip A—.

Aanspoeling, z. n. v. — of Aanslibbing. Land, dat op de zee gewonnen wordt.

Aanstampen, b. w. — Vaststampen, stuwen, vast op elkander pakken.

Aanstellen, b. w. — Een macht- of lastbrief geven. Hy is tot bevelhebber der onderneming Aangesteld.

Aanstelling, z. n. v. — 1o. Macht- of lastbrief. Hy heeft zijn A— als Luitenant, als Tweede Stuurman ontfangen.

2o. De benoeming in dien lastbrief vervat.

Aanvaart, z. n. v. — Landingsplaats. De plaatsen van Af- en A— der stoombooten.

Aanvaren, o. en b. w. — Tegen een schip op eenig voorwerp varende, stooten. Hy is tegen de kaai Aangevaren. De stoomboot heeft hem Aangevaren. De schade, door het A— veroorzaakt, moet vergoed worden. Zie Aanzeilen.

Aanvaring, z. n. v. — De daad van het aanvaren.

Aanwenken, o. w. — Het doen springen der lijfokkebras en het byvieren der magermans en voorbramboelijn op het kommando van Wenk wat aan voor.

Aanzeilen, o. w. — Koers houden. Oost of West A—. Hy kwam met geen vyandelijke inzichten A—.

Aanzeilen, b. w. — Tegen een ander schip zeilende stooten. In het Kanaal loopt men dikwijls gevaar van A—. De schade, door het A— veroorzaakt moet vergoed worden. Zie daarover het Wetb. v. Kooph. II B. VI Tit. Art. 534–544.

Aanzeiling, z. n. v. — De daad van Aanzeilen.

Aanzetklos, z. n. m. — Klos aan ’t vooreind van den aanzetstok, die in ’t kanon gestoken wordt.

Aanzetten, b. w. — Instampen, stampen, een stuk geschut laden.

Aanzetter, z. n. m. — Stok, aan het eene eind voorzien van een klos, waarmede de kardoes en de kogel in het stuk geschoven en aangezet wordt: by kleine stukken is het eene eind van den A— soms voorzien van een wisschersbol.

Aap, z. n. m. (veroud). — Benaming van het bezaanstagzeil.

Aardewind, z. n. m. — Zie Gangspil.

Abab, z. n. m. — Benaming van een vrijen Turkschen matroos.

Abandonnement, z. n. m. — Bastertwoord, dat de Wetgever heeft verkozen te gebruiken, ofschoon hy daarvoor even gemakkelijk Afstand of Verlating had kunnen zeggen. Zie Afstand.

Accijnsgoederen, z. n. o. mv. — Goederen met accijns bezwaard. Zie Alg. Wet van 26 Aug. 1822, art 3, art. 67–74, art. 78, 144–152.

Achter, bw. — Door A— wordt aangeduid wat zich op, of om, of achter het A— schip bevindt. Waar is de bootsman? Hy is A— (op het A— schip). Wy hebben N. diepgang A—. (De diepgang van het A— schip is N.).

Achter af, bw. — In een verwijderde plaats. A— brengen: (in de provoost, in de gevangenis brengen).

Achterbaks, bw. — Eigentlijk, Achter den Bak. A—houden (terug houden, verborgen houden). Hy heeft zich A— gehouden (hy heeft niet voor den bak durven komen, hy heeft zich schuil gehouden). Doch zie Bak.

Achterdwarstouw, z. n. o. — Touw, waarmede een schip achter door de poorten heen kan vastgemaakt worden.

Achtereb, z. n. v. — Het laatste gedeelte van de eb.

Achterhalen, b. w. — Inhalen, bereiken. Wy zeilden te goed. Zy konden ons niet A—.

Achterhiel, z. n. v. — Hoek van den achtersteven met de kiel. Zie Hiel.

Achterhoede, z. n. v. — De Schepen van het derde smaldeel eener vloot, wanneer de vloot in gewone orde opzeilt. Meer gebruikelijk plach by ons te zijn Achtertocht. Zie ald.

Achterkasteel, z. n. o. of Schans. — Achterste gedeelte van het schip. Het wordt ook genomen voor dat des lichaams.

Achterkiel, z. n. v. — Hoek van den achtersteven met de kiel, of hieling van de kiel.

Achterlastig, b. n. — Zie Stuurlastig.

Achterluik, z. n. o. — Luik van het achterschip.

Achterlijk, z. n. o. — Lijk, langs den opstaanden kant van een zeil naar de zijde van het achterschip.

Achterom, bw. — Achter het schip om. A— komen (zich achter een schip stellen om het te volgen). A— loopen (zich, uit eerbied voor een hooger officier, wiens schip men kruist, hem aan den kant van zijn achtersteven voorbygaan).

Achterop, bw. — Van achteren. Wy kwamen het schip A—. (Wy haalden het in).

Achteronder, z. n. o. — Achterruim. De ruimte, die achter in ’t onderschip is.

Achterpiek, z. n. v. of alleen Piek. — Achterste schuinte van het schip.

Spreekwijze: Zijn A— scheeren voor “zich wegpakken.”

Achterplecht, z. n. v. — Zie Plecht.

Achterruim, z. n. o. — Zie Achteronder.

Achterschip, z. n. o. — Dat deel van het schip, ’t welk van den bezaansmast af tot aan het einde toe naar achteren staat. Zie Schip.

Achterslemphout, z. n. o. — Verzameling van op elkander gestapelde houten, benoodigd om den hoek te bewaren van den achtersteven met de kiel.

Achterspant, z. n. v. Zie Spant.

Achtersteven, z. n. m. — Zwaar en rechtstaand stuk hout, dat, aan het uiteinde der kiel van een schip opgericht, het sluitstuk van zijn romp uitmaakt.

Achtertocht, z n. m. of Achterhoede — Het smaldeel eener vloot, dat achter aan zeilt, en gewoonlijk door den derden Hoofd-officier in rang wordt aangevoerd.

Achtertouw, z. n. o. — Tros of kabeltouw, waarmede men achter aan den wal gemeerd is of dat men voor verhalen gebruikt om het Achterschip te bedwingen.

Achteruit, bw. — Beteekent in de samenstelling, wat zich bevindt aan de zijde van den achtersteven. Gy moet A—komen: (gy moet by den Kapitein in de kajuit komen). A— viktualieruim (het eerste magazijn, dat zich achter den grooten mast bevindt).

Achteruitzeilen, o. w. — Achterblijven, de schepen, waarby men behoort, vooruitzeilen.

Spreekwijze: A— (achter uit teeren, teruggang ondervinden).

Achtervinkenet, z. n. o. (veroud.) voor Kuildek.—Zie ald.

Achtervloed, z. n. m. of Navloed. — Het laatste van den Vloed.

Achterwerk, z. n. o. — Het snijwerk van den achtersteven.

Achterzeilen, z. n. o. mv. — De zeilen, die tot den grooten en bezaansmast behooren. De A— en doen het schip oploeven, de voorzeilen afvallen.

Adelborst, z. n. m. — Kadet, eerste graad in de Zeedienst. Het woord heeft dezelfde beteekenis als Edelknaap: om dat de Adelborsten oorspronkelijk vrijwilligers van edelen huize waren.

Admiraal, Admiraliteit enz. — Zie Amiraal, Amiraliteit, enz.

Adviesboot, fregat, jucht. — Vaartuig, dat berichten of lastgevingen overbrengt.

Afbakenen, b. w. — Met merken of tonnen bezetten. Men heeft eindelijk besloten, die ondiepte Af te Bakenen.

Afbetalen, b. w. — Betalen en wegzenden. Het schip is opgelegd en het scheepsvolk is Afbetaald.

Afblazen, b. w. — De kanonnen A— (ze met los kruit afschieten om ze schoon te houden.

Afbrassen, o. w. — Zie Volbrassen.

Spreekwijze: Hy brast af: (hy schuurt zijn piek).

Afbrengen, o. w. — Vlot maken. Het schip zat op den bank en het kostte niet weinig moeite, het er Af te Brengen.

Afbuien, o. w. — Eindigen met Buien. Het weer Buit Af.

Afdanken, b. w. — Uit de dienst zenden, naar huis zenden, ontslaan. Al de manschappen worden Afgedankt.

Afdanking, z. n. v. — De daad van afdanken. Nu de oorlog een einde nam had er een algemeene A— der troepen plaats.

Afdeeling, z. n. v. — Zie Eskader, Smaldeel.

Afdrijven, o. w. — Wordt van een vaartuig gezegd, dat door den stroom wordt mede gevoerd. Met den stroom A—. Met de neer A—. Een schip doen A—.

Afdwalen, o. w. — Wordt van een schip gezegd, als het uit zijn koers of van de vloot afraakt: — en van een man, als hy vermist wordt. Hy is Afgedwaald (hy is buiten boord geraakt.)

Afgaand, b. n. — Vallend. Zie Tij.

Afgetakeld, b. n. — 1o. Afgetuigd. Zie Aftakelen.

2o. Gehavend. (Dat schip ziet er deerlijk A— uit).

Spreekwijze: Hy is zeer A— (hy is mager geworden).

Afgieren, o. w. — Als men voor anker ligt met een gier van plaats veranderen.

Afgrond, z. n. m. — Zie Diepte, Kolk, Maalstroom.

Afgronden, die geen loot kan peylen, noch beworpen, zegt Vondel. Lof der Zeevaart.

Afhangen, b. w. — 1o. Uit zijne scharnieren lichten. Het roer A—.

2o. Iemand van zijn wapenen enz. ontdoen. Hangt dien man Af (ontneemt hem zijn zijdgeweer, enz.)

Afhouden, o. w. — 1o. Zich ergends van verwijderd houden. Wy moeten van die kust A— anders vervallen wy op de zandgronden.—Hadden wy niet nog in tijds Afgehouden, dan had die brik ons overzeild.—Van den wind A— (door de werking der zeilen of van het roer een slag in de rondte doen) voor den wind A— (de richting van den wind volgen, zoo dat men hem den achtersteven toekeert). In eens A— (wanneer de beweging met snelheid geschiedt). Gaande weg A— (wanneer zy langzamerhand plaats heeft). Door een kontramarsch in elkanders kielwater A—.

2o. Plaats maken. De schepen die den stroom opvaren, moeten naar den wal A— om de stroom-afkomende te laten voorbygieren.

Afhouden, b. w. — Verwijderen: het anker van den boeg A— (ten einde schuring te voorkomen). Als een touw, ketting of kabelaring om een spil gewonden wordt, zijn er menschen, die de afgewonden part stijf houden en terughalen, dat men A— noemt.

Afkeuren, b. w. — Ongeschikt, onbruikbaar verklaren. Dat schip werd Afgekeurd (het werd geöordeeld, niet langer zee te kunnen bouwen: het kreeg den bijl voor den kop.)

Afknijpen, b. w. — t. w. de loef, wordt van uw schip gezegd, wanneer het een ander de loef afwint.

Afkomen, o. w. (Op iemand). Dat schip Kwam op ons Af (naderde ons schip.)

Afleggen, b. w. — Zich verwijderen. Wy moeten van het land A— (versta: het roer).

Afloopen, o. w. — 1o. Van stapel loopen. Zie Stapel.

Spreekwijze: Hoe zal dat A—? Dat Loopt goed Af. (Wat zal de uitslag zijn? Die uitkomst is voorspoedig). Het A— van een schip is namelijk altijd een hachlijke zaak, aan het goed slagen waarvan vrij wat gelegen is.

Het wel A— van het scheepjen is van ouds her de dronk, aan een vrouw toegebracht, die zich in gezegende omstandigheden bevindt. De spreekwijze behoeft geen opheldering.

2o. Afzakken, zich met den wind verwijderen. Voor den wind A—.

Afloopen, b. w. — De uitdrukking een schip A— wordt wel gebezigd, als het scheepvolk zich oproerig toont.

Aflossen, b. w. — Verpozen, ontslaan en de plaats of taak innemen van den ontslagene. De wacht A—.

Afnemen, o. w. — Wordt de maan gezegd te doen, wanneer zy vol is geweest en haar omtrek schijnbaar vermindert.

Afpassen, b. w. — Gereed maken, bepalen. Een bestek A— (een bestek zetten).

Afraken, o. w. — Zich verwijderen. Na een langen strijd Raakten de beide schepen van elkander Af.—Wy moeten ons best doen, dat wy van die kust A—.

Afreizen, o. w. — Heenreizen, uitzeilen.

Afschaken, b. w. — Bot geven, vieren. Een touw A— (wanneer men het vasthoudt, het vieren om het gemakkelijker door een blok te laten glijden).

Afschepen, b. w. — Met een schip wegzenden. Goederen naar Engeland A—.

Spreekwijze: Iemand A— (zich van iemand ontslaan, iemand met een kluitjen in ’t riet sturen).

Afscheper, z. n. m. — Bevrachter.

Afslaan, b. w. — 1o. Afweeren. ’t Gelukte hun, des vyands eersten aanval Af te Slaan.

2o. Strijken, wegnemen, bergen, het tegenovergestelde van ophijschen, bijzetten. De zeilen A—.

Afslaan, o. w. — Met geweld afraken. Hy is van zijn anker Afgeslagen.

Afslechten, b. w. — Verdunnen, b. v. een stuk hout.

Afslechten, o. w. — Bedaren. De zee slecht af (wordt stiller, effener).

Afsluitingdeelen, z. n. o. mv. — De deelen van een schip, die bestemd zijn om het Af te sluiten en waterdicht te houden.

Afsnijden, b. w. — Een schip: het in zijn koers hinderen, of beletten dat het zich begeve waar het wil. Een schip van den wal A— (zich tusschen den wal en het schip plaatsen. Een schip den terugtocht A— (zich zoo te plaatsen, dat het niet ontwijken kan). Een Afgesneden schip. (Een schip, dat door de beweging des vyands zoodanig van de vloot waar het toe behoort gescheiden is, dat het zich daarmede niet kan hereenigen.)

Afstand, z. n. m. — 1o. De betrekking, waarin zich eenig voorwerp tot een ander bevindt ten opzichte van de plaats waar zy zijn. Op verren A— zijn. Dat schip ligt op een A— van twee mijlen.—Op den bepaalden A— van zijn voorman blijven. Maans A—. De A— der maan van de zon, planeten en vaste sterren. Het observeeren der A—en dient tot het vinden der lengte op zee en vereischt byzondere bekwaamheid.

Spreekwijze: Hy neemt een goeden A— (hy is een goed waarnemer of observateur).

2o. Of verlating. De daad van iets af te staan. Hy heeft A— van dat schip gedaan aan de Assuradeurs (’twelk geschieden kan behoudens de bepalingen voorkomende in het Wetb. van Kooph. Boek II, Tit. IX. Afd. V. Art. 663–680.

Afsteken, o. w. — Zich in een licht vaartuig verwijderen. Met de sloep A—.

Afsteken, b. w. — Afwinnen. Iemand de loef A—. Zie Loef.

Afstooten, b. w. — Terugstooten.

Aftakelen, b. w. — Onttuigen, aftuigen. Een schip A— (van zijn takelaadje ontdoen). Zie Afgetakeld.

Aftocht, z. n. m. — Terugtocht, meestal zoodanig een die gedwongen is. De vyandelijke vloot tot den A— dwingen:—Den A— slaan (door trommelslag het sein tot den A— geven).

Aftonnen, b. w. — Een vaarwater geheel van Tonnen voorzien. Men mocht die baai wel A—.

Aftuigen, b. w. w. — De tuigaadje afnemen, onttuigen, onttakelen. Een schip A— (van zijn tuig ontdoen.)

Afvaart, z. n. v. — Vertrek van een schip of boot. De A— van den beurtman. De Aan- en A— der stoombooten.

Afvallen, o. w. — 1o. Wordt van een schip gezegd, als het door tegenwind omzwenkt. Het schip Valt Af. Over bakboord, over stuurboord A—.

2o. Ter zijde af wegzeilen, en met of tegen dank niet zoo dicht als doenlijk by-de-wind houden.

Afvieren, b. w. — Een touw laten schieten. Lus van een touwgeer afschrikken.

Afvalling, z. n. v. — Hieling, achterdeel der kiel, het stuk dat wegvalt by ’t afloopen.

Afvaren, o. w. — Van de legplaats vertrekken. De schuit Vaart Af. Het uur van A— heeft geslagen. Afgevaren breedte (de breedte waarvan men is afgevaren).

Spreekwijze: ’t Bestek zetten naar de afgevaren breedte (van een vast punt uitgaan).

Afwaaien, onp. w. — Onophoudelijk waaien. Het heeft in deze laatste dagen al schoon wat Afgewaaid.

Spreekwijze: van den wal Afgewaaid (niet tot zijn oogmerk gekomen).

Afwenden, o. w. — Als men by-de-wind zeilende in den wal ligt, er over den anderen boeg uitzeilen.

Spreekwijze: Tegen de nacht van den wal afwenden (tijdig voorzorgen nemen).

Afwerken, o. w. — Tegen wind of stroom A—, d. i. zwaar naar binnen komen, uit zee doorlaveeren, op een rivier door het uitbrengen van trossen, ook, by stilte, doorboegseeren.

Afwerpen, b. w. — 1o. Schielijk en onverwacht ergends van daan zeilen (veroud.). Afgeworpen worden heeft by het enteren dezelfde beteekenis als afgeslagen worden by een beleg.

Afwinnen, b. w. — Van iemand winnen. Ik heb het hem in snelheid Afgewonnen. Iemand de loef A—. Zie Loef.

Afwijken, o. w. — 1o. Scheuren, gapen: worden b. v. planken gezegd te doen, als de naden zich uitzetten.

2o. Zich verwijderen. De magneetnaald Wijkt Af. (Zy verwijdert zich van het ware Noord.)

3o. Met een werpanker, dat men met een sloep of boot uitbrengt, het schip verhalen; b. v. als men met een schip in de nabyheid van klippen, banken als andersins geänkerd is en men kans heeft met zwaaien of wat harden wind er op te raken, als men met stilte niet verzeilen kan of er geen plaats is om onder zeil te komen en het schip elders ten anker te brengen, dan geschiedt dit met behulp van een werp.

Afwijking, z. n. v. Deklinatie. — Miswijzing van de kompassen.

Afzakken, b. w. — Afdrijven b. v. een stroom. Het was een fraai schouwspel, die vloot de rivier te zien A—.

Spreekwijze: Hy is Afgezakt (hy is zonder gerucht heengegaan).

Afzakkertjes, z. n. o. — Dronk, dien men by ’t heengaan, of om de spijs te doen zakken, gebruikt.

Afzeilen, o. w. — De haven verlaten. Er zijn met dien wind vele schepen afgezeild.

Afzeilen, b. w. — Dat schip kan veel wind A— (veel wind verdragen).

Afzenden, b. w. — Heenzenden, verwijderen. Een schip van de vloot A—. Goederen A—.

Spreekwijze: De volle laag A—, d. i. al het geschut te gelijk afvuren (al zijn kracht op eens aanwenden).

Afzender, z. n. m. — Hy, die een lading, of goederen heeft Afgezonden.

Afzetten, o. w. — Zich afstooten. Ook: voor ’t stooten vrij houden. Wy moesten van den wal A—; Zet Af! (komm.).

Akerkloot, z. n. m. — (Veroud.) Eikelvormige kogel: heet nu druivetros, en bestaat uit kleinere kogels, op een ronde schijf opgehoopt en in zeildoek gebonden, waarvan het geheel den vorm heeft van een aker of druivetros.

Kardoezen, akerkloots, mammierings en kardeelen.

Antonides, Ystroom.

Aletta, z. n. v. — Windveringen of galeiwolf. Verlenging van het boeghout op den achtersteven der Levantijnsche vaartuigen.

Allarm, z. n. o. — 1o. Wapenkreet, van ’t Ital. All’arme, “te wapen.” A— blazen. Valsch, loos A—. Aan boord der Nederlandsche oorlogschepen slaat de tamboer op zijn trom A—, waarop ieder naar de hem aangewezen plaats in de geschuts- en gevechtsrolle gaat en zorgt, dat alles op die plaats tot het gevecht gereed zij.

2o. Oploop, beweging, misbaar, by het ontstaan van onraad of gevaar. Een geweldig A— verwekken.

Allarmrol, z. n. v. — Verdeeling van de Equipaadje in geval van gevecht.

Alle zeilen byzetten, byhouden. — Zie Byzetten, Zeil.

Alles tot een gevecht klaar maken. Een gedeelte der kooien afnemen en naar de brassen brengen om tot verschansingen in te richten en tevens tot dekking van de talrepen der wanten, de schotten tusschen de vertrekken enz. wegnemen, alles uit den weg ruimen wat aan de vrije beweging der strijdenden hinderlijk zoû kunnen, zijn, de pompen, brandspuiten, grondschotproppen, stoppers, putsen, het slagverband klaar maken, wapens uitdeelen en ieder op zijn aangewezen plaats.

Alles wel! 1o. Gewone begroeting, welke de schepelingen van twee elkander praaiende vaartuigen elkander toevoegen, en die zoo wel een vraag als een antwoord in zich sluit.

2o. Roep van de uitkijk voor op de bak, op de fokke- en marsenra by het slaan der halfuursglazen. Wanneer er van het halfdek door den wachthebbenden Officier gepraaid wordt: “wel uitkijker voor!” moet deze, om te toonen dat hy niet slaapt, dit beantwoorden met A— W—!

Alles wel aan boord. — Gewone uitdrukking om te berichten, dat op een vaartuig, ’t welk zich op reis bevindt, noch ziekte noch belangrijke avery hebben plaats gehad.

Almadie, z. n. v. of Kathurie. — Soort van vaartuig, in Indiën en op de kust van Guinea in gebruik. Het heeft een zeer fijnen romp, aan beide einden in een punt uitloopende, en een vierkante verschansing.

Aming, z. n. v. (veroud.) — Hoogte van ’t schip boven ’t water.

Amiraal, Ammiraal of Admiraal, (welke laatste schrijfwijze door misbruik en navolging der Engelschen is ingeslopen, als zijnde het woord afkomstig van Emir, dat Opperhoofd beduidt), z. n. m. — Vlootvoogd. Vroeger had men by ons te lande:

Een A— Generaal, welke waardigheid achtereenvolgends door de Stadhouders van Holland is bekleed geworden.

Een Luitenant A— Generaal, hoedanig de zeehelden Marten Harpertz. Tromp, Michiel Adriaansz. de Ruyter, Kornelis Tromp, achtereenvolgends zijn geweest.

Luitenant A—en en Vice-A—en van de onderscheidene Amiraliteiten, door welke zy benoemd werden. Zie Amiraliteit.

Sints de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden, worden, ingevolge de Grondwet, de Amiralen, even als alle andere Officieren, door den Koning benoemd.

De benaming A— wordt by onze schrijvers ook gebezigd om den bevelvoerder van eenig afzonderlijk smaldeel aan te duiden. Zoo zeide men b. v. De Kapitein A voerde als A— den middeltocht aan, de Kapitein B als Vice-A— den voortocht en de Kapitein C, als Schout-by-Nacht, den achtertocht.

Spreekwijze: De A— heeft geschoten. (De gastheer heeft zijn glas opgenomen en daardoor het sein gegeven.) Elken avond gaat aan boord van het Amiraalschip het wachtschot; dan moeten licht, vuur en pijpen uit, en de nachtwacht begint. Evenzoo luidt elken morgen het dagschot en ieder moet de kooi uit. Ook in een gevecht geeft het Amiraalschip het sein om te beginnen.

Amiraal, z. n. m. — Zeildoeksche slagputs om water te hijschen by ’t schoon schip maken.

Amiraalschap, z. n. v. (veroud.) — Het verdrag, dat onder een vloot schepen gemaakt werd, wie het opperbevel zal voeren, en naar welk verdrag ieder zich in der tijd had te gedragen.

Amiraalschip, z. n. o — Schip, dat den Amiraal aan boord heeft of verwacht.

Amiraalsvlag, z. n. v. — Vlag, welke de Amiraal laat waaien, en waaraan men weten kan, op welk schip hy zijn verblijf houdt.

Amiraalzeilen, o. w. — Hardzeilery met kleine vaartuigen, hoedanig van ouds o. a. op den Aemstel plach te geschieden.

Amiraliteit, z. n. o. — Kollegie, dat het opperbewind plach te hebben over zeezaken. Onder de Republiek had men hier te lande vijf zoodanige Kollegiën, t. w. de A— van de Maas, van Texel, van Zeeland, van Friesland en van het Noorder kwartier.

Ammunitie, z. n. v. — Zie Krijgsvoorraad.

Amplitudo, z. n. v. — De streek van den op- en ondergang der hemellichamen, van het ware Oosten of Westen gerekend.

Anker, z. n. o. — IJzeren werktuig met dubbelen weêrhaak, dat, uitgeworpen wordende, zich in den bodem der zee vastklemt en het schip, waaraan het is vastgehecht, belet weg te drijven. Als zware A—s heeft men aan boord der schepen: het Daagsch A—: het Boeg A—, het Tui A— en het Plecht A—, soms nog het Nood A—; als lichte A—s: het Stop- en de Werp A—s.—Het A— voor den boeg vieren (het gereed stellen als men ankeren wil). Het A— werpen, ten A— komen, het A— uitbrengen, laten vallen (het in zee laten zakken). Het A— gaat door, laat los (het krast over den grond). Het A— doen doordringen. (Het uitgeworpen A— al varende over den bodem van het water laten slepen, ’t welk geschiedt wanneer men, door snel stroomende rivieren varende, by het ontmoeten van een ondiepte, onmiddelijk kan ten anker komen). Het A— staat stagswijze (de ketting van het A— staat evenwijdig met het fokkestag). Het A— katten, verkatten. (Een werp-A— op een zwaar A— zetten, om het doordreggen te beletten.) Het A— kippen. (De bezorging van ’t A— na ’t katten: de hand van ’t A— over boord halen.) Het A— lichten (uit het water ophalen). Het A— is klaar (als het gezien is by ’t ophalen en recht naar boven komt). Onklaar A— (als het in het touw of op andere wijze verward is. Hy is gezien! (het A— is gezien by ’t uit het water komen.) Het A— is recht op en neder! (wordt geroepen, wanneer de ketting by ’t ophalen recht op en neder staat). A— is voor (het is opgehaald en voor aan den boeg). Het A— vrij houden (te beletten, dat het tegen boeg of boord aanslaat). Het A— t’huis halen (het naar boord winden). Het A— opkatten (het in den ring met het katsblok onder den kroonbalk hijschen). Het A— laten slippen (een boei op het eind van het touw steken en dat de kluis doen uitloopen.) Het A— visschen (naar een verloren A— zoeken en ophalen). Het A— kappen (het touw kappen, waar het A— aan vast zit). Het A— is blind (zonder boei, zoodat men niet zien kan waar het is).

Spreekwijzen: Hy is het A— mijner hoop (hy is de man waar ik op steun). Men weet dat het A— het zinnebeeld is der hoop.

Van zijn neus een A— maken (niet verder willen zien dan zijn neus lang is).

Hy is zoo vet als een Spaansch A— (hy is zoo mager als een hout).

Op een A— te land komen (tegen alle verwachting te recht komen).

De kat op het A— zetten (zijn koetjens op ’t droog zetten—omdat een gekat A— dubbel zeker ligt). Ook wel: (een vast besluit nemen).

Het A— lichten (vertrekken, zich verwijderen).

Ergends zijn A— laten vallen (Ergends zijn intrek nemen).

Het A— is doorgegaan (de grond is hem ontzonken).

Hy slacht de A—s, die altijd te water gaan en nooit leeren zwemmen (hy komt nooit voort, hoe gunstig de gelegenheid ook zij).

Zijn A— houdt niet (wordt van een klaplooper gezegd, die weggestuurd wordt).

Hy moet zijn A— kappen (hy moet overhaast de vlucht nemen).

Hy ligt voor zijn laatste A— (het is slecht met hem gesteld).

Hy ligt voor twee A—s (hy heeft dubbele hulp).

Hy heeft klaar A— (hy heeft vasten steun in zijn zaak).

Ankeraadje, z. n. v. — Oude benaming voor het geld, dat men aan de havenmeesters verschuldigd was voor het werpen van de ankers.

Ankerarmen, z. n. m., mv. — Armen van het anker: de gedeelten, welke van onderen, aan beide zijden van de schacht zich boogswijze verheffen en aan hun uiteinde van een weêrhaak zijn voorzien.

Ankerbedding, z. n. v. — De plaats waar het anker vastzit. Een bekwame A—.

Ankerbladen, z. n. o., mv. — De driehoekige bladen of lepels aan het uiteinde der armen van het anker.

Ankerbrug, z. n. v. — Uittimmering tegen den boeg, over welke de hand van het anker wordt opgehaald.

Ankeren, o. w. — Het anker laten vallen, ten anker komen.

Spreekwijze: Ergends geänkerd zijn (zich ergends bevinden, waar men zich niet gemakkelijk van daan laat brengen).

Ankergrond, z. n. m. — Grond, tot ankeren geschikt. Wy vonden hier een goeden A—.

De minste vlieten zijn bequaem tot ankergronden.

Antonides, Ystroom.

Ankerhals, z. n. v. — De plaats waar de ankerstok door de schacht gaat, of omgekeerd.

Ankerhanden. Hetzelfde als Ankerbladen. Zie aldaar.

Ankerkip, z. n. v. — Balk of stut waarover het kiptakel heen loopt.

Ankerkruis, z. n. o. — Kruis van het anker en plaats waar de armen van het anker zich met de schacht vereenigen.

Ankermoeren, z. n. o., mv. — Zie Ankerneuten.

Ankerneuten, z. n. v., mv. — Koppen of moeren. Verdikking van de schacht, daar waar de stok door heen gaat.

Ankeroog, z. n. o. — Oog van het anker; gat in de schacht, waar de ring door heen gaat.

Ankerpeiling, z. n. v. — Het bepalen door middel eener kruispeiling, waar het anker ligt.

Ankerplaats, z. n. v. — Plaats, waar een schip ten anker ligt. Wy vonden hier een veilige A—.

Ankerpunt, z. n. v. — Punt of bek van het ankerblad.

Ankerring, z. n. m. — Ring boven het anker, door welken het kabeltouw wordt heengestoken.

Ankerroering, z. n. v. — Touw en zeildoek, ter bekleeding van den ankerring, dienende om het stukscheuren van het touw te beletten.

Ankerschacht, Ankerstuk, Ankerroede, z. n. v. — De ijzeren staaf, die het lichaam van het anker vormt.

Ankerschoen, z. n. m. — Een hout, dat onder de hand van een anker gebracht wordt, by vervoer of verplaatsing.

Ankersmedery, z. n. v. — Werkplaats, waar ankers vervaardigd worden.

Ankersmid, z. n. m. — Werkbaas of werkman, die ankers smeedt.

Het ankersmeden zich aenmeten de Tyrrhenen.

Vondel, Lof der Zeevaert.

Ankersteek, z. n. m. — Wijze van het touw op het anker te bevestigen.

Ankerstok, z. n. m. — Stok, uit twee deelen zamengesteld, en die achter by de neut van het anker gebezigd wordt om de armen beter in den grond te doen vatten.

Spreekwijze: Hy is zoo vet als een A— (zoo mager als een hout).

Ankerstokbouten, z. n. m., mv. — Bouten, waardoor het verschuiven van den ankerstok in de schacht belet wordt.

Ankerstokband, z. n. m. — IJzeren band, dienende om de twee deelen van den ankerstok te verbinden.

Ankertalie, z. n. v. veroud. (Zie Pentertalie, Kat).

Ankertouw, z. n. o. — Kabel, waaraan het anker vastzit.

Ankervoering, z. n. v. — IJzeren bekleedsel der ankerbrug, om deze van beschadiging vrij te waren.

Antwoorden, o. w. — Antwoord geven. Wanneer men een schip ontmoet, hijscht men de vlag, en dan wordt dat schip, door zijn vlag te vertoonen, gezegd te A—. In eigen spraak A— (schieten op wie eerst geschoten heeft).

Apostels-, z. n. m., mv. of Judas-ooren. — Opstaande houten, die de eerste verbreeding van den voorsteven uitmaken.

Appointé, z. n. m. — In oorlogstijd werden soms twee kapiteins op hetzelfde schip geplaatst; doch de een was kommandant, de andere werd genaamd A—. Zoo noemde men ook wel een officier, die tot een andere equipaadje behoorde.

Spreekwijze: Hy vaart als A— (hy is een leêglooper, een dagdief).

Arbeid, z. n. m., Werk. — Aan den A—! (komm.). Zie Zorren.

Arbeiden, o. w. (veroud.) — Een schip wordt gezegd in zee te A— als het veel slingert of rolt.

Archipel, z. n. m. — Eilandszee. De Grieksche A—, de eilanden van den Indischen A—.

Ark, z. n. v. — Soort van keg, die in de nagels geslagen wordt.

Arm, z. n. m. — Palm, klaauw, tak, slinker, nok, handvatsel: uitstekend of uitspringend end, balk, staaf of bocht, voornamelijk zoodanige, als dienen om iets aan te vatten of te hanteeren. De A— van een knie, de A— van een Anker (zie Ankerarm), enz.

Artikelbrieven, z. n. m., mv. (veroud.) — Verzameling van reglementen en ordonnantiën op het zeewezen.

As, z. n. v. — Spil, waar eenig voorwerp om heen draait.

Assuradeur, Assurantie, Assureeren, enz. — Zie Verzekeraar, Verzekering, enz.

Astragaal, z. n. v. of Kamerband. — Ring of band tot verzekering van een stuk geschut.

Atlantische zee, z. n. v. — Zie Oceaan.

Atlas, z. n. m. — Gebruikelijke naam voor verzameling van waereldkaarten. Een Zee-A— (die alleen zeekaarten bevat). Een Hand-A— (dien men gemakkelijk hanteeren kan). Een Zak-A— (dien men by zich steken kan).

Avary, avery of havery, van ’t Ital. Avaria. — Zeeschade, op wat wijze ook te weeg gebracht. Volgens Art. 696 van het Wetb. van Kooph. worden onder A— begrepen alle buitengewone onkosten, ten dienste van het schip en de goederen, gezamentlijk of afzonderlijk gemaakt; alle schade, die aan het schip en de goederen overkomt gedurende de tijdruimte by het II Boek, Tit. IX, afd. III deszelfden Wetb. ten aanzien van het beginnen en eindigen des gevaars bepaald. Voorts stelt Art. 698 twee soorten van A—, als A— gros, die over het schip, de vrachtpenningen en de lading wordt omgeslagen, en Eenvoudige of Byzondere A—, die ten laste komt van het schip of van het goed afzonderlijk, ’t welk de schade geleden of de onkosten veroorzaakt heeft. Wat verder tot dit onderwerp betrekking heeft wordt in het II Boek, XI Tit. Afd. I en II van gezegd Wetb., Art. 696–740, behandeld.

Spreekwijze: daar is A— (daar is schade geleden); doch daar-en-tegen: daar zal A— vallen (daar zal voordeel vallen), ’t welk niet te verwonderen is; naardien schippers by zulke gelegenheden doorgaands hun rekening wel zoo weten op te maken, dat zy er niet by te kort komen.

Avegaar, z. n. m. — Soort van boor, waar groote gaten mede geboord, en die met twee handen moet omgedraaid worden.

Spreekwijze: Iemand met een A— door den neus boren (iemand grovelijk bedriegen).

Avontuur (op), bijw. — Zonder bepaalde bestemming, op goed geluk. Op A— zeilen (zich op zee begeven, zonder bepaald te weten waar, of welke vracht men bekomen zal).

Axiometer, z. n. m., of Verklikker. — Een wijzer op een plaat, die tegen het stuurrad geplaatst is, welke wijzer aanduidt hoe de roerpen ligt, zoodat de roerganger den wachthebbenden Officier op dat punt nimmer misleiden kan.

Azimuth, z. n. o. — De streek, waarin zich een hemellichaam bevindt van het Noorden naar het Zuiden. By de op- en ondergang der hemellichamen is het A— dier hemellichamen het komplement der Amplitudo.

B.

Inhoudsopgave

Baai, z. n. v. — Zeeboezem, inham van de zee in het land, doorgaands van binnen breeder dan aan haar opening. De B— van Napels enz.

Baaitjen, z. n. o. — Verkleinwoord van baai (wollen stof), oorspronkelijk gebezigd om het wollen buisjen, de gewone kleederdracht der matrozen, aan te duiden, en, by toepassing, de gebruikelijke benaming van alle bovenkleeding van ’t zeevolk.

Spreekwijze: Op zijn B— krijgen (slagen krijgen). Zy hebben op hun B— gehad (Zy hebben de nederlaag geleden).

Baaivanger, z. n. m. — Oorspronkelijk een wolkvanger van Baai. (zie Wolkvanger) en overdrachtelijk gebezigd voor den zeeman, die hem aantrekt. Van daar, omdat de matrozen aan wal liefhebbers van zwieren zijn, en het daarby ruw toegaat, een zwierbol: Hy is een rechte B— (een doordraaier). Men placht ook den naam van B— aan een hooggetuigd schip te geven.

Baak, n. v., of Baken — is elk teeken, dat aan Loods of Schipper het vaarwater aanwijst. Het wordt ook voor kustlicht genomen. Zie ald.

Spreekwijzen: Een schip (of wrak) op strand, een B— (of Baken) in zee (de ramp of het ongeval, den eenen overkomen, is den anderen tot waarschuwing): omdat een schip, dat gestrand is, of vastzit, bewijst, dat te dier plaatse zich een ondiepte bevindt, en dus de Schippers, die voorbyzeilen, waarschuwt af te houden. Zie Cats Zinnebeelden.

Te louver, man te roer, te louver, lieve maet!

Kijck, hoe het met schip van onzen buerman staet.

Het sit daer op een sant, gegeesselt van de stroomen:

En daer en is geen hulp, hoe fier de gasten bomen.

Dus soo er nu een wint komt dringen nae de wal,

’t Is seker dat de kiel in stucken bersten sal.

Ghy sie dan naerstigh toe en let op uwe saken,

Een schip op ’t droogh gestelt dat is een seker baken,

En ’t is naer mijn begrip geen onvoorsichtig man,

Die op eens anders seyl de syne toomen kan.

De Baken komen uit (men kan geruster doorgaan) omdat, wanneer de baken “uitkomen”, of zich duidelijk vertoonen, het schip gerust zijn weg vervolgen kan.

Als het tij (of de stroom) verloopt, moet men de Bakens verzetten (by veranderde omstandigheden moeten andere maatregelen genomen worden). Dit verzetten van bakens is daarom noodzakelijk, omdat de verandering van het tij (de beweging van op- en afloopend water) ten gevolge heeft, dat de bevaarbare stroom zich, door aanvoer van zand of slijk, verplaatst, en, wat vroeger diepte was, nu ondiepte wordt. Geestig wordt dit uitgedrukt door Cats:

Sie, waer ik heden stae, daer speelden eens de baren.

Daer quamen alle daegh de schepen ingevaren;

Daer sag men menig hulck, die met syn vollen last

Quam stuyven uit de zee, de vlaggen op de mast.

Nu is hier enkel sant en niet dan drooge platen,

Van slibber overgroeyt en van den vloet verlaten;

Waer eertijds was de kolck is maer een enge sloot

Men siet er niet één schip, men siet er niet één boot.

Vuur aan wal, altijd geen B— (schijn bedriegt).

Baal, z. n. v. — Zak, die overal is dichtgenaaid. Een B— rijst, een B— koffy.

Baar, z. n. v. — Zeebaar of golf, is eene dier oneffenheden of ruggen, welke zich boven het woelende water vertoonen en door wind of stroom gevormd worden. De wentelende B—en en Door de B—en overstelpt zijn.

Wat toren is zoo hoog, van waar mijn oogh de baren

Der zee kan overzien van al mijn wedervaren.

zegt Badeloch by Vondel.

Spreekwijze: Geen B— (ook wel golf of zee) komt hem te hoog (of te na) (niets kan hem schaden).

Hy meent dat hem geen Baren te hoog kunnen gaan (dat hy voor niemand te wijken of te zwichten heeft). Zoo schrijft Hooft, “dat de Bondgenooten, wanende, dat hun geene zee te hoog mogte gaan, zich onderwonden met een nieuwe en ongelooflijke vermetelheid, een koningsgedeelte te vergen.”

Baar, z. n. v. — ’t Fr. barre, in zijn verschillende beteekenissen van: 1o. staaf; 2o. bank, rug in zee; 3o. dwarsbalk (in de wapenkunde).

Baar, z. n. m. — Zoo wordt een nieuwling aan boord genoemd. ’t Woord schijnt van Maleischen oorsprong, in welke taal Baro “vreemdeling, nieuw aangekomene” beteekent: Zoo heet het logement voor nieuwaangekomenen: roema baro het kantoor der O. I. Kompagnie: kantor-baro.

Baarhaven, z. n. v. — Haven, die door een baar of bank wordt afgesloten.

Baarsch, b. n. — Onnoozel, dom: Een B—e streek (een domme streek).

Baartse, z. n. v. — Een soort van oorlogschip, by onze voorouders in gebruik. In den Gelderschen krijg werd in 1518 by die van Hoorn en de omliggende dorpen, ter bevestiging der kust, een groote B— gebouwd, die zeer hoog getuigd was en boven alle andere schepen uitstak. Zy kon met riemen geroeid worden, was licht in evenredigheid met haar grootte en voerde veel zeil.—De Schutteryen van “de Voetboghe” en van “de Handboghe” te Amsterdam moesten oudtijds, en ter vergelding der hun in 1480 afgestane visschery in “’t gouden water” (de Binnen- en Buiten Amstel zoo ver Stadsvrijheid strekte) onderhouden twee bairdzen met hetgeen er toe behoorde ter dienste der stad. Zie den giftbrief by Wagenaar, Amsterdam, VI D. II Boek, bylage A.

Baas, z. n. m. — Meester, opperhoofd B— van een werf; TimmermansB—.

Baggeren, b. w. — Modder ophalen, modder visschen.

Baggernet, z. n. o. — Net, waarmede gebaggerd wordt.

Baggerschuit, z. n. v. — Schuit, waarmede gebaggerd wordt.

Bagijnbras, z. n. m. — Bras van de Bagijnra: zie ald.

Bagijnra, z. n. v. — De onderste Ra aan den bezaansmast. De naam van Bagijn is vermoedelijk aan die Ra gegeven, omdat zy geen zeil draagt en alleen dient om het bovenwerk in te houden. Zoo worden runderen, die horenloos zijn, bagijnen genoemd.

Bagijnzeil, z. n. o. — Zeil, dat tegenwoordig op vele nieuwe schepen aan de Bagijnra gevoerd wordt.

Baidar, z. n. m. — Met leder bekleede Schuit, by de Kamschadalen in gebruik.

Bak, z. n. m.— 1o. Het voorste bovendek, voor den fokkemast.

2o. Eetbak, schaftplaats, balie.

3o. Scheepsafdeeling. De Equipaadje is afgedeeld in B—ken, als BootsmansB— SchiemansB— KonstapelsB— MatrozenB—, volgends Bakrol.

Spreekwijze: Iets achterbaks houden. (iets in zijn kist houden) verbergen, er niet mede voor den dag komen. De kist van den Baksmeester staat achter de Bakskist: hy heeft de keus by de rantsoenverdeeling en bergt het zijne in de kist: welk aandeel alzoo niet ter tafel gebracht wordt, niet aan den Bak komt.

Zie Achterbaks, waar een andere verklaring van het woord voorkomt, zonder dat ik beslissen wil, welke de ware zij.

Bakbeest, z. n. o. — Bynaam, dien men aan de zware ankers geeft. Van daar ook toegepast op elk lomp, onbehabbeld voorwerp.

Bakboord, z. n. o. — De linkerzijde van ’t schip, wanneer men van den achtersteven ziet. Zy draagt den naam van B—, volgends sommigen, om dat aan die zijde de Bak of Balie plach gezet te worden als men visch of vleesch weekte of ververschte;—volgends anderen, omdat de Stuurman, op kleine vaartuigen, wanneer hy aan het roer stond, zijn bak met eten aan de linkerzijde zette, ten einde de rechterhand vrij te hebben om het roer te regeeren; waarom dan ook de rechterzijde Stuurboord genoemd wordt. Volgends een derde, en misschien de eenvoudigste verklaring, zoude de oorsprong dezer benaming te zoeken zijn in den tijd der eerste uitrustingen, toen de stuurlieden, onderofficieren en roergangers ter rechterzijde in zeildoeksche hutten, en de matroozen ter linkerzijde, in bakken afgedeeld, logeerden. B— aanbrassen (De brassen aan B— aanhalen) Aan B— overgehaald zijn, liggen. Een eiland aan B— laten. Niet over B— gieren. B— vieren! Aan B— het roer! B— wat (hoû het roer een weinig naar B— zijde) Haal op aan B— (haal, roei, beter, harder aan B—).

Spreekwijze: Iemand van B— naar Stuurboord zenden: (iemand om een beuzeling heen en weder sturen).

Bakboordsbrassen, z. n. m. mv. — De touwen, die aan Bakboordzijde bestemd zijn tot het omhalen der raas.

Bakboordshalzen, z. n. m. mv. — De halzen aan Bakboord. B— toe! (komm.)

Bakboordsquartier, z. n. o. — Zie Bakboordswacht.

Bakboordswacht, z. n. v. — of Bakboordsquartier. Die helft van de manschap, welke aan Bakboord huist.

Baken, z. n. o. — Zie Baak. In ’t Fr. D. wordt bakon reeds als lichtend teeken, en wel voor de Ster der Oostersche wijzen, gebruikt.

Bakenen, b. w. — Met Bakens bezetten.

Bakening of Bebakening, z. n. v. — Het zetten van Bakens.

Bakengeld, z. n. o. — Geld, dat door de Zeevarenden betaald moet worden tot goedmaking der kosten van afbakening.

Bakliggen, o. w. — Tegenliggen, wordt van een schip gezegd, wanneer zijn zeilen de werking van den wind van voren ondervinden.

Baksen, o. w. — Een stuk van achteren omzetten, rechts of links by het pointeeren. Zooveel mogelijk vooruit B— (Het geschut zoo schuins mogelijk op een vluchtend schip uit de geschutpoorten van den voorsteven, op een vervolgend schip uit de achterpoorten, richten).

Baksgast, z. n. m. — Ieder matroos noemt al wie met hem aan denzelfden Bak schaft, zijn B—, in den zin van Baksmaat.

Baksjongen, z. n. m. — Hy die het eten aanbrengt en den kok helpt: Zie Baks-Zeuntjen.

Bakskist, z. n. v. — Kist, waarin het rantsoen wordt bewaard en die tot etenstafel dient. Niemand mag op de B— gaan zitten.

Baksmaten, z. n. m. mv. — Die aan denzelfden (etens-) Bak aanzitten.

Baksmeester, z. n. m. — Die het oppertoezicht over den Bak heeft, het rantsoen verdeelt en orde houdt aan den Bak. Hy alleen mag zitten onder het schaften.

Bakspier, z. n. m. — Een der stukken hout, die uitgevoerd worden op de hoogte van den fokkemast en dienen tot het uitvoeren van de buitenschoot van het onderlijzeil, of, wanneer men op een reede ligt, tot het vastmaken en van boord vrij houden van sloepen.

Bakstag, z. n. v. — Benaming der touwen, die den boegspriet, het kluif- en het jaaghout zijdelings steunen, en op den Bak worden vastgemaakt.

Bakstags, bw. — Breed, ruim. Een B—wind hebben (ruimhouden, ruimschoots zeilen.)

Bakstagswind, z. n. m. — Een tamelijk harde wind, zoodat de Bakstag, daar het zeil tegenkomt, stijf staat en niet labbert.

Bakstagskraag, z. n. m. — Kraag of strop, waarmede de Bakstag op den boegspriet bevestigd wordt.

Bakstent, z. n. v. — Tent, die voor den fokkemast wordt opgeslagen.

Bakszeuntjen of Zeuntjen, z. n. m. — Diegene die de schaftery haalt en na het maal het scheepsgerij in den Bak moet schoonmaken. Ieder doet dit op zijne beurt.

Bakzeilhalen, o. w. — Het zeil verkeerd halen, waardoor het schip terugdeinst. ’t Is niet van Bak, maar van ’t Eng. Back.

Spreekwijze: B— inhalen (niet volharden by zijn opzet, achteruit krabben.)

Balancella, z. n. v. — Napelsche schuit met één mast voorzien, puntig aan beide zijden uitloopende en ongeveer 18 à 20 riemen voerende.

Balans, z. n v. — (veroud.) Benaming, die plach gegeven te worden aan de verklaring, welke een schipper deed van de door hem aangebrachte goederen.

Balanceerspanten, z. n. o. mv. — Spanten, door het oplichten waarvan men plach te berekenen of een schip in aanbouw behoorlijk in evenwicht stond.

Balansrif, z. n. o. — Schuinsch rif in het Bezaan- of Brikzeil.

Balie, z. n. v. — Groote watertobbe. Voorheen plach men dagelijks in de B— den noodigen drank voor de manschap te gieten. KoelB— (die het water bevat, bestemd om gedurende den strijd het geschut af te koelen). LoodlijnB—, DeelB— (waarin, na het looden, de natte loodlijn wordt ingelegd).

Baliën, uitbaliën, o. w. — Met een Balie water uit een open vaartuig gieten.

Balk, z. n. m. — Afgehouwen en vierkant gezaagde boom. Langste B— (de B—, die op de grootspanten rust, en waarvan de lengte de hoofdbreedte van het schip bepaalt). B— van de luizeplecht (die op de hoogte van de bovenste battery ’t naast aan den boegspriet gelegd is.) B— van de kampanje (de bovenste B— van den achterspiegel, die tot steun dient van de dekplanken der kampanje.) Halve B—, halve Dek B— (die tegenover den rand van een luik ligt.) Last B— en (die tot steun van groote schepen dienen en er de koebrug van uitmaken). Gelaschte B— en (die wegens hun lengte uit meer dan een stuk moeten worden samengesteld).

Balkhaak, z. n. m. — Houvast, duivelsklaauw, kanthaak, trekhaak.

1o. Zware ijzeren staak, waarmede men balken toelegt.

2o. Groote ijzeren tang, waarmede men de stukken van een mast verplaatst of op de hoogte brengt, waar zy wezen moeten.

Balkschaal, z. n. v. — Zie Schaal.

Balkweger, z. n. m. — Weger, waar een dekbalk op rust.

Balkwegering, z. n. v. — Het inwendig langsscheeps verband tegen de boorden van het schip, en waarop de Balken komen te liggen.

Ballast, z. n. m. — Hierdoor verstaat men het zand, de steenen, of andere ruwe waren, die onder in het ruim gebracht worden, om het schip dieper in het water te doen zinken, ten einde het niet te rank worde en geen nood hebbe van om te slaan. Met B— varen, op zijn B— vertrekken (zonder lading vertrekken.) IJzerenB—, SteenB—, Vliegende B— (vaten met B— gevuld, die men naar verkiezing naar deze of gene zijde van ’t schip, waar meerdere zwaarte vereischt wordt, kan vervoeren). Op zijn B— liggen (wordt van een schip gezegd, dat nog geen andere lading bekomen heeft. De B— schiet (valt van de eene plaats naar de andere.) B— verschieten (dien van plaats doen verwisselen.) B— is eigenlijk slechte, niets deugende last, gelijk baldadig, slecht-dadig, en balsturig, slecht van bestuur.

Spreekwijze: Hy is een onnutte B— (hy is een onnut meubel, een last voor de waereld.)

Die B— is uit den weg (dat bezwaar, dat verdriet, is opgeruimd.)

Ballasten, b. w. — Met Ballast laden, Ballast innemen. Dat schip is goed Geballast (De Ballast is genoegzaam voor de behoefte.) Onze voorouders plachten, wanneer zy in de Levant zijde hadden geladen, hun schepen met marmer te Ballasten, en van daar die ontzettende hoeveelheid marmer, welke men, tot zelfs in geringe woningen, te Amsterdam aantreft.

Spreekwijze; Hy is te zwaar Geballast (hy heeft te veel gegeten.)

Ballasting, z. n. v. — 1o. Bewerking van Ballast.

2o. De daad van Ballasten.

3o. Ongelden, op het Ballasten gevallen.

Ballastkist, z. n. v. — Afgescheiden schot of afgesloten vak in het ruim, waar Ballast in geladen wordt. Op een stoomboot staat een B— op ’t bovendek en op rollen om haar recht te houden.

Ballastkleed, z. n. o. — Geteerde stukken zeildoeks. Zie Presenning.

Ballastlichter, z. n. m. — Schuit, waarmede de Ballast gelost wordt.

Ballastpoort, z. n. v. — Poort of opening, waar de Ballast door geladen wordt.

Ballastschieters, z. n. m. mv. — Volk, dat zich met Ballasten bezig houdt.

Ballastschuitjens, z. n. o. mv. — Vierkante stukken ijzer, van 12,50, 25 of 50 Ned. Po. zwaarte, dienende tot het Ballasten van oorlogs- of andere schepen, waar de noodige ruimte in bewaard moet worden.

Ballon, z. n. m. — Pleizierboot te Siam, zeer verheven aan de beide uiteinden.

Band, z. n. m. — Hoepel, beugel. De B—en (de ijzeren hoepels om de masten.) Zie BorgB—, RaB—, B—en in het ruim (houten of ijzeren B—en, die over het zaadhout of over een oploop heen gezonken en verder op de inhouten liggen. B— in het voor- of achterschip. (Zie Dekbanden.)

Spreekwijze: Door den B—. (gewoonlijk, doorloopend.)

Banden, b. w. — Versterken. Een zeil B—, (er kruislingsche stootlappen op zetten.)

Bank, z. n. m. — Droogte, plaat, klip, blinde rots in zee. ZandB—, KoraalB—, SchelpB—, IJsB—, De groote B—, (onderzeesche berg ten O. van Nieuw-Foundland.) DoggersB—, (groote B— tusschen Engeland, Finland, en Jutland.)

Spreekwijze: Door den B—, moet zijn Door den Band. Zie Band.

Banken, o. w. — Wordt een schip gezegd te doen, wanneer het op een Bank komt om te visschen.

Barbier, z. n. m. — Naam, die oudtijds aan den Scheeps-Chirurgijn gegeven werd.

Barge, z. n. v. — of Berge. Soort van trekschuit, dienende tot vervoer van personen en goederen en voor de binnenlandsche vaart bestemd. ’t Is oorspronkelijk hetzelfde als Bark. De B— van Alkmaar op den Helder, Kadetten B—, naam, dien het scheepsvolk wel eens geeft aan het logies der Adelborsten.

Barghout of barrighout, z. n. o. — Een gedeelte der buitenhuid tegen de kimmen van het schip, tevens dienende tot verband, als het schip, gelijk met een band of gordel, omringende. De rechte spelling van ’t woord schijnt te wezen Berghout, als dienende die houten om ’t schip te bergen of te bewaren. Linieschepen hebben een BovenB— ter hoogte van het kuildek, en een OnderB— ter hoogte van het tusschendek.

Bark, z. n. v. — Met deze benaming wordt in ’t byzonder zekere soort van lichte Grieksche en Spaansche vaartuigen, in de Middellandsche zee varende, bestempeld. De koopvaardyschepen, die den grooten- en fokkemast barksgewijs getuigd hebben, en daarenboven nog een achtermast met bezaan- en gaftopzeil zonder raas voeren, worden B—en genaamd. Ook wordt B— in poëzy veelal voor het min edele “schuit” gebezigd.

Een lichte Barck van barstigh Bocken-leder.

zegt Vondel in zijn Lofsangh op de Scheepsvaart.

Barkas, z. n. v. — De zwaarste sloep aan boord van een schip, tot alle zwaar werk bestemd, als het lichten en uitbrengen van ankers, enz. De B— wordt met draaibassen gewapend.

Barkoen, z. n. m. — Rondhout, windboom.

Barkschip, z. n. o. — Schip met twee overkant getuigde masten, terwijl de derde mast slechts een schoenerzeil voert.

Barlaventovloot, z. n. v. — Benaming van een Eskader kleine Spaansche vaartuigen.

Barnen, o. w. — Branden, koken (van de Zee.)

Barning, z. n. v. — Zie Branding.

Barometer, z. n. m. — Weerglas, werktuig, dat de drukking van den dampkring meet en waarop de aanwijzingen, overeenkomstig die drukking veranderende, in verband met de weersveranderingen worden waargenomen. Haarbuizige B—, (die minder dan een streep diameter van binnen heeft. (De B— staat op mooi weer, op regen.)

Barrighout, z. n. o. — Zie Barghouten.

Barring, z. n. v. — 1o. Waarloos rondhout. Verzameling van rondhouten, ingescheept om de bestaande in geval van nood te vervangen.

2o. De plaats van het bovendek, gemeenlijk tusschen den grooten en fokkemast, waar de waarlooze rondhouten geborgen worden.

Bas, z. n. v. — Soort van klein geschut, oudtijds veel op de schepen in gebruik. Zie Draaibas.

Batarde, z. n. v. — (veroud.) 1o. Soort van galei, minder groot dan de koninklijke.

2o. Soort van geschut.

Battery, z. n. v. — Geschutlaag: wordt aan boord verstaan van al de kanonnen, die aan bak- en stuurboordzijde op een en ’t zelfde dek aan de geschutpoorten liggen. Onder B—, eerste B— (die het dichtst by de waterlijn is), Tusschen deksB—, OnderdeksB— (die op het tusschendek ligt), Bovendeks B— (die op het bovenste dek van een driedekker rust.) De B— is gesjord (vastgebonden tegen ’t rollen.) De B— staat te boord (als de trompen buiten de geschutpoorten staan.) Gladdeks B— (onoverdekte B—).

Bed, z. n. o. — of Bedding 1o. De holte waar een rivier of beek doorstroomt.

2o. De bodem der zee.

De moegerende Son zoekt de avondlegersteê

En gaêrt zich nieuwe kracht in ’t koelend Bed der zee.

Vr. K. W. Bilderdyk.

3o. Indruk, welken een schip achterlaat in den modder, waarin het heeft vastgezeten.

4o. Helling, waar een schip op gebouwd wordt.

Bebakening, z. n. v. — In officiëel gebruik, even als betonning. Ik zoû ’t eenvoudige Bakening verkiezen.

Bedaren, o. w. — Kalm worden. De storm begint te B—.

Bedden, z. n. o. mv. — of Beddingen. Sledebalken.

Bedding, z. n. v. — Zie Bed. B— noemde men voorheen ook een verzameling van balken, met planken belegen en dienende om geschut op te plaatsen, zoo als by de bombardeerkorvetten.—De mortierB—en.

Bedisselen, b. w. — Hout met behulp van een Dissel effenen en scherp maken.

Spreekwijze: Een zaak B— [of Bedistelen als men gewoon is verkeerdelijk te zeggen] (een zaak vereffenen, in orde brengen).

De ouwe wijven die weten toch alle dingh te Bedisselen.

L. Franssoons Grietjen Wouters.

Beeldwerk, z. n. o. — of Tarmen. Snijwerk, cieraden aan den spiegel van een vaartuig.

Beeting, z. n. v. — Zie Beting.

Begeven, o. w. — Losraken, stukgaan. Het B— van een mast, huid, plank.

Begeving, z. n. v. — De daad van Begeven.

Begieten, b. w. — Nat maken. De scheepszijden B—.

Begroeten, b. w. — of Salueeren. Teekenen van beleefdheid, ontzach of eerbied geven. Het B— geschiedt op zee door middel van kanonschoten, altijd in oneffen getal. De oorlogschepen, die door koopvaardyschepen begroet worden, lossen gemeenlijk het derde van het aantal schoten, die ter hunner eer gedaan worden. Een vloot, een vlag, een citadel B—. Met scherp B— heeft alleen ter eere van koningen plaats. Het B— geschiedt ook somtijds door het strijken van de vlag, en door het laten vallen van het marszeil. Dat de Amiraal van Gent in 1671 goed vond het Engelsche koningsjacht de Merlijn niet op die wijs te begroeten, gaf (onder meer) aanleiding tot oorlog met Engeland. De zee begroet den wal, (de schepen B— de forten.)

Behouden, b. n. — 1o. Gelukkig, gunstig. B— koers, breedte, vaart. Een B— aankomst (aankomst met het vaartuig waarmede men is afgereisd). Iemand B— reis wenschen (Voorspoedige reis).

2o. Gered, veilig. Het schip is vergaan; doch de manschap B— aan wal gebracht.

Spreekwijze: Een B— man (die uit den nood, uit den brand is).

Behouden, b. w. — achtereenvolgend houden, bewaren. Wy bleven denzelfden wind gedurende veertien dagen B—. Het gelukte my, mijn koers te B—.

Beitel, z. n. m. — Timmermans gereedschap, dat van onderen scherp en van boven ingericht is om er op te kloppen.

Spreekwijze: Kom voor den B—. (Kom voor den dag: toon, wie ge zijt.) Een vaatjen op den B— zetten (ten beste geven).

Beitelaak, z. n. v. — Zie Aak.

Bekaaien, o. w. — Beteekent: op de Kaai of op den wal bederven en wordt byzonder gezegd van visch, die zoo lang aldaar gelegen heeft, dat zy begint te sterven.

Spreekwijze: ’t Is alles Bekaaid (bedorven).

Hy komt er Bekaaid af. (Hy heeft er schande meê behaald: omdat Bekaaide visch als een slecht onthaal wordt aangemerkt, waar de huiswaard geen eer mede inlegt.) Doch zie Bilderdijk Gesl. op Kade. Ook Witsen legt het woord anders uit en beweerd, dat een stuk hout, hetwelk aan boord nergends past of sluit, gezegd wordt Bekaaid uit te komen.

Bekaaier, z. n. m. — B— van den bezaan wordt de toppenant genoemd, die aan de bezaansra vast zit.

Bekabbelen, b. w. — Kabbelende schuren.

En IJ- en Amstelstroom bekabbelen zijn gront.

Sylvius, Amsterdam.

Bekbout, z. n. m. — Bout, die met een bek of kromming eindigt.

Bekeuren, b. w. — Wegens overtreding een boete of andere straf aanzeggen.

Bekeuring, z. n. v. — De daad van Bekeuren.

Bekleeden, b. w. — Bedekken, bewoelen, verzorgen tegen schuring of beschadiging of wrijving. Het buitenwerk van een schip B— (het met dunne planken bedekken, er enden touw om heen woelen of het met leder benaaien.)

Bekleeding, z. n. v. — Huid, bedekking.

Beknijpen, b. w. — Een end touw beklemmen tot dat het op een klamp belegd is: twee touwen, b. v. de stuurrepen, op elkander binden.

Belabberd, b. n. — Of Labberlottig; wordt het weer gezegd te zijn, wanneer de wind, in plaats van frisch door te waaien, slechts labbert en met tusschenpozen waait: (’t is ’t Maleisch Palabber, vergadering—omdat daar by hen alles langzaam toegaat.)

Spreekwijze: Het ziet er B— uit (ongunstig, onaangenaam uit).

Beladen, b. n. — Zwaar geladen. Dat schip is te sterk B—. Die boot is met te veel goederen B—.

Beleggen, b. w. — Aanslaan, naaien, sjorren: ook wel een touw aan een paal of ander voorwerp vastmaken. De schoot, de bras B— (die vastzetten.)

Spreekwijze: Het was: Hou en beleg. (het was: houd het touw en maak het ter dege vast: oneigenlijk “goede raad was duur, men had handen vol werk”.)

Daar is geen touw aan te B— (Er is geen touw aan te vinden: overdr.: Die kwant stuit niet veel: met hem is niet te geworden.)

Belegklampen, z. n. v. mv. — Kruisklampen, bestaande uit een dwarshout en twee halvermaanswijze daarop geplaatste stukken. Zoodanige klampen worden tegen het binnenboord van een vaartuig gespijkerd en dienen om er enden touw aan te bevestigen.

Beloop, z. n. o. — Fatsoen van een schip en, meer bepaaldelijk, de omloop van den achtersteven.

Beloopen, b. w. — Bezeilen. B— worden beteekent: “overvallen worden”, b. v. door een storm.

Bemallen, b. w. — Zie Mallen.

Bemannen, b. w. — 1o. Van manschap of volk voorzien.

2o. Van een loods voorzien. Het schip is Bemand (er is een loods aan boord: omdat de loods, zoo lang hy dienst doet, als de Man by uitnemendheid beschouwd kan worden.)

Bemanning, z. n. v. — Het scheepsvolk, dat zich aan boord bevindt. Dat schip had maar geringe B—. Zie Manschap, volk.

Bemasten, b. w. — of Masten. Van Masten voorzien. Dat schip is nog niet Bemast.

Benarren, b. w. — Benaauwen. Wy zaten benard (op lager wal.)

Beneden, bw. — Onder, omlaag, in het beneden gedeelte van het schip. Zend het volk B—.

Benepen, b. n. — (Veroud.) Werd een schip gezegd te zijn, als het niet vlotten of niet over droogten geraken kon door schaarsheid van water.

Bengel, z. n. m. — De klok op een koopvaardyschip. De B— luidt om te schaften. Zie Klok.

Spreekwijze: Een kwade B— wordt van een lastigen knaap gezegd, die ons met zijn bengelen of janken verveelt.

Benoorden, bw. — ’t zelfde als Noordwaart, ten Noorden. Wy praaiden dat schip N mylen B— de linie. De wind is B— het oost.

Benoorden-om, bw. — Om Engeland heen. Wanneer, in oorlogstijd, het Kanaal onveilig was, zeilde men Engeland om, wat de reis aanmerkelijk verlengde. Hiervan de Spreekwijze: Hy gaat B— (hy is langzaam in zijn doen, in zijn spreken, in zijn werken.)

Beoosten, bw. — ’t zelfde als Oostwaart, ten Oosten. Die eilanden liggen B— Java.

Bepalen, b. w. — Naar een vaste berekening zich van iets verzekeren. De juiste ligging eener plaats B—, den afgelegden koers B—.

Bepekt, of Bepikt, b. n. — Met pek besmeerd: Vondel bezigt in zijn Lofsangh op de Scheepsvaart de uitdrukking Bepeckte Vlercken voor “zeilen.”

Bergen, b. w. — 1o. Stuwen, pakken. Dit schip kan nog al wat B— (nog al wat goederen inhouden).

2o. Oprollen en vastmaken (een zeil B—), het in het dichtst mogelijk bestek ineen vouwen en op zijn ra met touwen vastbinden.

3o. Laten vallen: een vlag B—, die nederhalen en wegsluiten.

4o. Redden, bewaren: bepaaldelijk gespaarde personen of goederen. Het schip is te gronde gegaan; doch men heeft de ekipaadje nog kunnen B—. Hierover handelen art. 545 en volgg. Wetb. v. Kooph.

Berger, z. n. m. — Hy, die gestrande goederen helpt Bergen.

Berghout, z. n. o. — Zie Barghout.

Berging, z. n. v. — Ruimte. Er is weinig B— in dat schip.

Bergloon, z. n. o. — Gelden, die uitbetaald worden, tot vergoeding der moeite en kosten aan het Bergen van gestrande goederen besteed. Het B— wordt alleen toegestaan in de gevallen, by art. 562 Wetb. van Kooph. vermeld. De B—en behooren in de eerste plaats onder de bevoorrechte schulden, die op de opbrengst van verkochte zeeschepen kunnen worden verhaald. Zie art. 343 Wetb. van Kooph. Vergel. voorts art. 547, 548, 750, 757.

Berkhout, z. n. o. — ’t zelfde als Barghout. Zie ald.

Berkoen, z. n. m. — ’t zelfde als Barkoen. Zie ald.

Beschadigd, b. n. — Zoo noemt men alles wat op de eene of andere wijze schade geleden heeft en in minder goeden staat verkeert. Verkoop van goederen, door ’t zeewater B—.

Beschadigen, b. w. — Schavielen, wrijven, schade aanbrengen.

Beschieten, b. w. — 1o. Schotten zetten. Er waren zooveel passagiers aan boord, dat men genoodzaakt was de kerk te B—.

2o. Met planken bekleeden. Die kajuit is geheel Beschoten.

3o. Met geschut bevechten.

Beschouwen, b. w. of met den deel hebben — voor “zijn deel ontfangen” is een uitdrukking, in gebruik op onze zeedorpen. By de terugkomst van een visscherman heeft de reeder de helft van de netto-opbrengst, en de andere helft wordt onder het volk verdeeld, zoodat elk zijn aandeel Beschouwt, d. i. bekomt, naarmate hy vaart voor kwart, half, drie kwart of volle man.

Beslaan, b. w. — 1o. Bedekken, bekleeden. Een plank met ijzer B—.

2o. Al de zeilen zijn Beslagen.

3o. In beslag nemen. Zie Beslag.

Beslag, z. n. o. — Verletting, op-onthoud. Dat schip werd in B— genomen (de schipper werd belet weg te zeilen: of wel, hy werd gedwongen zijn schip in dienst te stellen van de in beslag nemende Mogendheid). Zie Embargo.

Beslagbindsel, z. n. o. — Bindsel, waarmede men zeilen Beslaat.

Beslagen, b. w. — met ijzer bekleed.

Beslaglijnen, z. n. v. mv. — Touwen of Lijnen, waarmede men de bezaan- en stagzeilen Beslaat.

Beslagseizings, z. n. v. mv. — Gevlochten enden touw, tot vasthechting der zeilen aan de raas.

Besloten, b. n. — Dicht. Een B— reê (waaruit men de volle zee niet zien kan.

Besmeeren, b. w. — Insmeeren, met smeer bestrijken.

Besneden, b. n. — Gevormd. Een fijn B— schip (een schip dat een fijne Snede heeft).

Bestek, z. n. o. — 1o. Berekening van de plaats, waar een schip zich bevindt, welke dagelijks wordt opgemaakt overeenkomstig de opmeting van den weg, dien het heeft afgelegd en den koers, dien het gehouden heeft. Met het B— voor- of achteruit zijn, zijn B— vooruit loopen, achter zijn B— zeilen, (na gedane waarnemingen ontdekken dat de gegiste plaats van het schip meer of min verwijderd is van de plaats, waar het zich werkelijk bevindt). Die Loods, die Stuurman heeft zich in zijn B— vergist. Gegist B—: bevonden B—: verbeterd B—: B— opmaken: B— zetten.

2o. In schrift opgemaakte berekening van al de deelen, waaruit een schip zal moeten bestaan en van de aan te wenden kosten.

Bestemd, dw. — wordt gebezigd, om het doel te kennen te geven. Dat schip is naar Java B— (het moet naar Java). Die goederen zijn tot geschenken B—.

Bestemming of Bestemmingsplaats, z. n. v. — Plaats, waarheen iets Bestemd was. Dat schip heeft zijn B— bekomen.

Bestevenen, b. w. — Den steven ergends heen wenden, waar men met goeden wind en groote zee kan heenzeilen, zonder van richting te veranderen.

Spreekwijze: Men bezeilt niet altijd wat men Bestevend had (men bekomt niet altijd wat men verlangd had).

Bestier, z. n. o. — Zie Scheepsbestier.

Betakelen, b. w. — Een touw aan het einde omwinden, om het rafelen te beletten.

Betanen, b. w. — Tanen, met Taan bestrijken.

Beting, z. n. v. of Betings mv. — Naam van twee sterke staanders, door een zwaren balk verbonden, of soort van galg, voor den fokkemast geplaatst en dienende om ’t ankertouw of ketting aan vast te leggen. ’t Woord beteekent aflating, van het oude beeten (afdalen).

Betingsbalk, z. n. v. — Dikke zware dwarsbalk. Zie Beting.

Betingsbout, z. n. m. — Een der zware ijzeren bouten, die in de Beting geslagen worden, om het daarom gelegde touw tegen het afslippen te bewaren.

Betingskop, z. n. m. — De enden van de stijlen, waar zy boven den Betingsbalk uitsteken; ook wel Monnik of Speen genaamd.

Betingleggen, o. w. — De ketting of het touw om den Betingsbalk Leggen.

Betingsknie, z. n. v. — De Knie, die den Betingsstijlen steun verleent en tegen omslaan bewaart.

Betingsslag, z. n. m. — De Slag, dien de ketting of het touw over de Beting neemt.

Betingsspenen, z. n. v. mv. — Zie Betingskop.

Betingsspoor, z. n. o. — Een stuk of stukken houts, waarop het vierkant ondereinde der Betingsstijlen is ingelaten.

Betingsstopper, z. n. m. — De eerste Stopper, dien men achter de Beting op de ketting zet om het uitloopen te beletten.

Beetingsstut, z n. o. — De recht opstaande Stut, waaraan de Betingsbalk is verbonden, en die boven den Balk uitsteekt; hy dient om het zwaar touw daarom te leggen.

Betingsstijl, z. n. m. — Zie Beting.

Betonnen, b. w. — Met tonnen bezetten, afbakenen. Het B— van dat vaarwater heeft vrij wat gekost.

Beugel, z. n. m. — Band, hoepel. De B— van het kompas (koperen ring, waar het kompas aan twee zijden in bevestigd is en zich vrij in beweegt.

Spreekwijze: Dat kan niet door den B— (dat kan er niet door).

Iemand door den B— jagen (iemand door den mostert slepen, door naauwe en moeilijke plaatsen heenslepen).

Beugelarm, z. n. m. — Bevestiging van den Beugel aan het hout.

Beugtijd, z. n. v. — De tijd van November tot February, wanneer de visschers onzer zeedorpen ter schelvisch en kabeljauwvangst uitgaan. Zie Overloopers, Schrobtijd.

Beuling, z. n. v. — Ronde lijst, tusschen het rahout en de zetgang.

Beun, z. n. v. — of Bun, is de plaats in het schip waar de visch levendig gehouden wordt, welke daarvan B—visch genoemd wordt.

Beurtman, z. n. m. — Eigenlijk de schipper, die op zijn Beurt tusschen twee plaatsen varen moet; doch overdrachtelijk voor het schip zelf genomen. De B— op Zwol is afgevaren. De B— ligt aan den steiger.

Beurtschip, z. n. o. — Hetzelfde als Beurtman. Zie ald.

Beurtschipper, z. n. m. — Schipper van een Beurtschip.

Beurs, z. n. v. — Openbare plaats, waar kooplieden, makelaars, reeders, enz. te samen komen om hun zaken te doen. Ter B— komen: Ik heb hem op de B— gesproken.

Spreekwijze: Hy mag er gerust mede aan de B— komen (hy mag er gerust mede in ’t openbaar, in ’t gezelschap van menschen, komen).

Beursvaatjen, z. n. o. — Benaming van een vaatjen met buskruit, dat van boven met een lederen Beurs of zak wordt toegebonden, opdat er geen vonken in zouden vallen.

Bevaarbaar, b. n. — Waar gevaren kan worden. Die rivier is twee mijlen van haar monding niet langer B—.

Bevaren, b. w. — Al varende of zeilende over een water gaan. De zee B— (over zee gaan). Hy is een water ingezeild, dat voorheen door niemand was B—.

Quam nu een visscher, die voor viermaelhondert jaeren

Heeft met zijn kleine boot het eenzaam Y bevaeren.

Antonides, Ystroom.

Bevaren, b. n. — Die gewoon is te varen. B— volk. Een B— matroos (die zijn roergang verstaat).

Bevrachten, b. w. — Laden. Het woord B— wordt echter niet gebezigd voor de daad der inlading zelve, maar voor het zorgen voor de Bevrachting. Het is de koopman, die het schip Bevracht, maar het zijn waagdragers, of sjouwerlieden, die het vol laden.—Een schip, door de Handelmaatschappy, voor byzondere rekening Bevracht.

Bevrachter, z. n. m. — Hy, die een schip bevracht, of huurt om te Bevrachten—in tegenstelling van Vervrachter. Zijn verplichtingen worden omschreven in het Wetb. van Kooph. Deel II. Tit. V. Afd. II. art. 464–498.

Bevrachting, z. n. v. — De daad van Bevrachten. De overeenkomst van B— wordt genaamd Cherte-party. Zie ald. De bepalingen aangaande de B— zijn te vinden in het Wetb. van Kooph. Deel II. Tit. V. Afd. I art. 453–463 en Afd. III. art. 499–506.

Bevrijden, b. w. — Vrij maken. Een schip B— (van water, of van den vyand).

Bewaking, z. n. v. — Maatregel, die somtijds omtrent binnenkomende schepen genomen wordt, wanneer men vreest, dat zy hun lading geheel of gedeeltelijk in ’t geheim en zonder aangifte zullen lossen. Zie de bepalingen daaromtrent in de Alg. Wet van 26 Aug. 1822. Hoofdst. XV. art 153–156.

Bewateren, b. w. — met water vullen. De pomp B—.

Beweerd, bw. — Door kwaad weer verhinderd een plaats te verlaten. De schepen lagen daar B—.

Beweging, z. n. v. — Zie Manoeuvre.

Bewesten, bw. — ’t Zelfde als westwaart, ten westen. Wy werden B— de Kaap van een storm overvallen.

Bewimpelen, b. w. — Met wimpels voorzien. By feestelijke gelegenheden worden masten en stengen Bewimpeld.

Spreekwijze: Zijn opzet B— (met bedriegelijken schijn omkleeden,) Ergends onbewimpeld voor uitkomen. (De waarheid naakt en zonder tooisel voordragen).

Geen koopvaarder mag een wimpel voeren: by ontmoeting van verdachte schepen hijscht hy somtijds den wimpel om zich voor te doen als een oorlogs- of transportschip.

Bewindhebber, z. n. m. — Naam, die vroeger gegeven werd aan hem, die zitting had in het besturend lichaam der Oost- of West-Indische maatschappy.

Bewoelen, b. w. — Vast en aan alle kanten omwinden: ’t geen voornamelijk met touw, werk, enz. geschiedt.

Bewoeling, z. n. v. — De daad van Bewoelen.

Bezaan, z. n. v. — 1o. Het achterste zeil van een klein vaartuig. De B— op haar gat zetten (de schoot der B— sterk aanhalen).

2o. of Bezaanzeil. Het achterste gaffelzeil aan boord van een driemastschip.

3o. Groote B— die met schoon weer gebruikt wordt en van licht zeildoek vervaardigd is.

Bezaanmast, z. n. m. — De achterste Mast op een driemastschip.

Bezaansmars, z. n. v. — Zie Mars.

Bezaansdempgordingen, z. n. v. mv. — Touwen, waarmede de Bezaan wordt weggenomen en de kracht van den wind uit het zeil genomen.

Bezaanspispotten, z n. v. mv. — De brassen van de bezaansra, nu door een gaffel vervangen.

Bezaansroede, z. n. v. — of Gaffel. (veroud.) Ra van den Bezaansmast, die thands niet meer in gebruik is.

Bezaansrusten, z. n. v. — Zie Rusten.

Bezeild, b. n. w. — Wordt van den wind gezegd, wanneer deze voordeelig is voor den koers. Zie Wind.

Bezeildheid, z. n. v. — Vaart, gang, in goeden zin genomen. Dit schip wint in het in B— van de meeste anderen (zet meer vaart). Het heeft zijn B— verloren of terug bekomen.

Bezeilen, b. w. — Bevaren, koershouden zonder te wenden. Wy moeten die haven zien te B— (al zeilende bereiken).

Spreekwijze. Hy heeft het Bezeild (hy is de zwarigheid te boven).

Men kan geen haven met hem B— (men kan met hem niet te recht komen).

Men kan niet altijd zijn koers B— (het loopt wel eens tegen).

Bezem, z. n. m. — gebruikelijk in de

Spreekwijze: den B— in den mast voeren (de zee schoon vegen).

Toen ’t Oosten, ziende allengs den schat van Hollant groeien,

Verraderlijk bestont haar scheepvaart te besnoeien,

Beslaet in Pomeren en Pruissen, Zont en Belt,

De korenvloot van ’t Y, en rooft ze met gewelt,

Dorst Amsterdam (hoe klein ’t zich toonde voor twee eeuwen)

Zich met meer koggen, dan gantsch Hollant met de Zeeuwen

Te samen rukte, in zee begeven, en het strant

Des roovers plonderen, hun vlotten in den brant

Vernielen, en gekeert met zege, en trots gewroken,

Heeft op het hoog toppet den bezem uitgestoken

Als die de ruime zee, van schuimers lang geplaeght,

Nu zagh door haren moet geveiligt en gevaegt.

Antonides Ystroom.

Bezet, bw. — Vast, ingewikkeld, verhinderd. De vloot zat in ’t ijs B—: op de kust B— zijn: op lager wal B— zijn.

Bezuiden, bw. — ’t Zelfde als zuidwaarts, ten zuiden. Dat schip lag B— het eiland.

Bieden, b. w. — Vertoonen, toekeeren. Wy oordeelden gepast, den vyand de breedzijde te B— (om hem te beschieten namelijk). De kapitein deed het fregat de breede zijde B— aan het fort.

Biezetouw, z. n. o. — Touw van biezen gemaakt, en in de Middellandsche zee wel gebruikelijk.

Bil, z. n. v. — Ronding van het achterschip.

Billen, z. n. v. mv. — De uitpuilende deelen van het achterschip.

Binden, b. w. — Vastmaken met touw of andere wringbare zelfstandigheid.

Spreekwijze: Aan een plaats Gebonden zijn (er niet vandaan kunnen).

Bindgaren, z. n. o. — Bindtouw. Zie Garen, Touw.

Bindsel, z. n. o. — De uitkomst van het Binden. Een B— leggen. Zijn voor B—. Plat B—. B— van een ankersteel. KruisB—. NokB— enz.

Binnen, vz. — 1o. wordt dikwijls als bw. gebruikt, en de plaats, waar iets binnengekomen is, daarby stilzwijgend verstaan. De schepen zijn B— (zy zijn de haven binnengekomen). Haal den Loods B— (binnen scheepsboord).

Spreekwijze: Hy is B— (hy is uit den brand, hy heeft zich gedekt). De uitdrukking wordt meest gebezigd van een speler of spekulant, die, hoe de kans ook loope, de door hem uitgezette gelden terug heeft en nooit meer verliezen kan.

2o. Voor “B— bereik van”: de schepen zijn B— Schot.

Binnenachtersteven, z. n. m. — Beplanking, die van Binnen aangebracht is en tot steun dient van den achtersteven.

Binnengaets, bw. — Binnen de monding van een zeegat of stroom.

Die wel ervaren maets

En Tritons van het meir ons sturen binnen gaets.

Vondel.

Binnengeschutgang, z. n. v. — Naam, op geschutdekken, aan de tusschenwegers gegeven.

Binnenhaven, z. n. v. — Haven in een meir, baai of rivier. Rotterdam en Dordrecht zijn B—s.

Binnenkiel, z. n. v. — of Plaat op de kiel: het deel, dat, tot versterking der lasschen van de kiel enz. op de kiel komt te liggen en zich voor en achter onder de slemphouten verliest.

Binnenkomen, b. w. — Uit zee in de haven komen. Binnengekomen: de vrouw Maria, uit Riga.

Binnenlandsch, b. n. w. — Wat zich binnen de grenzen van het Rijk bepaalt. Hy drijft alleen B—en handel. Dit schip is alleen voor de B—e vaart gebouwd.

Binnenlek, z. n. v. — Naam, door de visschers gegeven aan het gedeelte der zee tusschen het strand en de Breêveertien.

Binnenloods, z. n. m. — Loods, die zijn ambacht uitoefent op de binnenwateren.

Binnenloodsen, b. w. — of Inloodsen. Zie Loodsen.

Binnenloopen, b. w. — Inzeilen. B— wordt meestal gezegd, wanneer het uit nood geschied.

Binnenrahout, z. n. o. — of Striem. Gang, wegers, langs den bovenkant der poorten tegen het potdeksel van het opperdek gelegd, en over de geheele lengte van het schip doorgaande.

Binnensteven, z. n. m. — De binnenkant van den Steven. Zie Steven.

Binnenvaart, z. n. m. — De vaart op de stroomen en wateren van het Rijk.

Binnenvoorsteven, z. n. m. — Het verlengde van de binnenkiel, loopende van het slemphout tegen den voorsteven op.

Binnenwegering, z. n. v. — Een langsscheeps-verband, loopende tegen de spanten van den voor- naar den achtersteven.

Binnenzeilen, b. w. — Uit zee binnenkomen.

Bit, z. n. o. — Vooreinde. De scherpte van het schip, ook snit of snede genaamd. Zie ald.

Bitstuk, z. n. o. — Zie Loefhouder.

Bitterenden of Hondenenden, z. n. o. mv. — Enden van kabels. Deze, als niet vast ineen gedraaid, worden afgekapt en tot schiemansgaren gebezigd.

Blaasbalg, z. n. m. — Vulling van hout, die onder de slooiknieën wordt aangebracht om de ruimte aan te vullen tusschen de benedenste dikte dier slooiknieën en de buitenhuid, en daardoor te beletten, dat de zee er te veel kracht op oefene.

Blaauw inzetten, b. w. — (veroud). IJzer in het schip zetten of slaan.

Blaauwschuit, z. n. v. — Oude, echt Hollandsche benaming voor scheurbuik. Zie ald.

Bladstil, bw. — Geen windtjen.

Blafteren, o. w. — (veroud.) Een schip werd gezegd te B— als het met den neus in den wind stond en de zeilen los lagen of sloegen.

Blad, z. n. o. — Plaat, platte bekleeding. Een ijzeren B—. B— van een riem (het platte en breede end van een riem). B— van een anker (Zie Ankerblad.)

Blaken of Blakeren, b. w. — Wordt men gezegd een schip te doen, wanneer men het buiten om met brandend riet zengt, om het hout van den worm te bevrijden.

Blakeren, — Zie Blaken. B— is meer in gebruik.

Blank, b. n. w. — Zie Zeil.

Blakhol, z. n. o. — ’t Eng. black hole, een donkere kerker aan boord.

Blazen, b. w. — (veroud.) Een schip B— noemde men, wanneer het op zij gehaald was om te kalfaten en vervolgends dicht gestopt, er met blaasbalgen wind in persen om te zien of het dicht was.

Blekhel, z. n. o. — Zie Hel.

Blikken, o. w. — of Blikvuren. Met vuren seinen om by matig of donker weer van andere schepen ontdekt te worden.

Bliksem, z. n. m. — Elektrisch lichtverschijnsel in den dampkring.

Blikvuur, z. n. o. — Seinvuur. Zie Blikken.

Blikvuren, o. w. — Zie Blikken.

Blind, z. n. o. — (veroud.) Het zeil, dat of onder of boven aan den Boegspriet en zijn steng plach te zitten: het eerste of onderste droeg den naam van: het groote B—: het tweede of bovenste dat van: het kleine B— De oorsprong dier benaming wordt daarin gezocht, dat de B— de maats in het uitkijken zeer belemmerde, even als men “een blinde muur” zegt, van een muur, waar geen gat of venster in is.

Blind, b. n. w. — Zie Klippen, Ra, Steng, enz B—e Ra (die onder den boegspriet hangt.)

Blinden, z. n. v. mv. — Luiken.

Blink, z. n. m. 1o. — Lichte plek aan een bewolkten hemel: ook het licht, dat een streep wolken of dampen by ’t opstijgen tusschen zich en den gezichteinder laat.

2o. Wit, onbegroeid duin.

Geen duin noch witte Blinck, noch Pharos kan voorwaer

D’aenstaende zwarichheit, den noot, het leet, ’t gevaer

Van ’t varen overzien.

Bloedvlag, z. n. v. — of roode vlag.

1o. Vlag, waarmede het sein tot den strijd gegeven wordt. De roover hijscht, die om te doen kennen, dat hy geen genade geeft als men zich verweert. De zeeroover ontdekte zich door de B— te hijschen.

De bloetvlag uitgesteken

Geeft aen den vloteling weêrzijts het oorlogsteeken.

Antonides, Ystroom.

2o. Vlag, die by de uitvoering van een vonnis wordt geheschen.

Blok, z. n. o. — In ’t algemeen een klompvormig stuk houts: op schepen wordt het meer byzonder gebruikt voor: katrol en beteekent dan zoodanig Blok, ’t welk van eene of meer keepen is doorsneden, binnen welke eene of meer schijven van pokhout of gegoten ijzer vastzitten, die zich vrij bewegen om houten of ijzeren, door het lichaam van het blok heen loopende spillen. Van zoodanige katrollen in ’t mv. sprekende, zegt men niet: de Blokken, maar de Bloks.—Enkel B— (dat maar een schijf heeft). Dubbel B— (dat er twee nevens elkander heeft). GeinB—, JijnB— (groot B— dat er onderscheidene nevens elkander heeft). Drieschijfs B— Drieschijfs GeinB— Dubbele B—s voor geschuttalies. VioolB—s (die uit twee nevens elkander geplaatste B—s bestaan elk met maar eene schijf). MarsschootsB—s (die uit twee boven elkander geplaatste B—s bestaan) KatB— (dat drie schijven heeft.) Plat B— (waarvan het lichaam plat is: als dit het geval is met de B—s aan de hoofden der masten, en met de hanger B—s voor de marse-draai-reep). KinnebaksB—s (waarvan de zijde opengesneden is om het touw te laten doorloopen, zoodat men niet noodig heeft, om dit door een opening in de keep te brengen). Schoot B—s (die men voor de schoot van het Blindzeil plach te gebruiken). Spoelvormige B—s (die den vorm van een schietspoel hebben. Op den top van de bezaan gehecht, dienen zy om de bagijns-toppenants te doen doorloopen). WartelB—s, DraaiB—s (die, in groot aantal en vertikaal geplaatst, horizontaal kunnen draaien, als de B—s voor de buik- en dempgordings. VoetB—s (die alleen dienen om een gespannen touw een andere richting te doen nemen). LeiB—s (die geplaatst zijn om een touw zijn richting te doen bewaren). Buikgording- en geitouwB—s (die onder of op de nok van een ra geplaatst, dienen tot doortocht der gordings of schooten en geitouwen van een bovenzeil). KardeelB—s (die in ’t midden van een ra zijn geplaatst voor de kardeelen der onderraas en de draaireepen der marsen). ToppenantsB—s (waar de toppenants door moeten). StengelwindreepB—s (die men bezigt om een mars op te brengen). StagB—s (die aan het einde der stags geplaatst zijn). GordingB—, DraaireepB—, GeitouwB—, TalieB— enz. TopreepB—s (dienende om een schip dat by ’t kalefateren op zijde ligt, weder op te heffen). DrilB—s (zware en lange B—s, waarmede men de schepen in of uit de dokken trekt). KielB—s, (dienende om de masten op een schip te brengen). StraatB—. HaakB— enz. (waarvan de strop met een zweep, een haak enz. voorzien is). Men heeft Twee-, drie-, vier-, tot achtschijfsB—s.

Spreekwijze: Het schijfjen in ’t B—jen (de zaak is in orde).

Blokhout, z. n. o. — Hout, waar Bloks van gezaagd worden.

Blokkenet, z. n. o. — Net, dat in ’t kabelgat hangt tot berging van de kleine Bloks.

Blokschijf, z. n. v. — Schijf, die in het Blok zit.

Blokstrop, z. n. m. — End touw, dat men om een Blok splitst om het ergends aan te bevestigen.

Blokwangen, z. n. v. mv. — De zijden van een Blok.

Blijven, o. w. — Vergaan. Er zijn vrij wat schepen Gebleven in dezen storm.

Bocht, z. n. v. — 1o. Rondte, kronkeling. Het touwwerk in B—en doen opschieten.

2o. De ronde kant van eenig voorwerp.

3o. Inham, kreek, inwaarts gebogen reede. De B— van Guinea, de B— van Frankrijk.

4o. Plaats op de rivieren, waar de schuiten worden binnengehaald om veilig te liggen tegen ijsgang of overstrooming en om de vaart niet te belemmeren. Hy heeft zijn schuit uit de B— gehaald.

5o. of TouwB— die, welke men voor de Beting heeft, als men ten anker komt.

6o. Ontuig, drek. Ik kan die B— niet drinken.

Spreekwijze: Een B— achter den arm houden—’twelk een noodzakelijke voorzorg is by het vieren—(gepaste voorzorg nemen).

Een ander aan de B— springen (een bekwamer man by het B— vieren zetten).

Bochtsteek, z. n. m. — of Engelsche Kink. Een soort van Steek, gebruikelijk by het vastmaken van Bloks.

Bodem, z. n. m. — 1o. Grond, vloer. De B— van de zee; de B— van het schip.

2o. By toepassing het schip zelf. Zy hadden vijf B—s verloren (voor vijf schepen) ’s Lands B— (het schip).

Wy zijn by een gescheept, en ons gemeene waren

Die moeten over zee op eenen bodem varen.

Cats. Samenspr. van Ziel en Lichaam.

Bodemery, z. n. v. — Overeenkomst tusschen een geldschieter en een geldopnemer, waarby een som gelds wordt opgeschoten, met beding van premie en onder verband van schip of goed, of van beiden, met dat gevolg, dat, indien het verbondene geheel of gedeeltelijk door toevallen op zee vergaat of vermindert, de geldschieter zijn recht op de opgeschotene penningen en op de premie verliest, voor zoo verre dit een en ander niet op hetgeen overblijft kan worden verhaald; terwijl, wanneer het verbondene behouden ter plaatse zijner bestemming aankomt, de hoofdsom benevens de premie betaald moet worden.

De bepalingen omtrent B— zijn te vinden in het Wetb. van Kooph. Boek II. Tit. VIII. art. 569–591.

Bodemerybrief, z. n. m. — Akte eener overeenkomst van Bodemery. Zie daarover art. 273 Wetb. van Kooph.

Bodemstuk, z. n. o. — 1o. Zool van een rolpaard.

2o. (veroud.) Benaming van het achterste der drie deelen, waaruit vroeger een stuk geschut bestond.

Bodemstukken, z. n. o. mv. — of Fundatiebalken: de zware balken, waarop het geraamte van een stoomwerktuig gesteld wordt.

Boeg, z. n. m. — 1o. De buiging of borst van het schip: alzoo het voorste gedeelte van ’t schip, ’t Beteekent “kromming” even als boog en buiging. Een vette, ronde, holle B—. Een magere, scherpe B—. Met den B— in den wal liggen.

2o. Boord. Over beide B—en. Van B— veranderen, (over een anderen B— gaan liggen (wenden)). B— tegen B— loopen.

3o. ’t Voorste van de kuil, onder den bak, waar de kombuis zich bevindt, en ’t welk is afgescheiden van den ziekeB—.

Spreekwijze: Iemand dwars voor den B— komen (iemand in zijn gang stuiten, tegenhouden).

Op één B— zeilen (eene streek houden).

Het op een anderen B— wenden (van koers veranderen, iets op een andere wijze doen dan te voren).

Het moet over dien B— gaan, of gewend worden (die streek moeten wy houden, op dien voet moet het beproefd worden).

Het over alle B—en wenden (alle middelen by de hand nemen).

Wy krijgen al het geld op een B— (gelijktijdig, niet by gedeelten).

Een mensch met een breeden B— (een deftig mensch).

Dan scheen zy met een breeden boeg

Het vlot voor uit te trekken.

Bilderdijk. Elius.

Boeganker, z. n. o. — Een der vier of vijf ankers aan boord.

Boegband, z. n. m. — Voornaam, binnen-scheepsverband in den Boeg, dienende tot steun der dekken.

Boegen, o. w. — (veroud.) Varen, zeilen.

Nu boegt hy, waar de zon de Cingalezen roost.

J. de Marre.

Boeghouten, z. n. o. mv. — Die lengten van het Barghout, die niet gebogen worden.

Boegkruisen, o. w. — Het water met den Boeg kruisen, alzoo Laveeren. Zie ald.

Boeglegger, z. n. m. — (veroud.) De schipper of het schip, dat het eerst na den beurtman op een gezet uur varen moet.

Boegmal, z. n. m. — De Mal of vorm van den Boeg.

Boegpomp, z. n. v. — Pomp om zout water te slaan, gebruikt by ’t schoon schip maken.

Boegseerboot, z. n. v. — Boot, die tot Boegseeren dient of uitgezet wordt.

Boegseeren, b. w. — Met behulp van sloepen van plaats doen veranderen. De sloepen zijn aan het B—. (zy trekken een schip aan touwen achter zich). De schepen kunnen die haven niet binnenkomen dan met behulp van sloepen, die hen B—.

Spreekwijze: Hy is er binnen Geboegseerd (hy is er schuins (half dronken) binnen gekomen).

Boegseertros, z. n. v. — Tros, waar de sloepen by ’t Boegseeren aan gespannen zijn.

Boegslag, z. n. m. — Wending van den Boeg, gang. Zie Slagboeg.

Spreekwijze: Met een B— (met een slingerslag, met een gelukjen.)

Boegspriet, z. n. m. — Spriet of lange mastboom, die voor op den Boeg uitsteekt en waarvan de bestemming is de zeilen verder buiten boord te kunnen brengen: ook dient hy tot voornamen steun van het tuig: waarom hy ook wel “sleutel van het tuig” wordt geheeten. Met den B— over het hek liggen (wordt gezegd van een schip, welks B— niet verder dan het dubbel zijner lengte van den achtersteven eens anderen vaartuigs verwijderd is). Met zijn B— in het want van een ander schip onklaar raken.

Boegsprietbanden, z. n. m. mv. — IJzeren Banden, die om den koning en de schalen van den Boegspriet heensluiten.

Boegsprietkam, z. n. m. — Klampen, dienende om het verschuiven der kragen van de fokkestags te beletten.

Boegsprietkussen, z. n. o. — of spoor van den Boegspriet. Zie Boegsprietspoor.

Boegsprietspoor, z. n. o. — of Oven, z. n. m. — Twee staande stukken houts, waar het ondereinde van den Boegspriet op rust.

Boegsprietsprong, z. n. m. — De hoek, dien de Boegspriet met de waterlijn maakt.

Boegsprietstijlen, z. n. m. mv. — De Stijlen, die tot stut van den oven of het spoor van den Boegspriet dienen.

Boegsprietviolen, z. n. m. mv. — of Vioolstukken. Platte stukken houts, tegen het vooreinde van den Boegspriet aangebracht.

Boegsprietwoeling, z. n. v. — Najing of Sjorring. Touw, waarmede de Boegspriet omwoeld of verbonden is aan dat gedeelte onder de scheg, ’t welk den naam draagt van Woelingknie.

Boegstag, z. n. o. — Touwwerk, dienende om den Boegspriet zijdelings te steunen.

Boegtouw, z. n. o. — Wanneer een schip gemeerd ligt met een anker vóór en achter, wordt aan het voortouw de naam van B— gegeven.

Boei, z. n. m. — Drijvend stuk hout of kurk, takkebos of ledige ton, in den regel een ovaal waterdicht vat, met groote hoepels beslagen, en dienende om de gevaarlijke plaatsen, klippen, wrakken, enz. of de plaats, waar een anker gezonken is, aan te wijzen. Houten B—, Kurken B—, AnkerB—, TonneB—. Klare B—, (die gereed gehouden wordt om in ’t water geworpen te worden op het oogenblik dat het anker zinkt). ReddingB— drijvend lichaam van kurk, wasdoek enz., dat men aan een man, die in ’t water valt, toewerpt, opdat hy het aangrijpe en er zich mede boven houde tot dat een sloep hem hulp brengt.

Spreekwijze: Hy heeft een kop als een B— (een hersenloozen kop).

Boeien, z. n. m. mv. — De ijzers, waarin een matroos wegens misdrijf gesloten wordt. Iemand in de B— sluiten.

Boeien, b. w. — of Opboeien. Het scheepsboord met planken hooger maken. Zie Geboeid, Opboeien.

Boeier, z. n. m. — Klein lastschip, dat voor en achter is Opgeboeid, van waar het zijn naam heeft. Het komt in vele deelen met een Smak overeen. De Hollandsche jachten zijn onder dien naam beroemd.

Spreekwijze: Een B— is een zeeknoeier:—om dat een B— minder geschikt is om zee te bevaren; maar daarentegen zeer bekwaam voor de binnenvaart.

Boeiketting, z. n. v. — Ketting, die een Tonneboei aan zijn anker verbindt.

Boeiklamp, z. n. v. — Plank, die op de naden van een schip gespijkerd wordt, om het binnendringen van het water tegen te gaan.

Boeireep, z. n. v. — Touw, dat den Boei met het anker verbindt. Zie Reep.

Boeireepknoop, z. n. m. — Knoop, waarmede de Boeireep op het anker bevestigd wordt.

Boeisel, z. n. o. — Planken, waarmede een schip wordt opgeboeid.

Boeitang, z. n. v. — Tang, waarmede planken als aan elkander vastgeboeid worden.

Boekanier, z. n. m. — Naam, die vroeger door Z. Amerikaansche zeeroovers gedragen werd.

Boekhouder, z. n. m. — Naam, door de visschers onzer zeedorpen aan den reeder gegeven, als zijnde hy het uitvoerend bewind in alle zaken, de vangst betreffende.

Boelijn, z. n. v. — Lijn, dienende om het loeflijk der vierkante zeilen meer aan den wind te halen als men by-de-wind zeilt. Men zegt in ’t mv. niet Boelijnen maar Boelijns.—LoefB— (die aan de windzijde staat). LyB— (die onder den wind is). Vaste B—s (die zoo stijf staan als zy kunnen). Haal uit de B—s! (komm.). Met de B—s uitgehaald zeilen (scherp by-de-wind zeilen). Zie Magerman.

Boelijnspruiten, z. n. v. mv. — of Leuvers. Touwen, die in den vorm van een hanepoot het loeflijk van de zeilen met de Boelijn verbinden.

Boeri, z. n. v. — Soort van riviervrachtschip in Bengalen.

Boeten, b. w. — Verbeteren, gelijk Boete “betering” beteekent. Netten B— (de gescheurde mazen herstellen).

Boevenet, z. n. o. — Vroeger heette B— een net, van traliewerk gemaakt, dat over de opening van een schip geplaatst werd en bestemd om af te weeren hen die opkwamen om te enteren of met andere slechte voornemens; thands is het een bynaam voor het Enternet, ’t welk by nacht rondom het boord van een brik of ander laag vaartuig tegen het overrompelen geheschen wordt.

Boezem, z. n. m. — Zie Waterboezem, Zeeboezem.

Boezeroen, z. n. o. — Soort van korte zeemanskiel.

Bogen, z. n. m. mv. — Ronde houtjens, waarin zich gaatjens bevinden, door welke men het touwwerk kan laten gaan.

Bohei of Boha, z. n. o. — Geschreeuw. B— maken (geweld maken). Geen B— aan boord! (geen rumoer, geen geschreeuw!) Dit woord is oorspronkelijk maleisch. Wanneer men, met de sloep over den modderbank voor Batavia varende, vastraakt, moeten de roeiers er uit om te sleepen: ’t welk uithoofde der menigvuldige kaaimans, die zich aldaar bevinden, niet weinig gevaarlijk is. Wanneer nu de Javanen, die op den modderbank visschen, een sloep zien vastzitten, roepen zy aan de Ekipaadje toe: bohaya; ’t welk in ’t maleisch “Kaaiman” beteekent, ten einde men hun de sloep doe sleepen en zy er wat aan verdienen. Uit dat herhaald en luid geschreeuw der Javanen is ontstaan, dat de matrozen een schreeuwer, rumoermaker een B—maker noemen.

Bok, z. n. m. — 1o. Vaartuig, waar men schuiten of pramen, die aan den grond zitten, mede boven water haalt: hetwelk niet kan geschieden, zonder dat het vooreind meer en meer naar het water zakt en den kop buigt als een bok, die stooten wil.

2o. Twee aan de boveneinden verbonden rondhouten, barkoenen, windboomen, waaraan een blok hangt, en wier onderste einden ter wederszijden op het dek rusten: dienende tot het lichten van masten of andere zware lichamen.

3o. Of Zagersbok. Werktuig, ten gelijken einde dienende, doch bestaande uit drie stutten of pooten, die in een driehoek uitstaan en zich in den top piramidaalvormig vereenigen.

Bokkebeenen, z. n. o. mv. — In den top vereenigde en vorksgewijze opgerichte spieren of staken, met katrollen voorzien en dienende om masten uit te lichten of op te zetten, of om, by den aanbouw van een schip, de stukken op hun plaats te brengen.

Bokshoorn, z. n. m. — of Boksoor. Hieronder verstond men vroeger een ijzeren haak, die ter wederzijden van de rampaarden werd vastgehecht om de touwen daaraan te beleggen. Hy had zijn naam van zijn gedaante, daar de pen van dit werktuig achterover lag, even als de hoorn van een bok. Tegenwoordig zijn de B—s van voren rondgebogen ijzeren bouten in het boord der schepen, aan welke bouten de Broekings der stukken gebonden worden om het inspringen te beletten. Zie Hoornen.

Boksoor, z. n. o. — Zie Bokshoorn.

Bolkvanger, z. n. m. — Bolk, of bolg beteekende oudtijds bui: een B— was dus een kleed, dat tegen buien beschutte. Vondel noemt, in zijn Lof der Zeevaart, de matrozen ’t Bolckvangerdragend gilt. Zie Baaivanger, Wolkvanger. In ’t zelfde gedicht noemt Vondel het:

Een draght, die sterven zal wanneer de schipvaert sterft.

Bollen, b. w. — Korten, inkorten. De bezaan B— (het zeil van de bezaan minderen of minder ter windvang stellen).

Bolster, z. n. v. — (veroud.) Klos, of kussen, waar de boegspriet op rust. Zie Boegsprietkussen.

Bolwerken, b. w. — (veroud.) Men noemde Een schip in zee B— (de goederen op last in een schip verleggen).

Bom, z. n. v. — Kogel, met brandbare en tot ontploffing bestemde bestanddeelen gevuld.

Spreekwijze: De B— is losgebarsten (de zaak is uitgekomen).

Als een B— ergends invallen (als een onwelkome gast ergends verschijnen).

Bom, z. n. v. — Visschuit.

Bombalon, z. n. m. — Zeetrompet, by de negers in gebruik.

Bombarde, z. n. v. — Bombardeergaljoot, z. n. v. — Bombardeerschip, z. n. o. — Vaartuig, dat voor den grooten mast een paar mortieren voert, bestemd om een havenmond te verdedigen, een ontscheping te beschermen of een stad van de zeezijde te Bombardeeren.

Bombardeeren, b. w. — Met Bommen beschieten.

Bombardement, z. n. o. — Het beschieten met Bommen. Het B— van Koppenhagen, van Algiers.

Bonnet, z. n. v. — Lyzeil, broodwinder. Strook zeil, die aan de zeilen kan geregen worden om ze te verbreeden of te verlengen. De B— aanrijgen, de B— ontrijgen, afdoen.

Boog, z. n. m. — 1o. Straal, kromming. Zie Boeg. Ook strook, neêrbocht.

2o. (Veroud.) Lang hout, daar men het spil mede omdraait.

Booi, z. n. m. — ’t Eng. Boy, jongen.

Spreekwijze: B— is kaptein (de knecht is baas).

Boom, z. n. m. — 1o. Lange stok of spier, die op de binnenvaart gebezigd wordt om de vaartuigen voort te duwen, en die zijn naam daarvan ontleent, dat hy van een geheelen boom gemaakt wordt.

2o. Spaak van een spil.

3o. Spier, dienende tot het uithalen van eenig zeil. Briksboom, kottersboom.

4o. Sluitboom, balk, waar de havens of het vaarwater mede afgesloten worden. Met den avond wordt de B— gesloten.

5o. Huisjen, waar de Beämbten zitten, die op het openen of sluiten van den B— of op de in- en uitgaande goederen te letten hebben.

Boomdirk, z. n. v. — Boomreep. Het touw, dat het achtereinde van den Boom steunt.

Boomen, o. w. — Met een Boom voortduwen.

Hy boomde met een vlot langs d’oevers.

Vondel. Lof der Zeevaert.

Boomgeld, z. n. o. — Geld, dat aan den Boom voor ’t ontsluiten betaald wordt. Zie Havengeld, Sluisgeld.

Boomklerk, z. n. m. — Koopmansbediende, die voor zijn kantoor de verklaringen voor de In- en Uitgaande Rechten der binnen- of aan den Boom komende schepen doet.

Boomschoot, z. n. v. — Het touw of de takel, waarmede de Boom bedwongen wordt.

Boomstag, z. n. v. — Boventouw, Loefstag, Knoopspar. Touw op groote vaartuigen, even als de Boomschors op kleinere, tot beteugeling dienende van den Boom. Zie Bulletouw.

Boomtouw, z. n. o. — Touw, dat door de gaten van de Boomen (spaken) van het gangspil wordt rondgeschoven om ze te verbinden, en zoo te beletten dat ze er niet uitvliegen, wanneer, door ’t breken van den pal, het spil rondvliegt.

Boon, z. n. v. — (veroud.) Platbodemd schuitjen; van waar het spreekwoord dat in Spieghels Byspraex-Almanak voorkomt:

Bonen by de kant, Houdt het schip midden waters.

Boor, z. n. m. — Houten werktuig, met een ijzeren, van onder scherpe halve buis voorzien, welke, op een vast lichaam geplaatst en snel omgedraaid, daarin ronde gaten maakt.

Boord, z. n. m. — Rand of zijde. De B—en van den Aemstel. Als ScheepsB— genomen is het o. Met het B— tegen den wal liggen. — Het B— wordt echter meestal genomen voor het schip zelf. Aan B— komen. Naar B— gaan. Het B— verlaten. Iemand aan B— nemen, of onthalen. Van B— gaan. Over B— vallen of, beter nog, over B— dwalen (in ’t water vallen). Iemand aan B— leggen (by iemand aan boord komen).

Zy leggen ons aan boord, die welervaren maets.

Vondel. Lof der Zeevaert.

Hier gelt bulderen, noch stampen,

Noch geen borstweer van een mijl;

Rustigh boort aan boort te klampen

Is der Batavieren stijl.

Vondel. Scheepskroon.

Spreekwijze: Aan hooger B— zijn (van toestand verbeterd zijn) uit het Fr. ontleend is, waar de capitaine de frégate tot capitaine de haut-bord (van een linieschip) bevorderd werd.

Zich aan hooger B— houden (zich houden met hen, van wie men het meeste voordeel verwacht).

Iemand aan B— klampen (zich aan iemand vastklampen, iemand op ’t lijf vallen).

Iemand aan B— komen (iemand toespreken, lastig vallen).

Iemand met een voorstel aan B— komen (iemand een min welkom of althands onverwacht voorstel doen).

Het B— kwijt raken (zijn middel van bestaan verliezen).

Een man over B—, een eter te minder (een verlies lijden, waar men minder om geeft en even luchtig over denkt als sommige kapiteins over hun matrozen).

Daar is veel over B— (daar is veel verloren, of in de war.) (Zie Overstuur).

Achter de puttings over B— raken (Zie Puttings).

Boorder, z. n. m. — of Scheepboorder: de man, die met het boren belast is.

Boos, b. n. en bw. — Wordt van den wind, van het weer enz. gezegd, als het ongunstig is. Wy hebben B— weer op reis gehad. Wy hebben het B— te verantwoorden gehad. Het heeft B— gewaaid.

Boot, z. n. v. — Grootste roeivaartuig op een koopvaarder, dat by gelegenheid dient om ankers op te winden of uit te brengen, watervaten in te nemen enz. Groote B— (Zie Barkas): deze wordt meest op koopvaardyvaartuigen gebezigd.

Spreekwijze: Eerst in de B— keur van riemen (wie eerst komt, die eerst maalt: of wie er ’t spoedigst by is, mag kiezen).

Iemand in zijn B— krijgen (iemand in zijn belang of tot zijn denkwijze overhalen).

Van de B— komt men in de schuit (men komt van kwaad tot erger, of van ’t kleine tot het groote).

De HuwelijksB— of ’t HuwelijksB—jen (is een gewone samenstelling voor ’t Huwelijk).

Bootklampen, z. n. v. mv. — De mikken, waarin de Boot op het dek staat.

Bootkrabbers, z. n. m. mv. — 1o. Touwen, met een haak en een kous voorzien, en bestemd om Booten aan een vaartuig vast te maken.

2o. Touwen, waarmede de Boot op het dek is vastgesjord.

Bootschoen, z. n. m. — Plaat, die buiten boord wordt gehangen, en tegen welke de Boot rust als zy tegen het schip uit het water wordt geheven, om gebreeuwd, geteerd enz. te worden.

Bootsgezel, z. n. m. — ’t Zelfde als Varensgezel of Matroos: omdat die met het roeien in de Boot belast is.

Kees quam uyt zee en vocht in kerk en in kapel.

Kees was eerst bootsgezel, nu is ’t een boos gezel.

Jan Vos.

Bootsleper, z. n. m. of — Vanglijn. Het touw, waarmede de Boot aan het schip bevestigd is en achteraan gesleept wordt.

Bootsman, z. n. m. — Ook wel Hoogbootsman genoemd: toeziener en aanvoerder der Bootsmansgasten en wien het toezicht is opgedragen op zeil en treil van den grooten mast. By de manoeuvres blijft hy op het dek en wordt alzoo onder de dek-officieren geteld. Op koopvaardyschepen is hy de aanvoerder der bemanning en hoogste onderofficier.

Bootsmansgasten, z. n. m. mv. — De matrozen, die onder den Bootsman staan en met hem aan denzelfden bak eten.

Bootsmansmaat, z. n. m. — De onderofficier, die op den Bootsman in rang volgt, en met het toezicht over het achterschip is belast.

Bootsmansstoel, z. n. m. — Een plank, die tegen den mast hangt, en waarop een matroos zit, als hy werk aldaar te verrichten heeft.

Bootsvolk, z. n. o. — De Bootsgezellen in ’t algemeen: oudtijds meer bepaaldelijk de bemanning eener Boot.

Bordig, b. n. — (veroud.) Plat, als een Bord. B—e zeilen (platstaande zeilen).

Bording, z. n. v. — Benaming van zeker Pruissisch vaartuig.

Bordgeld, z. n. o. — Soort van verval, dat uit de beschouwing (de opbrengst) der vischvangst voortspruit.

Boren. b. w. — Een gat, een opening maken door middel van een Boor.—’t Wordt echter ook gebruikt van openingen, door kogels gemaakt. Een schip in den grond B— (zoodanig beschieten dat het lek wordt en te gronde gaat).

Borg, b. n. — of Loos, wordt alles genoemd, wat niet dadelijk gebruikt wordt, maar, in geval van nood, dient om iets dat onklaar is te vervangen, en dan als ’t ware Borg blijft, dat er geen ongerief ontstaan zal. B—schoot, B—touwen (schoot, touwen, die, nevens de andere, die, gespannen staan of dienst doen, los hangen).

Borrel, z. n. m. — Letterlijk, een belletjen, dat uit den grond komt opborrelen; doch by toepassing, een glas geestrijk vocht.

Borst, z. n. v. — Wordt somtijds, by toepassing, voor het voorste gedeelte van het schip, of den boeg, genomen.

Bos, z. n. v. — Bus of Buis. Hout, waar op kleine vaartuigen het gat in komt tot waterloozing, of uitwatering op den overloop en verder.

Bosbank. — Zie Potdeksel, Schanddek, Dolboorden.

Bossenwerk, z. n. o. — Gepluisd touw, dat gepikt is, en waarmede een oud schip geblakerd wordt.

Bot, z. n. v. — Vooreind, ’t Fr. bout. Het touw heeft geen B—. Het touw heeft niet B—s genoeg. Men moet het touw B— geven. B— vieren, (laten schieten).

Ja, vier uw zeilen bot, bedien u van de winden.

zegt Bilderdijk, in zijn Ziekte der geleerden; doch min juist; want wanneer men de zeilen B— viert, gaat de wind er uit.

Spreekwijze: Zijn lusten B— vieren (er aan toegeven).

Bos, z. n. v. — Vierkant stuk metaal, in de schijf van een blok ingesloten, en waardoor de pen gaat waarop het draait.

Boterland, z. n. o. — Land, dat men waant te zien, doch ’t welk alleen uit een gezichtsbegoocheling ontstaat, en als wegsmelt by ’t naderen.

Botloef of Botteloef, z. n. m. — De balk, waar de fokkehals op vaart. Zie Loef.

Botstouwgat, z. n. o. — Oude benaming van het gat, waar het ankertouw doorloopt.

Bottelary, z. n. v. — Plaats of vertrek, waar de Bottelier zijn spijs bewaart en uitdeelt.

Bottelier, z. n. m. — Eigenlijk iemand, die gesteld is, om de bottels of flesschen te bewaren; doch, aan boord, de man, die in ’t algemeen het toevoorzicht heeft over de eetwaren, om ze aan den kok uit te leveren, en die ook het brood, boter, kaas enz., alsmede den drank aan de manschap ronddeelt.

Spreekwijze: Als de kok en de B— kijven, dan weet men, waar de boter blijft, (als twee schelmen, die gewoonlijk het eens zijn, twist krijgen, dan komen hun boevestukken aan ’t licht).

Botteliersmaat, z. n. m. — of Onderbottelier. Behulp van den Bottelier.

Botteloef. Zie Botloef. B—krabbers, B—Schenkel of Strontstagen (touwen, die bestemd zijn om den B— te steunen).

Botter, z. n. m. — Een vaartuig met één mast en aan zijn ronden, Botten boeg, zijn naam ontleenende; doch van achteren als een schokker gebouwd.

Bout, z. n. m. — IJzeren of koperen staaf, tot verbindingsmiddel dienende. Stompe B—en (die geen punt hebben, als alle spantbouten.) Blinde B—en (die van welke, na het indrijven, alleen het einde, waartegen geslagen is, zichtbaar blijft. De B—en verschillen hierin van de spijkers, dat zy overal even dik zijn en niet verdunnend toeloopen. Zy worden gewoonlijk van rood koper of ijzer gemaakt: de ijzeren van rood- of achtkant staafijzer. Zie SpantB—, NaaiB—, KoppelB— enz. enz.

Boutdrevel, z. n. m. — Bout, waarmede andere Bouten uit hun plaats gedreven worden.

Boutjens, z. n. o. mv. — (veroud.) Vierkante lappen zeil, die tegen de lijken aangezet worden, waar het zeil om de aangeslagen touwen sterkte noodig heeft.

Bouts, z. n. o. mv. — (veroud.) Touwen, gebruikt om het want te voorzien als ’t verbroken is. ’t Woord is ’t Fr. bouts (enden).

Boutkogels, z. n. m. mv. — of Kneppelkogel: twee kogels, door een Bout verbonden.

Bouw, z. n. m. — 1o. Maaksel. Dat schip is van zwaren B—.

2o. Konstruktie, scheepsbouw. Zie Scheepsbouw.

Bouwen, b. w. — 1o. Vervaardigen, timmeren. Een schip B—.

2o. Bebouwen, beploegen. Zoo, by toepassing, Zee B— (de zee bevaren, omdat men die als ’t ware met het schip beploegt). Antonides noemt in zijn Ystroom Amsterdam:

De grootste zeevorstin, die alle watren bout.

Hier bout de zeeraadt om de vrye zee te bouwen.

Jan Vos.

Bouwlood, z. n. o. — Zie Lood.

Boven, byw. — 1o. De masten met betrekking tot hen, die zich op het dek, en het dek met betrekking tot hen, die zich onder in ’t schip bevinden. Een jongen naar B— zenden (in den mast). Roep den Luitenant eens B— (op het dek).

2o. De oppervlakte der zee. De man was gezonken: gelukkig kwam hy nog even B—, zoo dat men hem grijpen kon.

Waarom koomje boven drijven

Jonghe bliecken, kleyne vis?

Ghy mocht beter onder blijven,

Daer u eyghen wooningh is.

Cats. Emblem.

Boven (te) zijn. Een hoek, klip, punt T— B— zeilen (die bovenwind te loefwaarts omzeilen).

Spreekwijze: Hy is dien klip T— B— (hy is dat gevaar ontkomen).

Bovenbarghout, z. n. o. — Zie Barghout.

Bovenblind, z. n. o. — (veroud.) Het zeil, dat vroeger gevoerd werd boven de Blinde ra.

Bovendek, z. n. o. — Het bovenste Dek op een schip.

Bovenhalen, b. w. — (veroud.) Te boven zeilen.

Bovenkajuit, z. n. v. — De kajuit, welke de geheele breedte van het achterschip beslaat en tusschen de kampanje en het bovendek begrepen is. Op de koopvaardyschepen, die geen kampanje hebben, is somtijds achterop een groote hut getimmerd, die de B— wordt genoemd.

Bovenkruiszeil, z. n. o. — of Grietjen, welke laatste naam de meest gebruikelijke is: het zeil, dat tusschen de Grietjensra en Kruisra hangt. Zie Grietjen.

Bovenlijk, z. n. o. — of Ralijk, Het touw, dat aan de bovenzijde van een zeil is vastgehecht en het door banden aan de ra verbindt. Zie Lijk.

Bovenrabanden, z. n. m. mv. — Enden touw, dienende om de bovenhoeken der zeilen aan de Raas vast te binden. Zie Nokbindsels.

Bovenschip, z. n. o. — Huizing of Doodwerk: het gedeelte van het schip, dat zich boven water bevindt.

Bovenspil, z. n. o. — Het spil, dat op het dek staat, ter onderscheiding van het Onderspil. Zie Spil.

Boventuig, z. n. o. — Tuig der Bovenmasten.

Spreekwijze: Zijn B— is in de war (hy is niet wel by ’t hoofd).

Bovenzeilen, z. n. o. mv. — Zie Zeil.

Braadspit, z. n. o. — Rolspil, verdraagbaar windas op de koopvaardyschepen.

Brabbelen, b. w. — Opborrelen, koken. De zee begint te B—.

Brak, b, n. — Ondrinkbaar. B— water, (zoet water, met zout water of andere bestanddeelen vermengd).

Reeds lang zagh ik myn naam en grootheit aengebeên,

Eer nog uw brakke poel van visschers wert betreên.

Zegt de Seine tegen ’t Y in Antonides. Ystroom.

Bram, z. n. v. — of Bramzeil, z. n. o. — Het zeil boven het marszeil: vroeger het hoogste zeil op een mast, dat men by stil weer opzette. “Daer by compt nog, dat men de schepen maekt mars boven mars, bramseyl boven bramseyl, alles streckende alleen om syraet en oppronck, ende nyet tot bequaemheyt, jae streckende tot groote onbequaemheyt, alsoo hierdoor de schepen soo rank worden gemaeckt, dat het onderste geschut nyet en kan gebruyckt worden daer mede het meeste, jae alle het gewelt moet gedaen worden.” Memorie ende Aenwysinge hoe dat Lants schepen best souden dienen gebout om den vyant den meeste afbreuck te doen. Men voert heden niet alleen B—zeilen, maar ook BovenB—zeilen. De B—zeilen worden gevoerd tusschen de B—raas en de Marseraas. Zy worden onderscheiden in 1o. Voor B—zeil, dat aan den fokkemast, 2o. Groot B—zeil, dat aan den grooten mast, 3o. Grietjen, dat aan den kruismast gevoerd wordt.

Spreekwijze: Hy voert B— boven B— (hy maakt veel uiterlijke vertooning).

Hy is een rechte B— (hy is een windmaker, een bluffert).

Bramsteng, z. n. v. — De mast van het Bramzeil, en alzoo verlenging van de steng.

Bramzaling, z. n. v. — De mars van de steng.

Bramzeil, z. n. o. — Zie Bram.

Bramzeilskoelte, z. n. v. — Een matig windtjen, waarby de schepen Bramzeil kunnen voeren.

Bramzijgertjen, z. n. o. — of Brandezijgertjen: naam, dien de visscherslieden geven aan de fosforieke dampen, die nu en dan uit zee opstijgen en samensmelten, en waarin de visscher, ze door zijn verbeelding vergrootende, gestalten des duivels meent te zien.

Brandaris, z. n. m. — 1o. Groote lantaren, hangende onder de mars van het Amiraalschip.

2o. Vuurtoren. De B— van ter Schelling. Zie Kustlicht.

Branden, b. w. — Een schip met brandend riet zengen om den worm te verdrijven.

Branden, o. w. — Wordt de zee gezegd te doen, wanneer zy schuimende over droogten en klippen heenrolt.

Brandrol, z. n. o. — Lijst van hen, die, aan boord, tegen Brand moeten waken.

Brander, z. n. m. — Een vaartuig, toegerust met buskruit en andere ontvlambare stoffen, ’t welk op de vyandelijke bodems wordt afgezonden om die in brand te steken of te vernielen.

Spreekwijze: Een B— aan boord krijgen (in groot gevaar verkeeren).

Het is een B-! hou af (laat u niet met hem in).

Brandhaken, z. n. m. mv. — Haken, waarmede men Branders afweert.

Branding, z. n. v. — of Barning. Het op- en nedergaan der woelende golven, waar zy tegen het strand of de banken breken, en daardoor het landen bemoeilijken.

Spreekwijze: Hy geraakt in de B— (in verlegenheid). B— in lij! (dadelijk wenden, ’t gevaar ontwijken!)

Brandstof, z. n. v. — Al wat tot verwarming of verbranding dient.

Brandijzer, z. n. o. — Haardijzer, of Wolfsklaauw: IJzer, waarmede men aan de buitenhuid van een schip, by ’t Branden, haar fatsoen geeft.

Bras, z. n. m. — Men geeft dien naam aan twee touwen, die, elk aan een der beide uiteinden eener ra gehecht, dienen om deze om de masten, waar zy aan hangen, te doen draaien, ten einde aan de zeilen zoodanige richting te geven als de omstandigheden vorderen. Groote B—sen (der groote raas). FokkeB—, MarseB—, BramB— enz. LoefB— (die aan de windzijde is) LyB— (die aan de tegenovergestelde) Stuurboords of BakboordsB— (die rechts of links is. Looze B— (die uit voorzorg nevens een anderen gesteld wordt). Een B— aanhalen, vastmaken, beleggen. Den LoefB— stijf aanhalen.

Spreekwijze: Hy heeft er den B— aan (Hy wil er niet meer aan doen;—omdat als men de zeilen zoo na mogelijk by-de-wind gezet heeft en de B—sen dus “aanstaan”; men, te dien opzichte althands, het mogelijke verricht heeft).

De B—sen vastzetten (In de richting blijven).

Een wilde B— (Een wildzang: omdat een B—, die los is, in ’t wilde hangt, en heen en weêr wappert).

Brasklamp, z. n. m. — Zie Stootschaal.

Brasschenkels, z. n. m. — Enden touw, die aan den kop van den mast hangen en waaraan het blok is gesplitst, door ’t welk Brassen loopen.

Brassen, o. w. — Zie Aanbrassen, Opbrassen, Breedtuigen.

Breêboeg, z. n. m. — (veroud.) Schip met een breeden Boeg.

Breed, bw. — Zijlings, van ter zijde. B— liggen (De zijde bieden, ’t zij aan een ander schip, ’t zij aan den wind).

Breede wimpel. — Zie Wimpel.

Breedte, z. n. o. — of Poolshoogte. Noorder- ZuiderBreedte.

Breedte der kiel, z. n. v. — De afstand tusschen de zijvlakken in het midden der kiel.

Breedtuigen, bw. — Of Vierkant Brassen: De zeilen zoodanig uitzetten, dat zy zich in ’t vierkant aan den wind blootstellen.

Breêfok, z. n. v. — Een groot zeil van licht doek, dat, op kleine vaartuigen, gebezigd wordt om voor-de-wind te zeilen.

Breêgang, z. n. m. — Dat gedeelte van de buitenhuid by linieschepen, ’t welk tusschen het bovenbarghout en onderbarghout begrepen is.

Breekbeitel, z. n. m. — of Steekbeitel. Een werktuig, bestaande uit een plat, smal en gekromd ijzer, aan een staaf gehecht, en waarmede het werk, dat vernieuwd moet worden, uit de naden der planken gekrabt wordt.

Breekstoppers, z. n. m. mv. — of Springstoppers. Halfsleten Stoppers, die by harden wind op het ankertouw worden gezet, om het geweld van den eersten schok te breken, als het schip voor zijn anker opdraait.

Breekwater, z. n. o. — Waterkeering: Een hoofd, waar de golven op breken en de sloepen dus veilig achter kunnen liggen.

Breekijzer, z. n. o. — Schietbeitel of Fermoirbeitel. Soort van grooten Beitel, dienende om keepen te maken.

Breeuwen, b. w. — Kalefaten: De reten, naden, spleten en voegen met werk dicht stoppen.

Breeuwer, z. n. m. — Die met het Breeuwen of kalfaten belast is.

Breeuwhamer, z n. m. — Zie Hamer.

Breeuwstoel, z. n. m. — Een plank, die buiten boord hangt, en waar de Breeuwer op zit als hy zijn werk verricht.

Breeuwijzer, z. n. o. — Zie IJzer.

Breken, o. w. — Wordt van de golven gezegd, als zy tegen klippen of rotsen stuiten en uit elkander spatten. De zee, de golven B— op die rots.

Breker, z. n. m. — voor Golf. De B—s slaan over de hooge rotsen heen.—Een B— aan boord krijgen. (Een golf, die boven het boord Breekt en op het schip stort).

Bridsen, b. w. — of Laarzen. Iemand met een eind touw op de natgemaakte broek kastijden.

Brieven van schadeverhaling, z. n. m. mv. — Brieven, waarby door den Soeverein het recht gegeven werd, om den vyand afbreuk te doen op zee.

Bries, z. n. v. — Koelte, wind. Het waait een stijve B— (Er waait een frissche wind).

Briesjen, z. n. o. — Een klein windtjen. Dat B— was juist genoeg om ons in de haven te brengen.

Brigantijn, z. n. m. — Italiaansch vaartuig, oorspronkelijk een roofvaartuig, gelijk de naam (Briganten-schip) aanduidt; doch later voor alle kleine onoverdekte vaartuigen genomen.

Brik, z. n. v. — Met Brigantijn verward; doch verkeerdelijk. B— is van ’t Fr. barrique, “last” en beduidt dus oorspronkelijk Lastschip. Thands geeft men dien naam aan een groot vaartuig met twee vierkant getuigde masten. Groote B—, B— van 18 stukken. AdviesB—, B— van 8 stukken.—SchoenerB—, KanonneerB—, OorlogsB—, KoopvaardyB—, KorvetB—, B— met barkstuig.

Brikzeil, z. n. o. — Voornaam zeil, ’t welk de Brikken en andere vaartuigen achter den grooten mast aan een gaffel en boom voeren.

Bril, z. n. m. — (veroud.) Uitgesneden hout op den overloop, ter plaatse alwaar de kolderstok droog of in den draaiklos staat: Ook wel de klos zelf.

Britsen, b. w. — Zie Laarzen.

Broek, z. n. v. — of Twil. 1o. Stuk hout, dat de vrangen van een schip kruist, wanneer deze uit twee tegen elkander gestelde stukken bestaan.

2o. of Broeking. Zeildoeksche bekleeding.

Broeking, z. n. v. — 1o. Een zwaar touw, dienende om het terugloopen van een stuk geschut te voorkomen.

2o. Zware takel, met een katrol aan het einde, en in het midden vastgehecht aan den achtersteven van een op de werf liggend schip, en dienende om dit by ’t van stapel loopen naar ’t water te doen glijden.

3o. Zeildoeksche bekleeding tegen inwatering van buiten. B— van den mast, van het roer, enz.

4o. Zeildoeksche zoom, die tegen den vlaggestok aankomt, om de vlag te versterken.

Broekstuk, z. n. o. — 1o. Dat gedeelte van een kanon, dat zich achter de tappen bevindt. Zie Bodemstuk.

2o. ’t zelfde als Broek: zie ald.

Broodkamer, z. n. v. — Waar het scheepsbrood (de beschuit) wordt bewaard.

Broodwinder, z. n. m. — Vinnetjen, achtergaffelzeil. Zeil, dat achter de bezaan wordt geheschen.

Bruischen, o. w. — Geraas, dat de golven maken, wanneer zy door wind of storm bewogen worden.

Bugalet, z. n. o. — Klein tweemast-vaartuig, dat op de kusten van Finisterre de dienst van lichter en transportschip doet. Het heeft een fok en een groot vierkant zeil, daarboven een marszeil en voert een of twee kluivers.

Bui, z. n. v. — Vlaag, slecht weer. Een regenB—, een hagelB—, een stormB—.

Spreekwijze: Een kwade B— hebben, (Norsch, gemelijk, driftig zijn).

Een goede B— hebben, (Opgeruimd vriendelijk zijn).

Buiig, b. n. — Ongestadig, regenachtig, winderig. ’t Is B— weer.

Spreekwijze: B— weer, klein zeil, (In onzekere zaken moet men niet te veel wagen).

Buik, z. n. v. — Ronding. De B— van een zeil (de bolvormige gedaante, welke het aanneemt, wanneer het door den wind is opgezet: ook de ophooping van een vastgemaakt zeil op het midden der ra. De B— van een schip (de ronding van een schip). Op zijn B— zeilen (op zij zeilen).

Buikdenning, z. n. v. — Zie Weger.

Buikgording, z. n. v. — Gording of touw, op een derde van het lijk vastgemaakt en dit aan de ra verbindende.

Buikseizings, z. n. v. mv. — Breede en platte touwen, die een dichtgerold zeil tegen de ra vastklemmen.

Buikstukken, z. n. o. mv. — Naam, die op sommige plaatsen aan de vrangen gegeven wordt. Zie Vrang. Meer algemeen echter noemt men B— of Oplangers die verlengstukken, welke by den aanbouw van een schip op de uiteinden der halve vrangen geplaatst worden. Zy onderscheiden zich in Onder en BovenB—

Buikweger, z. n. m. — Zie Weger.

Buis, z. n. v. — 1o. Geleibuis, koker.

2o. Kleedingstuk: rok zonder panden. Een duffelsch B—. Een matrozen B—.

3o. Vaartuig, dat meer in ’t byzonder gebezigd wordt tot de haringvangst. Zie Haringbuis.

Buisch, b. n. — Dampig, nat, en donker. B— weer.

Buisharing, z. n. m. — Haring, die met buizen gevangen wordt.

Buislichter, z. n. m. — Groote lantaarn op het hek boven de kampanje.

Buisman, z. n. m. — Zeeman, die op een Buis ter haring vaart.

Buit, z. n. m. — Roof, op den vyand behaald.

Spreekwijze: Of B— of slagen.

Buiten, bw. — Naar buiten: in zee. De schepen zijn naar B— gezeild. Zij zijn B— de haven gebracht.

Buiten gaats, bw. — In volle zee: het zeegat uit. De schepen zijn B— G—.

Buitenkluiver, z. n. m. — Driekant zeil, waarvan de eene zijde langs den leier gaat, die van den kop der fokkesteng naar het kluishout loopt. Zie Kluiver.

Buitenloods, z. n. m. — of Kustloods. Loods, die de schepen over de buitenwateren brengt. Zie Loods.

Buitensteiger, z. n. o. — Steiger, die aan zee of aan de haven ligt.

Buitenvertuining, z. n. v. — Gedeelte der buitenhuid, tusschen het potdeksel en den uitgang van het rahout.

Bulkhoofden, z. n. o. — (veroud.) Schotten, welke men dwarsscheeps in het hol zette, op dat de ingeladen waren òf de ballast niet verschieten zouden.

Bulletouw, z. n o. — Los end touw, van een haak voorzien, en dienende om tijdelijk de fokkehals op den kraanbalk te bevestigen, ook om den bezaans-brik-kotterboom, by het overslaan van het zeil, tegen den schok te behoeden.

Bultzak, z. n. m. — Bed van kaf, door de zeevisschers gebruikt.

Bun, z. n. v. — Zie Beun.

Bunschuit, z. n. v. — Schuit, waarmede de zeevisch levend vervoerd wordt.

Burghaak, z. n. m. — Soort van Stuik. Zie ald.

Bus, z. n. v. — ’t Zelfde als Bos, Buis, Koker; doch meer bepaaldelijk:

1o. Een blikken doos, dienende tot bewaring van licht aan bederf onderhevige waren, of proviand, by lange zeereizen.

2o. De oude benaming van alle soort van schietgeweer en soms ook

3o. Het schietgeweer zelf.

Bushuis, z. n. o. — (veroud.) Zeemagazijn, Arsenaal.

Buskruit, z. n. o. — of alleen Kruit of Buspoeder. Licht ontvlambaar mengsel van houtskool, salpeter en zwavel, en aldus genoemd naar zijn voormalige bestemming, om door zijn ontploffing den kogel door een bus voor hem uit te drijven.

Spreekwijze: Hy vliegt op als B— (hy is licht in drift ontstoken).

Busschieter, z. n. m. — (veroud.) Iemand die met een Bus schiet. Voorheen aan boord dezelfde als de Konstabelsmaat.

By, bw. — B— laten komen (meer daarheen zeilen, waar de wind van daan komt).

By-de-wind, bw. — Wordt gezegd, wanneer de raas gebrast en de zeilen uitgezet zijn en met de kiel een scherpe hoek maken. Dicht B—, scherp B— zeilen (wanneer die hoek zoo scherp mogelijk is). B— brassen, opheven, opsteken. Zie Brassen, enz.

Bydraaien, o. w. — 1o. Onder den wind draaien, met een marszeil vol en een tegen, ten einde het schip langzaam te doen voortgaan.

2o. Gedwongen naderen: Wy noodzaakten hem by te draaien. Dat schip wilde het klaringsvaartuig ontzeilen; maar een schot met los kruit bracht hem tot andere gedachten en deed hem B—.

3o. In ’t gevecht B— is: zich overgeven.

Spreekwijze: Hy draait by (hy drijft zijn opzet niet door, volhardt niet in zijn meening, geeft het op.)

Voor de nacht B—, om den wal niet te na te komen (tijdige voorzorg nemen).

Byhalen, b. w. — of Byzetten. 1o. De zeilen bybrengen en ter windvang stellen.

2o. Losjens overschilderen. Een sloep buiten om te laten gaan, ten einde de kale plekken met teer of verf te laten B—. Binnen boord der oorlogschepen is het gebruikelijk, des Saturdags aan boord de kale plekken te laten B—, om ’s Zondags mooi te zijn.

Byhaven, z. n. v. — Zie Haven.

Byhouden, b. w. — Op dezelfde hoogte blijven. Dat schip is een luie zeiler: het kon de vloot niet B—. Ook 2o. Naderen. Een schip doen B— (het doen naderen).

Bijl, z. n. m. — Timmermansgereedschap, bestemd om er mede te houwen en te kappen; doch ook aan boord bovendien in gebruik, zoo als wapentuig. (Zie Enterbijl), als om, in geval van nood, en wanneer spoed vereischt wordt, kabels, stengen of masten mede door of om te hakken. Zie Kappen.

Den Bijl voor den kop krijgen (afgekeurd worden). Zie Afkeuren.

Spreekwijze: Hy hakt er met een breeden of groven B— in (hy maakt veel verteering: ook wel: hy snijdt geweldig op).

Den B— voor den kop geven (afkeuren).

Bijl, z. n. m. of Bijltjen, z. n. o. — Bynaam, waarmede de timmerman aan boord door het volk wordt geroepen of aangesproken. Het Bijltjens oproer (bekende oploop der Kattenburgers, die voornamelijk uit scheepstimmerlieden bestonden).

Bylander, z. n. m. — Platboomd vaartuig, voornamelijk voor de vrachtvaart bestemd en byna als een snaauw getuigd.

By laten komen, b. w. — ’t Schip aan den wind laten komen.

Bijlbrief, z. n. m. — Zoo werd, naar het oude recht, de akte genoemd, waarby hy, die een schip kocht, en de kooppenningen niet geheel kon voldoen, het schip voor het overige verbond.

Byleggen, o. w. — Onder klein zeil met dichtgereefde zeilen en aangebraste raas het schip zoo dicht mogelijk aan den wind houden, om het tuig van het schip met stormweer niet te vermoeien; daar anders het tuig van boven neder, of het schip uit elkander, zoû werken.

Van top en takel B— (met aangebraste raas B—). Men gaat B— (wanneer men het, voor-de-wind zeilende, met achteroverstaande zeeën niet meer houden kan, of dat men het in-de-wind heeft). Voor het groote zeil B—. Onder groot-stagzeil B—. By blijven liggen.

Bylegger, z. n. m. — 1o. Schip, dat bylegt. Het is een goede B— (het kan goed Byleggen).

2o. Schip, naar elders bestemd, met hetwelk men uit zee binnen valt uit nood of om te overwinteren: of ook een schip, dat geen bepaalde bestemming heeft en waarmede men een zeehaven aandoet om nader last te ontfangen. De bepalingen omtrent de B—s vindt men in de Alg. wet, van 26 Aug. 1822, vierde Hoofdst. art. 25–29.

Spreekwijze: Hy is een B— (hy draait by. (Zie Bydraaien) ook: hy speelt op zien komen).

2o. Tegenwind, die belet zeil te voeren.

Bystaan, o. w. — Wordt van de zeilen gezegd, als zy op hun plaats geheschen en gespannen zijn. Dat schip heeft geen enkel zeil B—.

Bysteken, b. w. — Het schip met den kop aan den wind laten komen om by te draaien of by te gaan liggen.

Bijt, z. n. v. — Wak, opengehakte plaats in het ijs.

Spreekwijze: Als een eend in de B— vallen (ergends by ongeluk inraken).

Bijten (in of uit), b. w. — Een schip, dat buiten of binnen de haven in ’t ijs bezet is, door het hakken van bijten of sloppen in ’t ijs, weder brengen waar het wezen moet.

Byvieren, b. w. — Laten schieten. Zie Vieren.

Byvoet, z. n. m. — (veroud.) of Smeerrak; touwrak tot onderra.

Byzaadhout, z. n. o. — Stukken hout, aan den voet van den grooten mast, evenwijdig met het Zaadhout geplaatst, en dienende tot steun voor het spoor van den grooten mast.

Byzeilen, z. n. v. mv. — Hulpzeilen.

Byzetten, b. w. — Uitspannen. Een zeil B— (het op zijn plaats brengen en spannen) alle zeilen B—.

Spreekwijze: Alle zeilen B— (spoed maken).

De zeeman zet gerust dan alle zeilen by

En troost zich met de gonst der winden en ’t getij.

Vondel.

C.

Inhoudsopgave

Zoek de woorden met Ca, Co en Cu gespeld op Ka, Ko, Ku.

Chebek, z. n. m. — Soort van vaartuig, in de Middellandsche zee in gebruik, even als een feloek met latijnzeilen getuigd.

Cherteparty, z. n. v. — of vrachtbrief. Akte van overeenkomst tusschen den vervrachter en de bevrachters opgemaakt, en waarin vermeld worden: de naam en de grootte van het schip: de naam van schipper, vervrachter en inlader: de plaats en de tijd, tot lading on lossing bepaald: of het schip geheel of gedeeltelijk vervracht wordt: eindelijk, de bedongen schadeloosstelling ter zake van vertraging. Zie art. 454, 455 Wetb. v. Kooph.

Cirkel, z. n. m. — Kring, koers, omtrek, door een kromme lijn beschreven, wier punten alle even verre van het middelpunt verwijderd zijn.

Cingelgrond, z. n. m. — Bodem of grond van de zee, die noch zand noch slijk bevat, zoo als die onder den Engelschen wal by de Cingels.

D.

Inhoudsopgave

Daagsch anker, z. n. o. — Het Anker, dat het meest gebruikt wordt. Schepen uit het Noorder kwartier, of liever, in Texel en te Amsterdam uitgerust, hebben het aan Bakboord varen, terwijl het uit de havens bezuiden de Maas aan Stuurboord vaart.

Daagsch Touw, z. n. o. — Het zware Touw, dat met het Daagsch Anker gebruikt wordt. Zie Legger en Volger.

Dag, z. n. m. — 1o. Tijdverloop tusschen zons op- en ondergang. Het heeft den gandschen D— geregend: eerst met het opkomen der maan is de lucht opgeklaard.

2o. Etmaal. Men berekent de hoeveelheid van ingescheepte levensmiddelen by D—en. Er is nog voor tien D—en water. Er is niet meer dan voor vijf D—en proviand. Zie verder Ligdagen, Waschdagen enz.

Dag, z. n. v. — Wordt genomen voor het end touw, waarmede de scheepsprovoost de misdadigers plach te kastijden. Volgends Bilderdijk zoû ’t woord verbasterd zijn van tak, en verwant aan takel, dus werkelijk de beteekenis hebben van Touw: waarom hy er ook in zijn Geslachtlijst het o. gesl. aan geeft. Intusschen is ’t hetzelfde woord als degen en ’t werd in ’t Fransch ook dague de prévôt genaamd. Men weet dat Dag of Dagge ook ponjaart beteekent. Zie Dag. Wellicht is de oorsprong der benaming van Dag, zoowel aan dit endtjen touw als aan den dolk gegeven, aan die zelfde beschimpende toespraak ontleend, waaraan die oude strijdkolven, welke men Goeden dags heette, hun naam verschuldigd zijn. De enden touw, waarmede de strafoefening geschiedt, heeten Handdagen. De krijgsraad heeft hem veroordeeld om met Handdagen te worden afgestraft.

Dagboek, z. n. o. — Zie Dagregister.

Dagen, o. w. — Dag, worden, licht worden. Het begint te D— (de schemering breekt door).

Dagge, z. n. v. — (veroud.) Entertouw voor de matrozen.

Dagregister, z. n. o. — of Journaal. Register, hetwelk de schipper verplicht is te houden en waarin hy dag aan dag moet opteekenen: “de gesteldheid van weer en wind: hoeveel het schip in zijn koers gevorderd of teruggegaan is: op welke lengte en breedte het zich bevindt: welke onheilen en uit wat oorzaak die aan schip en lading zijn overkomen: de gesteldheid, waarin hetgeen door ongeval, door kappen, snijden en kerven, verloren is gegaan, zich bevond: welke koersen hy gehouden heeft en waarom hy daarvan heeft moeten afwijken; de besluiten in den scheepsraad genomen: de afdanking van scheepsofficieren of scheepsgezellen en de redenen daarvan: al wat schip en lading betreft en tot het doen van rekening of verantwoording, of tot het instellen of afweeren van eenige vordering, aanleiding zoû kunnen geven.” Zie Wetb. v. Kooph. art. 358.

Dagseinen, z. n. o. — Zie Sein.

Dagwaak slaan (de) of de Reveille slaan. — De manschap door trommelslag opwekken. De D— wordt in de Dagwacht geslagen.

Dagwacht, z. n. v. — Wacht aan boord, die van ’s morgens 4 tot 8 uur duurt.

Daling, z. n. o. of Pompdal. — Een koker of buis, die van boven tot beneden langs de pomp loopt en door welke men het peilijzer laat afzakken, om de hoogte van het water by de pomp te meten.

Dam, z. n. m. — 1o. Stuk houts, dat ergends in gezet wordt om iets te stutten en naderhand weêr weggenomen wordt.

2o. Stuk lands, dat dwars door een water gelegd wordt om het te stuiten. ’t Is in zijn oorsprong ’t zelfde als Toom. Hiervan

Damlooper, z. n. m. — Klein Noordhollandsch vaartuig, geschikt om over dijken, dammen en overtoomen gehaald te worden.

Dammen, b. w. — Met een Dam sluiten.

Geweld van ketenen en krammen,

Noch palen om de zee te dammen,

Noch zeekasteelen op de strand,

Vol solferblakend ingewand,

Zijn machtig om den Leeuw te temmen.

Oudaen. De Leeuw bevredigt.

Damp, z. n. m. — Alle wasem, doch in ’t byzonder de rook door het geschut veroorzaakt.

Davids, z. n. m. mv. — IJzeren standers aan de zijden van het achterschip, dienende om er lichte vaartuigen aan te hangen.

Deelen, z. n. o. mv. — Gezaagde en alzoo gedeelde stukken hout. Deelen van een balk zijn alzoo Planken. Zie ald.

Deelbalie, z. n. v. — Zie Loodlijnbalie.

Deining, z. n. v. — Golvende beweging die, na het ophouden van den wind, die haar veroorzaakt heeft, het zeewater blijft beroeren. Er staat D—. De D— is zeer zwaar, de D— gaat hoog.

Deinzen, o. w. — Afloopen, teruggaan. Het D— der golven (het stooten der golven omtrent de banken of rotsen) ook Tegenzee, Terugzee, Weêrzee genoemd. Zie ald. Het D— van het schip (het teruggaan van het schip in de wending, als de wind vlak van voren komt en ’t schip niet doordraait).

Spreekwijze: Wanneer het schip Deinst legt men het roer verkeerd aan boord—draait men het op de andere zijde—(als het niet gelukken wil wendt men het uiterste middel aan).

Deinzig, b. n. — Dampig, nevelachtig. Een D—e lucht.

Dek, z. n. o. — Scheepsvloer, eenigzins gewelfd, en uit deelen samengesteld, die aan weerszijden op de balken rusten. Ook de verschillende verdiepingen van het vaartuig. Het getal der D—s wijzigt de benaming van het schip. Zoo heeft men een Tweedek, (een schip met twee D—s): een Driedekker, (een met drie batteryen). By koopvaardyschepen heeft men gewoonlijk twee D—s. Het aantal D—s by oorlogschepen is verschillend. By linieschepen zijn er ten minsten vier, als, van boven naar beneden tellende: 1o. Het OpperD— of BovenD— (’t halfdek van de kajuit tot den grooten mast, de loopplanken, den Bak); 2o. het KuilD—; 3o. het TusschenD—, die elk een battery voeren, de zwaarste onder; 4o. de Koebrug. By gewone oorlogsfregatten en kuilkorvetten heeft men gewoonlijk een OpperD— (dat boven is), een KuilD— en een TusschenD—. Op korvetten met gestreken D—s heeft men in stede van het gewone Opperd— vooruit een kort D— tot even achter den fokkemast en achteruit een kort D— tot even voor den bezaansmast. Het eerste wordt de Bak, het laatste de Kampanje genoemd. In dit geval wordt het KuilD— OpperD—. Brikken hebben een OpperD—, somtijds een kleine Kampanje, en verder een TusschenD—. De kampanje wordt echter in scheepstaal niet tot de D—s gerekend. De kapitein was niet op het D—: hy stond op de kampanje. De helft van het KoebrugD— wordt HalfD— geheeten: — Gebroken D— (D—, dat op zijn lengte is afgebroken). NegerD— of SlaveD— (D— waar zich op slavenhaalders de negers bevinden). GladD— gestrekenD— (een D—, dat onafgebroken doorloopt).

Spreekwijze: Dat is een Driedekker (een groot, zwaarlijvig vrouwspersoon). De stortzeeën maken GladD— (slaan alles van ’t D— af).

Dekbalken, z. n. m. mv. — Balken, die het Dek onderschragen, en tevens het dwarsscheepsverband uitmaken.

Dekbalkknieën. z. n. v. mv. — Knieën, waarop de Dekbalken rusten. Zie Knie.

Dekbanden, z. n. m. mv. — Banden van het voor- en achterschip, mede dienende tot bevestiging van het dek.

Dekdeelen, z. n. o. mv. — Planken van het Dek. Zie Deelen.

Dekglas, z. n. o. — Glazen schijf van ongemeene dikte, hoedanige men in de Deks- of patrijspoorten plaatst om licht te geven in de lagere gedeelten van het schip. Schroefdekglazen. Leivormige Dekglazen.

Deklinatie, z. n. v. mv. — De boog aan de hemelsfeer, dien de hoeksgewijze afstand van een der hemellichten aan den equator beschrijft. D— van ’t kompas of miswijzing. De afwijking van het ware Noord.

Dekofficier, z. n. m. — De hoogste onderofficieren, als schipper, bootsman, schieman, worden D—en genoemd, omdat zy by de manoeuvre op het Dek blijven.

Dekplaat, z. n. v. — Stuk eikenhout, dat de koppen der Beting dekt.

Deksel, z. n. o. — Wat tot bedekking van iets dient en er tevens een deel van uitmaakt. Zie Potdeksel.

Dekstoppers, z. n. m. mv. — Stoppers, die op verschillende punten van het Dek aan ringen zijn vastgemaakt en zich alzoo voor de hand bevinden.

Dekstrijken, o. w. — De planken in het Dek leggen, het Dek bevloeren.

Dekworp, z. n. o. — Het bovenste worp, waar het Dek op rust.

Dekzeegt, z, n. v. — De projektie van de lijn, volgends welke de bovenkanten der balken tegen de binnenoppervlakte der inhouten sluiten, op het vlak, dat door het midden van kiel en stevens gaat. Zie Zeegt.

Dempgording, z. n. v. — Het Touw, op het staande lijk van de zeilen opgestoken, op de hoogte van de boelijns, dat het lijk langs de ra haalt om het zeil te dempen of er den wind uit te nemen om het gemakkelijker te beslaan.

Dennen, z. n. v. mv. — (veroud.) Het dek op een klein vaartuig, b. v. op een Binnenvaarder, wordt meermalen aldus genoemd, naar het hout, waarvan het vervaardigd is.

Denning, z. n. v. — Verouderde benaming voor “vloer.”

Derde hand, z. n. v. — Eigenaardige benaming van een takel, of liever van een verbinding van touwen, loopende door katrollen en geëigend tot het oplichten van zware lichamen.

Derde waak, z. n. m. — Vroeger gaf men dezen naam aan de jongste officieren op de schepen der O. I. Maatschappy.

Deukel, z. n. m. of

Deutel, z. n. m. — of Slag. Pennetjen, hoedanige in de enden der houten nagels, die doorgeslagen zijn, gevoegd worden en met hun puntjens blijven uitsteken.

Deutelen, b. w. — Deutels inslaan.

Deutelijzer, z. n. o. — of Plugijzer. IJzer, waarmede men gaten in de nagels slaat.

Dicht aan-de-wind of scherp by-de-wind. byw. — Zoo naby aan den wind als de zeilen maar kunnen vatten.

Spreekwijze: Niet al te D— a. d. W— houden, (het onderste niet uit de kan willen).

Dichtspijkeren, b. w. — Met Spijkers Dichtmaken.

Spreekwijze: Spijker de kist dicht. Wordt gezegd, wanneer een zaak is afgedaan en er niets meer aan te doen of te verhelpen valt. In dit gezegde wordt echter onder kist “doodkist” verstaan.

Diep, z. n. o. — 1o. Diepte; doch in ’t byzonder waar van de zee gesproken wordt. In ’t peilloos D— der golven.

2. De zee zelve. Hy is in ’t D— verzonken.

Siet hier een versche beeck die met de soute baren

Can spelen in het diep, oock sonder eens te paren.

Cats. Zinnebeelden.

Diep, b. n. — Geeft de hoogte van een gespannen zeil te kennen. Dat zeil is niet D— genoeg. Dat marszeil is ... N ellen D—.

Diepen, o. w. — Al peilende naar land varen. Zie Aandiepen.

Spreekwijze: Het Diept noch droogt niet, (het geeft noch neemt, men vordert er niet mede).

Diepgaan, o. w. — In ’t water zakken. Dat schip gaat ... N ellen Diep, het zinkt ... N ellen in ’t water. Dat schip Gaat Diep genoeg (het gedeelte, dat beneden de waterlijn zinkt, is naar zijn grootte en vorm evenredig aan den last, dien het dragen moet om veilig en met goed gevolg te varen). Dieper gaan (wanneer een nieuwe last in ’t schip geladen wordt, en dit daardoor dieper zinkt.)

Spreekwijze: Een Diepgaand schip (iemand, die veel verkwist en veel noodig heeft:—omdat Diepgaande schepen veel werks vereischen).

Diepgang z. n. m. of Dieptreding. — De bepaling van het getal ellen, welke het schip in het water zinkt. D— voor, D— achter, Gemiddelde D—. Zie Stuurlast, Stuurlastigheid.

Diepgangsmeter, z. n. m. — Werktuig, uitgedacht om de hoegrootheid in ellen en palmen van Diepgangen aan voor- en achtersteven tot het best bezeild doen zijn van een schip te bepalen.

Diepgangsmerken, z. n. o. mv. — Schaal, in voeten en halve voeten verdeeld en op de zijkanten van den voor- en van den achtersteven afgebeeld, en dienende om den Diepgang van het schip te weten.

Dieplood, z. n. o. — Peillood, of eenvoudig Lood, welk laatste meest gebruikelijk is. Zie Lood.

Dieploodlijn, Dieploodworp. Zie Looding, Worp.

Diepte, z. n. v. — 1o. Wordt somtijds voor de zee genomen. Zie Diep.

Ontsiet de diepte niet, al is haer aensicht straf,

Vondel. Lofs. op de Scheepsv.

2o. De bepaling van de diepte. Wy ankerden op de D— van zes vademen.

3o. Van een zeil. (de hoogte van een uitgesponnen zeil).

Dieptredend, z. n. v. — ’t zelfde als Diepgaand. Een D— schip (waarvan de romp diep in ’t water zinkt. Zie Diepgaan, Diepgang).

Dieptreding, z. n. v. — Zie Diepgang.

Dikte der kiel, z. n. v. — De afstand tusschen de onder- en bovenkanten der kiel.

Dinga, z. n. v. — Kromgekield vaartuig, aan de Malabaarsche eilanden in gebruik.

Dinguy, z. n. m. — Vaartuig, op den Ganges in gebruik.

Dirk, z. n. v. — Looper van den Gaffel, zeilbooms toppenant.

Dissel, z. n. m. — Grootdissel, Klosdissel. Kromme bijl, dienende om hout te effenen en scherp te maken. In de kruitkamer gebruikt men een koperen D—.

Distinktievlag, z. n. v. — Zie Vlag, Wimpel.

Doek, z. n. o. — Voor zeildoek, en, by de dichters, ook voor het zeil zelf genomen.

De doeken hangen slap: men twijfelt of het waait.

Vondel. Lof der Zeevaart.

Zie verder KarrelD—, zeilD—, vlaggeD—.

Doeken, b. w. — (veroud.) Zeilen aanslaan; op kleine schepen.

Doemen, o. w. — Zich vertoonen. Zie Opdoemen.

Doft, z. n. v. — Roeibank. Het woord is Deensch, en beteekent een ledigen grond, doch in ’t byzonder een zitplank in een schuit.

Dogger, z. n. m. — Eigenlijk zeehond (als zijnde D— niet anders dan “dog, hond”): van daar voor kabbeljauw genomen, en, by toepassing, in gebruik gekomen als benaming voor een soort van vischschepen, die naar den Doggersbank varen, om kabbeljauw te vangen. Een D— voert een grooten mast in ’t midden en een kleinen mast van achteren, vierkant getuigd: voorts boegspriet en fok.

Dogschuit, z. n. v. — Schuit, die by een Dogger behoort.

Dok, z. n. o. of havendok. — Deze naam werd vroeger aan een besloten plaats gegeven, waar schepen gemaakt werden: thands verstaat men er een kom door, van sluizen voorzien en met kaaien omringd, die tot een veilige ligplaats strekt. D— van aanbouw. (Zie Droogdok).

Dokken, b. w. — (veroud.) In een Dok het schip vast aan den grond zetten.

Dokkig, b. n. — Mistig, donker: D— weer (betrokken lucht).

Dol, z. n. m. — Pen of nagel, die in het boord van booten of andere lichte vaartuigen geslagen wordt, om de riemen by ’t roeien te bedwingen.

Zoo zingt Hooft, op den duim van ’t metalen beeldt des Hertogen van Alva.

Den Duim, die rechte wederhandt,

Die eertijdt, van gansch Nederlandt,

Zich kussen deed, terwijl hy ’t schond,

Heeft nu matroos in zijnen mond

Oft wringt hem, wil hy, in een hol,

En bruikt den dwinger voor een dol.

Spreekwijze: Het zijn maar oude D—len: “maar lorren”: omdat versleten D—len weinig waard zijn;—tenzij men hier aan “oude poppen” [’t Eng. Doll] te denken hebbe.

Dolborden, z. n. o. mv. of Bosbank. — Houten, aan weêrskanten eener galei of sloep op de boorden geslagen en tusschen welke de riemen zich bewegen.

Dolgat, z. n. o. — Gat, waar de Dol wordt ingestoken of geslagen.

Spreekwijze: Had ik uw vinger in het D— (kon ik u klemmen als een dolpen beklemd wordt, ik zou u wel doen klappen).

Dommekracht, z. n. v. — Soort van werktuig, met een getand rad en zwengel voorzien en strekkende om zware lichamen op te tillen. Het woord is eigenaardig van uitdrukking, als zijnde het werktuig zelf onbewust van de uitwerking, welke het te weeg brengt.

Dompen, b. w. — Het geschut met den tromp of ’t vooreinde doen zakken en achter oplichten, om lager te kunnen schieten zonder het stuk te doen zinken. In een rechte lijn pointeeren, vluchten en D—.

Dompelen, b. w. — Frequentatievum van Dompen, en alzoo: “herhaaldelijk, by voortduring Dompen,” meer byzonder: “in het water.”

Wanneer ik schielyk, op mijn onbedachte beê

Wiert over hals en hooft gedompelt in de zee.

Jan Vos.

Spreekwijze: Hy ligt er onder Gedompeld (hy is al dood en begraven).

Donderbus, z. n. v. — Breed en zwaar handgeweer, in een mik draaiend, en waarmede de marsen en barkassen gewapend worden.

Dood, b. w. — Voor “dicht”. D— aanslaan (dicht aanslaan).

Doodeman, z n. m. — Zie Snaauw.

Doodemans-oog, z. n. v. — (veroud.) Eenige kleine touwtjens boven aan den bezaan, die, meer tot cieraad dan tot nut strekkende, daarvan hun naam ontleenen.

Doodloopen, b. w. — Zie Doodzeilen.

Doodshoofd, z. n. o. of Stagkous. — Houten, byna cirkelvormig blok, in zijn omtrek met een sleuf voorzien, waar de stagstoppen doorloopen.

Doodstilte, z. n. v. — Afwezigheid van alle wind, waardoor een stilte heerscht als die des Doods.

Doodstroom, z. n. m. — (veroud.) Afwezigheid van den stroom, waardoor men niet vorderen kan: stroom tusschen volle en nieuwe maan, als ’t water minst wast: ook tusschen eb en vloed. Zie Doodtij.

Spreekwijze: ’t Is er D— (er is geen handel, geen beweging, er valt niets voor).

Doodtij, z. n. o. of Dood water. — Het zwakste Tij.—Ook stil water, stilstand tusschen eb en vloed.

Doodwater, z. n. o. — (veroud.) Water achter den gang van ’t schip.

Doodwerk, z. n. o. — Zie Bovenschip.

Doopen, b. w. — Met dezen naam bestempelt men een oud scheepsgebruik, om de onbevaren maats, en die hun eersten tocht deden, op zekere plaatsen, zoo om de Noord als om de West, met zeewater te begieten. Zy, wien het niet lustte zich te laten begieten, kochten dit met geld af. De jongens werden in een mand gezet, en hun tobben water over het lichaam gegoten. Zelfs schepen, die nooit de door de zeelieden uitgekozen Doopplaatsen waren voorbygezeild, waren aan het Dooprecht onderworpen, en de schipper gehouden, by dat voorval, de maats met een drinkpenning te vereeren. Verzuimde hy dit, dan stond het te vreezen, dat de snuit stilzwijgend van het schip afgezaagd of eenig scheepsdeel verduisterd werd.

Doorbreken, b. w. — Doordringen, b. v. door een vyandelijke linie, zoo dat men zijn schepen tusschen de vyandelijke vloot door laat zeilen om zich onder-de-wind in linie te stellen en den vyand alzoo tusschen twee vuren te brengen. Men tracht gemeenlijk de linie in de achterhoede Door te Breken, die daardoor wordt afgesneden. Is zulks gelukt, dan zoekt ieder schip zijn tegenparty. Het D— van de linie door de Engelschen deed de Hollanders den slag van Kamperduin, de Franschen en Spanjaarts dien van Trafalgar verliezen.

Doordreggen, o. w. — Wordt gezegd van een anker, dat niet vatten wil en door het schip over den bodem gesleept wordt. Het anker Dregt over den grond, Dregt Door, is driftig.

Doordrijven, o. w. — ’t Zelfde als Doordreggen. Zie ald.

Doorgaan, o. w. — ’t Zelfde als Doordreggen. Zie ald.

Doorgaande koelte, z. n. v. — Stijve, gelijke koelte.

Doorgezakt, b. n. — of Doorgezet, wordt een schip genoemd, dat een kromte of katterug heeft. Zie Katterug.

Doorgezet, b. n. — Zie Doorgezakt.

Doorkaaien, o. w. — Zie Gijpen.

Doorklieven, b. w. — Doorsnijden, doorvaren. Hy heeft lange jaren de zee Doorkliefd (hy heeft lang gevaren).

Doorploegen, b. w. — Doorklieven, aanhoudend beploegen. Zie Ploegen.

Waerom sy of, en aen, nu uyt, en weder in,

Door-ploeghden ’t vochte veld met voorspoet en gewin.

Vondel. Lofs. op de Scheepsv.

Door laten staan, b. w. — Niet zwichten, met volle zeilen voortvaren. Hooft, Ned. Hist. blz. 53, gebruikt het oneigenlijk voor “niet krenken.”

Doorvoer, z. n. m. — Zie omtrent den D— van goederen de Alg. Wet van 26 Aug. 1822, Tiende Hoofdst. art. 75–87.

Doorzetten, o. w. — Een katterug krijgen. Zie Katterug.

Doorzetting, z. n. v. — Zie Katterug.

Doove jut, z. n. v. — Zie Jut.

Dop, z. n. m. — Een ronde houten kring, voor de gaten gespijkerd, waar de touwen door gevierd worden. D— van de kompasroos, hol kegeltjen, op het spil van de kompasroos geplaatst ter bevestiging van de naald.

Doppen, b. w. — De schepen met een Dop of teeken merken, om te weten, hoe veel last een schip zoû kunnen voeren, of hoeveel last een schip groot is.

Dorpel, z. n. m. — Zie Drempel.

Draad, z. n. m. — 1o. Ineengedraaide of gevlochten vezels hennep, ook getrokken ijzer of koper. Zie Garen.

2o. De richting, waarmede de vezelen door het hout loopen. Het hout met, tegen den D— kloven, wordt gezegd op gelijke wijze als “het vleesch met of tegen den D— snijden.”

Spreekwijze: Er loopt een D— door (het is niet richtig).—De oorsprong van deze spreekwijze wordt op de volgende wijze verklaard. Toen er in de laatste helft der achttiende eeuw oneenigheden bestonden tusschen ons Gemeenebest en Engeland, en onze vloot langer in Texel bleef liggen, dan met den toen zeer oorlogzuchtigen geest van onze kooplieden strookte, werd ’s Lands Regeering beschuldigd, “dat onze schepen met Engelsche Touwen aan den wal vast lagen,” met andere woorden, dat men zich door Engelsch geld had laten omkoopen om geen bevel tot uitzeilen te geven. Daar nu door het touwwerk der Engelsche zeemacht een blaauwe draad tot onderscheidingsteeken loopt, drukten de misnoegden hun kwaad vermoeden uit door deze beeldspraak: “de schepen kunnen niet weg: zy liggen vast aan de kaai, en er loopt een D— door het Touw.”

Draadshout, z. n. o. — Wordt in den scheepsbouw zoodanig hout genoemd dat meer in de lengte dan in de breedte gebezigd wordt.

Draadkogels, z. n. m. mv. of Boutkogels. — Twee kogels, met een bout verbonden: Men noemde ze vroeger kneppelkogels, ook kettingkogels, als zy met een ketting aan elkander zaten.

Draaibas, z. n. v. — of Steenstuk. Soort van klein kanon, op een staander of mik draaiende, en waarmede somtijds de oorlogsvaartuigen gewapend zijn.

Draaiblok, z. n. o. — Blok met een leirol voorzien.

Draaien, o. w. — Van richting veranderen. De wind Draait naar ’t Oosten.

Draaier, z. n. m. — 1o. Stuk hout, dienende om al draaiende kracht uit te oefenen, en gebezigd by het inbinden of stroppen van blokken, het aanzetten van bindsels enz.

2o. Zie Peiler.

Draaikolk, z. n. v. — Maalstroom of Wieling. Hevig draaiende waterstroom, waarin de schepen verzwolgen worden. De D— by Messina.

Draaireep, z. n. v. — Touwbeslag, waarvan het eene end is vastgemaakt aan een op te heffen voorwerp, het andere aan een takel.

Draaispant, z. n. v. — Spant, wier armen niet loodrecht op het middellijnig ontwerp van een schip vallen.

Draagbalk, z. n. m. — Zie Verbindingsklos.

Dracht, z. n. v. — Van een schip gezegd, beteekent de grootte of het gewicht dat het laden kan. De zeilen staan ter D— (zy staan zoo, dat zy alle dragen en wind vangen).

Dragen, o. w. — Goed bystaan. De zeilen D— (vatten wind).—Het D—de houden (heen en weder zeilen op dezelfde hoogte). Wy hielden het D—de om den wal niet te vroeg te naderen.

Dreg, Dregge, z. n. v. — Ronde ijzeren bout, hebbende aan het eene uiterste vijf binnenwaarts gebogen armen en aan het andere een ring, waar een tros of kabel wordt doorgehaald. De D—gen zijn voor kleine vaartuigen wat de ankers voor groote zijn; doch zy hebben geen ankerstok.

Dreggen, o. w. — 1o. Met een Dreg den bodem der zee bekrabben, om de oesters, mosselen of schelpen los te maken, of de in zee gevallen voorwerpen op te visschen.

2o. ’t Zelfde als Doordreggen. Zie ald.

Dregtouw, z. n. o. — Het Touw, waaraan de Dreg vast is.

Drempel of Dorpel. — Dik en breed stuk houts, dat den onderkant van een geschutpoort bedekt.

Drenkeling, z. n. — Iemand die in het water verdronken is: by toepassing iemand, die zoo verzopen aan boord komt, dat hy, naar allen schijn, de reis niet voltrekken, maar onderweg sterven zal en in zee begraven worden. Van een, die, beschonken zijnde, over boord valt, zegt men wel: hy is geen D—; want hy is zoo vol jenever, dat er geen zout water meer by kan loopen.

Dreum, z. n. o. — Zie Drom.

Drevel, z. n. m. — Houten pen of nagel, dienende om de beplanking op den waterspiegel te bevestigen.

Driedekker, z. n. m. — Schip met drie Deks. Zie Dek.

Driemast, Driemaster, z. n. m. — Vaartuig met Drie Masten.

Drift, z. n. v. — Het dwars afdrijven van het schip, door stroom, slechtbezeildheid of anderszins.

Driftig, b. n. — Al wat van zijn plaats begint te drijven, wordt gezegd, D— te worden. Zoo wordt een plank, zoo het ijs, D—. Een D— schip is een schip, dat van zijn ankers laat of waarvan het anker doordregt. Zie Doordreggen.

’t Driftigh eicken huis

is de eigenaardige naam, dien Vondel aan het schip geeft, in zijn Lof der Zeevaart.

Dril, z. n. m. of Drilboor. — ijzeren werktuig, waarmede gaten in ijzer of andere metalen zelfstandigheden kunnen gedrild, gedraaid, of geboord worden.

Drillen, b. w. — 1o. Oorspronkelijk hetzelfde als “Trillen,” heen en weder brengen, draaien; doch, by toepassing, “een vaartuig voortwinden,” omdat het touw, door het sterk aanhalen, gedurig staat en Drilt.

2o. Opwinden: ’t schip op de helling D—.

Drom, z. n. v. of Dreum. — Wollen stof, waarvan de harpuiskwasten vervaardigd worden.

Droog, z. n. o. — Drooge plaats, waar geen zee op staat. Het afloopende water liet de schuit op D—.

Spreekwijze: Zijn schaapjens (of scheepjens) op ’t D— hebben (in behouden haven zijn, voor geen tegenspoed meer te vreezen hebben). Zie Scheepjen.

Op D— varen (zich verderven).

Dat schip houdt altijd D— dek: er loopt geen zee overheen. (Het gaat hem altijd voorspoedig).

Droogdok, z. n. o. of Dok van aanbouw. — Soort van werf, waar de schepen in gebouwd, hersteld en vlot gemaakt kunnen worden.

Droogen, o. w. — Droog worden. Zie Diepen.

Druif, z. n. v. — 1o. Knop, die aan het eind van boomen of bootshaken vast zit, om tegen de borst te worden gehouden en het door de hand glippen te beletten. Zie Hooft, Ned. Hist., bl. 304.

2o. Het bolvormige gedeelte, waar een kanon aan den kant van den stortbodem uitloopt.

3o. Schroot, kleine kogels, op een ronden schijf gestapeld in den vorm van een druiventros, en door zeildoek en lijn verbonden.

Druil, z. n. m. — Een klein onderzeil, dat aan een mast op den achtersteven van een klein vaartuig geheschen wordt om het beter aan den wind te houden.

Spreekwijze: Iets met den D— doen (iets langzaam doen).

Druilsra of Druilsroede, z. n. v. — Hout of spriet, die waterpas van den achtersteven uitsteekt en waaraan het onderlijk van den Druil wordt uitgehaald.

Druipen, o, w. — Het anker zoetjens laten afzakken tot voor den boeg.

Drukker, z. n. m. — Een stut, waardoor de kraanbalk van onderen gestut of gedrukt wordt.

Drukkingspunt, z. n. o. — Punt, waar de drukking van den wind op werkt.

Drijfbouten, z. n. m. mv. — Nagels, waarmede de ijzeren banden om de masten enz. worden vastgeklonken.

Drijfdok, z. n. o. — of Drijvend Dok.

Drijfzeil, z. n. o. — Zoo noemen sommige schrijvers een Zeil, dat onder water uitgestrekt werd, wederzijds scherp vast aan zijn schoten, om het schip by stilte voort te doen Drijven waar de vloed ging. ’t Verhaal klinkt echter als een sprookjen.

Drijfzand, z. n. o. — Zand, dat door den stroom gedreven wordt.

Drijven, o. w. — 1o. Zich met het water mede laten gaan, zorgende door behulp van den wind of door brassen, eenigen stuur in het schip te houden. Zoo wordt een schip gezegd te D— met den vloed, met de eb, op zijn ankers enz.

Af drijvend onder zeyl, dat ’s mackelixt van alle.

Huyghens. Tryntje Cornelis.

2o. Zich ergends heen begeven. Op de kust D—: by een ander aan boord D—.

3o. Van de wolken. Uit het zuiden D—, uit het noorden D—, breed, ruim D—. De wolken D— zuidoost.

Spreekwijze: Het maar laten D—. Op Gods genade D— (de zaken maar laten loopen zoo als het valt.) Iemand op zijn eigen wieken laten D— (iemand aan zich zelven overlaten, zijn eigen hoofd laten volgen). Dat schip kan zeilen noch D— (het deugt nergens toe).

Hy Drijft op zijn last (hy heeft een akkoord met zijn schuldeischer aangegaan, en houdt het, even als een ontheisterd schip, niet door zijn tuig of takelaadje, maar door zijn last of lading—het geld van anderen—nog Drijvende).

Бесплатный фрагмент закончился.

178,42 ₽

Жанры и теги

Возрастное ограничение:
0+
Дата выхода на Литрес:
16 января 2025
Объем:
440 стр. 1 иллюстрация
ISBN:
4064066400514
Издатель:
Правообладатель:
Bookwire
Формат скачивания:

Похожие книги