Читать книгу: «De drie steden: Parijs»
Émile Zola
De drie steden: Parijs

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066404819
Inhoudsopgave
EERSTE BOEK
I.
II.
III.
IV.
V.
TWEEDE BOEK
I.
II.
III.
IV.
V.
DERDE BOEK
I.
II.
III.
IV.
V.
VIERDE BOEK.
I.
II.
III.
IV.
V.
VIJFDE BOEK
I.
II.
III.
IV.
V.
DE MEULENHOFF-EDITIE
GEEFT EEN GOED BOEK IN EEN GOED KLEED VOOR WEINIG GELD.
EERSTE BOEK
Inhoudsopgave
[Inhoud]
I.
Inhoudsopgave
Op een ochtend in het eind van Januari stond abbé Pierre Froment, die in den Sacré-Cœur van Montmartre een mis moest lezen, reeds voor acht uur voor de basilica. Alvorens naar binnen te gaan, keek hij een oogenblik naar Parijs, welks grenzenlooze zee zich aan zijn voeten ontrolde.
Na twee maanden van vreeselijke koude, sneeuw en ijs lag Parijs nu als het ware gedompeld in een somberen, huiverenden dooi. Uit den wijden, loodkleurigen hemel hing een dichte nevel als een rouwsluier. Het geheele Oosten der stad, de wijken van armoede en werk, schenen in rosachtige dampen, waarin men den adem van werkplaatsen en fabrieken vermoedde, gehuld, terwijl naar het Westen, naar de wijken van rijkdom en genot, de mist òplichtte, niet meer dan een fijne, onbeweeglijke nevelsluier was. Nauwlijks kon men raden, waar de ronde lijn van den horizont was, het onmetelijke huizenveld geleek een chaos van steenen, bezaaid met stilstaande poelen, die de inzinkingen met een valen waterdamp vulden, en waartegen de muurkappen der gebouwen en de hoog gelegen straten roetachtig zwart afstaken. Het was een mysterievol, door wolken omsluierd Parijs, als begraven onder de asch van een ramp, reeds half verdwenen onder het lijden en de schande van wat zijn onmetelijkheid verborg.
Mager en droefgeestig in zijn dunne soutane stond Pierre nog te kijken, toen abbé Rose, die zich blijkbaar achter een pilaar verscholen had, om hem op te wachten, op hem toetrad.
“Zoo, ben jij daar eindelijk, beste jongen? Ik heb je wat te vragen.”
Hij scheen verlegen, zenuwachtig. Wantrouwend keek hij [6]om zich heen, of er niemand was; dan nam hij hem, alsof de eenzaamheid hem niet voldoende gerust stelde, een paar passen mede in den ijzigen Noordenwind, dien hij blijkbaar niet eens voelde.
“Luister eens, het betreft een armen man, over wien ze me gesproken hebben, een ouden man van zeventig jaar, die niet meer werken kan en in een krot in de rue des Saules van honger omkomt… En nou had ik gedacht, beste jongen, dat jij die drie francs uit mijn naam moest gaan brengen, dan heeft hij tenminste nog voor een paar dagen brood.”
“Maar waarom gaat u zelf uw aalmoes niet brengen?”
Weer werd abbé Rose zenuwachtig en keek met verschrikte, schuwe blikken om zich heen.
“Neen, neen, dat kan ik niet na al die onaangenaamheden, die ik ondervonden heb. Je weet heel goed, dat ze op me letten en dat ik weer een standje krijgen zou, als ze merkten, dat ik zoo maar gaf, zonder te weten aan wien ik geef. Ja, ik heb, om die drie francs te krijgen, wat moeten verkoopen… Ik smeek je, beste jongen, bewijs mij dezen dienst.”
Diep ontroerd keek Pierre naar den goeden, reeds geheel grijzen priester met zijn dikken, goedigen mond, zijn heldere kinderoogen in het ronde, glimlachende gezicht. In een opwelling van bitterheid herinnerde Pierre zich de geschiedenis, van dezen vriend der armen, de ongenade, waarin deze vrome, menschlievende man door zijn verheven rechtschapenheid gevallen was. Zijn kleine rez-de-chaussée in de rue de Charonne, waarvan hij een asyl gemaakt had, waarin hij alle ellende der straat opnam, was ten slotte de oorzaak van een schandaal geworden. Men maakte er misbruik van zijn goedgeloovigheid en van zijn onschuld; zonder dat hij er ook maar iets van vermoedde, gebeurden er de schandelijkste dingen. Snollen, die geen man gevonden hadden, om haar mede te nemen, zochten hier haar onderkomen. De gemeenste rendez-vous werden er gegeven, het was een afschuwelijke vermenging van geslachten. Op een goeden nacht had de politie een inval gedaan, om een wegens kindermoord verdacht meisje van dertien jaar te arresteeren. De kerkelijke autoriteit had daarop abbé Rose gedwongen zijn asyl te sluiten door hem over te plaatsen naar de St. Pierre de Montmartre, waar hij zijn vicariaat terugkreeg. Het was geen ongenade, maar een eenvoudige overplaatsing. Men had hem [7]verwijten gedaan, terwijl men nu, zooals hij zeide, zijn gangen naging; hij schaamde zich en voelde zich ongelukkig, omdat hij nu slechts in het geheim geven kon, als een dwaze verkwister, die bloost over zijn fouten.
Pierre nam de drie francs.
“Ik beloof u, dat ik heel graag doen zal wat u vraagt.”
“Je gaat toch zeker na je mis? Hij heet Laveuve en woont in de rue des Saules in een huis met een binnenplaats, even voor je in de rue Marcadet komt. Je zult het makkelijk vinden… En als je zoo goed wilt zijn me vanavond om vijf uur in de Madeleine, waar ik naar een lezing van monseigneur Martha ga luisteren, te komen vertellen hoe het afgeloopen is, dan zou je me een heel groot plezier doen. Monseigneur Martha is altijd zoo hartelijk voor me geweest. Kom jij ook niet luisteren?”
Pierre antwoordde met een ontwijkend gebaar. Monseigneur Martha, bisschop van Persepolis, die in het aartsbisschoppelijk paleis veel invloed had, sedert hij als werkelijk geniaal propagandist de inkomsten voor den Sacré-Cœur vertienvoudigde, had inderdaad abbé Rose onder zijn bescherming genomen en doorgezet, dat men hem in Parijs liet en weer naar de Saint-Pierre de Montmartre Verplaatst had.
“Ik weet niet of ik zal kunnen blijven,” zeide Pierre. “Maar in ieder geval kom ik u mijn bevindingen vertellen.”
De Noordenwind en de grimmige koude doordrong hen beiden op den eenzamen top, in den mist, welke de groote stad in een oceaan van nevels veranderde. Maar stappen deden zich hooren; en dadelijk weer vol wantrouwen, zag abbé Rose een zeer grooten en krachtigen man voorbijgaan. Hij droeg overschoenen en liep blootshoofds met zijn dik, grijs, kortgeknipt haar.
“Is dat je broer niet?” vroeg de priester.
“Ja,” antwoordde Pierre kalm; “het is mijn broer Guillaume. Nu ik in den laatsten tijd nog al eens in den Sacré-Cœur kom, zie ik hem vrij dikwijls. Hij woont hier nu al vijf-en-twintig jaar in de buurt, geloof ik. Als we elkaar tegenkomen, geven we elkaar een hand. Maar ik ben nog niet bij hem geweest… Och, tusschen ons is alles dood, we hebben niets gemeenschappelijks meer, werelden scheiden ons…”
Het liefdevolle glimlachje van abbé Rose kwam weer terug en hij maakte een gebaar, als wilde hij te kennen [8]geven, dat men nooit aan de liefde moet wanhopen. Guillaume Froment, een geleerde met een helder hoofd, een chemicus, een afvallige, die geheel afgezonderd leefde, was nu een van z’n parochianen geworden, en wanneer de abbé langs het huis, waarin hij met zijn drie volwassen zonen steeds aan het werk was, kwam, voelde hij het als een ideaal om hem voor God te heroveren.
“Maar ik laat je hier maar in dit akelige, koude weer staan, en zoo warm ben jij ook niet gekleed… Ga je mis lezen. Tot vanavond in de Madeleine.”
En weer rondkijkend, of niemand hem hooren kon, voegde hij er smeekend, met zijn gezicht van een kind, dat altijd doet wat het niet doen mag, aan toe:
“En spreek er met niemand over. Anders zeggen ze weer, dat ik me niet goed gedraag.”
Pierre keek abbé Rose na, die zich verwijderde in de richting van de rue Cortot, waar de oude priester op een vochtigen rez-de-chaussée, die door het uitzicht op een tuintje opgevroolijkt werd, woonde. De asch, waaronder Parijs begraven lag, scheen onder de vlagen van den ijzigen Noordenwind dikker te worden. Eindelijk ging Pierre de basilica binnen. Zijn hart weende, was vol van de bitterheid, welke dit bankroet der naastenliefde in hem opgewoeld had. Welk een verschrikkelijke ironie, dat deze vrome man gestraft was omdat hij gegeven had, dat hij zich achter een pilaar verbergen moest, om te blijven geven! Niets verzachtte het branden van deze weer open gegane wond, noch den lauw-warmen vrede, dien hij binnentrad, noch de zwijgende plechtigheid van het breede, diepe schip met zijn kale, nieuwe steenen. Er waren nog geen schilderijen, geen versieringen in; de stelling, die opgericht was voor den in aanbouw zijnden koepel, versperde half den weg. Op dit vroege ochtenduur, in het grijze licht, dat door de hooge, smalle vensters binnenviel, waren aan verscheidene altaren reeds verscheidene stille missen gelezen, brandden achter in de apsis gewijde kaarsen. Vlug liep Pierre naar de sacristie, om daar de heilige gewaden aan te trekken en dan in de kapel Saint-Vincent-de-Paul zijn mis te lezen.
Maar nu de herinneringen eenmaal in hem teruggekomen waren, dacht Pierre, terwijl hij machinaal de voorgeschreven gebaren maakte, slechts aan zijn wanhoop. Sedert zijn terugkomst uit Rome—drie jaar geleden nu—leefde hij in den vreeselijksten ziele-angst, waarin een mensch geraken [9]kan. Om zijn verloren geloof terug te vinden, had hij een eerste proef genomen, was hij naar Lourdes gegaan, om daar het naïeve kindergeloof te zoeken, dat nederknielt en bidt, het primitieve geloof der jonge volkeren, die gebogen zijn onder het juk van hun onwetendheid. Maar bij het zien van de verheerlijking van het absurde en van het verval van het gezonde menschenverstand was hij nog meer in verzet gekomen en had de overtuiging gekregen, dat het heil, de vrede der hedendaagsche menschen en volkeren niet liggen kan in het kinderlijk opgeven van de rede. Vervolgens had hij, weer aangegrepen door den drang, om lief te hebben, met een tweede proef zijn laatsten vrede op het spel gezet en was naar Rome gegaan, om te zien, of het Katholicisme zich vernieuwen, tot den geest van het oorspronkelijk Christendom terugkeeren, de godsdienst van de democratie, het geloof zijn kon, dat de moderne in doodsgevaar verkeerende wereld verwachtte, om verder in vrede te kunnen leven; maar hij had daar niets gevonden dan puinhoopen, dan den verrotten stam van een boom, die geen nieuwe vruchten meer dragen kan; had er niets gehoord dan het laatste kraken van het oude, maatschappelijke gebouw, dat op het punt stond in te storten. Weer aangegrepen door zijn grooten twijfel, waarin hij bijna alles ontkende, was hij toen, uit naam van hun armen door abbé Rose teruggeroepen, weer naar Parijs teruggegaan, om daar te vergeten, zich op te offeren, te gelooven in hen, omdat zij met hun vreeselijke lijden alleen voor hem bestonden. En van af dat oogenblik, sedert die drie jaar was hij gestooten op dit bankroet der goedheid zelve, op de belachelijke, nuttelooze, gehoonde naastenliefde.
Deze drie laatste jaren had Pierre in een onophoudelijk toegenomen marteling doorleefd, waarin ten slotte zijn geheele wezen onderging. Zijn geloof was voor altijd gestorven, ja zelfs zijn hoop, om het geloof der menigte voor het gemeenschappelijk heil te benutten, was geheel vervlogen. Hij loochende alles, verwachtte niets meer dan de onvermijdelijke slotcatastrophe, opstand, moordpartijen en brandstichting, die een schuldige en tot ondergang gedoemde wereld moesten wegvagen. Als ongeloovig priester wakend over het geloof van anderen, kuisch en fatsoenlijk zijn beroep vervullend, vol trotsche droefheid, dat hij geen afstand had kunnen doen van zijn rede, zooals hij afstand gedaan had van zijn vleesch en van zijn droom om redder der volkeren [10]te zijn, hield hij zich toch staande in een eenzame en wilde grootschheid. Deze wanhopige loochenaar, die de diepte van het Niet gepeild en aangeraakt had, behield een zoo trotsche en ernstige, door zoo reine goedheid doorgeurde houding, dat hij in zijn parochie Neuilly de reputatie van een door God beminden, jongen heilige gekregen had, wiens gebed wonderen werkte. Hij was de orderegel zelf; hij bezat niet meer dan het priesterlijk gebaar zonder de onsterfelijke ziel: hij was niet meer dan een ledig graf, waarin zelfs de asch van de hoop niet meer overbleef—en door smart gemartelde vrouwen, in tranen badende parochianen aanbaden hem, kusten zijn soutane; ja, een vrouw, wier kind thuis op sterven lag, was hem in wanhoop komen smeeken aan Jezus genezing te vragen, zeker als zij was, dat Jezus die hem in het heiligdom van Montmartre, waar het wonder van zijn van liefde brandend hart vlamde, toestaan zou.
Inmiddels was Pierre in zijn heilige gewaden de kapel van Saint-Vincent-de-Paul binnengegaan. Hij ging de trede van het altaar op en begon de mis; en toen hij zich met zijn tot zegenen uitgebreide handen omkeerde, zag men zijn ingevallen gezicht, zijn door bitterheid smaller geworden, zachten mond, zijn door lijden donker geworden, liefdevolle oogen. Het was niet meer de jonge priester met het door liefdevuur verteerde gelaat, die naar Lourdes—niet meer de jonge priester met het stralende apostelgelaat, die naar Rome gegaan was. Zijn beide in eeuwigen strijd verkeerende erfdeelen—zijn vader, van wien hij den oninneembaren toren van zijn voorhoofd had; zijn moeder, die hem haar naar liefde dorstende lippen gegeven had, zetten op dit nu verwoeste gelaat, waarop in oogenblikken van vergetelheid de chaos van zijn troostelooze wanhoop oprees, hun strijd voort, den eeuwigen menschelijken strijd tusschen gevoel en rede. De lippen bekenden nog den ongestilden dorst om lief te hebben, om zich voor de menschheid te geven en te leven, een dorst, dien hij meende nooit meer te zullen kunnen lesschen, terwijl het krachtige voorhoofd daarentegen, de citadel, waardoor hij leed, hardnekkig weigerde zich over te geven aan de aanvallen van de dwaling. Maar hij bleef standvastig, verborg het verschrikkelijke van het Niet, waarin hij streed, maakte trotsch de gebaren, sprak verheven de voorgeschreven woorden uit; en de moeder, die daar tusschen de andere vrouwen neergeknield lag, de moeder, die van hem een laatste tusschenkomst verwachtte, [11]die geloofde, dat hij sprak met God voor de redding van haar kind, zag hem door haar tranen in een engelachtige schoonheid als een bode van goddelijke genade stralen.
Toen Pierre na het offertorium den kelk ontblootte, werd hij door een groote minachting voor zichzelf aangegrepen. De schok was te heftig geweest; hij moest steeds weer aan die dingen denken. Welk een kinderachtigheid, welk een naïveteit van een arm, wanhopig, door de behoefte om lief te hebben en te gelooven gemarteld wezen lag er in die beide experimenten te Lourdes en te Rome! Hoe had hij zich kunnen inbeelden, dat de tegenwoordige wetenschap zich zou aanpassen aan het geloof van eeuwen her; hoe had hij zoo dwaas kunnen zijn, om te gelooven, dat hij, de eenvoudige priester, den paus tot andere gedachten brengen, hem bewegen kon een heilige te zijn en de wereld te veranderen. Hij voelde zich diep beschaamd; wat zou men hem uitgelachen hebben! Ook de gedachte aan een schisma joeg hem het schaamrood naar de wangen. Hij zag zich weer in Rome terug, vervuld van den droom, om een boek te schrijven, waarin hij zich van het Katholicisme afscheiden zou, om den nieuwen godsdienst der democratieën, het gelouterde, menschelijke en levende Evangelie te prediken! Welk een belachelijke dwaasheid! Een schisma!
Hij had te Parijs een edel voelenden en edel denkenden abbé gekend, die dat beroemde, aangekondigde en verwachte schisma tot stand had trachten te brengen! De arme kerel! Welk een treurige, belachelijke arbeid was dat te midden van de algemeene ongeloovigheid, van de ijzige onverschilligheid van sommigen, van de spotternijen en beleedigingen van anderen! Wanneer Luther thans terugkeerde, zou hij, vergeten en omkomend van honger op een vijfde verdieping in Batignolles sterven. Een schisma kan niet slagen bij een volk, dat niet meer gelooft, dat onverschillig geworden is voor de Kerk, dat zijn heil van elders verwacht. Het geheele Christendom, ja, het geheele Christendom zou weggevaagd worden, want het Evangelie is, afgezien van enkele moreele principes, als een sociale codex niet meer bruikbaar. De dagen, dat de soutane zwaarder op zijn schouders drukte, dat hij een minachting voor zichzelf gevoelde, nu hij aldus het goddelijke mysterie der mis celebreerde, die voor hem het gebaar van een dooden godsdienst geworden was, kwelde die zekerheid hem nog meer.
Pierre, die den kelk half met den wijn uit de miskan gevuld [12]had, waschte zijn handen en zag opnieuw het innig smeekende gezicht der moeder. Toen geloofde hij in een liefdevolle gedachte van een door zijn eed gebonden man, dat hij voor haar priester gebleven was—een priester zonder geloof, die het geloof der anderen met het brood der illusie voedt. Maar deze heldhaftige houding, deze trotsche plichtsvervulling, waarin hij zich opsloot, was voor hem niet zonder een steeds grooter wordenden angst. Gebood de eenvoudige eerlijkheid hem niet de soutane af te werpen en onder de menschen terug te keeren? Zijn valsche positie vervulde hem op sommige oogenblikken met een walging voor zijn nutteloos heroïsme, en hij vroeg zich opnieuw af of het niet laf en gevaarlijk was de menschen in hun bijgeloof te laten verder leven.
Zeker de leugen van een God van gerechtigheid en waakzaamheid, van een toekomstparadijs, waar al het aardsche lijden weer goed gemaakt worden zou, was voor de arme menschheid met haar lijden lang een noodzakelijkheid geweest; maar welk een bedrog, welk een tyrannieke exploitatie der volkeren was het geweest, hoeveel manlijker zou het zijn de volkeren brutaalweg te opereeren, door hun den moed te geven het leven, al was het dan onder tranen, te leven! Keerden zij zich niet van het Christendom af, omdat zij een behoefte gevoelden aan een menschelijker ideaal, aan een godsdienst van gezondheid en vreugde, die geen religie des doods zijn zou? Den dag, waarop de idee der naastenliefde ineenstorten zou, zou ook het Christendom ineenstorten, want het was gebouwd op de goddelijke barmhartigheid, die als het ware een correctie is van de noodlottige ongerechtigheid en voor hem, die in dit leven leed, het uitzicht op een toekomstige belooning opende. En de naastenliefde stortte in, de armen gelooven er niet aan, maken zich boos over het leugenachtige paradijs, de belofte waarvan zoo lang hun geduld gestaald had, eischen, dat men hen voor de regeling van hun aandeel in het geluk niet naar het hiernamaals verwees. Een kreet naar gerechtigheid stijgt van aller lippen op: gerechtigheid op deze aarde, gerechtigheid voor allen, die honger hebben, die de aalmoes na achttien eeuwen moede is nog langer te helpen en die nog altijd geen brood hebben om te eten!
Toen Pierre, met zijn ellebogen op de altaartafel geleund, den kelk, na er eerst de hostie in gebroken te hebben, geledigd had, voelde hij een nog grootere troosteloosheid over [13]zich komen. Deze laatste strijd van de gerechtigheid tegen de barmhartigheid in dit groote, door asch omsluierde, met het vreeselijke Onbekende gevulde Parijs—deze strijd, waarin zijn hart en zijn rede slag leveren zouden—was dus het laatste experiment, dat thans begon. De behoefte aan het goddelijke worstelde in hem nog tegen het alles overheerschende verstand. Hoe zou men ooit den dorst der menigten naar het mysterie kunnen lesschen? Zou, uitgezonderd dan de elite, de wetenschap voldoende zijn de begeerte te bevredigen, het lijden in slaap te wiegen, de droomen te verwezenlijken? En wat zou er van hem zelf worden in het bankroet der naastenliefde, die alleen hem in de drie laatste jaren staande gehouden, al zijn tijd in beslag genomen, hem de illusie, dat hij voor anderen nuttig was, gegeven had?
Plotseling voelde hij den grond onder zijn voeten wegzinken; hij hoorde nog slechts den kreet van het volk, dien grooten Zwijgende, die gerechtigheid eischte, gromde en bromde en dreigde het hem door geweld en list ontnomen deel terug te nemen. Niets meer kon de onvermijdelijke catastrophe, den broederoorlog der klassen, die de oude, onder haar opstapeling van misdaden tot verdwijnen gedoemde wereld zou wegvagen, tegenhouden. Ieder uur verwachtte hij de instorting, Parijs in bloed en vlammen onder te zien gaan. Zijn afgrijzen voor gewelddaden deed hem huiveren; hij wist niet waar hij het nieuwe geloof moest zoeken, dat het gevaar bezweren kon, want hij was zich zeer goed bewust, dat het sociale en religieuze probleem één waren, dat het in den vreeselijken en dagelijkschen arbeid van Parijs daarom alleen ging; maar hij zelf was nog te verward van begrip, stond door zijn priester zijn te veel buiten het werkelijke leven, werd te zeer door twijfel en het gevoel van zijn machteloosheid verscheurd dan dat hij zou kunnen zeggen, waar waarheid, gezondheid en leven te vinden waren. O, gezond zijn, leven, eindelijk zijn hart en zijn rede bevredigen in vrede, in den zekeren, eerlijken arbeid, dien de mensch op aarde te verrichten heeft.
De mis was ten einde en Pierre verliet het altaar, toen de in tranen badende moeder, langs wie hij kwam, met bevende handen zijn misgewaad greep en het vurig kuste, zooals men de reliquie van een heilige kust, waarvan men heil verwacht. Zij dankte hem voor het wonder, dat hij bewerkt hebben moest, overtuigd als zij was thuis haar kind genezen [14]te zullen vinden. Deze liefde, dat vurige geloof troffen hem diep ondanks de pijnlijke troosteloosheid, die zich van hem meester maakte, dat hij niet de verheven priester was, voor wien zij hem hield, dien zij in staat achtte een uitstel van den dood te verkrijgen. Maar hij liet haar getroost en versterkt gaan en smeekte de ongekende, bewuste kracht, indien er tenminste een bestond, vurig het arme schepsel te hulp te komen. Toen hij zich in de sacristie verkleed had en, gezweept door den winterstorm, weder voor de basilica stond, werd hij opnieuw door een rilling doorhuiverd en verstijfd, terwijl hij door den nevel heen trachtte te zien of de orkaan van toorn en gerechtigheid Parijs niet had weggevaagd, de verwachte catastrophe, die het eenmaal verwoesten zou, zoodat onder den loodgrijzen hemel niets over blijven zou dan een verpeste poel van zijn puinhoopen.
Pierre wilde zich onmiddellijk van de opdracht van abbé Rose kwijten. Hij volgde op den kam van Montmartre de rue du Norvins, kwam in de rue des Saules en liep tusschen bemoste muren de sterk hellende straat af. De drie francs, die hij in den zak van zijn soutane in zijn hand hield, vervulde hem met een diepe ontroering en tevens met een woede tegen de nuttelooze barmhartigheid. Maar naarmate hij verder in de hoeken der ellende afdaalde, snoerde het zien daarvan steeds meer zijn keel dicht, maakte een eindeloos medelijden zich van hem meester. Langs de sedert de groote werken aan den Sacré-Cœur aangelegde groote straten was een geheele nieuwe wijk in aanbouw. Te midden van de omvergewoelde tuinen, tusschen de nog door staketsel omgeven bouwterreinen verhieven zich reeds burgerhuizen, die met hun royale, glanzend witte gevels de oude, wankele gebouwen—verdachte kroegen met bloedroode muren, lijdensplekken met zwarte, bezoedelde krotten, waarin het menschelijke vee zich ophoopte—nog somberder en bouwvalliger maakten. Dien dag stroomde onder den lagen hemel de modder over het door de wagens stukgereden plaveisel, deed het dooiweer de muren een koud vocht uitsijpelen, terwijl uit al die vuilheid en al dat lijden een vreeselijke triestheid opsteeg.
Pierre, die tot de rue Marcadet geloopen was, keerde weer om en ging, zeker als hij was zich niet te vergissen, de binnenplaats van een soort kazerne of hospitaal binnen, die door drie onregelmatige gebouwen omgeven was. Deze binnenplaats was een soort riool, waarin zich gedurende de [15]twee maanden van hevige vorst het vuil blijkbaar opgehoopt had; nu smolt dit alles en een afschuwelijke stank steeg uit het moddermeer op. De gebouwen waren half ingevallen; de vestibules gaapten als kelderholen; vuile ramen waren met bonte papieren bedekt, smerige lampen hingen overal als doodenvanen. Achter in het pothuis, dat als portiersloge dienst deed, zag Pierre slechts een ziekelijken man, die in de flarden van een voormalige paardendeken gewikkeld was.
“Er moet hier een oude werkman, Laveuve, wonen. Welke trap? Welke verdieping?”
De man antwoordde niet, zette slechts een paar verwonderde, verschrikte idiotenoogen op. Ongetwijfeld zou de conciërge wel in de buurt zijn. De priester bleef even wachten, maar ging, toen hij achter op de binnenplaats een klein meisje zag, op zijn teenen door het riool loopend, naar haar toe.
“Ken jij in het huis ook een ouden werkman, die Laveuve heet, beste meid?”
Het kleine meisje, dat slechts in een verfomfaaid rose linnen jurkje gekleed was, rilde van de koude, haar handen waren met kloven overdekt. Zij keek met haar, ondanks de winterwonden, aardig gezichtje naar hem op.
“Laveuve, weet niet, weet niet!”
En met haar onbewust bedelaarsgebaar stak zij een van haar arme, verkleumde en gezwollen handjes uit. Toen hij haar een klein geldstukje gegeven had, begon zij, als een uitgelaten geit door de modder te hollen en met een schel stemmetje te zingen:
“Weet niet, weet niet, weet niet!”
Hij besloot haar te volgen. Zij was in een der gapende vestibules verdwenen en hij klom achter haar een donkere, stinkende trap op. De treden waren half gebroken en zoo glibberig door den hier neergeworpen groentenafval, dat hij zich aan het vettige touw, waarmede men zich naar boven heesch, moest vasthouden. Maar alle deuren waren gesloten; hij klopte vergeefs aan de meeste en kreeg bij de laatste niets dan een dof gebrom te hooren, als was er een dier in opgesloten. Toen hij weer op de binnenplaats was, aarzelde hij even, doch ging toen een andere trap op. Ditmaal werd hij bijna verdoofd door een doordringend geschreeuw, het geschreeuw van een kind, dat vermoord wordt. Hij liep in de richting van dat geluid en kwam eindelijk terecht voor een groote, openstaande kamer, waarin een alleen gelaten [16]kind, dat, blijkbaar om niet te vallen, op zijn klein stoeltje vastgebonden was, aan één stuk door zat te huilen. Hij wilde weer naar beneden gaan, verstard door zooveel gebrek en verwaarloozing.
Maar op dat oogenblik kwam een vrouw, die een paar aardappelen in haar schort had, thuis; toen hij haar naar Laveuve vroeg, keek zij wantrouwend naar zijn soutane.
“Laveuve, Laveuve, ik weet het waarachtig niet. Als de conciërge er was, zou zij het u misschien wel kunnen zeggen… Er zijn hier zooveel trappen, dat je elkaar niet kent, en bovendien wisselt het ieder oogenblik… Maar kijk eens achterin.”
De achtertrap was nog erger dan de andere, de treden waren weggerot, de muren kleefden als sijpelde er angstzweet door. Op ieder portaal wasemden de goten en bestekamers een verpestenden stank uit; uit iedere kamer klonk gejammer en getwist. Een deur ging open, en op den drempel verscheen een man, die een vrouw aan haar haren voortsleepte, terwijl drie kleine kinderen huilden. Op de bovenste verdieping zag hij in een kamer een ziekelijk, hoestend meisje met een reeds verlepte borst, dat, wanhopig omdat zij geen melk meer had, door op en neer te loopen een zuigeling tot rust trachtte te brengen. In een kamer ernaast werd hij pijnlijk getroffen door den hartverscheurenden aanblik van drie in lompen gekleede wezens, aan wie geen leeftijd of geslacht meer te onderscheiden was en die midden in de kale kamer gulzig uit denzelfden schotel een voer aten, waar honden hun neus voor opgetrokken zouden hebben. Zij lichtten nauwelijks hun hoofd op, bromden iets, maar gaven geen antwoord op zijn vragen.
Pierre wilde weer naar beneden gaan, toen hij heelemaal in de hoogte bij het begin van een gang, een laatste poging waagde en aan een deur klopte. Een vrouw deed open; haar ongekamd haar werd al grijs, hoewel zij niet ouder dan veertig was; haar bleeke lippen, haar omkringde oogen en haar geel gelaat drukten een groote moeheid uit, iets als voortdurende, aanhoudende vrees onder de steeds blijvende ellende. Bij het zien van de soutane werd zij verlegen en stamelde:
“Kom binnen, mijnheer de abbé, kom binnen!”
Maar een man, die Pierre eerst niet gezien had, een werkman van een jaar of veertig, groot, mager, kaal met enkele verkleurde baard- en snorharen, maakte een heftig, dreigend [17]gebaar, als wilde hij den priester de deur uitgooien. Maar hij hield zich in, ging naast de wankele tafel zitten en deed, alsof hij de aanwezigheid van den geestelijke negeerde. In de kamer was verder nog een blond meisje van een jaar of elf, twaalf, met een lang, zacht gezichtje en de intelligente, eenigszins ouwelijke uitdrukking, die de ellende en groote armoede aan kinderen geeft; hij riep het en hield het tusschen zijn knieën, als om het tegen de aanraking met de soutane te beschermen.
Ofschoon de ontvangst Pierre allesbehalve aanmoedigde en hij uit het kale, onverwarmde vertrek en de terneergeslagenheid van deze drie wezens de diepe ellende der familie begreep, besloot hij toch zijn vraag te herhalen.
“Kent u ook een ouden werkman Laveuve in dit huis?”
De vrouw, die, nu zij zag, dat haar man er boos om was, beefde, omdat zij hem had laten binnenkomen, trachtte schuchter de zaak goed te maken.
“Laveuve, Laveuve, neen… Ken jij hem soms, Salvat?”
Salvat haalde zijn schouders op maar het kleine meisje kon niet zwijgen.
“Zeg moeder Théodore, misschien is het de philosoof wel.”
“Een vroegere schilder,” ging Pierre voort: “een oude, zieke man, die niet meer kan werken.”
Nu begreep madame Théodore dadelijk alles.
“Ja, dat is hij, dat is hij… Wij noemen hem den philosoof, een bijnaam, dien zij hem gegeven hebben, maar daarom kan hij best Laveuve heeten.”
Salvat, die een van zijn vuisten naar den hemel balde, scheen te protesteeren tegen de gruwelen van een wereld en van een God, die de oude werklieden als afgejakkerde paarden van honger liet crepeeren. Maar hij zeide geen woord; hij verviel weer in een woest, diep zwijgen, in die soort van pijnlijk peinzen, waarin hij verzonken was, toen de priester binnenkwam. Hij was een werktuigkundige. Zijn oog rustte voortdurend op een zak met gereedschappen, een kleine, lederen zak, waarin iets òpbultte, waarschijnlijk het een of ander voorwerp, dat hij moest terugbrengen. Blijkbaar dacht hij aan het lange stilliggen van het werk, hoe hij gedurende de twee laatste maanden van den verschrikkelijken winter vergeefs naar het een of ander karweitje gezocht had. Of misschien dacht hij in het brandstichtende gepeins, dat zijn groote, vreemde, onvaste en brandende blauwe oogen in vlam zette, aan de nabije en bloedige vergeldingsmaatregelen der [18]hongerlijders. Plotseling zag hij, dat zijn dochter den zak genomen had en dien trachtte open te maken, om te zien wat erin zat. Hij rilde, een plotselinge ontroering maakte hem bleek en met een bitter vertrokken mond zeide hij:
“Wil je dat wel eens laten, Céline? Ik heb je al zoo dikwijls verboden aan de gereedschappen te komen.”
Hij nam den zak en zette dien heel voorzichtig achter zich tegen den muur.
“Nu, woont Laveuve op deze verdieping?” vroeg Pierre.
Madame Théodore raadpleegde met een schuwen blik Salvat. Zij vond het niet goed grof te zijn tegenover priesters, wanneer zij zich de moeite gaven te komen, want dikwijls kon je een paar sous van hen los krijgen. Toen zij uit Salvat’s zwijgen opmaakte, dat hij haar haar gang liet gaan, bood zij Pierre dadelijk aan hem den weg te wijzen.
“Als mijnheer de abbé het goed vindt, ga ik wel even mede. Het is juist aan het einde van de gang. Maar je moet den weg weten, want je moet nog een paar treden op.”
Céline, die een tijdverdrijf zag, ontsnapte aan de knieën van haar vader en ging ook met den priester mede. Salvat bleef alleen achter in het vertrek van armoede en lijden, van ongerechtigheid en toorn; hij had geen vuur, geen brood, en hield, door zijn vurige droomen vervolgd, zijn blikken gevestigd op den zak, alsof daarin met de gereedschappen het heil der wereld lag.
Inderdaad moesten zij nog eenige treden op en dan stond Pierre achter madame Théodore en Céline in een soort smal dakkamertje van een paar meter in het vierkant, waarin men niet rechtop kon staan. Het licht viel slechts door een klapvenster binnen, maar daar de sneeuw hoog tegen het raam lag, moest men, om wat te kunnen zien, de deur wijd open laten. In plaats van het daglicht kwam de dooi naar binnen, smolt de sneeuw, die droppel voor droppel naar beneden viel en den vloer overstroomde. Na die lange weken van bittere koude doordrong de vochtigheid nu alles met een rilling. En daar nu lag, zonder een stoel, zonder een stuk plank zelfs, in een hoek van den kalen vloer op een hoop smerige lompen Laveuve als een half gecrepeerd dier tusschen een stapel vuil.
“Dat is hij,” zeide Céline met haar zingende stem, “dat is de philosoof.”
Madame Théodore had zich over hem heen gebogen, om te hooren of hij nog leefde.
“Ja, hij ademt, ik geloof, dat hij slaapt. Als hij alle dagen [19]maar wat at, zou hij wel gezond zijn. Maar wat zal ik u zeggen? Hij heeft niemand meer, en wanneer je naar de zeventig loopt, zou het het beste zijn je maar in het water te gooien. Schildersknechts kunnen op hun vijftigste jaar dikwijls al niet meer op ladders staan. Eerst heeft hij nog werk op den beganen grond gevonden. Daarna heeft hij nog geluk gehad werkplaatsen te mogen bewaken. Maar nu is het uit: hij heeft overal gedaan gekregen en nu is hij twee maanden geleden hier in dezen hoek komen neervallen, om er te sterven. De huisbaas heeft hem nog niet op straat durven zetten, ofschoon hij er wel zin in heeft. Wij hier op dezelfde verdieping brengen hem nu en dan wat wijn en een paar korsten brood. Maar hoe kan je, wanneer je zelf niets hebt, aan een ander wat geven?”
Vol ontzetting keek Pierre naar de ruïne, die vijftig jaar van hard werken, armoede en sociale onrechtvaardigheid van een mensch gemaakt hadden. Eindelijk kon hij het witte, afgejakkerde, platgedrukte, misvormde hoofd onderscheiden, den onverzorgden baard, die de gelaatstrekken bedekte, het gezicht als van een oud paard, dat niet meer geroskamd wordt, de wangen, die scheefgetrokken waren, sedert de tanden waren uitgevallen, de glazige oogen, den neus, die over den mond hing, en vooral de uitdrukking van een door het zware werk uitgeput, verlamd en gebroken dier, dat alleen nog maar goed was voor het abattoir.
“De arme kerel!” prevelde de priester rillend. “En men laat hem hier maar alleen en hulpeloos van honger omkomen! Geen hospitaal, geen asyl heeft hem opgenomen!”
“Ach,” antwoordde madame Théodore met haar klagend-berustende stem; “de hospitalen zijn er voor zieken, en hij is niet ziek, hij lijdt alleen maar aan verval van krachten. En bovendien is hij allesbehalve makkelijk, laatst hebben ze hem nog in een asyl willen opnemen, maar hij wil zich niet laten opsluiten, geeft onbeschofte antwoorden aan de personen, die hem wat vragen, afgezien nog van het feit, dat hij den naam heeft te drinken en kwaad te spreken van de bourgeois… Maar Goddank, hij zal spoedig uit zijn lijden verlost zijn!”
Pierre had, toen hij zag, dat Laveuve zijn oogen opende, zich over hem heen gebogen, sprak liefdevol tegen hem, vertelde hem, dat hij hem uit naam van een vriend wat geld brengen kwam om te koopen wat hij het meest noodig had. Bij het zien van de soutane had de oude man eerst scheldwoorden [20]gebromd, maar ondanks zijn groote zwakheid behield hij de spotzucht van den Parijschen arbeider.
“Dan zou ik graag een glas wijn drinken,” zeide hij met een duidelijke stem, “en wanneer er dan genoeg overblijft, een stuk brood, want dat heb ik in geen twee dagen geproefd.”
Céline bood aan het te gaan halen en madame Théodore zond haar uit om voor het geld van abbé Rose een brood en een liter wijn te koopen. Intusschen vertelde zij aan Pierre, dat Laveuve opgenomen had moeten worden in het Asile des Invalides du Travail, een liefdadigheidsinstelling, aan het hoofd waarvan baronesse Duvillard stond; maar het voorgeschreven onderzoek was blijkbaar zoo uitgevallen, dat men de zaak verder had laten rusten.
“Baronesse Duvillard, maar die ken ik,” riep Pierre, wiens hart bloedde, uit. “Ik zal vandaag nog naar haar toe gaan. Men mag een mensch niet langer in een dergelijken toestand laten.”
Toen Céline met het brood en den wijn terugkwam, richtten zij met hun drieën Laveuve op zijn hoop lompen op, hielpen hem met eten en drinken en lieten het overschot van den wijn en het brood—een groot brood van vier pond—bij hem staan met den raad het niet dadelijk op te eten, als hij niet wilde stikken.
“Mijnheer de abbé moest zijn adres maar geven voor het geval ik hem iets moet laten weten,” zeide madame Théodore, toen zij weer voor haar eigen deur stond.
Daar Pierre geen kaartje bij zich had, gingen zij alle drie weer naar binnen. Maar Salvat was daar niet meer alleen. Hij stond heel zacht en heel vlug te praten met een jongen, ongeveer twintigjarigen man. Deze was slank en donkerbruin, had rondgeknipte haren, het begin van een baard, heldere oogen, een rechten neus en magere lippen in een bleek, intelligent en eenigszins sproetig gelaat en een hard, eigenzinnig voorhoofd. Hij rilde van de koude in zijn versleten jasje.
“Mijnheer de abbé wil zijn adres achter laten met het oog op den philosoof,” legde madame Théodore, die het onaangenaam vond hier menschen aan te treffen, uit.
De twee mannen keek eerst den priester en dan elkaar met een vreeselijken blik aan. Plotseling spraken zij geen woord meer. Heel voorzichtig nam Salvat zijn zak met gereedschappen op.
“Ga je weer werk zoeken?” [21]
Hij antwoordde niet, maakte slechts een toornig gebaar, als om te kennen te geven, dat hij niets meer van werk wilde weten, nu het werk zoo lang niets van hem had willen weten.
“Tracht in ieder geval wat mede te brengen, want je weet, dat er niets meer in huis is… Hoe laat ben je terug?”
Met een tweede gebaar antwoordde hij, dat hij terug zou komen als hij kon, misschien heelemaal niet. Ondanks zijn heldhaftige pogingen waren er tranen in zijn blauwe oogen, waarin een vlam brandde. Hij nam zijn dochter Céline op, gaf haar een zoen en ging dan, gevolgd door zijn jongen vriend, met zijn zak onder zijn arm weg.
“Céline,” begon madame Théodore weer; “geef je potlood aan mijnheer den abbé, en ga u hier zitten, mijnheer, dan kunt u makkelijker schrijven.”
Toen, Pierre op Salvat’s stoel voor de tafel was gaan zitten, ging zij, om de onbeleefdheid van haar man te verontschuldigen, voort:
“Hij is niet kwaad, maar hij heeft in zijn leven allerlei beroerdigheden aan zijn kop gehad, en daardoor is hij wat stuursch geworden. Het gaat hem net zoo als den jongen man, dien u daarnet gezien hebt, Victor Mathis. Dat is er ook een, die niet gelukkig is. Het is een zeer goed opgevoede, heel beschaafde man, wiens moeder, een weduwe, net genoeg bezat om droog brood te eten. Enfin, u kunt wel begrijpen, dat dat hun hoofd op hol brengt en zij de heele wereld in de lucht willen laten vliegen. Ik ben het er niet mede eens, maar ik vergeef het hun heel graag!”
Door al het onbekende en vreeselijke, dat hij om zich heen voelde, verontrust en tevens geïnteresseerd, haastte Pierre zich niet om het adres te schrijven en trachtte haar tot verdere vertrouwelijke mededeelingen te verlokken.
“Als u alles eens wist, mijnheer de abbé! Die arme Salvat is een vondeling, zonder vader of moeder; in den beginne heeft hij alles moeten aanpakken, om zijn brood te verdienen. Daarna is hij werktuigkundige geworden en nu is hij, daar sta ik voor in, een knappe, flinke werkman. Maar toen reeds had hij zijn eigen denkbeelden, maakte ruzie, wilde zijn kameraads tot staking aanzetten, zoodat hij nergens kon blijven. Toen hij dertig was, heeft hij de stommiteit uitgehaald met een uitvinder naar Amerika te gaan, die hem daar zoo uitgebuit heeft, dat hij zes jaar later ziek en zonder een sou terugkwam… Nu moet ik u nog vertellen, dat hij met [22]mijn jongste zuster Léonie getrouwd was, die vóór zijn vertrek naar Amerika stierf en hem met de kleine eenjarige Céline achterliet. Ik leefde toen met mijn man Théodore Labitte, een metselaar; en niet om mijzelf te prijzen—maar het hielp niets of ik mij al half blind naaide, hij sloeg me zóó, dat ik voor dood op den vloer liggen bleef. Ten slotte heeft hij mij laten zitten en is er met een jonge meid van twintig jaar van door gegaan, wat me, eerlijk gezegd, meer pleizier dan verdriet deed… En toen Salvat bij zijn terugkomst uit Amerika mij met zijn kleine Céline, die hij mij voor zijn vertrek had toevertrouwd en die mij moeder noemde, alleen terug vond, zijn we als van zelf ook samen gaan leven. Wij zijn niet getrouwd, maar dat komt op hetzelfde neer, niet waar, mijnheer de abbé?”
Toch scheen zij zich er eenigszins over te geneeren, en om te laten zien, dat zij heele nette bloedverwanten had, vertelde zij verder:
“Ik heb niet veel geluk gehad, maar ik heb een andere zuster, Hortense, die met een ambtenaar, mijnheer Chrétiennot getrouwd is en prachtig op den boulevard Rochechouart woont. We waren met ons drieën uit een tweede huwelijk, Hortense, de jongste, Léonie, die gestorven is, en ik, Pauline, de oudste… Verder heb ik nog een halfbroer Eugène Toussaint, die tien jaar ouder is; ook een werktuigkundige, die nu na den oorlog bij dezelfde firma werkt, in de fabriek van Grandidier, honderd pas verder in de rue Marcadet. Jammer genoeg heeft hij laatst een beroerte gehad… Ik heb heele zwakke oogen, die ik bedorven heb met het tien uur per dag naaien. Nu kan ik zelfs geen verstelwerk meer doen, zonder dat mijn oogen dadelijk beginnen te tranen. Daarom heb ik geprobeerd werkhuizen te vinden, maar dat lukt ook al niet, alles loopt ons tegen. Zoo komt het, dat we aan alles gebrek hebben, dikwijls krijgen we twee of drie dagen niets te eten; neen, we leiden echt het leven van een hond, die zich voedt met wat hij toevallig vindt, en in de twee laatste maanden hebben we met die hevige koude dikwijls gedacht, dat we ’s morgens niet meer wakker zouden worden… Wat zal ik u zeggen? Gelukkig ben ik nooit geweest, eerst mishandeld en geslagen, en nu weggeveegd in een hoek, terwijl ik zelf niet weet waarom ik eigenlijk leef.”
Haar stem was treurig geworden; in haar roode oogen kwamen tranen, en Pierre voelde, dat de brave, willooze, [23]uit het leven eigenlijk reeds verdwenen vrouw haar geheele bestaan beweende.
“O, ik heb heelemaal niet over Salvat te klagen,” zeide zij nog. “Het is een brave kerel; hij droomt er slechts van iedereen gelukkig te maken; hij drinkt niet en hij werkt, wanneer hij kan… Maar dat is zeker, als hij zich minder met politiek bemoeide, zou hij nog meer werk vinden. Je kan niet met je kameraads disputeeren, naar vergaderingen gaan en in de werkplaats zijn. Dat is een gebrek van hem, dat is niet tegen te spreken… Maar dat neemt niet weg, dat hij gelijk heeft als hij klaagt; je kan je zoo’n voortdurenden tegenslag niet voorstellen. Een heilige zou er dol om worden en het is heel goed te begrijpen, dat een arme pechvogel ten slotte er de brui aan geeft… In twee maanden heeft hij nu net één goed mensch getroffen, een geleerde, die daarboven op den heuvel woont, mijnheer Guillaume Froment, die hem wat werk gegeven heeft, zoodat we nu en dan wat soep konden maken.”
Verbaasd den naam van zijn broer te hooren, wilde Pierre nog het een en ander vragen, maar een vreemd gevoel deed hem zwijgen. Hij keek Céline, die met haar ernstig, ziekelijk gezichtje voor hem had staan luisteren, aan, en toen madame Théodore zag, dat hij tegen het kind glimlachte, zeide zij nog:
“Ja ziet u, de gedachte aan de kleine brengt hem buiten zich zelf van woede. Hij aanbidt haar, hij zou iedereen kunnen dooden, wanneer hij haar zonder avondeten naar bed ziet gaan. Zij is zoo lief en ze leert zoo goed op school! Maar nu heeft zij zelfs geen hemd meer, om erheen te gaan!”
Pierre, die eindelijk zijn adres geschreven had, liet een vijffrancsstuk in de hand van het kind glijden en zeide, om dankbetuigingen af te snijden, vlug:
“U weet nu waar u mij vinden kunt, als u mij voor Laveuve noodig hebt. Maar ik zal vanmiddag nog over hem spreken en hoop, dat men hem vanavond nog zal komen halen.”
Madame Théodore luisterde niet meer, maar putte zich uit in zegenwenschen, terwijl Céline, die schrok van de vijf francs in haar hand, mompelde:
“Die arme papa is nog al uitgegaan, om een paar sous te verdienen. Als ik hem eens naliep, om te zeggen, dat we voor vandaag genoeg hebben.”
En de priester, die reeds in de gang was, hoorde de vrouw antwoorden: [24]
“Hij zal al een eind weg zijn. Misschien komt hij wel terug.”
Toen Pierre met kloppende slapen en een met droefheid vervuld hart uit het vreeselijke huis der ellende kwam, zag hij tot zijn verbazing Salvat en Victor Mathis in een hoek van de vuile, als een verpest riool stinkende binnenplaats staan. Zij waren naar beneden gegaan om het in de kamer afgebroken onderhoud voort te zetten. Weer praatten zij zacht en vlug met een vuur, dat ook in hun oogen brandde. Maar zij hoorden het geluid van voetstappen; toen zij den abbé herkenden, zwegen zij plotseling en gaven elkander een stevigen handdruk. Victor ging de richting van Montmartre uit; Salvat weifelde op de manier van iemand, die het noodlot raadpleegt. Dan sloeg hij, het grimmige toeval tegemoet gaande, de rue Marcadet in en liep, zijn mager, moe, hongerig en afgewerkt lichaam oprichtend, met zijn zak onder zijn arm naar Parijs.
Een oogenblik voelde Pierre den lust in zich opkomen hem te zeggen, dat zijn dochtertje hem terugriep. Maar hetzelfde vreemde gevoel van daareven, iets als discretie en angst tegelijk, de zekerheid, dat niets het noodlot tegenhouden kon, had zich weer van hem meester gemaakt. Hij zelf bezat niet meer de kalmte, de ijskoude en wanhopige troosteloosheid van dien ochtend. Toen hij weer in den huiverenden nevel van de straat stond, voelde hij opnieuw zijn koorts, het vuur der barmhartigheid, dat de aanblik van zooveel afschuwelijke en steeds weer nieuwe ellende in hem had doen ontbranden. Neen, neen, er bestond te veel lijden: hij wilde nog strijden, Laveuve redden, een weinig vreugde bereiden aan zooveel arme menschen. Het nieuwe experiment lag in dit Parijs, dat hij zoo mysterieus en zoo angstaanjagend onder de dreigende hand van de onvermijdelijke gerechtigheid had zien liggen. En hij droomde van een heldere, gezondheid gevende en bevruchtende zon, die van de stad het groote, vruchtbare veld zou maken, waaruit de betere wereld van morgen zou opschieten.
[Inhoud]
II.
Inhoudsopgave
Dien ochtend had er, zooals bijna iederen dag, een intiem dejeuner plaats bij de Duvillards: enkele vrienden, die meer zichzelf uitnoodigden dan dat zij uitgenoodigd werden. In dezen killen dooi- en mistdag was het koninklijke hôtel in [25]de rue Godot-de-Mauroy, dicht bij den boulevard de la Madeleine, versierd met de zeldzaamste bloemen, een manie van de barones, die de hooge, weelderige en met de mooiste kunstschatten gevulde vertrekken in warme, geurige serres veranderde, waarin het trieste, vale daglicht van Parijs tot een zachte, streelende liefkoozing werd.
De groote receptiesalons op den rez-de-chaussée zagen uit op de groote binnenplaats; daarvoor lag een klein wintertuintje, waarin steeds twee lakeien in donkergroene livrei met gouden tressen wachtten. Een beroemde schilderijenverzameling, die op millioenen geschat werd, nam de geheele Noordzijde in, terwijl een eeretrap, die even beroemd en even kostbaar was, naar de gewoonlijk door de familie bewoonde vertrekken leidde: een grooten, rooden salon, een kleinen salon in blauw en zilver, een studievertrek, waarvan de muren met oud leder bekleed waren, een lichtgroene, op Engelsche wijze gemeubileerde eetkamer, afgezien nog van de talrijke slaap- en toiletkamers. Het uit den tijd van Lodewijk XIV dateerende hôtel had een voornamen adel bewaard, als had het zich aan den genotzuchtigen smaak van den triompheerenden, sedert een eeuw door de nieuwe almacht van het geld regeerenden smaak, overgegeven en onderworpen.
Het had nog geen twaalf uur geslagen. Baron Duvillard was, tegen zijn gewoonte in, het eerst in den kleinen salon in blauw en zilver. Het was een flinke, krachtige zestiger met een grooten neus, dikke wangen, een breeden mond met nog mooi gebleven wolfstanden. Doch hij was reeds vroeg kaal geworden, verfde de weinige haren, die hij nog over had, en schoor zich, sedert zijn baard grijs geworden was, geheel glad. Zijn grijze oogen verrieden zijn vermetelheid, zijn lach klonk als die van een veroveraar. Zijn geheele gezicht drukt de inbezitneming van die verovering, de heerschappij van den gewetenloozen gebieder uit, die van de door zijn kaste gestolen en vastgehouden macht gebruik en misbruik maakte.
Hij deed een paar passen en bleef dan voor een prachtige mand met orchideeën naast het raam staan. Op den schoorsteenmantel en op de tafel geurden ruikers viooltjes. In den slaperig makenden parfum, in de diepe, warme stilte, die uit het behang scheen te vallen, strekte hij zich makkelijk uit in een der blauwzijden, met zilverdraad bewerkte fauteuils; dan nam hij een courant uit zijn zak en begon voor de tweede maal een artikel te lezen, terwijl het geheele paleis om hem [26]heen hem zijn reusachtig vermogen, zijn souvereine macht, de geheele geschiedenis van de eeuw, die hem tot gebieder gemaakt had, voor den geest riep. Zijn grootvader, Jérôme Duvillard, zoon van een advocaat te Poitou, was in 1788 op achttienjarigen leeftijd als notarisklerk naar Parijs gekomen; taai, intelligent en hebzuchtig als hij was, had hij—eerst met het speculeeren in nationale goederen en later als leverancier der keizerlijke legers—de drie eerste millioenen verdiend. Zijn vader, Grégoire Duvillard, de zoon van Jérôme, geboren in 1805, was de groote man der familie, degene, die het eerst in de rue Godot-de-Mauroy regeerde, nadat koning Louis-Philippe hem den baronstitel verleend had, en bleef onder de Julimonarchie en onder het tweede keizerrijk door zijn schandaalverwekkende winsten bij alle beroemde diefstallen der speculatie, de mijn-, spoorweg- en Suez-aandeelen een der helden van de moderne financieele wereld. Hij zelf, Henri, geboren in 1836, had zich eerst op vijf-en-dertigjarigen leeftijd, kort na den oorlog en na den dood van baron Grégoire, met de zaken bemoeid, maar toen ook dadelijk met zoo’n razende begeerte, dat hij in een kwart eeuw het vermogen opnieuw verdubbeld had.
Hij was de verderver, de verwoester, die alles wat hij aanraakte, bedierf en verslond; hij was ook de verleider, de kooper van veile zielen, die tegenover de nu eveneens hebzuchtig en ongeduldig geworden democratie de nieuwe tijden begrepen had. Zedelijk minder hoogstaand dan zijn vader en zijn grootvader, bezat hij de fout, dat het hem minder om de verovering dan om den buit te doen was; desniettemin was hij een verschrikkelijke man, een machtige triumphator, die met een zekeren blik zijn operaties overzag, met iederen streek van zijn hark millioenen samenraapte, met de regeeringen op vertrouwelijken voet stond en, zoo niet Frankrijk, dan toch een heel ministerie in zijn zak steken kon. In den tijd van een eeuw, in drie generaties had zich de reeds door den komenden storm bedreigde en aan het wankelen gebrachte heerschappij in hem belichaamd. En menigmaal werd zijn gestalte grooter, stak boven alles uit, werd de bourgeoisie zelf, die bij de deeling van 1789 ten koste van den vierden stand alles tot zich getrokken, zich met alles vetgemest had en niets teruggeven wil.
Het artikel in het stuiversblaadje, dat de baron voor de tweede maal las, scheen hem zeer te interesseeren. De Voix du Peuple was een schendblad, dat, onder voorwendsel de [27]beleedigde gerechtigheid en moraal te verdedigen, iederen ochtend, in de hoop zijn oplage daardoor te vergrooten, met een nieuw schandaal kwam. Dien ochtend prijkte met groote letters de titel: “De Afrikaansche spoorwegen. Een omkooperij van vijf millioen. Twee ministers verkocht. Dertig Kamerleden en senatoren gecompromitteerd.” Dan kondigde in een venijnig-hatelijk artikel de hoofdredacteur, de beruchte Sanier, aan, dat hij de lijst der twee-en-dertig Parlementsleden bezat en publiceeren zou, wier stemmen baron Duvillard bij de stemming over de Afrikaansche spoorwegen gekocht had. Een heele romantische geschiedenis werd daaraan verbonden: de avonturen van een Hunter, dien de baron als drijver gebruikt had en die nu op de vlucht was. Heel kalm las de baron iederen zin over, haalde zijn schouders op, ofschoon hij alleen was, en zeide in de rustige zekerheid van iemand, die zich gedekt voelt en te machtig is, om verontrust te worden, hardop:
“De stommeling! Hij weet er nog minder van dan hij zegt!”
Juist op dat oogenblik kwam de eerste gast, een elegant gekleede, knappe, nauwelijks vier-en-dertigjarige jongeman met lachende oogen, een fijnen neus, een gefriseerden baard en iets overmoedigs, lichtvaardigs, vogelachtigs in zijn manier van doen. Bij uitzondering scheen hij dien ochtend zenuwachtig en onrustig.
“Zoo ben jij daar, Dutheil?” zeide de baron opstaande. “Heb je het gelezen?”
En hij wees op de Voix du Peuple, die hij weer opvouwde en in zijn zak stak.
“Zeker, ik heb het gelezen. Het is krankzinnig… Hoe is Sanier aan die lijst met namen gekomen? Er moet een verrader zijn!”
De baron, die zich in zijn geheimen angst verkreukelde, keek hem kalm aan. Dutheil, de zoon van een bijna armen en zeer fatsoenlijken notaris te Angoulême, was door deze stad, dank zij den goeden naam van zijn vader, nog op zeer jeugdigen leeftijd als afgevaardigde naar de Kamer gezonden. Hij leefde daar een vroolijk leventje, dat als het ware een voortzetting was van zijn in nietsdoen en fuiven doorgebrachten studententijd; maar zijn elegante jonggezellenkamer in de rue de Serêne, zijn successen als knap man bij de vrouwen kostten hem veel geld. Zoo was hij al tot allerlei compromissen, tot alle mogelijke laagheden afgegleden als een luchthartig en onbezonnen man, die aan dergelijke kleinigheden niet het minste gewicht hecht. [28]
“Kom!” zeide de baron eindelijk. “Heeft Sanier de lijst? Ik betwijfel het hard, want er bestaat geen lijst, Hunter is niet zoo stom geweest er een te maken… En zelfs al was het zoo? Het is een heele gewone geschiedenis; er is niets gebeurd, wat bij zulke dingen niet altijd gebeurt!”
Dutheil, die voor het eerst in zijn leven angstig was, luisterde naar hem in een behoefte, om gerustgesteld te worden.
“Dat heb ik ook al tegen mezelf gezegd. De zaak heeft niets om het lijf.”
Hij trachtte zijn glimlach terug te vinden; hij wist niet precies meer hoe hij in deze zaak aan die twaalf duizend francs kwam: òf het een leening was òf onder het voorwendsel van een fictieve publiciteit, want Hunter was zoo handig geweest om het schaamtegevoel van zelfs de minst jonkvrouwelijke gewetens te sparen.
“Neen hoor, de zaak heeft niets om het lijf,” herhaalde Duvillard, die blijkbaar veel pleizier had in den angst van Dutheil. “Heb je Silviane gezien?”
“Ik kom juist van haar vandaan; zij is woedend op u… Vanmorgen heeft zij gehoord, dat er geen quaestie van is, dat zij aan de Comédie komt.”
Een kleur van woede maakte plotseling het gelaat van den baron purper. Hij, die zoo kalm en spottend gebleven was bij het dreigend schandaal van de Afrikaansche spoorwegen, verloor, zoodra het om dit meisje, den laatsten hartstocht van zijn zestig jaar, ging, zijn zelfbeheersching; zijn bloed kookte.
“Komt zij niet aan de Comédie? En eergisteren hebben ze het me op het ministerie van Schoone Kunsten zoo goed als zeker beloofd.”
Het was een eigenzinnige luim van die Silviane d’Aulnay. Zij had tot nog toe op de planken slechts een schoonheidssucces behaald en stond er nu op aan de Comédie te komen, waar zij in Polyeucte als Pauline wilde debuteeren, een rol die zij al maanden lang als een bezetene bestudeerde. Het leek krankzinnigenwerk: heel Parijs lachte erom, want de jonge dame had den naam afgrijselijk pervers te zijn en zich aan de liederlijkste ontucht over te geven. Maar zij liet de menschen praten, eischte, zeker van haar overwinning, de rol.
“De minister heeft niet gewild,” legde Dutheil uit.
De baron stikte bijna van woede.
“De minister, de minister! Dan zal ik dien minister laten vallen.” [29]
Hij kon er niet verder op in gaan, want baronesse Duvillard kwam binnen. Ondanks haar veertig jaren was zij nog een mooie, knappe vrouw, hoogblond, groot, alleen wat te gezet, met prachtig geconserveerde schouders en armen en een vlekkelooze zijden huid. Alleen haar gelaat begon de sporen van den ouderdom te vertoonen, eenigszins te verwelken en vlekkerig-rood te worden. Dat was haar ieder uur terugkeerende kwelling en zorg. Haar Joodsche afkomst sprak uit het eenigszins lange gelaat, dat een zeldzame charme had, en de wellustig-zachte oogen. Indolent als een Oostersche slavin, had zij een afkeer van beweging, van loopen en zelfs van spreken, scheen zij met haar voortdurende zorg voor haar eigen persoon, als voor den harem geschapen. Dien dag was zij geheel in het wit: een verrukkelijk, schitterend-eenvoudig toilet.
Met een verrukt gezicht complimenteerde Dutheil haar en kuste haar hand.
“U brengt weer wat lente in mijn ziel, barones. Parijs is vanochtend zoo donker en modderig.”
Maar een tweede gast kwam binnen, een knappe, flinke man van vijf- of zes-en-dertig jaar; en de baron, geheel door zijn hartstocht opgezweept, maakte van de gelegenheid gebruik, om Dutheil mede te nemen naar zijn studeerkamer.
“Ga even met me mede. Ik wou nog een paar woorden over die quaestie zeggen… Mijnheer de Quinsac wil mijn vrouw wel een oogenblik gezelschap houden.”
Zoodra zij met de Quinsac, die haar eerbiedig de hand gekust had, alleen was, keek zij hem lang en zwijgend aan, terwijl haar mooie, liefdevolle oogen zich met tranen vulden. In de diepe, eenigszins pijnlijke stilte, die ontstaan was, zeide zij eindelijk fluisterend:
“Wat voel ik mij gelukkig een oogenblik met je alleen te zijn, beste Gérard. In geen maand heb je me dat geluk gegund.”
De manier, waarop Henri Duvillard met de jongste dochter van Justus Steinberger, den rijken Joodschen bankier, getrouwd was, vormde nog steeds een legendarische geschiedenis. Evenals de Rothschilds waren de Steinbergers in den beginne met hun vieren broers: Justus te Parijs, de drie andere te Berlijn, Weenen en Londen, wat hun geheim bondgenootschap een groote kracht, een internationale en almachtige heerschappij over de Europeesche geldmarkt gaf. Justus was de minst rijke van de vier en had in baron Grégoire [30]een te duchten tegenstander, met wien hij om alle groote prooien moest strijden. Na zulk een verwoed tweegevecht in een hebzuchtige verdeeling van den buit, was hij op het scherpzinnige denkbeeld gekomen zijn jongste dochter Eve te laten trouwen met Henri, den zoon van den baron. Deze was tot nog toe voor een aardigen jongen, een sport- en clubman doorgegaan: de berekening van Steinberger was blijkbaar, dat hij na den dood van den reeds door de doktoren opgegeven baron de hand zou kunnen leggen op de concurreerende bank, wanneer hij alleen maar een makkelijk te overwinnen schoonzoon tegenover zich had. Juist in dien tijd was Henri hartstochtelijk verliefd geworden op de toenmaals schitterende, blonde schoonheid van Eve. Hij wilde haar bezitten, en de vader, die zijn zoon kende, had toegestemd en lachte in zijn vuistje om “de kat, die Justus in den zak kocht”, zooals hij het zelf noemde.
En inderdaad was het huwelijk voor Justus een ramp gebleken, want na den dood van zijn vader kwam achter den genotsmensch de op buit beluste man te voorschijn in Henri, die zich in de uitbuiting van de ontketende begeerten der nu eindelijk in het bezit der macht zijnde burgerlijke democratie het grootste deel naar zich toe haalde. Niet alleen had Eve Henri, die op zijn beurt de almachtige bankier werd, welke meer dan ooit de markt beheerschte, niet verslonden, maar had de baron in minder dan vier jaar Eve opgegeten en verteerd. Nadat hij haar vlak achter elkaar moeder van een dochter en een zoon gemaakt had, verwijderde hij zich gedurende haar laatste zwangerschap plotseling van haar, als had hij een walg van haar gekregen—als van een vrucht waarvan men genoeg genoten heeft en die men wegwerpt. Toen zij hoorde, dat hij tot zijn jonggezellenleven terugkeerde en het met andere vrouwen hield, was zij eerst verbaasd en wanhopig geweest, doch al heel spoedig had zij, zonder verwijten te doen of een poging te wagen om hem weer voor zich te veroveren, harerzijds ook een amant genomen.
Den amant, dien zij op haar vijf-en-twintigste jaar gekozen had, behield zij meer dan vijftien jaar; zij was hem volmaakt trouw, zooals zij haar echtgenoot trouw gebleven zou zijn. Toen hij stierf, was zij diep bedroefd, voelde zij zich als een weduwe. Maar toen zij zes maanden later graaf Gérard de Quinsac ontmoette, kon zij aan haar drang naar liefde geen weerstand bieden, gaf zij zich aan hem. [31]
“Beste Gérard,” ging zij, toen zij zag, hoe verlegen de jonge man was, op haar moederlijk-verliefden toon voort; “ben je ziek geweest of is er iets, dat je hindert en dat je me verbergt?”
Zij was tien jaar ouder dan hij; en ditmaal klemde zij zich als een wanhopige aan die laatste liefde vast; met geheel haar wezen, dat in opstand kwam tegen het oud worden, aanbad zij den mooien jongen man, was zij bereid om te strijden ten einde hem tot iederen prijs te behouden.
“Neen, ik houd heusch niets voor je verborgen,” antwoordde de graaf. “Maar mijn moeder heeft de laatste dagen op bijna al mijn tijd beslag gelegd.”
Zij bleef hem met haar ongerusten hartstocht aankijken; zij vond hem zoo voornaam en edel met zijn regelmatig gezicht en zijn donkerbruine snor. Hij behoorde tot een der oudste familiën van Frankrijk en woonde samen met zijn moeder, een weduwe, die door haar man, een avontuurlijken geest, geheel geruïneerd was, maar toch op een rez-de-chaussée in de rue Saint-Dominique met haar rente van hoogstens vijftienduizend francs volgens haar stand leefde. Hij zelf had nooit iets gedaan, zijn verplichten diensttijd vervuld, maar afstand gedaan van de militaire loopbaan, zooals hij dat deed van de diplomatieke, de eenige, die eervol voor hem openstond. Zijn dagen bracht hij door in het drukke nietsdoen van jongelieden, die het Parijsche leven leiden. Zelfs zijn trotsche, strenge moeder scheen dat te verontschuldigen, alsof zij van meening was, dat een man van zijn afkomst zich onder een republiek, bij wijze van protest, op den achtergrond moest houden. Maar ongetwijfeld had zij nog andere, meer intieme en verontrustende redenen om alles door de vingers te zien. Op zijn zevende jaar had zij hem door een hersenontsteking bijna verloren, op zijn achttiende had hij over zijn hart geklaagd; de doktoren rieden aan hem in elk opzicht te ontzien. Zij wist dus welk een leugen zich achter die krachtige gestalte, dat trotsche uiterlijk verborg. Hij was niets dan asch, die steeds door ziekte en dood bedreigd werd. Achter zijn schijnbare manlijkheid was niets dan vrouwelijke willoosheid, een goed, zwak, voor alle vernederingen ontvankelijk wezen.
Bij een bezoek, dat hij met zijn streng-vrome moeder aan het Asile des Invalides du Travail bracht, had hij voor het eerst Eve ontmoet. Door zich aan hem te geven, had zij hem veroverd, en hij bleef bij haar komen, omdat hij haar nog [32]altijd begeerlijk vond en niet wist hoe hij met haar breken kon. Zijn moeder sloot de oogen voor deze zondige liaison, zooals zij dat al voor zoovele dwaasheden gedaan had, die zij hem als aan een ziek kind vergaf. Bovendien had Eve hem nog veroverd door een daad, die de geheele wereld versteld deed staan. Plotseling hoorde men, dat monseigneur Martha haar tot het Katholicisme bekeerd had. Dat, wat zij voor haar wettigen man niet had willen doen, deed zij, om zich voor altijd van de liefde van een amant te verzekeren. Heel Parijs sprak nog van de pracht en de praal, die bij de doopplechtigheid van die vijf-en-veertigjarige Jodin, wier schoonheid en tranen aller harten geroerd hadden, in de Madeleine ten toon gespreid was.
Dit groote bewijs van liefde streelde Gérard’s ijdelheid nog steeds. Toch begon hij genoeg van haar te krijgen, had hij getracht met haar te breken door samenkomsten te vermijden; hij begreep dan ook heel goed wat zij hem met haar smeekende oogen vroeg.
“Heusch,” herhaalde hij, reeds zwak wordend; “mijn moeder heeft mij geen dag vrij gelaten. Je begrijpt, hoe heerlijk ik het gevonden had…”
Zonder een woord te zeggen, bleef zij hem smeeken; tranen kwamen aan den rand van haar oogwimpers. Het was nu al een groote maand geleden, dat zij elkaar voor het laatst in hun klein kamertje in de rue Matignon gezien hadden. Goed en zwak, evenals zij, gaf hij toe, was hij niet in staat lang te weigeren.
“Vanmiddag dan, als je wilt. Om vier uur, zooals gewoonlijk.”
Hij had fluisterend gesproken, maar een zacht geluid deed hem omkijken en rillen als een man, die op heeterdaad betrapt wordt. Het was Camille, de dochter van de barones, die binnenkwam. Zij had niets gehoord, maar uit hun glimlach, uit het beven der lucht zelf, had zij alles begrepen: weer een rendez-vous in de straat, die zij vermoedde, en nog vanmiddag. Een pijnlijk zwijgen volgde; onrustige, booze blikken werden gewisseld.
De thans drie-en-twintigjarige Camille was een donkere, eenigszins mismaakte brunette; haar linkerschouder was hooger dan haar rechter. Zij geleek noch op haar vader, noch op haar moeder: het was een van die onvoorziene toevallen in de herediteit van een familie, waarbij men zich afvraagt vanwaar zij komen. Haar eenige trots waren haar [33]mooie donkere oogen en haar bewonderenswaardig zwart haar, dat haar kleine gestalte geheel omhullen kon, naar men zeide. Maar haar neus was lang, haar gezicht iets naar links getrokken, haar kin spits, haar trekken iets ingedrukt. De smalle, geestige, boosaardige mond verried den opgekropten wrok, de perverse woede, die in dit leelijke en om die leelijkheid verbitterde meisje verborgen was. Degene, die zij op de wereld het meest verafschuwde, was haar moeder, die nooit van haar gehouden, zich nooit met haar bemoeid, haar van de wieg af aan de zorgen van dienstboden overgelaten had. Op die wijze was er tusschen die beide vrouwen een ware haat ontstaan: bij de eene koud en zwijgend, bij de andere vurig en hartstochtelijk.
De dochter haatte de moeder, omdat zij haar mooi vond en haar verweet haar niet even mooi gemaakt te hebben als zij zelf was. Iederen dag leed zij eronder, dat zij niet begeerd werd, dat aller begeerten nog uitgingen naar haar moeder. Daar zij grappig en bijtend boosaardig was, luisterde men graag naar haar en lachte om haar; maar de blikken van alle mannen, zelfs van de jongste, ja vooral van de jongste, keerden ten slotte weer terug naar de triompheerende moeder, die niet oud worden wilde. En thans had zij met haar wilde energie besloten haar haar laatsten amant te ontrooven en met dezen Gérard, wiens verlies haar ongetwijfeld dooden zou, te trouwen. Dank zij haar bruidsschat van vijf millioen ontbrak het niet aan huwelijkscandidaten; maar zij voelde zich volstrekt niet gevleid daardoor en placht met haar boosaardig lachje te zeggen: “Lieve Hemel, voor vijf millioen zouden zij er een uit de Salpêtrière1 nemen.” Maar langzamerhand was zij zelf verliefd geworden op Gérard, die in zijn medelijdende goedheid steeds heel vriendelijk tegenover het jonge meisje was. Hij leed onder haar verlatenheid, van lieverlede liet hij zich inpalmen door haar dankbare liefde, die zij voor hem blijken liet; de mooie man voelde zich gevleid haar god te zijn, haar tot slavin te hebben; en bij zijn poging om te breken met de moeder, die hij moede begon te worden, voegde zich zeker ook de gedachte, zich te laten trouwen door de dochter, wat per slot van rekening een zeer makkelijke oplossing was, ofschoon hij het zich niet bekende, daar hij zich schaamde en [34]erg opzag tegen al de verwikkelingen en tranen, die niet uitblijven konden.
Het zwijgen bleef voortduren. Met haar scherpen, als een mes zoo snijdenden blik had Camille tegen haar moeder gezegd, dat zij alles wist; met een tweeden, smartelijken blik klaagde zij haar leed aan Gérard. Om het evenwicht tusschen de beide vrouwen weer te herstellen, vond hij niets dan het compliment:
“Dag Camille… Ha, een havanabruine japon! Het is wonderlijk, zoo goed als eenigszins donkere kleeren je staan!”
Camille keek schuin naar de witte japon van haar moeder en dan naar haar eigen toilet, dat nauwlijks haar hals en haar polsen zien liet.
“Ja,” antwoordde zij lachend; “ik zie er alleen maar schappelijk uit, wanneer ik me niet als een jong meisje kleed.”
Eve, die niet op haar gemak was, daar zij een mededinging, waaraan zij nog niet gelooven wilde, grooter voelde worden, gaf het gesprek een andere wending.
“Is je broer niet thuis?”
“Zeker, we zijn tegelijk naar beneden gekomen.”
Hyacinthe, die juist binnenkwam, drukte met een moe gebaar Gérard de hand. Hij was twintig jaar, had het lichtblonde haar en het lange, Oostersch-kwijnende gezicht van zijn moeder, de grijze oogen en de dikke, gewetenloos hebzuchtige lippen van zijn vader. Op school was hij een slecht leerling geweest, verachtte alle beroepen zonder onderscheid, was vast besloten niets te doen. Door zijn vader bedorven, interesseerde hij zich slechts voor poëzie en muziek, leefde hij in een kring van artisten, snollen, bandieten en gekken, ging hij zelf prat op ondeugden en misdaden, affecteerde hij een walging voor al wat vrouw was, stond hij de belachelijkste philosophische en sociale denkbeelden voor, verviel altijd in uitersten en was achtereenvolgens collectivist, individualist, anarchist, pessimist, symbolist, ja zelfs sodomist geweest, zonder daarom, omdat het tot den goeden toon behoorde, op te houden Katholiek te zijn. In den grond der zaak was hij een domkop en een halve idioot. In het vierde geslacht was het krachtige, hebzuchtige bloed der Duvillards na de drie prachtige roofdieren, die het voortgebracht had, als uitgeput door de bevrediging van zijn hartstochten, tot dezen mislukten hermaphrodiet gedegenereerd, die niet eens in staat was tot groote misslagen en groote uitspattingen. [35]
Camille, die te veel verstand had, om de onbeduidendheid van haar broeder niet te merken, maakte zich vroolijk over hem: zij keek hem aan, zooals hij daar in zijn lange, geplooide jas stond, een romantische, door hem nog overdreven wederopleving van een mode, en zeide:
“Mama vraagt naar je, Hyacinthe… Kom, laat je onderrok eens zien. Wat zou jij er in meisjeskleeren aardig uitzien!”
Maar zonder te antwoorden, ging hij naar een ander gedeelte der kamer. Hoewel zij heel vertrouwelijk met elkaar omgingen, elkaar hun perverse denkbeelden vertelden en vergeefs trachtten elkaar te overtroeven, koesterde hij een heimelijke vrees voor zijn zuster. Hij wierp een minachtenden blik op de mand orchideeën, een ouderwetsche, burgerlijk geworden mode. Hij had de lelies reeds achter zich en was nu bij den ranonkel, de bloedbloem.
De twee laatste der gasten kwamen bijna tegelijk. Eerst kwam de rechter van instructie Amadieu, een intieme huisvriend, een kleine man van vijf-en-veertig jaar, dien een onlangs gevoerd anarchistenproces op den voorgrond gebracht had. Hij had een plat, regelmatig, door een grooten blonden bakkebaard omgeven magistratengezicht, waaraan hij een scherpzinnige uitdrukking trachtte te geven door steeds een monocle, waarachter zijn oog fonkelde, te dragen. Hij was een mondain man van de nieuwe school, een uitstekend psycholoog, had een boek geschreven als antwoord op de misbruiken der criminalistische physiologie, bezat een taaie eerzucht, zag graag, dat er veel over hem gesproken werd, loerde altijd op gelegenheden opzienbarende, roem gevende processen te krijgen. Ten slotte kwam nog generaal de Bozonnet, een oom van moederszijde van Gérard, een groote, magere grijsaard met een arendsneus. Door zijn rheumatiek had hij onlangs zijn ontslag moeten nemen. Tot belooning voor zijn heldhaftig gedrag bij Saint-Privat na den oorlog tot kolonel benoemd, was hij ondanks zijn monarchistische relaties, zijn aan Napoleon gezworen eed trouw gebleven. Men vergaf hem in zijn kringen dat soort militair bonapartisme, omdat hij de republiek met groote bitterheid beschuldigde het leger den genadeslag te hebben toegebracht. Verder was hij een fatsoenlijk man, die zijn zuster, madame de Quinsac, aanbad; met het aannemen der uitnoodigingen van de barones scheen hij vooral een wensch van zijn zuster te bevredigen, als om de voortdurende aanwezigheid van [36]Gérard in dat huis natuurlijker en verklaarbaarder te doen schijnen.
Nu echter kwamen de baron en Dutheil overdreven luid lachend uit de studeerkamer terug; blijkbaar wilden zij het doen voorkomen, alsof er niets was, dat hen hinderde. Men ging nu naar de eetkamer, waar een groot vuur brandde, welks vroolijke vlammen als voorjaarsstralen glansden tusschen de fijne, met zilverwerk en kristal beladen Engelsche meubelen van licht mahoniehout. Het in lichtgroen gehouden vertrek had in het vale daglicht een eigenaardige bekoring, terwijl de in het midden staande tafel met haar rijke couverts en haar wit, met Venetiaansche kant versierd tafellinnen, als door een wonder gebloeid scheen te hebben: een geheel veld met groote, voor den tijd van het jaar prachtige en heerlijk geurende theerozen.
De barones liet den generaal rechts en Amadieu links van zich plaats nemen. De baron had Dutheil als rechter- en Gérard als linkerbuurman. De kinderen gingen aan de beide einden van de tafel zitten, Camille tusschen Gérard en den generaal, Hyacinthe tusschen Dutheil en Amadieu. Dadelijk na de roereieren met truffels ontspon zich een vertrouwelijk en vroolijk gesprek, het gewone Parijsche dejeunergesprek, waarin de groote en kleine gebeurtenissen van den vorigen avond en van den ochtend, de waarheden zoowel als de leugens, het financieele schandaal, de politieke gebeurtenissen, de laatst verschenen roman, het laatst gespeelde stuk, kortom al die verhalen de revue passeeren, die men elkaar eigenlijk moest influisteren, maar dààr hardop vertelt.
Dapper en met zijn gewone kalme onbeschaamdheid begon de baron het eerst te spreken over het artikel in de Voix du Peuple.
“Zeg eens, hebben jullie het artikel van Sanier vanochtend gelezen? Het is een van zijn beste, er zit verve in! Maar wat een gevaarlijke gek!”
Het gezegde vroolijkte het geheele gezelschap op, want dit artikel zou, als niemand er een woord over gesproken had, als een zware last op het dejeuner gedrukt hebben.
“Een tweede Panama!” riep Dutheil uit. “Maar nu krijgen we er toch genoeg van.”
“Maar die geschiedenis met die Afrikaansche sporen is zoo helder als de dag,” begon de baron weer. “Al degenen, die Sanier zoo vreeselijk dreigt, kunnen gerust slapen. Het is niets anders dan een handigheidje, om Barroux als minister [37]te doen vallen. Er zal wel heel gauw een interpellatie aangevraagd worden en dan heb je de poppen aan het dansen.”
“Die schandaal- en lasterpers is iets, dat Frankrijk geheel ten gronde zal richten,” zeide Amadieu. “We moesten daar wetten tegen hebben.”
De generaal maakte een toornig gebaar.
“Wetten? Waarom? Ze hebben toch niet den moed om ze toe te passen.”
Er volgde een stilte. De maître d’hôtel diende geroosterde zeebarbeelen rond. Het opdienen geschiedde zoo zacht, dat men in de warme, geurige stilte der kamer niet eens het rinkelen van het vaatwerk hoorde. Zonder dat men wist hoe, was het gesprek plotseling op een ander onderwerp gekomen.
“De reprise van het stuk is immers uitgesteld?” vroeg een stem.
“Ja,” zeide Gérard; “ik heb gehoord, dat Polyeucte op zijn vroegst in April gaan zal.”
Camille, die tot nog toe gezwegen had en den jongen man weer voor zich trachtte te winnen, keek haar vader en haar moeder met haar schitterende oogen aan. Men had het over de reprise, waarin Silviane met alle geweld wilde debuteeren. Maar de baron en de barones bleven volkomen kalm, want reeds sedert zeer langen tijd behoefden zij niets voor elkaar te verbergen. Eve was zoo gelukkig met het rendez-vous, dat zij voor dien middag gekregen had. Zij dacht alleen aan dat geluk en was in haar verbeelding reeds in het liefdesnestje, terwijl zij, zonder het zich bewust te zijn, tegen haar gasten glimlachte. De baron had het in zijn gedachten veel te druk met de nieuwe stappen, die hij bij het ministerie van Schoone Kunsten doen wilde, om het engagement met geweld door te drijven. Hij zeide alleen:
“Hoe moeten ze ook in de Comédie stukken opnieuw monteeren? Zij hebben geen vrouwen meer.”
“Wat had gisteren Delphine Vignet in den Vaudeville een prachtige japon. En niemand verstaat zoo de kunst om zich te kappen als zij.”
Toen vertelde Dutheil, terwijl hij terwille van Camille zijn woorden voorzichtig koos, de amourette van Delphine met een welbekend senator. Dan kwam een ander schandaal ter sprake, de dood van een vriendin des huizes, die te brutaal door een chirurg geopereerd was, een zaak, die bijna in de handen van Amadieu gekomen was. De generaal maakte hiervan gebruik, om—zonder eenigen overgang—zijn [38]gewone bittere uitvallen tegen de idiote organisatie van het tegenwoordige leger te plaatsen. De oude Bordeaux fonkelde als donkerrood bloed in de kristallen glazen; een reebout met truffels had zijn eenigszins scherpen geur vermengd met den uitstervenden parfum der rozen, toen de asperges gepresenteerd werden—een vroeger zeer zeldzame primeur, die thans echter zelfs geen verwondering meer verwekte.
“Die heb je tegenwoordig den heelen winter,” zeide de baron teleurgesteld.
“En gaat vanmiddag de matinée van prinses de Hardt nog door?” vroeg Gérard op hetzelfde oogenblik.
“Ja. Ga je erheen?” was Camille’s antwoord.
“Neen, ik denk het niet. Ik zal niet kunnen,” zeide de jonge man verlegen.
“Die kleine prinses is heusch een beetje geschift,” zeide Dutheil. “Jullie weten toch, dat ze zichzelf voor weduwe uitgeeft. Maar in werkelijkheid moet haar man, een echte prins, die aan een koninklijke familie verwant is, met een zangeres de wereld rondreizen. Zij heeft er de voorkeur aan gegeven in haar hôtel in de avenue Kléber te blijven regeeren, dat wel de vreemdste ark van Noach is, waarin het kosmopolitisme weelderig voortwoekert.”
“Houd je mond toch, kwaadspreker!” viel de barones hem in de rede. “Wij mogen hier Rosemonde heel graag, het is een charmante vrouw.”
“Zeker,” zeide Camille; “zij heeft ons geïnviteerd en we gaan straks naar haar toe, niet waar mama?”
Om geen antwoord te behoeven te geven, deed zij, alsof zij de vraag niet gehoord had, terwijl Dutheil, die goed op de hoogte scheen te zijn, zich vroolijk bleef maken over de prinses en haar matinée, waarop Spaansche danseressen met een zoo wellustige en geile mimiek zouden optreden, dat heel Parijs zich in haar salons verdringen zou.
“Zij heeft de schilderkunst laten varen en houdt zich nu bezig met scheikunde,” voegde Dutheil er nog aan toe. “Haar salon is thans vol anarchisten… Het komt mij zoo voor, of zij jou niet met rust kan laten, beste Hyacinthe.”
Tot dat oogenblik had Hyacinthe, alsof het geheele gesprek hem koud liet, geen woord gezegd.
“O, zij verveelt mij doodelijk,” verwaardigde hij zich te antwoorden. “Ik ga alleen naar haar matinée in de hoop er den jongen lord Elson te ontmoeten, die me daar van uit [39]Londen rendez-vous gegeven heeft. Maar ik wil graag bekennen, dat het de eenige salon is, waar ik iemand vind, met wien ik praten kan.”
“Dus ben je ook tot de anarchie overgegaan?” vroeg Amadieu ironisch.
Onverstoorbaar en met een air van de hoogste elegantie zeide Hyacinthe:
“Och, mijnheer, ik geloof, dat in dezen tijd van algemeene laagheid en vuilheid iemand van eenige distinctie niets anders dan anarchist zijn kan.”
De geheele tafel lachte. Men verwende hem veel en vond hem heel grappig. Zijn vader vooral had er groot pleizier in, dat hij—hij! een anarchist tot zoon had, terwijl de generaal, wanneer hij zijn bittere uren had, vond, dat een maatschappij, die stom genoeg was om zich door een paar schurken te laten ringelooren, niet beter verdiende dan te verdwijnen. Alleen de rechter van instructie, die bezig was een specialist in anarchistenprocessen te worden, verdedigde de bedreigde maatschappij en deelde over wat hij het leger der verwoesting en der moorden noemde, verschrikkelijke bijzonderheden mede. Maar de andere gasten bleven glimlachen en lieten zich een werkelijk verrukkelijke eendenleverpastei goed smaken. Er was zooveel ellende, men moest alles begrijpen, de dingen zouden wel op hun pootjes terecht komen.
“Maar in ieder geval,” zeide de baron op verzoenenden toon, “zou men toch iets kunnen doen. Wat? Dat weet niemand precies. Verstandige eischen neem ik bij voorbaat aan. Zoo bijvoorbeeld de verbetering van het lot van den arbeider, goede inrichtingen stichten, zooals ons Asile des Invalides du Travail, waarop we met recht trotsch kunnen zijn. Maar men moet ons niet het onmogelijke vragen.”
Bij het dessert ontstond er een plotselinge stilte, alsof midden in het geratel van het gesprek en in den roes van het copieuse dejeuner ieders angst opnieuw zijn hart beklemde en vrees op de verontrustende gezichten te lezen was. Men zag weer de vrees van Dutheil voor een aanklacht, de angstige woede van den baron, die zich afvroeg, hoe hij het best Silviane’s wensch zou kunnen vervullen. Dat meisje was de vlek, die op hem, den sterke en machtige, kleefde, de geheime ziekte, die hem misschien zou wegvreten en verwoesten. Maar vooral zag men op de gezichten van de barones, Camille en Gérard het vreeselijke drama, die met [40]haat vervulde rivaliteit tusschen de moeder en de dochter, die elkaar den man, welke zij liefhadden, betwistten. De vergulde mesjes schilden sierlijk de vruchten, er waren gouden trossen druiven en allerlei suikerwerk, koeken, een ontelbaar aantal lekkernijen werden rondgediend.
Terwijl de vingerkommetjes rondgegeven werden, fluisterde een knecht de barones iets in, waarop deze zacht antwoordde:
“Laat hem maar in den salon. Ik kom dadelijk.”
En zich tot de gasten wendend:
“Mijnheer de abbé Froment wil mij spreken. Hij zal ons niet storen; ik geloof, dat u hem allemaal kent. Een echt-vrome man, voor wien ik veel sympathie heb!”
Men bleef nog even aan tafel zitten en verliet dan de eetkamer.
Pierre was midden in den kleinen salon blijven staan. Toen hij op een tafel een blad met koffie en likeuren zag staan, kreeg hij spijt, dat hij aangedrongen had ontvangen te worden, en zijn verlegenheid werd nog grooter, toen de gasten eenigszins luidruchtig, met schitterende oogen en lichtgekleurde wangen binnenkwamen. Maar de vlam der barmhartigheid en der naastenliefde was weer zoo in hem opgelaaid, dat hij die verlegenheid overwon. Ten slotte had hij nog slechts het onbehaaglijk gevoel, dat hij den vreeselijken ochtend van ellende, dien hij doorleefd had, zooveel donkerte en koude, zooveel vuil en honger brengen kwam, in dit rijke, lichte, warme, met nuttelooze en overbodige dingen volgepropte huis, tusschen deze menschen, die door hun goed dejeuner in een vroolijke stemming schenen te zijn.
Dadelijk ging de barones met Gérard naar hem toe, want door dezen was de priester, die madame de Quinsac goed kende, ten tijde van de beroemde bekeering aan de Duvillards voorgesteld. Toen Pierre zich verontschuldigde op dit uur te komen, zeide zij:
“Maar u bent altijd welkom, mijnheer de abbé… Als u mij toestaat even voor mijn gasten te zorgen, dan ben ik dadelijk tot uw dienst!”
Zij ging weer naar het blad terug, om met haar dochter de koffie en de likeuren rond te dienen. Gérard bleef bij hem en begon een gesprek over het Asile des Invalides du Travail, waar zij elkaar onlangs ontmoet hadden ter gelegenheid van de eerste steenlegging van een nieuw paviljoen, dat men dank zij een prachtige gift van honderdduizend francs van baron Duvillard kon bouwen. De stichting telde [41]nog pas vier paviljoens, terwijl er in het oorspronkelijke plan gerekend was op twaalf, die makkelijk plaats vinden konden op de op het schiereiland Gennevilliers door de stad geschonken terreinen, zoodat de inschrijving nog steeds open stond en er veel lawaai gemaakt werd met deze liefdadigheidsinstelling, die een duidelijk antwoord zijn moest aan de booze tongen, welke de vetgemeste bourgeoisie beschuldigden niets voor de arbeiders te doen. In werkelijkheid had een prachtige kapel, die men midden op het terrein gebouwd had, twee derden van het bijeengebrachte kapitaal verslonden. Dames-patronessen uit alle kringen, barones Duvillard, gravin de Quinsac, prinses Rosemonde de Harth en nog twintig anderen, hadden tot taak de stichting door inzamelingen en bazars in het leven te houden. Maar het succes was toch voornamelijk te danken aan de gelukkige gedachte, dat men de dames van de groote zorgen der organisatie ontheven had door den hoofdredacteur van den Globe, den afgevaardigde Fonsègue, een uitstekend zakenman, tot hoofd-administrateur benoemd had. De Globe maakte voortdurend propaganda, beantwoordde de aanvallen der revolutionnairen met de onuitputtelijke barmhartigheid der leidende klassen, en zoodoende had de stichting bij de laatste verkiezingen als een triomphantelijk verkiezingswapen dienst gedaan.
Camille kwam met een dampend kopje koffie naar hem toe:
“U een kopje koffie, mijnheer de abbé?”
“Neen, dank u, mademoiselle!”
“Een glaasje chartreuse dan?”
“Neen, werkelijk niet.”
Toen iedereen bediend was, kwam de barones naar hem terug en vroeg vriendelijk:
“En waarmede kan ik u nu van dienst zijn, mijnheer de abbé?”
Pierre begon bijna fluisterend, zijn keel werd als dichtgeknepen door een ontroering, die zijn hart luid deed kloppen.
“Ik kom een beroep doen op uw groote goedheid, mevrouw. Ik heb vanochtend in een verschrikkelijk huis in de rue des Saules achter Montmartre een schouwspel gezien, dat mij tot in het diepst van mijn ziel ontroerd heeft… U kunt u geen denkbeeld vormen van een dergelijke armoede en ellende, families zonder vuur of brood, mannen zonder werk, moeders, die geen melk meer hebben voor haar zuigelingen, kinderen, die nauwlijks kleeren aan hun lichaam hebben… En onder zooveel verschrikkingen heb ik de [42]ergste, de afschuwelijkste gezien: op een hoop lompen, in een hoek, waar een hond zijn neus voor optrekken zou, lag een arbeider, die van ouderdom niet meer werken kan, van honger te sterven.”
Hij trachtte alles zoo omzichtig mogelijk te zeggen; hij schrok bijna van de woorden, die hij zeide, van de dingen, die hij vertelde in deze omgeving van groote luxe en genot, in tegenwoordigheid van deze met aardsche vreugde verzadigde gelukkigen, want hij voelde heel goed, dat hij hier een wanklank bracht. Hoe was hij op het denkbeeld gekomen, om op dit uur te gaan, wanneer het dejeuner juist afgeloopen is, wanneer het aroma der dampende koffie de zalige digestie streelt! Toch bleef hij doorspreken, verhief ten slotte, toegevend aan het verzet, dat hem prikkelde, zijn stem, vertelde zijn verhaal verder, noemde den naam van Laveuve, vroeg in naam van het menschelijk medelijden hulp en steun. Alle gasten waren dichterbij gekomen, om naar hem te luisteren; hij zag den baron, den generaal, Dutheil en Amadieu voor zich staan, die zwijgend, zonder een gebaar, met kleine slokjes hun koffie leegdronken.
“Kort en goed, mevrouw,” eindigde hij; “die oude man kan geen uur langer in dien vreeselijken toestand blijven, en ik hoop, dat u zoo goed zult zijn hem vanavond nog te laten opnemen in het Asile des Invalides du Travail, waar zijn aangewezen plaats is.”
Tranen waren in de mooie oogen van Eve gekomen. Zij was geheel van streek door deze treurige geschiedenis, die midden in de vreugde, welke zij van den namiddag verwachtte, vallen kwam. Daar zij indolent en zonder initiatief was, had zij het voorzitterschap van het comité slechts aanvaard onder voorwaarde, dat Fonsègue al de administratieve zorgen op zich zou nemen.
“O, mijnheer de abbé,” prevelde zij, “u verscheurt mijn hart. Maar ik kan niets, absoluut niets doen… Trouwens ik geloof, dat wij dat geval van Laveuve reeds onderzocht hebben… U weet, dat er bij ons slechts personen onder de strengste waarborgen genomen worden. Wij benoemen een rapporteur, die ons verslag moet uitbrengen. Hebt u u indertijd niet met het geval Laveuve belast, mijnheer Dutheil?”
De afgevaardigde dronk juist zijn glaasje chartreuse uit.
“Ja zeker, dat heb ik… Die kerel heeft u aardig voor den gek gehouden, mijnheer de abbé. Hij is heelemaal niet ziek, en wanneer u geld achtergelaten hebt, kunt u er zeker van [43]zijn, dat hij het onmiddellijk na uw vertrek is gaan verdrinken. Want hij is altijd dronken en bovendien heeft hij het afschuwelijkste karakter, dat je je denken kan. Hij scheldt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat op de bourgeois en zegt, dat hij, wanneer hij nog armen had, de geheele wereld in de lucht zou laten vliegen. Trouwens hij wil niet eens in het Asile, dat is, volgens zijn zeggen, een echte gevangenis, waarin je bewaakt wordt door begijntjes, die je dwingen naar de mis te gaan; een vuil klooster, waar je ’s avonds om negen uur naar bed moet! En zoo zijn er zoovelen, die hun vrijheid met koude, honger en dood boven het Asile verkiezen… Laten die Laveuve’s maar op straat krepeeren, wanneer zij weigeren bij ons te komen, zich in onze asyls te verwarmen en te eten!”
De generaal en Amadieu knikten toestemmend, maar Duvillard was edelmoediger.
“Neen, neen, een mensch is een mensch en je moet hem helpen zelfs tegen zijn wil.”
Eve, die wanhopig was, bij de gedachte, dat men haar haar middag ontnemen zou, zocht allerlei uitvluchten.
“Ik verzeker u, dat ik aan handen en voeten gebonden ben. Mijnheer de abbé, twijfel niet aan mijn hart noch aan mijn toewijding. Maar hoe kan ik, zonder dat er een paar dagen mee heengaan, het damescomité bij elkaar krijgen, en zonder dat kan ik onmogelijk een besluit nemen, vooral niet in een geval, dat reeds onderzocht en waarin een beslissing genomen is.”
Plotseling vond zij een oplossing.
“Maar wat ik u raden zou, mijnheer de abbé; ga dadelijk naar mijnheer Fonsègue, onzen hoofd-administrateur. In een dringend geval kan hij alleen handelen, want hij weet, dat de dames een onbeperkt vertrouwen in hem hebben en alles, wat hij doet, goedkeuren.”
“U zult Fonsègue in de Kamer vinden,” voegde Dutheil eraan toe; “maar ik betwijfel of u rustig met hem zult kunnen spreken, want het belooft een warme zitting te worden.”
Pierre drong niet langer aan en besloot onmiddellijk naar Fonsègue te gaan en in ieder geval de opneming van den ongelukkige, wiens beeld hem vervolgde, nog vóór den avond door te drijven. Hij bleef nog eenige minuten staan praten met Gérard, die hem een middel aan de hand deed om den afgevaardigde te overtuigen: hij moest hem wijzen op de slechte uitwerking, die een dergelijke geschiedenis hebben [44]kon, wanneer zij in de revolutionnaire bladen ruchtbaarheid kreeg. De andere gasten begonnen ook aanstalten tot vertrek te maken. Alvorens weg te gaan, vroeg de generaal aan zijn neef, of hij hem ’s middags nog zien zou bij zijn moeder, wier jour het was: een vraag, waarop de jonge man met een ontwijkend gebaar antwoordde, toen hij zag, dat Eve en Camille naar hem keken. Dan nam Amadieu, die zeide, dat hij voor een dringende zaak in het Paleis van Justitie zijn moest, afscheid. En weldra volgde Dutheil hem, om naar de Kamer te gaan.
“Dus afgesproken, van vier tot vijf bij Silviane,” zeide de baron, die hem uitliet, tegen hem. “Kom me bij haar vertellen, wat er in de Kamer gebeurd is ten gevolge van dat beroerde artikel van Sanier. Ik moet het toch weten… Ik zelf zal naar het ministerie van Schoone Kunsten gaan, om die zaak van de Comédie in orde te brengen, en dan heb ik nog verschillende dingen te doen, conferenties met aannemers en een belangrijke publiciteitsquaestie, die ik nog regelen moet.”
“Ja, van vier tot vijf bij Silviane, zoo als gewoonlijk,” zeide de afgevaardigde, die toch alles behalve gerust was over de wijze, waarop het met die beroerde geschiedenis van de Afrikaansche sporen zou afloopen.
En allen hadden reeds den ongelukkigen Laveuve, die met den dood worstelde, vergeten; allen liepen hun zorgen, hun hartstochten na: het drijfwerk had hen weer gegrepen; zij waren weer onder den molensteen gekomen, in de wilde jacht van Parijs, die hen met zich voerde en in een heftigen schok tegen elkander botsen liet, waarbij het erom ging, wie het eerst over de lichamen der anderen zijn doel bereiken zou.
“Dus u gaat met ons mee naar de matinée van de prinses, mama?” vroeg Camille, die haar moeder en Gérard bleef opnemen.
“Ja, dadelijk… Maar ik kan niet blijven, want ik heb vanmorgen een telegram van Salmon gekregen, dat ik beslist om vier uur mijn japon moet komen passen.”
Aan het beven van Eve’s stem voelde Camille, dat haar moeder loog.
“O, ik dacht, dat u morgen pas moest passen… Nu, dan zullen wij u na afloop der matinée met het rijtuig bij Salmon komen halen.”
“Neen, dat is volstrekt niet noodig, beste meid! Je weet [45]nooit van te voren, wanneer je klaar bent, en als ik nog tijd vinden kan, ga ik naar de modiste.”
Een heimelijke woede deed een moordlustige vlam in de donkere oogen van Camille ontbranden. Er was geen twijfel meer mogelijk aan het rendez-vous. Maar ondanks haar hartstochtelijken drang, om een hinderpaal uit te denken, kon zij, durfde zij de zaak niet verder drijven. Zij had vergeefs getracht Gérard smeekend aan te zien, maar deze wendde zijn hoofd af en stond gereed om te vertrekken. Pierre, die, sedert hij bij de Duvillards kwam, van heel veel dingen op de hoogte was, voelde, dat zich hier een vreeselijk zwijgend drama afspeelde.
Uitgestrekt in een fauteuil, beet Hyacinthe op een aethercapsule, de eenige likeur, die hij gebruikte. Dan zeide hij:
“Ik ga naar de tentoonstelling Lis. Heel Parijs verdringt zich daar. Er is een beeld “De verkrachting van een ziel”, dat men bepaald gezien moet hebben.”
“Maar ik wil er heel graag met jullie naar toe gaan,” zeide de barones. “We kunnen er, vóór naar de prinses te gaan, wel even inloopen.”
“Graag, graag!” riep Camille uit, die anders gewoonlijk hardvochtig den spot dreef met de symbolistische schilders, maar nu blijkbaar hoopte een middel te vinden haar moeder op te houden.
En zich dan tot een glimlachje dwingend:
“Ga jij niet met ons mee naar Lis, Gérard?”
“Neen, dank je wel!” antwoordde de graaf. “Ik heb behoefte om wat te loopen. Ik zal abbé Froment naar de Kamer brengen.”
Met een handkus nam hij afscheid van moeder en dochter. Het was hem juist ingevallen, dat hij tot vier uur naar Silviane kon gaan, bij wie hij vrij op kon loopen, sedert hij een nacht bij haar geslapen had.
“Het doet je goed wat frissche lucht in te ademen,” zeide hij tot den priester, toen zij op de ledige, stille binnenplaats gekomen waren. “Ze stoken te hard en die vele bloemen geven je hoofdpijn.”
Eenigszins versuft ging Pierre weg; zijn handen gloeiden koortsachtig; zijn zinnen waren zwaar van al de luxe, dien hij daar achterliet als den droom van een gloeiend, geurig paradijs, waarin slechts uitverkorenen leefden. Zijn nieuwe drang tot naastenliefde was er des te grooter door geworden; hij dacht slechts aan een middel, om de opneming van [46]Laveuve door te drijven, en luisterde niet naar den graaf, die vol liefde over zijn moeder sprak. De deur van het hôtel was achter hem dichtgevallen en zij hadden eenige stappen in de straat gedaan, toen hij plotseling het bewustzijn kreeg van een visioen. Had hij niet op den rand van het trottoir een arbeider zien staan kijken naar die monumentale deur, waarachter zich zulke fabelachtige rijkdommen verborgen? En was die arbeider niet Salvat met zijn gereedschapszak, de uitgehongerde man, die vanochtend uitgegaan was, om werk te zoeken? Vlug keerde hij zich om, want zulk een ellende tegenover zooveel genot en bezit maakte hem onrustig. Doch de werkman, die in zijn beschouwing gestoord was en misschien ook vreesde herkend te worden, verwijderde zich met een slependen stap. Toen Pierre hem nog slechts op zijn rug zag, weifelde hij en zeide hij ten slotte tot zichzelf, dat hij zich vergist had.
[Inhoud]
III.
Inhoudsopgave
Toen abbé Froment het Paleis Bourbon binnen wilde gaan, bedacht hij, dat hij geen kaartje bij zich had. Hij besloot reeds eenvoudig Fonsègue te laten roepen, hoewel deze hem niet kende, toen hij in de vestibule Mège zag, den collectivistischen afgevaardigde, met wien hij vroeger in den tijd van zijn militante naastenliefde op zijn zwerftochten door de ellende der wijk Charonne vriendschap gesloten had.
“Wat, jij hier? Je komt toch geen zedepreeken voor ons houden?”
“Neen, ik wou graag mijnheer Fonsègue spreken voor een dringende aangelegenheid: een ongelukkige, die niet wachten kan.”
“Fonsègue? Ik weet niet of hij er al is… Wacht maar even.”
Hij hield een kleinen, blonden man, die iets van een loerende muis had, aan en zeide:
“Hé, Massot; mijnheer de abbé Froment hier zou graag dadelijk je patroon spreken.”
“De patroon is er nog niet. Ik kom juist van het bureau, waar hij nog een kwartier te werken had. Wanneer mijnheer de abbé wachten wil, zal hij hem hier zeker kunnen spreken.”
Mège liet nu Pierre in de groote, koude Salle des Pas perdus2 met haar Laokoöon en haar bronzen Minerva gaan. [47]De hooge, op den tuin uitziende glazen deuren lieten het bleeke en trieste licht van den winterdag op de kale muren vallen. Maar op dat oogenblik was de zaal vol en als verwarmd door een koortsachtige opwinding en drukte. Talrijke groepjes stonden te praten, terwijl voortdurend menschen kwamen en gingen en zich door de saamgedrongen menigte een weg baanden. Er waren vooral afgevaardigden, journalisten en eenvoudige belangstellenden. Steeds groeide het lawaai aan: fluisterend gevoerde en heftige gesprekken, uitroepen en gelach weerklonken te midden van hartstochtelijke gesticulaties.
De terugkeer van Mège in dit lawaai scheen het tumult nog te verdubbelen. Hij was groot, mager als een apostel, zag er vrij ongesoigneerd en voor zijn vijf-en-veertig jaar reeds oud en afgeleefd uit; zijn nog brandend jonge oogen fonkelden achter de glazen van zijn bril, die nooit zijn smallen, snavelvormigen neus verliet. Van zijn jeugd af had hij gehoest, hij sprak afgebeten en vurig, en slechts de grimmige wil, den hem nooit loslatenden droom van de toekomstige maatschappij te verwezenlijken, hield hem in het leven. Als zoon van een armen dokter uit het Noorden was hij als jonge man naar Parijs gekomen, had in het rijk der lagere journalistiek geleefd en zich daarna als spreker in openbare vergaderingen naam gemaakt; en toen hij na den oorlog door zijn vurig geloof en zijn strijdlustig temperament de leider der collectivistische partij werd, was het hem gelukt eindelijk in de Kamer te komen. Goed op de hoogte van alles, streed hij daar als doctrinair, die volgens zijn overtuiging over de wereld beschikt had en het dogma van het collectivisme van te voren stuk voor stuk regelt, met wilde energie en hardnekkigheid voor zijn denkbeelden. Sedert hij als afgevaardigde uit de staatsruif at, zagen de buitenstaande socialisten in hem nog slechts een rhetor of liever een dictator, die er slechts op uit was de menschen om te smelten, ten einde hen voor zijn geloof te veroveren en ten slotte te regeeren.
“Weet je wat er aan de hand is?” vroeg hij aan Pierre. “Weer een mooi zaakje, wat?… Maar wat zal ik je zeggen? We zitten nu eenmaal tot over onze ooren in de modder.”
Vroeger had hij een ware sympathie opgevat voor dezen priester, dien zoo liefdevol voor de armen was, zoo innig verlangde naar een sociale wedergeboorte. En op zijn beurt was de priester belang gaan stellen in den autoritairen [48]droomer, die vastbesloten was de menschen, zelfs tegen hun wil in, gelukkig te maken. Hij wist, dat hij arm was en met een vrouw en vier kinderen, die hij aanbad, in het verborgen leefde.
“Je begrijpt natuurlijk, dat ik het niet met Sanier eens ben,” ging hij voort. “Maar nu hij vanochtend gedreigd heeft de lijst te zullen publiceeren van allen, die zich hebben laten omkoopen, kunnen we ons niet langer den schijn laten aanleunen medeplichtigen te zijn. Reeds lang hebben we gemeene streken vermoed, waartoe die geschiedenis met de Afrikaansche sporen de gelegenheid bood. En het ergste is, dat twee leden van de tegenwoordige regeering ermede gemoeid zijn, want toen drie jaar geleden de Kamers zich met de emissie-Duvillard bezig hielden, was Barroux aan Binnenlandsche Zaken en Montferrand aan Openbare Werken. Bestaat er, nu zij teruggekeerd zijn, de een als Minister van Binnenlandsche Zaken en de andere als Minister van Financiën en tevens minister-president, een mogelijkheid hen niet te dwingen ons, zelfs in hun eigen belang, in te lichten over hun vroegere handelingen… Neen, neen, zij mogen en kunnen niet zwijgen. Ik heb al aangekondigd, dat ik vandaag een interpellatie zal houden.”
Juist deze aankondiging van een interpellatie van Mège ten gevolge van het vreeselijke artikel in de Voix du Peuple bracht de wandelgangen zoo in beweging. Pierre werd een beetje schuw onder deze geheele geschiedenis, die zoo in zijn eenige bezorgdheid—een ongelukkige van den hongerdood te redden—vallen kwam. Hij begreep dan ook niet veel van de hartstochtelijke uitleggingen van den socialistischen afgevaardigde te midden van het toenemende rumoer en gelach, dat de verwondering te kennen gaf Mège in gesprek met een priester te zien.
“Wat een ezels toch!” prevelde hij vol minachting. “Ze denken zeker, dat ik iederen ochtend bij mijn ontbijt een soutane opeet!… Maar nu moet ik mij verontschuldigen, waarde abbé! Kom ga daar op dit bankje op Fonsègue wachten!”
Zelf mengde hij zich nu in het gewoel en Pierre begreep, dat het werkelijk het beste was kalm te gaan zitten. De omgeving pakte, interesseerde hem, hij vergat Laveuve en liet zich medesleepen door den hartstocht der parlementaire crisis, waarin hij geworpen werd. Het vreeselijke Panamaschandaal had men nauwlijks achter den rug; hij had het [49]drama gevolgd met den angst van iemand, die iederen avond het luiden van de stormklok verwacht, welke het laatste uur van de in doodsstrijd verkeerende, oude maatschappij aankondigt. En nu begon weer een klein Panama, kraakte het verrotte gebouw opnieuw. Het was een gebeurtenis, zooals die in de parlementen van alle tijden, bij alle groote geldquaesties steeds voorkomt; maar de sociale toestanden, waaronder zij plaats vond, verleenden haar een vreeselijken ernst. Deze affaire van de Afrikaansche sporen, dat stukje naar boven gewoelde modder, dat zulk een verontrustenden stank uitwasemde en in de Kamer plotseling zoo’n opwinding, zoo’n vrees en zoo’n woede verwekte, was per slot van rekening niets dan een gelegenheid voor een politieken strijd, een terrein, waarop de vraatzuchtige lusten der verschillende groepen nog meer geprikkeld zouden worden; het ging er slechts om een ministerie ten val te brengen, om het door een ander te vervangen. Maar welk een beklagenswaardige buit lag er achter die bronstigheid, achter dien voortdurenden drang van eerzuchtige pogingen—het geheele volk met zijn ellende en zijn lijden!
Pierre zag, dat Massot, de kleine Massot, zooals men hem noemde, naast hem was komen zitten. Met zijn oor en zijn oog steeds op de loer, hoorde en schreef hij alles op en sloop overal rond met zijn fretten-manieren; hij was hier niet als parlementair verslaggever, hij had slechts een belangrijke zitting geroken en was nu gekomen, om te zien, of er niet een of ander artikel uit samen te flansen viel. De te midden van die menigte als verdwaalde priester scheen hem te interesseeren.
“U zult nog een oogenblik geduld moeten hebben, mijnheer de abbé,” zeide hij met de beminlijke opgewektheid van een jongen man, die met alles spot. “De patroon moet beslist komen, want hij weet, dat het hier warm toe zal gaan… U behoort toch niet tot zijn kiezers uit Corrèze, wel?”
“O neen, ik ben een Parijzenaar, ik kom voor een armen man, dien ik graag onmiddellijk in het Asile des Invalides du Travail opgenomen zag.”
“O, prachtig! Ik ben ook een kind van Parijs!”
Hij lachte om zijn eigen woorden. Ja, hij was inderdaad een kind van Parijs: de zoon van een apotheker uit de wijk Saint-Denis, een voormalige luilak van het Lycée Charlemagne, die niet afgestudeerd had. Alles was hem mislukt, [50]tenslotte was hij op zijn achttiende jaar, toen hij nog niet zonder fouten schrijven kon, in de journalistiek terecht gekomen en verdiende nu sedert twaalf jaar zoo goed en zoo kwaad als het ging zijn brood met interviews, verslagen en dergelijke journalistieke bezigheden. Hij had alles gezien, was van alles blasé geworden, geloofde niet meer aan groote mannen, beweerde, dat er geen waarheid meer bestond en leefde in vrede van de algemeene slechtheid en domheid. Hij bezat natuurlijk volstrekt geen litteraire eerzucht, legde zelfs een op theoretische gronden gebouwde minachting voor litteratuur aan den dag. Intusschen was hij volstrekt niet van verstand ontbloot: hij schreef zonder eenige overtuiging of meening, onverschillig wat, voor onverschillig welke courant en praalde kalm met het recht dat hij had, alles aan het publiek te zeggen, mits hij het slechts amuseerde of opwond.
“U kent dus Mège, mijnheer de abbé? Een prachtig type, hé? Een groot kind, een hersenschimmige droomer in de huid van den verschrikkelijksten partijganger! O, ik heb veel met hem omgegaan, ik ken hem door en door… U weet, dat hij steeds in de heilige overtuiging leeft, dat hij, voor we zes maanden verder zijn, de macht in handen heeft en in een ommezien zijn collectivistische maatschappij verwezenlijken zal, die op de kapitalistische volgen moet, zooals de dag volgt op den nacht… En met zijn interpellatie van vandaag is hij zeker het ministerie-Barroux te laten vallen, om de bereiking van zijn doel te verhaasten. Zijn systeem is het uitputten van zijn tegenstanders. Hoe dikwijls heb ik hem niet berekeningen hooren maken, dezen uitputten, genen uitputten, een derden uitputten, om eindelijk te regeeren! Altijd over hoogstens zes maanden, nooit later… Maar zijn ongeluk is, dat hij altijd anderen een handje helpt en dat zijn beurt nooit komt.”
De kleine Massot liet zijn vroolijkheid den vrijen loop. Dan begon hij fluisterend:
“En Sanier, kent u dien ook? Niet? Kijk, die roode daar met zijn stierenek, die eruit ziet als een slager… Ja, die daar midden in die troep versleten jassen staat.”
Eindelijk zag Pierre hem. Hij had groote, ver van zijn hoofd afstaande ooren, een mond met dikke lippen, een grooten neus, dikke, doffe, uitpuilende oogen.
“Dien ken ik door en door, al zeg ik het zelf. Ik ben bij hem aan de Voix du Peuple geweest, voor ik bij Fonsègue [51]aan den Globe kwam… Niemand weet precies waar hij eigenlijk vandaan komt. Langen tijd heeft hij als onbeteekenend journalist, door eerzucht en hebzucht verteerd rondgezworven in de onderste lagen der journalistiek. Misschien herinnert u u nog zijn eersten coup de théâtre, die vrij verdachte geschiedenis van een nieuwen Lodewijk XVII, dien hij trachtte te lanceeren, en die van hem den zonderlingen royalist gemaakt heeft, die hij altijd gebleven is. Daarna is hij op het denkbeeld gekomen de zaak van het volk te omhelzen en heeft hij een wreekend Katholiek socialisme geafficheerd, viel hij de vrije gedachte en de republiek aan, bracht de gruwelen van den tijd in naam der gerechtigheid en der moraal aan het licht, zoogenaamd om ze te genezen. Daarvoor begon hij met portretten van financiers, een opeenstapeling van ignobele kletspraatjes zonder controle of bewijs, die hem eigenlijk voor de rechtbank hadden moeten brengen, maar die, in een boek verzameld, het u natuurlijk bekende overweldigende succes gehad hebben. Dat heeft hij voortgezet en zet hij nu nog voort in de Voix du Peuple, die hij ten tijde van het Panamaschandaal gelanceerd heeft en welke thans de rioolopening is, die de vuiligheid van het oogenblik uitbraakt. Zoodra de bron opdroogt, verzint hij nieuwe, enkel en alleen uit zijn behoefte aan schandaal, waarvan zijn trots en zijn kas moeten leven.”
De kleine Massot maakte zich echter volstrekt niet boos; hij was weer begonnen te lachen; in den grond der zaak had hij, ondanks zijn wreede woorden, eerbied voor Sanier.
“Ja, het is een bandiet, maar toch een kranige kerel! U kunt u niet voorstellen, hoe ijdel hij is! Onlangs hebt u kunnen zien, dat hij zich door het volk heeft laten toejuichen, want hij speelt zoo’n beetje als koning der Halles. Misschien gaat hij ten slotte nog gelooven, dat hij werkelijk de redder van het volk, de steunpilaar der deugd is. Ik sta altijd verbaasd over zijn vruchtbaarheid in het uitdenken van nieuwe aanklachten en schandalen. Geen ochtend gaat er voorbij, dat hij niet een nieuwen gruwel ontdekt, zonder dat hij nieuwe schuldigen aan den haat van het volk prijs geeft. Neen, de moddergolf raakt nooit uitgeput, want hij voegt er steeds een nieuwen oogst gemeenheden aan toe, en telkens wanneer het publiek teekenen van moeheid geeft, verdubbelen zich zijn monsterachtige phantasieën… Daarin zit nu juist zijn genie, mijnheer de abbé, want hij weet deksels goed, dat zijn oplaag grooter wordt, zoodra hij, zooals vandaag, [52]dreigt alles te zullen zeggen, de namen van de verkochten en verraders te zullen publiceeren… Dan is zijn verkoop weer voor verschillende dagen verzekerd!”
Pierre luisterde naar den vroolijken spotter en begreep nu verscheidene dingen, waarvan de beteekenis hem tot nog toe ontgaan was, veel beter. Ja hij begon zelfs Massot allerlei dingen te vragen, verbaasd als hij was, dat er nog zooveel afgevaardigden in de wandelgangen waren, terwijl de zitting toch reeds geopend was. Ja, die zitting! Ook al werd er een wet van algemeen belang behandeld, alle leden liepen weg bij de plotselinge tijding van een interpellatie, die het ministerie omver zou kunnen werpen. En de voortdrijvende hartstocht daarbij was de ingehouden woede, de toenemende ongerustheid der protégé’s van het aan het bewind zijnde kabinet, die bang waren verdrongen te zullen worden en hun plaats te moeten afstaan aan anderen; het was ook de plotselinge hoop, de ongeduldige en vraatzuchtige honger van allen, de protégé’s van de eventueele nieuwe ministeries.
Massot wees hem Barroux, het hoofd van het kabinet, die, ofschoon hij er zich niet op zijn plaats gevoelde, de portefeuille van Financiën genomen had, om na de Panama-crisis de openbare meening gerust te stellen door zijn algemeen erkende integriteit. Hij stond wat terzijde te praten met den minister van Onderwijs, senator Taboureau, een oud-professor met een bescheiden en triest gezicht, dien men van de een of andere provincie-universiteit gehaald had. Het was een rechtschapen, eerlijk man, maar wist absoluut niets van het Parijsche leven. Barroux zelf was een zeer decoratieve verschijning; groot, met een knap, gladgeschoren gezicht, dat alleen door een te kleinen neus ontsierd werd. Hij was zestig jaar en zijn sneeuwwit, kroezend haar gaf hem een ietwat theatrale majesteit, die hij zich op de tribune ten nutte maakte. Afkomstig uit een oude, rijke, Parijsche familie, advocaat, daarna republikeinsch journalist onder het keizerrijk, fatsoenlijk, romantisch, lawaaierig en een beetje pedant, maar zeer rechtschapen en vurig geloovend aan de principes van de groote Revolutie was hij met Gambetta aan het bewind gekomen. De Jacobijn in hem geraakte uit de mode; hij werd een grootheid uit het verleden, een van de laatste steunpilaren der burgerlijke Republiek, waarom de nieuwe, jongere, op buit beluste politici begonnen te glimlachen. Achter de praal van zijn uiterlijke houding, achter de pracht van zijn welsprekendheid was een weifelaar verborgen, [53]een week hart, een goed mensch, die weende, als hij de verzen van Lamartine nog eens las.
Dan kwam Monferrand, de minister van Binnenlandsche Zaken, voorbij en nam Barroux ter zijde, om hem iets in het oor te fluisteren. Hij was vijftig jaar, in tegenstelling met Barroux kort en dik, met een lachende, vaderlijke gelaatsuitdrukking; maar uit zijn rond, eenigszins alledaagsch, door een nog blonden baard omgeven gezicht sprak een levendig begrip. Men voelde in hem den heerscher, de aan hard werk gewende handen lieten den buit nooit los. Hij was vroeger burgemeester van Tulle geweest en kwam uit la Corrèze, waar hij groote landgoederen bezat. Beslist was hij een macht, waarmede men in de toekomst rekening zou moeten houden. Hij sprak eenvoudig en kalm met een buitengewone overredingskracht. Zonder van eenige eerzucht blijk te geven, huichelde hij een volmaakte onbaatzuchtigheid, waaronder echter de razendste begeerten woedden. Een dief, schreef indertijd Sanier, een moordenaar, die twee tantes geworgd had, om van haar te erven. Maar in ieder geval geen gewone moordenaar.
Vervolgens bracht nog een ander der personen in het drama, dat zich zoo dadelijk afspelen zou, de afgevaardigde Vignon, door zijn binnenkomen de druk pratende groepen in nog grooter opwinding. De twee ministers keken hem aan, terwijl hij—dadelijk door een groot aantal afgevaardigden omringd—uit de verte tegen hen lachte. Hij was nog geen zes-en-dertig, mager, middelmatig groot, hoogblond en droeg een mooien, blonden baard, waar hij zeer trotsch op was. Als geboren Parijzenaar had hij vlug carrière gemaakt in het administratieve bestuur, was korten tijd prefect te Bordeaux geweest en vormde nu als het ware de jeugd en de toekomst in de Kamer. Hij was zeer eerzuchtig en intelligent, van vele dingen goed op de hoogte en bezat een programma, dat hij zeer goed in staat was, zij het ook gedeeltelijk, tot uitvoering te brengen. Hij toonde echter in het geheel geen haast, was zeer voorzichtig en sluw, overtuigd, dat zijn dag eens komen zou, en stond sterk, omdat hij zich nog in geen enkele zaak gecompromitteerd had. In den grond der zaak was hij slechts een administrateur van den eersten rang; zijn programma verschilde van dat van Barroux slechts door de nieuwe formules, hoewel een ministerie-Vignon in plaats van een ministerie-Barroux een belangrijke gebeurtenis scheen. Van Vignon [54]beweerde Sanier, dat hij naar het presidentschap der Republiek streefde en er niet voor terugdeinzen zou, om door bloed te gaan, ten einde in het Elysée te komen.
“Lieve Hemel,” legde Massot uit, “het is heel goed mogelijk, dat ditmaal Sanier niet liegt en dat hij een lijst met namen gevonden heeft in een notitieboekje van Hunter, dat hij in handen gekregen moet hebben… Ik persoonlijk weet reeds heel lang, dat bij die affaire der Afrikaansche sporen Hunter de drijver van Duvillard geweest is, om stemmen te winnen. Maar wanneer men alles goed begrijpen wil, dan moet men eerst weten op welke wijze hij te werk gegaan is—met een handigheid en een vriendelijke fijngevoeligheid, die ver verwijderd zijn van de brutale omkooperij en de vuile marchandages, die men vermoedt. Je moet Sanier zijn, om je een Parlement als een open markt voor te stellen, waar alle gewetens te koop zijn en toegewezen worden aan den meest biedende. Neen, heel anders gaat het er toe! Alles is heel begrijpelijk en dikwijls ook verschoonbaar!… Het artikel gaat dan ook voornamelijk tegen Barroux en Monferrand, die, zonder dat hun naam genoemd is, zeer duidelijk aangewezen worden. U weet natuurlijk, dat op het oogenblik der stemming Barroux aan Binnenlandsche Zaken en Monferrand aan Openbare Werken was, zoodat zij beschuldigd worden plichtverzakende en trouwelooze ministers te zijn—de zwaarste sociale misdaad. Ik weet niet met welke politieke combinatie Barroux zich ingelaten heeft, maar ik zweer u, dat hij geen centime in zijn zak gestoken heeft, want hij is de meest rechtschapen man, dien ik ken. Met Monferrand is het een heel andere quaestie: die is best in staat om zijn deel op te strijken; maar het zou mij toch sterk verwonderen, als hij zich in een wespennest gestoken had. Hij is niet zoo dom om een fout te begaan, vooral een zoo stomme fout als geld aan te nemen en de quitantie te laten slingeren.”
Hij viel zichzelf in de rede en wees met een hoofdbeweging naar Dutheil, die met een koortsachtig opgewonden, maar toch glimlachend gezicht in een groep stond, welke zich om de beide ministers gevormd had.
“Kijkt u eens naar dien jongen, knappen man met zijn mooien baard!”
“Ik ken hem,” zeide Pierre.
“O, kent u Dutheil? Nu, dat is er zeker een, die geld aangenomen heeft. Voor hem, die van Angoulême hier [55]gekomen is, om een heerlijk leventje te leiden, was het geld van Hunter als manna, dat hem toekwam, en hij heeft daarbij zelfs niet gedacht, dat hij zijn vingers bezoedelde. U kunt ervan overtuigd zijn, dat hij één en al verbazing is, dat men daar zoo’n drukte over maakt.”
Dan wees hij op een anderen afgevaardigde, die in dezelfde groep stond, een ongeveer vijftigjarig, heel ongegeneerd gekleed man met een droefgeestig gezicht en een door het gewicht van zijn lang paardenhoofd eenigszins gebogen rug. Zijn enkele, geelachtige haren lagen plat tegen zijn voorhoofd, zijn snor hing slap neer en zijn heele gelaat drukte een voortdurende wanhopige troosteloosheid uit.
“En Chaigneux, kent u dien? Neen?—Kijk hem dan eens aan en vraag u dan af, of het niet heel natuurlijk is, dat die ook zijn deel opgestoken heeft… Hij komt uit Atrecht, waar hij een advocatenkantoor had. Toen zijn district hem afgevaardigd heeft, heeft hij zich door de politiek laten bedwelmen, alles verkocht, om hier in Parijs zijn fortuin te maken, en zich met zijn vrouw en zijn drie dochters hier gevestigd. U kunt u zijn onaangenaam leven voorstellen met die vier vrouwen—vier verschrikkelijke vrouwen, die aan niets denken dan aan kantjes en lintjes, aan boodschappen en bezoeken, ongerekend de jacht op de mannen, die haar ontvluchten. Dat is de voortdurende pech, het dagelijks terugkomende échec van dezen armen, middelmatigen kerel, die gedacht heeft, dat zijn positie als afgevaardigde de zaken makkelijker voor hem zou maken en daar nu in ondergaat… En zoudt u dan willen gelooven, dat Chaigneux, die nooit weet hoe hij vijfhonderd francs bij elkaar moet krijgen, zich niet heeft laten omkoopen? Ik geef graag toe, dat hij geen oneerlijk man was. Hij is het geworden, dat is alles!”
Massot was nu eenmaal op gang en zette zijn portretstudiën voort. Een oogenblik had hij erover gedacht de geheele serie onder den titel: “Afgevaardigden te koop” uit te geven; de naïeven, die in de tobbe gevallen waren, de door eerzucht geprikkelden, de onder de verleiding van open laden bezwijkende lage zielen, de grootezakendoeners, die zich bij het roeren in de groote cijfers bedwelmen en den vasten grond onder hun voeten verliezen. Maar hij erkende graag, dat zij betrekkelijk weinig talrijk waren, en dat die enkele schurftige schapen in alle parlementen der wereld te vinden zijn. De naam Sanier kwam weer terug, alleen Sanier kon van onze Kamers dievenholen maken. [56]
Pierre werd vooral geïnteresseerd door den storm, dien de dreigende ministerieele crisis om hem heen ontketende. Om Barroux en Monferrand groepeerden zich alleen mannen als Dutheil en Chaigneux, die den grond onder hun voeten voelden wegzinken en zich afvroegen of zij dien nacht niet in Mazas3 slapen zouden. Al hun protégé’s waren daar, allen, die door hen invloed en betrekkingen gekregen hadden en nu door hun val ook verdwijnen zouden. Men moest dan ook hun angstige blikken zien te midden van de fluisterende gesprekken, de in omloop zijnde inlichtingen en praatjes. In de groep daarnaast, die zich om den kalmen, glimlachenden Vignon gevormd had, bevonden zich de andere protégé’s, zij, die gereed stonden om eindelijk een aanval op de macht te wagen, om eindelijk invloed en betrekkingen te krijgen. Daar vlamden de oogen van hebzucht, men las er een nog in den staat van hoop verkeerende vreugde in, een gelukkige verbazing over de zich zoo onverwacht voordoende gelegenheid. Vignon vermeed het een antwoord te geven op de al te directe vragen van zijn vrienden, verzekerde alleen maar, dat hij zich niet in de quaestie mengen zou. Blijkbaar was het zijn plan Mège te laten interpelleeren en het ministerie te laten vallen, want voor dezen was hij niet bang; hij zou—zoo dacht hij—de portefeuille slechts voor het oprapen hebben.
“Monferrand is er een,” zeide de kleine Massot, “die met de wolven in het bosch meehuilt. Ik heb hem gekend als een anticlericaal, als een priestervreter, als u mij die uitdrukking niet kwalijk neemt. Maar nu meen ik te mogen verklaren—en ik zeg dat niet om u naar den mond te praten—dat hij zich met God verzoend heeft… Men heeft mij tenminste verteld, dat monseigneur Martha niet meer van zijn zijde wijkt. Dat doet je pleizier in deze nieuwe tijden, nu de wetenschap bankroet geslagen heeft en de godsdienst aan alle kanten—in de letterkunde en in de maatschappij zelf—weer opbloeit in een verrukkelijk mysticisme.”
Hij spotte zooals altijd, maar hij had het op zoo’n beminlijke manier gezegd, dat de priester wel goedkeurend knikken moest. Doch er ontstond een groote beweging, overal werd gezegd, dat Mège naar het spreekgestoelte ging; alle leden haastten zich naar de zittingzaal en lieten [57]in de Salle des Pas perdus alleen de nieuwsgierigen en enkele persmuskieten achter.
“Ik begrijp niet waar Fonsègue blijft,” begon Massot weer. “Wat hier gebeurt interesseert hem toch ook. Maar hij is zoo sluw, dat hij er altijd zijn goede redenen voor heeft, als hij niet doet wat een ander wel doen zou… Kent u hem?”
En na het ontkennende antwoord van Pierre:
“Een kranige kop en een ware macht!… O, ik spreek vrij uit over hem, ik ben nu eenmaal niet eerbiedig aangelegd en mijn chefs zijn juist de ledepoppen, die ik het beste ken en het liefste uit elkaar haal… Fonsègue wordt in het artikel van Sanier ook heel duidelijk aangewezen. Hij is trouwens een protégé van Duvillard. Dat hij geld aangenomen heeft, staat zoo vast als een paal boven water, want hij neemt voor alles geld aan. Maar hij is altijd gedekt, krijgt het geld om aannemelijke redenen, voor publiciteit en dergelijke gepermitteerde dingen. En wanneer hij, zooals ik zoo even meende te zien, onrustig is, wanneer hij talmt hier te komen als om een moreel alibi vast te stellen, dan heeft hij de eerste domheid in zijn leven uitgehaald.”
Massot ging verder den geheelen Fonsègue te schilderen. Hij was eveneens afkomstig uit la Corrèze en, men wist niet waarom, een doodsvijand van Monferrand. Vroeger advocaat te Tulle was hij naar Parijs gekomen, om het te veroveren en had het dank zij het groote ochtendblad de Globe, waarvan hij oprichter en directeur was, inderdaad veroverd. Nu bewoonde hij op de avenue du Bois de Boulogne een weelderig ingericht hôtel en er werd geen enkele nieuwe onderneming gelanceerd, waarin hij niet zijn koninklijk aandeel had. Hij was een zakengenie en maakte, om als meester over de markt te heerschen, van zijn blad gebruik als van een onberekenbare macht. Maar welk een handigheid en geduld was er voor noodig geweest, om eindelijk den naam te krijgen van een ernstig en soliden man, die met autoriteit het deugdzaamste en meest gerespecteerde blad regeerde! Hoewel hij in den grond der zaak noch aan God noch aan den duivel geloofde, had hij van die courant den steunpilaar der maatschappelijke orde, van den eigendom en van de familie gemaakt, zij was conservatief republikeinsch, sedert dat in haar belang was, maar bleef godsdienstig en predikte een geest, die de bourgeoise gerust stelde. En zoo, als erkende en geëerbiedigde macht, stak hij zijn hand in alle zakken. [58]
“Nu ziet u, hoever je met de journalistiek komen kan, mijnheer de abbé! Vergelijk nu Sanier en Fonsègue eens. In den grond van de zaak zijn het collega’s; zij hebben ieder een wapen en gebruiken dat. Maar welk een verschil in de middelen en in de resultaten. Het blad van den eerste is feitelijk een goot, die hemzelf meesleept naar het riool, terwijl het blad van den tweede beslist tot de beste journalistiek behoort, die men zich denken kan, uitstekend verzorgd, zeer litterair, een lekkernij voor fijnproevers, een eer voor hem, die het leidt… En toch is het in den grond der zaak één en dezelfde comedie!”
Massot lachte hartelijk om zijn laatste aardigheid, maar zeide dan plotseling:
“Daar heb je Fonsègue eindelijk!”
En nog steeds lachend stelde hij den priester voor.
“Mijnheer de abbé Froment, die al een klein half uurtje op u zit te wachten… Ik zal eens gaan kijken wat er binnen gebeurt… U weet toch, dat Mège een interpellatie houdt.”
Fonsègue kreeg een kleine rilling.
“Een interpellatie… Goed, goed, ik kom dadelijk.”
Pierre keek hem aan. Het was een kleine, magere, levendige, nog jong gebleven vijftiger met een donkeren baard, fonkelende oogen en een mond, die onder zijn snor schuil ging. Verder had hij een zeer innemend uiterlijk en geest tot in het topje van zijn neus, den neus van een altijd snuffelenden jachthond.
“En waarmede kan ik u van dienst zijn, mijnheer de abbé?”
Pierre zette nu in enkele woorden zijn verzoek uiteen, vertelde van zijn bezoek aan Laveuve, gaf enkele hartverscheurende bijzonderheden en vroeg de onmiddellijke opneming van den ongelukkige in het Asile.
“Laveuve? Maar is zijn zaak al niet onderzocht?… Dutheil heeft er rapport over uitgebracht en de feiten waren zoodanig, dat we niet tot opneming hebben kunnen besluiten.”
De priester bleef aandringen.
“Ik verzeker u, mijnheer, dat uw hart van medelijden gebroken zou zijn, als u vanochtend met mij geweest was. Het is een schande den ouden man nog een uur langer in zoo’n verwaarloosden toestand te laten. Hij moet vanavond in het Asile slapen.”
“Vanavond,” riep Fonsègue uit, “maar dat is onmogelijk, absoluut onmogelijk! Daarvoor moeten eerst allerlei formaliteiten [59]vervuld worden. Trouwens ik kan alleen geen beslissing nemen, die macht bezit ik niet. Ik ben slechts de administrateur en doe niets anders dan de bevelen van het damescomité uitvoeren.”
“Maar barones Duvillard heeft mij juist naar u gezonden en mij verzekerd, dat u alleen de noodige macht bezit, om in een uitzonderingsgeval een onmiddellijke opneming te gelasten.”
“Zoo, zendt de barones u! Dat is net iets voor haar! Zij is niet in staat een besluit te nemen en veel te bezorgd voor haar rust, om een verantwoordelijkheid te aanvaarden… Waarom wil zij, dat juist ik al die onaangenaamheden hebben moet? Neen, neen, mijnheer de abbé, ik doe beslist niets tegen onze reglementen in, ik ben niet van plan een bevel te geven, dat mij misschien in onmin met de dames zou brengen. U kent ze niet; ze zijn verschrikkelijk, zoodra zij vergaderen.”
Hij werd opgewekter en verdedigde zich schertsend; maar hij had reeds het vaste besluit genomen niets te doen. Plotseling verscheen Dutheil weer en stormde blootshoofds de wandelgangen in, om de afwezigen, die belang hadden bij de discussie, welke zoo juist een aanvang genomen had, te verzamelen.
“Wat, ben jij daar nog, Fonsègue. Ga gauw naar je plaats. Het wordt ernst!”
Hij was alweer weg. De afgevaardigde haastte zich echter volstrekt niet, alsof de verdachte geschiedenis, die de zittingzaal in een hartstochtelijke opwinding bracht, hem in geen geval nadeel berokkenen kon. Hij glimlachte nog steeds, hoewel een licht, zenuwachtig beven hem met zijn oogleden deed knippen.
“Neem me niet kwalijk, mijnheer de abbé, maar u ziet, dat mijn vrienden mij noodig hebben. Ik herhaal u, dat ik absoluut niets voor uw protégé kan doen.”
Maar Pierre wilde dit antwoord nog niet als definitief aannemen.
“Neen, neen, mijnheer, ga u nu maar uw zaken doen, dan wacht ik zoolang wel hier… Neem geen besluit, zonder er rijpelijk over na te denken. Men haast u op het oogenblik en ik voel, dat u niet met onverdeelde aandacht naar mij luistert. Wanneer u strakjes terugkomt en u geheel aan het geval wijden kunt, zult u, daar ben ik zeker van, toestaan wat ik u vraag.” [60]
En hoewel Fonsègue hem bij het weggaan verzekerde, dat hij zijn besluit niet zou kunnen veranderen, bleef Pierre hardnekkig en ging weer op het bankje zitten, ook al zou hij tot ’s avonds moeten wachten. De Salle des Pas perdus was nu bijna geheel ledig en leek nu nog droefgeestiger en killer met haar Laokoöon en haar Minerva en met haar kale wanden; zij maakte den indruk van een banaal station, waar het gewoel van de eeuw doortrok, zonder het hooge plafond te verwarmen. Nooit nog was een valer, onverschilliger daglicht door de groote glazen deuren binnengevallen, waarachter men den kleinen, ingesluimerden tuin met zijn spaarzaam wintergroen zag. Geen geluid van de stormachtige zitting ernaast drong hier door; slechts een doodelijke stilte viel neer uit het zwaarmoedige gebouw, waardoor een rilling van troosteloosheid ging, die ongetwijfeld van heel ver, uit het geheele land gekomen was.
Dat was het wat Pierre nu in zijn overpeinzingen niet losliet. De geheele oude, vergiftigde wond lag hier in haar ettering bloot. De langzame parlementaire verrotting had zich uitgebreid en greep nu het sociale lichaam aan. Zeker boven de lage intriges, boven het drijven van persoonlijke eerzucht stond wel de hoogere strijd der principes, stond de voortschrijdende geschiedenis, die het verleden wegvaagde en trachtte in de toekomst meer waarheid, gerechtigheid en geluk te scheppen; maar wat hielp dat, wanneer men in de vreeselijke dagelijksche praktijk niets zag dan de ontketening van egoïstische begeerten, den eenigen drang om zijn buurman te worgen en alleen te triompheeren. Tusschen de verschillende groepen ontdekte men niets dan een strijd om de macht en om de bevrediging, die de overwinning geeft. Links en rechts, katholieken, republikeinen, socialisten en al die ontelbare partijschakeeringen waren niets dan etiquetten, welke denzelfden brandenden dorst naar heerschen en regeeren classificeerden. Alle vragen trokken zich samen tot één vraag, wie van deze, gene of nog een derde partij Frankrijk in zijn macht hebben zou, om ervan te genieten, om zijn gunsten te verdeelen onder zijn beschermelingen. En het ergste was, dat de groote slagen, de dagen en weken, welke ermede verloren gingen dezen op genen en genen weer op dien te laten volgen, op niets anders uitliepen dan op een allerdwaast heen en weer trappelen op dezelfde plaats, want alle drie beteekenden even veel of even weinig; er bestonden tusschen hen slechts vage verschillen, zoodat de nieuwe [61]meester hetzelfde werk bedierf als zijn voorganger, daar hij, zoodra hij aan het bewind kwam, noodzakelijkerwijze zijn programma’s en beloften vergeten moest.
Onoverwinlijk keerden Pierre’s gedachten weer terug naar Laveuve, dien hij een oogenblik vergeten had. O, wat bekommerde die ongelukkige oude man, die daar op zijn lompen van honger lag te crepeeren, er zich om of Mège het ministerie-Barroux zou doen vallen en een ministerie-Vignon aan het bewind komen zou? Op die wijze zouden er honderd, tweehonderd jaren moeten verloopen voor er brood was in de dakkamertjes, waar de verminkten van den arbeid, de oude, kreupel geworden lastdieren liggen te reutelen. En achter Laveuve stond de geheele ellende, het geheele volk der onterfden en der armen, die in doodsstrijd verkeerden en gerechtigheid eischten, terwijl de voltallige Kamer zich hartstochtelijk opwond om te weten, aan wien de natie toebehooren, wie haar verslinden zou. De modder stroomde tot aan den rand, de afschuwelijke, bloedende wond lag schaamteloos bloot als een kankergezwel, dat het organisme wegvreet en het hart aantast. Welk een walging boezemde dat schouwspel in, hoe verlangde men naar het wrekende mes, dat gezondheid en vrede teruggeven zou.
Pierre zou niet hebben kunnen zeggen hoe lang hij in dat gepeins verzonken was, toen wederom een verward lawaai de zaal vulde. Verschillende Kamerleden kwamen weer terug en vormden druk gesticuleerende groepen. Dan hoorde hij plotseling Massot naast zich zeggen:
“Het is nog niet gevallen, maar het scheelt toch een beroerd beetje. Ik geef geen sou meer voor zijn leven.”
Hij bedoelde het ministerie. Dan vertelde hij aan een pas aangekomen collega het verloop der zitting. Mège had heel goed en met een buitengewoon vurige verontwaardiging tegen de verrotte en verrottende maatschappij gesproken, maar had, zooals altijd, zijn doel voorbijgestreefd en juist door zijn heftigheid de Kamer bang gemaakt. Toen Barroux dan ook de verdaging van de interpellatie voor een maand gevraagd had, behoefde hij slechts woorden te geven aan zijn verontwaardiging, die trouwens zeer oprecht was, want een heilige toorn tegen de infame campagnes, die een zekere pers voerde, vervulde hem. Moest de smaad van Panama zich hernieuwen? Zou de volksvertegenwoordiging zich door nieuwe dreigementen met onthullingen laten intimideeren? Het eenige doel was, om de republiek zelf onder een vloed [62]van schanddaden te verdrinken. Neen, neen, het uur was gekomen, om tot zichzelf in te keeren, om in vrede te werken, zonder dat op schandaal beluste personen in staat gesteld zouden worden den algemeenen vrede te verstoren. En de Kamer, op wie deze woorden indruk gemaakt hadden en die bang was op den langen duur het geduld van de kiezers met die telkens nieuwe modder uit te putten, had de interpellatie voor een maand verdaagd. Maar, hoewel Vignon zich met opzet niet in de discussie gemengd had, had zijn geheele groep tegen het ministerie gestemd, zoodat de door Barroux verkregen meerderheid slechts twee stemmen bedroeg—een belachelijke meerderheid.
“Maar dan zal het ministerie ontslag vragen,” zeide een stem tot Massot.
“Ja, het gerucht gaat. Maar Barroux is taai… In ieder geval zullen zij, wanneer zij mochten aanblijven, binnen acht dagen tegen den grond liggen, te meer daar Sanier woedend is en beweert morgen de lijst met namen te publiceeren.”
Inderdaad zag men Barroux en Monferrand haastig en terneergeslagen en door hun ongeruste protégé’s gevolgd, voorbijkomen. Men vertelde, dat het geheele kabinet zou vergaderen, om een beslissing te nemen. Dan kwam Vignon, omgeven door zijn vrienden, terug. Hij straalde van vreugde, die hij echter voor zijn vrienden trachtte te verbergen, want hij wilde niet te vroeg victorie kraaien; maar de oogen van zijn groep fonkelden, een geheele troep jachthonden, die wachtten op het naderende uur van den buit. Zelfs Mège triompheerde. Op twee stemmen na had hij het ministerie doen duikelen! Alweer een! En dat van Vignon zou hij ook ten val brengen. En dan zou hij eindelijk regeeren!
“Alle duivels!” mompelde de kleine Massot. “Chaigneux en Dutheil zien er uit als een paar honden, die een rammeling gehad hebben. Maar kijk eens naar Fonsègue, dan zie je wat anders. Wat een kerel, hè?… Bonsoir, ik maak, dat ik wegkom!”
Hij gaf zijn collega de hand; hij wilde niet blijven, hoewel de zitting nog niet opgeheven was en er weer een belangrijke quaestie—maar natuurlijk voor leege banken—behandeld werd.
Pierre was opgestaan, om nogmaals zijn verzoek aan Fonsègue te doen. Maar deze was hem voor en zeide haastig:
“Neen, heusch niet, mijnheer de abbé, ik zeg u nogmaals, [63]dat ik beslist weiger de verantwoordelijkheid van een dergelijke overtreding van onze reglementen op mij te nemen. Er is een rapport uitgebracht en de zaak is definitief beslist. Hoe kan ik dus anders handelen dan ik doe?”
“Mijnheer,” zeide de priester smartelijk, “het gaat hier om een ouden man, die honger heeft, die koude lijdt en sterven zal, wanneer hij niet geholpen wordt.”
Met een wanhopig gebaar scheen de hoofdredacteur van den Globe de muren tot getuigen te roepen, dat hij er niets aan kon doen. Ongetwijfeld was hij bang voor de een of andere onaangename geschiedenis voor zijn blad, waarin hij het Asile des Invalides du Travail als verkiezingswapen misbruikt had. En misschien ook maakte de heimelijke angst, waarin de zitting hem gebracht had, hem hardvochtig.
“Ik kan niets doen, ik kan niets doen… Maar ik zou natuurlijk niets liever zien dan dat u mij door het damescomité zoudt dwingen iets te doen. U hebt reeds den steun van barones Duvillard, tracht ook dien van de andere dames te krijgen.”
Vastbesloten tot het einde toe te strijden, zag Pierre daarin een laatste middel, om zijn doel te bereiken.
“Ik ken gravin de Quinsac; ik zou dadelijk naar haar toe kunnen gaan.”
“Ja, dat is uitstekend! Ga naar gravin de Quinsac; neem een rijtuig en tracht ook prinses de Hardt te spreken. Die heeft tegenwoordig veel invloed… Probeer de toestemming van die dames te krijgen, ga dan om zeven uur naar de barones terug, vraag aan haar een brief, die mij dekt, en kom dan bij mij op de courant. Om negen uur is uw man dan in het Asile.”
Hij sprak nu op vroolijk-ongedwongen toon en scheen, nu hij geen gevaar meer liep in moeilijkheden te geraken, zeker van het succes. De priester vatte weer nieuwen moed.
“Ik ben u hoogst dankbaar, mijnheer; u zult een reddingswerk doen.”
“Maar u begrijpt toch, hoop ik, dat ik niets liever zou willen. Ja, als wij met een woord de ellende genezen, honger en dorst voorkomen konden!… Maar haast u, u hebt geen minuut te verliezen.”
Zij gaven elkaar de hand en Pierre haastte zich weg. Het was niet makkelijk, want de groepen waren grooter geworden; de woede en de angst van de zitting vormden hier een stormachtigen tegenstroom, zooals een steen, die midden [64]in een poel geworpen wordt, de modder opwoelt en het verborgen vuil naar de oppervlakte doet stijgen. Hij moest zich met zijn ellebogen een weg banen door die menigte, door de rillende en bevende lafheid van sommigen en de onbeschaamde brutaalheid van anderen, door de vuile bezoedelingen, die de meesten tengevolge van de onvermijdelijke besmetting der omgeving gekregen hadden. Maar hij nam een nieuwe hoop met zich mede, en het scheen hem toe, dat, wanneer hij dezen dag een leven redde, wanneer hij dezen dag iemand gelukkig maakte, dat het begin van de verlossing, een kleine aflaat voor de domheden en zonden van de zelfzuchtige en vraatzuchtige politieke wereld zijn zou.
In de vestibule hield een nieuw incident Pierre nog even op. Er heerschte daar een groote opwinding ten gevolge van een ruzie tusschen een man en een der boden, die den man den toegang geweigerd had, na gezien te hebben, dat de kaart, die hij toonde, een oude kaart was, waarop de datum weggekrabd was. De man, die eerst grof en brutaal was geweest, drong niet verder aan en scheen door een plotselinge schuchterheid aangegrepen te zijn. Pierre herkende tot zijn verbazing in dien slecht gekleeden man Salvat, dien hij ’s morgens had weg zien gaan, om werk te zoeken. Ditmaal was hij het werkelijk—groot, mager, verwilderd met vlammende dwepersoogen in zijn bleek hongerlijdersgezicht. Hij had zijn zak met gereedschappen niet meer bij zich; zijn in flarden hangende jas was dichtgeknoopt en puilde aan den linkerkant uit, waarschijnlijk door een stuk brood, dat hij eronder gestopt had. Teruggejaagd door de boden, ging hij weer verder en liep langzaam op goed geluk af den pont de la Concorde over, als iemand, die niet weet, waarheen hij gaat.
[Inhoud]
IV.
Inhoudsopgave
In den ouden, verkleurden salon Louis XVI met grijze betimmering zat gravin de Quinsac op haar gewone plaatsje naast den schoorsteen. Met haar lang en voornaam gelaat, haar ietwat strenge kin en met haar nog mooie oogen onder het naar de ouderwetsche mode uit haar jeugd opgemaakte, fijne, grijze haar geleek zij sprekend op haar zoon. Ondanks haar trotsche koelheid kon zij vriendelijk en innemend zijn.
Na een lange stilte begon zij weer met een kleine handbeweging tegen markies de Morigny, die aan den anderen [65]kant van den schoorsteen, waar hij sedert jaren denzelfden fauteuil had, zat:
“Ja, beste vriend, ge hebt groot gelijk, de lieve God heeft ons in een verschrikkelijken tijd vergeten.”
“Ja, wij zijn het geluk voorbijgevlogen,” zeide hij langzaam; “en daar hebben wij beiden schuld aan.”
Met een tweede gebaar legde zij hem droef glimlachend het zwijgen op. En weer viel een stilte in; geen geluid van de straat drong door in dezen droefgeestigen rez-de-chaussée, die achter op de binnenplaats van een oud hôtel in de rue Saint-Dominique, bijna op den hoek van de rue de Bourgogne, lag.
De markies was een oude man van vijf-en-zeventig jaar, negen jaar ouder dan de gravin. Hoewel hij klein en mager was, maakte hij met zijn gladgeschoren gezicht met de diepe, correcte rimpels toch een voornamen indruk. Hij behoorde tot een der oudste families van Frankrijk en was een der laatste legitimisten, die, ofschoon hij geen hoop meer had, ondanks alles trouw bleef aan de gestorven monarchie. Zijn nog altijd op eenige millioenen geschat vermogen was als het ware geïmmobiliseerd door zijn weigering om het in dienst te stellen van de werken der eeuw en het op die wijze vruchten te doen dragen. Men wist, dat hij de gravin, zelfs nog tijdens het leven van graaf de Quinsac, heimelijk had liefgehad en na den dood van dezen, toen de hoogstens veertigjarige weduwe zich met een rente van vijftien duizend francs op dezen vochtigen rez-de-chaussée had moeten terugtrekken, haar zijn hand aangeboden had. Doch zij aanbad haar toenmaals tienjarigen zoon Gérard, die zeer teer van gezondheid was; en uit een soort moederlijke schaamte, uit een bijgeloovige vrees, dat zij hem verliezen zou, wanneer zij een nieuwe liefde en een nieuwen plicht in haar leven bracht, had zij alles voor dien jongen opgeofferd. De markies echter, die zich erbij neergelegd had, bleef haar met zijn geheele ziel aanbidden, maakte haar nog het hof als op den eersten avond, dat hij haar gezien had. Nooit had er iets tusschen hen bestaan; zelfs geen kus hadden zij elkander gegeven.
Toen hij haar daar zoo treurig zitten zag, was hij bang haar misnoegen opgewekt te hebben en voegde hij eraan toe:
“Ik zou je graag gelukkiger gemaakt hebben, maar ik heb het niet gekund, en dat is zeker alleen mijn schuld.—Maak je je bezorgd over Gérard?” [66]
Zij knikte van neen, om dan te zeggen:
“Zoolang de zaken blijven, zooals zij zijn, mogen we niet klagen, lieve vriend, want wij hebben ze aanvaard.”
De gravin bedoelde de zondige verhouding tusschen haar zoon en barones Duvillard. Altijd was zij zwak geweest voor dit kind, dat zij met zooveel moeite had opgevoed, want zij alleen kende de uitputting, het jammerlijke einde van een ras, dat zich onder het mooie uiterlijk van zijn trotsche houding verborg. Zij duldde zijn luiheid, zijn niets doen, zijn genotzucht, die hem een tegenzin voor de militaire en voor de diplomatieke loopbaan ingeboezemd had. Hoe dikwijls had zij kleine domheden goedgemaakt, kleine schulden betaald, hoewel zij de geldelijke hulp weigerde van den markies, die zelfs zijn millioenen niet meer durfde aanbieden, daar zij er hardnekkig op bleef staan heldhaftig te leven van de overblijfselen van haar fortuin. Zoo was zij er ten slotte ook toe gekomen haar oogen te sluiten voor de amourette van haar zoon, daar zij heel goed begreep hoe dit alles in zijn werk gegaan was: men laat zich medesleepen—komt niet tot besef van wat er gebeurt: de man weet niet hoe hij breken moet; de vrouw houdt hem vast door zich te geven. De markies had er zich eerst bij neergelegd, toen Eve Christin geworden was.
“Je weet hoe goed Gérard is,” ging de gravin voort. “Dat is zijn kracht en tegelijk zijn zwakheid. Hoe kan ik hem verwijten doen, wanneer hij met mij weent?… Hij zal die vrouw wel moede worden.”
Markies de Morigny schudde zijn hoofd.
“Zij is nog zoo mooi… En dan is de dochter er nog. Dat zou ernstiger zijn; hij zou met haar trouwen.”
“Die mismaakte dochter!”
“Ja, ik hoor de praatjes al: een Quinsac, die om haar millioenen met een monster trouwt.”
Dat was het waarvoor zij beiden bang waren. Zij wisten alles wat er bij de Duvillards gebeurde: de teedere vriendschap tusschen de leelijke Camille en den mooien Gérard, de roerende idylle, waarachter zich het vreeselijkste drama verborg.
“O neen, dat nooit!” riep de gravin verontwaardigd uit. “Mijn zoon in die familie, neen, daar geef ik nooit mijn toestemming voor!”
Op dat oogenblik kwam generaal de Bozonnet de kamer binnen. Hij aanbad zijn zuster en kwam, zonder een enkele maal [67]over te slaan, haar op haar jours gezelschap houden, want de oude vriendenkring was langzamerhand kleiner geworden; er waren nog slechts enkele getrouwen, die zich in dezen grijzen, somberen salon waagden, waar men zich op duizend mijlen van het werkelijke Parijs zou kunnen wanen. Om haar op te vroolijken, vertelde hij dadelijk, dat hij bij de Duvillards gedejeuneerd had, noemde de gasten, zeide dat Gérard er ook was. Hij wist, dat hij zijn zuster een groot genoegen deed door geregeld naar dat huis te gaan, waarvan hij haar het nieuws vertelde en dat hij door de groote eer van zijn tegenwoordigheid een weinig van zijn bezoedeling reinigde. Hij zelf verveelde zich niet bij de Duvillards, daar hij zich al lang naar den geest der eeuw geschikt had en zich voor alles, wat geen krijgskunde was, zeer inschikkelijk toonde.
“Die arme kleine Camille aanbidt Gérard,” zeide hij. “Aan tafel heeft zij hem met haar oogen verslonden.”
“Daarin schuilt juist het gevaar,” viel de markies hem ernstig in de rede; “een huwelijk zou, uit alle oogpunten beschouwd, iets verschrikkelijks zijn.”
“Maar waarom?” vroeg de generaal heel verbaasd. “Zij is niet mooi, maar als alleen mooie meisjes trouwden! En dan zijn de millioenen er ook nog! Onze lieve jongen zou daar uitstekend gebruik van kunnen maken… Ja, die liaison met de moeder! Maar lieve Hemel, dat komt tegenwoordig dagelijks voor!”
De markies maakte een gebaar van grooten afkeer. Waarom nog strijden, wanneer alles instortte? Wat moest men antwoorden aan een Bozonnet, den laatsten afstammeling van deze illustere familie, wanneer het met hem al zoo ver gekomen was, dat hij de schandelijke zeden der Republiek verontschuldigde, nadat hij zijn koning verloochend en het keizerrijk gediend had?
“Hoe kan je zoo iets zeggen?” riep de gravin, die eveneens zeer verontwaardigd was, uit. “Nooit zal ik voor een dergelijk schandaal mijn toestemming geven. Dat heb ik zooeven nog gezworen!”
“Zweer niet, zuster!” zeide de generaal. “Ik zou alleen onzen Gérard gelukkig willen zien. En we zullen toch moeten erkennen, dat hij voor niet veel deugt. Dat hij geen soldaat heeft willen worden, kan ik mij begrijpen, dat is tegenwoordig geen beroep meer. Maar dat hij geen diplomaat geworden is, dat hij niet de een of andere betrekking [68]aanvaard heeft, begrijp ik minder goed. Zeker het klinkt heel mooi om op den tegenwoordigen tijd te schelden en te beweren dat een man uit onze kringen daarin eigenlijk geen fatsoenlijke bezigheid vinden kan, maar, als we eerlijk willen zijn, moeten we toegeven, dat alleen luilakken dat zeggen. Gérard heeft slechts één excuus: zijn weinige capaciteiten, zijn gemis aan energie en kracht.”
Tranen waren in de oogen der moeder gekomen. Zij verkeerde steeds in angst en beven, want zij kende de leugen, die zich achter het mooie uiterlijk verborg: hoe flink en sterk haar zoon ook schijnen mocht, de geringste koude kon zijn dood zijn.
“Hij is nu toch zes-en-dertig,” ging de generaal voort; “en nog leeft hij steeds ten laste van jou. Daar moest nu eindelijk eens een eind aan komen.”
Maar zij verzocht hem te zwijgen en wendde zich tot den markies.
“Wij moeten op God vertrouwen, niet waar vriendlief? Hij moet mij helpen, want ik heb nooit tegen hem gezondigd.”
“Nooit!” riep de markies uit, en hij legde in dat woord al zijn smart, al zijn liefde, al de vereering voor deze vrouw, die hij zoovele jaren aanbad, zonder dat zij een van beiden ooit gezondigd hadden.
Een nieuwe getrouwe kwam binnen en het gesprek nam een andere wending. Mijnheer de Larombardière, vice-president van het gerechtshof, was een groote, magere, kaalhoofdige, op een smal bakkebaardje na gladgeschoren man van vijf-en-zestig jaar. Zijn grijze oogen, zijn saamgeknepen mond, die ver van zijn neus afstond, en zijn vierkante, eigenzinnige kin gaven aan zijn gezicht een zeer strenge uitdrukking. De groote wanhoop van zijn leven was, dat hij, met een hinderlijk lispelen behept, zijn voortreffelijke qualiteiten in zijn ambt niet tot volle ontwikkeling had kunnen brengen, want hij liet er zich op voorstaan, dat hij een groot redenaar was. Die heimelijke marteling maakte hem prikkelbaar. In hem belichaamde zich het oude, royalistische en mokkende Frankrijk, dat slechts met tegenzin de Republiek diende, de oude, strenge, voor iedere evolutie en voor alle nieuwe opvattingen gesloten magistratuur. Afkomstig uit den kleinen ambtenaarsadel was hij een met het Orleanisme gerallieerde legitimist en beschouwde hij zich in dezen salon, waarin hij heel trotsch was den markies te ontmoeten, als den man van wijsheid en logica. [69]
Er werd over de laatste gebeurtenissen gesproken. De politieke gesprekken waren trouwens gauw uitgeput en liepen meestal uit op een bittere veroordeeling van menschen en feiten, want de drie heeren waren het over de gruwelen van het republikeinsche regime volkomen eens. Zij waren de ruïnes, de overblijfselen van de oude, tot bijna volkomen onmacht gedoemde partijen. De markies, een der laatsten van dien nog rijken, trotschen en koppigen adel, zweefde hoog in zijn absolute intransigentie en bleef een doode trouw. De magistraat, die tenminste een pretendent had, rekende op een wonder, toonde de noodzakelijkheid daarvan aan, wanneer Frankrijk niet in de ergste ongelukken vervallen, niet spoedig en geheel verdwijnen wilde. Wat den generaal betreft, hij betreurde van de twee keizerrijken slechts de groote oorlogen; hij had de hoop op een Bonapartistische restauratie opgegeven en beweerde, dat de Republiek, door zich niet te houden aan de keizerlijke legers en den dienstplicht in te voeren, den oorlog en het vaderland gedood had.
Toen de huisknecht vragen kwam, of de gravin abbé Froment wilde ontvangen, scheen zij zeer verbaasd.
“Wat kan die van mij willen? Laat hem binnenkomen.”
De gravin was heel vroom; zij had den priester in liefdadigheidsinstellingen leeren kennen en was door zijn ijver en door den roep van jongen heilige, waarin zijn parochianen van Neuilly hem gebracht hadden, getroffen.
Pierre, zich geheel overgevend aan zijn koortsachtige opwinding, voelde bij het binnentreden van den salon een zekere schuchterheid in zich opkomen. Eerst onderscheidde hij niets, meende in een rouwkamer te komen, een donker, waarin de vormen wazig schenen te worden en zachte stemmen fluisterden. Maar toen hij de aanwezige personen herkend had, voelde hij zich nog minder op zijn gemak: zij kwamen hem zoo triest voor, zoo veraf staande van de wereld, waaruit hij kwam en waarin hij terugkeerde. Nadat de gravin hem een stoel naast zich gewezen had, vertelde hij haar op zeer zachten toon de jammerlijke geschiedenis van Laveuve en vroeg haar steun, om hem in het Asile des Invalides du Travail opgenomen te krijgen.
“O ja, dat is die inrichting, waartoe ik op dringend verzoek van mijn zoon behoor… Maar ik heb nooit een vergadering van het comité bijgewoond, mijnheer de abbé. Hoe kan ik, die natuurlijk absoluut geen invloed heb, mij in dergelijke quaesties mengen!” [70]
Weer rezen de gestalten van Gérard en Eve voor haar geestesoog op, want deze twee hadden elkaar voor het eerst in het Asile ontmoet, en reeds werd het altijd lijdend moederhart zwak, hoewel zij er reeds spijt van had haar naam geleend te hebben voor een van die lawaaierige liefdadigheidsinstellingen, waarvan zij het zelfzuchtige misbruik, dat ervan gemaakt werd, afkeurde.
“Mevrouw,” drong Pierre aan, “het gaat hier om een armen, ouden man, die van honger omkomt. Heb medelijden wat ik u bidden mag.”
Hoewel de priester fluisterend gesproken had, kwam de generaal naderbij.
“Zoo, nog altijd in de weer voor uw ouden revolutionnair? Geen succes gehad bij den administrateur? Ja, het is moeilijk medelijden te hebben met zulke kerels, die, wanneer zij de meesters waren, ons allen zouden wegvegen, zooals zij zeggen.”
Mijnheer de Larombardière knikte toestemmend. In den laatsten tijd was het anarchistisch gevaar een nachtmerrie voor hem.
En Pierre begon zijn hartverscheurend pleidooi opnieuw. Hij schilderde de vreeselijke ellende, de woningen, waarin geen brood was, de vrouwen en kinderen, die van koude klappertanden, de vaders, die het modderige Parijs afliepen voor een stuk brood. Het eenige wat hij vroeg was een paar woorden op een visitekaartje, een paar welwillende woorden der gravin, die hij dadelijk naar barones Duvillard brengen zou, om haar te bewegen de reglementen te overtreden. Zijn woorden, die van ingehouden tranen beefden, vielen onafgebroken in den somberen salon, als kwamen zij van heel verre, als gingen zij verloren in een doode wereld, waarin zij nooit weerklank vinden zouden.
Gravin de Quinsac wendde zich tot mijnheer de Morigny. Maar deze scheen volmaakt onverschillig en keek op de hautaine manier van iemand, wien dit alles niet aangaat, in het vuur—zonder eenige belangstelling voor de dingen en de wezens, waartusschen een dwaling van den tijd hem dwong te leven. Toch keek hij op, toen hij den blik der aangebeden vrouw op zich voelde rusten; hun oogen ontmoetten elkander met een oneindige zachtheid, de zoo treurige zachtheid van hun heldhaftige liefde.
“Lieve God, ik ken uw barmhartigheid, mijnheer de abbé,” zeide zij; “en ik zou niet gaarne mijn medewerking weigeren.”
Zij verliet een oogenblik den salon en kwam dan dadelijk [71]terug met een visitekaartje, waarop zij geschreven had, dat zij volgaarne abbé Froment bij de stappen, die hij deed, ondersteunde. Hij dankte haar hartelijk en ging met van dankbaarheid bevende handen weg, alsof hij een nieuwe hoop op redding medenam uit dezen salon, waarin achter hem weer een golf van donkerte en zwijgen scheen te vallen over de oude dame en haar laatste getrouwen om haar haard: een geheele wereld, die bezig was te verdwijnen.
Buiten gekomen, stapte Pierre, nadat hij den koetsier het adres voor prinses de Hardt, avenue Kléber, gegeven had, opgelucht in zijn rijtuig. Als hij nu ook nog den steun van deze krijgen kon, behoefde hij niet meer aan succes te wanhopen. Op den pont de la Concorde was er echter zoo’n opstopping, dat het paard stapvoets moest gaan. Toen zag hij op het trottoir Dutheil, die, met een sigaar in zijn mond, vriendelijk tegen de menigte glimlachte; zorgeloos als een vogel was hij blij na de Kamerzitting de straat weer droog, den hemel weer blauw gevonden te hebben. En toen Pierre hem daar zoo vroolijk en triomphantelijk zag, kreeg hij plotseling een ingeving, zeide hij tot zichzelf, dat hij dezen jongen man, wiens rapport een zoo noodlottige uitwerking gehad had, voor zich moest trachten te winnen. Toevallig moest het rijtuig op dat oogenblik heelemaal stilstaan. De afgevaardigde herkende den abbé en glimlachte.
“Waarheen gaat de reis, mijnheer Dutheil?”
“O niet heel ver, naar de Champs-Elysées.”
“Daar kom ik ook langs, en daar ik u graag even zou spreken, zoudt u mij een groot genoegen doen in te stappen. Ik zal u afzetten waar u wilt.”
“Heel graag, mijnheer de abbé. Hindert het u niet, als ik blijf rooken?”
“Volstrekt niet.”
Het rijtuig maakte zich uit het gedrang los, stak het plein over en reed de Champs-Elysées op. Pierre begreep, dat hij maar een paar minuten had, en begon dadelijk den aanval op Dutheil, vastbesloten hem te overwinnen. Hij herinnerde zich nog den uitval van den jongen man op Laveuve in het huis van den baron, en was dan ook zeer verbaasd toen hij zich in de rede hoorde vallen met de woorden:
“O ja, uw oude dronkaard. U hebt de zaak dus met Fonsègue niet in orde kunnen brengen? Maar wat wilt u eigenlijk? Dat men hem vandaag daar nog opneemt?… Maar daar heb ik niets op tegen!” [72]
“Ja, maar uw rapport.”
“Mijn rapport, mijn rapport! Maar de dingen veranderen al naar het standpunt, dat men inneemt… En als die Laveuve u zoo na aan het hart ligt, wil ik u volstrekt mijn hulp niet weigeren.”
Pierre keek hem verwonderd aan, hij was zoo gelukkig, dat hij niet eens behoefte gevoelde verder te spreken.
“U hebt de zaak verkeerd aangepakt,” ging Dutheil, terwijl hij zich vertrouwelijk over hem heen boog, voort. “De baron is in zijn huis heer en meester—om redenen, die u ongetwijfeld begrijpt en kent; de barones doet alles wat hij vraagt. In plaats van al dat nuttelooze heen en weer rijden, hadt u moeten trachten zijn steun te krijgen, wat u zeker gelukt zou zijn, daar hij in een uitstekende stemming was. Dan zou zij dadelijk toegestemd hebben.”
Hij begon te lachen.
“Weet u wat ik doen zal?… Ik zal den baron voor uw zaak winnen. Ja, ik ga dadelijk naar een huis, waar men zeker is hem dagelijks op dit uur te treffen.”
Hij lachte nog luider.
“Maar u kent dat huis natuurlijk even goed als ik, mijnheer de abbé. Wanneer hij daar is, kan men er zeker van zijn, dat hij niets weigert… Ik beloof u, dat hij vanavond nog de opneming van Laveuve eischen zal. Maar het zal wel een beetje laat worden.”
En dan plotseling een inval krijgend:
“Maar waarom zoudt u eigenlijk niet met mij medegaan? U krijgt dan dadelijk een paar woorden op een visitekaartje en kunt onmiddellijk, zonder een minuut te verliezen, de barones gaan zoeken… Och ja, ik begrijp heel goed, dat u u een beetje voor het huis geneert. U wilt liever alleen met den baron spreken? Dan moet u maar zoolang in een kleinen salon wachten en zal ik hem bij u brengen.”
Dit voorstel deed hem nog luider lachen, terwijl Pierre bij de gedachte, op die manier bij Silviane d’Aulnay geïntroduceerd te worden, eenigszins verlegen aarzelde. Daar was beslist zijn plaats niet. Toch zou hij naar den duivel zelf gegaan zijn en hij had dit reeds menigmaal gedaan in gezelschap van abbé Rose, wanneer zij hoopten een lijden te verzachten.
Dutheil, die hem verkeerd begreep, fluisterde nog zachter om vertrouwelijk te zeggen:
“Hij heeft daar alles betaald. U kunt gerust medegaan.” [73]
“Dat zal ik zeker doen,” antwoordde de priester, die op zijn beurt ook begon te lachen.
Het kleine, maar zeer weelderige—de fijne en eenigszins galante weelde van een tempel—hôtel d’Aulnay lag in de avenue d’Antin, dicht bij de avenue des Champs-Elysées. De priesteres van dit heiligdom, waarin het goudgalon der oude dalmatieken in den malvekleurigen weerschijn der ramen glansden, was een kleine slanke, aanbiddelijke schoonheid van vijf-en-twintig jaar; geheel Parijs kende haar verrukkelijk madonnagezichtje, het zachte, lange, ovale voorhoofd, den fijnen neus, den kleinen mond met de vlekkelooze wangen en de naïeve kin onder het zware, dikke, het voorhoofd bedekkende, zwarte haar.
De reden van haar bekendheid lag juist in die zachte, verwonderde uitdrukking, deze oneindige reinheid van haar blauwe oogen, de geheele kuische onschuld, die, wanneer zij wilde, een zeldzame tegenstelling vormde met de liederlijke deerne, die zij in den grond der zaak was met haar monsterachtige, openlijk ten toon gespreide perversiteit, zooals die op de humus der groote steden opschiet. Men vertelde de allerwonderlijkste verhalen over haar neigingen en grillen. Sommigen beweerden, dat zij de dochter van een conciërge, anderen van een dokter was. In ieder geval had zij zich eenige beschaving eigen gemaakt, want, als het noodig was, ontbrak het haar niet aan geest en houding. Sedert tien jaar liep zij, gevierd om haar schoonheid, op de planken rond; ja zelfs had zij vrij aardige successen behaald in rollen van kuisch, jong meisje en liefhebbende, vervolgde vrouwen. Maar sedert er sprake van was, dat zij aan de Comédie-Française komen zou, om daar de rol van Pauline in Polyeucte te spelen, waren sommigen verontwaardigd, lachten anderen hartelijk, zoo ongerijmd scheen hun dat denkbeeld toe, dat als het ware een aanslag was op de majesteit der klassieke tragedie. Zij echter wilde het nu eenmaal en was er met de onbeschaamdheid van een deerne, aan wie de mannen nooit iets hebben kunnen weigeren, zeker van, dat zij haar wil doorzetten zou.
Dien dag was Gérard, die niet wist hoe hij zijn tijd moest dooden, voor hij om vier uur Eve in de rue Malignon verwachten kon, op het denkbeeld gekomen bij de in diezelfde buurt wonende Silviane op te loopen. Zij was een vroegere vlam van hem en hij was een der getrouwen van het kleine hôtel gebleven, waarin hij zelfs dikwijls lang bleef, wanneer [74]het knappe jonge meisje zich verveelde. Maar hij had haar in een woedende stemming aangetroffen en lag lui uitgestrekt in een der diepe fauteuils van den in oud goud gehouden salon naar haar klachten te luisteren. Zij stond voor hem in een geheel witten japon—heelemaal wit, juist zooals Eve aan het dejeuner—sprak hartstochtelijk en overtuigde hem ten slotte, daar hij aan zooveel jeugd en schoonheid geen weerstand bieden kon. Onwillekeurig vergeleek hij haar met de andere; en nu reeds had hij genoeg van dat rendez-vous; zulk een moreele en physieke moeheid greep hem aan, dat hij veel liever in dezen fauteuil zou blijven zitten.
“Versta je, Gérard,” riep zij ten slotte uit; “niet dat, niet dat zal ik hem toestaan, zoolang hij mij mijn benoeming niet brengt.”
Baron Duvillard kwam binnen. Dadelijk werd zij zoo koud als ijs; zij ontving hem met de uitdrukking van een beleedigde, jonge koningin, die een verklaring verwacht; hij glimlachte verlegen, want hij voorzag een storm en bracht bovendien nog slechte tijdingen. Zij was de zweer aan het ondanks het verval van zijn ras nog zoo sterke en krachtige lichaam van dien man. Zij was ook het begin der gerechtigheid en der boetedoening, daar zij het opgehoopte goud met beide handen naar zich toe trok en de hongerenden en van koude rillenden door haar wreedheid wreekte. Het was jammerlijk te zien hoe deze gevreesde en gevleide man, voor wien staten beefden, hier bleek werd van angst, deemoedig zich boog en door zijn begeerte voor die vrouw in een seniele, stamelende kindschheid terugviel.
“Als je eens wist, lieve vriendin, hoe druk ik het gehad heb. Een hoop vervelende zaken, conferenties met aannemers en het regelen van een moeilijke publiciteitsquaestie. Ik was al bang, dat ik je niet even de hand zou kunnen komen kussen.”
Hij kuste haar hand, maar zij liet haar arm weer koel en onverschillig vallen en keek hem slechts aan, wachtend op wat hij haar te zeggen zou hebben; en zij bracht hem daardoor in zoo’n verlegenheid, dat hij begon te transpireeren en te stamelen, geen woorden meer vinden kon.
“Natuurlijk heb ik mij ook met jouw belangen bezig gehouden; ik ben naar het ministerie van Schoone Kunsten geweest, waar men mij een formeele belofte gegeven had… O, men is daar nog altijd zeer op jouw hand!… Maar, [75]stel je voor, die idioot van een minister, die Taboureau, een oude professor uit de provincie, die niets van ons Parijs kent, heeft zich beslist tegen je benoeming verzet en zegt, dat je, zoo lang hij aan het bewind is, nooit in de Comédie-Française debuteeren zal.”
“En?” was het eenige woord, dat over haar lippen kwam.
“Wat moet ik verder doen? Je kan toch een minister niet laten vallen, om jou de rol van Pauline te laten spelen.”
“En waarom niet?”
Hij deed, alsof hij lachte, maar het bloed drong naar zijn slapen en zijn geheele lichaam beefde van angst.
“Maar wees toch niet zoo koppig, mijn kleine Silviane. Je bent zoo aardig, als je wilt… Zet toch dat denkbeeld van dit debuut uit je hoofd. Je speelt een gevaarlijk spel, want wat zou je je ergeren, als het eens op een fiasco mocht uitloopen! Je zoudt geen tranen genoeg hebben, om te huilen… En bovendien je kunt me zooveel andere dingen vragen, die ik je graag geven zou. Daar, zeg maar wat je hebben wilt en je krijgt het onmiddellijk.”
Schertsend trachtte hij haar hand weer te nemen. Maar heel waardig deed zij een paar stappen terug.
“Niet dàt meer, niet dàt meer, zoolang ik de rol van Pauline niet gespeeld heb; begrepen?”
Hij had het begrepen: dat beteekende een gesloten slaapkamer, geen zoen zelfs meer in haar hals. Hij kende haar genoeg, om te weten met welk een strengheid zij hem van haar lichaam zou spenen. Uit zijn samengesnoerde keel kwam nog slechts een soort dof gebrom, terwijl hij bleef trachten de quaestie nog van een schertsenden kant op te nemen.
“Wat is zij ondeugend vandaag, hè?” ging hij door, zich tot Gérard wendend. “Wat heb je haar toch gedaan, dat ik ze in zoo’n toestand vind?”
Maar de jonge man bleef lui liggen en gaf geen antwoord; hij gevoelde geen lust slagen, die niet voor hem bestemd waren, op te vangen.
Maar nu kende de woede van Silviane geen grenzen meer.
“Wat hij gedaan heeft? Hij heeft me beklaagd, dat ik afhang van een man als jij bent, van een, die zoo zelfzuchtig en ongevoelig is voor beleedigingen, waarmede ik overstelpt word. Moest jij niet het eerst van verontwaardiging uit je vel springen? Hadt je mijn engagement aan de Comédie niet moeten eischen als een eerherstel? Want per [76]slot van rekening is het een echec voor jou, en wanneer men mij niet waardig oordeelt, dan treft die beleediging jou ook… Maar ik ben maar een snol, niet waar?… Zeg het maar dadelijk, dat ik een snol ben, die uit achtenswaardige huizen weggejaagd wordt.”
Zij bleef doorrazen met vloeken en grove woorden, die steeds weer over haar zoo vinnige lippen kwamen, wanneer zij woedend was. Vergeefs smeekte de baron, die heel goed wist, dat een enkel woord van hem een nog grooteren stortvloed van gemeene woorden veroorzaken zou, den graaf met een blik tusschenbeide te komen; maar deze, wiens liefde voor den vrede hen menigmaal met elkaar verzoende, bewoog zich niet: hij was te slaperig, om zich met de zaak te bemoeien. Dan eindigde zij plotseling met den slag van een bijl, die alle gunsten afhouwt.
“Enfin, mijn waarde, je moet maar zien hoe je het klaar speelt, dat ik debuteer, maar vóór dien tijd niets hoor, zelfs niet het puntje van mijn pink!”
“Goed, goed!” prevelde Duvillard met een wanhopigen grijnslach; “we zullen het wel in orde brengen!”
Maar op dat oogenblik kwam een huisknecht binnen en zeide, dat mijnheer Dutheil beneden was en den baron verzocht even in de rookkamer te komen. Duvillard vond het vreemd, want gewoonlijk kwam Dutheil naar boven, alsof hij thuis was. Maar dan bedacht hij zich, dat de afgevaardigde ongetwijfeld ernstige tijdingen uit de Kamer medebracht, die hij hem dadelijk en onder vier oogen wilde mededeelen. Hij volgde den huisknecht en liet Gérard en Silviane alleen.
In de rookkamer, een vertrek, dat door een deur met een portière direct in de vestibule uitkwam, wachtte Pierre, die nieuwsgierig rondkeek, met Dutheil. Voor alles viel hem op het bijna godsdienstig plechtige van de entrée, de zware draperieën, het mystieke licht der ramen, de oude meubelen, de geur van myrrhe en wierook. Vroolijk sloeg Dutheil met de punt van zijn wandelstok op den lagen divan, dat zoowel een liefdes- als een rustbed was.
“Zij is mooi ingericht, wat? Ja, het is een meisje, dat het klappen van de zweep kent.”
Nog geheel van streek en ongerust kwam de baron binnen. En zonder zelfs den priester te zien, vroeg hij:
“Wat hebben zij daar gedaan? Is er wat ernstigs voorgevallen?” [77]
“Mège heeft geïnterpelleerd en de urgentie gevraagd, om Barroux te laten vallen. Enfin u kunt wel begrijpen wat hij gezegd heeft.”
“Ja, ja! Tegen de bourgeois, tegen mij, tegen jou. Altijd hetzelfde… En verder?”
“Nou, de urgentie is niet toegestaan, maar ondanks een schitterende verdediging heeft Barroux slechts een meerderheid van twee stemmen kunnen krijgen!”
“Twee stemmen! Bliksems, dan ligt hij tegen den grond en hebben we de volgende week een ministerie-Vignon.”
“Dat zeggen ze in de wandelgangen allemaal.”
Zijn wenkbrauwen samengefronst, als overwoog hij wat voor slechts en wat voor goeds een dergelijke gebeurtenis voor de wereld brengen kon, maakte de baron een ontevreden gebaar.
“Een ministerie-Vignon… Duivels, daar zouden we niet veel mede vooruitgaan. Die jonge democraten poseeren graag als beschermers der deugd; met een ministerie-Vignon zou Silviane ook niet in de Comédie komen.”
Dat was het eenige wat hij zag in de catastrophe, waaronder de geheele politieke wereld beefde. De afgevaardigde kon dan ook niet nalaten zijn eigen angst te laten doorschemeren.
“En wat moet er van ons worden?”
Die woorden herinnerden Duvillard weer aan den toestand en met een nieuw, ditmaal trotsch gebaar gaf hij zijn brutaal vertrouwen te kennen.
“Wij? Wij blijven wie wij zijn! Wij hebben toch nooit gevaar geloopen, zou ik denken! Sanier mag gerust zijn lijst publiceeren, als hij daar lust in heeft. Wanneer wij Sanier en zijn lijst al niet lang gekocht hebben, dan is dat alleen, omdat Barroux een man van eer is en ik er niet van houd mijn geld weg te smijten… Ik zeg je nog eens, dat we niets te vreezen hebben.”
Dan zag hij eindelijk abbé Froment, die zich op den achtergrond gehouden had, en Dutheil bracht hem op de hoogte van den dienst, welke deze van hem verwachtte. In den opgewonden toestand, waarin hij verkeerde, en nog geheel onder den indruk van Silviane’s strengheid, koesterde hij blijkbaar de stille hoop, dat een goede daad hen geluk zou brengen en stemde hij onmiddellijk toe den priester behulpzaam te zijn. Hij haalde een visitekaartje en een potlood uit zijn zak en ging bij het raam staan. [78]
“Maar dat spreekt toch vanzelf, waarde abbé, ik ben heel blij een steentje bij te kunnen dragen tot uw goed werk… Luister maar wat ik schrijf: “Doe als het je blieft wat mijnheer de abbé Froment voor dien ongelukkigen man vraagt; onze vriend Fonsègue wacht slechts op een woord van jou, om te handelen!””
Op dat oogenblik zag Pierre door de openstaande deur Gérard, die door Silviane uitgelaten werd. Zij was nu weer heelemaal kalm en blijkbaar nieuwsgierig naar wat Dutheil doen kwam. De aanblik van de jonge vrouw bracht hem in de grootste verbazing, zoo eenvoudig en zacht scheen zij hem toe in haar vlekkelooze madonnareinheid. In zijn droomen had hij in den tuin der onschuld nooit een verrukkelijker en bescheidener bloeiende lelie gezien.
“Wanneer u dit kaartje onmiddellijk aan mijn vrouw geven wilt,” ging Duvillard voort, “dan zult u naar prinses de Hardt moeten gaan, waar een matinée gegeven wordt.”
“Dat was ik van plan, mijnheer de baron.”
“Prachtig… U zult er mijn vrouw zeker vinden; zij zou er met de kinderen heengaan.”
Hij hield op, want hij had nu ook Gérard gezien en riep hem.
“Zeg Gérard, mijn vrouw heeft toch gezegd dat zij naar de matinée zou gaan, mijnheer de abbé kan er toch op aan, dat hij haar daar kan vinden.”
De jonge man, die juist naar de rue Matignon wilde gaan, om daar op Eve te wachten, antwoordde op zeer natuurlijken toon:
“Als mijnheer de abbé zich haast, zal hij haar nog wel vinden. Zij zou erheen gaan voor zij bij Salmon ging passen.”
Hij kuste Silviane de hand en ging weg met het indolente en onverschillige air van iemand, die zelfs van het genot blasé is.
Hoewel hij het eenigszins pijnlijk vond, moest Pierre zich door Duvillard aan de vrouw des huizes laten voorstellen. Hij maakte zwijgend een buiging, terwijl zij, eveneens zwijgend, zijn begroeting met een kuische gereserveerdheid en met een in de omstandigheden passenden takt, waartoe geen enkele ingénue, zelfs niet van de Comédie, in staat geweest zijn zou, beantwoordde. Terwijl de baron den priester uitliet, ging zij met Dutheil naar den salon terug. Zij waren nog niet achter een portière, of hij sloeg zijn arm om haar middel en wilde haar een zoen op haar lippen geven. Maar zij verzette zich nog, want zij wist, dat hij niet ernstig was, en bovendien moest hij eerst lief voor haar zijn. [79]
Toen Pierre, overtuigd nu van het welslagen, in de avenue Kléber voor het hôtel van prinses de Hardt kwam, geraakte hij weer in een groote verlegenheid. De avenue was geheel versperd met équipages, die de gasten voor de matinée musicale brachten, terwijl zich voor de met rood fluweelen gordijnen behangen deur een zoo groot aantal genoodigden verdrong, dat hij bang was er niet door te zullen komen. Hoe zou hij daar binnen kunnen gaan? Hoe zou hij met zijn soutane de prinses te spreken kunnen vragen en een onderhoud hebben met barones Duvillard? In zijn koortsachtige opgewondenheid had hij aan die moeilijkheden niet gedacht. Hij wilde reeds te voet naar de deur gaan en trachten onopgemerkt binnen te sluipen, toen een vroolijke stem hem deed omkijken:
“Hoe is het mogelijk, mijnheer de abbé? Zie ik u nu hier weer?”
Het was de kleine Massot. Hij ging overal heen en maakte, wanneer hij, zooals hij dat noemde, de kroniekziekte had, tien verschillende dingen per dag mede, een Kamerzitting, een trouwpartij, een begrafenis enz. enz.
“Zoo, mijnheer de abbé, komt u bij onze bekoorlijke prinses naar het dansen van de Morinnetjes kijken?”
Hij zeide het spottend, want deze Morinnetjes waren een groep van zes Spaansche danseressen, die door de wulpsche zinnelijkheid van haar wiegelende bewegingen geheel Parijs toenmaals naar de Folies-Bergère4 lieten stroomen. De grootste prikkel echter was, dat die meisjes voor de salons nog vrijmoediger dansen van de grootste zinnelijke uitgelatenheid, die men zeker in een schouwburg niet toegestaan zou hebben, bewaarden. En de beau monde verdrong zich bij de brutale, excentrieke gastvrouwen, die, zooals prinses de Hardt, voor geen enkele attractie terugdeinsden.
Toen Pierre den kleinen Massot uitgelegd had, dat hij nog steeds voor dezelfde zaak in de weer was, bood deze dadelijk aan hem als gids te dienen. Hij kende de inrichting van het hôtel, liet hem door een achterdeur binnengaan en bracht hem door een gang in een hoek van den vestibule vlak bij den ingang van dien grooten salon. Groote groene planten, die de vestibule versierden, verborgen hen bijna geheel.
“Blijf hier staan, mijnheer de abbé, dan zal ik trachten de prinses te vinden en kunt u hooren, of de barones er al is.” [80]
Het viel Pierre op, dat het hôtel geheel gesloten was: de gordijnen waren neergelaten, de kleinste spleten toegestopt, zoodat het daglicht niet binnenkomen kon, terwijl in alle vertrekken het electrisch licht onnatuurlijk sterk brandde. De warmte was reeds drukkend, de scherpe geuren van bloemen en vrouwenlichamen bezwangerden de atmospheer. Het kwam Pierre voor, als betrad hij een van die wellustige lustholen eener droomwereld, zooals het genotzoekende Parijs die verwezenlijkt. Als hij op zijn teenen ging staan, kon hij door de openstaande salondeur de ruggen van de reeds zittende vrouwen zien, heele rijen blonde en donkere nekken. De Spaanschen voerden blijkbaar een eersten dans uit. Hij zag haar niet, maar hij kon den geilen hartstocht van haar dans volgen in de huivering van al die nekken, welke zich als onder een sterken windstoot bewogen. Dan weerklonk gelach, een storm van bravo’s.
“Het is mij niet mogelijk geweest de prinses te vinden, u zult nog wat geduld moeten hebben,” kwam Massot zeggen. “Ik heb Janzen ontmoet, hij zal haar bij u brengen… Kent u Janzen niet?”
En deels uit gewoonte, deels omdat hij het prettig vond, begon hij weer te vertellen. De prinses was een goede vriendin van hem. Hij had verleden jaar, toen zij dadelijk na haar vestiging te Parijs in dit hôtel gedebuteerd had, verslag gegeven van haar eerste soirée. Hij kende de volle waarheid omtrent haar, voorzoover men die weten kon. Rijk was zij misschien, want zij gaf enorm veel geld uit. Getrouwd moest zij ook geweest zijn en wel met een echten prins, ongetwijfeld was zij het ook nu nog ondanks het feit, dat zij beweerde weduwe te zijn, want het scheen vast te staan, dat haar man, die mooi was als een aartsengel, met een zangeres reisde. Maar dat er een van de vijf op den loop was bij haar, dat stond vast als een paal boven water. Overigens was zij heel intelligent, maar buitengewoon wispelturig; nooit kon zij zich lang bij één ding bepalen, de eene liefhebberij volgde op de andere. Zoo had zij, na eerst een hartstochtelijke schilderes geweest te zijn, onlangs een passie gehad voor scheikunde, terwijl zij nu weer geheel in de poëzie opging.
“Dus u kent Janzen niet?… Janzen is de man geweest, die haar een hartstocht ingeboezemd heeft voor de scheikunde en speciaal voor de studie van ontplofbare stoffen, want u begrijpt natuurlijk even goed als ik, dat de scheikunde voor haar alleen belangrijk is, omdat zij anarchistisch [81]is… Haar houd ik voor een Oostenrijksche, hoewel je, wanneer zij iets beweert, verstandig doet daaraan te twijfelen. En wat Janzen betreft, die zegt, dat hij een Rus is, maar hij moet een Duitscher zijn. O, een zeer bescheiden, een raadselachtig man, die geen woning en misschien ook geen naam heeft, een verschrikkelijke kerel, van wiens verleden en leven men absoluut niets weet. Ik persoonlijk weet dingen, die mij doen gelooven, dat hij medeplichtig is aan den vreeselijken aanslag in Barcelona. In ieder geval zie ik hem nu al een jaar lang te Parijs, waar hij ongetwijfeld door de politie nagegaan wordt. En niemand zal mij van mijn idée af kunnen brengen, dat hij alleen maar de amant van onze half geschifte prinses geworden is, om de politie op een dwaalspoor te brengen. Hij neemt het air aan alsof hij hier een vroolijk leventje leidt en introduceert hier allerlei excentrieke menschen, anarchisten van iedere nationaliteit en kleur, zooals bijvoorbeeld Raphanel, dien kleinen, ronden, vroolijken kerel daar, een Franschman, voor wien zijn kornuiten wel op hun hoede mogen zijn; en Bergaz, een Spanjaard geloof ik, zoogenaamd een makelaar aan de Beurs, dien dikke daar met den vreeselijken, wellustigen mond! En nog vele anderen, avonturiers en bandieten uit alle vier de windstreken! O, die vreemdelingen-kolonies: enkele aanzienlijke vlekkelooze namen, enkele werkelijk groote vermogens—maar verder wat een gespuis!”
Zoo was het ook met de salons van Rosemonde: klinkende titels, echte milliardairs, maar verder de meest extravagante mengeling van internationale leugens en de onderste lagen der maatschappij. En Pierre dacht aan dat internationalisme, aan dat kosmopolitisme, aan dien zwerm van vreemdelingen, die steeds dichter op Parijs neerstrijkt. Ongetwijfeld kwam hij er om ervan te genieten als van een stad van avonturen en genot, maar hij bederft Parijs nog wat meer. Was die langzame ontbinding van de groote steden, die de wereld beheerscht hebben, dat toestroomen van alle hartstochten, van alle lusten, die opgehoopte, van uit de geheele wereld aangebrachte humus, waarop de bloem der beschaving in schoonheid en intelligentie ontluikt, dan noodzakelijk?
Maar Janzen kwam, een groote, magere jonge man van een jaar of dertig met grijze, fletse, harde oogen, een puntbaard en lange, krullende haren, die zijn bleek gezicht, dat als met een nevel overtrokken was, nog langer maakten. Hij sprak tamelijk slecht Fransch op zachten toon en zonder [82]eenig gebaar. Hij zeide, dat hij de prinses nergens had kunnen vinden, hoewel hij haar overal gezocht had. Misschien had iemand wel haar misnoegen opgewekt en had zij zich in haar kamer opgesloten en was naar bed gegaan, het aan haar gasten overlatend zich zoo goed mogelijk te amuseeren.
“Daar is zij,” zeide plotseling Massot.
Inderdaad stond Rosemonde in de vestibule uit te kijken, alsof zij op iemand wachtte. Zij was klein en slank en scheen met haar fijn gezichtje, haar zeegroene oogen, haar teer, bewegelijk neusje en haar ietwat grooten en te bloedrooden mond, waarin prachtige tanden schitterden, meer vreemd dan mooi. Zij droeg een hemelsblauwen, met zilveren loovertjes afgezetten japon, zilveren armbanden en een zilveren diadeem in haar aschblond haar.
“Maar met alle genoegen, mijnheer de abbé,” zeide zij tegen Pierre, zoodra zij het doel van zijn bezoek wist. “En als men uw ouden man niet in het Asile wil opnemen, dan moet u hem maar hier brengen!”
Zenuwachtig bleef zij steeds naar de deur kijken. Toen de priester haar vroeg of barones Duvillard reeds gekomen was, riep zij uit:
“Neen, ik begrijp er niets van. Zij zou haar twee kinderen medebrengen. Hyacinthe heeft mij plechtig beloofd, dat hij komen zou.”
Hyacinthe was haar nieuwe gril. Dat de hartstocht voor de scheikunde plaats had moeten maken voor een voorliefde voor de decadente en symbolische poëzie, vond zijn oorzaak daarin, dat zij op een avond, toen zij met Hyacinthe over occultisme sprak, in hem een buitengewone schoonheid ontdekt had, de astrale schoonheid van de zwervende ziel van Nero. Alle teekenen wezen daar tenminste op, zeide zij.
Plotseling liet zij Pierre staan.
“Ha, eindelijk,” mompelde zij, opgelucht en gelukkig.
Zij vloog naar de deur. Hyacinthe kwam binnen met zijn zuster Camille. Maar reeds had hij den vriend, voor wien hij kwam, gezien: den jongen lord Elson, een kwijnenden, bleeken jongen man met haar als van een meisje; hij verwaardigde zich nauwlijks de hartelijke ontvangst van Rosemonde op te merken, want hij beweerde, dat de vrouw een onrein en laag dier was, dat zoowel het lichaam als den geest bezoedelde. Wanhopig over die koelheid, volgde zij de beide jonge mannen in den levenden geur en de gloeiende hitte van den salon. [83]
Massot was zoo welwillend Camille aan te spreken en bij Pierre te brengen, die dadelijk bij de eerste woorden wanhopig werd.
“Wat, mademoiselle, is uw moeder niet medegekomen?”
Het jonge meisje, dat, zooals gewoonlijk in het donker, ditmaal pauwblauw, gekleed was, scheen zenuwachtig; haar oogen hadden een boosaardige uitdrukking en haar stem klonk sissend.
“Neen, zij kon niet… zij moest gaan passen bij Salmon. Wij hebben ons op de tentoonstelling verlaat en zij heeft zich onderweg bij hem laten afzetten.”
Zij had, in de hoop daardoor het rendez-vous van haar moeder in de rue Matignon te verhinderen, het bezoek aan de tentoonstelling handig weten te rekken, en nu maakte het haar woedend, dat haar moeder, dank zij die leugen van het passen, toch had bewerkt nog op tijd te zijn.
“Maar zou ik,” vroeg Pierre naïef, “als ik nu direct naar Salmon ging, mijn kaartje daar niet kunnen afgeven?”
Het denkbeeld scheen haar zoo grappig, dat zij in een schril gelach uitbarstte.
“Het zal de vraag zijn, of u haar daar nog vindt. Zij had nog een andere, dringende afspraak, daar zal zij nu wel heen zijn.”
“Dan zal ik hier maar wachten. Zij komt u toch zeker hier halen?”
“Ons halen? Wel neen, ik zeg u toch, dat zij een andere belangrijke afspraak heeft. Mijn broer en ik gaan alleen terug.”
Een steeds grootere bitterheid vergiftigde haar smartelijke ironie. Begreep die priester dan heelemaal niets, dat hij haar die naïeve vragen deed, welke als een mes in haar hart woelden. Hij moest het toch weten, iedereen wist het immers.
“Wat spijt mij dat vreeselijk,” ging hij zóó verdrietig voort, dat de tranen hem in de oogen kwamen. “Het is nog altijd voor dien armen ouden man. Ik heb een aanbeveling van uw vader, en mijnheer Gérard had mij gezegd…”
Hier werd hij verlegen en in zijn goddelijke onbekommerdheid, slechts door zijn eenigen hartstocht, de naastenliefde vervolgd, ging hem plotseling een licht op.
“Ja, ik heb uw vader en mijnheer de Quinsac zooeven gesproken…”
“Ik weet het, ik weet het!” antwoordde zij met het lijdend gezicht van iemand, die alles weet. “Nu, mijnheer de abbé, [84]wanneer u papa gesproken en een aanbeveling voor mama gekregen hebt, dan zult u moeten wachten, tot mama klaar is met haar zaken… Maar die duren dikwijls lang. U kunt tegen zes uur naar het hôtel gaan, maar ik durf u niet verzekeren, dat u haar dan al vinden zult.”
Haar oogen schitterden moorddadig, ieder van haar woorden had iets woest-spottends, iets snijdends als messen, waarmede zij den nog altijd prachtigen hals van haar moeder had willen doorboren. Nog nooit had zij haar zoo gehaat, haar zoo haar schoonheid, haar vreugde, haar geluk zoo bemind te worden, misgund. En de ironie, die in het bijzijn van den onschuldigen priester over haar maagdelijke lippen kwam, was een stroom verborgen modder, waarin zij haar trachtte te verdrinken.
Maar nu kwam Rosemonde, zenuwachtig als altijd, naar haar toe en nam haar mede.
“Kom toch mee, lieveling, zij zijn verrukkelijk, bedwelmend.”
Janzen en de kleine Massot volgden de prinses. Alle mannen kwamen op het gerucht, dat de Spaanschen weer een dans zouden beginnen, aangesneld en verdrongen zich in den salon.
Toen Pierre weer buiten kwam, bleef hij een oogenblik als versuft en met knippende oogen in het volle daglicht staan. Het was nog geen half vier, zoodat hij nog ruim twee uur wachten moest, vóór hij naar het hôtel in de rue Godot-de-Mauroy gaan kon. Wat moest hij doen? Hij betaalde zijn koetsier, want hij wilde liever, nu hij toch allen tijd had, zachtjes de Champs-Elysées afwandelen. Dat zou misschien de koortsachtige opwinding, die zijn handen deed gloeien, wat kalmeeren. En in zijn hartstochtelijke naastenliefde, die naarmate zich hinderpalen voordeden, steeds hooger oplaaide, had hij nu nog slechts één haast: het goede werk, dat hij eindelijk zeker waande, voltooien. Hij dwong zich zijn pas in te houden, zachtjes de prachtige avenue, die de zon opgedroogd had en die nu onder den blauwen lentehemel door een groote menigte opgevroolijkt werd, af te wandelen.
Bijna twee uur, dat hij niets doen kon, terwijl de ongelukkige Laveuve daar op zijn lompen in het ijskoude dakkamertje met den dood worstelde. Een plotseling verzet, een onweerstaanbaar ongeduld kwam weer in Pierre op, deed hem weer harder loopen, om barones Duvillard dadelijk te vinden en van haar het reddende bevel te krijgen. Hij [85]vermoedde wel, dat zij hier ergens in de buurt, in een van die bescheiden straatjes was. Welk een wanhopige toorn maakte zich van hem meester bij de gedachte, dat hij, om een leven te redden, zoo wachten moest, totdat zij klaar zijn zou met datgene, waarover haar dochter met zulke moordlustige blikken sprak. Hij meende een vreeselijk gekraak te hooren: het kraken der ineenstortende burgerlijke familie; de vader bij een hoer, de moeder in de armen van een minnaar, broeder en zuster, die alles wisten, van wie de eerste langzamerhand tot de liederlijkste perversiteiten afgleed, en de tweede in haar woedende razernij haar moeder dien minnaar ontstelen wilde, om met hem te trouwen. De equipages reden in snellen draf de schitterende avenue af, de menigte stroomde langs de zijwegen, en al die menschen waren vroolijk en mooi, zonder dat zij schenen te vermoeden, dat ergens aan het einde een gapende afgrond was, waarin zij hals over kop neervallen en verdwijnen zouden.
Toen Pierre bij den Cirque d’été kwam, zag hij tot zijn groote verwondering Salvat weer, ditmaal op een bank. De arbeider moest, na vergeefs naar werk gezocht te hebben, hier uitgeput van vermoeienis en honger, neergevallen zijn. Toch was onder zijn jas nog altijd de bult zichtbaar, ongetwijfeld het stuk brood, dat hij mee naar huis bracht. Met moe afhangende armen en achterover tegen de bank leunend, keek hij met zijn droomerige oogen naar de kinderen, die met groote moeite kleine zandhoopjes bij elkaar schepten en die dan met hun voeten weer uittrapten. Zijn roodgerande oogen werden vochtig, een eindeloos zacht glimlachje speelde om zijn arme, bleeke lippen. Ditmaal wilde Pierre, die door een onrust aangegrepen werd, naar hem toegaan en hem aanspreken. Maar Salvat stond wantrouwend op, verwijderde zich in de richting van den Cirque, waar juist een concert ten einde liep, en sloop langs de deur van dit feestgebouw, waarin twee duizend samengeperste menschen naar de muziek luisterden.
[Inhoud]
V.
Inhoudsopgave
Toen Pierre op de place de la Concorde kwam, herinnerde hij zich plotseling de afspraak, die hij met abbé Rose tegen vier uur in de Madeleine gemaakt en in al dit koortsachtige heen en weer loopen vergeten had. Hij was al te laat. Blij, [86]dat hij door die afspraak den tijd makkelijker door zou kunnen komen, versnelde hij zijn pas.
Bij zijn binnentreden in de kerk zag hij tot zijn verbazing, dat het reeds bijna geheel donker was. Slechts een paar kaarsen brandden: het schip lag in diepe schaduwen gedompeld, en te midden van dat halfdonker sprak een hooge, duidelijke stem, zonder dat men in den beginne van het talrijke auditorium iets anders zag dan de kale en verwarde massa van de in aandachtig luisteren onbeweeglijke hoofden. Monseigneur Martha stond op den kansel en was bijna aan het einde van zijn derde voordracht over den Nieuwen Geest. De beide eerste voordrachten hadden groote sensatie gemaakt, zoodat geheel Parijs aanwezig was—dames uit de hoogste kringen, politici, schrijvers, allen medegesleept door de welsprekendheid van den redenaar met zijn knappe, warme voordracht en de breede gebaren van een groot tragediespeler.
Pierre wilde die plechtige aandacht, die rillende stilte, waarin alleen het woord van den geestelijke klonk, niet verstoren. Hij zou straks abbé Rose wel zoeken en bleef tegen een pilaar geleund staan. Een schuin vallende, uitstervende straal van het laatste daglicht viel door het raam juist op den redenaar, die in zijn wit koorhemd groot en krachtig scheen en bijna nog niet grijs was, ofschoon hij de vijftig reeds gepasseerd was. Hij had mooie trekken, donkere, levendige oogen, een krachtigen neus en een scherp geteekende kin en mond. Maar het meest opvallend aan hem was, het meest nam hij allen voor zich in door zijn sympathieke verschijning, de steeds blijvende uitdrukking van groote beminlijkheid, die het gebiedende van zijn gezicht verzachtten, ja bijna deden verdwijnen.
Pierre had hem, toen hij nog pastoor van de Sainte-Clotilde was, gekend. Hij moest van Italiaansche afkomst zijn, hoewel hij in Parijs geboren was, had Saint-Sulpice met de beste getuigschriften verlaten en was zeer intelligent, zóó eerzuchtig, dat zijn superieuren zelfs zich daarover ongerust begonnen te maken. Toen hij daarna tot bisschop van Persepolis benoemd was, verdween hij en bleef vijf jaar in Rome; wat hij daar gedaan had, was nooit iemand te weten gekomen. Na zijn terugkeer bracht hij Parijs in verbazing door zijn succesvolle propaganda, hield zich bezig met de meest verschillende dingen en was in het aartsbisdom, waar hij almachtig was, zeer populair. Speciaal richtte hij zijn kracht [87]erop, om de inschrijvingen tot voltooiing van den dom voor den Sacré-Cœur te vertiendubbelen. Niets was hem daarvoor te veel: noch reizen, noch lezingen, noch inzamelingen, noch stappen bij ministers, ja zelfs bij Joden en vrijmetselaars. In den laatsten tijd had hij zijn arbeidsveld nog uitgebreid, trachtte hij de wetenschap met het Katholicisme te verzoenen, het Christelijke Frankrijk met de Republiek te rallieeren en predikte overal de politiek van Leo XIII, die den definitieven triomf der Kerk verzekeren moest.
Niettegenstaande de tegemoetkomendheid van dezen invloedrijken en beminlijken man kon Pierre toch geen sympathie voor hem voelen. Hij was hem slechts voor één ding dankbaar, n.l. dat hij den goeden abbé Rose tot vicaris van Saint-Pierre de Montmartre had laten benoemen, blijkbaar om het schandaal te verhinderen, dat een priester gestraft zou worden, omdat hij zich te barmhartig getoond had. Toen hij hem daar zoo op den kansel van de Madeleine terugvond en hem zijn veroveringsveldtocht hoorde voortzetten, zag hij hem weer voor zich, zooals hij hem het vorige jaar bij de Duvillards had gezien, toen hij met zijn gewone meesterschap de bekeering van Eve tot het Katholicisme, zijn mooisten triomf, tot een goed einde gebracht had. De doop, een plechtigheid van buitengewone pracht en praal, een ware galavoorstelling, die aan het stampubliek van alle groote gebeurtenissen gegeven werd, had in diezelfde kerk plaats gehad. Gérard lag, tot tranen toe geroerd, op zijn knieën, terwijl de baron triompheerde als een goed echtgenoot, die verheugd is, dat de godsdienst eindelijk de volmaakte harmonie in zijn huwelijk brengt. In sommige kringen werd beweerd, dat de familie van Eve, de oude Justus Steinberger, haar vader, in den grond der zaak niet al te boos geweest was; grijnslachend zou hij gezegd hebben, dat hij zijn dochter goed genoeg kende, om haar aan zijn ergsten vijand toe te wenschen. In bankzaken bestaan er nu eenmaal papieren, die men gaarne door zijn concurrenten laat disconteeren. Met de hardnekkige hoop op de overwinning van zijn ras zeide hij ongetwijfeld, om zich te troosten over het echec van zijn eerste berekening, dat een vrouw als Eve in een Christelijke familie een goed ontbindend middel was, dat er krachtig toe medewerken zou, om al het geld en al de macht in de handen der Joden te doen vallen.
Maar het visioen verdween, de stem van monseigneur Martha verhief zich steeds machtiger. Te midden van het [88]rillend auditorium jubelde hij over de weldaden van den Nieuwen Geest, die eindelijk Frankrijk den vreden brengen en het zijn rang en zijn kracht teruggeven zou. Wezen overal niet onmiskenbare teekenen op een herleving? De nieuwe geest was de wedergeboorte van het ideaal, het protest van de ziel tegen het lage materialisme, de triomf van het spiritualisme over de modderlitteratuur; het was de erkende, maar op de haar toekomende plaats teruggebrachte wetenschap, die zich verzoende met het geloof van af het oogenblik, dat zij er geen aanspraak meer op maakte om in het heilige gebied van dit laatste binnen te dringen; het was de met vaderliefde ontvangen democratie, de gelegitimeerde, nu eveneens als de veelgeliefde dochter der Kerk erkende Republiek. Een idyllische ademtocht streek over de menigte: de Kerk opende haar hart voor alle kinderen; er zou nog slechts eendracht en vreugde zijn, wanneer het volk, gehoorzamend aan den nieuwen geest, zich geven zou aan den Heer der Liefde, zooals het zich gegeven had aan zijn koningen, wanneer het de eenige macht van God, den onbeperkten gebieder over lichamen en zielen, erkende.
Nu luisterde Pierre met aandacht en hij vroeg zich af, waar hij reeds vroeger bijna dezelfde woorden gehoord had. En plotseling herinnerde hij het zich, hij meende monseigneur Nani weer te hooren, zooals hij sprak in het laatste onderhoud, dat zij samen gehad hadden. Hier vond hij den droom terug van een democratischen paus, die de van haar troon gestooten monarchieën aan haar lot overliet en trachtte het volk te heroveren. Kon, nu Caesar vernietigd was, de paus niet de eeuwenoude eerzucht verwezenlijken, keizer en pontifex tegelijk, de souvereine, algemeene God zijn? Het was de droom, dien hij in zijn apostel-naïeveteit eens zelf gedroomd had, toen hij zijn Nieuw Rome schreef—de droom, waarvan het werkelijke Rome hem zoo ruw genezen had. In den grond der zaak was deze priesterpolitiek, die de eeuwen aan haar zijde heeft, die zich taai en met een buitengewone soepelheid vastklemt aan de verovering en vastbesloten is uit alles voordeel te trekken, niet meer dan een huichelachtige leugenpolitiek. Welk een evolutie: de Kerk komt de wetenschap, de democratieën, de Republiek tegemoet, overtuigd, dat zij die alle, indien men haar daartoe den tijd laat, verslinden zal. Ja, de nieuwe geest! Het was de oude geest der overheersching, die zich steeds weer hernieuwt, steeds weer met denzelfden honger naar overwinning en wereldbezit! [89]
Pierre meende onder het gehoor enkele afgevaardigden te herkennen, die hij in de Kamer gezien had. Was die groote man met den blonden baard, die zoo vroom zat te luisteren, niet een der creaturen van Montferrand? Men beweerde, dat Monferrand, vroeger een priestervreter, thans met den clerus coquetteerde. In de sacristieën begon een geheele heimelijke evolutie, het wachtwoord uit Rome deed de rondte: men moest zich railleeren met de nieuwe regeering en die, door zich er meester van te maken, langzaam aan geheel overweldigen. Frankrijk was nog steeds de oudste dochter der Kerk, de eenige natie, die nog gezond en sterk genoeg was, om den paus eenmaal weer zijn wereldlijke macht terug te geven. Men moest haar dus trachten te winnen, zelfs als republiek was zij waard, dat men zich bij haar aansloot. In die grimmige diplomateneerzucht maakte de bisschop gebruik van den minister, die het in zijn belang achtte op zijn beurt weer op den bisschop te steunen. En wie van de twee zou ten slotte den ander opeten? En tot welk een rol daalde de godsdienst af! Hij werd een verkiezingswapen, een stemmensaldo bij meerderheden, een beslìssende en geheime reden, om een portefeuille te krijgen of te behouden! De goddelijke naastenliefde was ver te zoeken. Een gevoel van groote bitterheid maakte zich van Pierre meester bij de herinnering aan den onlangs gestorven Bergerot, den laatste der groote heiligen, der reine geesten van het Fransche episcopaat, dat thans slechts uit intriganten en domkoppen scheen te bestaan.
Inmiddels liep de conférence ten einde. In een vurige peroratie, die den Parijs met het reddende symbool van het Kruis beheerschenden dom van den Sacré-Cœur daar boven op den Heiligen berg der Martelaars bezwoer, toonde monseigneur Martha dit groote Parijs, dat, dank zij de door den goddelijken adem van den nieuwen geest verleende moreele almacht, weer Christelijk en de heerscher der wereld geworden was. Door het gehoor, dat niet applaudisseeren mocht, liep een goedkeurend gemompel van verrukking; zij voelden zich zoo gelukkig door dit wonderbare einde, dat alle belangen en gewetens geruststelde. Dan verliet monseigneur Martha plechtig den kansel, terwijl het luide gestommel van weggeschoven stoelen den donkeren vrede der kerk verstoorde, welke nauwlijks verlicht werd door enkele kaarsen, die als de eerste sterren aan den schemerenden hemel fonkelden. Een ware vloed van menschen, onduidelijke en fluisterende [90]schimmen, stroomde naar buiten. Slechts enkele vrouwen bleven op haar knieën liggen bidden.
Pierre ging op zijn teenen staan en trachtte abbé Rose te vinden, toen een hand hem aanraakte. Het was de oude priester, die hem uit de verte herkend had.
“Ik zat bij den kansel en heb je dadelijk gezien, beste jongen; maar ik wilde liever wachten, om niemand te storen… Wat heeft monseigneur mooi gesproken!”
Hij scheen inderdaad zeer onder den indruk. Maar een hartverscheurende, treurige uitdrukking lag om zijn goeden mond, om zijn heldere kinderoogen, wier glimlach gewoonlijk het goedige, ronde, bleeke gezicht verhelderden.
“Ik was bang, dat je weer weggegaan zoudt zijn zonder mij te zien, want ik heb je wat te zeggen… Je weet wel, die arme oude man, naar wien ik je vanochtend gestuurd heb en voor wien ik je verzocht je te interesseeren… welnu, toen ik thuis kwam, was daar een dame, die me dikwijls wat geld komt brengen voor mijn armen. Toen dacht ik zoo bij mezelf, dat de drie francs, die ik je gegeven had, toch eigenlijk maar een armzalige aalmoes waren; en daar die gedachte me maar niet losliet en me bleef kwellen, kon ik aan mijn verlangen geen weerstand bieden en ben ik vanmiddag naar de rue des Saules gegaan…”
Eerbiedig Het hij zijn stem dalen, om de diepe, grafachtige stilte van de kerk niet te storen. Doch ook een heimelijke schaamte deed hem stamelen, de schaamte, dat hij weer teruggevallen was in de zonde van onvoorzichtige en blinde barmhartigheid, die hem reeds zoo dikwijls door zijn superieuren verweten was. En heel zacht fluisterde hij verder:
“Ik wilde den armen man nog vijf francs brengen, maar ik heb hem dood gevonden.”
Pierre huiverde in een plotselinge rilling. Hij wilde het niet begrijpen.
“Wat dood? Die oude man, die Laveuve dood?”
“Ja, ik heb hem dood gevonden! En in welk een vreeselijke ellende! Als een oud dier, dat op een hoop lompen in een dakkamertje is gaan sterven. Niemand heeft hem in zijn laatste oogenblikken bijgestaan; hij heeft zich eenvoudig omgekeerd naar den muur. En hoe kaal en hoe koud was het in dat krot! Welk een verwaarloozing, en hoe vreeselijk voor een armen stakkerd om zoo, zonder een liefkoozing, weg te gaan. Mijn hart bloedt er nog van!”
In zijn ontsteltenis vond Pierre slechts een gebaar van [91]opstand tegen de stomme sociale wreedheid. Was het brood, dat hij bij den ongelukkige achtergelaten en dat deze na zooveel dagen van ontbering misschien te gulzig opgegeten had, de schuld van dien dood! Of was deze de door het noodlot bepaalde ontknooping van een uitgeput, door werk en ontberingen versleten leven? Maar wat kwam eigenlijk de oorzaak erop aan! De dood was gekomen, had den ongelukkige verlost.
Maar de goede abbé Rose had zich reeds bij Gods wil neergelegd; hij wilde niets dan vergiffenis en hoop.
“Neen, neen, mijn kind, opstand en verzet zijn slecht. Wanneer wij allen schuldig zijn, kunnen wij niets dan God smeeken onze zonden te vergeten… Ik had je gevraagd hier te komen, omdat ik hoopte een goede tijding van je te krijgen, en nu moet ik je dat vreeselijke mededeelen… Laten we boete doen en bidden.”
Hij knielde neer naast de pilaar achter de zwarte, onduidelijke gestalten der vrouwen, die daar in het donker baden. Hij boog zijn witharig hoofd en verootmoedigde zich lang voor God.
Maar in Pierre gromde het verzet zoo luid, dat hij niet bidden kon. Hij boog zelfs zijn knieën niet, maar bleef huiverend staan. Zijn hart was als vermorzeld, zijn brandende oogen hadden geen traan. Laveuve dood, uitgestrekt op zijn hoop lompen, zijn handen krampachtig samengeknepen, als om zich vast te klampen aan zijn martelaarsleven, terwijl hij, wederom door zijn vurige naastenliefde aangegrepen en door zijn apostelijver verteerd, geheel Parijs afliep om voor hem een rein bed te vinden. O, welk een vreeselijke ironie bood dat alles! Daarvoor moest hij bij de Duvillards in den warmen salon zijn, terwijl de arme man stierf; voor dezen ongelukkigen doode was hij vervolgens naar de Kamer, naar gravin de Quinsac, naar die Silviane en naar die Rosemonde gegaan; voor dien van het leven bevrijde, van de ellende verloste had hij de menschen lastig gevallen, den vrede van sommigen gestoord, het genot van anderen bedreigd! Waartoe van het parlementshol in den kouden salon, waarin het stof van het verleden verstarde, van de uitspattingen van de bourgeois—naar de extravaganties der kosmopolitische maatschappij te vliegen, als men toch altijd te laat komt en de menschen eerst redt, wanneer zij eerst dood zijn? Hoe belachelijk, dat hij zich opnieuw door die naastenliefde had laten ontvlammen! Van dezen laatsten brand voelde hij niets [92]meer in zich dan asch! Ditmaal waande hij zichzelf gestorven, was hij niets meer dan een ledig graf.
En deze geheele, vreeselijke leegte, dit Niets, dat hij dien ochtend na zijn mis in den Sacré-Cœur gevoeld had, werd steeds dieper en van af dat oogenblik onpeilbaar. Tegelijk met de illusoire, nuttelooze naastenliefde stortte het Evangelie in, naderde het einde van het Heilige Boek. Na eeuwen van hardnekkige pogingen mislukte de verlossing door den Christus; de wereld had tegenover de in de bedrogen en ongelukkige volkeren opstijgende behoefte van gerechtigheid een ander heil noodig. De volkeren wilden niets meer weten van het leugenachtige paradijs, waarmede men de sociale misdaden reeds zoo lang in slaap wiegde; zij eischten, dat men de vraag van het geluk op de aarde bracht. Maar hoe? Door welken nieuwen eeredienst? Door welke gelukkige vereeniging tusschen het gevoel voor het goddelijke en de noodzakelijkheid, om het leven in zijn majesteit en vruchtbaarheid te eeren? Daar begon de angst, het kwellende probleem, waarin hij ten slotte geheel onderging, hij, de priester, die met zijn gelofte kuisch te zijn en het absurde te dienen, buiten de verdere wereld stond!
Maar de constateering van het feit werd daardoor nog vreeselijker. Hij geloofde niet langer aan de goede uitwerking van de aalmoes. Barmhartig zijn was niet voldoende meer, men moest in den vervolge ook rechtvaardig zijn. Voor alles gerechtigheid—en de verschrikkelijke ellende zou verdwijnen, zonder dat men barmhartig behoefde te zijn. In dit treurige Parijs ontbrak het zeker niet aan goede harten; de liefdadigheidsinstellingen wemelden er als groene bladeren bij de eerste lentewarmte. Er waren instellingen voor alle leeftijden, alle gevaren, alle ongelukken. Men hielp kinderen, nog voor zij geboren waren, door voor de moeders te zorgen; dan kwamen de crèches, de weeshuizen voor de verschillende klassen; en nadat men zich met de volwassenen bezig gehouden had, volgde men den man op zijn levensweg; hoe ouder men werd, des te meer werd men met zorgen omringd, vermenigvuldigden zich de Asyls, de Hospitia, de Toevluchtsoorden. Alle handen strekten zich uit naar de verwaarloosden, naar de onterfden, naar de misdadigers zelfs; er waren allerlei vereenigingen tot bescherming van zwakken, instellingen tot voorkoming van misdaden, tehuizen voor de opneming van berouwhebbenden.
Bladzijden en bladzijden zou men noodig hebben om [93]alleen die buitengewone vegetatie der barmhartigheid te beschrijven, die tusschen de straatsteenen van Parijs opwast in een prachtige opwelling van geestdrift, waarin zielegrootheid zich vermengt met wereldsche ijdelheid. Wat kwam dit alles er op aan? De barmhartigheid verzoende, louterde alles. Maar welk een vreeselijk argument was de volmaakte, belachelijke nutteloosheid van die naastenliefde! Na zooveel eeuwen van Christelijke barmhartigheid was nog geen enkele wond dichtgetrokken, was de ellende slechts grooter geworden, tot razernij gestegen! De voortdurend om zich grijpende kwaal mocht geen dag langer geduld worden van af het oogenblik dat de sociale onrechtvaardigheid er niet door genezen, zelfs niet door verminderd werd. Was het trouwens al niet voldoende, dat een man van koude en honger gestorven was, om het getimmerte van een op de aalmoes gebouwde maatschappij te doen instorten? Eén slachtoffer, en de maatschappij was reeds veroordeeld.
Pierre voelde zulk een golf van bitterheid in zich opstijgen, dat hij niet langer in deze kerk kon blijven, waarin de schaduwen steeds meer neerdaalden op de groote, aan het kruis genagelde witte Christusbeelden. Alles begon zich in het donker te hullen, hij hoorde niets meer dan het wegstervende geprevel der gebeden, de jammerklachten der vrouwen, die, in de diepe donkerte reeds niet meer zichtbaar, knielend lagen te bidden.
Toch aarzelde hij weg te gaan, zonder nog een woord gesproken te hebben met abbé Rose, wiens naïef-geloovig smeeken het geluk en den vrede der menschen aan den goeden wil van het Onzienlijke overliet. Hij wilde hem niet storen en stond reeds op het punt om weg te gaan, toen de abbé uit eigen beweging opkeek.
“Wat is het toch moeilijk op verstandige wijze goed te zijn! Monseigneur Martha heeft mij weer verwijten gedaan, en wanneer ik God niet had, die mij vergeeft, zou ik sidderen voor mijn zieleheil.”
Een oogenblik bleef Pierre onder de porticus van de Madeleine, op het hooge bordes staan, dat het plein beheerscht. Voor hem lag de rue Royale, die zich uitstrekte tot de breede Place de la Concorde, waar zich de obelisk en de beide fonteinen verheffen, terwijl nog verder de colonnade van de Kamer van Afgevaardigden den horizont afsloot. Het was een perspectief van verheven grootschheid; langzaam omsluierde de schemering den hemel, schoof de gebouwen [94]verder terug en gaf hun het onaardsch-bevende en wazige van een droom. Geen stad ter wereld bezit op dit vage uur, wanneer de beginnende nacht den steden iets droomachtigs, de oneindigheid van menschelijke onmetelijkheid geeft, dit decor van chimerische praal en grandiose pracht.
Tegenover deze zich voor hem openende ruimten weifelend, bleef Pierre onbeweeglijk staan en vroeg zich af, waarheen hij gaan zou, nu alles, wat hij sedert dien ochtend zoo vurig gewenscht had, ineengestort was. Wilde hij nog steeds naar het hôtel Duvillard in de rue Godot-de-Mauroy gaan? Hij wist het niet meer. Dan keerde de irriteerende herinnering met haar wreede ironie terug. Waartoe diende het, nu Laveuve gestorven was? Waartoe den tijd te dooden, op straat rond te loopen, om tot zes uur te wachten? De gedachte, dat hij een woning had, dat het het eenvoudigste was naar huis terug te gaan, kwam zelfs niet in hem op. Het scheen hem toe, dat hij nog een belangrijk iets te doen had, zonder dat hij zou kunnen zeggen wat. Dat iets was overal en zoo ver, zoo verward en zoo moeilijk, dat hij het zeker niet tot stand brengen zou. Als waren zijn beenen van lood ging hij met bonzende en kloppende slapen het bordes af en bleef dan nog een oogenblik op de bloemenmarkt rondloopen, een wintermarkt, waarop de eerste azalea’s zich rillend ontplooiden. Vrouwen kochten viooltjes en Nizza-rozen. Hij keek ernaar, alsof die geurige, teere en fijne pracht hem interesseerde. Doch dan maakte zich een plotselinge afschuw van hem meester en ging hij verder, de richting van de boulevards in.
Daar liep Pierre zonder te weten waarheen, zonder te weten waarom, recht voor zich uit. De invallende duisternis verraste hem als een onverwacht natuurverschijnsel. Hij had zijn blik hemelwaarts geslagen en zag met verwondering, dat deze zeer zacht verbleekte, terwijl de dunne zwarte kokers der schoorsteenen er eindelooze strepen op vormden. Ook vielen de groote gouden letters van de uithangborden, waarin het daglicht wegstierf, hem op. Nooit nog had hij het bonte kleurengewemel der gevels, de beschilderde ramen, de schreeuwende reclamebilletten, de prachtige winkels, die als voor iedereen toegankelijke salons en slaapkamers in het volle licht stonden, opgemerkt. En welk een gedrang, welk een buitengewoon gewriemel op den rijweg, langs de trottoirs, tusschen de blauwe, roode en gele zuilen en kiosken! Vanwaar kwamen al die menschen? Waarheen gingen al die equipages? Hoe verdoovend, hoe angstaanjagend! [95]
En medegevoerd door zijn somber gepeins liep Pierre nog steeds machinaal recht voor zich uit. De avond kwam, de eerste lantaarns werden aangestoken; het was het schemeruurtje van Parijs, het uur, dat de duisternis nog niet is ingetreden, dat de electrische bollen in den verdwijnenden dag glanzen. Aan alle kanten fonkelden de vonken der lampen, staken de winkels licht aan in hun etalages. Weldra zouden op de boulevards de levendige sterren der rijtuigen als een wandelende melkweg trekken tusschen de in de verblindende pracht als van het volle zonlicht schitterende trottoirs. En in het geschreeuw der koetsiers, in het gedrang der voetgangers bruiste het laatste haasten van de zakenstad Parijs, het Parijs der hartstochten, de verbitterde strijd om liefde en geld. Het zware dagwerk was gedaan, de genotsstad Parijs werd licht en begon den feestnacht. De koffiehuizen en de restaurants fonkelden en stelden achter de hooge, vlekkelooze ramen hun toonbanken van schitterend metaal, hun kleine witte tafeltjes en hun verleidelijke vruchten en mandjes met oesters ten toon. En dit zoo met de eerste lantaarns ontwakende Parijs was reeds aangegrepen door een genotzuchtige vroolijkheid, liet zich medesleepen door de ontketende begeerte naar al wat te koop is.
Pierre werd bijna omvergeloopen. Een troep couranten-jongens baande zich met de avondbladen een weg door de menigte. Speciaal een nieuwe editie van de Voix du Peuple veroorzaakte een oorverdoovend, het geratel der wielen overstemmend lawaai. Met regelmatige tusschenruimten lieten ruwe stemmen steeds weer den roep weerklinken: “Leest de Voix du Peuple, het nieuwe schandaal der Afrikaansche sporen, het echec van het ministerie, twee-en-dertig omgekochten in de Kamer en in den Senaat.” En deze opschriften waren met reusachtige letters op de als standaarden in de hoogte gezwaaide exemplaren te lezen. De menigte bleef zich voorthaasten, gewoon als zij was aan deze met gemeenheden gedrenkte modder. Enkele mannen bleven staan en kochten de courant, terwijl snollen, die op zoek waren naar een diner, haar rokken over straat lieten sleepen en, schuinsche blikken naar de terrassen der café’s werpend, op een toevalligen minnaar wachtten. En dit onteerend uitschreeuwen der couranten, dit uitschreeuwen, dat als een bezoedeling en een slag in het gezicht was, scheen de doodsklok van den dag te zijn, die bij den aanvang van den beginnenden nacht van pleizier, de begrafenis der natie verkondigde. [96]
Nu herinnerde Pierre zich nogmaals zijn ochtend, dacht aan dat verschrikkelijke huis in de rue des Saules, waar zooveel ellende en lijden opgehoopt was. Hij zag weer de als een riool zoo vuile binnenplaats, de walgelijke trappen, de vuile, koude en kale kamers, de families, die elkaar eten betwistten, waar losloopende honden hun neus voor zouden hebben opgetrokken, moeders met uitgedroogde borsten, die schreeuwende kinderen sussend heen en weer droegen, oude mannen, die als beesten in een hoek neergevallen waren en tusschen allerlei vuil van honger stierven. En dan trok de verdere dag aan zijn geestesoog voorbij—de pracht, de rust, de vreugde der salons, die hij doorgeloopen had, de onbeschaamde en brutale glans van het financieele, het politieke en het mondaine Parijs. En eindelijk kwam hij in de schemering in het Parijs—Gomorra en het Parijs—Sodom, dat voor den nacht, voor de gruwelen van dien medeplichtigen nacht fel òplichtte. En deze vloekwaardige monsterachtigheid van dit alles loeide onder den bleeken hemel, waaraan de eerste sterren rein en bevend fonkelden.
Pierre rilde onder die opstapeling van ongerechtigheden en smarten, onder alles wat beneden in ellende en misdaad, boven in rijkdom en ontucht geschiedde. De tot macht gekomen bourgeoisie wilde niets van haar veroverde, geheel en al gestolen heerschappij loslaten, terwijl het eeuwig bedrogen volk, de groote Zwijgende, zijn vuisten balde en grommend zijn wettelijk aandeel opeischte. En deze vreeselijke ongerechtigheid vervulde de toornende duisternis met woede. Uit welke wolk zou de donderslag weerklinken? Dezen wrekenden donderslag, die zich door dof gerommel aan alle punten van den horizont aankondigde, verwachtte hij reeds jaren. Slechts om het vreeselijke losbarsten ervan te bezweren, had hij een boek van reinheid en hoop geschreven, was hij in zijn onschuld naar Rome gegaan. Maar alle hoop was nu in zijn hart gestorven; hij voelde, dat de donderslag onvermijdelijk was, niets kon meer de catastrophe tegenhouden. Nooit nog had hij haar bij het onbeschaamd geluk van sommigen, bij de wanhopige ellende van anderen zoo nabij gevoeld. Zij hoopte zich op, zij zou ongetwijfeld boven dit bronstige en pralende Parijs, dat, zoodra de avond kwam, zijn vurigen oven deed opvlammen, losbarsten.
Toen Pierre, gebroken van moeheid en diep terneergeslagen op de place de l’Opéra kwam, keek hij op. Waar was hij toch? Hier op dit breede kruispunt van wegen en straten [97]scheen het hart van de groote stad te kloppen, als stroomde het bloed der verre stadsdeelen van alle kanten langs triomphantelijke avenues erheen. Waarom was hij toch hier? Pierre vroeg het zich geprikkeld en verwonderd af. Nu Laveuve gestorven was, behoefde hij slechts naar huis terug te gaan, met gesloten deuren en ramen in zijn hoek weg te kruipen als een voortaan nutteloos wezen zonder geloof en zonder hoop, dat alleen nog maar op de definitieve vernietiging wachtte. Van de place de l’Opéra naar zijn huisje in Neuilly was het een heele weg. Hoewel hij als het ware geradbraakt van vermoeidheid was, wilde hij geen rijtuig nemen; hij keerde op zijn schreden terug, liep in de richting van de Madeleine en stortte zich, met de grimmige begeerte zijn wond nog grooter te maken en zich als het ware te drenken in woede en toorn, weer midden in het gedrang der trottoirs en het oorverdoovend lawaai van den rijweg. Was niet op den hoek van die straat, aan het einde van dien boulevard de afgrond, waarin deze verrotte wereld, deze oude maatschappij, die hij bij iederen stap hoorde kraken, neerstorten moest?
Toen hij de rue Scribe wilde oversteken, werd hij tegengehouden door een oploop. Voor een der weelderige restaurants ventten twee groote, slecht gekleede, vuil uitziende mannen beurtelings de Voix du Peuple, de schandalen en de verkochten met zulke luide stemmen, dat de voorbijgangers bleven staan en een oploopje vormden. En hier herkende Pierre opnieuw tot zijn verbazing in een aarzelend heen en weer loopend man, die, na geluisterd te hebben, door de ramen van het groote café ging kijken, Salvat. Ditmaal frappeerde de ontmoeting hem nog meer en vervulde hem zoodanig met argwaan, dat hij eveneens staan bleef en besloot zijn doen en laten te volgen. Hij kon niet aannemen, dat deze man, die er zoo jammerlijk uitzag en met het stuk brood, dat een bult vormde onder zijn reeds in flarden hangende boezeroen, binnen gaan en plaats nemen zou aan een der tafeltjes onder het warme licht der lampen. Een oogenblik wachtte hij, dan zag hij hem met een slependen en vermoeiden pas verder gaan, alsof het bijna ledige restaurant niet in zijn smaak viel. Wat zocht hij toch? Waarheen liep hij toch sedert den vroegen morgen op deze eenzame, wilde jacht dwars door het rijke, vroolijke Parijs, terwijl de honger hem overal op de hielen volgde. Hij sleepte zich slechts met moeite voort en scheen aan het eind van zijn [98]wilskracht en energie. Uitgeput ging hij een oogenblik tegen een kiosk staan leunen, dan richtte hij zich weer op en liep, altijd zoekend, verder.
Doch nu gebeurde er iets, dat Pierre’s verbazing tot het uiterste bracht. Een groote en sterke man, die uit de rue Caumartin kwam, had Salvat opgemerkt en sprak hem aan. Na een korte weifeling herkende de priester zijn broer Guillaume, die nu zonder eenige schaamte den werkman een hand gaf. Ja hij was het met zijn dik, kortgeknipt, ondanks zijn zeven-en-veertig jaar reeds geheel grijs haar. De dikke snor was nog donkerbruin, wat aan zijn gelaat met het hooge, torenvormige voorhoofd iets energieks gaf. Dat voorhoofd, vol onoverwinnelijke logica en verstand, dat Pierre ook bezat, had hij van zijn vader, maar het onderste gedeelte van het gezicht van den ouderen broeder was krachtiger met den grooten neus, de vierkante kin en den breeden, scherp geteekenden mond. Een litteeken van een oude wond liep over de linkerslaap. Maar wanneer een glimlachje de nog zeer witte tanden ontblootte, helderde dit op den eersten aanblik ernstige, harde en gesloten gezicht door een uitdrukking van manlijke goedheid op.
Pierre herinnerde zich wat madame Théodore hem dien ochtend verteld had. Zijn broeder Guillaume had, door zooveel ellende getroffen, Salvat voor een paar dagen werk gegeven. Dat verklaarde de belangstelling, waarmede hij hem uitvroeg, terwijl Salvat, die blijkbaar verlegen was, heen en weer trippelde, als wilde hij zijn smartelijke wandeling weer zoo gauw mogelijk voortzetten. Een oogenblik scheen Guillaume die verlegenheid door de blijkbaar verwarde antwoorden, die hij kreeg, te merken. Toch nam hij afscheid van den werkman. Maar bijna onmiddellijk daarna keerde hij zich om en keek Salvat, die moe door de menigte verder liep, na. De gedachten, die toen in hem opkwamen, moesten wel ernstig en dringend zijn, want plotseling keerde hij op zijn schreden terug en volgde Salvat op een afstand als wilde hij zich vergewissen welke richting hij uitging.
Door een steeds grooter wordende onrust aangegrepen, had Pierre dit tooneel gadegeslagen. De zenuwachtige verwachting van een groot onbestemd ongeluk, de argwaan, die door deze op elkaar volgende, onverklaarbare ontmoetingen met Salvat in hem gewerkt werd, de verbazing zijn broer nu ook in dit avontuur gewikkeld te zien, dat alles dreef hem er toe aan meer te willen weten, erbij te zijn, [99]te verhinderen misschien. Hij aarzelde niet langer en volgde nu zelf voorzichtig de beide mannen.
Een nieuwe verbazing greep hem aan, toen Salvat en daarna zijn broer Guillaume plotseling de rue Godot-de-Mauroy insloegen. Welk noodlot bracht hem terug naar deze straat, waarheen hij met koortsachtige haast had willen gaan en waarvan de dood van Laveuve hem slechts verwijderd gehouden had. En zijn ontsteltenis werd nog grooter, toen hij Salvat, dien hij een oogenblik uit het oog verloren had, weer terug vond op het trottoir vlak tegenover het hôtel Duvillard, precies op dezelfde plek, waar hij hem ’s ochtends had meenen te zien. Wegens een reparatie aan het plaveisel onder de koetspoort stond de groote deur juist wijd open. De smalle straat leek naast den hel verlichten boulevard als weggezonken in een blauwen nevel, waarin de enkele gasvlammetjes der lantaarns als sterren plekten. Een paar vrouwen kwamen voorbij, zoodat Salvat even van het trottoir af moest. Maar dadelijk ging hij er weer op staan, stak een eindje sigaar aan, dat hij waarschijnlijk onder een tafeltje van een café opgeraapt had, en betrok dan weer onbeweeglijk en geduldig de wacht tegenover het hôtel.
Pierre schrok en vroeg, door sombere voorgevoelens gekweld, zich af, of hij dezen man niet aanspreken moest. De tegenwoordigheid van zijn broer, die zich, zooals hij zag, loerend onder de deur van een huis ernaast verborg en eveneens gereed stond tusschenbeide te komen, hield hem ervan terug. Dus vergenoegde hij er zich mede Salvat niet uit het oog te verliezen, die, steeds op de loer, zijn blik op de deur gericht hield, terwijl hij slechts nu en dan in de richting van den boulevard keek, als verwachtte hij iets of iemand, die daarvandaan moest komen. Inderdaad kwam eindelijk de landauer der familie Duvillard met den koetsier en den palfrenier in donkergroene livrei met gouden tressen.
Tegen de gewoonte in zaten in het rijtuig, dat op dit uur den vader of de moeder thuis placht te brengen, dezen avond slechts de beide kinderen Camille en Hyacinthe. Zij kwamen terug van de matinée van prinses de Hardt en praatten ongedwongen met de brutale schaamteloosheid, waarmede zij elkaar trachtten te imponeeren.
“Ik heb een walg van de vrouwen… En haar geur, ajakkes! En dan dat afschuwelijke kinderen krijgen, waaraan je bij haar altijd bloot staat.”
“Och, zij zijn allicht nog zooveel waard als jouw George [100]Elson, dat mislukte meisje. Trouwens het is heel dom van je het niet met de prinses aan te leggen, want zij is dol op je.”
“O, die prinses hangt me de keel uit!”
Hyacinthe was tegenwoordig tot de negatie der sekten, tot de kwijnende pose van algeheele wereldverzaking gekomen. Maar Camille beefde van heftige en boosaardige opwinding en sprak op geprikkelden toon. Na een kort zwijgen begon zij weer.
“Zeg, mama is weer bij hem.”
Zij behoefde geen nadere aanduiding te geven, haar broeder begreep haar, want zij praatten dikwijls ongedwongen over die dingen.
“Passen bij Salmon, hé?… Zij is de andere deur doorgegaan en is nu bij hem.”
“Wat kan jou het eigenlijk schelen, of zij met Gérard is of niet?” vroeg Hyacinthe kalm.
En toen hij voelde, hoe zij opsprong:
“Houdt je dan nog altijd van hem—wil je hem nog altijd hebben?”
“Ja, ik wil hem, en ik zal hem hebben!”
En in dien kreet legde zij haar geheel ijverzuchtige woede van leelijk meisje, al het leed over haar verlaten zijn, over het bewustzijn, dat haar nog zoo mooie moeder bezig was haar haar genot te ontrooven.
“Je zult hem hebben, je zult hem hebben,” begon Hyacinthe, die blij was, dat hij zijn zuster, voor wie hij bang was, een beetje treiteren kon; “je zult hem hebben, als hij zich maar geven wil… Hij houdt niet van je.”
“Hij houdt wel van me!” riep Camille woedend. “Hij is lief voor mij, en daar heb ik genoeg aan.”
Hij werd bang voor haar dreigenden blik, voor haar kleine handjes, die zich als klauwen kromden. Dan, na een stilte:
“En wat zegt papa ervan?”
“O papa, als die maar van vier tot zes bij de andere zijn kan.”
Hyacinthe begon te lachen. Dat was wat zij onder elkaar het snoepuurtje van papa noemden, en Camille maakte zich daar ook altijd vroolijk over, behalve op de dagen, dat mama ook buitenshuis snoepte.
De gesloten landauer was de straat ingereden en naderde nu met de luide hoefslagen van de twee groote paarden. Op dat oogenblik stak een kleine blondine van zestien of achttien jaar, een loopmeisje van een modiste, dat een [101]groote hoedendoos onder haar arm had, vlug de straat over, om vóór het rijtuig onder de koetspoort te komen. Zij bracht een hoed voor de barones en had met haar viooltjes-blauwe oogen, haar rose neusje en haar altijd lachend mondje in het aardigste gezichtje, dat men zich denken kan, langs den geheelen boulevard loopen slenteren. Op dat oogenblik sprong Salvat, na een laatsten blik op den landauer geworpen te hebben, onder de koetspoort. Bijna onmiddellijk daarna kwam hij weer te voorschijn, wierp zijn eindje sigaar in de goot, verwijderde zich langzaam en verdween in de vage schemering der straat.
Wat gebeurde er nu? Later herinnerde Pierre zich dat een bestelwagen van de Westerspoorwegmaatschappij den landauer een minuut ophield, terwijl het loopmeisje onder de poort verdween. Dan zag hij, terwijl zijn keel als het ware door angst toegesnoerd werd, hoe zijn broer, als onder den invloed van een openbaring, van een plotselinge zekerheid, het hôtel binnenvloog. Zonder het juiste te begrijpen, voelde Pierre de nadering van het ontzettende. Maar hoewel hij ook naar binnen vliegen en schreeuwen wilde, bleef hij als aan den grond genageld staan: hij had het gevoel, alsof een looden hand zich om zijn keel klemde. Plotseling was het als het rommelen van den donder, een vreeselijke ontploffing, als opende zich de aarde en als zonk het door den bliksem getroffen hôtel in de diepte. Alle ramen der naburige huizen sprongen en vielen met het kletterend geluid van hagel op den grond. Een hellevlam hulde de straat voor een oogenblik in vuur; het stof en de rook waren zóó, dat de enkele voorbijgangers verblind werden en van schrik over dien vurigen oven, waarin zij meenden te verzinken, begonnen te gillen.
Maar bij dien bliksemstraal ging voor Pierre een licht op. Hij zag weer de bom voor zich, die de door het gebrek aan werk leeg en overbodig geworden gereedschappenzak rond maakte. Hij zag weer den bult onder den boezeroen, dien hij voor een stuk brood gehouden had, dat hij vrouw en kind mee naar huis wilde nemen. Nadat de bom het gelukkige Parijs doorgetrokken was en bedreigd had, was zij hier, op den drempel der heerschende bourgeoisie, die de meesteres is van het goud, ontvlamd en met een donderend geweld ontploft. Maar Pierre dacht op dat oogenblik slechts aan zijn broer Guillaume en vloog naar de poort, waarin zich een krater geopend scheen te hebben. Maar in den beginne [102]onderscheidde hij niets, de bijtende en scherpe rook verduisterde alles. Dan zag hij, dat de muren gespleten, de bovenverdieping opengescheurd, het plaveisel weggeslagen en met puinhoopen bezaaid was. De landauer, die juist binnen zou rijden, was niet getroffen, had zelfs geen schram gekregen van een projectiel. Maar het meisje, het kleine, blonde, knappe loopmeisje, lag, door den bliksemstraal der catastrophe getroffen, met een opengescheurden buik op haar rug. Het fijne gezichtje was ongeschonden, de oogen helder, zij lachte als verwonderd, en uit de naast haar neergevallen doos, waarvan de deksel opengegaan was, was de hoed, een heel teere, rose hoed, gerold.
Door een wonder leefde Guillaume nog, stond reeds weer op zijn voeten. Alleen zijn linkerhand bloedde: scherven hadden den pols opengescheurd. Zijn snor was verbrand, en de ontploffing, die hem tegen den grond geworpen had, had hem zoo van streek gebracht, dat hij over zijn geheele lichaam beefde. Toch herkende hij zijn broeder, en als na een groot ongeluk, waarin het onverklaarde als het ware een voorziening wordt, verwonderde het hem in het geheel niet hem daar te zien. Deze broeder, dien hij zoo lang uit het oog verloren had, was er natuurlijk, omdat hij er zijn moest. En in het als waanzinnig huiveren, dat hem doortrilde, riep hij hem dadelijk toe:
“Neem me mee, neem me mee… naar jou, naar Neuilly!”
Dan voegde hij eraan toe, sprekend over Salvat:
“Ik vermoedde wel, dat hij een patroon van me gestolen had… Goddank maar één, anders zou de geheele wijk in de lucht gevlogen zijn… De ongelukkige! Ik ben niet gauw genoeg kunnen komen, om de lont uit te trappen.”
Met een volkomen helderheid van geest, zooals het gevaar die soms geeft, herinnerde Pierre zich, zonder een woord te zeggen en zonder een minuut te verliezen, dat het hôtel een achteruitgang in de rue Vignon had. Hij had onmiddellijk het ernstige gevaar, waarin zijn broer zich bevinden zou, wanneer hij in dit voorval betrokken werd, begrepen. Nadat hij hem in de donkere rue Vignon gebracht had, wond hij vlug zijn zakdoek om zijn pols en zeide hem dan die onder zijn vest tegen zijn borst te houden.
“Neem me met je mee naar Neuilly,” herhaalde Guillaume bevend. “Niet naar mijn huis!”
“Ja, ja, wees maar gerust. Wacht even hier, dan haal ik een rijtuig.” [103]
Hij had hem, in zijn haast, om een rijtuig te vinden, weer op den boulevard gebracht; maar de donderende ontploffing had de geheele wijk in rep en roer gebracht: de paarden steigerden en de menschen vlogen in een waanzinnige opwinding op goed geluk af de een of andere richting in. Politie-agenten waren toegesneld, een groote menigte versperde reeds den ingang van de rue Godot-de-Mauroy, die door het uitgaan van alle lichten zwart als een afgrond gaapte, terwijl op den boulevard een couranten-jongen van de Voix du Peuple het nieuwe schandaal der Afrikaansche sporen, de twee-en-dertig omgekochte Kamer- en Senaatsleden, den aanstaanden val van het ministerie uit bleef schreeuwen.
Toen Pierre eindelijk een rijtuig vond, hoorde hij een voorbijganger tot een ander zeggen:
“Het ministerie vallen, dat kan je denken. Deze bom lapt het weer heelemaal op!”
De twee broeders stapten in en reden weg. Boven het bruisende Parijs was het nacht geworden, een zwarte nacht zonder erbarmen, waarin de sterren in den van de daken opstijgenden nevel van misdaden en woede verdwenen. En met het angstaanjagende vleugelgeklep, dat Sodom en Gomorrha hadden hooren komen, weerklonk de luide kreet om gerechtigheid van alle zijden van den horizont. [104]
1 Hospitaal te Parijs voor oude, zieke en gebrekkige vrouwen.↑
2 De wandelgang der Kamer.↑
3 Gevangenis voor gedetineerden bij Parijs.↑
4 Bekende mondaine schouwburg te Parijs.↑
[Inhoud]
TWEEDE BOEK
Inhoudsopgave
[Inhoud]
I.
Inhoudsopgave
Het huisje in de afgelegen straat van Neuilly, waar na het invallen van de schemering niemand meer door kwam, sliep op dat uur in den donkeren nacht. De luiken waren gesloten, geen lichtstraal drong naar buiten door en het was als voelde men den diepen vrede van den daarachter gelegen ledigen, dooden, door de winterkoude verstarden tuin.
Terwijl Pierre in het rijtuig met zijn gewonden broeder naar huis reed, was hij meermalen bang Guillaume in onmacht te zien vallen. In elkaar gedoken leunde hij achterover en sprak geen woord. Het was een vreeselijke stilte, zoo vol vragen en antwoorden, dat zij het nutteloos en pijnlijk vonden ze te stellen of te geven. Toch maakte de priester zich ongerust over de wond en vroeg hij zich af welken dokter hij zou moeten halen; hij kon slechts een vertrouwbaren man in het geheim nemen, daar hij zag hoe gaarne de gewonde verdwijnen wilde en zich verborg.
Tot den Arc de Triomphe werd geen woord gesproken. Toen eerst scheen Guillaume uit zijn verdooving te ontwaken en zeide:
“En denk erom, Pierre, geen dokter. Wij zullen dat samen wel in orde brengen.”
Pierre wilde zich daartegen verzetten, doch hij maakte slechts een eenvoudig gebaar, als wilde hij zeggen, dat hij het wel zou doen, als hij het noodig achtte. Waartoe diende het op dat oogenblik te gaan redetwisten? Maar zijn ongerustheid was toegenomen, en het was een groote verlichting voor hem toen het rijtuig eindelijk voor het huisje stilhield en hij zijn broer zonder bijzondere zwakheid zag uitstappen. Vlug betaalde hij den koetsier en was erg blij, dat niemand, zelfs niet een van zijn buurlieden, op straat was. Dan maakte [105]hij de deur met zijn sleutel open en steunde den gewonde, om hem de drie treden van het bordes op te helpen.
In de vestibule brandde een klein nachtlichtje. Onmiddellijk was, bij het opengaan van de deur, de oude dienstbode Sophie uit de keuken gekomen. Thans zestig jaar, mager en gerimpeld, was zij reeds meer dan dertig jaar in het huis, daar zij eerst in dienst geweest was bij de moeder, alvorens in dien van den zoon over te gaan. Zij kende Guillaume, dien zij als jongen man gezien had. Ongetwijfeld herkende zij hem, hoewel hij in geen tien jaar den drempel overschreden had. Maar zij toonde geen enkele verbazing, scheen dien plotselingen terugkeer heel natuurlijk te vinden in het gewone discrete zwijgen, dat zij zich eigen gemaakt had. Zij leefde geheel in afzondering en sprak slechts, wanneer de dienst dat noodzakelijk maakte. En ook nu zeide zij slechts:
“Mijnheer de abbé, mijnheer Bertheroy zit al een kwartier in uw studeerkamer op u te wachten.”
“Zoo, komt Bertheroy nog altijd hier?” vroeg Guillaume, wiens gezicht weer opklaarde. “Nu, hem wil ik wel zien; hij is een van de beste en meest vrijzinnige geesten van den tegenwoordigen tijd. Hij is mijn meester gebleven.”
Bertheroy, vroeger de vriend van hun vader, den beroemden scheikundige Michel Froment, was nu op zijn beurt een der corypheeën van Frankrijk, aan wien de scheikunde den buitengewonen vooruitgang te danken had, welke haar tot de moederwetenschap, die bezig is het aangezicht der aarde te hernieuwen, gemaakt hebben. Hoewel lid van het Institut en overladen met allerlei eere-ambten, had hij toch voor Pierre een groote genegenheid behouden en kwam hij hem dikwijls voor het diner opzoeken, om, zooals hij zeide, wat afleiding te hebben.
“Heb je hem in mijn studeerkamer gelaten? Prachtig! We zullen naar hem toegaan,” zeide Pierre tegen de dienstbode. “Breng een lamp in mijn slaapkamer en maak mijn bed op, dan kan mijn broeder dadelijk gaan liggen.”
Terwijl Sophie, zonder eenige verbazing te toonen of een woord te zeggen, het bevel uitvoerde, gingen de twee broeders naar het vroegere laboratorium van hun vader, waarvan Pierre een groote studeerkamer gemaakt had. Toen de geleerde hen samen, de een steunend op den ander, binnenkomen zag, ontving hij hen met een uitroep van blijde verbazing.
“Wat, samen!… Beste jongens, jullie kondt me geen grooter [106]pleizier doen. Ik heb zoo dikwijls dat nare misverstand tusschen jullie betreurd!”
Hij was een groote, magere zeventiger met hoekige trekken. De geelachtig geworden huid kleefde als een stuk perkament op de vooruitspringende juk- en wangbeenderen. Hij had absoluut niets imponeerends, zag er eerder als een oude kruidenhandelaar uit. Maar zijn voorhoofd was mooi, breed en glad en onder zijn grijs verwilderd haar brandden nog een paar vlammenoogen.
Toen hij de verbonden hand zag, riep hij uit:
“Wat, ben je gewond, Guillaume?”
Pierre bleef zwijgen en liet het aan zijn broer over de geschiedenis te vertellen, zooals hij dat zelf wilde. Maar deze had begrepen, dat hij, eenvoudig, de waarheid bekennen moest, met weglating van de bijzondere omstandigheden.
“Ja, bij een ontploffing. Ik geloof, dat ik mijn pols gebroken heb.”
Bertheroy keek hem aan, zag, dat zijn snor verbrand was, dat zijn oogen verschrikt stonden. Hij werd ernstig, maar trachtte toch niet door vragen tot vertrouwelijkheden te dwingen.
“Kom, kom, een ontploffing… Mag ik de wond eens zien? Zooals je weet, heb ik, voor ik mij door de scheikunde verleiden liet, in de medicijnen gestudeerd en ben ik nog zoo’n beetje chirurg.”
“Ja, ja, kijk u eens naar de wond!” riep Pierre, niet in staat dien uitroep te bedwingen. “Ik maak me zoo ongerust… Het is een onverhoopt geluk, dat u hier bent.”
De geleerde keek hem aan en voelde den ernst der omstandigheden, die men voor hem verborgen hield. En toen Guillaume glimlachend, maar verbleekend van zwakheid, toestemde, wilde hij eerst, dat hij naar bed ging. De dienstbode kwam zeggen, dat het bed opgemaakt was, en allen gingen in de kamer ernaast, waar de gewonde ontkleed en op bed gelegd werd.
“Licht mij wat bij, Pierre, en laat Sophie een kom met water en wat linnen halen!”
En nadat hij zacht de wond gewasschen had:
“Alle duivels!… De pols is niet gebroken, maar het ziet er toch leelijk uit. Ik ben bang, dat het been gekwetst is. Er zijn spijkers doorgegaan, niet waar.”
Daar hij geen antwoord kreeg, zweeg hij verder. Zijn verwondering werd grooter, hij begon aandachtig de hand, die [107]zwart geworden was door de vlam, te onderzoeken, en rook zelfs ten slotte aan de mouw van zijn hemd, om zich beter rekenschap te kunnen geven. Blijkbaar herkende hij de uitwerking van een dier nieuwe ontploffingsmiddelen, die hij zelf zoo grondig bestudeerd en, om zoo te zeggen, geschapen had. Maar toch moest deze hem op een dwaalspoor brengen, want er waren sporen voorhanden, die hem onbekend waren.
“Heb je je,” vroeg hij eindelijk, medegesleept door zijn geleerdennieuwsgierigheid, “in een laboratorium-ontploffing zoo mooi toegetakeld?… Wat voor een gevaarlijke springstof was je aan het fabriceeren?”
Sedert Guillaume hem zijn wond zoo zag bestudeeren, voelde hij, ondanks zijn pijn, een toenemende onrust, alsof het echte geheim, dat hij bewaren wilde, gelegen was in die springstof, de eerste proef waarmede hem zoo wreed getroffen had.
“Ik verzoek u dringend, meester, mij niets verder te vragen. Ik kan u toch niet antwoorden… Ik weet, dat u edel genoeg bent, om mij te verplegen en toch nog van mij te houden, zonder mij de biecht af te nemen.”
“Maar natuurlijk, beste jongen,” riep Bertheroy uit, “bewaar jij je geheim maar! Wanneer je een ontdekking gedaan hebt, behoort die aan jou toe, en ik weet dat je het beste gebruik daarvan zult maken. Bovendien weet je heel goed, dat ik te zeer bezield ben door den hartstocht voor de waarheid en het mijn principe is nooit de daden van anderen—waarin zij ook bestaan mogen—te beoordeelen, voordat ik alle gronden daarvoor ken.”
Een breed gebaar gaf zijn groote verdraagzaamheid, zijn verheven, van onwetendheid en bijgeloovigheid bevrijden geest te kennen, die van hem, ondanks de vele ordeteekenen, welke zijn borst versierden, ondanks de universitaire en academische titels als officieel geleerde, tot den vermetelsten, meest vrijen, en zooals hij zeide, alleen door waarheidsliefde bezielden mensch maakte.
Hij had de noodige instrumenten niet bij zich en stelde er zich mede tevreden de wond zorgvuldig te verbinden, nadat hij zich vergewist had, dat er geen stukje scherf in het vleesch was blijven steken. Eindelijk ging hij weg met de belofte den volgenden ochtend vroeg terug te komen, en toen de priester hem uitliet, stelde hij hem gerust: als het been niet te diep beleedigd was, zou alles wel goed afloopen.
Toen Pierre weer bij het bed terugkwam, vond hij zijn [108]broer nog in zittende houding; uit zijn verlangen aan de zijnen te schrijven, teneinde hen gerust te stellen, putte hij nog eenige kracht. De priester moest, nadat hij hem papier en potlood gegeven had, de lamp weer nemen en hem bijlichten. Gelukkig kon Guillaume zijn rechterhand gebruiken en aan madame Leroi, zijn schoonmoeder, die na den dood van zijn vrouw bij hem gebleven was en haar drie kleinzoons opgevoed had, schrijven, dat hij niet thuis komen zou. Bovendien woonde, zooals Pierre wist, in het huis, een jong meisje van vijf of zes-en-twintig jaar, de dochter van een vroegeren vriend van Guillaume, die haar na den dood van haar vader opgenomen had en, ondanks het groote verschil van leeftijd, binnenkort met haar trouwen wilde. Doch dit waren voor den priester allemaal onduidelijke, verwarde zaken, en hij had zich steeds gehouden, alsof hij van die verhouding niets wist.
“Wou je, dat die brief dadelijk naar Montmartre werd gebracht?”
“Ja, dadelijk. Het is nou even zeven uur, dan kunnen ze hem vóór achten hebben… Je stuurt toch zeker een vertrouwd man?”
“Het beste zal zijn, dat Sophie met een rijtuig gaat. Met haar kan je gerust zijn, zij zal niet praten… Ik zal het dadelijk even in orde maken.”
Sophie werd geroepen en begreep dadelijk alles; zij beloofde, als men haar uitvroeg, te zullen zeggen, dat mijnheer Guillaume dien nacht bij zijn broer zou slapen, maar dat zij niet wist waarom. En zonder zelfs een opmerking te maken, ging zij weg met de woorden:
“Het eten is klaar, mijnheer de abbé; u behoeft de soep en den ragout maar van het vuur te nemen.”
Maar toen Pierre ditmaal weer naast het bed van zijn broer kwam zitten, lag Guillaume, met twee kussens onder zijn hoofd, zeer moe en bleek op zijn rug. Hij had koorts. Op den hoek van een tafel brandde de lamp met een zacht licht; de stilte was zóó diep, dat men de groote klok in de eetkamer ernaast kon hooren tikken. Een oogenblik omhulde die groote vrede de beide broeders, die na een scheiding van zoovele jaren, eindelijk weer vereenigd en alleen waren. Dan strekte de gewonde zijn gezonde hand uit de dekens; de priester nam die en drukte haar liefdevol in de zijne. En deze druk hield aan; de beide handen bleven broederlijk in elkaar rusten. [109]
“Neem me niet kwalijk, beste Pierre, dat ik hier zoo binnen kom vallen,” prevelde Guillaume zacht. “Ik leg beslag op je huis, neem je bed in beslag, belet je te eten.”
“Kom, praat nu niet meer en vermoei je niet verder,” viel Pierre hem in de rede. “Waar wil je anders naar toe dan naar hier, wanneer je in moeilijkheden bent?”
De koortsachtige hand van den gewonde drukte die van Pierre nog warmer, terwijl zijn oogen vochtig werden.
“Ik dank je Pierre. Je bent nog precies de oude, wees zacht en liefderijk als vroeger. Je weet niet hoe goed me dat op dit oogenblik doet.”
Nu kwam ook voor de oogen van den priester een tranensluier. Te midden van deze groote kalmte, van deze op zoovele heftige opwindingen volgende stilte, was het voor die beide broeders een onuitsprekelijke bekoring zoo in het huis van hun jeugd terug te zijn. Hier waren hun vader en moeder gestorven—hun vader op tragische wijze door een ontploffing in zijn laboratorium, hun moeder vroom als een echte heilige. Hier in dit zelfde bed had Guillaume Pierre verpleegd, toen deze, na den dood van zijn moeder zelf bijna gestorven was; en nu verpleegde Pierre Guillaume. Alles, de onvoorziene omstandigheden van hun ontmoeting, de vreeselijke catastrophe, waardoor zij geschokt waren, de geheimzinnige kant van de zaak, die onopgehelderd bleef tusschen hen; dit alles vervulde hen met een diepe ontroering. En bij deze na een zoo langen tijd van scheiding gevolgde toenadering ontwaakten hun gemeenschappelijke herinneringen, sprak het oude huis van hun jeugd, van hun overleden ouders, van de verre dagen, waarin zij lief gehad en geleden hadden. Daar, onder het raam, lag de tuin, de nu door de vorst verstarde tuin, die vroeger in het vroolijke zonlicht van hun spelen weerklonk. Links bevond zich het laboratorium, het groote vertrek, waarin hun vader hun had leeren lezen. In de eetkamer rechts zagen zij hun moeder weer boterhammen snijden. En het gevoel, dat zij op dit oogenblik alleen waren, dit bleeke, rustige licht der lamp, de diepe, zwijgende eenzaamheid van den tuin, van het huis, van het geheele verleden vervulde hen met een vreemden, zachten weemoed, waaraan zich een eindelooze bitterheid paarde.
Zij hadden willen praten, hun hart voor elkaar uitstorten. Maar wat moesten zij elkander zeggen? Scheidde hen, niettegenstaande hun handen nauw ineengestrengeld waren, niet een onoverbrugbare afgrond? Dat geloofden zij tenminste. [110]Guillaume had de overtuiging, dat Pierre een vrome, vurig-geloovige priester was, die geen twijfel kende, die noch in gedachte, noch in de praktijk des levens iets met hem gemeen had. Een bijlslag had hen gescheiden—zij bewoonden twee verschillende werelden. En evenzoo hield Pierre Guillaume voor een gedeclasseerde, voor een man van verdachten levenswandel, die met de vrouw, bij wie hij drie kinderen had, niet eens getrouwd was en nu op het punt stond met dat veel te jonge meisje, dat God weet waarvandaan kwam, in het huwelijk te treden. Bovendien schrikten hem de geëxalteerde denkbeelden van den geleerde en van den revolutionnair, zijn ontkenning van alles, zijn aanvaarding, ja zelfs de provocatie van de ergste gewelddaden en het onduidelijk zich op den achtergrond vertoonende monster van het anarchisme hem af. Op welk terrein zou de overeenstemming, de eensgezindheid bereikt moeten worden, daar ieder van de beide broeders zijn vooroordeel tegen den ander behield en hem aan de tegenovergestelde zijde van den afgrond zag, zonder dat een plank dien kon overbruggen? En hun arme harten snikten in hartstochtelijke, broederlijke liefde.
Pierre wist, dat Guillaume indertijd reeds bijna in een anarchistisch complot betrokken was geweest. Hij vroeg hem niets, maar als van zelf kwam de gedachte bij hem op, dat hij zich niet zoo verbergen zou, als hij niet bang was als medeplichtige gearresteerd te worden. Was hij inderdaad een medeplichtige van Salvat? En Pierre beefde; want, om zich een meening te kunnen vormen, had hij nog steeds geen ander materiaal dan de woorden, die zijn broeder na den aanslag ontsnapt waren, den kreet, waarmede hij Salvat beschuldigde hem een bom ontstolen te hebben, alsmede het feit, dat hij zoo heldhaftig onder de koetspoort van het hôtel Duvillard gevlogen was, om de lont uit te trappen. Doch welk een duisterheden heerschten er nog! Maar wanneer men hem een patroon van een zoo vreeselijke springstof ontstolen had, dan moest hij ze toch fabriceeren en hebben! Zeker, zelfs wanneer hij geen medeplichtige was, kon hij met zijn gewonde hand niets beters doen dan verdwijnen; want wanneer men hem, die zich reeds eenmaal bloot gegeven had, daar met zijn bloedende hand had aangetroffen, dan zou het hem nooit gelukt zijn de wereld van zijn onschuld te overtuigen. Maar toch bleef er nog een dichte duisternis heerschen, bleef de mogelijkheid van een misdaad bestaan. Het was vreeselijk. [111]
Guillaume moest aan het beven van de vochtig-klamme hand, die nog altijd in de zijne rustte, iets van de neerslachtigheid merken, waarin dit door den twijfel reeds verpletterde en nu door de catastrophe geheel tegen den grond geworpen arme wezen gevallen was. Het graf was ledig, zelfs de asch was er uitgeveegd.
“Mijn arme Pierre,” begon hij weer langzaam; “neem me niet kwalijk, als ik je niets zeg. Ik kan je niets zeggen…. En bovendien, waartoe dient dat? Wij zouden elkaar toch zeker niet begrijpen…. Laten we niets zeggen, laten we slechts genieten van de vreugde samen te zijn, en ondanks alles elkaar liefhebben.”
Pierre keek naar hem op, en lang rustten hun blikken in elkaar.
“Hoe vreeselijk is dat alles!” stamelde hij.
Maar Guillaume had de stomme vraag goed begrepen. Zijn oogen gaven er het antwoord op, terwijl zij zich niet afwendden en een zeer reine, hooge vlam erin òplichtte.
“Ik kan je niets zeggen,” antwoordde hij. “Maar laten we elkaar toch blijven liefhebben, Pierre!”
Toen voelde Pierre een oogenblik, dat zijn broeder boven alle lage ongerustheid, boven de vrees van den schuldige, die voor zichzelf siddert, verheven was; integendeel, de hartstocht voor een groot doel, de edele bezorgdheid, om zijn verheven idée, het geheim te bewaren, hief hem boven de gewone stervelingen op. Maar ongelukkigerwijze was dat slechts het vluchtige visioen van een vage hoop op overwinning en verlossing; want reeds zonk alles weer weg in den twijfel, in het wantrouwen van den mensch, die zichzelf niet kent.
Plotseling rees de herinnering aan een ontzettend schouwspel in Pierre op en dreigde hem krankzinnig te maken.
“Broeder,” stamelde hij, “heb je onder de deur dat blonde kind, dat met haar opengereten buik en haar aardig verwonderd glimlachje op den rug lag, gezien?”
Op zijn beurt rilde Guillaume nu ook. En zacht en moeilijk zeide hij:
“Ja, ja, ik heb haar gezien. Het ongelukkige kind! O, die verschrikkelijke noodzakelijkheden, de verschrikkelijke dwalingen der gerechtigheid!”
Toen viel Pierre in een vreeselijke rilling over het voorgevallene, in zijn verbijstering over de gewelddaad aan den rand van het bed op zijn knieën. Hij snikte wanhopig en [112]liet zijn hoofd op de dekens vallen. Zwak als een kind lag hij daar in deze plotselinge crisis, die zijn oogen met tranen overstroomde. Alles, wat hem sedert den ochtend zoo had doen lijden, brak als het ware samen; de vreeselijke smart over de ongerechtigheid, het leed over de wereld barstte los in dien tranenvloed, welken niets scheen te kunnen tegenhouden. Guillaume, die eveneens zijn ontroering niet bedwingen kon, had met het gebaar, waarmede hij vroeger het haar van het kind gestreeld had, zijn hand gelegd op het hoofd van zijn broeder, om hem te kalmeeren, en zweeg, daar hij geen troost wist. Hij legde zich neer bij de ieder oogenblik mogelijke uitbarsting, die de langzame evolutie in de natuur altijd verhaasten kan. Maar welk een lot voor de ongelukkige schepsels, voor de levens, die de lava met milliarden medesleept! Te midden van de diepe stilte begonnen ook zijn tranen te stroomen.
“Pierre,” zeide hij eindelijk zacht, “ik wil datje eet… Kom, ga eten. Bedek het licht wat en laat mij alleen. Dat zal mij goed doen.”
Pierre moest hem zijn zin geven. Maar hij sloot de deur van de eetkamer niet, en geheel krachteloos van den honger, dien hij tot dusver niet eens opgemerkt had, at hij staande, steeds scherp toeluisterend, of zijn broer niet steunde of hem niet riep. De stilte scheen nog grooter te worden, het kleine huis scheen geheel in de zachte melancholie van het verleden weg te zinken.
Toen Sophie tegen half negen van Montmartre terugkwam, hoorde Guillaume haar ondanks haar zachte loopen. Hij begon te woelen, wilde weten hoe het daar was. Pierre ging het hem onmiddellijk zeggen.
“Maak je maar niet ongerust. Sophie is ontvangen door een oude dame, die, na den brief gelezen te hebben, eenvoudig tegen haar gezegd heeft, dat het goed was. Zij heeft haar niets gevraagd en scheen heelemaal niet nieuwsgierig te zijn.”
Guillaume, die voelde, dat zijn broer zich over die kalmte verwonderde, zeide eveneens heel kalm:
“O, het is voldoende als grootmoeder gewaarschuwd is. Zij weet, dat ik, als ik niet thuis kom, dat ook niet kan.”
Maar hij kon den slaap niet vatten. Het hielp niet, of het licht van de lamp bedekt werd, steeds weer opende hij zijn oogen, keek rond en scheen door de muren heen in de richting van Parijs te luisteren. De priester moest de dienstbode [113]laten komen en haar vragen, of zij, toen zij naar Montmartre ging, niets buitengewoons opgemerkt had. Zij scheen verbaasd over die vraag; neen, zij had niets opgemerkt. Trouwens het rijtuig had over de bijna verlaten buitenboulevards gereden.
Om negen uur begreep Pierre, dat zijn broer niet slapen zou, als hij hem zonder nieuws liet. In zijn opkomende koorts begon de gewonde angstig te worden, liet het verlangen om te weten, of Salvat gearresteerd was en hij gesproken had, hem niet meer los. Hij bekende dat niet en scheen niet ongerust voor zijn eigen persoon, en dat was ongetwijfeld waar ook, maar zijn groot geheim verstikte hem, hij rilde bij de gedachte, dat een zoo hoog doel, zooveel werk en zooveel verwachtingen afhingen van dezen door de ellende verblinden ongelukkige, die de gerechtigheid met het werpen van bommen herstellen wilde. Vergeefs trachtte de priester hem aan zijn verstand te brengen, dat men op dit oogenblik nog niets weten kon, maar Guillaume werd van minuut tot minuut onrustiger, zoodat hij eindelijk besloot ten minste een poging te wagen, om hem gerust te kunnen stellen.
Maar waar moest hij heengaan? Waar aankloppen? In den loop van het gesprek noemde Guillaume, die naging aan wien Salvat onderdak had kunnen vragen, den naam Janzen, en een oogenblik dacht hij erover daar te laten informeeren. Doch dan bedacht hij, dat Janzen, als hij den aanslag vernomen had, er niet de man naar was om de politie bij zich thuis af te wachten.
“Ik zou de avondbladen wel voor je willen gaan koopen,” zeide Pierre, “maar daar staat natuurlijk toch niets in. In Neuilly ken ik bijna iedereen, maar ik weet niemand, die… ja toch misschien Bache…”
“Ken je Bache, het lid van den gemeenteraad?” viel Guillaume hem in de rede.
“Ja, we hebben samen voor liefdadigheidsinstellingen gewerkt.”
“O, Bache is een van mijn oude vrienden. Ik ken geen vertrouwder man. Ga hem halen, als je wilt!”
Een kwartier later kwam Pierre met Bache, die in een naburige straat woonde, terug. Maar hij bracht niet alleen hem mede, maar ook Janzen, dien hij tot zijn groote verbazing bij Bache aangetroffen had. Zooals Guillaume vermoedde, was Janzen, die aan het diner bij prinses de Hardt [114]den aanslag gehoord had, zoo voorzichtig geweest niet naar zijn kleine woning in de rue des Martyrs, waar de politie wel eens een val voor hem opengezet kon hebben, terug te gaan. Zijn betrekkingen tot de anarchisten waren bekend, hij wist, dat hij nagegaan werd en dat hij, als buitenlandsch anarchist ieder oogenblik gearresteerd en uitgewezen kon worden. Hij had het dan ook verstandiger geoordeeld voor enkele dagen gastvrijheid te gaan vragen aan Bache, een zeer dienstvaardig en behulpzaam man, aan wiens handen hij zich zonder vrees toevertrouwde. Nooit zou hij bij Rosemonde gebleven zijn, dat bekoorlijke, maar half onwijze vrouwtje, dat hem in haar razende begeerte naar sensaties nu reeds een maand lang in opspraak bracht.
Guillaume was in de wolken, toen hij Bache en Janzen binnenkomen zag en wilde weer rechtop gaan zitten. Maar Pierre eischte, dat hij rustig met zijn hoofd op het kussen zou blijven liggen en vooral dat hij zoo weinig mogelijk sprak. Terwijl Janzen zwijgend bleef staan, nam Bache een stoel en ging onder een stortvloed van vriendschapswoorden naast het bed zitten. Het was een dikke zestiger met een breed en bol gezicht, een vollen, grijzen baard en lang grijs haar. Zijn kleine oogjes keken droomerig en om zijn dikken mond lag een vriendelijk, hoopvol glimlachje. Zijn vader, een vurig aanhanger van Saint-Simon, had hem in den eeredienst van het nieuwe geloof opgevoed, terwijl hij zelf, ofschoon hij den eerbied voor dat geloof steeds hield, door een persoonlijke behoefte aan orde en godsdienstigheid, tot de denkbeelden van Fourier overgegaan was, zoodat men in hem als het ware een opeenvolging en verkorting van die beide doctrines vond. Op dertigjarigen leeftijd had hij zich ook met spiritisme bezig gehouden. Hij bezat een klein, maar goed belegd vermogen en had in zijn leven geen ander avontuur gehad dan dat hij in 1871, zonder zelf precies te weten hoe en waarom, deel had uitgemaakt van de Commune. Hoewel hij tot de gematigden behoorde, was hij toch bij verstek ter dood veroordeeld en had hij tot de amnestie in België gewoond. Neuilly, dat zich die dingen herinnerde, had hem naar den gemeenteraad afgevaardigd—echter minder, om het slachtoffer der burgerlijke reactie te verheerlijken dan wel om den rechtschapen, in de geheele wijk populairen man te beloonen.
In zijn verlangen naar nieuws moest Guillaume den bezoeker alles wel vertellen; de geschiedenis van de bom, de [115]vlucht van Salvat, de manier, waarop hij gewond werd, toen hij de lont wilde uittrappen. Janzen met zijn koel gezicht, zijn blonden, mageren Christuskop en zijn krullende haren, die naar hem luisterde, zeide eindelijk:
“Zoo, is het Salvat?… Ik dacht, dat het de kleine Mathis zou zijn… Salvat, dat verwondert me. Hij was het niet van plan.”
En toen Guillaume, angstig, hem vroeg, of hij dacht, dat hij spreken zou, riep hij eerst:
“O, neen, geen quaestie van!”
Doch dan, iets van minachting in zijn heldere, chimerische, harde oogen:
“En toch weet ik het zoo zeker niet… Salvat is sentimenteel.”
Bache, die door den aanslag geheel van streek was, werd ongerust en overlegde dadelijk hoe zij, in geval van verklikking, Guillaume, van wien hij heel veel hield, buiten de zaak houden zouden. En deze leed er bij het zien van Janzen’s minachtende koelheid onder, dat men hem voor vreesachtig aanzien en gelooven kon, dat het eenige, waar hij aan dacht, was zijn eigen leven te redden. Maar wat moest hij tegen hen zeggen, hoe zou hij hun de bezorgdheid, die hem rillen deed, begrijpelijk kunnen maken, zonder hun het geheim toe te vertrouwen, dat hij zelfs voor zijn broeder verborgen had?
Op dat oogenblik kwam Sophie aan haar meester zeggen, dat mijnheer Théophile Morin en een andere mijnheer hem wilden spreken. Zeer verwonderd over dat late bezoek, ging Pierre naar de kamer ernaast om ze te ontvangen. Hij had Morin na zijn terugkeer uit Italië leeren kennen en hem geholpen bij de vertaling en bewerking van zijn uitstekend résumé der tegenwoordige wetenschappen voor de Italiaansche scholen. Als zoon van Franche-Comté was hij een landsman van Proudhon, met wiens arme familie hij, de zoon van een horlogemaker, veel had omgegaan, opgegroeid in diens denkbeelden, een warm vriend der armen, en koesterde hij een instinctieven haat tegen rijkdom en bezit. Later was hij als onderwijzer naar Parijs gekomen, had daar een waren hartstocht opgevat voor de studie en zich met geheel zijn ziel aan Auguste Comte gegeven. Op die wijze zou men in hem, den vurigen positivist, den vroegeren aanhanger van Proudhon, den persoonlijken opstand van den arme, den haat tegen de ellende terug [116]kunnen vinden. Overigens hield hij zich aan het wetenschappelijk positivisme, daar hij in zijn afkeer van alles wat naar mystiek zweefde, den in latere jaren zoo godsdienstig geworden Comte verloochend had. Zijn rechtschapen, eentonig en droefgeestig leven had slechts één roman gekend—den plotselingen koortsaanval, die hem medegesleept had om gedurende de legendarische epopee der Duizend aan de zijde van Garibaldi op Sicilië te strijden. En daarna was hij weer het Parijsche onderwijzertje geworden, dat in vergetelheid zijn droevig brood verdiende.
Toen Pierre weer in de slaapkamer terugkwam, zeide hij met ontroerde stem tegen zijn broer:
“Morin heeft Barthès medegebracht, die in gevaar meent te zijn en mij gastvrijheid vraagt.”
“Nicolas Barthès, die held, die antieke geest!” riep Guillaume vol geestdrift uit. “Ik ken en bewonder hem… Je moet je huis wijd voor hem open zetten.”
Bache en Janzen hadden elkaar glimlachend aangekeken. Dan zeide de laatste langzaam en op zijn koud-ironischen toon:
“Waarom verstopt mijnheer Barthès zich? Velen beschouwen hem als dood, en hij is een spook, waarvoor niemand meer bang is.”
Barthès, die nu vier-en-zeventig was, had bijna vijftig jaar in de gevangenis doorgebracht. Hij was de eeuwige gevangene, de vrijheidsheld, dien alle regeeringen van de eene vesting in de andere gebracht hadden. Van af zijn jongelingsjaren leefde hij in zijn droom van broederschap, streed hij voor een ideale republiek van waarheid en gerechtigheid en kwam ten slotte steeds in de gevangenis, waar hij achter slot en grendel zijn humanitaire droomen voortzette. Als Carbonaro, als republikein, als evangelisch sectariër had hij altijd en overal samengezworen, zonder ophouden gestreden tegen iedere mogelijke macht. En toen de Republiek gekomen was, die Republiek, welke hem zooveel jaren kerkerstraf gekost had, had ook deze hem in de gevangenis gezet en nog meer donkere jaren aan de zoovele zonlooze toegevoegd. Hij bleef de martelaar der vrijheid en verlangde ondanks alles naar haar—naar haar, die nooit bestond.
“Je vergist je leelijk,” zeide Guillaume, geprikkeld door Janzen’s spottenden toon. “Men wil Barthès, wiens intransigente rechtschapenheid onze politici hindert, weer een tijdje opsluiten; hij heeft groot gelijk voorzorgsmaatregelen te nemen.” [117]
Бесплатный фрагмент закончился.
