Читать книгу: «De mannen van '80 aan het woord»

Шрифт:

E. D'Oliveira

De mannen van '80 aan het woord

Een onderzoek vaar eenige beginselen van de "Nieuwe-Gids"-school


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066061005

Inhoudsopgave

HISTORIE VAN DIT BOEKJE.

LODEWIJK VAN DEYSSEL

K.J.L. ALBERDINGK THIJM

EERSTE INDRUK.

VAN DEYSSEL'S DEBUUT.

"EEN LIEFDE."

IMPRESSIONISME.

DE "ONVOEGZAAMHEDEN" IN "EEN LIEFDE."

L'ART POUR L'ART.

VAN DEYSSEL GEZELLIG.

DE "OUDE" VAN DEYSSEL.

SCHRIJVER EN PUBLIEK.

EERST MOET ZIJN WERK HEM GENOT SCHENKEN.

DE "GRENZEN" VAN LETTER- EN SCHILDERKUNST.

DE SOCIALISTISCHE DICHTERS.

ZEKERE "SCHETSEN"-SCHRIJVERS.

TENDENZ-KUNST.

HOE HIJ WERKT.

WILLEM KLOOS

WILLEM KLOOS

"DANK U MENEER, VERDER NIET."

HERINNERING AAN JACQUES PERK.

HET NIEUWE.

DE UITGAVE VAN "MATHILDE."

WAAR EEN MENSCH NIET BIJ KAN.

DE OPRICHTING VAN "DE NIEUWE GIDS."

MEDEWERKERS.

HET WOORD EEN LEVEND WEZEN.

DE GROEP VALT UITEEN.

HUWELIJK.

ER IS MAAR EEN GOEDE RICHTING.

KUNSTENAAR EN REFERENT.

ONZE HEDENDAAGSCHE LITERATUUR.

NEERDRUKKENDE KUNST.

KUNSTENAAR EN MAATSCHAPPIJ.

VERGETEN KUNSTENAARS.

OM LITERATUUR TE BEGRIJPEN….

HET PUBLIEK EN DE BOEKEN.

"MEN" OORDEELT NIET ARTISTIEK.

ALBERT VERWEY

ALBERT VERWEY

SCHRIJVEN UIT LIEFHEBBERIJ.

"EEN JAAR OF WAT UIT MIJN JEUGD."

DR. DOORENBOS.

DE STROOMING VAN 1890.

DOEL VAN HET "TWEEMAANDEL. TIJDSCHRIFT."

OPRICHTING VAN "DE BEWEGING."

HET INNERLIJKE: GELIJK STREVEN OP ALLERLEI GEBIED.

DE GESCHIEDENIS VAN ZIJN WERK.

GEESTELIJKE KUNST.

DE ONZEGBAARHEID.

WIJ GAAN NAAR HET RELIGIEUSE.

DICHTER EN MAATSCHAPPIJ.

PROZA EN VERZEN.

HIJ BEHOEFT NIET ALTIJD IETS TE "VERTELLEN."

MAATSCHAPPIJ EN DICHTER.

STIJL.

DE TIJD VAN DE STIJLGEVING.

DE KUNSTENAAR "ALS ZOODANIG" EN ZIJN PERIODE.

WAT NIET GEZEGD KAN WORDEN.

FREDERIK VAN EEDEN

FREDERIK VAN EEDEN

HOE VAN EEDEN DE NIEUWE GIDSRICHTING BEGRIJPT.

LITERAIR DICHTERSCHAP EN MAATSCHAPPELIJK DICHTERSCHAP.

DE INVLOED VAN KLOOS MAAKTE DE NIEUWE RICHTING INDIVIDUALISTISCH.

NIETZSCHE EN MULTATULI.

TENDENZ-KUNST DAN?

ZIJ VERGETEN HUN MEESTER SHELLEY.

ALGEMEEN MENSCHELIJK STREVEN EN TAAL VERMOGEN.

HET KENMERK VAN VERKEERDE TENDENZ-LITERATUUR.

TOEN DE OOGEN HEM OPENGINGEN.

DRAMATISCH WERK.

KUNSTENAAR EN "DE MASSA."

DE WAARDE VAN PRESTIGE

DE MENSCHEN MOETEN GELEID WORDEN.

ZONDER VERBITTERING!

VAN EEDEN EN "DE NIEUWE TIJD."

PERSOONLIJKHEID.

ZIJ ZOEKEN DE GROOTE PERSOONLIJKHEID.

HET NIEUWE LUCHTSCHIP.

FRANS NETSCHER

FRANS NETSCHER

LETTERKUNDIG LEVEN IN DEN HAAG.

HOE NETSCHER TOT ZOLA KWAM.

EERSTE WERK.

KARAKTER VAN HET EERSTE WERK.

SUCCES VAN HET NATURALISME.

HOE DE "WOORDKUNST" ONTVANGEN WERD.

JUSTUS VAN MAURIK

VAN EEDEN EN "HET SERVETJE."

AUTEURSVERDRIET.

NETSCHER TE PARYS.

THEORETISCHE STUDIE; HAAR NUT.

DE ROMAN "EGOISME."

DE HOLLANDSCHE REVUE.

NETSCHER OVER ONZE LITERATUUR.

DE ARTIST EN "HET OPENBARE LEVEN."

NETSCHER IN DE POLITIEK.

TOEKOMSTPLANNEN.

MARCELLUS EMANTS

MARCELLUS EMANTS

EMANTS' VEELZIJDIGHEID.

EMANTS ALS STUDENT.

DE BERGEN.

KUNSTENAAR EN MAATSCHAPPELIJK LEVEN.

HOE DE DINGEN HEM TREFFEN.

WAAROM HIJ ZIJN WERK PUBLICEERT.

HIJ KAN 'T NIET ANDERS.

ZIJN ONAFHANKELIJKHEID.

HET PESSIMISME. IS EMANTS SCHOPENHAUERIAAN?

PESSIMISME EN GEMOEDSTOESTAND.

HET FUTIELE VAN EEN LEVENSDOEL.

MOET MEN VOOR HET PESSIMISME PROPAGANDA MAKEN?

EMANTS EN HET SOCIALISTISCH IDEAAL.

"DE MOREELE IJSPERIODE."

LILITH EN LOKI DE EENIGE WERKEN DIE EEN WERELDBESCHOUWING BELICHAMEN.

EMANTS STREVEN NAAR OBJECTIVITEIT.

LILITH.

LOKI, HET INTELLECT.

"LOKI" GEEN EIGENLIJK SYMBOLISCH GEDICHT.

EMANTS EN DE "NIEUWE RICHTING."

HIJ WILDE ZICH ZELF BLIJVEN.

HIJ ZIET OOK THANS NIET IN, WELKE NIEUWE RICHTING HIJ HEEFT INGELEID.

DE OVERDREVEN VEREERING VAN DE WOORDKUNST.

GEEN ONSCHULDIGE GRAPPEN!

ER IS GEEN BIJHOUDEN AAN!

ZWAARMOEDIGE KUNST UIT MAATSCHAPPELIJK OOGPUNT.

EMANTS' ERVARINGEN MET EEN LUGUBER BOEK.

VOOR EN TEGEN VAN MENSCH-ONTLEDENDE LITERATUUR.

ZIJN LIEFSTE BOEKEN.

WAAROM HIJ DE "WOORDKUNST" VEROORDEELT.

ZIJN MODELLEN.

DOODE NATUUR EN GEKRENKTE MODELLEN.

AUG. VERMEYLEN

AUG. VERMEYLEN

KUNST EN LEVEN.

ZIJN STREVEN NAAR "PERFECTIE."

"DE WANDELENDE JOOD."

HET SCHRIJVEN ZELF.

VERMEYLEN OVER DE NOORD-NEDERLANDSCHE LITERATUUR.

SCHRIJVER EN PUBLIEK.

DE VLAAMSCHE BEWEGING VOOR '80.

BEWUST OPTREDEN VAN DE NIEUWERE RICHTING.

"JONG VLAANDEREN."

KLOOS EN DE VLAAMSCHE BEWEGING.

LETTERKUNDIG LEVEN TE BRUSSEL.

LOTGEVALLEN VAN "VAN NU EN STRAKS."

GEWIJZIGDE IDEEEN.

VERHOUDING TOT DE OUDEREN.

TWEEDE "VAN NU EN STRAKS." NIET UITSLUITEND LITERAIR.

WAARAAN "VAN NU EN STRAKS" ZIJN GROOTEN INVLOED DANKTE.

"VLAANDEREN."

PERSONEN.

HOLLANDSCHE INVLOED.

DE GEDACHTE ALS ZOODANIG.

GEMEENSCHAPSGEVOEL.

CONSCIENCE.

DE ECONOMISCHE ZIJDE VAN DE TAAL-QUAESTIE.

TOEKOMSTPLANNEN.

ILLUSTRATIES.

ILLUSTRATIES.

EEN ONDERZOEK NAAR EENIGE BEGINSELEN VAN DE "NIEUWE-GIDS"-SCHOOL
DOOR E. D'OLIVEIRA
HISTORIE VAN DIT BOEKJE.

Inhoudsopgave

De samensteller ging uit van de meening, dat een auteur,—al dient hij instinctief het schoone,—met name in onzen tijd zich bewust behoort te zijn van zijn positie als geestelijk leider, van de roeping zijnen artistiek voelenden medemenschen een beter leven, een waardige taak voor te houden met zijn Kunst.

Achter iedere uiting van taalkunst is derhalve een persoonlijkheid te zoeken, die vereerd wordt, wijl de tegenstelling tusschen Idee en Natuur, die den gemiddelden fijngevoeligen mensch kwelt, in hem—en onmiddellijk daarna in zijn kunst—tot verzoening is geraakt. Deze tegenstelling wordt in elke beschavingsperiode voelbaar in een vorm die voor deze periode typisch is:—de verzoening, die het echte kunstwerk vervult, is te beschouwen als voorbewuste levenswijsheid van een bepaalde Cultuur.

Treedt nu de criticus op in de eerste plaats als middellaar tusschen publiek en 's schrijvers persoonlijkheid, dan kan een deel van de samenleving zich aan diens leefkunst spiegelen:—voordat de wijsgeer ze tot voorbijgaand moment heeft gemaakt van een gedachtensysteem, dat—als zoodanig—het practische leven vliedt.

De schrijver zag in zijn omgeving elementen genoeg voor een samen-werking als hier geschetst. En de zuivere totstandkoming er van achtte hij een zoo groot beschavingsbelang, dat hij niet opzag tegen een langdurig en bewerkelijk onderzoek naar de mogelijkheid. In de eerste plaats ging hij tot "De mannen van '80", een stel auteurs, door het volksgeweten en door eigen keuze tot een groep gerekend, maar, zooals uit het vervolg wel blijken zal, met sterk uiteenloopende gezindheden … een "school" niettemin aan wier invloed thans geen pen-voerder van naam in ons land ontkomen is.

Hij stelde hun zijn vragen niet zoo beslist als hij—blijkens het boven weergegeven inzicht—wel kon: immers hij wilde weten, wie hunner "uit eigen beweging", krachtens persoonlijkheid en verleden, zijn taak als letterkundige opvatte gelijk hij zich die had voorgesteld.

Men bedenke ook, dat hij tegenover vreemden stond en niet rechtstreeks zijn vragen kon richten op 't allerintiemste van hun zieleleven en -overtuiging. Men wete verder, dat hij niet altijd verlof kreeg alles te vragen wat hem voor den mond kwam.

In de schetsen, die hij later van zijn gesprekken met deze geestelijke voorgangers vervaardigde, ontmoet men het vraagpunt waarvan hij uitging dan ook min of meer verbrokkeld. Maar in den eigenaardigen loop dien het onderhoud telkens nam—deze betoonde dit punt, gene een ander—kwam de geestesaanleg van den behandelden auteur getrouwelijk tot uiting. Het aandeel dat de ondervrager aan 't gesprek had werd slechts weergegeven, voor zooverre hij daadwerkelijk de leiding behield—wat hij liefst vermeed.

Het ware den samensteller gemakkelijker en wellicht aantrekkelijker geweest: zijn indrukken om te zetten in romantisch-getinte schetsjes van wat hij op zijn kunst-reis ondervond. Van begin af echter was er iets in hem dat zich daartegen verzette. En nu hij het geheel overziet, kan hij slechts dankbaar zijn, zich gebukt te hebben voor de overweging die hem drong op de zaak te letten en op niets als de zaak. Beter dan in andere omstandigheden kan nu de lezer zijn gedachten laten gaan over de boven-historische lijn, welke verbindt een Van Deyssel, die de eenzaamheid lief heeft; met een Emants, die in 't gemeenschaps-leven een "baantje" zoekt om zijn waarneming frisch te houden; en een Vermeylen, die gemeenschapstaak en artistieke wenschelijkheid niet gescheiden houdt; de lijn welke van een Van Deyssel, die de kunst wil om de kunst; gaat naar Emants, die 't taalschoon als "middel" tot allerscherpste verstandsuiting schijnt te voelen, en Vermeylen, die kunst een afspiegeling wil doen zijn van een "schoon en gezond leven". Door zijn rubriceering heeft de samensteller getracht: vergelijking uit andere gezichtspunten dan de hier aangeroerde van dienst te zijn. Maar de vraag, hoe elk schrijver dacht over de verhouding van zijn persoonlijkheid tot zijn werk en zijn invloed op de maatschappij: beheerschte de rangschikking van deze opstellen, welke stuk voor stuk het motto "Kunstenaar en Samenleving" tot ondertitel kunnen voeren.

Breedere uiteenzetting van verschillende beginselen ware geenszins onmogelijk geweest, misschien zelfs wenschelijk; de samenleving echter stelde, via den uitgever, zijn eischen aan den omvang van dit boekje. Ook is een poging om op een punt grondiger in te gaan mislukt, doordien de heer Alberdingk Thijm in de gelegenheid was, mij gedurende de voorbereiding van dezen herdruk te ontvangen. Maar de oplettende lezer vindt van ieder der hier behandelde schrijvers een schoone, gevoelvolle waarheid: weergegeven in diens eigen woorden. Deze waarheid was de grondslag van al zijn streven. Wie ze begrijpt is nader gebracht tot 's schrijvers werk en bedoelingen.

Deze opstellen maken aanspraak op den roep van groote nauwkeurigheid en onpartijdigheid. Intusschen acht ik mij bij dezen tweeden druk verplicht, ernstig te waarschuwen tegen de dwaling, dat hier eigenlijk een verslaggever doende is, die met vaardig stift meeningen en opmerkingen, al interviewend, genoteerd heeft en deze nu kalmweg met wat draperie er om heen zijn ietwat gehaaste lezers voorzet. Ik ken de oorzaken van deze schromelijke vergissing en zal haar verder niet aanvechten. Liever gedenk ik hier een vriendelijk lezer, die mij een exemplaar van dit boekje voorlegde, doorspekt met cijfertjes en verwijzingen, en mij toonde hoe hij iederen uitspraak van den eenen schrijver (zelfs uitspraken die aanvankelijk van weinig beteekenis schenen) had getoetst aan overeenkomstige gedachten van alle anderen. Wie zijn inzicht wil verrijken in de mate welke dit bescheiden boekje geven kan, hij volge dit voorbeeld! Hij zal zien dat hij hier te doen heeft met een geheel, dat door talrijke vezeltjes wordt saamgehouden,—ook al heb ik mij beijverd, ieder onderdeel zelfstandig te laten.

Bijna zonder uitzondering hebben de hier sprekend voorgestelde schrijvers mij, ongevraagd, hun instemming met mijn schetsjes (die zij uit handschrift of drukproef kenden) doen blijken. Behalve Netscher (die alles aan mij overliet) hebben allen mij raad en voorlichting gegeven, waar ik in woordkeus of in nuanceering van een bepaald standpunt soms twijfelde. De ter zake kundige lezer weet hoe een klein woordje te onpas aangebracht of weggelaten een heelen zin dood kan maken of … laten; hij zal dan ook de waarde van deze hulp ten volle kunnen waardeeren en ook de mate van mijn erkentelijkheid.

Ik ben gelukkig met de sympathie, die de in dit boekje begonnen taak bij onze geestelijke leiders heeft gevonden; aan deze sympathie heb ik het zeker voor een deel te danken, dat deze grooten mij—leerling—zoo uitvoerig te woord hebben willen staan.

Heb ik—ten slotte—gevonden wat ik eigenlijk zocht? De vraag beantwoordt zichzelf. Indien alles precies zoo ware ingericht als ik persoonlijk het wenschte, (daar schrijvers deze eigenaardigheid hebben, dat ze hun meening … niet voor zich houden, ware dit mij zeker niet verborgen gebleven)—dan hadd' ik met mijn onderzoekingstocht nooit een begin gemaakt. In hoeverre het geestelijk leven van onze natie aan mijn schema beantwoord, de lezer beoordeele dit voorloopig zelf. Aan het slot van een eerlang te verschijnen vervolg, dat een latere schrijvers- "generatie" zal behandelen en dat ook een synthese van het geheel zal bevatten, hoop ik mijn meening hierover duidelijk te zeggen. Doch reeds nu vinde hier de verzekering plaats, dat ik de weken, aan deze kunst-reis besteed, tot de zeer gelukkige in mijn leven tel.

D'OLIVEIRA.
LODEWIJK VAN DEYSSEL

Inhoudsopgave

[Illustratie: K. J. L. ALBERDINGK THIJM (Lodewijk van Deyssel)]

K.J.L. ALBERDINGK THIJM

Inhoudsopgave

(LODEWIJK VAN DEYSSEL)

Baarn.

"Hoe vaart u, meneer? Aangenaam u te zien. Heeft u den weg alleen kunnen vinden? Een kruier genomen, zegt u? Wel, dat is aardig. Ja, u hebt gelijk, ik woon hier wel wat afgelegen. Maar ik zal u straks een weg aanwijzen … die is misschien wel een beetje langer, maar die heeft 't voordeel, dat u niet missen kunt…. Zoo, wilt u nu misschien even mee komen?"

EERSTE INDRUK.

Inhoudsopgave

Ik had mij gedroomd den Van Deyssel van de portretten, den tot zich zelf gekeerden, met donkeren blik en borsteligen baard…. Ik had gedacht, dat hij onbeweeglijk zou tronen in het halfduister van een wijd vertrek met lood-gevatte ruitjes en langs de wanden hooge boekenstapels. Stil zou hij daar zitten aan zijn breede tafel, de nerveuse hand slechts even heffend uit zijn baard, om mij met een korten, forschen wenk een plaats te wijzen … dan weer zonder spraak, norsch wachtend tot ik wat zou zeggen…. De eenzame, die zoo hatelijk kan zijn als een koude stormnacht, die kan grijnzen als een satan en die een poosje later, neen! tegelijkertijd, kan glimlachen zoo innig als een eerste lentemorgen en de zon kan aanroepen als een kweelend vogeltje, dat licht omhoog zich werpt in de wazige lucht….

En was dat nu Van Deyssel? die vriendelijke, voorkomende, gezellig babbelende heer, met zijn stijven knevel en zijn netjes gladgeschoren kaken?

—"Zoo, wilt u nu misschien even mee naar boven komen? Ik zal u maar voorgaan, niet waar? Past u op, het is hier wat donker, en voordat u in de gang komt, moet u nog een treedje op. Bent u er? Prachtig. Nu hier maar binnen."

Als men in Van Deyssel's werkkamer komt is men niet heelemaal op zijn gemak. Men voelt zich beklemd bij de gedachte aan den taaien strijd, die hier zoo vaak werd gestreden, en men verbeeldt zich … luister!… "Toen ben ik gaan wezen alleen met mij zelf, en heb mij in wanhoop bekend, dat ik de gedachte nooit zou zien, haar nooit zou weten en kennen, nooit, nooit voor mij de gedachte…. Ik houd van schrijvers, die lang-uit erge mooie, errege groote zaken schrijven, van schrijvers met volumineuze, dikke, breede, zware zinnen…. Ik houd van woorden, die op mij aanstormen … als … kom eens hier, Janneman … je bent heelemaal niet geleerd…."—men verbeeldt zich, dat er van onder het gele lampe-schijnsel fragmenten van zinnen en rythme van zwaar-gehouwen proza, verward, vaag, onwezenlijk komen aangemurmeld.

En al heb je nu ook jaren verlangd eens een enkel keertje bij hem, bij hem, te mogen zijn, heelemaal op je gemak voel je je niet. Maar….

"Gaat u toch zitten. Wou u wat meer in het licht komen? Om aanteekeningen te maken? Zoo, dat is heel aardig. U doe maar! Een sigaar? Nee, ik vind uw vragen niet onbescheiden…. Welnee, heelemaal niet. Vraag u maar gerust."

En je bent plotseling verlost van je beklemming, en zoo blij, zoo blij!

Dan Van Deyssel, doodkalm, met een vriendelijk gezicht aan het vertellen. Van tijd tot tijd komt hij bijna in opwinding. Niet heelemaal … want dat doet-ie niet in gezelschap. Maar een klein beetje. Als het zoover met hem is, buigt hij voorover uit zijn leunstoel en slaat zijn zware witte hand driftig op en neer:

VAN DEYSSEL'S DEBUUT.

Inhoudsopgave

"Ik ben van een familie van auteurs. Ik zag mijn vader altijd schrijven, en toen ben ik het ook maar gaan probeeren. En toen was er … wacht eens, in welk jaar was dat? … in '79 of '80 zoowat, toen verscheen er…. U moet weten, mijn vader had een tijdschrift: "De Dietsche Warande" … en ik had veel Fransche auteurs gelezen…. En toen kwam er in 'n ander tijdschrift een artikel van dr. Schaepman; tegen Victor Hugo was dat gesteld. Ik was toen zestien jaar … ik voelde mij juist een groot bewonderaar van Hugo…. Toen voelde ik mij geroepen, om daar een lang artikel tegen in te gaan schrijven: "De eer der Fransche meesters". Bij die gelegenheid bracht ik ook den naam Van Deyssel in de wereld. Mijn artikel lokte heel wat polemiek uit; niemand wist van wien het was en de grappigste veronderstellingen liepen daarover. Ik was toen nog heel jong feitelijk, en aan mij dacht niemand. Op mijn verdediging kwam natuurlijk weer een antwoord; de zaak trok de aandacht van de pers, tijdschriftartikelen en brochures werden geschreven en de geschiedenis heeft wel een jaar geduurd.

"Dat was een aardig debuut … ja … omdat sommige menschen dachten, dat mijn vader het was … en daardoor werd er meer werk van gemaakt dan anders misschien wel het geval zou geweest zijn. Die "Dietsche Warande" had maar heel weinig abonne's en verscheen niet eens op gezette tijden. Nu, als er dan eens wat byzonders in stond, dan had mijn vader het gedaan, dachten de menschen. Die dr. Schaepman heeft in sommige van zijn artikelen alleraardigste beelden gebruikt. Zoo wist hij b.v. te vertellen, dat ik "den pauwstaart van mijn ijdele belezenheid had uitgezet" en toen ik mij over Bossuet, u weet: de zeventiend' eeuwsche Fransche prediker, toen ik mij daar in minder prijzende woorden over had uitgelaten, schreef hij, dat ik "het hondje speelde tegen monumenten."

"Nu, dat is toen altijd zoo door blijven gaan. De menschen vonden mijn schrijverij blijkbaar heel aardig—en ik werd verschrikkelijk hoogmoedig, "'t Zal dan wel je roeping zijn en zoo moet het maar blijven," dacht ik.

"Toen leerde ik kennen, degenen die redacteur van de "Nieuwe Gids" zijn geweest. Dat was in 1882. Het eerst Van der Goes, u weet wel, die later socialist is geworden. Dat was hij toen nog niet … dat begon pas een jaar of tien daarna."

"EEN LIEFDE."

Inhoudsopgave

Mijn eerste roman "Een Liefde", ben ik begonnen op zeventienjarigen leeftijd. Ik heb daar heel lang over geschreven en hij is bij tusschenpoozen ontstaan. Daar heb ik, op verschillende tijdperken, aan gewerkt van mijn zeventiende tot mijn een-en-twintigste jaar zoowat. Van 1881 tot 1885.

Ja, dat is heelemaal verzonnen. Het spreekt van zelf, dat je bij het scheppen van je personages wel eens denkt aan menschen, die je hebt ontmoet of aan dingen, die je hebt gezien. Dat gaat nu eenmaal niet anders. En bovendien, ik wilde de dingen vertellen, wel niet zooals ze waren gebeurd, maar dan toch zooals ze zouden kunnen gebeuren.

IMPRESSIONISME.

Inhoudsopgave

Mijn bedoeling was: te geven "Impressionisme in de literatuur", zooals ik het genoemd heb. Vooral voor het plastische gedeelte dan. Dat idee is vooral bereikt in het dertiende hoofdstuk. Wat de lengte betreft, is dat zonder eenige verhouding tot de andere hoofdstukken. Die manier van schrijven brak toen als 't ware los.

Frans Netscher was toen dien kant al opgegaan. Die schreef toentertijd heel mooie novellen in dien trant. Hij was stenograaf in de Tweede Kamer, en ik herinner me dat juist, omdat hij in een van zijn opstellen de Tweede Kamer beschreef. Dat trof mij sterk, dat boekje van dien Netscher, want ik voelde verwantschap met wat ik zelf wou. In de "Amsterdammer" van 1881 heb ik toen nog een stukje geschreven om er de aandacht op te vestigen. Het bundeltje heette: "Studies naar het naakt model". Het was wel niet precies mijn bedoeling, maar het ging toch in dezelfde richting.

Ik dweepte in die dagen met Zola. En toch wilde ik heel wat anders doen dan hij gedaan had. Ik wilde mijn werk locaal-Hollandsch maken en mijn verwantschap toonen met de groote negentiend' eeuwsche schilderkunst.

Mijn psychologie komt langs den weg van observatie en gedachte. Ik heb er nooit wetenschappelijk-psychologische werken voor bestudeerd. De schrijvers van wetenschappelijke boeken op dit gebied, de geneeskundigen, ontleenen hun stof toch voor een groot gedeelte aan romanschrijvers….

DE "ONVOEGZAAMHEDEN" IN "EEN LIEFDE."

Inhoudsopgave

Mijn eerste boek dan, werd uitstekend ontvangen. Het was maar een kleine oplaag, 500 exemplaren geloof ik, maar zij was dan ook in eenige maanden uitverkocht. Ja, wat nu de critiek betreft, er stonden in mijn roman enkele … onvoegzaamheden. Om mijn theorie te doen zegevieren, had ik allerlei zaken zonder de minste schuchterheid behandeld. Maar ik denk, dat mijn uitgever het handschrift aanvaard had, zonder het eerst eens door te lezen. Ik had al eenige bekendheid als weekblad-schrijver: "Een Liefde" verscheen in het najaar van 1887, en van 1882 af had ik al aan journalistiek gedaan. Nu zagen de menschen er een manifestatie in van den bekenden weekblad-schrijver en iets geheel nieuws in de literatuur. Ook had ik in 't voorjaar van 1886 een brochure doen verschijnen, het bekende geschriftje "Over Literatuur", en dat kan beschouwd worden als een soort van inleiding, een introductie tot mijn grooter werk, dat daarin dan ook al aangekondigd werd. De uitgever was er door mijn bekendheid min of meer ingeloopen en dat merkte hij al heel gauw. Want zijn confraters lieten hem geen rust … ze toonden zich byzonder boos over de nog nooit vertoonde vrijheid in de schildering van zekere toestanden, die ik me had veroorloofd en die hij de wereld had ingestuurd. Toen ik nu bij hem aanklopte om een tweeden druk, wou hij daar zoo gemakkelijk niet toe overgaan en liet niets van zich hooren. Eenige jaren later kocht de firma Scheltema & Holkema 'n paar fondsartikelen van mijn uitgever … daar was mijn werk ook bij, en bij die gelegenheid heb ik eenige plaatsen niet omgewerkt, maar geschrapt … en dat niet zoozeer onder aandrang van het publiek, zooals men wel eens beweert, maar omdat ik het zelf veel beter zoo vond. Die plaatsen detoneerden uit 'n letterkundig oogpunt beschouwd, ze leken mij niet in overeenstemming met 'n goeden literairen smaak. En dat komt precies uit! Ik heb u immers al verteld, waarom ik zoo erg vrij was geweest in mijn manier van schrijven, in de keuze van de onderwerpen, die ik gedetailleerd beschreef? Niet? Louter en alleen om de theorie te demonstreeren. Ik was nog in mijn prille jeugd, toen ik daarmee begon. En precies om die reden viel het mij wel gemakkelijk, afstand te doen van sommige passages, die ik, letterkundig gesproken, fout vond.

Mijn liefde voor Zola bleef natuurlijk, hoewel de vurige bewondering zich langzamerhand had omgezet in hoogachting.

Mijn roman "De Kleine Republiek" is van niet veel later. Hij werd geschreven in 1888 en mijn bedoeling was toen nog altijd dezelfde gebleven: het impressionisme te brengen in de literatuur. Het groote verschil met "Een Liefde" zit hem wel hierin, geloof ik, dat er in mijn tweede boek minder hoogten en laagten voorkomen. Het is meer egaal gebleven. Voor wie houdt van hooge, vurige opwellingen, voor die is "Een Liefde" weer aardiger. Maar in "De Kleine Republiek" is het evenwicht meer bereikt, zou ik zeggen.

L'ART POUR L'ART.

Inhoudsopgave

Ik heb altijd willen geven: de kunst om de kunst zelf. Dat is naar mijn meening ook wat een componist, een schilder, een beeldhouwer bedoelt met zijn werk. Ik heb mij altijd beschouwd als geboren proza-schrijver, en voor het maken van verzen, zelfs van vrije verzen, heb ik nooit veel gevoeld. Toch geloof ik zeker, dat sommige kunstenaars zich beter uitdrukken in vormen, die al bestaan … Ik kan dat het best vergelijken met dansen. Op enkele uitzonderingen na, bestaan de gebruikelijke dansen al. En iemand, waarvan men in het algemeen zegt, dat hij mooi danst, is iemand, die bestaande dansen uitmuntend uitvoert.

VAN DEYSSEL GEZELLIG.

Inhoudsopgave

"Mag ik u nog een kopje thee inschenken? Dit is zeker uw kopje? Wat? hebt u nog geen thee gehad? Heb ik vergeten u te geven? Och, wat spijt me dat."

—"Ik zou van deze gelegenheid om u te onderbreken wel graag gebruik maken om u een paar vragen te stellen. Hebt u wel eens moeite gehad met uitgevers? Moeite in den ruimsten zin des woords?"

"Jawel. Met mijn eerste boek niet. Dat was, zooals ik u al zei, direct geplaatst. Dat kwam door mijn bekendheid. Niet doordat de uitgever het erg eens was met mijn richting in de literatuur. De man dacht: "Hij is bekend, en hij zal dus wel goed van de hand gaan."

"Maar met mijn tweede boek heb ik een verschrikkelijke lijdensgeschiedenis beleefd. Ik weet niet meer, wie mij dien raad gegeven heeft, maar ik ben er mee gegaan naar een klein uitgevertje, zijn naam schiet me nu niet juist te binnen, en ik heb mijn werk doen uitgeven voor eigen rekening. De man was eigenlijk meer drukker dan uitgever. Ik woonde toen in Belgie en alles werd per correspondentie gedaan. Dat ging uitstekend: de proeven kreeg ik tijdig en het boek verscheen ook op zijn tijd: Maar op een gegeven oogenblik, meneer, kreeg ik drie brieven van menschen, die het boek wilden koopen, en het nergens krijgen konden. En de uitgever beweerde, dat het was uitverkocht. Ik vond dat heel aardig, en vroeg hem een afrekening. Hij gaf mij een overzicht, goed en wel, maar dat ding kwam in de verste verte niet uit. De helft van de exemplaren was maar vermeld. Toen ben ik naar hem toegegaan, en ik vond stapels bestellingen liggen, die hij niet had uitgevoerd. Het was 's mans vak ook niet. En ik moest er een advokaat bij halen, die er per slot van rekening nog niets van terecht bracht. Later is het boek ook bij Scheltema & Holkema gekomen."

Van Deyssel's spreektaal heeft iets eentonigs, iets byzonder gewoons. Als men in gesprek met hem is, merkt men niets van zijn geweldig vermogen: de woorden precies op hun plaats te zetten, niets van de rake woordkeus, die zijn geschriften kenmerkt, niets ook van zijn kwistigen woorden-rijkdom. Mij dunkt, hij kan geen goed redenaar zijn, en niet de gesproken geluiden heeft hij in zijn macht, maar de innerlijke klanken, die niet worden uitgegalmd. Hij heeft, als veel schrijvers, het zich tot gewoonte gemaakt: conventioneele uitdrukkingen te vermijden, nieuwe woordgroepen te zoeken, altijd maar nieuwe woordverbindingen, die in kleur overeenkomen met de dingen en de gedachten, die hij wil beelden. Dit geeft zijn manier van zeggen een karakter van onbestemdheid: men voelt aanhoudend en zeer diep: dat hij aan het tasten is, dat het ieder oogenblik kan hokken … men wordt ongerust. En toen ik daar voor hem zat, en dit nog niet had overdacht … wilt ge wel gelooven, lezer, dat ik soms meende: den echten Van Deyssel niet te zien?

—"Ik had mij u eigenlijk heel anders voorgesteld," begon ik. "En ik denk wel, dat heel veel menschen zich een ander idee van u maken, dan ik hun nu zal kunnen geven."

DE "OUDE" VAN DEYSSEL.

Inhoudsopgave

"De menschen kennen mij uit mijn hartstochtelijke periode. Uit den tijd, dat je iedereen, die niet werkt naar je zin, beschouwt als aanrander van het ideaal. Ieder, die den hartstocht voor het schoone in zich heeft, zal mijn woestheid van vroeger verontschuldigen niet alleen, maar ook begrijpen, dat het goed is: de menschen zoo eens te lijf te gaan…. Is dat nu werkelijk waar, wat u zegt? Zijn er menschen, die denken, dat ik niet kan lachen? U leert mij nu toch wel van een andere zijde kennen, nietwaar? En bovendien, er zijn, meen ik, in mijn "Verzamelde Opstellen" toch wel artikelen, waar vroolijke zetten in voorkomen. Maar die zal men dan zeker beschouwen als een kwaadaardig grijnzen, en het heeft er dan ook soms wel iets van…. O, in mijn jeugd heb ik wel tijden gekend, dat ik heel weinig lachte. Toen was ik vervuld van een heiligen ernst, en dat is ook mooi…."

—"Bent u overigens van oordeel, dat men uw optreden juist geapprecieerd heeft?"

"Ik weet het niet. Ik spreek zoo weinig menschen. Het is mij niet zoo dikwijls gebeurd, een lezer te ontmoeten, die buiten de literatuur en buiten de pers staat. Maar als je wel eens zoo'n gewonen doorsnee-lezer spreekt, dan krijg je de wonderlijkste dingen te hooren. Dan merk je wel, dat je boeken met een heel ander idee gelezen worden, dan je er zelf in wilde leggen. Iedereen denkt, dat ik iets wil propageeren, buiten de kunst als zoodanig om. Toen ik de "Kleine Republiek" deed verschijnen, vroegen de menschen mij: "O, u is zeker tegen kostscholen?" Omdat ik in mijn werk een kostschool op een realistische manier had beschreven. Dat is absoluut onjuist. Dan zou ik tegen alles zijn, ten slotte. Ik zeg ook niet, dat ik voorstander ben van kostscholen, maar ik beweer, dat het een heel andere quaestie is."

SCHRIJVER EN PUBLIEK.

Inhoudsopgave

Het blijkt mij, dat men mij leest om de vreemdste redenen. Als ze een roman niet lezen om de tendenz, dat komt het meeste voor, dan doen ze het om eens te verifieeren of sommige plekken in ons land, waar ze ook geweest zijn, overeenstemmen met mijn beschrijvingen. Of het uitkomt, begrijpt u? Net als de menschen, die een museum bezoeken om te kijken of de beenen van een figuur op een schilderij te lang zijn, en of de kostuums wel overeenkomen met een opgave, die ze in een geschiedenisboek hebben gevonden. Zoo heeft een criticus van mijn werk "Een Liefde" opgemerkt, dat ik daarin vermeld een kind, dat ik liet spreken toen het pas een maand of zes was. U moet goed begrijpen, wat ik nu zeggen ga:

Ik acht het niet wenschelijk, dat zoo iets voorkomt in een roman. Maar ik vind, dat het er uit een oogpunt van kunst heelemaal niet toe doet. Zoo iets kan ik een zeer oppervlakkige fout noemen, een kleine onjuistheid. Maar het is er heelemaal niet om te doen, een zoo correct mogelijk samenstel van dergelijke feiten te geven. Het is mij er om te doen, den lezer een reeks tafereelen te vertellen, die hem als voorstelling in zijn verbeelding aangenaam moeten aandoen. Het is natuurlijk ook wel heel aardig als er geen drukfouten voorkomen in een roman, maar ik vraag u, doet een drukfout, of doen honderd drukfouten in een boek iets af of toe aan de kunstwaarde er van? Ik schrijf om de menschen hoog genoegen te verschaffen. En wanneer ik nu wel eens heel moeilijke dingen schrijf, met vreemde, wellicht verwrongen woordverbindingen dan moet men daar niet uit afleiden, dat het publiek mij niet kan schelen en dat ik dat alles maar voor mij zelf en alleen voor mij zelf doe, of uitsluitend voor de literatoren.

EERST MOET ZIJN WERK HEM GENOT SCHENKEN.

Inhoudsopgave

"Maar, indien ik van mijn werk wil verwachten, dat het anderen genot verschaft, dan moet ik eerst zelf van dat werk een groot genot ondervinden. En is het eenmaal zoo ver, dan zend ik het de wereld in, in de hoop, dat er zooveel mogelijk anderen zijn, die er evenveel genoegen aan zullen beleven."

—"Maar voelt u er dan niets voor, den kring van de menschen, die u begrijpen, wijder te maken, door uw stijl wat eenvoudig te houden, of, vergeef mij die uitdrukking, een beetje te menageeren?"

"Zeker voel ik daarvoor en ik heb met dat idee zelfs een heel boek geschreven. Ik bedoel de "Biografie" van mijn vader. Ik meen, dat ieder, die het leest, ieder woordje zal kunnen begrijpen. Ik wil dat ook wel altijd doen, voor zoover het overeen zou komen met mijn kunstinzicht. Maar ik ben overtuigd, dat ik daar niets voor mag opofferen, en mijn kunstwerk moet overeenkomen met wat ik zou schrijven: indien ik alleen op de wereld stond.

"In den laatsten tijd heb ik geschreven een menigte schetsen, die men "Adriaantjes" is gaan noemen. Daar komen geen gewrongen woordvormen in voor, en toch vinden veel menschen ze verschrikkelijk vervelend. Daarin geef ik bij voorbeeld bladzijden lang de beschrijving van zoo een tafel. Dat is de meest volstrekte toepassing van het "De kunst om de kunst", om zoo te zeggen. Men kan dit werk alleen goedvinden, wanneer men ze uit een oogpunt van kunst beschouwt.

"Op 'n tentoonstelling van "Arti" heb ik eens gezien een schilderij, dat voorstelde een stuk hei, met niets er op: Geen tafereelen, geen kind, dat afscheid neemt van zijn moeder, geen figuren, geen lammetje, geen koetje, geen herder, geen hondje … niets. En toch vond ik dat doek het mooiste van de heele tentoonstelling. Dergelijke ideeen nu heb ik ook, wanneer ik bladzijden lang zoo een tafel beschrijf."

DE "GRENZEN" VAN LETTER- EN SCHILDERKUNST.

Inhoudsopgave

"Nu is het nog een heel aardige quaestie, hoeverre mijn theoretisch begrip in de literatuur gewenscht is:—De kunstenaar beweegt zich volgens mij niet binnen zekere grenzen. Het is mijn idee, dat men b.v. in de letterkunde evengoed schilderen mag als het er op aankomt. De beeldhouwer Rodin heeft eens gemaakt een beeld van Balzac, en daarvan werd gezegd: "Het is geen beeldhouwkunst, want een beeld moet aan alle kanten afgerond zijn". Dit nu boezemt mij geen belang in. Het werkstuk van Rodin geeft mij een heerlijken indruk en of het nu beeldhouwwerk is of niet, dat kan mij niet verder schelen. Het is iets moois en laat het nu uit 'n oogpunt van theorie een fout zijn, dan beweer ik, dat het is een allergelukkigste fout".

—"Wat denkt u van onze literatuur op het oogenblik?"

"Dat is zoo gauw niet te zeggen. Ik zie om te beginnen geen afscheiding tusschen wat men is gaan noemen de generatie van 1880 en die van 1890 of 1900. Het is mij niet duidelijk, dat daar markant verschil tusschen zou zijn in bedoeling en prestatie".

—"Als ik u dan eens een groep mag opnoemen; wat denkt u van de "Nieuwe

Tijd"-groep."

DE SOCIALISTISCHE DICHTERS.

Inhoudsopgave

"Ik geloof, dat daar uitstekende talenten bij zijn. Neem b.v. Gorter. Of neem een nieuwen bundel van mevrouw Roland Holst, die ik juist bezig ben te bestudeeren: "Opwaartsche wegen". Dat is werkelijk heel mooi. En ik voel verschrikkelijk veel voor de dichters van de "Nieuwe Tijd". Niet, dat ik socialist zou zijn. Ik ben niets van dien aard, en allerminst een socialist. U herinnert u, dat ik daar indertijd een groote polemiek over had met Van der Goes. Nu, ik denk er nog zoo over. Ik bewonder in hooge mate de dichtkunst van Gorter en zijn vrienden.[1] Maar ik ben van meening, dat zij even mooie poezie zouden geven als ze hun leven aan iets anders hadden geschonken. Ik geloof, dat ze ons altijd poezie, en even goede poezie, zouden voortbrengen, in welke beweging ze zich ook zouden bevinden. De keuze van hun onderwerp zou anders zijn, de aard van de uitbeelding dezelfde."

—"Wat denkt u van die schrijvers, die in de gewone woorden van het dagelijksche leven, de menschen en toestanden beschrijven, die zij hebben waargenomen? zonder de bedoeling iets moois te maken, en dikwijls met het uitdrukkelijk voornemen niet "literair" of "artistiek" te zijn."

[1] Zie blz. 89.

ZEKERE "SCHETSEN"-SCHRIJVERS.

Inhoudsopgave

"Ik geloof, dat men heel goed, zonder nieuwe woordvormen te maken, goeie kunst kan produceeren. Men kan ook kunst voortbrengen zonder er zich bepaald op toe te leggen. Een zin van zoo'n schrijver kan toch dikwijls een bepaald rythme hebben, hetzij dat dit er met bewustzijn in wordt gelegd, hetzij dat het vanzelf uit den auteur opwelt."

TENDENZ-KUNST.

Inhoudsopgave

"Deze schrijvers zullen blijvenden invloed hebben op onze literatuur, zoolang ze, in weerwil van het niet begeeren, toch, huns ondanks, kunst geven. Neem b.v. Heyermans. Die is, volgens mijn meening, een van onze beste kunstenaars. Die schrijft ook met een strekking. En het kan zelfs zijn: dat die strekking invloed oefent op zijn manier van uitbeelden, invloed ten goede wil ik zeggen…. Maar dat kan ik niet nagaan. Dat speelt zich in zijn binnenste af. Ik wil alleen maar zeggen, dat tendentieuse kunst ook goede kunst kan zijn."

—"Een laatste vraag! Zullen wij binnenkort nog een uitvoerig werk van u krijgen?"

HOE HIJ WERKT.

Inhoudsopgave

"Ik werk heel vreemd. Aan de meeste dingen ben ik mijn heele leven bezig. En ik publiceer ze bij gedeelten. Dat gaat zoo maar altijd door; b.v. ik zal een drama beginnen. Daar werk ik eenigen tijd aan, maar het bevalt mij heelemaal niet. Dan leg ik het opzij. Maar een poosje later neem ik het weer op, en werk het over. Dat gaat heel onregelmatig. En als ik na een poosje zoo'n stuk in handen krijg, dan kan het mij gebeuren, dat ik denk: Het was toch zoo kwaad niet. Zoo zijn mijn meeste werken door mijn geheele leven geborduurd. Bijna niets heb ik aan een stuk geschreven.

"Soms heb ik wel eens lust: mij geheel in eenzaamheid terug te trekken, geen enkel persoon te spreken en heel in de stilte verder te werken. Ik heb dat vroeger wel eens gedaan. Toen woonde ik in Belgie, in Luxemburg, acht maanden lang boven op een hoogen berg, midden in de sneeuw. Toen stond ik voor dag en dauw op: 's morgens om een uur of zes had ik al een heel stuk geschreven doorgaans. Maar ik bewoog mij toen ook veel in de open lucht. Dat moet je doen, anders wordt de eenzaamheid gevaarlijk. In dien tijd heb ik mijn "Kleine Republiek" geschreven. Ik zeg u dit om u te doen begrijpen, hoeveel werkkracht de eenzaamheid mij geeft, en welk een gelijkmatigheid zij in mijn arbeid doet komen.

"Op dit oogenblik ben ik bezig aan een drama. Maar wanneer het verschijnt, weet ik niet. Ik moet het eerst opgevoerd krijgen, en ik weet niet of het mij lukken zal. Want dat is niet zoo gemakkelijk. Er komen allerlei vreemde decoraties aan te pas".

Toen zette ik een streep in mijn aan teekenboekje, want ik moest oppassen mijn trein niet te missen. Jammer, want de tong van den Meester werd losser, en ik voelde, dat ik diep genoeg in zijn persoon was doorgedrongen om hem door enkele korte vraagjes te brengen: tot het aanroeren van details, wier bespreking een zekere zenuwspanning vereischt. En die spanning, die gedachte-helderheid, leek mij aanwezig.

Maar ik moest weg. Nog enkele minuten waren mij gelaten. En ik vroeg hem of ik even om mij heen mocht kijken.

—Zeker! een aardig idee.

Het was maar een eenvoudige kamer. In het midden een zeer groote tafel met groen laken bekleed. Daarop: dubbele boekenrij. Veel boeken langs de wanden en in de hooge vensternissen. Ook een ruw-houten behangerstafel: plank op schragen, met bundels papieren. Een simpele olielamp verlichtte het geheel. De wanden stonden in schemer en vaag onderscheidde ik een witte vrouwe-buste in een hoek. Achter mij op den oud-Hollandschen schouw een terra-cotta relief, dat beeldde een mannekop met hoekigen schedelbouw en stuggen baard: Den echten Van Deyssel, zou ik gezegd hebben….

… Indien de meneer in den trijpen voltaire, de vriendelijke meneer, met zijn netjes geschoren kaken en zijn stijve snorren, niet reeds lang de "echte" Van Deyssel voor mij was geworden.

Toen stapte ik het treedje, waarvoor ik begin van den avond had moeten oppassen, weer af, liet mij door den Meester brengen op den weg, die "het voordeel heeft, dat men hem niet missen kan". We gingen langs een smal zandpad, en hij gaf mij duwtjes, en trekjes aan mijn mouw, om mij niet te doen afdwalen. "U moet maar naar boven kijken," zei hij nog. "Geen beter middel om op het pad te blijven".

Het was zeer donker om ons heen. Tusschen de boomtoppen, denne-toppen, werd ik vaagjes 't diepe hemelblauw gewaar. Van den weg viel niets te onderscheiden.

Ook van den Meester niet. En dat vond ik maar heel goed ook, want dat Van Deyssel … zie je: Van Deyssel; zijn tijd gebruikte, om mij iets te wijzen, dat ik waarschijnlijk met wat moeite zelf wel hadd' gevonden … dat kon ik toch niet goed zetten. En hoewel ik zeer had genoten in zijn bijzijn, voelde ik mij verlicht, toen hij mij zijn hand tot afscheid bood. Zijn zware schrijvershand.

En ik sloeg den weg in, "dien men niet missen kan"….

Бесплатный фрагмент закончился.

179,29 ₽
Возрастное ограничение:
0+
Дата выхода на Литрес:
16 января 2025
Объем:
140 стр. 1 иллюстрация
ISBN:
4064066061005
Издатель:
Правообладатель:
Bookwire
Формат скачивания:

Похожие книги