Читать книгу: «Jeugdherinneringen»

Шрифт:

Jan Ligthart

Jeugdherinneringen


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066313517

Inhoudsopgave

DE BEWAARSCHOOL.

DE EERSTE LAGERE SCHOOL.

TUSSCHEN SCHOOL EN HUIS.

IN HUIS.

IN HUIS.

(VERVOLG.)

NOG IN HUIS.

STRAATJONGEN.

NOG STRAATJONGEN.

NÓG STRAATJONGEN.

KINDERKERK EN ZONDAGSSCHOOL.

VERANDERING.

DE TWEEDE LAGERE SCHOOL.

GOEDE SCHOOL.

JORDAANPAEDAGOGIEK.

IN 'T NIEUWE HUIS.

VAN EEN VLOEK EEN ZEGEN.

IN EEN NETTE BUURT.

MOEDER VERTELT.

IK WORD KWEEKELING.

SCHOONSTE VRUCHT.

Naar 't oud te-huis.

NASCHRIFT BIJ DEN TWEEDEN DRUK.

BIJ DEN DERDEN DRUK.

DE BEWAARSCHOOL.

Inhoudsopgave

Van mijn eerste levensjaren weet ik alleen iets door mededeelingen mijner moeder. Zij hield er van, ons veel te vertellen van haar eigen jeugd en ook van onze eigen lotgevallen. Daardoor weet ik, dat ik in een koekwinkel geboren ben—'t zal wel geweest zijn in de bedstede van de huis- en slaapkamer achter den koekwinkel—; dat ik een oude, deftige baker heb gehad, Baker Zandbrink, die alleen voorname diensten aannam, maar mijn moeder grootendeels uit vriendschap hielp; dat mijn tante Hendrika zoo dol op me was, dat ze altijd met me uit wou, en ik dan op haar arm zat te springen, en dat ze dan trotsch op me was, omdat de menschen me zoo'n mooi kind vonden; en dat ik mijn moeder driemaal een doodschrik op 't lijf heb gejaagd, door eenmaal van een hooge trap te vallen, een ander maal een erwt hoog in mijn neus te werken, en een derden keer een haaknaald in mijn keel te steken, zoodat niemand het geweerhaakte ding er uit kon halen, dan alleen de dokter, naar wien mijn moeder in haar angst met mij heen vluchtte. 'k Heb een flauwe herinnering, dat ik ook nog eens uit een fleschje terpentijn heb gedronken, maar dat weet ik niet precies meer.

Natuurlijk vertel ik deze dingen niet, omdat ze ook maar eenigermate belangrijk zouden zijn, maar alleen om te doen uitkomen, welke mededeelingen in mijn geheugen zijn gebleven. Duizend andere dingen heeft mijn moeder me zeker ook verteld, die ik nu totaal vergeten ben. En terwijl ik de namen van allerlei dingen en menschen, die ik later in 't geheugen prentte, met moeite vasthield en vaak weer losliet, is de naam van Baker Zandbrink, ofschoon nooit opzettelijk geleerd en gerepeteerd, ofschoon zeker in meer dan veertig jaren niet bewust geworden, mij steeds in alle stilte blijven vergezellen. Jammer, dat men in zulke namen niet geëxamineerd wordt: daar gebruikt de beschaving andere namen voor, die niet zoo dicht bij het kind liggen.

***

Mijn persoonlijke herinneringen gaan terug tot mijn derde of vierde jaar, tot mijn bewaarschool-periode. Ik ben achtereenvolgens op twee bewaarscholen geweest, waarvan ik mij enkele hoofdzaken nog goed kan voorstellen.

We woonden toen te Amsterdam in een kruidenierswinkel. Het hooge huis stond op den hoek van de Eglantiersgracht en de derde Eglantiersdwarsstraat. Van dat huis en de omgeving, van de geheele buurt weet ik nog bijna alles. Maar we hebben er ook zes à acht jaar gewoond, dus kan ik niet nagaan, uit welken leeftijd die beelden dagteekenen. De bewaarschool, althans de eerste, heb ik alleen in mijn derde of vierde jaar gezien, later niet meer, en ik weet nog precies, dat er binnen een, naar mijn meening, groote ruimte was, waar heel veel kinderen zaten—van de banken weet ik niets meer af—en dat aan 't eind van die ruimte een houten trapje naar een verhooging voerde, waarop, onder 't koffiedrinken, de juffrouw plaats nam aan een tafeltje. Ik heb nu nog den indruk, dat die juffrouw van haar hooge zitplaats ons heele rijk overzag en we dus niets ongerechtigs konden doen.

Van 't leeren weet ik niets meer, noch van vertellingen, noch van versjes. Mijn geheele leven in die school wordt vertegenwoordigd door maar één beeld: het koffieuurtje. De kinderen zitten omlaag, de juffrouw omhoog. Eer we beginnen te eten, roepen alle kinderen in dreuntoon: „Smakelijk eten, juffrouw Mina!” en de juffrouw antwoordt uit haar hoogte met vriendelijke bewaarschooljuffrouwstem, wat hoog van klank en zeer te-gemoet-tredend van toon: „Smakelijk eten, kindertjes!” Na afloop van het boterham-eten zeggen de kinderen: „Welvolkomen, juffrouw Mina!” Waarschijnlijk: „Wel bekome 't u, juffrouw Mina!” Maar in mijn ooren hoor ik nog thans het zeurend gezang van het heele kinderkoor: „Welvolkomen, juffrouw Mina!” En daarop weer de hooge, inborend welwillende stem van de juffrouw: „Welvolkomen, kindertjes!”

Er is zeker wel gebeden en gedankt in de bewaarschool, ook gezongen, maar ik weet er niets meer van. En ik vermoed, dat ik die koffietafel-beleefdheden alleen onthouden heb, doordat mijn oudere broers er mij thuis vaak mee plaagden. Die riepen telkens op zeurenden kindertoon en dan weer met piepende juffrouwen-stem door 't huis spottend na, wat daar in de bewaarschool zoo goed bedoeld en ernstig uitgevoerd werd. En zoo zijn zeker de fatsoenlijke manieren, die juffrouw Mina er bij ons inbracht, niet bewaard gebleven door haar welmeenenden ernst, maar door de onbarmhartige vroolijkheid van een paar ongevoelige spotters. Ik herinner me nog goed, dat die bespotting mij hinderde en wat pijn deed. De zaak was voor mij iets ernstigs, misschien alleen door den plechtigen dreun, maar toch, ze was met een ernstige stemming door mijn kindergemoed verweven, en ik voelde het als pijn, wanneer in dat weefsel gescheurd werd.

Den weg naar deze bewaarschool zie ik nog voor me. Eerst uit de huiskamer een trapje af naar den winkel. Dan den winkel door. Over de platte blauwe stoep. Nu op straat. Aanstonds de hooge brug over, die—we woonden immers op een hoekhuis—bijna vlak voor 't huis lag. En dan rechtsaf, de „gracht” op, dat is eigenlijk de kade langs de gracht. Bij 't woord gracht dachten wij nooit aan 't gegraven water, maar altijd aan de beide wegen ter weerszijden er van. Iemand woonde in onze taal nooit „aan”, maar op de gracht. De bewaarschool lag dus aan de overzijde van de gracht, rechts van de brug. Ik zie die „kleine steentjes” nog, het voetpad van klinkers, waarop we altijd liepen, vlak langs de stoepen der huizen. De „groote steenen”, de keien, lagen daarnaast, op den rijweg. Wanneer we naar school gingen, kregen we altijd de waarschuwing mee: „Op de kleine steentjes loopen, hoor!” en dan liepen we, dikwijls hand aan hand, op de kleine steentjes naar school, nadat mijn oudste zuster ons eerst de brug over had gebracht.

Om in school te komen, moesten we van de gracht af eerst een poortje en een met klinkers bestrate gang door. Hoe we uit die gang in 't schoollokaal kwamen, weet ik niet meer. Ik zie alleen de gang, en dan, zonder tusschenschakels, de schoolruimte met de hooge tribune voor Juffrouw Mina, deftiger genoemd: Mejuffrouw Gottman. Ook háár naam heeft in mijn geheugen een onvervreemdbare plaats.

Die weg naar school is voor mij éénmaal een kruisweg geweest. Niet door de school, want van die school herinner ik me niets onaangenaams. Maar....

Vóór mijn zesde jaar leed ik eenigen tijd aan bedwateren. Er zijn ook thans nog kinderen, die daaraan lijden. Daarom wil ik nauwkeurig mijn herinneringen betreffende die „ziekte” vertellen. Wellicht helpt het hen.

Ik geloof niet, dat mijn ouders, broers en zusters het toen voor een ziekte of een zwakte aanzagen. Sterk heb ik nog den indruk, dat men het mij als iets schandelijks verweet. Nog hoor ik me boos toevoegen: „Leelijke pis-in-bed.” En daarbij voelde ik mij zoo hulpeloos schuldig.

Men scheen te denken, dat ik uit luiheid maar in bed bleef liggen. Als ik maar niet zoo lui was, zou ik wel opstaan. Heel zeker weet ik echter, dat het niet zoo was. En dat weet ik zoo bizonder zeker door een droom, dien ik nooit vergeten ben.

Op de bewaarschool bij Juffrouw Mina was er voor de kleine jongetjes geen urinoir. Die moesten maar, op een binnenplaatsje, in een vierkant steenen putje wateren, dat waarschijnlijk in een riool uitliep. Nu droomde ik op een keer, dat ik bij dat steenen putje stond, maar er lag een groen geverfd houten deksel op. Ik moest toch zoo erg, maar ik durfde niet, om dat mooie, groene deksel. Maar ik kon het niet meer tegenhouden, en toen het eenmaal gebeurd was, werd ik met een schrik wakker. Een oogenblik was ik wanhopig en toen kroop ik diep weg onder de dekens, om me te verstoppen tegen de schande die straks weer zou losbreken.

Uit dit tijdperk heb ik herinneringen van diepgaande smart. Het maakte mij schuw en angstig. Er was geen vertrouwelijkheid tusschen de anderen en mij. Ik voelde mij een eenling, maar niet een prinsje, verdwaald onder menschen van de straat. Eer zoo iets als een ziek hondje, dat overal wegkruipt en dan nog uit de veilige hoekjes wordt weggeschopt. Nog zie ik dat kleine jongetje 's morgens in zijn nat hemdje rondloopen en hoor ik den grauw van deze of gene: „Ga weg, stinkende pis-in-bed.”

Nu moet men niet denken, dat mijn gezinsleden zoo harteloos waren. Wel het tegendeel. Ik had mijn moeder héél lief en heb haar verafgood. En mijn vader was ook een beste man. Over de jongere gezinsleden viel ook niet te klagen, maar een pis-in-bed was nu eenmaal een pis-in-bed, en die was een ellende, vooreerst voor het broertje, dat met hem in één bed moest slapen, dan voor de zuster, die elken dag de bedden moest afhalen en opmaken, en eindelijk voor moeder, die uit een leege linnenkast maar altijd schoone lakens moest krijgen. Hoe moest men dat kwaad bestrijden? Door schelden en slaan. Men wist niet beter. En zoo ging ik gebukt onder schande en angst voor klappen.

Deze middelen hielpen echter niet. Wel hielp het, wanneer men mij elken avond, eer de ouderen naar bed gingen, even wakker maakte en er uit haalde. Dat gebeurde vaak weken achter elkaar. Dan kwam mijn oudste zuster, een heel lief meisje, en nam mij op. Slaapdronken zette zij mij neer. En dan stak ze haar vinger in de hoogte en zei: „Goed luisteren, of we iets hooren.” Hoorden we dan wat, dan waren we allebei gelukkig, zij en ik. Dan keek ik nog eens de kamer rond, zag het nachtlichtje flikkeren—een waspitje op patentolie in een gewoon drinkglas—en voelde me zoo gelukkig, zoo stil gelukkig. En wanneer ze me dan weer in bed lei en lekker toestopte, sliep ik dadelijk, rustig in volkomen veiligheid.

Of men—'t was een druk gezin: een winkel, vijf kinderen, en nog twee jongens in huis—of men deze doeltreffende maatregelen dan maar weer naliet, of dat ze op den duur toch niet hielpen, ik weet het niet, maar op zekeren dag werd er tot iets verschrikkelijks besloten. Schelden had niet geholpen, klappen ook niet, dan moest ik maar hebben wat er bijstond. Op een stuk papier werd met groote letters geschreven: Jan Pis in bed. Dat papier werd op mijn rug gespeld. En zoo werd ik door mijn oudste zuster naar de bewaarschool van Juffrouw Mina gebracht. Toen is deze weg mij een kruisweg geworden.

O, ik kan het niet vergeten, ik heb het nooit kunnen vergeten, die wanhopige smart, die machtelooze wanhoop. Ik wilde het papier niet op mijn rug hebben, ik wilde niet. Ik worstelde tegen, huilde, trapte, maar 't gaf niet. Eenige volwassenen zijn met elkaar sterker dan een bewaarschoolkind, en het moest. Schreeuwende werd ik den winkel uitgesleept, de blauwe stoep over, de straat op. Zoodra ik op de straat was, ging ik loopen. Ik schaamde me voor het publiek, kon geen straatscène maken. Daarvoor was ik te trotsch. De menschen hadden er niets mee te maken. Maar ik liep als een kleine gebrokene. Iedereen kon zien, kon lezen, wat er op mijn rug gespeld was, en ik schoof schuin voor mijn zuster om een bedekking te hebben.

Die eene schoolgang is voor altijd in mijn geheugen gebeten. Van alle gangen naar school zie ik alleen deze. De gracht was als een eindeloosheid. En ik schreide maar, schreide hevig, maar stil. Ik was radeloos. Gelukkig kwam eindelijk het poortje, waardoor ik met mijn schande weg kon sluipen van de openbare straat. Doch nu kwam een nieuwe angst. Nu zou de juffrouw het zien, en al de kinderen. En ik smeekte mijn zuster, nu toch asjeblieft het papier van mijn rug te nemen.

Ze was zoo barmhartig. Dat gaf lucht. Schande drukt zoo zwaar. Ook al, ja misschien bovenal op een kind.

Ik heb een idee, dat ik dien heelen dag stil ben geweest. Maar misschien is het ook niet zoo. Ik weet het niet. Kinderen vergeten zoo gauw, zegt men. Ik heb echter meermalen kinderen uren en zelfs dagen lang stil gezien onder een veel geringere emotie. En die eene gang naar school was voor mij, bijna letterlijk, een breken van mijn hart.

Het bedwateren is overgegaan. Hoe, dat weet ik niet meer. Maar zeker wel vóór mijn zesde jaar. Of het door die heftige emotie geweest is? Ik weet het niet, ik weet het niet. Maar dit weet ik wel: er is door dit middel meer in me vernield, dan hersteld.

***

Natuurlijk—dat zag ik later in—was die heele openbare vernedering maar een komedie. Er was geen papier op mijn rug gespeld, al had ik het papier ook gezien en het opspelden gevoeld. Men had mij maar bang willen maken, met goede bedoelingen, zeker, maar met slechte gevolgen. Zulk een bangmakerij is bij velen nog een opvoedingsmiddel, een middel dat, waar 't oude kwalen genezen moet, nieuwe veroorzaakt.

Tot mijn kindergebreken schijnt ook te hebben behoord, dat ik weleens in den spiegel keek. Om me hiervan terug te schrikken werd me wijs gemaakt, dat in den spiegel Haantje Pik woonde. En als ik dan in den spiegel keek, zou Haantje Pik eensklaps te voorschijn komen en me de oogen uitpikken.

Ik geloofde dat niet. Maar eens op een keer zette men mij op een stoel voor den spiegel, om te zien dat het waar was. Het was avond en ik zou naar bed gaan. Mijn hanssopje had ik aan, en mijn slaapmutsje op. De mannen en jongens, ook al de kleintjes, droegen in dien tijd puntige slaapmutsjes met een kwastje aan de punt, zoogenaamde „bakkertjes”; de vrouwen en meisjes borgen des nachts hun haar in gehaakte nachtmutsjes. Daar stond ik dus, jongetje van zeker niet ouder dan vier of vijf jaar, in mijn wit hanssopje en gebreid bakkertje op den stoel, en keek vol verwachting in den spiegel.

Plotseling zag ik daar een hand boven mijn hoofd, die de punt van mijn slaapmutsje beet pakte en dit met een ruk van mijn hoofd trok. Dat deed Haantje Pik. Ik bestierf het bijna van schrik, waggelde op mijn stoel, en werd zeker doodelijk wit. Als een der ouderen me niet aanstonds gegrepen had, zou ik stellig tegen den grond zijn geslagen. Nu werd ik gerustgesteld, dat iemand achter me had gestaan en de muts had gegrepen, dat het maar een aardigheidje geweest was. Maar de schrik zat er in en langen tijd ontweek ik angstig den spiegel.

Erger was het, als zulke schrikaanjagingen en bangmakerijen niet geschiedden met een opvoedkundige bedoeling, maar louter tot vermaak voor de ouderen. Men maakte me vaak bang door angstig te roepen: „Jan, kijk eens achter je!” Dan schrok ik hevig, of er een spook achter me was, dat me meteen aan zou grijpen, en ik vloog hard weg, naar moeder, of naar bed. Meest was dit een pleziertje voor 's avonds, als ik in mijn nachtkleeren goênacht had gezegd. Dan riep een der oudere jongens: „Jan, kijk eens achter je!” en ik holde naar bed. Ik hoorde luid gelach, ook booze woorden van moeder, omdat ze een klein kind zoo plaagden, maar was pas rustig, als ik mij diep onder de dekens verstopt had.

Hoe deze angsten in mijn gemoed hebben doorgewerkt, kan wel blijken uit het feit, dat ik later, zelfs nog toen ik ongeveer 20 jaar oud was, 's avonds op een eenzamen weg naar huis keerend, soms plotseling achter me keek, of me iemand op de hielen zat, en ook wel eens een enkel maal niet durfde omkijken, maar gejaagd naar huis liep, terwijl het koude zweet me uitbrak. En toen was ik twintig.

Dat had de onschuldige plagerij van een paar groote jongens gedaan, die natuurlijk absoluut geen idee hadden van hetgeen hun pret in het kindergemoed uitwerkte.

Men zal begrijpen, dat ik, ouder geworden, nooit kleine kinderen heb kunnen plagen of bangmaken, en deze liefhebberij van volwassenen altijd met ernst en beslistheid bestreden heb. Hier lag een smartelijke ervaring achter, en meer dan een.

Een der heilzaamste gevolgen van zulke ervaringen is, dat we anderen leeren ontzien. Zoo kunnen we nog wel eens dankbaar zijn voor het leed, dat ons anderen leert begrijpen, sparen, helpen, ook redden.

***

De bewaarschool van Juffrouw Mina verliet ik, om voor mij onbekende en ook totaal onverschillige redenen, en ik ging nu naar de school van Juffrouw S., een huis of tien van ons af op dezelfde gracht. Er was een oude moeder en twee dochters, Juffrouw Fietje, de oudste, en Juffrouw Doortje, die een rond, kleurig gezicht had en wat scheel zag. Zij was een goedaardig mensch, maar haar oudere zuster was erg bijdehand. Sommige jongetjes spraken van „Schele Door”, „Valsche Fie” en „Ouwe Na”. Maar dat vond ik te oneerbiedig. Ik zag veel te hoog tegen ze op.

De bejaarde moeder had grijs haar, dat zij steeds, aan weerszijden der scheiding plat weggestreken, onder een wit mutsje verborg. Juffrouw Fietje was donker van oogen en haar, en geel van tint. Juffrouw Doortje had bij haar ronde, blozende wangen, schele blauwe oogen. Als ze ons aankeek, hield ze altijd het hoofd een beetje schuin. Ik dacht, omdat ze ons anders niet zien kon, zooals een duif zijn kopje scheef draait, om u te kunnen bekijken. Ze was lief. Misschien wat te onnoozel voor de zaak, maar ik voelde haar simpele goedheid, en die voel ik nu nog. Hartmemorie.

Het is wel opmerkelijk, dat ik van Juffrouw Mina heelemaal geen voorstelling bewaard heb en van de dames S. wel. Maar vooreerst was ik nu iets ouder, maar dan ook is de konnektie langer aangehouden dan tot mijn afscheid van de school, zooals later blijken zal.

Van haar schoollokaal herinner ik mij zeer wel, dat het een rechthoekige ruimte was. De rijen banken, lange zitbanken, enkele met schrijftafels, stonden evenwijdig met de lange rechthoekszijden. Aan den voorwand hingen de negen leestafels van Prinsen. Er was maar één raam, dat in een der korte zijden, precies in den hoek, uitzicht gaf op muren en daken. In den hoek der andere korte zijde was de deur, ongeveer aldus:


Op deze bewaarschool heb ik lezen geleerd met de leestafels van Prinsen, de methode van spa-aa, slee-ee, drie-ie, enz. Hoe? Dat weet ik niet meer. Daar weet ik niets, niets meer van. Ik weet alleen, hoe prettig ik het vond, naar een hoogere tafel te mogen overgaan, en hoe ik—eerzuchtig of leergierig?—mijn best deed op iedere nieuwe tafel, totdat ik ook die weer meester was. Toen ik thuis in den Bijbel kon lezen, was ik trotsch en gelukkig.

Volgens sommige psychologen mogen kinderen niet voor hun negende jaar leeren lezen. Misschien hebben ze gelijk. Maar ik vond dat spelletje zoo prettig en te gelijk die kunst zoo gewichtig dat ik vóór mijn zesde jaar van de eene leestafel naar de andere huppelde, zonder verdriet of bizondere inspanning. Ik merk hierbij op, dat het me uitsluitend om het plezier van het bemeesteren dier zwarte hieroglyphen te doen was, een zelfde soort plezier als het oplossen van raadseltjes, het wegzoeken (padvinden) in een geteekend doolhof, in 't algemeen: het ontsluieren van onbekenden. Het lezen zelf toch boeide mij niet en heeft mij nooit kunnen boeien. 't Was dus niet om 't verhaaltje, maar om 't bemeesteren der kunst. Toen ik die meester was, las ik maar weinig. Ik denk, dat ik daartoe te aktief was. Ik dééd liever iets.

Van de spelletjes herinner ik me alleen, dat we, als het boterham-eten was afgeloopen—we bleven n.l. van 9–4 in dat lokaal opgehoopt—onder de banken jagertje speelden. Ik zie me over de voetplanken kruipen en in het woud van kinderbeentjes en bankpooten een wild dier narennen, een tijger of een leeuw. Die dieren en die jagerij had ik stellig opgedaan uit de platen van „De aarde en haar volken”, waarop mijn vader geabonneerd was. De jacht was heerlijk, en nu nog voel ik, dat ik er heelemaal in leefde. Zelfs zoo zeer, dat ik nooit hoorde, hoe Juffrouw Fietje op het rumoer binnenkwam om de jacht te stuiten, en haar pas gewaar werd, als ze me onder de banken smerig en wel vandaan sleepte.

Bij juffrouw Fietje heb ik ook mijn eerste liefde leeren kennen en mijn eerste bittere ontnuchtering.

Die liefde gold echter niet juffrouw Fietje, maar een mijner mede-scholieren, Betje. Ik moet toen al het schrijven verstaan hebben, ofschoon ik niet weet, hoe ik die kunst machtig ben geworden, maar ik herinner me zeer wel een briefje, een vuil stukje papier, waarop ik met potlood zoo iets geschreven had als: „liefe bedje mag ik je vrijjer weese”, en dat ik daarna over de banken heen met de kinderpost verzond. Het antwoord luidde toestemmend, en dus was de zaak aanstonds in orde. Hoe ik aan de neiging kwam, om me al zoo vroeg gelukkig te maken met een liefde-band, weet ik evenmin, als wie me het voorbeeld van een minnebrief had geleerd. Er zweven echter allerlei bakteriën in de lucht, van kinkhoest evengoed als van vrijerij, en het eene kind is vatbaarder dan het andere. Zeer wel weet ik echter, dat ik niet meer wenschte dan een toestemmend antwoord, en van de heele geschiedenis dit mijn geluk was, dat ik nu met fierheid op straat kon loopen en tot mijn makkers zeggen: „Betje is mijn meisje.” Die behoorde mij toe, en niemand kan op haar eenig recht doen gelden. Zij was een stuk jongenseer.

Het is niet aan gebleven, maar toch was deze scheiding mijn ontnuchtering niet. Deze kwam nu wél van Juffrouw Fietje, en nog wel op haar verjaardag. Op een of andere wijze moet ik bespeurd hebben, dat de kinderen de juffrouw bij deze gelegenheid vereerden met een geschenk. Dat was voor mij een leelijk geval, want de centen vloeiden thuis niet overvloedig, ik had al lang ondervonden, dat ik die niet gemakkelijk los kreeg, en toch waren ze noodig voor een cadeau.

Nu was er in de Eglantiersdwarsstraat, vlak naast ons huis, een galanteriewinkel. Daar woonde Juffrouw van Streelen, bij ons gevierd wegens haar mooi voordragen van lange verzen. Ik herinner me uit later jaren, dat ze nooit sprak over De Génestet, maar altijd over De Genéstet, en dat zit me nu nog in den weg. Maar haar grootste bekoring voor mij was de uitstalling van haar winkel en de buitengewone vriendelijkheid jegens ook haar kleinste koopers. Die vriendelijkheid was bijna lieftalligheid. Men kocht iets, en kreeg, behalve het verlangde voorwerp, ook nog een heele massa bekoorlijkheid.

Al dagen achtereen had ik de uitstalling van Juffrouw van Streelen doorvorscht, en daar eindelijk een beeldig klein vaasje ontdekt, met bloemen op het buikje en gouden bochten langs den oorrand en het gekartelde voetje. Een bééldig vaasje. En het kostte maar drie cent, de prijs stond er bij. Ik kende toen blijkbaar de cijfers, anders had ik dit nooit kunnen weten. Maar al was die prijs tamelijk laag, voor mij vertegenwoordigde hij toch een kapitaal: drie cent was inderdaad voor mijn kinderhandje een ongekende schat. Ik wist het geld evenwel van mijn moeder los te bedelen, en eer ik naar het groote verjaarfeest van Juffrouw Fietje ging, waar je den heelen morgen spelen mocht en getrakteerd werd, kocht ik het beeldige vaasje en stapte er uiterst gelukkig mee naar school, heel voorzichtig het in de hand houdend, dat het toch vooral niet breken mocht, en onderwijl de roode rozen en de groene blaadjes bewonderend op het ovale buikje.

Maar toen ik met mijn cadeau de steenen stoep was beklommen en een portaaltje was doorgestapt tot dicht bij Juffrouw Fietje, toen schaamde ik me plotseling. Daar stonden andere kinderen met groote pakken in de hand, en daar blonken en schitterden mij reeds uitgepakte geschenken tegen. Een verlakte theestoof! Een glimmende waterketel! Een kristallen olie- en azijnstel! Wat een groote en prachtige stukken! Daarbij zonk mijn vaasje heelemaal in 't niet. Al zijn schoone bekoorlijkheid had het voor mij verloren. En met het schaamrood op de wangen—ik voel het nog—overhandigde ik het schamel eerbewijs aan de jarige. Deze nam het aan, bedankte, en zette het neer. Ik zie nog alles, álles. Maar mijn geluk en fierheid smolten weg. En—niemand had me iets gezegd of aangedaan, maar ik ging niet naar de feestzaal, doch liep het portaaltje door, de trap af, en rende naar huis. Nóg drie centen, nóg zoo'n vaasje! Mijn eer stond op het spel. Ik ging niet naar het feest, als ik niet eerst nog zoo'n vaasje kon aanbieden, om althans eenigermate in evenwicht te komen met de theestoof en den waterketel.

Mijn moeder kon geen weerstand bieden aan mijn dwang. Ik liet haar niet los. Weet men wel, wat geweldige gemoedsmachten daar soms achter zitten, als de kinderen heeten te „dwingen”? En spoedig holde ik met mijn afgeperste drie centen naar Juffrouw van Streelen, had nu geen tijd om van haar lieftalligheid te genieten, en holde haar winkel uit, den hoek om, de gracht, de stoep op, naar Juffrouw Fietje.

Die had me in de drukte van het ontvangen en uitpakken niet gemist. Hijgend duwde ik haar het tweede kleinood in de hand en zag haar aan, of het zoo nou niet goed was. En toen zei ze: „Had dat vod maar gehouden.” En ze zette het minachtend neer.

Dat was bijna zoo erg als het schandpapier op mijn rug. Ik voelde een diepe krenking en verloor alle veerkracht uit mijn heele lijfje. Beschaamd slenterde ik naar de feestzaal. Van de pret herinner ik me absoluut niets meer. Ik weet ook niet, of ik pret heb gehad. Bij dien ontzettenden neerslag staan mijn herinneringen stil.

Nu moet ik eerlijk zijn en zeggen, dat ik niet weet, of ik de woorden van Juffrouw Fietje precies heb teruggegeven. Misschien heeft ze 't niet zoo kras gezegd. Niet die heel harde woorden gebruikt. Maar voor de zaak sta ik in. Haar geringschatting was ongeveinsd. Die heb ik te pijnlijk gevoeld. En dat gevoel is me onuitwischbaar bijgebleven.

Van dit oogenblik af heb ik een hekel aan gelegenheidscadeaux gehad. Ik heb ze nooit kunnen ontvangen. En waar ik ze aanbieden moest, betaalde ik liefst de dubbele waarde.

DE EERSTE LAGERE SCHOOL.

Inhoudsopgave

Geen flauwe notie heb ik er van, dat ik op zekeren dag niet meer naar de bewaarschool, maar voor 't eerst naar de Groote School ben gegaan.

Toch moet dat eenmaal gebeurd zijn.

En in die Groote School moet ik me bekwaamd hebben in lezen en schrijven en al de andere vakken der wet.

Ik weet er niets van.

En in die school moet ik vele klassen doorloopen hebben, examens en verhoogingen meegemaakt, onderwijzers leeren kennen, zegenen of verwenschen.

't Is alles weg.

Is het er wel ooit geweest?

Maar dat moet toch wel. Ik heb toch ruim vier, misschien zelfs vijf jaar daar schoolgegaan, dag aan dag. Dat is toch geen kleinigheid. En ik moet er toch al mijn eerste bekwaamheden hebben verworven. En met de meesters hebben verkeerd.

Wonderlijk, dat ik nu uit de bijverschijnselen en uit de gevolgen afleiden moet, dat ik van mijn zesde tot mijn tiende of elfde jaar het schoolleven heb meegemaakt, maar dat ik het anders niet weten zou. En zelfs niet gelooven als anderen 't mij bezwoeren.

Zoo is dat leven buiten mij omgegaan. De heele schoolperiode ligt als een donker ledig achter me. Ze heeft me niets te zeggen.

Dat bewijst voor mij twee dingen. Dat ik eigenlijk leefde buiten die leerwereld. En dat de school eigenlijk leefde buiten mij.

Mijn hart lag buiten de klas, buiten de leerboeken, buiten den lesrooster. En het hart der school lag buiten de kinderziel.

Die twee zochten malkaar niet op. Het waren wildvreemden voor elkaar.

Slechts enkele dingen herinner ik me, maar die gelden niet het onderwijs, waarvoor ik toch eigenlijk de school bezocht. En die dateeren dan nog pas uit de hoogste klas en betreffen maar twee personen, een meester, dien ik niet noemen wil, ofschoon ik zijn naam nog heel goed weet, en meneer Kuyper, den bovenmeester, wiens naam ik nog steeds zegenend gedenk, niet—men moet voorzichtig zijn—omdat hij de bovenmeester was, maar omdat hij een mensch was, een zachtaardig mensch.

Meneer Kuyper zie ik als een teere figuur, een man van middelbare groote, in 't zwart gekleed, een zijden petje op. Zijn gelaat was zacht, bleek. Zijn oogen lichtblauw. Zijn gang opmerkzaam en rustig. Ik voelde iets teers voor hem, of ik voor hem wilde vechten. Dat gevoel ging geheel uit van zijn verschijning, want ik herinner mij niet, dat hij mij ooit persoonlijk goed deed. Ik had geen reden, om bepaald hem voor iets in 't bizonder dankbaar te zijn. Maar zijn heele wezen vervulde me met teerheid en dankbaarheid.

Elken morgen bad hij. De school bestond uit drie groote lokalen, twee naast elkaar, een ter zijde, aldus:


Ze waren gescheiden door glazen schotten met schuiframen. Dan gingen de schuiframen omhoog en zaten alle kinderen eerbiedig. Hij stond, bij een der geopende ramen, achter een orgel met geel geverfde kast, nam de pet van 't hoofd, en bad met zachte stem voor de heele school. Er zweefde dan iets lieflijks over al die kinderhoofdjes. Er daalde iets verkwikkends in al die kinderhartjes, iets als een heel zachte voorjaarsregen. Ik herinner me geen enkel woord. Maar ik herinner me stille ontroering. En ook een enkele traan van berouw, die daarna als een goed voornemen mijn wang bevochtigde. Te snel verdampt.

Na het gebed zette de fijne figuur zich achter het orgel. We zagen hem niet meer, doch hoorden hem zingen in orgeltoonen. Eerst een kort voorspel, en dan volgde het godsdienstig lied, waarbij de heele school meezong.

Dat waren heerlijke oogenblikken. Doch nu volgde niet een voortzetting van dat gebed en gezang, nu volgde niet de uitwerking er van in het praktische schoolleven, nu volgde niet—o, het is verschrikkelijk om het te zeggen—de doorwerking van den afgesmeekten Heiligen Geest, de werkdadige kracht van den afgebeden zegen Gods, nu volgde een stuk afgrijselijke kinderellende.

Onze meester was, ik zeg niet streng of stipt of veeleischend, hij was hard. En nog niet eens hard als staal of steen, want dan hadden er nog vonken kunnen uitspringen, maar hard als een verdroogd stuk leer. Het is geen toevalligheid, dat hij zijn horloge niet aan een metalen ketting of een fijn zijden koord droeg, zooals krachtige of teere persoonlijkheden gewoon zijn. Een man verraadt zijn ijdelheid en zijn gemoed in zijn horlogeband, en de zijne bestond uit een dooreenvlechting van drie smalle leeren riempjes, een kabeltje van leer, hard en droog en taai. Vooral ook taai. Staal en steen kunnen niet alleen vonken schieten, ze kunnen ook stukspringen. Ze wagen in den strijd hun eigen bestaan. Maar hardheid, die tevens taai is.... het is de slavenzweep van Legree uit De Negerhut. Alleen de liefde heeft het recht om taai te zijn.

Meester Leer—zoo zal ik hem maar noemen—was harteloos. In onze klas zat een jongen, wiens vader een grutterzaak dreef en C. C. C. M. heette, gelijk ieder op het naambordje lezen kon. Wanneer de kleine M. nu iets misdreven had en daarom voor de klasse moest komen, greep meester Leer hem bij het aardige kuifje, dat zoo hups zijn jongensschedel aanmeldde, en schudde den kleinen kop op en neer, een soort schedelrammeling, onder het knerpend gekraak van: „Zeg jij, C. C. C. C. C. C. C. C. C. C. C. C. M., zal jij....” enz. Bij ieder C. werd de kleine kop gerammeld.

Wij, anderen, zaten dat met stillen haat aan te zien. O, hoe haatten en vervloekten wij dien kerel, dien gemeenen kinderbeul. Als we maar gekund hadden, we hadden hem tot modder getrapt. Maar daar stond hij, onaantastbaar, in zijn macht als meester. En wij zaten, stom, strak, de handjes gevouwen op den tafelrand, den rug rechtop, een doodstille klas, machteloos overgeleverd aan een slavendrijver zonder hart of geweten.

Zoo werd het gebed verhoord.

Zoo daalde Gods afgebeden zegen in onze ontvankelijke kinderhartjes.

Eens op een keer vond hij zijn man. In de klasse zaten twee broertjes. Een van de twee moest voor de klas komen, bij de landkaart, om daar wat stippen aan te wijzen, waarover geen van ons zich een grein bekommerde. De jongen wist ze niet, maakte althans fouten—hetgeen ik nu, uit de verte, uit de gevolgen afleid—en kreeg daarvoor geweldige klappen om zijn kop. Wij waren dat gewoon, zaten het wezenloos of met verbeten woede aan te kijken, wachtten tot de hagelslag voorbij was, beefden al tegen dat onze beurt aanbrak....

Maar daar plotseling hooren we een woesten schreeuw, als den kreet van een wild dier. Een jongen vliegt achter uit de klas tusschen de banken door, en onder het krijschen van onverstaanbare geluiden beukt hij op den meester los. 't Is het oudere broertje van het gekastijde kind.

Ha, hoe genoten we bij deze uitbarsting van woede. We rezen uit de banken op, vergaten wat de gevolgen konden wezen, en juichten van instemming.

Razend van drift sloeg de jongen, waar hij den meester maar raken kon, en rukte toen zijn broertje uit de klauwen van zijn kastijder.

Een oogenblik van doodsche stilte, toen hevige, snikkende verwijtschreeuwen van den oudste, en toen....

Meer weet ik niet.

Of de jongen straf gekregen heeft, weggejaagd is, excuus heeft moeten vragen, ik weet het niet. Al het andere is verdwenen. Maar levend is gebleven dat eene moment van uitgebroken broederliefde, die eene uitbarsting vóór de klasse. Mijn geest heeft het opgenomen als een momentopname van een ontploffing. En levend is ook gebleven, het grootsche gevoel van bewondering. Nu nog is het me, of ik toen getuige ben geweest van iets zeldzaams in de menschenwereld: de zichzelf en alles vergetende reddingsdrift. Een brandweerman, die in den vuurpoel springt om een kind te redden. Die jongen was een held. Hij heeft ons in één woeste daad.... opgevoed. Op-ge-voed.

Waarschijnlijk dacht de meester er anders over. En als die meester en ik samen in een paedologische vereeniging zaten, zou hij allicht een anderen karakteristiek van dien jongen geven dan ik.

***

Geen wonder, dat we bij zoo'n meester dikwijls strafwerk kregen. Bij hem heb ik geleerd, eenige honderden strafregels met drie griftjes tegelijk te schrijven. We waren er heel handig in, die drie griftjes onder elkaar, amphitheatersgewijze, vast te houden, en dan er mee over de lei te vliegen. Die handigheid hadden we dan toch maar aan meester Leer te danken, en daarom zeggen sommigen, dat je het de kinderen niet te gemakkelijk moet maken. Verdruk ze maar, opdat ze te beter tegen de verdrukking ingroeien. 't Is ook een opvatting, en die groei tegen de verdrukking in, ja, dat was waarheid. We groeiden o. a. ook heel sterk in list en bedriegerij.

Een der straffen was schoolblijven, en daarbij dan maar doodstil zitten. Een uur of langer stilzitten, de handen gevouwen aan den tafelrand, de oogen strak naar boven, onbewegelijk, daar de geringste beweging gestraft werd met een kwartier of een halfuur langer.

Ik denk, dat ik iederen dag heb moeten schoolblijven, want ik herinner me telkens terugkeerende standjes over te laat thuiskomen. Maar dat kon ook door andere oorzaken gekomen zijn, want de weg van school naar huis was voor vermoeide, overprikkelde jongens vol verleidingen.

Natuurlijk wendden we allerlei pogingen aan, om van dat schoolblijven verlost te worden, „weg te spatten” gelijk we dat noemden. Wanneer de meester maar even in een ander lokaal was, renden wij met bliksemsnelheid naar de deur, en vlogen, het portaal door, naar buiten. Wee echter, als de buitendeur op slot bleek. Dan stond je daar eenige oogenblikken in razende wanhoop. Niet omdat hij je dan weer bij je kladden kon krijgen, want den volgenden schooltijd had hij je toch weer in zijn macht en zou je natuurlijk dat wegspatten wel inpeperen, dat was het minste, maar omdat je hem nu aanstonds voor je zou zien met zijn duivelsche grijns van voldoening; omdat je zijn sarrende stem zou hooren, dat je dat nu eens lekkertjes niet gelukt was, zijn stem vol nijdigen kinderhaat. Wanhoop, omdat hij je met listigheid in de val had laten loopen en daar straks demonisch van zou genieten.

Maar eenmaal ben ik hem toch te slim af geweest. Weer zat ik lang, heel lang na te blijven, terwijl buiten de zon zoo heerlijk scheen. Toen verzon ik, dat ik „naar achteren” moest. Neen, het mocht niet. Het werd echter zoo erg, dat ik den vinger aanhoudend opstak en daarbij in de bank zat te zwaaien als een dreigende onweersbui. Mocht ik dan niet—'t leek wel, of mijn heele houding dit wilde zeggen—dan kwam de verantwoording voor den meester, als ik ten slotte den vloer verontreinigde. Die verantwoording durfde hij zeker niet op zich te laden, ik kreeg tenminste verlof. Maar de knarsstem gromde me toe: „Geef eerst je pet hier.”

Ik bracht de pet, innerlijk genietend van zijn onnoozelheid, alsof ik me door een pet zou laten weerhouden. Die pet kon stikken, en hij er bij. En nu naar achteren. Doch nauwelijks was ik daar, of ik klom omhoog, wrong mij door een raampje, liet me vallen, en stond op een terrein, waarschijnlijk de speelplaats, waarvan ik me echter niet herinner dat er ooit gespeeld werd. Nu aanstonds naar de houten schutting. Een sprong, de handen om den rand, het lijf opgetrokken, rechterbeen er over, nu de romp, het linkerbeen, hangen, loslaten, en daar was ik op een houtwerf naast de school. Gauw naar voren, het hek door, en ik stond blootshoofds op de Lindengracht. Zonder pet, maar vrij. Vrij! en ik holde naar huis. Om de gevolgen bekommerde ik me voor 't oogenblik niet. Het was met den meester toch altijd een strijd op leven en dood, en ieder uurtje gestolen vrijheid was winst. Wat zullen mijn kameraden, medeschoolblijvers hebben opgezien, toen ik niet terugkwam. En wat zal de meester met lieflijkheid mijn pet hebben gekoesterd.

Het lijkt me, nu ik dit schrijf meer dan veertig jaar later, het lijkt me, of ik alles lieg. Is het mogelijk een fantasie? Heb ik in mijn jongensjaren—kinderen hebben zoo'n levendige verbeelding—dat heele verhaal misschien bedacht, en het als een heldenfeit zoo vaak aan mijn makkers verteld, dat ik het eindelijk zelf geloofde? Maar neen, dat kan toch niet. Mijn heele leven heb ik het als zuivere jeugdherinnering meegedragen. Zou ik me dan zóó vergist hebben? Doch wie bewijst, dat ik waarheid zeg. Neen, ik bedoel niet, wie bewijst het aan een rechtvaardig oordeelende rechtbank, maar wie bewijst het aan mij persoonlijk, die het ervaren meen te hebben en nu twijfel aan mijn eigen ervaringen. Ik wou, dat een oud-schoolkameraad dit las en, plotseling het verleden er in herleefd ziende, overtuigd uitriep: „Juist zoo, zoo is het gebeurd.” Dan had ik, door een vreemde, gewisheid van mijn daden. Nu moet ik maar gelooven in mijn herinneringen. 't Is toch vreemd, dat men zijn eigen verleden, zijn toch zelf doorleefd verleden, niet kan bezitten zonder geloof. En dan bezit men het nog maar in het licht van zijn toenmalige zelfverblinding.

Maar ik denk toch wel, dat die klauterpartij zonder pet werkelijkheid is geweest. Ik zie ze zoo levendig voor me, ik zie zoo precies den weg, dien ik daarbij gegaan ben, en ik verbeeld me nog eenige populieren te zien, die op de speelplaats langs den blinden gevel van het daarachter gelegen huis stonden.

En dan ook, de feiten passen zoo geheel in het kader van dit schoolleven. Van Geschiedenis, Aardrijkskunde, Rekenen, Taal, Lezen en Schrijven herinner ik me absoluut niets meer. Doch de hoofdmomenten uit den schoolstrijd—een véél ernstiger en gewichtiger en langduriger worsteling dan „de” Schoolstrijd—spreken nog luid in me, met beeld en stemming. Ik zie alles nog voor me, en mijn hart klopt heftiger bij de herinnering.

***

Het spreekt vanzelf dat we niet alleen het nablijven ontvluchtten, maar ook aan de kwelling van de school zelf trachtten te ontkomen. Daartoe waren maar twee middelen: ziekte voorwenden en bommelen, spijbelen, stukjesdraaien of hoe dit genot meer heeten mocht.

Het voorwenden van ziekte had het ontstaan gegeven aan een eigen woord. „Je bent schoolziek,” zei mijn vader, als we dreinden om thuis te blijven vanwege die toch zoo erge hoofdpijn. En de man had gelijk, want als hij bezweek voor ons smeeken, was binnen een halfuur de erge hoofdpijn gezakt en zaten we, zoo ongeveer om halftien in den voormiddag, een beetje te spelen, of drentelden door 't huis, door den winkel, als 't kon de straat op. Het was niet in mijn nadeel, dat ik nogal wit zag en teer was van gestel. Daardoor kon ik dikwijls hoofdpijn hebben, die haar crisis had onder 't ontbijt. Maar nooit vond ik mijn ouders onbarmhartiger, dan wanneer ze geen medelijden met me toonden en zelfs aan mijn hoofdpijn geen geloof sloegen. „Ga jij maar naar school, hoor! 't Is schoolziekte.” Diep neerslachtig en met slenterende beenen sleepte ik me naar school. Dan droop er een dreinende motregen in mijn kindergemoed.

Zulke beschuldigingen en mistroostigheden mogen wel veroorzaakt hebben, dat ik mijn heil zocht in het stukjesdraaien. Als je niet naar school wilt, en niet thuisblijven moogt, dan schiet er ten slotte niets over, dan dat je op den weg tusschen huis en school blijft omdolen. Waar zou je anders heen? En dan neem je dien weg wat ruim, omdat het zoo vervelend is in dezelfde straten maar steeds heen en weer te trekken, en je daar ook gezien en aldus verraden kon worden. Dan loop je rond, tot de huisdeur zich weer voor je openen wil, dat is zoo ongeveer een kwartier na het eindigen van den schooltijd.

Ik heb mijn toevlucht ook tot dat redmiddel moeten nemen, en dank daaraan drie der allerheerlijkste weken uit mijn schoolleven. We noemden ze later de bommelweken, en nu nog is dat onwelluidende woord voor mij synoniem met oase, paradijs, vrijheid, en al zulke vertegenwoordigers van iets zonnigs en lieflijks te midden van de grijze ellende.

Elken morgen gingen we op den gewonen tijd de deur uit, maar sloegen bij een bepaald punt linksom in plaats van rechtsom. 't Scheelde maar een kleinigheid, maar 't werd een reusachtig verschil. Rechtsom trokken we naar school, naar den gehaten plicht, linksom naar buiten, naar de begeerde zonde. Waarom had men de plichtsvervulling ons dan ook zoo hatelijk gemaakt? In iederen arbeid steekt genot, in den schoolarbeid zelfs een heel groot genot voor bijna alle kinderen. Maar men verbittert er het lekkerste brood, vergalt er de zoetste melk. En zoo maakt men de kinderen het eten en drinken onmogelijk, hoe graag ze het van nature ook doen.

We waren met ons vieren, mijn broer en ik, en dan nog twee klasgenooten, Willem en nog een ander. Willem had een eigenaardige bron van inkomsten. Zijn vader was bode en aanspreker. Iedere week moest Willem voor hem de klanten rond, om de kontributie voor een begrafenisfonds op te halen, kleine bedragen, maar die door verscheiden niet geregeld betaald werden en daardoor tot vrij groote sommen opliepen. Wanneer Willem nu wat geld wou hebben, ging hij naar de achterstalligen en maakte daar een standje. „Kompliment van vader, en of er nu eindelijk eens betaald werd. 't Was een schande, zooals ze hem iederen keer voor gek lieten loopen, en als er nu niet betaald werd, zouden ze andere maatregelen moeten nemen.” Willem schreeuwde zijn boodschap op een luiden brutalen toon, zoodat de buren het even goed konden hooren als de betrokkenen. Dit had ten gevolge, dat de schuldige vrouwtjes hem gauw in de kamer riepen, daar paaiden met mooie beloften, en hem persoonlijk vijf cent of een dubbeltje toestaken, om hem tot meegaandheid te stemmen. Sommigen van haar waren blijkbaar zoo bang voor de nieuwsgierigheid der buren, dat ze Willem reeds te gemoet kwamen eer hij zich nog had aangemeld, en zijn onbarmhartige jongensstem bij voorbaat met een dubbeltje omkochten.

Er was voor mij in deze geheele ophaalderij iets geheimzinnigs. Ofschoon ik precies wist, hoe de vork in den steel zat, en bij iederen klant met nieuwsgierigheid vroeg, „hoeveel hij van dat wijf weer had losgekregen,” besefte ik toch heel wel, dat die vraag met die ruwe woorden maar grootdoenerij was, en we eigenlijk bij ieder geval meespeelden in een droevige tragedie van armoede, zorg, schaamte, afzetterij. Ik gevoelde, dat we iets heel gemeens deden, en juichte toch bij iedere vermeerdering van ons schandkapitaaltje. Willem ging, zonder eenig mededoogen, zijn bedachte boodschappen doen, en wij wachtten op een afstand de gevolgen, springend van vroolijk verlangen en tegelijk innerlijk huiverend van schuldgevoel. Dit laatste was de stem van het geweten. Dat wist ik toen reeds heel goed. Maar ik wist die stem ook onder schijnbare onbezorgdheid te verzwakken.

Van het geld kochten we eerst een grooten zak krenten, die voor pruimtabak moesten dienen. We verdeelden ze onder elkaar en hadden dan elk voor zich een afleiding en hartversterking. Telkens namen we een handje krenten, wierpen die in onzen mond, verborgen ze achter de kiezen, en hielden ze daar gezellig opgehoopt. Ik voel zeer goed, wat zoo'n tabakspruim voor een werkman beteekent. Het is niet de lekkernij, die hem bekoort, maar de gezelligheid. Zoo'n handjevol tabak, steeds op dezelfde plaats bewaard en bewerkt, is voor hem een soort kameraad, een vertrouwelijk vriend, met wien hij heel eigen is. Hij voelt zich niet meer eenzaam en verlaten, niet meer unheimisch, als hij dezen gezel op zijn vaste plaatsje meedraagt. Zooals meisjes een pop behoeven, om een leegte aan te vullen, jongens een stok moeten dragen, om niet zoo alleen te zijn, vele volwassenen een kat in de kamer of een hond op de wandeling moeten hebben, om het gevoel van verlatenheid te breken, zoo heeft de stugge werker op het veld of achter de heistelling in zijn tabakspruim een stuk gezelligheid in zijn eentonig leven. Een soldaat op post is met dezen vriend niet meer eenzaam in het nachtelijk uur. Als wij een verre boodschap moesten doen, vooral 's avonds, namen we een hard stukje kaaskorst in den mond, en kauwden en knauwden dat, niet om het op te eten, maar om van zijn nabijheid te genieten. Misschien hebben de psychologen voor deze gehechtheid aan de tabakspruim een veel betere verklaring, zoodra ze experimenten genomen hebben met heiers mét en zónder pruim, wellicht komt het dan alles neer op prikkeling van bepaalde zenuwen en overheersching van bepaalde bewustzijnstoestanden, maar ik, die alleen eigen ervaring raadplegen kan, te dom voor experimenten en te lui voor statistieken, voel die gehechtheid alleen als een gemoedsverschijnsel. Een afleiding, zegt het volk. Juist, een afleiding van zijn enkelheid. Een afleiding, die Adam zelfs in het Paradijs noodig had, toen hij, te midden der onbeperktste weelde, zich toch eenzaam voelde, en Eva kreeg. Als een tabakspruim? Lieve menschen, ik wou, dat men alle aesthetische gevoelens een oogenblik het zwijgen kon opleggen. Eva was een wonderschoone verschijning—lees maar in Vondels verzen—om wie de Engelen mensch zouden willen zijn. En een tabakspruim—nu, ik wil de voorstelling niet verlevendigen. Maar die tabak was ook eenmaal een frischgroene plant, en Eva zal ook eenmaal verrotting zijn. We moeten over de grenzen van het heden heenzien, dan ontwaren we meer gelijkheid, dan iemand ooit vermoedde. En—om te besluiten—wellicht heeft menige Adam meer te danken aan zijn willige, zich altijd schikkende tabak, aan dezen nooit eischenden vriend, dan aan zijn Eva.

Wij, dit wilde ik slechts zeggen, bootsten met onze krentenpruimerij de groote menschen na, maar zouden dit nooit gedaan hebben, als in ons niet dezelfde gemoedseigenschappen aanwezig waren als in die groote menschen. Ook in ons was die behoefte aan dat intieme verkeer, en te sterker, bij een niet volkomen rustig geweten.

Voor het overige geld kochten we een reusachtigen vlieger en een heelen hoop strengen touw. En hiermee trokken we naar het Vondelpark. In de morgenuren was het daar nog al rustig. Je kon daar zoo lekker stil rondscharrelen, zonder dat je ieder oogenblik gevaar liep, een kennis tegen te komen. 't Was vrij ver uit de Jordaanbuurt en werkmenschen of winkeliers, gelijk onze ouders waren, hadden in de week geen tijd om overdag in het Vondelpark te wandelen, terwijl hun arbeid hen daar nooit heen voerde. Daar kwam nog iets bij. Je had achter 't Vondelpark mooie weilanden, om den vlieger op te laten, en in het park zelf dichte boschjes, om er hem te verstoppen. We hadden al gauw een verstolen hoekje gevonden, waar hij telkens met touw en al werd weggeborgen, als wij naar huis moesten, en waar we hem ook weer trouw terugvonden, als wij naar dit zalig oord terugkeerden.

Het spreekt vanzelf, dat we niet dag aan dag gingen vliegeren. Waarmee we dan de andere dagen doorbrachten, weet ik niet. Alleen herinner ik me, dat we ook vaak naar eenige landpaden gingen, buiten de Zaagpoort, en daar speelden op de balken en de boomstammen, die in het slootwater bij de houtzaagmolens lagen.

Dat was een van mijn heerlijkste genietingen. We trokken dan de schoenen en kousen uit, stroopten de broek zoo hoog mogelijk op, en speelden Bataviertje, waaruit ik nu alweer kan afleiden, dat ik op school van de Batavieren geleerd had. Wij waren Batavieren, die op vlotten den Rijn kwamen afdrijven. Daarbij liepen we op bloote voeten over de balken even rustig, vlug en gemakkelijk als op het land. Het was verwonderlijk, hoe vertrouwd we met onze vlotten waren. Terwijl we van balk op balk stapten, doken deze, soms dunne stammen, vaak diep onder water, maar daar bekommerden we ons in 't geheel niet om, integendeel, we vonden 't heerlijk. We waren thuis op onzen balkenvloer, we waren thuis in de slooten. Om natte pootjes gaven we absoluut niet. Hoe meer het water golfde en klotste en spatte, hoe liever 't ons was. De eenige voor wien we eenige vrees koesterden, dat was de molenaar. En eigenlijk waren we ook voor hem niet bang, we konden hem gauw genoeg ontvluchten. We waren voor niemand bang. Maar de mogelijkheid bestond, dat we bij een overhaaste vlucht onze kousen en schoenen op 't weiland moesten achterlaten, en dan zou natuurlijk alles uitkomen.

Toch werd deze sloot ons onheil. Op zekeren dag ging een der jongens gehurkt op een balk zitten. Een ander vond dat al te verleidelijk en gaf een trap tegen den balk, waardoor nummer een achterover in het water tuimelde. Dat was nu op zichzelf zoo erg niet, de sloot was niet zoo diep, en met het water waren we vertrouwd. De drenkeling was dan ook weer gauw aan land. Maar zoo kletsnat kon hij niet blijven rondloopen, zich uitkleeden en zijn goed te drogen leggen was te veel gewaagd met het oog op den molenaar. Die kon van onzen nood wel eens misbruik hebben gemaakt, door den jongen spiernaakt den weg op te jagen. Daarom deden we, wat we in zulke gevallen altijd deden, we gingen op een draf naar de gasfabriek, den natten kameraad, die in zijn zware, plakkende, druipende kleeren niet zoo hard loopen kon, tusschen twee flinke loopers in, hand aan hand met hem voorthollend, de anderen er achter.

In de gasfabriek, aan de buitenzij der stad gelegen, waren de mannen altijd welwillend. Ze vloekten er wel bij, maar dat hinderde niet. Hoe harder ze je uitscholden, hoe meer je van ze gedaan kreeg. „Baas, magge we d'r in, hij hèt in 't water gelege.”—„Zoo, dondersche schooiers, het jelui weer met je mieter in 't water gelege. Wil je wel gauw opdondere.”—„Och baas, hij is zoo nat, en dan krijgt ie van zijn vader.”—De baas keek naar den klappertandenden schooier en liet ons binnen. „Vooruit dan maar, maar heb het hart in je lichaam, dat je 't me weer flikkert.”—„Dank u wel, baas!” en we holden naar binnen. De natte kameraad kleedde zich uit als in 't zwembad en liep een beetje naakt rond te scharrelen en zich te warmen, terwijl wij zijn natte kleeren te drogen hielden bij de heete retorten. De werklieden lieten ons stil begaan, we waren jongens die zichzelf konden redden. Alleen nam deze of gene den kans waar, om den naakten sprinkhaan een kletsenden klap te geven, waarom de naakte sprinkhaan dan ook altijd zorgde, dat hij uit de voeten kwam als er een man naderde.

De kleeren waren gauw genoeg droog, maar ze hebben ons verraden. Hoe, dat herinner ik me niet meer, maar 't was na dit voorval gauw uit met de pret. Op een middag kwamen we thuis, met een onschuldig gezicht, of er niets gebeurd was, toen Moeder ons ontving met de ongewone vraag, waar we vandaan kwamen. Die vraag schokte ons hevig, maar we logen natuurlijk: Van school. En er was een boodschap gekomen, dat we al in geen drie weken op school waren geweest, en een jongen z'n moeder was in den winkel geweest en had verteld, dat ze aan zijn kleeren gezien had, dat hij in 't water had gelegen, en dat hij toen alles bekend had. Het viel niet meer te loochenen en ook wij moesten door de mand vallen.

Dit oogenblik herinner ik me nog heel levendig. We stonden in de huiskamer. Daar was een kastdeur met behangselpapier beplakt. Er was geen kruk in, wel een sleutel. Ik zie den zwartgeroesten sleutel nog uit het sleutelgat steken, donkere figuur in een omgeving van lichtgrijs papier. Op dit plekje, vlak bij de kast, moesten we ons kwaad openlijk erkennen. En toen stond het plotseling als een vreeselijk misdrijf voor me. Ineens voelde ik de zwaarte van 't vergrijp op mijn schouders drukken. Ik voelde mijn beenen trillen, greep den sleutel vast, zonk ineen, en begon hartstochtelijk te snikken. Wonderlijk toch, al die drie weken had ik genoten, was wel eens onrustig geweest, maar was er toch iederen dag op nieuw uit getrokken. Mijn geweten had zich laten sussen. 'k Had goed gegeten, goed geslapen. Maar nu het kwaad was uitgekomen, was aanstonds al mijn kracht gebroken en zakte ik, wanhopig en radeloos, in elkaar. Dat is de overweldigende macht der openbaarheid.

Tot straf mocht ik dien avond niet naar het verjaarpartijtje van een vriendje. Aanstonds uitkleeden en zonder eten naar bed. Dat was een groote straf voor me, want van dat partijtje had ik me heel veel voorgesteld. Niemand zal echter die straf te zwaar achten. Drie weken spijbelen, drie weken je ouders bedriegen, dat is voorwaar geen kleinigheid. Daarvoor is het onthouden van zoo'n genoegen eigenlijk nog een veel te geringe straf, ook al is voor een kind een kinderpartijtje een buitengewoon genot.

Maar wilt ge nu mijn Moeder eens leeren kennen? Toen ik tot acht uur of half negen of negen uur—ik weet het niet precies meer—stil in mijn bed had gelegen, telkens schreiend van diep berouw, maar wellicht nog meer uit medelijden met mijn arme zelf in mijn bitter treurigen toestand, kwam mijn Moeder bij mijn bed. Ik nam haar hand en kuste die, zooals een geslagen hond naar zijn meester kruipt en diens hand likt. Ik kon geen scheiding tusschen haar en mij hebben. En zij liet haar hand nemen en die kussen. Heete tranen vulden mijn oogen en vloeiden over mijn wangen. Was ik toch maar niet zoo'n slecht kind geweest.

Ze bukte zich over mij heen. Haar nabijheid was voor mij altijd rust en veiligheid en vrede. Maar nu bovenal. En ik sloeg mijn armen om haar hals. „Heb je er erge spijt van?”—O ja, en ik begon weer diep bedroefd te schreien. „Zal je 't nooit weer doen?”—Neen, zeker nooit weer, en mijn geschokt gemoed kwam tot kalmte. Dat stille schreien, tegen haar aan, 't was zoo'n verkwikking, bijna een zaligheid. Wat is het toch een wonder-gelukkig bezit voor een kind, een Moeder. Het is de oplossing van al zijn ellende. En toen zei ze: „Zou je nog graag een uurtje naar Piet gaan?”

Ik kon mijn ooren niet gelooven. Toch naar het partijtje? „Graag!” zei ik. En zij: „Kom dan maar.” Aanstonds was ik uit bed, wiesch me, trok mijn Zondagsche kleeren aan, die Moeder inmiddels haalde, kreeg een schoon boordje om, kuste haar, een, twee, drie maal, en vloog het huis uit, de reeds donkere gracht op, naar den verbeurden en reeds gesloten kinderhemel, die nu weer voor me geopend werd.

Van de feestpret wil ik hier niet vertellen, die is nu niet aan de orde, maar ik moet toch even een woord zeggen ter verdediging van—mijn Moeder, tegenover—de officieele paedagogiek. Die paedagogiek wou me later doen gelooven, dat een opvoeder konsekwent moet zijn. Hij mag niet gauw straffen, zoo dekreteerde ze, maar als hij eenmaal straft, dan moet hij ook doorzetten; als een kind eenmaal een uur nablijven moet, dan moet het ook een uurtje nablijven. Want anders, zoo gaf ze reden van haar dekreet, werkt de straf als een ijdele bedreiging en stoort het kind zich in 't vervolg er niet meer aan. Zoo heeft de Paedagogiek mij steeds geleerd. En ook nu weer hoor en zie ik haar met ernstige stem en verontwaardigd gebaar de handelwijze mijner Moeder afkeuren. Maar wil ik Haar—ik bedoel de Paedagogiek, de Alwijze—nu eens iets zeggen? Mijn eigen ervaring slaat dit voorschrift vlak in 't aangezicht. Met haar generaliseeren bederft ze al haar wijsheid. Mijn Moeder was niet konsekwent, in een buitengewoon ernstig geval had ze een zeer lichte straf opgelegd, en van die straf onthief ze ons voor een groot, voor het grootste deel. En dat deed ze uit pure zwakheid, omdat ze 't niet hebben kon, dat haar ondeugende jongen verstoken bleef van een in zijn oogen zeer groot genot. Ze kon niet konsekwent zijn. En ze liet uit enkel weekhartigheid, genade voor recht gelden. En wat was het gevolg? Dat ik nog nu in gedachten de hand kus, die mij vrijwillig uit mijn banden losmaakte. Dat ik reeds toen en mijn heele leven lang voor niets zoo bang was, als om Moeder verdriet te doen—al deed ik het natuurlijk ook vaak. Dat ik voor Moeder later alles over had en haar als een heilige mee door 't leven droeg. Dat was het gevolg van haar inkonsekwenties.

Maar de Paedagogiek vergeet ook altijd één ding. Ze vergeet de Stille Kracht. Den wonderbaren invloed van de persoonlijkheid, de overweldigende macht des Harten. De Paedagogiek werkt met maatregelen. Ze geeft altijd antwoord op de vraag van wanhopige opvoeders: „Wat moet ik doen?” En ze moet antwoorden op de vraag: „Hoe moet ik zijn?”

Doen? Doen? Geef een ongeschikte de voortreffelijkste middelen, en hij bereikt er averechtsche gevolgen mee. Hij maait geen graan met zijn zeisen, hij maait er zijn bloemhof mee kaal.

Wéés iets. En van uw Zijn gaat opvoeding uit. Dan moogt ge zieken genezen op den Sabbath. Dan kúnt ge zieken genezen op den Sabbath. En dan stoort ge u niet aan de Farizeesche Schriftmatigheid.

Ik was een kleine groote zondaar. Ik was gebroken door berouw. Maar ik werd opgericht—door Genade.

TUSSCHEN SCHOOL EN HUIS.

Inhoudsopgave

„De weg van school naar huis was voor vermoeide, overprikkelde jongens vol verleidingen.”

Die verleidingen waren van een gansch andere soort dan die ons bekoorden als wij van huis naar school gingen. Op den heenweg naar het gehate gebouw lokte ons elke boom naar buiten. 't Was of iedere vogel ons riep: „Je gaat den verkeerden kant uit. Je moet niet naar dat muffe hok. Je moet naar de paden, naar de slooten, naar de velden. Je moet de ruimte in.” Het was wel moeilijk, aan die roepstemmen geen gehoor te geven. En dat bleef zelfs een strijd voor me, toen ik al lang onderwijzer was. Naar school of daar buiten? O, dat buiten trok zoo. Het zoog je letterlijk den verkeerden kant op. En je moest je wel erg schrap zetten, om door die zuiging niet te worden meegevoerd. Ik kan me dan ook best een landlooper begrijpen. Een landlooper, niet een straatslijper. Zoo eentje, die 't veld in trekt. En eigenlijk geloof ik, dat er een landlooper aan me verloren is gegaan. Daarom ben ik maar ambulante bovenmeester geworden. Dat leek er nog een beetje op. Niet waar?

Maar 's middags op den terugweg naar huis, dan lokte ons geen boom, of 't moest zijn om er in te klimmen, dan riep ons geen vogel, of 't moest zijn om hem met steenen te smijten. 's Middags was er niets in ons van de natuurzieke zwervers. Alle gevoeligheid en groenliefde was dik geworden als stroop in den winter. Ze konden niet meer vloeien. Ze lagen als onbewegelijke massa's in ons gemoed. 's Middags, dan was de strijdlust in ons wakker. Dan was iedere jongen van een andere school een brutale uittarting, alleen reeds door zijn verschijning. Dan was iedere winkeluitstalling een booze geest, die helsche vernielplannen in ons wakker riep. Dan daagde iedere dienstmeid ons uit met emmers water, die zij 't hart had op haar eigen stoep te zetten, of met huistrapjes, waarop zij de vrijpostigheid nam naar boven te klimmen voor 't glazenlappen, of zelfs met boodschappenmandjes, die ze zoo schaamteloos met den elleboog vasthield of aan de hand liet neerhangen. Dan was iedere onbeheerde handwagen een voorwerp, om een eind meegesleept te worden, ieder appelvrouwtje bestemd om te worden bestolen—niet uit steelzucht, maar uit loutere baldadigheid—, dan was iedere belknop een magneet voor jongenshanden, verstijfd door 't samenvouwen op den rand der schoolbank, dan was iedere deur het opentrappen waard, vooral de winkeldeuren met een rinkelende bel; dan was iedere gebochelde, iedere kreupele een model voor klassikale nabootsing, dan was zelfs iedere politieagent een mikpunt voor stukjes stopverf of voor hatelijke schimpscheuten. 's Middags, dan was de duivel in ons wakker, dank zij vijf uren van onderwijs overeenkomstig den geest der wet, die sprak van „opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden”.

De heeren politici in vergaderzaal en krant hebben over die „christelijke en maatschappelijke deugden” heel wat geredeneerd. En de schoolmeesters in navolging van hen. Wat waren het toch, die „christelijke en maatschappelijke deugden”, waarin bestond toch het verschil tusschen beide. Men dreef er den spot mee. Men speelde er een dialektisch spel mee. Men maakte er politieke kaatsballen van, zooals zelfs van nog veel heiliger dingen. En intusschen liet men de jeugd verdrogen, verschrompelen. Intusschen werden de kinderen vernield. Het ware te wenschen geweest, dat men van die „christelijke en maatschappelijke deugden” ernst had gemaakt, waarachtigen ernst. Mijnentwege hadden de onderwijzers het fijne onderscheid tusschen beide deugdrubrieken mogen voorbijzien, als ze die deugden maar hadden aangekweekt, door ze te beoefenen. Een beetje christelijkheid, ook in de christelijke school, zou voor ons zoo goed zijn geweest. Al was 't maar een klein beetje. De christelijkheid van „Laat de kinderen tot Mij komen En verhinder ze niet”. Maar wij—werden verhinderd.

Zij hadden ons met woorden wel gedreven, Maar hebben ons verhinderd met hun leven.

***

Vechten was onze hoofddeugd, op school met den meester en op straat met de heele geordende maatschappij. En dan in 't bizonder met de jongens van andere scholen. De Noordermarkt was ons slagveld.

Eerst moet ik echter iets vertellen van een onzer acrobatenkunsten daar, een kunst, die ik maar zelden, of eigenlijk nooit meer in beoefening heb zien brengen. Op dit marktplein stonden paaltjes en wel twee soorten: steenen met koppen als halve bollen en houten met koppen als halve liggende cilinders. Nu was het de kunst, op zoo'n paaltje te klimmen, zonder door een kameraad te worden geholpen, daarna er op te staan, eindelijk van het eene op het andere te stappen, en ten slotte de heele rij af te loopen. Men moet daar niet min over denken. Het eischte met elkaar uren en uren van geduldig oefenen, en dat onder de bedreiging van altijd vijandige agenten of marktmenschen. „Wil je bliksemsgauw opdonderen”, lag in ons gehoor bestorven. Maar wij „donderden op”, net als de musschen voor een paard en rijtuig om dadelijk weer „neer te donderen” als de bedreiging voorbij was. En onder dat „op- en neer donderen” oefenden we ons, geduldig, taai, volhardend. Met twee handen hield je den kop van 't paaltje vast. Dan trok je je op, legde heel voorzichtig je rechterknie er op, dan je linker, beide knieën tusschen je handen. Nu de handen loslaten, den romp strekken, en zoo op je knieën liggen. Ik beloof je, dat het een toer was. Maar het ging. Zelfs maakten we in die houding allerlei grimassen, zwaaiden met de armen als vliegende vogels, wierpen de marktvrouwen kushandjes toe. Doch nu verder. Weer de rechterknie opgetrokken, op de linker gebalanceerd, den rechtervoet naast de rechterknie gezet—romp rechtop, even rusten—en het heele rechterbeen gestrekt, daarmee vanzelf het linkerbeen opgetrokken, en op het rechterbeen gestaan, rechtop terwijl het linkerbeen wat bewegingen maakte, om het lichaam in evenwicht te houden.

Honderd- en duizendmaal zijn we er zeker afgevallen, afgegleden, afgesprongen, eer we eindelijk stonden, maar we hielden vol. Dát was gymnastiek, ja wat beter dan om de vijf minuten een zwaaitje aan de ringen. We zagen rood van inspanning, maar rustten niet eer het doel bereikt was. Nog voel ik in mijn armen en beenen den wil om te winnen, die toen aan 't werk was. Geen eerzucht, geen ijdelheid, al kwam er later natuurlijk wat pralerij bij, maar zegezucht. Geheel in ons eentje, ongezien, oefenden we ons op ieder paaltje, hoe lastiger hoe liever. En dat deden we niet om een bewust doel, als een soort plicht, maar omdat we 't niet laten konden. We verloren ons er in—zooals een dichter in zijn verzen, een schilder in zijn verven. Wij maakten ons jongenskunstwerk, met onvermoeibare zelfovergegevenheid. En zoo presteerden we ten slotte het onmogelijke: we liepen over de koppen van paaltjes, ongeveer een kleinen meter van den grond, en bijna een meter van elkaar. En daar liepen we met een zekerheid en een gratie—want in zulke kunsten zit een natuurlijke gratie, anders zijn ze onmogelijk—die in ons de lenigheid en de schoonheid ontwikkelden, de zelfbesturing en het zelfvertrouwen, maar die door de volwassenen niet begrepen werden.

De houten paaltjes met rolronde koppen waren de moeilijkste. De bolronde van de steenen hadden aan alle zijden een aanpakvlak voor den naderenden voet, maar die andere—men stelt het zich toch, hoop ik, wel voor?—konden maar van één zijde benaderd worden. 't Was dan ook de hoogste triomf, als je over de houten voortstapte, en dat werd nog mooier als er tusschen die paaltjes ijzeren stangen liepen of ijzeren kettingen hingen, kettingen met ijzeren punten. Dan liep je ieder oogenblik gevaar, een breuk te vallen of je op andere wijze aan dat ijzer te kneuzen. Maar dat maakte het genot nog grooter.

Denkt de verbiedzieke volwassene er wel eens aan, dat iedere nieuwe belemmering nieuwe aanvalsdriften oproept?

***

Welken medescholier herinner ik me nog met naam en toenaam?

Het is Hendrik Busman.

En waarom is hij het? Omdat hij zoo goed leeren kon?

Maar denkt iemand nu heusch, dat we ons dáárom bekommerden?

Hendrik Busman werd vereeuwigd om dezelfde reden als De Ruyter, Tromp, Piet Hein. Omdat hij zoo goed vechten kon.

Ik zie hem nog staan, boven op een hooiwagen. 't Was op dezelfde Noordermarkt. Daar leverden we onze veldslagen, gelijk de mogendheden eertijds in de Zuidelijke Nederlanden.

Hendrik Busman stond op een hooiwagen, boven op de lading hooi. We bleven beneden op de straat en wierpen hem steenen toe. Dat waren de projectielen, waarmede hij, van zijn hoog standpunt, den vijand bestookte. Die bleef op een eerbiedigen afstand.

We droegen houten sabels, met punten er aan. Die staken we op zij, door een riem. Echte officieren. Soms maakten we een charge. Met getrokken sabel renden we dan op den vijand los. Die sloeg op de vlucht, niet bestand tegen ons élan. Enkele dapperen konden echter zoo'n schandelijke vlucht niet verdragen. Ze bleven staan, het zwaard in hun vuist. Blindweg sloegen ze in 't rond. Dan kwamen hun verjaagde makkers weer terug. De moed van enkelen—niet waar?—de moed van enkelen is de kracht van allen. En als ze dan, in hun heldhaftigheid, van het verweer tot den aanval durfden overgaan, dan holden wij weer weg, tenminste de groote hoop van ons, dan keerden de kansen, totdat ook onze helden hun leven waagden.

Twee dingen weet ik van die vechtpartijen met volkomen zekerheid.

Vooreerst, dat het vechten heilige ernst was en te gelijk de prachtigste komedie.

Het was ernst. We voelden ons in oorlog. Den heelen dag spraken we er over. We wisten van den vijand alleen kwaad. Ze waren „schooiers” of „kalen”, al naardat ze tot een armere of een rijkere school behoorden. We bluften op onze heldendaden, we smaalden op hun lafheid. En we dachten aan niets dan aan den krijg. Hoe de oorlog was aangekomen, wisten de meesten niet. Er ging alleen een gerucht rond van een of andere „gemeene streek” of verregaande aanmatiging. Dat was voor de massa genoeg. Die vroeg niet naar een casus belli. Het feit alleen, dat er oorlog was, joeg ze al te hoop. Ze vond het heerlijk, in groepen rond te zwerven, stokken of riemen te zwaaien, en den vijand na te rennen.

En toch was het komedie. We pasten wel op, dat we geen jongen gevaarlijk raakten. Ja, met een stok of riem tegen de beenen, hoogstens tegen den romp slaan. Maar nooit tegen zijn hoofd. En ook nooit een trap tegen zijn buik of een stomp in zijn hartstreek. Wie zoo iets deed, stond eigenlijk bij ons in minachting, ook al behoorde hij tot de onzen. Er was een ongeschreven jongenswet, waarin onridderlijke daden verboden waren. Ik denk, dat we dit niet aan de school dankten, maar aan de grootmoedigheid van onze boekenhelden.

Volwassenen maakten zich soms ernstig bezorgd over ons vechten. Totaal overbodig. Want het was bijna uitsluitend parade en bluf. Grootdoenerij. Een gelegenheid om te hollen, te schreeuwen, te zwaaien, te smijten. En de oorlog stierf zijn eigen dood. Ik weet van geen enkelen oorlog, die met een verklaring begon en met een vrede besloot. Hij ontstond en verdween, als de stormen in de atmosfeer.

Maar dan was er nog een tweede ding, dat ik nu, uit de verte, heel duidelijk zie. Al waren er ook veertig, vijftig, en meer jongens bij betrokken, eigenlijk draaide de heele beweging om een paar. Als zij voorgingen, volgden de anderen. Als zij verslapten, dropen allen af. Niet alleen onder de schapen heb je de belhamels. Die schijn je bij alle „gezellig levende dieren” te hebben. En de mensch is zoo'n gezellig levend dier. Let op de belhamels. In hen heb je de kudde!

***

Erger dan het vechten was onze baldadigheid. Eén voorval herinner ik me nog heel levendig.

Misschien weten de meeste volwassenen niet eens, dat je in de raamposten gaatjes hebt—of hadt—aan elken kant een. Die dienden, geloof ik—we kregen toen nog geen zaakonderwijs—om er pennen door te steken, die 's nachts de buitenblinden moesten vasthouden.

Nu was er in de Westerstraat een porcelein- en glaswinkel, waar we zulke gaatjes ontdekt hadden. Als je door het gaatje een dun stokje stak, kwam dit aan de binnenzij te voorschijn en dan kon je er iets in de uitstalling mee omduwen, een glaasje, een kopje, een vaasje of een ander niet te zwaar voorwerp.

Dat deden we. Heel onschuldig bewonderden we de uitgestalde waar, maar staken inmiddels de stokjes door de gaten en duwden. Tuimelde er een ding rinkelend om, dan holden we hard weg.

Eens stonden we weer voor het raam, werkten met stokjes, en loerden onderdehand of de baas in de achterkamer bleef.

Plotseling gaat de kamerdeur open, en zien we den man in zijn overhemdsmouwen driftig den winkel in vliegen.

Wij op den loop. Een kerel in overhemdsmouwen en blootshoofds, die je zoo maar op straat naholt, dat is voor jongens nog erger dan een politieagent. Zoo'n kerel ontziet niets en kan hard loopen.

Wij vlogen dan ook over den weg. Hier was het nu bijna letterlijk waar, dat de angst ons de voeten bevleugelde. Hij was ons natuurlijk vrij dicht op de hielen, een winkellengte, en we konden hem alleen door een razende vaart ontsnappen.

Ha, dát was loopen. Als een hinde voor de honden. Zulke vergelijkingen begrepen we best, veel beter dan de meester. Wij hadden den angst in ons gehad.

Daar bereikten we de eerste dwarsstraat. We vlogen den hoek om, en kwamen midden in een hoop blaffende en vechtende honden terecht. Die vergaten natuurlijk aanstonds hun geschillen, om op de hollende jongensbeenen af te stuiven. Maar die renden er, behalve één paar, allen tusschen door, de honden trappende, zoodat ze jankend wegstoven. Alle, behalve één paar. En die waren van mij.

Ik was bang voor honden. En toen ik daar zoo plotseling door zes of zeven blaffende honden besprongen werd, stond ik dadelijk stil. Ik durfde niet door die woedende bekken heenbreken.

Maar achter me kwam de kerel in zijn overhemdsmouwen en zijn bloote hoofd.

Toen stond ik ineens voor de uitstalkast van een koek- en banketwinkel. Dat was tegenwoordigheid van geest. En ik bewonderde de uitstalling met zoo ongeveinsde belangstelling, dat ik den man aan het twijfelen bracht.

Daar was een kunststuk van suikerbakkerij. Een tandarts had een boer een kies getrokken. Hij stond met de kies nog in de tang. Maar de boer hield beide handen aan 't pijnlijk vertrokken gezicht. En in witte suikerletters stond er bij te lezen:

Je hebt de verkeerde getrokken. Ik trek je ze allemaal voor hetzelfde geld.

Het geheele kunstwerk was in een glazen kastje geborgen.

Van dezen humor stond ik bevend te genieten, toen ik een stem achter me hoorde: „Jij was er ook bij, bliksemsche smeerlap!”

„Waarbij, meneer?”

„Ja, sta me nou maar niet te bedondere. Ik heb je heel goed gezien.”

„Ik weet nergens van, meneer!”

„Heb jij niet met je vuile poote aan dat winkelraam gezete?”

„Nee meneer, heusch, ik weet nergens van.”

Dat woord „heusch” was een woord, dat we alleen bij zulke gelegenheden gebruikten.

De meneer in zijn hemdsmouwen scheen zich door mijn schijnheilig gezicht toch te laten „bedondere”. Hij was niet zeker van zijn zaak. Grommend en scheldend trok hij af, terug naar zijn winkel.

Toen liep ook ik verder. Neen, ik wandelde verder. Wat genoot ik van mijn triomf! De andere waren naar huis gehold, de dwarsstraat uit, den hoek om, en zoo verder. Ik wandelde op mijn dooie gemak, als een rentenier, als iemand, die zijn tijd aan zich heeft en zijn omgeving volkomen beheerscht.

Daar kwam nog iets bij. De vent had zich nog eens kunnen bezinnen en me toch in mijn nek willen nemen. Daarom mocht hij geen oogenblik denken, dat ik haast had, om weg te komen. Zonder om te kijken slenterde ik de dwarsstraat door als een volmaakt onschuldige. Ik bleef in mijn rol.

„Wie niet sterk is, moet slim zijn.” Juist. Wie niet sterk is, dient slim te zijn. Of hij gaat ten onder.

Wie niet sterk is, is slim. Dat is zijn instinkt tot zelfbehoud.

Ik was niet beredeneerd slim. Ik had dat mooie redmiddeltje niet uitgedacht. Ik was instinktmatig slim, zooals een drenkeling instinktmatig de armen uitslaat. De slimheid was er, ineens, onbedacht. Ze was mezelf een verrassing. De slimheid—ge moogt ook zeggen: de huichelarij—was door den nood voortgebracht. Ze was een noodprodukt, gelijk zekere vieze lucht bij den bunzing.

Toen ik in onze straat en bij ons huis kwam, zaten de anderen reeds rustig op de stoep, zoo maar op de koude, hardsteenen stoep.

Een luid gejuich ging op, toen ze me zagen. Geen oogenblik hadden ze gevreesd, dat ik „in die kerel z'n poote” was gekomen. (Jongens gebruiken bij voorkeur ruwe woorden en sterke uitdrukkingen, evenals het plebs, niet uit plebeïschen zin, maar, en alweer evenals het plebs, uit onrijpheid: Kleine kinderen maken vuile luiers). Ze waren dus geen zier ongerust omtrent mij. Ik zou me wel gered hebben op een of andere manier. Wij waren niet kleinzeerig of gauw bekommerd ten opzichte van elkaar.

En toen begon het opsnijen. Ik hoor een der jongens nog vertellen, dat hij midden in dat hondengeraas op een grooten hond was gesprongen, dien bij zijn ooren had gepakt om hem te mennen, en zich zoo naar huis had laten rijden. En wij schenen dat te gelooven. Ik herinner me tenminste niet, dat het verhaal als onmogelijk verworpen werd. Het behoorde tot de heldenfeiten, die we verrichten of verzonnen, maar in ieder geval bewonderden.

Mijn daad werd ook bewonderd. Ik had dien kerel mooi (tegenwoordig zeggen de jongens: fijn) te pakken gehad. En niet een van ons dacht aan de schade, die we den man berokkend hadden.

Niet een begreep zijn woede over onze pure en brutale baldadigheid. We kwámen niet in zijn geval.

„Hè, wat bliksemde dat glas lekker naar beneje! En wat holde die kerel met zijn bloote kop! Jammer dat die honden hem niet in zijn poote gebeten hebbe!”

Dat was ons medelijden.

***

Nog twee herinneringen zijn me bijgebleven aan de school op de Lindengracht. Ze staan beide in verband met het huis van den bovenmeester.

Ik moet op een keer eens iets heel erg kwaads gedaan hebben. Wat, dat weet ik niet meer. Maar het nablijven in de gewone school was blijkbaar niet erg genoeg. Ik moest met meneer Kuyper mee, eenige portalen door, naar zijn woning, naast de school en daarmee verbonden.

Wij gingen een trap op, ik voor, hij achter. Wat was dat indrukwekkend. 't Was er zoo stil. En dan alleen met den bovenmeester. In zijn eigen huis!

Wij kwamen boven in een gang met witgestukadoorde muren. Er lag een looper.

Toen moest ik daar in den hoek staan. Meneer Kuyper ging naar binnen, in een kamer.

Ik stond er, doodstil.

Wat was het hier rustig.

Wat was het hier vredig.

En zoo netjes.

Er zweefde iets lieflijks in de atmosfeer.

Ik voelde me heerlijk. Volmaakt gelukkig.

En dat onder die allerstrengste straf.

Maar het zou veranderen. Meneer Kuyper had een hondje. Ik hoorde het blaffen. Weg was mijn rust. Voor iederen hond was ik bang. Nu stond ik doodsangsten uit, dat het dier in de gang zou komen.

Daar had je de ellende al. Een deur ging open. Blaffend kwam het keffertje er uit en rende natuurlijk aanstonds naar mijn beenen.

Ik drong me, in angst, tegen den muur aan, en begon luid te schreeuwen. Ik wrong me buiten het bereik van het gebit. Maar dat tuig is altijd zoo, dat ze juist bange jongens het ergst aanblaffen. 't Is onedel gedierte, bijna zoo onedel als een straatjongen.

Gelukkig klonk daar een lieve vrouwenstem. Die riep het hondje weg. Het was de nog jonge vrouw van den bovenmeester. Ze kwam in de gang. Ze zag mijn beschreide oogen, en zei enkele zachte woorden. Ze vroeg, of ik zoo erg ondeugend was geweest. Ik keek haar aan. Er was zeker iets smeekends in mijn blik. Ze legde haar hand op mijn hoofden streelde me. Toen ging ze even naar binnen, en bracht me een boterham.

Lieve schoolmeesters in Nederland, die dit leest. En ook gij, huisvaders. Luistert nu eens goed. Ik weet absoluut niets meer van het kwaad, dat me deze buitengewone straf op den hals heeft gehaald. Ik weet niets meer van den geduchten uitbrander, dien ik zeker gekregen moet hebben. Van die geheele geschiedenis weet ik niets meer.

Maar ik weet nog wel van die gang, en van dat hondje, en van die lieve vrouwenstem, en van die zachte vrouwenhand, en van die boterham.

Ik voel nog de verademing, de ontroering, de dankbaarheid bij haar verschijning. Die stem, die hand, die boterham, dat was nu opvoeding, dat was christelijke opvoeding.

Daar boven, in het hoekje tegen den muur, daar ben ik christelijk opgevoed. Zoo maar zonder catechismus. En in enkele oogenblikken.

Toe, geloof me nu eens. We beseften ons eigen kwaad zoo weinig, dat we er in roemden. We gaven niets om straffen, en als ze wat bijzonder waren, hadden we zelfs gevoel voor het aantrekkelijke er in. Maar ons harde hart brak bij een zacht woord. En we voelden ons gezegend en geheiligd door een teere hand.

***

We gaan nog eens naar het huis van den bovenmeester. Maar nu blijven we buiten staan.

't Is tusschen half negen en negen uur. De schooldeur is open. De kinderen komen de Lindegracht op. Maar allen kijken even naar de deur van het woonhuis. Daar is een briefje op aangebracht: „De zieke heeft een onrustigen nacht gehad. Toestand hetzelfde.” Dan loopen ze zacht door en gaan stil naar binnen.

Meneer Kuyper is ziek. 't Is ernstig, heel ernstig. Elken morgen wordt de toestand meegedeeld. Er mag niet gebeld worden.

Er ligt een donkere schaduw over de school. We denken niet aan ondeugendheid. Met den meester hebben we een wapenstilstand gesloten. Dit briefje stemt ons tot gehoorzaamheid, hem tot redelijkheid. Hij is een poos geen barbaar.

De zieke daarboven beheerscht de school. Alleen door zijn ziekte. Weet hij nog wel iets van wat er beneden gebeurt? Waarschijnlijk niet. Maar wij weten wel, wat daarboven gebeurt. Daar ligt hij ziek. Hij, die teere, bleeke figuur. Nu ligt hij te bed, nog bleeker dan ooit.

We weten wel zooveel, dat zulke briefjes op de deur een veeg teeken zijn. Dat doet men alleen bij heel, heel erge zieken. We loopen zacht het huis voorbij. Er is geen geschreeuw op de gracht. Hij is ziek. Hij.

De berichten op de deur worden steeds ernstiger. Eindelijk lezen we: „Hedennacht overleden.” De gordijnen zijn gezakt. Er is geen school. We gaan naar huis. Niets, niets blij met de vakantie.

Ik denk aan dien zachten man, biddende met zijn zachte stem. Ik hoor hem weer aan 't orgel.

Ik denk aan zijn lieve vrouw. Die zal nu wel erg bedroefd zijn.

Ik denk aan 't hondje.

En nu, veertig jaren later, denk ik:

Ik wou, dat die lieve vrouw nog leefde. En dat ze dan dit las. Dan zou ze hooren, wat ze zeker nooit geweten heeft, hoe dat ondeugende jongetje, daar boven in de gang—ze herinnert zich geen jongetje?—hoe dat jongetje haar en haar lieven man in gezegend aandenken heeft gehouden. Zijn leven lang.

Toen meneer Kuyper de school aan de Lindegracht verlaten had, ging ook ik weg. Ik heb een flauw vermoeden, dat het om achterstallig schoolgeld was, maar zeker weet ik het niet.

Maar ik was blij, dat ik wegging.

IN HUIS.

Inhoudsopgave

Wat weet ik nog van mijn huis? Ik ken er nog de heele geografie van, hoewel ik die nooit heb gememoriseerd. Hier is een stukje landkaart van den winkel.


Je ging met een stapje de blauwe hardsteenen stoep op. Rechts stond een groengeverfde houten bank. Die hadden toentertijd alle menschen terzij van hun huisdeur. De Potgieterkenners onder mijn lezers herinneren zich wel de prachtige strofe: „Oud Amsterdam was 't kijkje waard,” waarin onze dichter verklapt: „Ter sluik werd op die bank gekust.” Dat nu deden wij nog niet.

De stoep was voor ons wat de plankjes of het plat bij een duiventil zijn. We streken er op neer, als we van onze verre vluchten vermoeid thuis kwamen, ze was het buitenstuk van ons heim. Eenmaal op de stoep, waren we op ons erf. We zaten er, bij mooi weer, uren achtereen, terwijl de volwassenen op de bank van de avondlucht genoten. Vader zijn pijp rookend, een Goudsch krommertje. En dan bikkelden we er met de meisjes mee of deden malkaar verhalen, als 't wat donker werd, hoe griezeliger, hoe liever. Of we van die koude zitplaats buikpijn konden krijgen, daar dachten we niet aan, en in ieder geval bekommerden we er ons niet om, evenmin of de verbeelding verontrust of de slaap verstoord werd door die geschiedenissen.

Een van mijn vriendjes, Jan S., hoorde thuis prachtige vertellingen. Zijn vader las Zondagsavonds voor uit een boek: „Christemeijer. Verhalen uit de lijfstraffelijke regtspleging.” Hoe is het mogelijk, dat ik dien titel nog weet, met die onkinderlijke woorden van „lijfstraffelijke regtspleging.” Dat komt doordat ik soms bij dat voorlezen tegenwoordig mocht wezen, dan naar dat boek zat te kijken en ook het titelblad heb mogen zien. Wat een kind toch al leeren kan, als men hem het zien niet verbiedt!

Die verhalen waren echter voor ons te ingewikkeld. Wij vertelden elkaar van „Het huis met de hoofden.” Dat stond op de Keizersgracht, een groot heerenhuis met zeven manskoppen in den voorgevel. Eens was de familie van dat huis uit en een meid alleen thuis. Die hoorde 's avonds laat gerucht bij een klein venstertje in de onderverdieping. Zij ging er heen, begreep al gauw dat daar roovers waren, en kreeg geen flauwte, of vluchtte niet in een kast, maar zette zich, gewapend met een vlijmscherp broodmes, op post aan de binnenzij van 't kleine raampje. Daar kroop een kerel naar binnen. Zijn ruige kop was zichtbaar, gemeene kop, met ruwen baard. Hij werkte er zich doorheen. Maar nu helpt zij hem een handje, snijdt hem in één haal den kop af—we hoorden dien vallen—en trekt dan den kerel naar binnen. „Kom maar,” riep ze daarna met een gedempte mannenstem. Nummer twee kwam, doch werd net ontvangen als nummer een. En dat welkom werd het deel van alle zeven. Toen meneer en mevrouw thuis kwamen, kon de meid hun toonen, hoe wakker ze meneers bezittingen verdedigd had. Te harer eere werden er nu zeven koppen in den gevel aangebracht, en dikwijls maakten wij, jongens, een tocht naar dat huis, om de gemeene tronies aan te kijken, maar vooral om te tellen, of er wel echt zeven waren.

De paedagogiek kan uit deze eigenaardige bedevaarten leeren, welke beteekenis het woord heeft voor de zaakkennis, het belangstelling en onderzoekingslust wekkende woord. Maar dat woord moet dan interessant zijn, inslaan in de kinderziel, als het verhaal van „Het huis met de zeven hoofden”.

Een andere vertelling was van een kind, dat zijn beentje was afgezet, zonder dat beentje gestorven en begraven was, en nu elken nacht rondspookte, om zijn beentje te zoeken. Met een donkere grafstem liet de verteller het dwalende kind roepen: „Mijn beentje, mijn beentje! Wie heeft er mijn beentje?” Ademloos zaten we te luisteren naar den grafgewelfgalm in de klanken van dat beentje, de donkere ee, gevolgd door den galmend rekkenden neusklank. Beproef het eens, zeg het eens overluid met een zoekende, donkere, dreigende stem, en ge zult de werking van die beenderklanken hooren: „Wie heeft er mijn beentje?” De ee van heeft werkt eerbiedig mee, stille bijtoon bij de donkere grafgalmen. En als dan de verteller ons geheel in de stemming had gebracht, wij het spokende kind zagen en de smartelijke stem hoorden, dan sprong hij ineens op, greep een der toehoorders bij de schouders, en riep met woedend uitvallende stem: „Jij hebt mijn beentje!”

We wisten vooruit, dat dit komen moest, alleen wisten we niet wien het treffen zou, maar telken keer als het verhaal dien plotselingen keer nam, sprongen we verschrikt op, sidderend van ontsteltenis. Hè, dat was heerlijk geweest, zoo griezelig heerlijk.

Weer een ander verhaal was van den jongen edelman, die zijn vader vermoord had, om de vrije beschikking te kunnen krijgen over diens rijkdommen. Eenzaam zat de ontaarde zoon in zijn kasteel. Maar te midden van al zijn schatten voelde hij zich niet rustig. 't Was herfst. Buiten gierde de wind door 't gebladerte. En binnen was hij, luisterend naar alle gillen en loeien van den wind om 't hooge huis. Hoor, daar treft een vreemd geluid zijn oor. 't Is of er iemand de steenen trap oploopt. „Slof, slof, slof, slof!” Zoo sleepte zijn oude vader zich altijd naar boven. De zoon beeft van angst en onrust. Maar hij vermant zich, en gaat kijken. Daar ziet hij, langzaam de trap opzuchtend, een witte gestalte, in wijden mantel, en met langen, grijzen baard. Het is zijn vader. Ontzet snelt de vadermoordenaar naar binnen, werpt de deur in 't slot, en verbergt zich daarachter met zijn schuldig hart. Maar deuren en sloten mochten niet baten. Elken avond, op een vast uur, hoort hij dat zachte, maar doordringende: „Slof, slof, slof, slof.” Hij stopt zijn ooren toe, maar 't helpt niet. Dikke gordijnen hangt hij voor de deur, maar ze konden het geluid niet smoren. Klokke tien kondigde het eentonige, zuchtende gesleep op de trap het bezoek van den vermoorde aan, avond aan avond, totdat eindelijk de zoon krankzinnig werd van angst en niemand het groote kasteel meer durfde naderen.

Die uurtjes van vertellen waren zalig. De volwassenen zaten op de bank of op wat stoelen, die men er bij gezet had. Wij schoolden, terzij van 't huis, op de stoep samen, kropen dicht bijeen, en huiverden van genot. „Wat zijn de jongens stil,” zei Moeder dan, gewoon aan ons altijddurend hollen en schreeuwen en stoeien. Geen wonder. Wie zou een kik gegeven of beweging gemaakt hebben, bij het somber rondgaande: „Wie heeft er mijn beentje,” of het huiveringwekkende: „Slof, slof!” Die vertellingen met zoo'n telkens weer opdoemende vraag of herhaald geluid waren ons nog het liefste, want dan hoorde je het spookachtige telkens dichterbij komen. Je hart kromp er bij ineen. Dát was genieten. En dan ging je straks stil in huis en naar bed.

***

Van de stoep kwam je in den winkel. Wat beteekende die winkel voor ons, kinderen? Een last en een lust.

De last was het boodschappen-loopen. Pas was je uit school, of je hoorde: „Loop eens gauw naar die of die en breng daar de koffie.” Die of die woonde natuurlijk niet in de buurt, anders was de boodschap niet noodig geweest. En dan moest je, in plaats van lekker op straat te spelen, een half uur ver, met moede beenen slenteren door vervelende straten of langs lange grachten. Die beenen zouden niets moe zijn geweest, als ze hadden mogen hollen bij het krijgertje-spelen. En hier moet de paedalogie bij haar vermoeidheidsproeven eens goed nota van nemen. Ik bedoel, of de vermoeidheid dikwijls niet meer in de gedrukte gemoedsstemming zit, dan in het werk; of tegenzin en teleurstelling niet meer verlammen dan physieke en geestelijke inspanning, al hebben deze—natuurlijk!—haar grenzen.

Vooral de Zaterdagnamiddag was voor mijn twee jaar ouderen broer en mij een ellende. Dan moesten we geregeld „klantenloopen”. Met zware manden sjokten we dan eerst het eene eind van de stad in, en dan het andere.

Gelukkig hadden we onze bepaalde menschen, waar je altijd een paar centen kreeg. Dat waren dan meestal goedige dienstboden, en dat kan ik nu, uit de verte, best begrijpen: die wisten bij ervaring, hoe aangenaam zoo'n kleine verrassing is. Men ijvert vaak tegen de fooien. Zeker, er zit een kwaad aan vast. Maar toch ook, zoo'n enorme massa levensgeluk wordt in die kleine schenkingen dagelijks onder de menschen verspreid. Ik geef ze graag, omdat ik ze altijd zoo graag ontvangen heb. Een paar centen, en een lange, zware terugweg werd verkort en verlicht. En dat zou nooit bereikt zijn door een vast loon, al wil de redeneerzieke mechanicus dit ook beweren. Een gulden meer weekloon is niet hetzelfde als een gulden fooien. Zoo iets meent en verdedigt alleen de kortzichtige in-mekaar-zetter van 't leven. Die verhooging van weekloon wordt al gauw een stuk gewoonte, niet meer gevoeld, niet meer gewaardeerd; niet meer een levensvreugde. En die langzaam bijeen gekregen fooien, opklimmend tot bij, tot aan den gulden, maken de heele week goed, dag aan dag, geven telkens een geluksemotie.

Nu moet men niet zeggen: O, die kapitalistische Jan Ligthart is tegen loonsverhooging en wil den minderen man liefst met fooien afschepen, met gunsten, in plaats van met rechten, zoo houdt hij ze meteen in vriendelijke onderdanigheid, want dan heeft men de strekking der opmerking niet begrepen. Ik wil alleen, bij de steeds toenemende vermechanieking van het leven, er op wijzen, dat er ruimte moet blijven voor spontane uitingen en er aan herinneren, dat een mensch altijd een kind blijft, gevoeliger voor kleine verrassingen, dan voor groote geregeldheden. Wij waren gelukkig met een paar centen, en ik zal al heel blij zijn, als dit mijn kindergeluk dezen of genen lezer of lezeres bewegen mocht, den jongen van den kleermaker of uit den mantelwinkel, die een half uur ver met die zware doos aan zijn arm heeft gesjouwd, niet te laten afdruipen zonder hem eerst vijf centen in de hand te hebben geduwd. Ik verzeker u plechtig, dat hij geen principieele bezwaren zal maken. En men zal eens zien, wat zoo'n stuiver een invloed heeft, niet alleen op zijn beleefdheid, maar ook op zijn beenen. Vermoeidheid en—gemoedsstemming.

Een der klanten was een oude nicht. Ze woonde—wat weet ik dat nog goed—binnenshuis (we zeggen tegenwoordig „en pension”) op den Haarlemmerdijk. Ik zie den weg nog, dien we volgden, en op dien weg een heel gemeenen streek, dien ik uithaalde. Nicht was een oude, vriendelijke vrouw. Als we de boodschappen brachten, mochten we altijd boven komen, op haar keurig nette kamer. Bij de boodschappen was ook geregeld een half pond Janhagel, dat we eerst haalden bij Hagtingius, den koekbakker, die in een mooi hoekhuis recht tegenover ons woonde, de brug over. Die naam Hagtingius—ik durf er op zweren—is goed gespeld, en kwam toch in geen enkel taalboekje voor. Ik zag hem dagelijks, en, zooals kinderen doen als 't hun niet verboden wordt, ik keek er naar en las hem meermalen hardop. Kinderen prenten zichzelf zoo onnoemelijk veel in—als 't hun niet verboden wordt. Een wandelend jongetje, dat op straat bij ieder stuk „taalwerk” staan blijft, om het opmerkzaam te lezen, wordt echter gewoonlijk door zijn moeder meegesleurd. Moeders hebben geen aasje idee, hoe ze daarbij hun kinderen het groeien belemmeren. Zelfs schoolmeesters weten dat menigmaal niet.

Maar wat heeft Hagtingius met mijn oude nicht te maken? Hij deed de lange reepen Janhagel in een witpapieren zak en die goeie nicht haalde de heele stukken daar uit en gaf ons de brokken. Dat wisten we, het gebeurde week aan week. En wat deden we nu? Onderweg hielden we den zak onder den arm en drukten er telkens tegen. Als we dan iets voelden knappen, hadden we ons stukkendeel vermeerderd. En begrijp nu wel, hoe listig, hoe huichelachtig ik daarbij te werk ging. Rondweg, door snoepen, ons verrijken, deden we niet. Dat was „stelen”. Den zak openmaken, om een paar reepen door te breken, deden we ook niet, want je kon zoo'n zak nooit weer zoo netjes in de plooien toevouwen als de winkelier. Maar, moedwillig per ongeluk, den koek onder den arm kneuzen, dat deed ik wel. Zoo kon ik mijn deel vergrooten, en mijn geweten in rust houden. Heeft Jeremia niet geschreven: „Arglistig is het hart, meer dan eenig ding; doodelijk is het. Wie zal het kennen?” Ons onschuldig kinderhartje muntte ook al uit in arglistigheid. En als we dan bij nicht waren, en ze legde zoo netjes de reepen in haar verlakte koektrommeltjes, en ze gaf ons met een vriendelijk gezicht en een zachte hand al die brokken, dan stonden we daar met een schijnheilig gezicht bij, namen als zoete jongetjes—het petje in de linkerhand—de brokken met de rechterhand aan, want je moest altijd iets met de rechterhand aannemen, dat was netjes, ook de door bedrog verkregen dingen, en, kleine, gemeene huichelaars als we waren, groetten nicht heel beleefd, want ook dat hoorde zoo, en gingen met ons listig gestolen goed de straat op, om daar er van te genieten. Gestolen? Nicht had het ons toch eerlijk gegeven? „Arglistig is het hart, meer dan eenig ding.”

En nu knoopt zich aan deze afzetterij nog een ervaring vast. Nicht had een meid-huishoudster, die ons altijd met een heel zoetsappig gezicht begroette. De vriendelijkheid kwijlde haar haast uit den mond, als ze ons de deur opende met haar temerig: „Dag jongeheeren! Zal uwe goed uw voetjes vegen!” Als neefjes van haar „commesales” behandelde ze ons met voorzichtigen eerbied. Maar eens hoorden we haar, over ons sprekend, zich gansch anders uiten. „Daar komme die jongens weer met d'r vuile poote je trap bederve. Nou hei je ze pas schoon.” Toen had ze voor goed bij ons gedaan, dat gemeene wijf, dat zoo vriendelijk was in je gezicht en achter je rug op zoo'n manier over je sprak. We konden haar niet meer luchten of zien, hadden een hartgrondigen afkeer van haar gemeene huichelarij.

Wonderlijk toch. Háár huichelarij konden we niet vergeven, en de onze, ofschoon er eigenlijk nog afzetterij mee gepaard ging, bezwaarde ons niemendal.

Zouden we, nu als volwassenen, nog net zoo zijn? Zou er ook nu nog een hemelsbreed verschil zijn tusschen het kwaad van buurman en het onze?

Om de waarheid te zeggen, ik geloof, dat we ook hierin kinderen blijven. Sommigen schijnen te meenen, dat een kind in menig opzicht een gansch ander wezen is dan de volwassenen. Ik heb altijd gedacht, dat de volwassenen precies nog kinderen zijn, uitgegroeide kinderen. In mezelf vind ik nog in alle opzichten het kind terug. En pas dus maar goed met me op, want je ziet, met mijn schijnheilig gezicht ben ik een gemeene huichelaar, terwijl ik me nog bovendien erger aan uw huichelarij en daar mijn veroordeelend vonnis over strijk.

We zijn als de jongen, wiens duiven door de kat werden opgegeten. Die kat is een gemeen roofdier, maar wij, die kippetjes slachten en konijntjes braden, wij zijn brave wezens. Terwijl we de malsche boutjes smakelijk verorberen, zitten we die kat te verwenschen en smeden moordplannen op haar leven. Zien niet, dat, als zij zondigt, wij het nog in veel erger mate doen. De oude geschiedenis van den splinter en den balk. Daarom lijkt het mij zoo goed, bij ieder concreet geval, het kind aan zichzelf te ontdekken. Niet in algemeene preekjes, maar in persoonlijke ervaringen leeren we onszelf kennen, als wijze liefde ons maar de oogen opent. Maar het is veel gemakkelijker—te genieten met de oogen dicht.

***

De lusten van den winkel—het is droevig, dit opnieuw te moeten belijden—bestonden in het snoepen, dus in het bestelen mijner ouders. Achter de toonbank ging men langs een trapje van drie treden omhoog naar de huiskamer. Op mijn „kaart” is het trapje door een paar lijnen aangegeven. De huiskamer had geen anderen uitgang, en we konden dus nooit naar buiten, of 't ging het trapje af, achter de toonbank om, den winkel door. Bij dien tocht liepen we door een wereld van verleidingen: de krenten, de rozijnen, de vijgen, de broodsuiker, de witte en de bruine kandijklontjes, zij lagen in open bakken, lokkend de koopers van buiten en de snoepers van binnen. Onder de toonbank stonden de vaten met stroop en appelgelei, ook lokkend, zij het onzichtbaar, lokkend door een geweten tegenwoordigheid. En nu ging ik maar zelden den winkel door, zonder in de gauwigheid wat te snoepen: een greep uit den krentenbak, een lik uit de stroopton. Alleen het oog der volwassenen, dat door de neteldoeksche gordijnen van de glazen kamerdeur ons kon bespieden, of de aanwezigheid van den winkelknecht weerhield er ons van. Maar anders—ik beloof u, dat ik weet wat snoepen is. Het was voor mij niet een zonde van nu en dan, het was een dagelijksch bedrijf.

En nu komt weer het wonderlijke. In de Eglantiersdwarsstraat, geen twintig huizen van ons af en schuin tegenover ons, werd een nieuwe kruidenierswinkel geopend, een konkurrent. En hij schaamde zich zijn doel niet: met mooie, groote letters stond er op geschilderd: DE CONCURRENT. Dat vonden we allemaal gemeen. Dat die man zijn brood moest verdienen, spreekt vanzelf, maar dat hij zoo openlijk voor zijn doel uitkwam, om je te verdringen, en daartoe vlak in je nabijheid kwam zitten, dat was een laagheid. En we haatten dien man. Wanneer ik in de straat speelde, of naar school ging, was die winkel mij een voortdurende haatprikkel, en te meer, omdat hij er zoo mooi uitzag, alles zoo nieuw en frisch en goed in de verf, en de waren met groote cijfers alle iets lager geprijsd dan bij ons.

De gevolgen bleven niet uit. De eene klant na de andere verliet ons, natuurlijk niet de „uitbrengklanten”, maar de „winkelklanten”, de burger- en arbeidersvrouwtjes uit de buurt. Ze konden 't daar goedkooper krijgen. En alleen de enkele goede vrienden en buren bleven, en dan zij, die in 't krijt stonden en dus maar niet dadelijk weg durfden gaan. Toch, ook die verlieten ons, en wellicht juist door hun achterstand. Ze konden hun schuld toch niet betalen, en dropen nu langzaam af. Dan hadden ze meteen de zachte aanmaningen tot betalen niet meer aan te hooren.

Mijn vader was een zachtaardig, eerlijk man, totaal ongeschikt voor zaken. Hij geloofde iedereen en liet zich door iedereen bedriegen. Door de reizigers en leveranciers, die hem bedorven waar aansmeerden—ik weet nog van een heel vat gedroogde pruimen, waar de maden uitkropen—en door de klanten, die hem niet betaalden. Geen wonder dus dat de zaak, nu daar bovendien een bloedzuigende konkurrent haar dagelijks het levensvocht aftapte, spoedig verzwakte en verstierf. Alle pogingen, om met de uiterste vriendelijkheid en inschikkelijkheid de klanten te behouden, mochten niet baten. Eerst praatten de menschen met je mee, vonden het een schandaal dat zoo iets maar mocht, iemand zoo het brood uit den mond stelen. Dan lieten ze zich ontvallen, dat een beetje lager prijs in een huishouden toch maar goed te pas kwam. Eindelijk bleven ze weg, en je zag ze je deur voorbijgaan, naar den konkurrent. Zaterdagsavonds stond daar de winkel berstens vol. O, ik zag het, met het hart vol nijd en wee, en de oogen vol tranen. En 's avonds, in bed, bad ik met een heel warm hart Onzen lieven Heer, of Hij vader nu toch niet helpen kon.

Maar hoe hielp ik? Door——te blijven snoepen.

Is dat nu niet wonderlijk? Diep voelde ik met mijn vader mee. Vurig bad ik, dat Onze lieve Heer hem helpen mocht. En ik had zelf zoo braaf geholpen, met hem arm te snoepen en ging daar gewoon mee voort.

Ik haatte den konkurrent, haatte de buurtmenschen die wegbleven, haatte al wie mijn vader benadeelden. Waarom haatte ik zijn jongsten zoon, waarom haatte ik mijzelf niet, die hem voortdurend met kleinigheden had bestolen?

Praatte ik mijn misdrijf wellicht goed met een mooischijnende redeneering?

O neen, 't was veel erger. Ik voelde mijn misdrijf niet eens. Ik wist het, en ik zag het toch niet.

Wanneer ik mijn broer zoo had zien snoepen, zou ik hem zeker een harteloos kind gevonden hebben. Je vader te benadeelen, die toch al zoo in nood zat! Neen, tot zulk een gemeenheid zou ik zeker nooit in staat zijn geweest!

Maar nu ik het zelf deed? Nu zag ik de gemeenheid niet, ofschoon ik ze verstandelijk wist. Nu had ik ze niet eens te verontschuldigen, omdat ze niet als schuld in me werkte.

Schuldbesef is niet genoeg. Er moet in 't menschen- en kinderhart schuldonrust zijn, schuldellende.

Neen, de zedelijke opvoeding is zoo gemakkelijk niet. Men komt er niet met een preekje. Afkeer van het kwaad is zoo moeilijk aan te brengen. We bepalen ons gewoonlijk tot afkeer van de nare gevolgen van het kwaad. Als die ons maar niet plaagden, zouden we met het kwaad nog wel vrede hebben. Het kwaad voldoet zoo aan al onze zinnelijke en zondige begeerten, het vleit ons, het streelt ons. Maar de eenige begeerte die ons verheffen kon, de begeerte naar heiligheid, die is er niet. We verbeelden 't ons wel, maar 't is zelfbedrog. Arglistig is het hart. Daarom is de bede om een „nieuw hart” zielkundig zoo juist en zoo dringend noodig. Maar zal die bede waarachtig zijn, dan moet er al vernieuwing des harten werken. Het bidden zelf, dat wil zeggen: niet het prevelen, niet het uitgalmen, maar het hartgrondig en waarachtig begeeren is al een bewijs van het „nieuwe leven”.

Meermalen verwonderen we ons, hoe een dronkaard zijn gansche gezin ongelukkig kan maken door toe te geven aan zijn drankzucht. Die dronkaard zat ook in mij. Ik vertrouw, dat mijn lezers betere menschen zijn.

***

Men heeft al begrepen, dat we den winkel moesten verlaten. Doch zoo ver zijn we thans nog niet. We moeten eerst het huis nog verder doorgaan, om er uit alle hoekjes de herinneringen op te roepen.

De huiskamer heeft me niet veel te vertellen. Alleen dat ledikant daar. Daar lag mijn jongste zusje in, toen ze de pokken had. Twee kinderen van het gezin waren niet ingeënt, en juist die twee werden tijdens een pokken-epidemie door de ziekte aangetast. Wat dat beteekende voor een winkel—ach, wat wordt er in sommige gezinnen soms bitter geleden. Twee kinderen ziek, de winkel leeg, dagelijksche angsten, geen inkomsten. En dat weken achtereen. Is het wonder, dat een winkelier geneigd is, zulke ziekten te verzwijgen? Gelukkig kunnen zij zich thans verzekeren tegen de schadelijke gevolgen van besmettelijke ziekten.

Het stond er met Zusje treurig voor. Wij mochten natuurlijk niet bij haar komen. Maar op zekeren dag werden we toch bij haar gebracht. De dokter had gezegd, dat ze 't niet meer op kon halen, de ziekte was te hevig. En toen werden we aan Moeders hand in de kamer geleid. Ik weet dat nog heel goed. 't Behangsel van het ledikant werd opengeslagen, en daar lag het kind: een gelaat, geheel bedekt met zweren en korsten, één en al rood van de zweren. Het vroeger fijne gezichtje was opgezet, de oogjes verdwenen er in, de oorknopjes waren niet meer zichtbaar. Ik ging naar 't bed, en gaf haar een hand. Even bleven we staan; Moeder schreide. Toen liet Moeder het behangsel weer vallen en gingen we heen.

Ik herinner me absoluut geen vrees voor besmetting, ook geen vrees voor den dood. Alleen herinner ik me dat roode, vurige, opgezette hoofdje, liggende op het kussen, den blik der weggezonken oogjes, en het uitgestoken handje.

Wonder boven wonder, Zusje genas. Wat moet er in het gezin toen een blijdschap geweest zijn. Eerst die zorg, die angst, die hopelooze smart—en nu die vreugde. Dat zijn toch dingen van beteekenis in een huisgezin. Maar zij schijnen grootendeels buiten mij omgegaan, eerst de angst, toen de blijdschap. Er staat me tenminste niets meer van voor. Zoo zeer leefde ik in mijn eigen leventje. En zou dat niet met de meeste kinderen zoo zijn? Ze voelen meer voor de droeve lotgevallen in de verhaaltjes, dan voor de smarten in hun naasten kring. Ik herinner me heel nauwkeurig het zieke kind in haar bedje, alles wat ik gezien heb. Waarom ook niet de gevoelens, die toen het gezin beheerschten? Die gevoelens lagen waarschijnlijk buiten mijn levenssfeer. En dat stemt geheel overeen met de ervaring, die ik telkens opdoe. Kinderen van acht en negen jaar komen mij als een interessant geval vertellen, dat hun vader gestorven is of hun broertje. Bizonderheden daarbij deelen ze mij mee als iets merkwaardigs. Ook met hun kameraadjes spreken ze er zoo over. Er is geen spoor van aandoening te ontdekken. En dat is niet juist bij „ruwe jongens”, maar ook bij heel „lieve en gevoelige meisjes”. Natuurlijk zou ik wel kans zien, ze gauw aan 't schreien te maken, maar dat is geen kunst. Een feit is echter, dat de aangrijpende, smartelijke en voor hen zelfs zeer noodlottige gebeurtenissen, door de kinderen—de uitzonderingen daargelaten—niet schijnen te worden gevoeld.

Wel was ik er zeer gevoelig voor, wanneer later de jongens op straat Zus voor „mottige” uitscholden. Ik mocht, in een bui van drift, me dan zelf nu en dan die vrijheid veroorloven, van vreemde jongens duldde ik het niet. Onmiddellijk vloog ik er op af en roste er op. En heel eigenaardig, een verontwaardigde en moedige jongen is sterk, al is hij zwak. Zulke afrosserijen liepen nooit ongunstig voor me af. Dan was er iets in me van een leeuw, die zijn welpen verdedigt. Een drift, die geen gevaren telt, geen gevaren ziet, die voor niets terugdeinst en daardoor onoverwinnelijk is. Ha, ik zou ze kapot geslagen hebben. En omdat ze dat zagen, en omdat ze dat voelden, daarom deinsden zij terug. Maar zulk een kracht ontwikkel je alleen, als je losbarst voor een edele zaak. En is er iets edeler, dan op te komen voor een „mottig” zusje? Zij kon het toch niet helpen, dat die ziekte haar zoo mismaakt had?

Ik was niet de eenige jongen, die gevoeliger was voor een scheldwoord dan voor ziekte en dood. Het was regel, dat geen enkele jongen zijn vader of moeder liet uitschelden. Wie zich dat veroorloofde, kon op een onmiddellijk pak slaag rekenen. Schooiers van de straat—als hoedanig wij onszelf nooit beschouwden—scholden nog wel eens van: „Je ouwe vaar, die gezete het”, of, nog erger, „die gehange het”. Maar werd die smaad niet zonder omwegen met een afrossing betaald, dan bracht dat de gescholdene bij ons in minachting, die zulk een smaad op zich had laten zitten. „Van mijn mag je zeggen, wat je wilt, maar van mijn vader blijf je af,” luidde het steeds. Is dit niet iets buitengewoon liefs en aantrekkelijks in de jongenswereld? Ik heb het altijd een heerlijk verschijnsel gevonden. Zelfs de grootste belhamel en de ongehoorzaamste zoon liet zijn vader niet beleedigen. Dit raakte zijn eer, zijn hoogste eer. En dan had je toentertijd nog onderwijzers—hoe is 't mogelijk—die zich niet ontzagen, een jongen te krenken in zijn ouders. Men heeft me wel eens verzekerd, dat zulke er nog zijn. Maar dàt is haast niet te gelooven.

Бесплатный фрагмент закончился.

179,58 ₽
Возрастное ограничение:
0+
Дата выхода на Литрес:
16 января 2025
Объем:
282 стр. 4 иллюстрации
ISBN:
4064066313517
Издатель:
Правообладатель:
Bookwire
Формат скачивания:

Похожие книги