Читать книгу: «Alles op alles »
Jack Mars
Jack Mars is een gretige lezer en groot fan van het thriller-genre. ALLES OP ALLES is de debuut-thriller van Jack. Jack vindt het leuk iets van je te horen en je bent welkom op de website www.jackmarsauthor.com. Hier kun je je inschrijven voor de nieuwsbrief, een gratis boek en andere giveaways ontvangen, Jack op Facebook en Twitter volgen en contact met hem opnemen.
Copyright © 2015 door Jack Mars. Alle rechten voorbehouden. Met uitzondering van toegestaan gebruik onder de ‘U.S. Copyright Act’ van 1976, mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, verspreid, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, of opgeslagen worden in een gegevensbestand of zoeksysteem, zonder voorafgaande toestemming van de auteur. De licentie van dit e-boek is uitsluitend voor persoonlijk gebruik. Dit e-boek mag niet worden doorverkocht of geschonken aan andere personen. Mocht je dit boek willen delen met iemand anders, koop dan een exemplaar voor iedere ontvanger. Als je dit boek leest zonder het gekocht te hebben of het is niet gekocht uitsluitend voor eigen gebruik, geef het boek dan terug en koop je eigen exemplaar. Bedankt voor het respecteren van het harde werk van deze auteur. Dit is een fictief werk. Namen, karakters, bedrijven, organisaties, plaatsen, evenementen en incidententen zijn een product van de fantasie van de auteur of fictief gebruikt. Enige gelijkenis met daadwerkelijke personen, levend of dood, is volkomen toeval. Afbeelding boekomslag Copyright wavebreakmedia en Michael Rosskothen, gebruikt met licentie van Shutterstock.com.
JACK MARS BOEKEN
LUKE STONE THRILLER REEKS
ALLES OP ALLES (boek #1)
AMBTSEED (boek #2)
SITUATIE KAMER (boek #3)
DEEL EEN
Hoofdstuk 1
5 juni, 01:15 uur
Fairfax County, Virginia – een buitenwijk van Washington DC
De telefoon ging. Luke Stone was ergens tussen slaap en waken in. Beelden vlogen door zijn hoofd. Het was nacht op een verlaten snelweg in de stromende regen. Er was iemand gewond. Een autowrak. In de verte naderde met hoge snelheid een ambulance. De sirenes loeiden.
Hij opende zijn ogen. Naast hem op het nachtkastje, in het donker van hun slaapkamer, ging de telefoon. Een digitale klok stond naast de telefoon. Hij tuurde naar de rode cijfers. “Jezus,” fluisterde hij. Hij had niet meer dan een halfuur geslapen.
Rebecca, zijn vrouw, zei met een slaperige stem: “Niet opnemen.” Een pluk blond haar stak onder de dekens uit. Het zwakke blauwe licht van een nachtlampje in de badkamer scheen de kamer in.
Hij nam de telefoon op.
“Luke,” zei een stem. Het was een diepe, norse stem met een spoortje van een zuidelijk accent. Luke herkende de stem meteen. Het was Don Morris, zijn oude baas van het Special Response Team, een geheime elite-eenheid binnen de FBI.
Luke wreef met zijn handen door zijn haar. “Wat is er?”
“Heb ik je wakker gemaakt?” zei Don.
“Wat denk je zelf?”
“Ik zou je niet thuis gebeld hebben, maar je mobieltje stond uit.”
Luke kreunde. “Omdat ik het uitgezet had.”
“We hebben een probleem, Luke. Ik heb je nodig.”
“Vertel op,” zei Luke.
Hij luisterde naar de stem van zijn oude baas. Al gauw kreeg hij het gevoel dat hij zo vaak kreeg: het gevoel dat zijn maag in een lift zat die razendsnel vijftig verdiepingen omlaagviel. Misschien was het daarom dat hij met dit werk gestopt was. Niet omdat hij te vaak ternauwernood aan de dood was ontsnapt of omdat zijn zoon zo snel opgroeide, maar omdat hij dit gevoel in zijn maag niet kon uitstaan.
Wat hem misselijk maakte was de kennis, de wetenschap, die was te moeilijk om te hanteren. Hij dacht aan al die miljoenen mensen die gelukkige levens leidden, zich heerlijk onbewust van alles wat er om hen heen gebeurde. Luke was jaloers op hun onwetendheid.
“Wanneer is het gebeurd?” vroeg hij.
“We weten nog niet veel. Een uur of twee geleden misschien. Ongeveer een kwartier geleden merkte het ziekenhuis dat er een probleem was met de beveiliging. Ze missen personeel, dus het lijkt erop dat het een interne klus is. Maar dat kan veranderen naarmate we betere inlichtingen binnenkrijgen. De politie van New York is door het dolle heen. Ze hebben tweeduizend extra agenten opgeroepen, maar volgens mij zal dat bij lange na niet genoeg zijn. De meesten zullen niet eens komen voordat hun dienst begint.”
“Wie heeft de NYPD gebeld?” vroeg Luke.
“Het ziekenhuis.”
“Wie heeft ons gebeld?”
“De korpschef van de politie.”
“Heeft hij nog iemand anders gebeld?”
“Nee. Wij zijn de enigen.”
Luke knikte. “Oké, goed. Laten we het zo houden. De politie moet de plaats delict afschermen en vergrendelen. Maar ze moeten zelf buiten het afgeschermde gebied blijven. We willen niet dat ze de boel daar verstoren. Ze moeten ook de media erbuiten houden. Als de kranten hier achterkomen, dan wordt het een circus.”
“Allebei al geregeld.”
Luke zuchtte. “Stel dat ze twee uur voorsprong hebben. Dat is niet goed. Dat betekent dat ze ons ver voor zijn. Ze kunnen god weet waar zijn.”
“Ik weet het, de NYPD houdt bruggen, tunnels, de metro en treinstations in de gaten. Ze gaan door de data van de tolpoortjes op de snelwegen, maar het is zoeken naar een naald in de hooiberg. Niemand heeft de mankracht om hiermee bezig te zijn.”
“Wanneer ga je ernaartoe?” zei Luke.
Don twijfelde geen seconde. “Nu. En jij gaat mee.”
Luke keek weer op de klok. Het was 01:23 uur.
“Ik kan over een halfuur bij het helikopterplatform zijn.”
“Ik heb al een auto gestuurd,” zei Don. “De chauffeur meldde zich net. Hij is over tien minuten bij je.”
Luke hing op.
Rebecca was half wakker en steunde op haar elleboog, terwijl ze naar hem staarde. Haar lange haar golfde over haar schouders. Haar ogen waren blauw, omlijst door volle wimpers. Haar mooie gezicht was smaller dan toen ze elkaar voor het eerst ontmoetten op de universiteit. Jaren van zorg en angst hadden hun sporen achtergelaten.
Daar had Luke spijt van. Het vreet aan hem dat zijn werk haar pijn veroorzaakte. Dat was nog een reden waarom hij ermee was gestopt.
Hij herinnerde zich hoe ze was toen ze nog jong waren, altijd vrolijk, altijd een glimlach op haar gezicht. Dat was in de tijd dat ze nog zorgeloos was. Het was lang geleden dat hij haar zo had gezien. Hij had gehoopt dat die kant weer naar boven zou komen nadat hij gestopt was met dit werk, maar helaas ging het langzaam. Natuurlijk waren er soms momenten dat de echte Becca terug was, maar die momenten waren zeldzaam.
Hij merkte dat ze de situatie niet vertrouwde. Ze vertrouwde hém niet. Ze wachtte op dat telefoontje midden in de nacht, het telefoontje dat hij zou moeten beantwoorden. Het telefoontje waarna hij nadat hij had opgehangen uit bed zou stappen en het huis uit zou lopen.
Ze hadden een goede avond gehad. Een paar uur lang leek het als vanouds.
En nu dit.
“Luke…” begon ze. Haar blik was niet vriendelijk. Hij voelde dat dit een moeilijk gesprek zou worden.
Luke stapte uit bed en haastte zich; gedeeltelijk vanwege de omstandigheden, gedeeltelijk omdat hij het huis uit wilde zijn voordat Becca haar gedachten op orde zou hebben. Hij ging de badkamer in, gooide water in zijn gezicht en bekeek zichzelf in de spiegel. Hij voelde dat hij wakker was, maar zijn ogen waren moe. Zijn lichaam was taai en sterk; nu hij zoveel vrije tijd had ging hij vier keer per week naar de sportschool. Negenendertig jaar oud, dacht hij. Niet slecht.
Van een hoge plank in de inloopkast pakte hij een langwerpige, stalen kist die afgesloten was met een cijferslot. Hij drukte de tiencijferige code in die hij uit zijn hoofd geleerd had. Het deksel sprong open. Hij nam zijn negen-millimeter Glock eruit en liet hem in een leren schouderholster glijden. Hij bukte en bond een klein kaliber .25 pistool aan zijn rechterkuit. Aan zijn linkerkuit bond hij een uitklapbaar gekarteld mes van 12 centimeter lang, waarvan het heft ook als boksbeugel diende.
“Ik dacht dat je geen wapens meer in huis zou bewaren.”
Hij keek op en natuurlijk stond Becca daar, met haar armen over elkaar naar hem te kijken. Ze droeg een badjas die strak om haar lichaam was getrokken. Haar haar was naar achteren gebonden. Haar gezicht was strak en haar ogen stonden alert. Weg was de sensuele vrouw van eerder die avond. Ver weg.
Luke schudde zijn hoofd. “Dat heb ik nooit gezegd.”
Hij stond op en begon zich aan te kleden. Hij deed een zwarte cargobroek aan en stopte een aantal extra magazijnen voor de Glock in de zakken. Hij trok een strak overhemd aan en gespte de Glock eroverheen. Hij deed laarzen met stalen neuzen aan. Daarna deed hij de stalen kist weer dicht en zette het op zijn plek boven in de kast terug.
“En stel dat Gunner die kist vindt?”
“Hij ligt zo hoog in de kast, die kan hij niet zien of pakken. Zelfs als het hem zou lukken om hem naar beneden te halen, dan zit er een digitaal cijferslot op waarvan alleen ik de combinatie ken.”
Een tas met kleren voor twee dagen hing aan een haak. Hij pakte hem. Een kleine overlevingstas gevuld met toiletartikelen, een leesbril, een voorraad energierepen en een stuk of vijf dexedrine-pillen lag op een van de planken. Die pakte hij ook.
“Altijd gereed, nietwaar, Luke? Je hebt je kist voor je wapens, je tassen voor je kleren en medicijnen, en je staat altijd paraat om je vaderland te allen tijde te dienen. Heb ik gelijk of niet?”
Hij zuchtte. “Ik weet niet wat je van me wilt horen.”
“Waarom zeg je niet: ‘Ik heb besloten om niet te gaan. Ik heb besloten dat mijn vrouw en zoon belangrijker zijn dan dit werk. Ik wil dat mijn zoon een vader heeft. Ik wil niet meer dat mijn vrouw elke nacht wakker ligt, zich afvragend of ik leef of dood ben of dat ik nooit meer terugkeer.’ Kun je dat zeggen alsjeblieft?”
Op dit soort momenten voelde hij de afstand tussen hen groeien. Hij zag het voor zich. Becca was een minuscuul figuurtje in een enorme woestijn dat langzaam aan de horizon verdween. Hij wilde haar wanhopig graag terughalen, maar hij wist niet hoe. Zijn plicht riep hem.
“Gaat pappa weer weg?”
Ze bloosden allebei. Daar stond Gunner op de bovenste trede van het trapje van zijn slaapkamer.
Heel even stokte Lukes ademhaling toen hij Gunner daar zag staan. Hij zag eruit als Christopher Robin uit de Winnie de Poeh-boeken, met zijn warrig blonde haar. Hij droeg een blauwe pyjamabroek vol met gele manen en sterren en een T-shirt van Walking Dead.
“Kom hier, monster.”
Luke zette zijn tassen neer, liep naar zijn zoon toe en pakte hem op. Het jongetje klemde zich vast aan zijn hals. “Jij bent het monster, papa, niet ik.”
“Oké, ik ben het monster.”
“Waar ga je naartoe?”
“Ik moet weg voor mijn werk. Het is maar voor een dag of twee, ik kom zo snel mogelijk terug.”
“Gaat mama nu bij je weg, zoals ze heeft gezegd?”
Luke hield Gunner op een armlengte afstand omhoog. De jongen begon groot te worden en Luke realiseerde zich dat hij hem spoedig niet meer op deze manier kon vasthouden. Maar zover was het nog niet.
“Luister. Mama gaat niet bij mij weg en we zullen alle drie nog een lange, lange tijd samen blijven. Oké?”
“Oké, papa.” Hij verdween de trap op naar zijn kamer.
Toen hij weg was staarden ze naar elkaar. De afstand leek kleiner nu. Gunner was de brug tussen hen.
“Luke…”
Hij hield zijn handen omhoog. “Voordat je iets zegt, wil ik dat je weet dat ik van je hou. En ik hou van Gunner, meer dan van wat dan ook in deze wereld. Ik wil bij jullie zijn, elke dag, nu en voor altijd. Ik ga niet weg omdat ik het wil. Ik wil het niet. Ik haat het. Maar dat telefoontje vannacht… Er staan zoveel mensenlevens op het spel. In al die jaren dat ik dit heb gedaan, midden in de nacht vertrekken, zoals nu… is de bedreiging slechts twee keer Niveau Twee geweest. Meestal was het Niveau Drie.”
Becca’s gezichtsuitdrukking verzachtte een heel klein beetje. “Wat is het niveau van deze bedreiging?” vroeg ze.
“Niveau Een.”
Hoofdstuk 2
01:57 uur
McLean, Virginia – hoofdkantoor Special Response Team
“Meneer?” zei iemand. “Meneer, we zijn er.”
Luke schrok wakker. Hij ging rechtop zitten. Ze stonden bij de poort van een helikopterplatform geparkeerd. Het miezerde. Hij keek naar de chauffeur. Het was een jonge jongen met een heel kort kapsel, waarschijnlijk een groentje net uit het leger. De jongen glimlachte.
“U was ingedommeld, meneer.”
“Juist,” zei Luke. Het belang van deze operatie werd hem weer duidelijk. Hij wilde het liefst thuis in bed liggen met Becca, maar in plaats daarvan was hij hier. Hij wilde leven in een wereld zonder moordenaars die radioactief materiaal stelen. Hij wilde slapen en dromen over prettige dingen. Op dit moment kon hij niet eens bedenken wat deze prettige dingen konden zijn. Zijn slaap was verpest door te veel kennis van zaken.
Hij stapte uit de auto met zijn tassen, toonde de bewaker zijn identificatie en liep door de scanner.
Een glanzende zwarte helikopter, een grote Bell 430, stond op het platform met draaiende rotorbladen. Luke liep laag gebukt over het natte asfalt. Terwijl hij de helikopter naderde, schakelde de motor van de helikopter in een hogere versnelling. Ze waren klaar voor vertrek. De deur van de passagierscabine gleed open en Luke klom naar binnen.
Er waren al zes mensen aan boord, vier in de passagierscabine, twee in de cockpit. Don Morris zat aan het dichtstbijzijnde raam. De zitplaats tegenover hem was leeg. Don gebaarde ernaar. “Blij dat je kon komen, Luke. Neem plaats. Welkom bij de groep.”
Luke maakte de gordel van zijn kuipstoel vast terwijl de helikopter de lucht in schoot. Hij keek naar Don. Don was oud nu, zijn flat-top kapsel was grijs. Zijn stoppelbaard was grijs. Zelfs zijn wenkbrauwen waren grijs. Maar hij zag er nog steeds uit als de commandant van de contraterroristische elite-eenheid Delta Force, die hij ooit geweest was. Zijn lichaam was hard en zijn gezicht was als een blok graniet, vol met scherpe kanten en diepe groeven. Zijn ogen waren als twee laserstralen. Hij hield een onaangestoken sigaar vast in een van zijn grove handen. In tien jaar had hij er niet een opgestoken.
Terwijl de helikopter verder steeg gebaarde Don naar de andere personen in de cabine. Hij introduceerde iedereen gauw. “Luke, jij loopt achter, want iedereen hier weet wie jij bent maar jij weet misschien niet wie zij zijn. Je kent Trudy Wellington, agent wetenschap en inlichtingen.”
Luke knikte naar de knappe jonge vrouw met donker haar en een grote ronde bril. Hij had al vaak met haar samengewerkt. “Hoi, Trudy.”
“Hoi, Luke.”
“Oké, tortelduifjes, genoeg. Luke, dit is Mark Swann, onze technische agent voor deze opdracht. En naast hem zit Ed Newsam, wapens en tactiek.”
Luke knikte de mannen toe. Swann was een blanke man met licht rossig haar en een bril, ongeveer vijfendertig of veertig jaar oud. Luke had hem een of twee keer eerder gezien. Newsam was een donkere kerel die Luke nog nooit gezien had, waarschijnlijk begin dertig, kaal, korte stoppelbaard, opgepompt en gespierd, brede borst, een 65-centimeter grote python op zijn armen getatoeëerd. Zijn armen puilden uit zijn witte T-shirt. Hij zag eruit alsof hij een regelrecht monster zou zijn in een schietgevecht, of erger nog: in een straatgevecht. Toen Don zei “wapens en tactiek,” bedoelde hij eigenlijk “mega-spierbundel”.
De helikopter had de kruishoogte bereikt; Luke gokte dat het nu op ongeveer tien kilometer hoogte vloog. De helikopter nivelleerde en vloog vooruit. Deze machines haalden ongeveer 240 kilometer per uur. Op die snelheid zou de reis naar New York City een dikke anderhalf uur duren.
“Oké, Trudy,” zei Don. “Wat kun je ons vertellen?”
De tablet in haar handen lichtte op in het donker van de cabine. Ze keek ernaar. Het gaf haar gezicht een griezelige gloed, als een geest.
“Ik ga uit van geen enkele voorkennis,” zei ze.
“Dat is goed.”
Ze begon. “Minder dan een uur geleden nam de antiterreureenheid van de NYPD contact met ons op. In Upper East Side, Manhattan, is een groot ziekenhuis: Center Medical Center,. Zij bewaren een grote hoeveelheid radioactief materiaal op locatie in een speciale kluis, zes verdiepingen onder de grond. Het materiaal is voornamelijk afvalmateriaal afkomstig van bestralingstherapieën van kankerpatiënten, maar ook van andere toepassingen zoals radiografie. Ergens in de afgelopen paar uur, infiltreerden onbekende personen het ziekenhuis, braken door het veiligheidssysteem en verwijderden het radioactieve afval dat er opgeslagen was.”
“Weten we hoeveel ze meenamen?” zei Luke.
Trudy raadpleegde haar tablet. “Elke vier weken wordt het materiaal door een vrachtwagen opgehaald en naar een radioactieve opvangvoorziening in West-Pennsylvania gebracht onder toezicht van de Binnenlandse Veiligheidsdienst, de Department of Homeland Security, samen met het departement voor milieubescherming, Pennsylvania Department of Environmental Protection. Over twee dagen zou een nieuw transport plaatsvinden.”
“Dus radioactief afval van ongeveer zesentwintig dagen,” zei Don. “Hoeveel is dat?”
“Het ziekenhuis weet het niet,” zei Trudy.
“Ze weten het niet?”
“Ze inventariseren het afval en voeren de data in in een databank. De databank is gehackt en gewist door degenen die het materiaal gestolen hebben. De hoeveelheden variëren van maand tot maand, afhankelijk van het schema van de behandelingen. Ze kunnen de inventarisatie namaken via de behandelingsrapporten, maar dat gaat een aantal uur kosten.”
“Maken ze geen back-up van de databank?” vroeg Swann, de technicus.
“Ze maken een back-up maar die was ook gewist. Erger nog, het hele archief van het afgelopen jaar was gewist.”
“Dus ze weten wat ze doen,” zei Swann.
“Hoe weten we dat dit een noodgeval is als we niet eens weten wat er gestolen is?” zei Luke.
“Om diverse redenen,” zei Trudy. “Dit was meer dan een diefstal. Het was een nauwkeurig gecoördineerde en geplande aanval. De strategisch geplaatste bewakingscamera’s van het ziekenhuis waren uitgezet. Inclusief verschillende in- en uitgangen, trapopgangen en goederenliften, de ondergrondse opslagruimte en de parkeergarage.”
“Heeft iemand met de bewakers geproken?” vroeg Luke.
“De twee bewakers die de videoconsole bemanden, zijn beiden dood aangetroffen in een afgesloten hok met schoonmaakspullen. Het waren Nathan Gold, een zevenenvijftig jaar oude blanke man, gescheiden, drie kinderen, zover bekend is geen banden met georganiseerde misdaad- of extremistische organisaties. Tevens Kitty Faulkner, drieëndertig jaar, een zwarte vrouw, ongetrouwd met één kind, zover bekend is ook geen banden met georganiseerde misdaad- of extremistische organisaties. Gold werkte al drieëntwintig jaar in het ziekenhuis. Faulkner werkte er acht jaar. De lichamen waren naakt, hun uniformen worden vermist. Ze werden beiden gewurgd en hebben duidelijke verkleuring in het gezicht, zwelling, nektrauma en kenmerken van verstikking in verband met de dood door wurging of een soortgelijke techniek. Ik heb foto’s, wil je ze zien?”
“Dat hoeft niet. Maar laten we aannemen dat de daders mannelijk waren. Zou een man een vrouwelijke bewaker vermoorden en haar uniform aan doen?”
“Faulkner was lang voor een vrouw,” zei Trudy. “Ze was 178 cm lang en zwaar. Een man zou makkelijk in haar uniform passen.”
“Is dat alle informatie die we hebben?”
Trudy ging verder. “Nee. Er is een ziekenhuismedewerker die dienst had en nu vermist wordt: een klusjesman genaamd Ken Bryant. Een negenentwintig jaar oude zwarte man die een jaar in voorarrest heeft gezeten op Rikers Eiland en daarna dertig maanden in de gevangenis, in Clinton Correctional Center, in Dannemora, New York. Hij werd veroordeeld voor diefstal en lichte mishandeling. Bij zijn vrijlating nam hij deel aan een rehabilitatieprogramma en een beroepstraining die zes maanden duurde. Hij werkte bijna vier jaar in het ziekenhuis en had een goede reputatie. Geen afwezigheidsproblemen, geen disciplinaire problemen. Als klusjesman had hij toegang tot de ondergrondse opslagruimte voor gevaarlijk afval en hij kan kennis hebben gehad van de beveiligingsprocedures en het personeel in het ziekenhuis. Hij had ooit banden met drugsdealers en een Afro-Amerikaanse gevangenisbende met de naam de Zwarte Gangster Familie. De drugsdealers waren simpele straatdealers in de buurt waar hij opgroeide. En waarschijnlijk sloot hij zich aan bij de gevangenisbende voor zijn persoonlijke bescherming.”
“Denk je dat een gevangenisbende of een straatbende dit kan hebben gedaan?”
Ze schudde haar hoofd. “Nee, absoluut niet. Ik noem Bryant’s connecties omdat hij nog steeds een open einde is. Er is technische kennis voor nodig om een databank binnen te dringen en te wissen en bovendien een videobeveiligingssysteem te hacken. Dat is normaal gesproken niet het werk van straat- of gevangenisbendes. Wij denken dat het gezien het niveau van geavanceerdheid en het gestolen materiaal een slapende terreurcel is.”
“Wat kunnen ze met de chemicaliën doen?” zei Don.
“Het schreeuwt: radiologisch dispersie-apparaat.” zei Trudy.
“Een vuile bom,” zei Luke.
“Bingo. Er is geen andere verklaring om radioactief afval te stelen. Het is onbekend hoeveel er gestolen is, maar het is wel bekend wat er gestolen is. De chemicaliën bevatten hoeveelheden iridium-192, cesium-137, tritium en fluor. Iridium is uiterst radioactief. Een geconcentreerde blootstelling hieraan kan binnen enkele minuten of op zijn hoogst uren, brandwonden en stralingsziekte veroorzaken. Experimenten hebben aangetoond dat een minuscule dosis van cesium-137 een hond van 20 kilo binnen drie weken kan doden. Fluor is een bijtend gas dat gevaarlijk is voor zacht weefsel zoals de ogen, huid en longen. Bij heel lage concentraties, veroorzaakt het tranende ogen. Bij heel hoge concentraties veroorzaakt het enorme schade aan de longen en leidt het binnen enkele minuten tot ademstilstand en de dood.”
“Geweldig,” zei Don.
“De kern van dit probleem,” zei Trudy, “zijn de hoge concentraties. Als terrorist wil je in dit geval geen groot verspreid gebied. Dat zou de blootstelling begrenzen. Je wilt een bom met radioactief materiaal en een conventioneel explosief, zoals dynamiet, in een gesloten ruimte laten exploderen. Het liefst op een plek met veel mensen. Een drukke metrowagon of een metrostation tijdens de spits. Een knooppunt voor forenzen zoals het Grand Central Terminal of het Penn Station. Een groot busstation of een vliegveld. Of een toeristenattractie zoals het Vrijheidsbeeld. Een gesloten ruimte betekent maximale stralingsconcentraties.”
Luke dacht aan de smalle, claustrofobische trap die naar de top van het Vrijheidsbeeld klom. Op welke dag dan ook was het stampvol met mensen, vaak schoolkinderen op schoolreisjes. In gedachten zag hij Liberty Island waar het Vrijheidsbeeld op stond, vol met tienduizend toeristen, de veerboten volgepropt met nog meer mensen, net als de boten met vluchtelingen van Haïti.
Toen zag hij de metroperrons van het Grand Central Terminal station voor zich om 07:30 uur. Het zou zo druk zijn met forenzen dat er nergens plaats zou zijn om te staan. Honderden mensen zouden in de rij op de trap wachten op de aankomst van de metro, waarna het perron vrij zou komen en de volgende groep mensen zou afdalen naar het perron. Hij stelde zich een bomexplosie voor in die mensenmassa. Het donker dat zou volgen door de kapotte verlichting. Een golf van afschuw ging door hem heen. Nog veel meer mensen zouden gedood worden door de panieksituatie en in de verdrukking, dan door de explosie zelf.
Trudy ging door. “Ons probleem is dat er teveel aantrekkelijke doelen zijn om ze allemaal in de gaten te kunnen houden. Bovendien is het niet zeker dat de aanval in New York plaats zal vinden. Als de diefstal al drie uur geleden is gebeurd, dan is de mogelijke radius minimaal 250 km. Dat is heel New York City, de voorsteden, Philadelphia, en grote steden in New Jersey zoals Newark, Jersey City en Trenton. Als de dieven over een uur nog niet gepakt zijn dan kun je die straal uitbreiden met Boston en Baltimore. De hele regio is dichtbevolkt. In zo’n grote radius kijken we naar tienduizend mogelijke doelwitten, zogenaamde soft targets. Zelfs als ze een van de grote, voor de hand liggende doelwitten zouden kiezen, dan praten we nog over honderden mogelijke plaatsen.”
“Oké, Trudy,” zei Luke. “Je hebt ons de feiten gegeven. Wat zegt je intuïtie?”
Trudy haalde haar schouders op. “Ik denk dat we kunnen aannemen dat dit een aanslag zal worden met een vuile bom, gesponsord door een vreemd land, of wellicht door een zelfstandige terreurgroep zoals IS of Al-Qaeda. Er zijn misschien Amerikanen of Canadezen bij betrokken, maar de operationele controle zit in het buitenland. Het is absoluut geen groep van eigen bodem, zoals milieuactivisten of racisten.”
“Waarom? Waarom niet van eigen bodem?” vroeg Luke. Hij wist al waarom, maar het was belangrijk om het hardop te zeggen en stap voor stap door het proces te lopen zonder iets te vergeten.
“De radicale linkse activisten fikken de gebouwen van Hummer-dealers af midden in de nacht. Ze slaan spijkers in bomen die gekapt worden, zogenaamd tree spiking, en beschilderen dan deze bomen zodat niemand gewond raakt. Ze hebben nog nooit aanslagen gepleegd in dichtbevolkte gebieden en ze haten radioactiviteit. De rechts-radicalen zijn gewelddadiger. De aanslag in Oklahoma City heeft bewezen dat ze zowel burgers als symbolen van de overheid aanvallen. Maar het is onwaarschijnlijk dat een van deze groeperingen hiervoor de juiste training heeft. En er is nog een goede reden waarom dit waarschijnlijk niet door hen is uitgevoerd.”
“En dat is?” zei Luke.
“Iridium heeft een heel korte halveringstijd,” zei Trudy. “Binnen een paar dagen zal het zo goed als waardeloos zijn. Bovendien moeten degenen die de chemicaliën gestolen hebben, snel reageren voordat ze zelf stralingsziekte krijgen. Ramadan, de islamitische heilige maand, begint vanavond bij zonsondergang. Dus ik denk dat de aanslag gepland is in verband met het begin van de Ramadan.”
Luke zuchtte haast opgelucht. Hij kende Trudy nu al enige jaren en had in die tijd vaak met haar samengewerkt. Haar inlichtingen waren altijd accuraat en haar vermogen om scenario’s te omschrijven was fenomenaal. Ze had vaker gelijk dan niet.
Hij keek op zijn horloge. Het was 03:15 uur. Zonsondergang was waarschijnlijk rond acht uur vanavond. Hij deed een snelle berekening in zijn hoofd. “Dus je denkt dat we meer dan zestien uur hebben om de daders op te sporen?” Zestien uur. Zoeken naar een naald in de hooiberg is één, maar met een tijdslimiet van zestien uur, zelfs met de meest geavanceerde technologie en de beste mensen, is een heel andere zaak. Misschien was het te veel om op te hopen.
Trudy schudde haar hoofd. “Nee. Het probleem met Ramadan is dat het begint bij zonsondergang maar in welke tijdzone? In Teheran is de zonsondergang al om 07:24 uur, een aanslag op dat moment zou vrij logisch zijn, want dan begint hier het spitsuur.”
Luke kreunde. Hij staarde naar buiten naar de enorme, verlichte megapolis onder hem. Hij keek weer op zijn horloge: 03:20 uur. Aan de horizon kon hij de hoge gebouwen van Lower Manhattan zien en de twee blauwe lichten die door de hemel sneden op de plek waar eens de twee identieke wolkenkrabbers, het World Trade Center, hadden gestaan. Over drie uur zouden de metro- en treinstations vol gaan lopen met forenzen. En ergens daarbuiten waren mensen bezig met het plannen van het doden van deze forenzen.
Hoofdstuk 3
03:35 uur
East Side van Manhattan
“Het lijken wel ratten,” zei Ed Newsam.
De helikopter vloog laag over de East River. Het donkere water was onder hen, snel vloeiende golfjes, rijzend en vallend. Luke begreep wat Ed bedoelde. Het water leek net op duizenden ratten die onder een zwarte, glanzende deken heen en weer renden.
Ze daalden rustig in de richting van de heliport op 34th Street. Luke keek naar de lichten van de gebouwen links van hem, een miljoen twinkelende juweeltjes in de nacht. Nu ze er waren, stroomde er een gevoel van urgentie door hem heen. Zijn hart maakte een sprongetje. De hele vlucht was hij kalm geweest, wat kon je anders doen? Maar de klok tikte door en ze hadden geen tijd te verliezen. Hij sprong bijna uit de helikopter voordat deze was geland.
De helikopter landde met een bons en iedereen in de cabine maakte direct zijn gordel los. Don rukte de deur open. “Aan de slag,” zei hij.
De toegang tot de straat via de veiligheidspoort was 20 meter van het platform verwijderd. Drie SUV’s wachtten net buiten de betonnen barrières. Een patrouille van de New Yorkse SRT rende naar de helikopter en laadde de tassen met uitrusting uit. Een man pakte Luke’s kleding- en overlevingstas.
“Voorzichtig ermee,” zei Luke. “De laatste keer dat ik hier was, raakten jullie mijn tassen kwijt. Dit keer heb ik geen tijd om te gaan winkelen.”
Luke en Don namen plaats in de eerste SUV, Trudy glipte ook naar binnen. De SUV was een extra lang model met tegenover elkaar geplaatste zitplaatsen voor de passagiers. Luke en Don zaten met het gezicht naar voren en Trudy zat achterwaarts, tegenover hen. De SUV begon al te rijden voordat ze goed en wel zaten. Binnen een minuut reden ze in noordelijke richting op de smalle kloof van de Franklin D. Roosevelt East River Drive. Gele taxi’s zwermden als bijen om hen heen. Niemand zei iets.
De SUV reed snel verder, voorbij betonnen bochten, door tunnels, onder bouwvallige gebouwen door en over kuilen denderend. Luke voelde zijn hart kloppen. Niet vanwege de snelle rit maar vanwege de verwachting van wat ging komen.
“Het zou leuk zijn om New York eens voor eigen plezier te bezoeken,” zei Don. “Logeren in een chiq hotel, misschien een show op Broadway bezoeken.”
“Volgende keer,” zei Luke.
Hij zag dat de SUV al afrit 96th Street van de snelweg nam. De chauffeur stond nauwelijks stil voor rood licht, sloeg links af en trapte op het gaspedaal op de lege boulevard.
Luke zag hoe de SUV de oprit van het ziekenhuis op scheurde. Het was rustig op dit tijdstip. Ze stopten pal voor de fel verlichte ingang van de Spoedeisende dienst. Een man in een driedelig pak stond op hen te wachten.
“Goed gekleed,” zei Luke.
Don porde Luke met een van zijn dikke vingers. “Zeg, Luke. We hebben een kleine verrassing voor je. Wanneer heb je voor het laatst een hazmat-pak gedragen?”
Hoofdstuk 4
04:11 uur
Onder het Center Medical Center, Upper East Side
“Niet te strak,” zei Luke, met in zijn mond een plastic thermometer.
Trudy had een draagbare bloeddrukmeter om Luke’s pols gedaan. De sensor drukte hard op zijn pols, toen nog wat harder en daarna liet het zachtjes in kleine stapjes met een zuchtend geluid los. Trudy maakte de polsmeter los, terwijl ze tegelijkertijd de thermometer uit zijn mond haalde.
“En, hoe sta ik ervoor?” vroeg hij.
Ze las het resultaat af. “Je bloeddruk is hoog,” zei ze. “138/85. Hartslag in rust is 97. En je temperatuur is 38º C. Ik ga niet tegen je liegen, Luke. Dit zijn niet de beste resultaten.”
“Ik heb de laatste tijd wat last van stress gehad,” zei Luke.
Trudy haalde haar schouders op. “Dons resultaten zijn beter dan die van jou.”
“Ja, maar hij gebruikt statines.”
Luke en Don zaten samen in hun boxershorts en T-shirts op een houten bank. Ze bevonden zich in een opslagruimte in een kelder van het ziekenhuis. De zware pvc-gordijnen, die helemaal rondom hen hingen, sloten de ruimte af. Het was koud en vochtig hier en een rilling gleed langs Luke’s ruggengraat. De opengebroken opslagruimte lag twee verdiepingen onder hen. Er hingen allerlei mensen om hen heen. Er waren een paar jongens van het SRT-team uit New York. Ze hadden twee opklapbare tafels opgezet en daarop een aantal laptops en beeldschermen neergezet.
De man in driedelig pak was er ook, hij werkte voor de antiterreureenheid van de NYPD.
Ed Newsam, de grote kerel gespecialiseerd in wapens en techniek die Luke net had ontmoet, liep de ruimte binnen door de pvc-gordijnen. Er liepen twee mannen van de SRT achter hem. Ze droegen allebei een dichtgeplakt transparant pakket met felgeel materiaal erin.
“Attentie!” zei Newsam met luide stem over het gepraat heen. Hij wees met twee vingers naar zijn ogen. “Don en Luke, focus op mij alstublieft.”
Newsam hield in allebei zijn handen een fles met water. “Ik weet dat jullie dit al eerder hebben gedaan, maar we doen alsof het de eerste keer is zodat we geen fouten maken. De mannen achter mij gaan jullie pakken controleren, daarna helpen ze jullie om de pakken aan te doen. Dit zijn hazmat-pakken van Niveau A, bestaande uit solide vinyl. Jullie zullen het onvermijdelijk heet krijgen en gaan zweten. Dus voordat we beginnen, moeten jullie deze flessen met water opdrinken. Jullie zullen er straks dankbaar voor zijn.”
“Is iemand voor ons daar beneden geweest?” vroeg Luke.
“Twee bewakers gingen naar beneden toen het lek in de beveiliging ontdekt werd. De verlichting is kapot. Swann heeft geprobeerd het te repareren, maar zonder succes. Dus het is daar beneden pikdonker. De bewakers hadden zaklampen maar toen ze merkten dat de kluis open was en ze de lege containers en vaten op de grond zagen liggen, verlieten ze zo snel mogelijk de plek.”
“Zijn ze blootgesteld?”
Newsam glimlachte. “Een klein beetje. Mijn dochters zouden ze een paar dagen als nachtlampjes kunnen gebruiken. Ze hadden geen pakken aan, maar ze waren daar maar kort. Jullie zijn langer beneden.”
“Kunnen jullie zien wat wij zien?”
“Jullie maskers zijn voorzien van een camera en LED-lampen. Ik zie wat jullie zien en alles wordt opgenomen.”
Het duurde twintig minuten om aan te kleden. Luke was gefrustreerd. Het was moeilijk om zich te bewegen in zo’n pak. Hij was van top tot teen in het vinyl gekleed en het begon al heet te worden. Zijn masker bleef telkens beslaan waardoor hij minder goed kon zien. Het leek alsof de tijd aan hen voorbijvloog. De dieven hadden een enorme voorsprong.
Hij stond samen met Don in de goederenlift die langzaam knarsend afdaalde. Don droeg de Geigerteller. Het leek op een kleine accu met een handvat.
“Kunnen jullie me goed horen?” vroeg Newsam. Het leek wel alsof hij in Luke’s hoofd zat. De maskers hadden ingebouwde luidsprekers en microfoons.
“Ja,” zei Luke.
“Ik hoor je,” zei Don.
“Goed. Ik hoor jullie allebei duidelijk. We zitten op een gesloten frequentie. De enigen die op deze frequentie zitten zijn jullie, ikzelf en Swann vanuit de controlekamer. Swann heeft toegang tot een digitale kaart van het gebouw en jullie pakken zijn uitgerust met een volgsysteem. Swann kan jullie op zijn kaart zien en hij begeleidt jullie van de lift naar de kluis. Ben je daar, Swann?”
“Ik ben er,” zei Swann.
De lift stopte abrupt.
“Wanneer de deuren opengaan, linksaf.”
De twee mannen liepen onhandig door een brede gang, begeleid door Swanns stem. Het licht van de lampen op hun helmen speelde in het donker en wierp schaduwen op de muren. Het herinnerde Luke aan duiken op scheepswrakken wat hij vroeger wel gedaan had.
Binnen een paar seconden begon de Geigerteller te tikken met een pauze, net als een langzame hartslag.
“We hebben straling,” zei Don.
“Ik zie het. Maak je geen zorgen. Het is niet erg. Het is een heel gevoelig apparaat dat je daar in je handen hebt.”
De tikken werden steeds sneller en luider.
Swanns stem gaf aan: “Over ongeveer een meter, sla rechts af een gang in en blijf deze gang ongeveer tien meter volgen. Het komt uiteindelijk uit in een grote vierkante ruimte. De opslagruimte is aan de andere kant daarvan.”
Toen ze rechts af sloegen, begon de Geigerteller luid en snel te tikken. De tikken klonken als een stortvloed. Het was moeilijk om de ene van de andere tik te onderscheiden.
“Newsam?”
“Doorlopen, heren. Laten we dit binnen vijf minuten of minder doen.”
Ze liepen de ruimte in. Het was een rotzooi. Op de vloer lagen overal containers, dozen en grote metalen vaten, omgegooid en zo achtergelaten. Sommigen waren open. Luke richtte zijn lamp op de kluis aan de andere kant van de ruimte. De zware deur was open.
“Zie je dat? vroeg Luke. “Het lijkt wel of Godzilla hier op bezoek geweest is.”
Newsams stem begon weer. “Don! Don! Richt je lamp en je camera op de grond, ongeveer anderhalve meter vooruit. Daar ja. Nog een halve meter. Wat is dat op de grond?”
Luke draaide zich om naar Don en scheen met zijn lamp naar dezelfde plek. Ongeveer drie meter voor hem, tussen de puinhoop, lag een hoop vodden uitgespreid.
“Het is een lichaam,” zei Don. “Shit.”
Luke liep ernaartoe en richtte zijn lamp op het lichaam. De persoon was groot en droeg wat leek op een bewakersuniform. Luke knielde naast het lichaam. Er was een donkere vlek op de grond, net als een motorolievlek onder een auto. Het hoofd lag opzij, richting Luke. Alles boven de ogen was verdwenen. Zijn voorhoofd opgeblazen, alleen nog een krater achterlatend. Luke reikte naar de achterkant van het hoofd, voelend naar een kleiner gat. Zelfs met zijn dikke handschoenen aan vond hij het gat.
“Wat heb je gevonden, Luke?”
“Een grote man, 18 tot 30 jaar oud. Van Arabische, Perzische of mogelijk Mediterrane afkomst. Er is veel bloed. Hij heeft in- en uitgangswonden die passen bij een kogelschot in het achterhoofd. Het lijkt op een executie. Zou mogelijk een andere bewaker kunnen zijn of het is een van de daders die ruzie kreeg met zijn collega’s.”
“Luke,” zei Newsam. “Aan je riem hangt een kleine digitale vingerafdrukscanner. Als je die kunt pakken, kun je een vingerafdruk van die kerel maken.”
“Ik denk niet dat dat gaat,” zei Luke.
“Kom op, man. De handschoenen zijn lastig, maar ik weet waar de scanner zit en ik kan je ernaartoe leiden.”
Luke richtte zijn camera op de rechterhand van de man. Elke vinger was een ruw bloederig stompje, boven de eerste knokkel eraf gehakt. Hij keek naar de andere hand. Die was hetzelfde.
“Ze hebben de vingerafdrukken met zich meegenomen,” zei hij.
Hoofdstuk 5
Luke en Don, weer gekleed in gewone kleding, liepen snel door de gang van het ziekenhuis samen met de goed geklede man in driedelig pak van de antiterreureenheid van de NYPD. Luke had niet eens meegekregen hoe de man heette. Hij noemde hem Driedelig en Luke zou hem nu orders geven. Er moest actie ondernomen worden en daarvoor hadden ze de hulp van de gemeente nodig.
Luke nam de leiding, zoals hij bijna altijd deed. Hij wierp een blik op Don, waarop Don knikte en hem daarmee zijn goedkeuring gaf. Daarom had Don Luke aan boord gebracht: om de leiding te nemen. Don zei altijd dat Luke een geboren leider was.
“Ik wil Geigertellers op elke verdieping,” zei Luke. “Verstopt voor het publiek. Er was geen straling totdat we zes verdiepingen onder de grond zaten maar het begint naar boven te gaan. Iedereen moet het ziekenhuis uit en snel.”
“Het ziekenhuis heeft patiënten die levensondersteuning nodig hebben,” zei Driedelig. “Ze zijn moeilijk te verplaatsen.”
“Precies. Begin daarom direct de logistiek hiervan te regelen.”
“Oké.”
Luke ging verder. “We zullen een compleet hazmat-team beneden nodig hebben. Dat lichaam moet naar boven gehaald worden, hoe erg het ook besmet is, en het moet snel gebeuren. Het schoonmaken kan wachten totdat we het lichaam hebben.”
“Begrepen,” zei Driedelig. “We leggen het lichaam in een kist die met lood bekleed is en brengen het naar de lijkschouwer in een speciale stralingsveilige vrachtwagen.”
“Kan dat snel gedaan worden?”
“Tuurlijk.”
“We hebben een match nodig van zijn gebitsgegevens, DNA, littekens, tatoeages, chirurgische pinnen enzovoort. Alles wat we kunnen vinden. Zo gauw je die data hebt, moet je het naar Trudy Wellington van ons team sturen. Zij heeft toegang tot databanken die jouw collega’s niet hebben.”
Luke haalde zijn telefoon tevoorschijn en drukte op een sneltoets. Ze nam direct op. “Trudy, waar ben je?”
“Ik ben met Swann op Fifth Avenue, achterin een van onze auto’s, op weg naar het commandocentrum.”
“Luister, ik ben met…” Hij keek naar Driedelig. “Hoe heet je?”
“Kurt. Kurt Myerson.”
“Ik ben hier met Kurt Myerson van de NYPD. Hij werkt voor de antiterreureenheid. Zij brengen het lichaam naar boven. Jij moet contact met hem houden om de gebitsgegevens, DNA, en welke identificeerbare details dan ook, te krijgen. Wanneer je alle gegevens hebt, dan wil ik weten wie die man is, hoe oud hij is, waar hij vandaan komt, wie bekenden van hem zijn, alles. Ik wil weten waar hij is geweest en wat hij heeft gedaan in de afgelopen zes maanden. En ik heb al deze informatie gisteren nodig.”
“Begrepen, Luke.”
“Perfect. Dank je. Hier komt Kurt, hij geeft je zijn directe nummer.”
Luke gaf Kurt de telefoon. De drie mannen liepen door een paar dubbele deuren, zonder een pas te vertragen. Kurt gaf de telefoon terug aan Luke.
“Trudy, ben je er nog?”
“Waar anders?”
Luke knikte. “Goed. Nog iets. De bewakingscamera’s van het ziekenhuis waren uitgeschakeld, maar er moeten in deze buurt overal camera’s hangen. Wanneer je aankomt bij het commandocentrum, zet dan wat mensen bij elkaar en laat ze alles doornemen binnen een straal van anderhalve kilometer rond het ziekenhuis. Begin met videobeelden vanaf acht uur ’s avonds tot een uur ’s nachts. Ik wil alle commerciële en bestelvoertuigen zien die in de buurt van het ziekenhuis zijn geweest gedurende die tijd. Hoogste prioriteit hebben kleine bestelwagens, bakkerijauto’s, hotdogwagens, dat soort auto’s. Kleine vrachtauto’s die geschikt zijn om een verborgen lading te vervoeren. Lagere prioriteit hebben aanhangers, bussen of constructievoertuigen. Dit soort voertuigen hebben een lagere prioriteit, maar ze mogen niet overgeslagen worden. De laagste prioriteit hebben campers, pick-up trucks en SUV’s. Ik wil screenshots van de nummerplaten en trek de eigenaren van deze voertuigen na. Als een van deze voertuigen er vreemd uitziet, zoek dan naar meer camera’s in de omgeving en in een grotere omtrek. We moeten het voertuig blijven volgen en zien waar het naartoe gereden is.”
“Luke,” zei ze. “Daarvoor heb ik meer dan enkele mensen nodig.”
Luke dacht na. “Oké. Maak de mensen thuis wakker die je nodig hebt en breng ze naar het hoofdkantoor van de SRT. Laat ze daar de eigenaren van de voertuigen opsporen met behulp van de screenshots van de nummerplaten.”
“Begrepen.”
Ze hingen op. Luke moest even opnieuw oriënteren op het hier en nu. Een nieuwe gedachte kwam in hem op. Hij keek naar Kurt Myerson.
“Oké, Kurt. Nu komt het belangrijkste. Dit ziekenhuis moet afgesloten worden. We moeten alle medewerkers die vannacht dienst hebben gehad bijeenbrengen en isoleren. Mensen zullen gaan praten, dat is begrijpelijk, maar we moeten proberen om dit zo lang mogelijk buiten de media te houden. Als dit bekend wordt dan breekt overal paniek uit en krijgt de politie duizenden telefoontjes binnen met nutteloze tips. Bovendien kunnen de daders het hele onderzoek volgen op de televisie. Dat mag niet gebeuren.”
Ze duwden door nog een paar dubbele deuren en stonden toen in de receptie van het ziekenhuis. De hele voorgevel van de foyer was van glas. Er stonden een paar bewakers bij de ingangen van de gesloten deuren. Buiten was het chaos. Er stond een grote menigte opgewonden journalisten tegen de politiebarrières te duwen. Fotografen stonden tegen de ramen gedrukt om foto’s te maken van de foyer. Er stond een lange rij nieuwswagens in de straat. En terwijl Luke de situatie in zich opnam, brachten drie verschillende TV-verslaggevers direct voor het ziekenhuis verslag uit.
“Zei je iets?”
Hoofdstuk 6
05:10 uur
In een bestelbusje
Eldrick voelde zich ziek. Hij zat op de achterbank van het busje met opgetrokken knieën en vroeg zich af hoe hij hier in godsnaam terecht was gekomen. Hij was wat gewend van de gevangenis, maar dat was niets in vergelijking met dit.
Voorin zat Ezatullah aan de telefoon, iets schreeuwend in Farsi. Ezatullah zat al uren te bellen. Eldrick begreep niets van wat er gezegd werd. Het gebrabbel klonk allemaal hetzelfde in zijn oren. Feit was dat Ezatullah, begin dertig met een groot litteken dwars over zijn wang, in Londen een opleiding had gevolgd tot chemisch ingenieur. Maar in plaats van een baan te vinden, was hij naar het buitenland vertrokken om zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie en voor ze te vechten. Naar eigen zeggen had hij in minstens zes landen voor Jihad gestreden en nu was Amerika aan de beurt.
Hij schreeuwde opnieuw in de telefoon en na veel schreeuwen kreeg hij eindelijk contact met iemand. Direct begon hij een verhitte discussie met deze persoon. Na een paar minuten kalmeerde hij en luisterde hij naar de stem aan de andere kant van de lijn voordat hij ophing.
Eldricks gezicht was rood. Hij had koorts. Hij kon het door zijn hele lichaam voelen. Zijn hart sloeg hard. Hij had niet overgegeven maar hij voelde zich misselijk. Ze hadden al meer dan twee uur gewacht op de afgesproken rendez-vous plek aan de waterkant van de South Bronx. De deal had simpel geklonken. Steel het materiaal, rijdt tien minuten met het busje rond, wacht op de afgesproken plek op de contactpersonen en loop weg. Maar de contactpersonen waren niet op komen dagen.
Nu waren ze… ergens. Eldrick had geen idee. Hij was een tijdje bewusteloos geweest. Toen hij ontwaakte leek alles een vage droom. Ze reden op de snelweg. Momo was aan het stuur dus hij moest weten waarnaartoe ze op weg waren. Momo was een typische technisch expert, mager en spierloos. Hij was erg jong, zijn gezicht nog rimpelloos en glad. Hij zou onmogelijk een baard kunnen laten groeien, zelfs met de wil van Allah.
“We hebben nieuwe instructies,” zei Ezatullah.
Eldrick kermde, wensend dat hij dood was. Hij had nooit geweten dat het mogelijk was om je zo ziek te voelen.
“Laat me eruit,” zei Eldrick.
“Houd je kop, Abdul!”
Eldrick was vergeten dat zijn naam nu Abdul Malik was. Het was een vreemd gevoel om Abdul genoemd te worden, hij, Eldrick, een trotse zwarte man, een trotse Amerikaan het merendeel van zijn leven. Nu hij zich zo ziek voelde, wenste hij dat hij zijn naam nooit veranderd had. Zich bekeren in de gevangenis was het domste wat hij ooit gedaan had.
Al die rotzooi achter in het busje. Het was een grote hoeveelheid, allerlei vaten en dozen. Sommigen hadden gelekt en ze gingen er nu aan dood. Het had Bibi al gedood. De stommerd had een van de vaten geopend toen ze nog in de kluis waren. Hij was enorm sterk en hij schroefde de deksel met zijn blote handen ervan af. Waarom had hij dat gedaan? Eldrick zag voor zich hoe hij het vat omhooggehouden had. “Het is leeg,” had hij gezegd. Daarna rook hij met zijn neus eraan. Binnen een minuut begon hij te hoesten. Hij viel neer op z’n knieën en begon hevig te hoesten. “Ik heb iets in mijn longen,” zei hij. “En ik kan het er niet uit krijgen.” Hij begon naar lucht te happen. Het was een vreselijk geluid om te horen.
Ezatullah liep naar hem toe en schoot hem in zijn achterhoofd.
“Geloof me, ik deed hem een gunst,” had hij gezegd.
Nu reed het busje door een tunnel. De tunnel was lang en smal en donker, boven hen flitste de oranje verlichting voorbij. Het licht van de voorbijflitsende straatlampen maakte Eldrick duizelig.
“Laat me eruit!” schreeuwde hij. “Laat me eruit! Laat me -”
Ezatullah draaide zich om. Hij hield zijn pistool vast en richtte het op Eldricks hoofd.
“Kop dicht! Ik ben aan de telefoon.”
Ezatullah’s gezicht, met het litteken dwars over zijn wang, bloosde. Hij was aan het zweten.
“Schiet je me dood net zoals Bibi?”
“Ibrahim was mijn vriend,” zei Ezatullah. “Ik doodde hem uit barmhartigheid. Jou dood ik om je eindelijk stil te krijgen.” Hij duwde de loop van het pistool tegen Eldricks voorhoofd.
“Schiet. Het kan me niet schelen.” Eldrick sloot zijn ogen.
Toen hij ze weer opendeed, had Ezatullah zich weer omgedraaid. Ze waren nog steeds in de tunnel. Het licht werd hem teveel. Plotseling stroomde een golf van misselijkheid door Eldrick heen en hij begon te kokhalzen. Zijn maag verkrampte en hij voelde brandend maagzuur in zijn keel. Hij boog voorover en gaf over tussen zijn schoenen op de vloer van het busje.
Na een paar seconden dreef de stank omhoog in zijn gezicht, hij kokhalsde weer.
Oh God, bad hij stilletjes. Laat me alstublieft doodgaan.
Hoofdstuk 7
05:33 uur
East Harlem, een wijk in Manhattan
Luke hield zijn adem in. Hij hield niet van lawaai en er kwam een enorm lawaai op hem af. Hij stond helemaal stil in het zwakke licht van het appartementencomplex in Harlem. Zijn revolver was getrokken, hij stond met zijn rug tegen de muur. Achter hem stond Ed Newsam in praktisch dezelfde houding. Voor hen in de smalle gang stonden zes mannen van het SWAT-team, de elite politie-eenheid die in uitzonderlijke situaties ingeroepen wordt. De mannen van het Special Weapons and Tactics-team droegen helmen en kogelvrije vesten. Ze stonden aan beide kanten van de voordeur van het appartement.
Het gebouw was doodstil. Stofdeeltjes hingen in de lucht. Net ervoor had een kleine robot een minuscule camera onder de deur laten glijden om te kijken of er explosieven aan de andere kant van de deur zaten.
Negatief, waarop de robot zich teruggetrokken had.
Twee mannen van het SWAT-team stapten naar voren met een zware stormram. Het was een zogenaamd zwaaimodel waarbij aan iedere zijde een agent de handgreep vasthield. Ze maakten geen geluid. De leider van het SWAT-team hield zijn vuist omhoog. Zijn wijsvinger stak op.
Dat was één.
Middelvinger. Twee.
Ringvinger…
De twee mannen zwaaiden de stormram van achter naar voren. BOEM!
De deur sloeg naar binnen en de rammers doken terug. De andere vier stormden schreeuwend binnen: “Op de vloer! Op de vloer! Op de VLOER!”
Ergens op de gang begon een kindje te huilen. Deuren gingen open, hoofden gluurden naar buiten en doken dan weer snel naar binnen. Ze waren het gewend. Af en toe kwam de politie en brak de deur van een van de buren open.
Luke en Ed wachtten ongeveer dertig seconden totdat SWAT het appartement veilig verklaard had. Het lichaam lag op de vloer van de woonkamer, precies zoals Luke had verwacht. Hij keek er nauwelijks naar.
“Is de kust veilig?” vroeg hij aan de leider van het team. De man keek Luke kort aan. Ze hadden een korte discussie gehad toen Luke dit team bevelen had gegeven. Deze mannen waren NYPD. Ze waren geen marionetten die van jan en alleman bevelen aannamen. En dat wilden ze Luke duidelijk maken. Luke had daar normaal gesproken begrip voor, maar een terreuraanslag was een uitzonderlijke situatie.
“De kust is veilig,” zei de teamleider. “Dat is waarschijnlijk je verdachte.”
“Bedankt,” zei Luke.
De man haalde zijn schouders op en keek weg.
Ed knielde bij het lichaam. Hij had een vingerafdrukscanner bij zich. Hij nam afdrukken van drie van de vingers.
“Wat denk je, Ed?”
Hij haalde zijn schouders op. “Ik heb Ken Bryants afdrukken van de politiedatabank op dit apparaat gedownload. We weten snel of hij het is. Maar je kunt duidelijk sporen van wurging en zwelling zien. Het lichaam is nog enigszins warm. Rigor mortis is ingetreden maar nog niet compleet. De vingers beginnen blauw te worden. Ik zou zeggen dat hij op dezelfde manier is overleden als de bewakers van het ziekenhuis, door wurging, ongeveer acht tot twaalf uur geleden.”
Hij wierp een blik op Luke. Zijn ogen twinkelden. “Als je z’n broek omlaagtrekt dan kan ik een rectale temperatuurmeting nemen en zo de tijd van overlijden nauwkeuriger vaststellen.”
Luke glimlachte en schudde zijn hoofd. “Nee, dank je. Acht tot twaalf uur is prima. Maar, is hij het?”
Ed keek naar zijn scanner. “Bryant? Ja, hij is het.”
Luke pakte zijn telefoon en belde Trudy. De telefoon ging over. Een, twee, drie keer. Luke keek rond in het trieste appartement. De meubels in de woonkamer waren oud en versleten. De vulling van de bank puilde uit de leuningen. Een versleten tapijt lag op de grond. Lege verpakkingen van afhaalmaaltijden en plastic bestek lagen verspreid over de tafel. Zware zwarte gordijnen waren vastgespijkerd voor de ramen.
Trudy antwoordde, alert, bijna melodieus. “Luke,” zei ze. “Ons laatste contact was net een halfuur geleden.”
“Ik wil praten over de vermiste klusjesman.”
“Ken Bryant,” zei ze.
“Juist. Hij is niet meer vermist. Newsam en ik staan in zijn appartement. We hebben hem geïdentificeerd. Hij stierf ongeveer acht tot twaalf uur geleden. Gewurgd, net als de bewakers.”
“Oké,” zei ze.
“Ik wil dat je al zijn bankrekeningen doorneemt. Zijn salaris van het ziekenhuis werd waarschijnlijk door een directe storting op zijn rekening gestort. Begin daarmee en werk vanuit daar verder.”
“Eh, maar daarvoor heb ik een bevelschrift nodig.”
Luke dacht even na. Hij begreep haar aarzeling. Trudy was een goede agent. Ze was ook jong en ambitieus. De regels overtreden had al menig agent een veelbelovende carrière gekost. Maar niet altijd. Soms leidde het negeren van de regels juist tot een vervroegde promotie. Afhankelijk van welke regels het waren en wat het resultaat was.
“Is Swann bij jou?” vroeg hij.
“Ja.”
“Dan heb je geen bevelschrift nodig.”
Ze antwoordde niet.
“Trudy?”
“Ik ben er nog.”
“We hebben geen tijd om een bevelschrift aan te vragen. Er staan levens op spel.”
“Is Bryant een verdachte in dit onderzoek?”
“Hij is een persoon van belang. Hoe dan ook, hij is dood. We zullen amper zijn rechten overtreden.”
“Klopt het dat ik dit bevel van jou krijg, Luke?”
“Dit is een direct bevel,” zei hij. “Dit is mijn verantwoordelijkheid. En als je het hogerop wilt zoeken, dan zeg ik je nu dat je baan ervan afhangt. Je doet wat ik zeg of ik begin een tuchtprocedure. Is dat begrepen?”
Ze klonk humeurig, bijna als een kind. “Oké dan.”
“Goed. Wanneer je zijn rekening doorneemt, let dan op zaken die afwijken van normaal. Geld dat er niet thuishoort. Grote stortingen of grote geldopnames. Digitale overboekingen. Of misschien heeft hij een spaarrekening of investeringen die gekoppeld zijn aan de rekening. Kijk deze ook door. We hebben hier te maken met een ex-gevangene met een voorwaardelijke baan. Hij kan niet rijk zijn. Als hij dat wel is, dan wil ik weten waar dat geld vandaan komt.”
“Oké, Luke.”
Hij twijfelde. “Hoe gaat het met de nummerplaten?”
“We doen het zo snel mogelijk,” zei ze. “We bekijken de opnames van vannacht van Fifth Avenue, 96th Street, van Fifth Avenue en 94th Street en nog een paar andere in de wijk. We achterhalen momenteel ongeveer 198 voertuigen waarvan 46 met hoge prioriteit. Ik verwacht een eerste rapport van het hoofdkantoor over ongeveer een kwartier.”
Luke keek naar zijn horloge. Er was weinig tijd. “Oké, goed werk. We zullen zo snel mogelijk komen.”
“Luke?”
“Ja.”
“Het is overal op het nieuws. Er zijn drie live uitzendingen en op alle drie is dit het nieuws.”
Hij knikte. “Dat dacht ik al.”
Ze ging verder. “De burgemeester doet om zes uur vanochtend een mededeling. Het lijkt erop dat hij iedereen zal oproepen om vandaag thuis te blijven.”
“Iedereen?”
“Hij wil dat iedereen die niet per se naar Manhattan hoeft te gaan, wegblijft. Alle kantoormedewerkers, al het schoonmaakpersoneel en alle winkelmedewerkers. Alle schoolkinderen en leraren. Hij gaat vijf miljoen mensen voorstellen om een dag vrij te nemen.”
Luke deed zijn hand voor zijn mond. Hij haalde adem. “Dat zal het moreel veel goed doen,” zei hij. “Als iedereen in New York thuis blijft dan vallen de terroristen misschien wel Philadelphia aan.”
Hoofdstuk 8
05:45 uur
Baltimore, Maryland – ten zuiden van de Fort McHenry Tunnel
Eldrick stond in zijn eentje, ongeveer tien meter van het busje vandaan. Hij had zojuist weer overgegeven. Het was alleen nog maar wat maagzuur en bloed. Het bloed maakte hem ongerust. Hij was nog steeds duizelig, koortsachtig en rood aangelopen maar er was niets meer in zijn maag, de misselijkheid was bijna weg. Het allerbeste was dat hij eindelijk uit het busje was.
Ergens aan de vervuilde horizon werd de hemel lichter met een bleke, geelachtige kleur. Hier beneden was het nog donker. Ze stonden geparkeerd op een verlaten parkeerplaats langs een troosteloze oever. Twintig verdiepingen boven hun hoofden was een viaduct. Dichtbij hen was een industrieel gebouw van bakstenen met twee schoorstenen. De ramen waren alleen nog maar zwarte gaten, net als dode ogen. Om het hele gebouw was een hek met prikkeldraad en waarschuwingsborden om de tien meter: VERBODEN TOEGANG. Er was een gat in het hek dat duidelijk zichtbaar was. De omgeving van het gebouw was overwoekerd met onkruid en struiken.
Hij keek naar Ezatullah en Momo. Ezatullah haalde een grote sticker met het logo van Wasserij Dun-Rite van het busje. Hij droeg het naar de oever en gooide het in het water. Daarna kwam hij terug en haalde de andere er ook af. Eldrick had zich niet gerealiseerd dat de stickers eraf gehaald konden worden. Ondertussen zat Momo met een schroevendraaier geknield voor het busje. Hij haalde de oude nummerplaat eraf en verving het door een nieuwe. Daarna deed hij hetzelfde met de nummerplaat aan de achterkant.
Ezatullah maakte een gebaar naar het busje. “Voilà!” zei hij. “Een totaal andere auto. Probeer me nu maar eens te vangen, Uncle Sam.” Ezatullahs gezicht was felrood en zweterig. Hij had een piepende ademhaling en zijn ogen waren bloeddoorlopen.
Eldrick keek naar de omgeving. Ezatullahs fysieke staat had hem op een idee gebracht. Het idee flitste door zijn gedachten, het verscheen en verdween in een oogwenk. Het was de veiligste manier van denken. Mensen konden gedachten lezen door iemands ogen.
“Waar zijn we?” vroeg hij.
“Baltimore,” zei Ezatullah. “Nog een van jullie geweldige Amerikaanse steden. En een prettige plek om te wonen, kan ik me voorstellen. Lage criminaliteit, mooie natuur, en de inwoners zijn allemaal gezond en rijk, iedereen is jaloers op hen.”
’s Nachts had Eldrick geijld. Hij was een paar keer bewusteloos geraakt. Daarom had hij geen enkel besef van tijd of plaats, maar dat ze zo ver gekomen waren daar had hij geen idee van.
“Baltimore? Waarom zijn we hier?”
Ezatullah haalde zijn schouders op. “We zijn op weg naar onze nieuwe bestemming.”
“Is het doel hier?”
Nu glimlachte Ezatullah. De lach leek misplaatst op zijn door straling vergiftigde gezicht. Hij leek de dood zelf wel. Met een bevende hand gaf hij Eldrick een vriendelijke klap op de schouder.
“Het spijt me dat ik boos op je was, broeder. Je hebt goed werk verricht. Je hebt alles geleverd wat je beloofd had. Met de wil van Allah, hoop ik dat dit de dag is dat je naar het paradijs vertrekt. Maar niet met mijn hulp.”
Eldrick staarde alleen maar naar hem.
Ezatullah schudde zijn hoofd. “Nee. Niet Baltimore. We reizen richting het zuiden om een aanslag te plegen die de lijdende massa’s wereldwijd veel plezier zal doen. We duiken het hol van de Duivel zelf binnen en hakken het hoofd van het beest met eigen handen af.”
Eldrick voelde een koude rilling door zijn hele bovenlichaam gaan. Zijn armen kregen plotseling kippenvel. Hij merkte dat zijn shirt helemaal nat was van zijn zweet. Hij was helemaal niet blij met wat hij hoorde. Als ze richting het zuiden reden en ze waren nu in Baltimore dan was de volgende stad…
“Washington,” zei hij.
“Ja.”
Ezatullah glimlachte weer. Nu was de glimlach glorieus, als van een heilige die aan de poorten van de hemel stond en klaar was om toe te treden.
“Doodt het hoofd en het lichaam volgt.”
Eldrick kon het in de ogen van Ezatullah zien. De man had zijn verstand verloren. Misschien kwam het door de ziekte of misschien door iets anders maar hij kon niet meer helder denken. De hele tijd was het plan geweest om het materiaal te stelen en het busje naar de South Bronx te brengen. Het was een gevaarlijke klus, bijna onmogelijk om uit te voeren maar het was hen gelukt. En nu had degene die de leiding had het plan veranderd of erover gelogen vanaf het begin. Nu waren ze onderweg naar Washington in een radioactief busje. En waarvoor? Ezatullah was een ervaren jihadi. Hij moest toch weten dat waar hij op zinspeelde onmogelijk was. Wat ze ook van plan waren, Eldrick wist dat ze absoluut geen kans hadden. Hij zag het voor zich, het busje doorzeefd met kogelgaten, driehonderd meter van het hek van het Witte Huis, het Pentagon of het Capitool.
Dit was geen zelfmoordmissie. Het was helemaal geen missie. Het was een politiek statement.
“Maak je geen zorgen,” zei Ezatullah. “Wees blij. Je bent uitverkoren en krijgt de hoogste eer. Het zal ons lukken, ook al kun je het je nu niet voorstellen. En hoe, dat zal je tegen die tijd duidelijk worden.” Hij draaide zich om en opende de schuifdeur aan de zijkant van het busje.
Eldrick keek naar Momo. Hij was bijna klaar met de nummerplaat aan de achterkant van het busje. Momo had al een tijdje niet gesproken. Hij voelde zich waarschijnlijk ook niet goed.
Eldrick deed een stap naar achteren, toen nog één. Ezatullah was bezig met iets in het busje. Hij stond met de rug naar Eldrick toe gedraaid. Het grappige van dit moment was dat een kans als deze zich misschien nooit meer zou voordoen. Eldrick stond op een enorme open plek en niemand keek naar hem.
Eldrick had op school atletiek gedaan en hij was een goede hardloper. Hij herinnerde zich het publiek in 168th Street Armory, in Manhattan, de score op het grote bord, de zoemer die afging. Hij herinnerde zich die knoop in zijn maag net voor een wedstrijd en de ongelooflijke snelheid op de nieuwe atletiekbaan, als een slanke zwarte gazelle, hoe hij zich afzette, zijn ellebogen hoog, en hij zo snel rende dat het een droom leek.
In al die jaren daarna had Eldrick nooit meer zo snel gerend als toen. Maar misschien, met een laatste uitbarsting van energie en een ‘alles of niets’-houding, kon hij even snel rennen als toen. Twijfelen had geen zin en er langer over nadenken ook niet.
Hij draaide zich om en begon te rennen.
Een seconde later hoorde hij Momo’s roepen: “EZA!”
Toen iets in Farsi.
Het verlaten gebouw lag vlak voor hem. De misselijkheid kwam keihard terug. Hij kokhalsde, bloed spatte op zijn hemd, maar hij bleef doorrennen. Hij was al buiten adem. Hij hoorde een klik die klonk als een nietmachine. Het echode vaag tegen de muren van het gebouw. Ezatullah was aan het schieten, natuurlijk. Zijn revolver had een geluiddemper.
Een scherpe steek ging door Eldricks rug. Hij viel op de grond en schaafde zijn armen op het kapotte asfalt. Nog geen seconde later, echode nog een schot door het gebouw heen. Eldrick stond op en bleef rennen. Het hek was vlak voor hem. Hij draaide en ging voor het gat in het hek. Er trok opnieuw een steek door hem heen. Hij viel naar voren maar hield zich vast aan het hek. Alle energie leek uit zijn benen te vloeien. Hij hing daar, zichzelf omhooghoudend met een doodsgreep.
“Ga door,” maande hij zichzelf aan. “Ga door.”
Hij viel op zijn knieën, duwde het kapotte hekwerk opzij en kroop door het gat. Hij lag in hoog gras. Hij stond op, wankelde een paar stappen vooruit, struikelde over iets wat hij niet kon zien en rolde naar beneden van een soort dijk. Hij probeerde niet om te stoppen. Hij gebruikte de val om de bodem te kunnen bereiken.
Hij kwam tot stilstand, zwaar ademend. De pijn in zijn rug was onwerkelijk. Zijn gezicht lag in de modder. Het was nat en modderig aan de oever van de rivier. Hij kon zo het donkere water in rollen, als hij wilde. Maar in plaats daarvan kroop hij dieper in de bosjes. De zon was nog niet opgekomen. Als hij daar zou blijven zonder te bewegen of een geluid te maken, dan had hij heel misschien een kleine kans.
Hij legde zijn hand tegen zijn borst en zijn vingers werden nat van bloed.
*
Ezatullah stond bij het gat in het hek. De wereld draaide om hem heen. Hij was duizelig geworden toen hij achter Eldrick aan probeerde te rennen. Zijn hand hield het gaas van het hek vast zodat hij kon blijven staan. Hij dacht dat hij moest overgeven. Het was donker in de bosjes. Ze konden een uur besteden aan het vinden van Eldrick en als hij het verlaten gebouw had bereikt dan zouden ze hem misschien nooit vinden.
Mohammar stond dichtbij. Hij boog voorover, zijn handen op zijn knieën, zwaar ademhalend. Zijn lichaam beefde. “Zullen we naar binnen gaan?” vroeg hij.
Ezatullah schudde zijn hoofd. “We hebben geen tijd. Ik heb ‘m twee keer geraakt. Als de ziekte hem niet doodt, dan maken de kogels het werk af. Laat hem hier maar alleen doodgaan. Misschien toont Allah barmhartigheid voor zijn lafheid.”
Hij draaide zich om en begon terug te lopen naar het busje. Het leek net alsof het busje heel ver weg geparkeerd stond. Hij was moe en ziek maar hij bleef zijn ene voet voor de andere zetten. Elke stap bracht hem dichter bij de poorten van het Paradijs.
Hoofdstuk 9
06:05 uur
Verenigde Contraterrorisme Commando Centrum – Midtown Manhattan
“Luke, je kunt het beste met je team teruggaan naar Washington,” zei de man in pak.
Luke stond in de hoofdruimte van het commandocentrum waar het een hectische chaos was. Het zwakke licht kwam door de ramen, twee verdiepingen boven de werkvloer. De tijd vloog voorbij en het commandocentrum was een gigantische mislukking in actie.
Tweehonderd mensen vulden de ruimte. Er waren minstens veertig werkplekken en er zaten soms wel twee of drie mensen achter vijf computerschermen tegelijk. De schermen vertoonden digitale kaarten van Manhattan, de Bronx, Brooklyn, livebeelden van de Holland Tunnel en de Lincoln Tunnel, politiefoto’s van Arabische terroristen waarvan bekend was dat ze in Amerika waren.
Drie van de schermen lieten burgemeester DeAngelo zien die met zijn lengte van 1,90 meter uittorende boven zijn medewerkers naast hem. Hij stond achter een microfoon en vertelde de inwoners van New York om vandaag thuis te blijven en hun kinderen te knuffelen. Hij las een voorbereide tekst op.
“In het ergste geval,” zei de burgemeester, en zijn stem galmde door de luidsprekers die zich rondom in de ruimte bevonden, “zou er bij de eerste explosie een groot aantal mensen gedood worden en er zou massaal paniek ontstaan in de directe omgeving van de explosie. De risico’s van blootstelling aan straling zou een wijd verspreide angst in de regio en waarschijnlijk het hele land veroorzaken. Veel mensen die bij de eerste aanval blootgesteld waren, zouden ziek worden en sommigen zelfs doodgaan. De kosten om het gebied op te ruimen zouden enorm zijn, maar die verbleken bij de kosten veroorzaakt door psychologische en economische schade. Een aanslag met een vuile bom op een groot treinstation in New York City zou het gehele transportnetwerk van de oostkust voor een lange tijd verlammen.”
“Aangenaam,” zei Luke. “Ik vraag me af wie zijn toespraken schrijft.”
Hij keek de kamer rond. Iedereen was hier vertegenwoordigd, alle overheidsinstanties. Zo’n beetje het hele alfabet: NYPD, FBI, NSA, ATF, DEP, zelfs de CIA.Verdomme, zelfs de DEA was er. “Wat had de diefstal van radioactief afval te maken met narcotica?” dacht Luke.
Ed Newsam was ondertussen bezig om de medewerkers van het SRT te verzamelen.
“Luke, hoor je mij?”
Luke bracht zijn aandacht terug naar het hier en nu. Hij stond naast Ron Begley van Homeland Security, de binnenlandse veiligheidsdienst. Ron was een kalende man van achter in de vijftig. Hij had een grote, ronde buik en kleine, opgezette vingers. Luke kende zijn achtergrond. Hij was een echte ambtenaar, een man die omhooggeklommen was binnen de bureaucratie van de overheid. Op 11 september werkte hij voor het ministerie van Financiën, waar hij een team leidde dat belastingontduiking en piramidespelen analyseerde. Hij stapte over naar contraterrorisme toen Homeland Security gecreëerd werd. Hij had nog nooit in zijn leven een arrestatie verricht of kwaad een vuurwapen afgeschoten.
“Je wilt dat ik naar huis ga.”
“Je trapt op tenen hier, Luke. Kurt Myerson belde zijn baas bij de NYPD en vertelde dat je in het ziekenhuis mensen behandelde als jouw persoonlijke knechten. En dat je een SWAT-team bevel gaf. Echt waar? Een SWAT-team? Luister, dit is hun gebied. Jij had hun leiding moeten volgen. Zo zijn de spelregels.”
“Ron, de NYPD belde ons. Ik neem aan omdat ze dachten dat ze ons nodig hadden. Iedereen weet hoe wij werken.”
“Cowboys,” zei Begley. “Jullie werken als rodeocowboys.”
“Don Morris heeft me uit bed gebeld. Praat met hem -”
Begley haalde zijn schouders op. Een vage glimlach verscheen op zijn gezicht. “Don is teruggeroepen. Twintig minuten geleden vloog hij weg in een helikopter. Ik stel voor dat jij hetzelfde doet.”
“Wat?”
“Inderdaad. Hij is op het matje geroepen. Ze hebben hem teruggeroepen om de stand van zaken te rapporteren in het Pentagon, het hoofdkantoor van het Amerikaanse Ministerie van Defensie. Top niveau. Ik denk dat ze geen interne medewerker konden vinden voor deze opdracht, dus ze halen Don aan boord.”
Begley fluisterde nu maar Luke kon hem nog goed verstaan. “Een goede raad. Hoelang nog voordat Don met pensioen gaat, een jaar of drie? Don is een uitstervend ras. Hij is een dinosauriër net zoals de SRT. Jij weet dat net zo goed als ik. Al deze kleine geheime diensten binnen een eenheid, worden aan de kant gezet. We zijn aan het consolideren en centraliseren, Luke. Wat we vandaag de dag nodig hebben, is datagestuurde analyse. Dat is hoe we terroristen vangen. We hebben geen behoefte aan macho superspionnen en verouderde ex-commando’s die van gebouwen abseilen. Zo is het gewoon. De held uithangen doen we niet meer. Je staat zelfs voor gek, als je erover nadenkt.”
“Fantastisch,” zei Luke. “Ik zal erover nadenken.”
“Ik dacht dat je les gaf aan de universiteit,” zei Begley. “Geschiedenis, Politicologie, dat soort zaken.”
Luke knikte. “Dat doe ik ook.”
Begley legde zijn vlezige hand op Luke’s arm. “Blijf daar dan lekker bij.”
Luke schudde de hand van zijn arm en dook de menigte in, op zoek naar zijn team.
*
“Hoe is de situatie?” vroeg Luke.
Zijn team was neergestreken in een afgelegen kantoor. Ze hadden enkele lege bureaus in beslag genomen en hun eigen kleine commandocentrum opgezet met laptops en satellietverbindingen. Trudy en Ed Newsam waren aanwezig, samen met nog enkele anderen. Swann zat alleen in een hoek met drie laptops.
“Ze hebben Don opgeroepen,” zei Trudy.
“Ik weet het. Heb je met hem gesproken?”
Ze knikte. “Twintig minuten geleden. Vlak voor hij opsteeg. Hij zei te blijven werken aan de zaak totdat hij het persoonlijk beëindigde. En alle anderen beleefd negeren.
“Klinkt goed. Oké, waar staan we?”
Haar gezicht stond ernstig. “We zijn redelijk snel. We hebben het aantal voertuigen met hoge prioriteit teruggebracht naar zes. Allemaal waren ze gisteravond in de directe omgeving van het ziekenhuis en hadden kenmerken die anders waren of niet klopten.”
“Bijvoorbeeld?”
“Oké. Een goed voorbeeld is de hotdogkraam die geregistreerd staat op naam van een Russische ex-paratroeper. We konden hem volgen via bewakingscamera’s en, zo ver wij kunnen zien, heeft hij de hele nacht rond Manhattan gereden en hotdogs en Pepsi verkocht aan prostituees, pooiers en andere klanten.”
“Waar is hij nu?”
“Hij staat geparkeerd op 11th Avenue, ten zuiden van het Jacob Javits Congrescentrum. Hij staat al een tijdlang stil. We denken dat hij slaapt.”
“Oké, hij is bij deze gedegradeerd tot een lage prioriteit. Stuur hem door naar de NYPD, voor de zekerheid. Ze kunnen hem oppakken en zijn kraam doorzoeken, kijken wat hij nog meer verkoopt. Volgende.”
Trudy liep haar lijst af. Een bestelbusje dat geëxploiteerd werd als een Uber-auto door een in ongenade gevallen voormalige kernfysicus. Een veertig ton wegende vrachtwagen die volgens een verzekeringsclaim gesloopt zou zijn na een ernstig verkeersongeval. Een bestelbusje met het logo van een wasserij en nummerplaten van een onverwant vloerenbedrijf in Long Island. En een ziekenauto die drie jaar geleden als gestolen was opgegeven.”
“Een gestolen ziekenauto?” zei Luke. “Dat klinkt relevant.”
Trudy haalde haar schouders op. “Normaal gesproken worden ze gebruikt in de illegale orgaanhandel. Ze oogsten organen van pas overleden patiënten, verpakken de buit en halen het zo snel mogelijk uit het ziekenhuis. Niemand let op een ziekenauto die geparkeerd staat op de parkeerplaats van een ziekenhuis.”
“Maar vanavond was de buit misschien niet organen. Weten we waar ze zich bevinden?”
Ze schudde haar hoofd. “Nee. De enige locatie die we hebben is die van de Rus. Dit is nog altijd meer een kunst dan wetenschap. Bewakingscamera’s zitten nog niet overal, vooral niet buiten Manhattan. Je ziet bijvoorbeeld een bestelbusje voorbijrijden op een van de camera’s, dan is het lang niet zeker dat je het op een andere camera weer ziet. Of je pikt het weer op via een camera die tien buurten of acht kilometer verderop zit. De vrachtwagen reed over de George Washington Brug naar New Jersey voordat we die uit het oog verloren. Het bestelbusje van de wasserij reed over de 138th Street Brug richting de South Bronx en verdween daarna. Op dit moment proberen we ze op andere manieren te achterhalen . We hebben contact opgenomen met de rederij, met Uber, het vloerenbedrijf en de wasserij. We weten snel meer. En ik heb acht medewerkers op het hoofdkantoor zitten die door urenlange video-opnames heengaan om de ziekenauto te vinden.”
“Goed. Hou me op de hoogte. Hoe gaat het met de bankgegevens?”
Trudy’s gezicht verstijfde. “Dat moet je Swann maar vragen.”
“Oké.” Hij zette een stap in de richting van Swanns kleine imperium in de hoek.
“Luke?”
Hij stopte. “Ja?”
Haar ogen keken snel de kamer rond. “Kunnen we onder vier ogen praten?”
*
“Ga je me nu ontslaan omdat ik de wet niet wilde overtreden voor jou?”
“Trudy, ik ga je niet ontslaan. Waarom denk je dat?”
“Dat zei je namelijk, Luke.”
Ze stonden in een kleine bergruimte. Er waren twee lege bureaus en een klein raam. De vloerbedekking was nieuw. De muren waren wit, zonder decoratie. Er was een kleine camera geïnstalleerd in de hoek, dichtbij het plafond.
Het leek alsof de ruimte nog nooit in gebruik was geweest. Het commandocentrum zelf was minder dan een jaar geleden geopend.
Trudy’s grote ogen staarden intens naar hem.
Luke zuchtte. “Ik gaf je een mogelijkheid om mij de schuld te geven als er iets zou gebeuren. Ik dacht dat je dat begrepen had. Je volgde alleen maar mijn bevel en je was bang om je baan te verliezen als je mijn bevelen niet uitvoerde.”
Ze kwam een stap dichterbij. In de kleine ruimte kon hij haar shampoo ruiken en de lichte geur van de eau de cologne die ze vaak op had. De combinatie van de geuren deed iets met hem. Hij voelde zijn knieën even knikken.
“Jij kunt me geen direct bevel geven, Luke. Je werkt niet meer voor het SRT.”
“Ik ben met verlof.”
Ze zette nog een kleine stap naar hem toe. Haar ogen waren op hem gericht als twee laserstralen.
In haar ogen was intelligentie te lezen, en opwinding.
“Je vertrok… waarom? Vanwege mij?”
Hij schudde zijn hoofd. “Nee, ik had mijn redenen. Jij was er niet een van.”
“De gebroeders Marshall?”
Hij haalde zijn schouders op. “Wanneer je twee mannen in één nacht doodt, dan is het tijd om een pauze te nemen. Herwaarderen wat je aan het doen bent.”
“Wil je mij wijsmaken dat je nooit gevoelens voor mij hebt gehad?” vroeg ze.
Hij keek naar haar, verbaasd over haar vraag. Hij had altijd gevoeld dat Trudy met hem flirtte, maar hij had haar avances nooit beantwoord. Er waren tijden geweest dat hij bijna aan de verleiding toegegeven had, tijdens cocktailfeestjes waar veel werd gedronken, na een ruzie met zijn vrouw. Maar de gedachte aan zijn vrouw en zoon hadden hem altijd tegengehouden om iets stoms te doen.
“Trudy, we werken samen,” zei hij streng. “En ik ben getrouwd.”
Ze kwam nog dichterbij.
“Ik zit niet te wachten op een huwelijksaanzoek, Luke,” zei ze zachtjes terwijl ze praktisch tegen hem aanleunde.
Toen duwde ze zichzelf helemaal tegen hem aan. Zijn armen hingen langs zijn zij omlaag. Hij voelde haar lust en die oude oncontroleerbare drang wanneer ze zo dichtbij was, de opgewondenheid, de energie… de geilheid. Ze stak haar handen naar zijn borst uit en zodra haar handpalmen zijn hemd aanraakten, wist hij dat hij moest reageren of zich totaal aan haar overgeven.
Met een laatste daad van uiterste zelfdiscipline, stapte Luke naar achteren en duwde zachtjes haar handen weg.
“Het spijt me, Trudy,” zei hij, zijn stem schor. “Ik mag je. Echt waar. Maar dit is geen goed idee.”
Ze fronste, maar voordat ze iets kon zeggen, klopte een zware vuist op de houten deur.
“Luke? Ben je daar?” Het was Newsams stem. “Je moet dit zien. Swann heeft iets.”
Ze staarden naar elkaar. Luke voelde zich ongelooflijk schuldig, denkend aan zijn vrouw. Ook al was er niets gebeurd. Hij maakte zich los voordat er meer zou kunnen gebeuren. Hij kon het niet nalaten te denken aan hoe dit hun werkrelatie zou beïnvloeden.
Maar ook, en dat was het ergste, moest hij toegeven dat hij diep vanbinnen de kamer niet wilde verlaten.
*
Swann zat aan een lange tafel met zijn drie monitoren voor hem opgesteld. Met zijn kaler wordende hoofd en zijn bril deed hij Luke denken aan een natuurkundige van de NASA. Luke stond achter hem samen met Newsam en Trudy, alledrie leunend over de smalle schouders van Swann.
“Dit is de bankrekening van Ken Bryant,” zei Swann, met zijn muis wijzend naar het scherm in het midden. Luke nam de details door: deposito’s, opnames, totale balans, gedateerd van 28 april tot 27 mei.
“Hoe veilig is deze connectie?” zei Luke. Hij keek de kamer door en de deur uit. De hoofdruimte van het commandocentrum bevond zich aan het einde van de gang.
“Dit?” zei Swann. Hij haalde zijn schouders op. “Het is onafhankelijk van het commandocentrum. Ik ben aangesloten aan onze eigen toren en onze eigen satellieten. Onze jongens hebben de informatie gecodeerd. Ik neem aan dat de CIA of NSA iemand zouden kunnen hebben die probeert de informatie te ontcijferen, maar waarom? We werken allemaal voor hetzelfde doel, toch? Daarover zou ik me geen zorgen maken. Ik zou juist de aandacht richten op deze bankrekening. Zie je iets geks?”
“Zijn balans is meer dan $ 24.000,” zei Luke.
“Precies,” zei Swann. “Een klusjesman met een vrij groot bedrag op zijn rekening. Interessant. Laten we de vorige maand bekijken, van 28 maart tot 27 april. De balans is dan zelfs $ 37.000 en hij begint het geld te spenderen. Er zijn overschrijvingen van een onbekende rekening, $ 5.000, dan $ 4.000, en dan, ach ja, laten we de belastingdienst voor het gemak maar even vergeten, ongeveer $ 20.000.”
“Oké,” zei Luke.
“Ga nog een maand terug. Laat februari tot laat maart. Hij begint met een saldo van $ 1.129. Aan het einde van de maand is het meer dan $ 9.000. Ga nog een maand terug, laat januari tot laat februari en zijn saldo was nooit meer dan $ 2.000. Als je drie jaar teruggaat dan zie je dat zijn saldo bijna nooit meer dan $ 1.500 was. Dit was een man die van maand tot maand leefde en die plotseling in maart grote bedragen overgemaakt kreeg.”
“Waarvandaan?”
Swann glimlachte en stak een vinger op. “Nou, dit is het leuke gedeelte. Ze komen van een kleine offshore-bank, gespecialiseerd in anonieme rekeningen. Het heet Royal Heritage Bank en is gevestigd op de Kaaimaneilanden.”
“Kun je in hun systeem komen?” vroeg Luke. Vanuit zijn ooghoeken zag hij Trudy’s afkeurende blik.
“Dat hoeft niet,” zei Swann. “De Royal Heritage is eigendom van een aanwinst van de CIA: Grigor Svetlana. Hij komt uit Oekraïne en zat bij het Rode Leger. Hij kreeg twintig jaar geleden grote problemen met het Russische leger toen oude Sovjet-wapenuitrusting verdween en later opdook op de zwarte markten van West Afrika. Ik heb het niet over huis-tuin-en-keuken wapens en geweren, ik heb het over luchtafweergeschut en antitankwapens, plus een paar kruisraketten die op lage hoogte kunnen vliegen. De Russen waren klaar om hem flink aan te pakken. Hij kon zich tot niemand anders wenden dan tot ons. Ik heb een vriend die bij Langley werkt, en de rekeningen van de Royal Heritage Bank zijn verre van anoniem. In tegendeel, ze zijn in feite een open boek voor de Amerikaanse inlichtingengemeenschap. Dit is natuurlijk niet algemeen bekend bij de Royal Heritage klanten.”
“Dus je weet van wie de bankrekening is die de overschrijvingen naar Bryant heeft gemaakt?”
“Ja.”
“Oké, Swann,” zei Luke. “Ik weet het, je bent heel erg slim. Nou, kom terzake.”
Swann gebaarde naar de computerschermen. “Bryant zelf heeft de rekening die de overschrijvingen deed. Dat is de rekening die op het linkerscherm staat. Je kunt zien dat er momenteel ongeveer $ 209.000 op staat. Hij maakte hier en daar een klein bedrag over van deze geheime rekening naar zijn locale bankrekening, waarschijnlijk voor eigen gebruik. Als we een paar maanden verder terug gaan dan kun je zien dat Bryants offshore rekening op 3 maart geopend is met een storting van $ 250.000 van een andere Royal Heritage rekening, die te zien is op het rechterscherm.”
Luke keek naar de rekening op het rechterscherm. Er stond meer dan vierenveertig miljoen dollar op.
“Iemand is er goedkoop vanaf gekomen door Bryant in te huren,” zei hij.
“Precies,” zei Swann.
“Wie is het?”
“Het is deze man.” Op het scherm verscheen een identiteitspasje met foto. Daarop stond een man van middelbare leeftijd met donker grijzend haar. “Dit is Ali Nassar. Zevenenvijftig jaar oud. Iraanse nationaliteit. Geboren in Teheran. Zijn familie is invloedrijk en rijk. Hij heeft economie gestudeerd aan de London School of Economics, daarna rechten aan Harvard. Daarna keerde hij terug naar Iran waar hij nog een diploma rechten behaalde aan de Universiteit van Teheran. Daardoor kan hij in zowel de Verenigde Staten als Iran rechten praktiseren. Voor het merendeel van zijn carrière is hij betrokken geweest bij internationale handelsbesprekingen. Hij woont hier in New York en is op dit moment een Iraanse diplomaat bij de Verenigde Naties. Hij geniet volle diplomatieke onschendbaarheid.”
Luke wreef over z’n kin. Hij kon korte stoppels voelen. Hij begon moe te worden. “Begrijp ik het nou goed? Nassar heeft Ken Bryant waarschijnlijk betaald om toegang tot het ziekenhuis te krijgen, evenals informatie over de beveiligingsroutines en hoe ze te vermijden.”
“Ja, dat kunnen we aannemen.”
“Dus hij is waarschijnlijk de leider van een terreurcel hier in New York, hij is medeplichtig aan de diefstal van radioactief materiaal en ten minste vier moorden, en hij kan niet onder de Amerikaanse wet vervolgd worden?”
“Het lijkt erop.”
“Oké. Je hebt al toegang tot zijn rekening, of niet? Laten we kijken waar hij nog meer geld naartoe heeft gestuurd.”
“Dat kan een tijdje duren om die informatie te achterhalen.”
“Dat geeft niet. We hebben een andere taak die we ondertussen kunnen uitvoeren.”
Luke keek naar Ed Newsam. Newsams gezicht was hard, zijn ogen leeg.
“Zeg Ed? Heb je zin om met mij op stap te gaan en meneer Ali Nassar een bezoek te brengen?”
Eds glimlach leek meer op een grimas.
“Klinkt goed.”
Hoofdstuk 10
06:20 uur
Congres Fitnesscentrum – Washington DC
Het was niet gemakkelijk te vinden. Jeremy Spencer stond in het souterrain van het kantoorgebouw Rayburn House, voor een paar grijze stalen deuren die op slot zaten. De deuren bevonden zich in een hoek van de ondergrondse parkeergarage. Weinig mensen wisten van deze plek af. Nog minder wisten waar het was. Hij voelde zich een dwaas maar hij klopte toch op de deur. Iemand liet hem naar binnen. Hij maakte de deur open en had dat bekende gevoel van onzekerheid in zijn buik. Hij wist dat alleen leden van het Amerikaanse Congres toegang hadden tot dit fitnesscentrum. En toch, ondanks dat er daarvoor regels gebroken werden, was hij hier uitgenodigd.
Vandaag was de belangrijkste dag in zijn jonge leven. Hij werkte al drie jaar in Washington en nu zou hij bevorderd worden. Zeven jaar geleden was hij slechts tuig uit het woonwagenkamp in het noorden van de provincie New York. Toen opeens een student met studiebeurs voor de universiteit. Hij studeerde aan de prestigieuze Binghamton University, State University van New York. In plaats van te zitten luieren, was hij juist ambitieus en werd hij voorzitter van de Republikeinse studentenpartij en commentator voor de studentenkrant. Al gauw werkte hij voor Breidbart en Drudge. Nu, wat slechts een zucht geleden leek, was hij een ervaren verslaggever bij Newsmax en zijn werkgebied was het Capitool.
De sportzaal was niet erg luxe. Er waren een paar cardio-apparaten, wat spiegels en losse gewichten op een rek. Een oude man in sportbroek en T-shirt met een koptelefoon op, liep op een loopband. Jeremy liep de stille kleedkamer binnen. Hij liep de hoek om en daar voor hem stond de man waarvoor hij gekomen was.
De man was lang, midden vijftig met zilverkleurig haar. Hij stond bij een open locker dus Jeremy zag hem van zijn zijkant. Zijn rug was recht, zijn brede kaak stak vooruit. Hij droeg een T-shirt met korte broek, allebei nat van zweet. Zijn schouders, armen, borst en benen, alles was gespierd. Hij zag eruit als een natuurlijke leider.
De man heette William Ryan, al negen termijnen vertegenwoordiger van North Carolina en voorzitter van het Huis van Afgevaardigden. Jeremy wist alles over hem. Hij kwam uit een familie met oud geld. De familie bezat al tabaksplantages in de tijd van vóór de revolutie. Zijn overovergrootvader was lid van de Amerikaanse Senaat tijdens de Reconstructie.
Hij was de beste in de klas in de Citadel. Hij was een charmeur en hij was gracieus. een natuurlijke leider vol zelfvertrouwen. Niet veel mede-partijleden zouden het wagen om hem uit te dagen.
“Mijnheer de voorzitter?”
Ryan draaide zich om, zag Jeremy en glimlachte breed. Zijn T-shirt was donkerblauw met de tekst PROUD AMERICAN in witte en rode letters. Hij stak zijn hand uit om een handdruk te geven.
“Sorry,” zei hij. “Nog ietwat zweterig.”
“Geen probleem, mijnheer.”
“Oké,” zei Ryan. “Het is niet nodig om ‘meneer’ te zeggen, noem me maar gewoon Bill. Als dat te moeilijk is dan kun je me bij mijn beroepstitel noemen. Maar ik moet je vertellen. Ik heb specifiek naar jou gevraagd en ik geef je een exclusief interview. Misschien hou ik later in de middag een persconferentie voor alle media maar tot die tijd, de hele dag, zijn mijn gedachten over deze crisis alleen voor jouw oren. Hoe voelt dat?”
“Het voelt fantastisch,” zei Jeremy. “Het is een eer. Maar waarom juist ik?”
Ryan bracht zijn stem omlaag. “Je bent een goeie jongen. Ik ben je al een lange tijd aan het volgen en ik wil je wat advies geven. In vertrouwen. Na vandaag zul je geen pitbull meer zijn maar een ervaren journalist. Ik wil dat je alles wat ik vandaag zeg, woord voor woord, in jouw artikel zet maar vanaf morgen wil ik dat je meer… genuanceerder wordt, zeg maar. Over Newsmax is geen fout woord te zeggen, het is een goed persbureau maar over een jaar zie ik je bij de Washington Post werken. Dat is waar we je nodig hebben. Het is alleen een kwestie van tijd. Maar eerst moeten mensen kunnen geloven dat je tot een zogenaamde eerlijke en gebalanceerde verslaggever bent gegroeid. Begrijp je wat ik bedoel?”
“Ik denk het,” zei Jeremy. Het bloed raasde in zijn oren. De woorden klonken zowel spannend als beangstigend tegelijkertijd.
“We hebben allemaal vrienden op de juiste plekken nodig,” zei de voorzitter. “Zelfs ik. Nou, kom maar op met die vragen van jou.”
Jeremy pakte zijn telefoon tevoorschijn. “De recorder is aan. Dus, meneer, bent u zich bewust van de diefstal van grote hoeveelheden radioactief afval vannacht in New York City?”
“Ik ben me er meer dan bewust van,” zei Ryan. “Net als alle Amerikanen, ben ik zeer ongerust. Mijn assistenten wekten me vannacht om vier uur met het nieuws. We staan in constant contact met alle inlichtingeneenheden, we volgen de situatie nauwlettend. Zoals je goed weet, heb ik meerdere keren geprobeerd om via het Congres een Declaratie van Oorlog tegen Iran uit te laten roepen maar iedere keer wees de President en zijn partij het voorstel af. We zitten in een situatie waar Iran, onze bondgenoot, de soevereine natie van Irak heeft bezet en ons eigen personeel door Iraanse controleposten heen moet om onze ambassade in Irak in of uit te kunnen gaan. Onze natie is niet zo vernederd geweest sinds de Iraanse gijzelingscrisis in 1979.”
“Gelooft u dat deze diefstal door Iran is uitgevoerd, meneer?”
“Allereerst, laten we het beestje bij zijn naam noemen. Of er nou een bom ontploft in de metro of niet, dit is een terroristische aanslag op Amerikaanse bodem. Minstens twee bewakers zijn vermoord en de wereldstad New York is bevroren van angst. Ten tweede, we hebben nog niet genoeg informatie om de terroristen te kunnen aanwijzen. Maar we weten dat het tonen van zwakheid juist dit soort aanslagen aanmoedigt op het wereldpodium. We moeten onze ware kracht tonen en als land samenkomen, zowel rechts als links, om onszelf te verdedigen. Ik nodig de President uit om de wereld te laten zien dat we samenkomen als het erop aankomt.”
“Wat vindt u dat de president zou moeten doen?”
“Op zijn minst moet hij onmiddellijk een landelijke noodtoestand uitroepen. Hij zou de politie tijdelijk bijzondere bevoegdheden moeten geven totdat we deze mensen hebben opgespoord. Deze bevoegdheden zouden onder andere betekenen dat de politie een verdachte kan aanhouden zonder een arrestatiebevel, de mogelijkheid heeft om steekproefsgewijs doorzoekingen te plegen en zaken te confisceren op alle treinstations, bushaltes, vliegvelden, scholen, openbare pleinen, winkelcentra en andere plekken met veel publiek. Hij moet ook onmiddellijke veiligheidsmaatregelen nemen om de overige voorraden radioactief materiaal in de rest van de Verenigde Staten te waarborgen.”
Jeremy staarde in Ryans felle ogen. De felheid was bijna genoeg voor Jeremy om gewoon weg te lopen.
“Maar het allerbelangrijkste, als de aanvallers uit Iran blijken te komen of ze worden gesponsord door Iran, dan moet hij Iran de oorlog verklaren of aan de kant stappen zodat wij het kunnen doen. Als dit inderdaad een Iraanse aanval is en de president met alle informatie die tot zijn beschikking staat dan toch probeert onze inspanningen om ons land en onze bondgenoten in het Midden-Oosten te verdedigen wil blokkeren, dan heb ik geen keuze en zal ik de afzettingsprocedure initiëren.”
Hoofdstuk 11
06:43 uur
Seventy-Fifth Street dichtbij Park Avenue – Manhattan
Luke zat achterin een van de SUV’s van het bureau samen met Ed Newsam. Ze stonden in een rustige straat met bomen, tegenover een modern, luxe hoog gebouw. De chique entree had dubbele glazen deuren en een portier met witte handschoenen. Terwijl ze het gebouw bekeken, hield de portier de deur open voor een dunne blonde vrouw in een wit pak en haar hondje. Hij haatte dit soort gebouwen.
“Er is tenminste één persoon in deze stad die niet al te ongerust is over een terreuraanslag,” zei Luke.
Ed lag helemaal onderuit in zijn stoel. Hij leek half te slapen. Met zijn beige cargobroek en een wit T-shirt over zijn gespierde lichaam, een kop als een biljartbal en een korte stoppelbaard, leek hij niet echt op een federale agent. En nog minder op iemand die in dit gebouw zou worden toegelaten.
Luke dacht aan Ali Nassar en hij ergerde zich aan zijn diplomatieke onschendbaarheid. Hij hoopte dat Nassar er geen groot probleem van zou maken. Luke had het geduld niet om te onderhandelen.
Luke’s telefoon ging. Hij keek ernaar en drukte op de knop.
“Trudy,” zei hij. “Wat kan ik voor je doen?”
“Luke, we hebben net nieuwe inlichtingen binnengekregen,” zei ze. “Het lichaam dat jij en Don hadden gevonden in het ziekenhuis.”
“Wat?”
“Het is de eenendertigjarige Ibrahim Abdulraman. Libanese nationaliteit, geboren in Tripoli, de familie was erg arm. Praktisch geen formeel onderwijs. Toen hij achttien jaar was ging hij bij het leger. Binnen korte tijd werd hij overgeplaatst naar de Abu Salim-gevangenis waar hij enkele jaren werkte. Hij werd beschuldigd van het schenden van mensenrechten tijdens zijn tijd daar, inclusief het martelen en het vermoorden van politieke oppositieleden. In maart 2011, toen het regime begon af te takelen, ontvluchtte hij zijn land. Hij moet de tekenen aan de wand gezien hebben. Een jaar later dook hij op in Londen, werkend als bodyguard voor een jonge Saoedische prins.”
Luke’s schouders zakten in. “Hmmm. Een Libanese martelaar die werkt voor een Saoedische prins? En dan zijn leven verliest tijdens het stelen van radioactief materiaal in New York? Wie is deze man in werkelijkheid?”
“Hij had geen verleden als extremist, hij leek geen sterke politieke overtuigingen te hebben. Hij was nooit een elitesoldaat in het leger en hij leek geen speciale training te hebben genoten. Het lijkt erop dat hij een opportunist was, ingehuurde spierballen. Tien maanden geleden verdween hij uit Londen.”
“Goed, geef me zijn naam nog eens.”
“Ibrahim Abdulraman. En Luke, er is nog iets.”
“Wat?”
“Deze inlichtingen komen niet van mij. Ik weet het omdat het op het grote bord in de centrale ruimte staat. Myerson van de NYPD heeft deze informatie niet aan ons doorgegeven. Ze deden hun eigen onderzoek. Ze informeerden iedereen behalve ons. Ze sluiten ons buiten.”
Luke keek naar Ed en rolde met zijn ogen. Het laatste wat hij wilde was in een interne piswedstrijd meegesleept worden. “Oké…”
“Luister, Luke. Ik maak me een beetje ongerust over je. Je hebt bijna geen vrienden meer hier. En ik betwijfel of een internationaal incident de zaak zal helpen. Laten we de informatie die wij hebben over de bankrekeningen en overschrijvingen doorgeven aan Homeland zodat zij de zaak kunnen overnemen. We kunnen zeggen dat het ons spijt dat we in onze ijverigheid het banksysteem geïnfiltreerd hebben. Maar als je die diplomaat nu een bezoek brengt dan breng je jezelf in een moeilijk parket.”
“Trudy, ik sta voor zijn deur.”
“Luke…”
“Trudy, ik hang nu op.”
“Ik probeer je te helpen,” zei ze.
Nadat hij opgehangen had, keek hij naar Ed.
“Ben je klaar?”
Ed bewoog nauwelijks. Hij gebaarde naar het gebouw.
“Dit is waarvoor ik ben geboren.”
*
“Kan ik u helpen, heren?” zei de man toen ze naar binnen liepen.
Een blinkende kroonluchter hing aan het plafond van de lobby. Rechts stond een bank en twee designerfauteuils, links was een lange toonbank waar een andere portier achter stond. Hij had een telefoon, een computer en een rij beeldschermen voor zich. Hij had ook een kleine televisie dat het nieuws toonde.
De man was ongeveer vijfenveertig. Zijn ogen waren rood en geaderd maar niet per se bloeddoorlopen. Zijn haar was vochtig en naar achteren gekamd, alsof hij net uit de douche gestapt was. Waarschijnlijk werkte hij hier al zolang dat hij deze baan zelfs na een nacht feesten slapend zou kunnen doen. Hij kende waarschijnlijk iedere persoon die hier ooit naar binnen of naar buiten was gekomen. En hij wist dat Luke en Ed hier niet thuishoorden.
“Ali Nassar,” zei Luke.
De man pakte de hoorn van de telefoon op. “Meneer Nassar. Penthouse-suite. En wie mag ik aankondigen?”
Zonder een woord te zeggen gleed Ed over de toonbank en drukte de hoorn op de haak waardoor de verbinding verbrak. Ed was groot en sterk als een leeuw maar wanneer hij zich bewoog, dan was hij gracieus als een gazelle.
“U mag niemand aankondigen,” zei Luke. Hij toonde de deurwacht zijn badge. Ed toonde die van hem. “Federale agenten. We willen meneer Nassar enkele vragen stellen.”
“Ik ben bang dat het niet mogelijk is op dit moment. De heer Nassar accepteert geen bezoek voor acht uur ’s ochtends.”
“Waarom wilde u hem dan zojuist nog bellen?” zei Newsam.
Luke keek naar Ed. Dat was een rap antwoord. Ed leek niet het type om te debatteren maar misschien was hij gewoon goed.
“Heeft u het nieuws gevolgd?” vroeg Luke. “U heeft vast en zeker over het radioactief afval dat vermist is gehoord. We hebben redenen om te geloven dat de heer Nassar meer weet.”
De man staarde recht vooruit. Luke glimlachte. Hij had zojuist Nassars water vergiftigd. Deze portier was een bron van informatie. Morgenochtend wist iedereen in dit gebouw dat de overheid langs was gekomen om Nassar uit te vragen over zijn terroristische activiteiten.
“Het spijt me, mijnheer,” begon de man.
“Niet nodig,” zei Luke. “Het enige wat u hoeft te doen is ons toegang te verlenen tot de verdieping van het penthouse. Als u dat niet doet, dan zal ik u moeten arresteren voor obstructie van de rechtsgang en zal ik u in handboeien naar buiten begeleiden. Ik weet zeker dat u dat niet wilt en ik ook niet. Dus geef ons de sleutel of de code, wat het ook is, en ga terug aan het werk alsof er niets gebeurd was. En als u met de lift knoeit terwijl we erin zitten, dan zal ik u niet alleen voor obstructie arresteren maar ook voor medeplichtigheid aan vier moorden en het stelen van gevaarlijk afval. De rechter zal de borgtocht op tien miljoen dollar vaststellen en u zult de komende twaalf maanden op uw rechtszaak wachten in de gevangenis op Rikers Island. Klinkt dat aantrekkelijk…” Luke las zijn naamplaatje. “John?”
*
“Zou je die man echt arresteren?” vroeg Ed.
Het was een glazen lift in een ronde glazen koker in het zuidwestelijke gedeelte van het gebouw. Terwijl de lift omhoogging, werd het uitzicht over de stad eerst adembenemend, toen duizelingwekkend. Al gauw lag de hele stad aan hun voeten, de Empire State Building direct tegenover hen, het gebouw van de Verenigde Naties. En verder weg, een file van vliegtuigen glinsterend in de vroege ochtendzon, wachtend op hun beurt om te kunnen landen op het vliegveld LaGuardia.
Luke glimlachte. “Waarvoor zou ik hem kunnen arresteren?”
Ed giegelde. De lift bleef maar omhooggaan.
“Man, wat ben ik moe. Ik zou net naar bed gaan toen Don me belde.”
“Ik weet het,” zei Luke. “Ik ook.”
Ed schudde zijn hoofd. “Ik heb dit dag-en-nacht werk al een tijdje niet meer gedaan. Ik mis het niet, moet ik zeggen.”
De lift bereikte de top. De liftdeuren maakten een zacht geluid bij het opengaan. Ze stapten de brede gang in. De vloer was een gepolijste stenen vloer. Direct voor hen, op ongeveer vijf meter afstand, stonden twee mannen. Het waren grote mannen in pak, met een donkere huidskleur. Misschien Perzisch, misschien een andere etniciteit. Ze blokkeerden een paar dubbele deuren. Luke kon het niet echt schelen.
“Het ziet ernaar uit dat de portier onze komst heeft aangekondigd.”
Een van de mannen in de gang zwaaide. “Stop! Ga terug. U mag hier niet komen.”
“Federale agenten,” zei Luke, terwijl hij en Ed richting de mannen liepen.
“Stop! U heeft geen jurisdictie. We weigeren u toegang te verlenen.”
“Ik neem aan dat ik mijn badge niet hoef te laten zien,” zei Luke.
“Inderdaad,” zei Ed. “Nergens voor nodig.”
“Op mijn teken, oké?”
“Oké.”
Luke wachtte een seconde.
“Nu.”
Ze waren een meter van de mannen verwijderd. Luke gaf zijn man de eerste stomp. Hij was verrast over hoe langzaam zijn eigen vuist bewoog. De man was een kop groter dan Luke en breed als een beer. Hij blokkeerde Luke’s stomp zonder probleem en greep Luke bij zijn pols. Hij was sterk. Hij trok Luke dichterbij.
Luke ramde zijn knie in het kruis van de kerel maar de man blokkeerde het met zijn been. Hij legde zijn grote hand rond de keel van Luke. Zijn vingers klemden het vast als de klauwen van een arend, gravend in het kwetsbare vlees.
Met zijn vrije hand, zijn linkerhand, duwde Luke zijn wijs- en middelvinger in de ogen van zijn tegenstander. Het was geen voltreffer maar het werkte. De man liet Luke los en stapte naar achteren. Zijn ogen traanden. Hij knipperde en schudde zijn hoofd. Toen glimlachte hij. Dit zou geen gemakkelijk gevecht worden.
Plotseling kwam Newsam uit het niets tevoorschijn, als een geest. Hij greep het hoofd van de man met beide handen vast en ramde het met enorm geweld tegen de muur aan. Sommige mensen ramden het hoofd van een tegenstander tegen de muur aan, Ed Newsam deed het alsof hij door de muur heen probeerde te komen met het hoofd als gereedschap.
Boem! Het gezicht van de man vertrok van de pijn.
Boem! Zijn kaak brak.
Boem! Zijn ogen rolden naar achter.
Luke haalde zijn hand op. “Ed! Genoeg. Ik denk dat hij nu wel buitenspel is. Laat hem zachtjes los. Deze vloeren zijn denk ik van marmer.”
Luke keek naar de andere bodyguard. Hij lag al onderuit op de grond met gesloten ogen, mond open, hoofd tegen de muur leunend. Ed had korte metten met beide gemaakt en ze uitgeschakeld. Luke had niet eens een schrammetje veroorzaakt.
Luke pakte een paar plastic kabelbinders uit zijn zak en knielde naast zijn man. Hij bond de handen en enkels van de man stevig vast, als een slachtdier. Uiteindelijk zou iemand de man bevrijden en als dat gebeurde dan zou hij voor een lange tijd geen gevoel in zijn voeten hebben.
Ed deed hetzelfde met zijn kerel.
“Je bent een beetje roestig, Luke,” zei hij.
“Ik? Nee joh, ik zou eigenlijk niet meer hoeven te vechten. Ze hadden mij aangenomen voor mijn hersens.” Hij voelde nog steeds de plek waar de man zijn hand om zijn keel had gezeten. Morgen zou het zeer doen.
Ed schudde zijn hoofd. “Ik was Delta Force, net als jij. Ik kwam twee jaar na de beruchte Stanley Militaire Buitenpostmissie in Nuristan erbij. Men sprak er toen nog steeds over. Hoe ze jullie daar hadden achtergelaten en dat jullie aangevallen werden. En de volgende ochtend waren er nog maar drie man aan het vechten. Jij was er een van, nietwaar?”
Luke kreunde. “Ik weet niets van het bestaan van…”
“Hou me niet voor de gek,” zei Ed. “Geclassificeerd of niet, ik ken het verhaal.”
Luke had geleerd om zijn leven in luchtdichte compartimenten te leiden. Hij sprak zelden over dit militaire buitenpostincident. Het leek zo lang geleden, in een verlaten hoek van Oost-Afghanistan, zo afgelegen dat het inzetten van een paar grondtroepen iets zou betekenen. Het was verleden tijd. Zelfs zijn vrouw wist er niets van.
Maar Ed was Delta, dus goed.
“Ja,” zei hij. “Ik was er. Slechte inlichtingen hadden ons daar geplaatst en het werd de ergste nacht van mijn leven.” Hij gebaarde naar de twee mannen op de grond.
“Dit lijkt op een aflevering van Happy Days in vergelijking met die nacht. We hadden negen goede mannen verloren. En net voor zonsopgang hadden we geen munitie meer.” Luke schudde zijn hoofd. “Het was hel. De meeste mannen waren dood. Behalve wij drie, wij overleefden. Ik weet niet of we er ooit echt overheen zijn gekomen. Martinez is vanaf zijn middel verlamd. Het laatste wat ik van Murphy heb gehoord is dat hij dakloos is en regelmatig opgenomen wordt in het psychiatrisch ziekenhuis voor veteranen.”
“En jij?”
“Ik heb tot de dag van vandaag nog nachtmerries hierover.”
Ed bond de polsen van zijn man vast . “Ik kende een jongen die er met de opruimingsdienst was nadat het gebied was ontruimd. Hij zei dat ze 167 lichamen telden, onze jongens niet meegerekend. Er waren 21 sterfgevallen door man-tegen-mangevechten binnen de omheining.”
Luke keek naar hem. “Waarom vertel je me dit?”
Ed haalde zijn schouders op. “Je bent een beetje roestig. Niets om je voor te schamen. En je mag dan slim zijn, je mag dan klein zijn, je bent ook een spierbal, net als ik.”
Luke lachte hard. “Oké, ik ben een beetje roestig maar wie noem je klein?” Hij lachte en keek op naar Eds enorme lichaam.
Ed lachte terug. Hij doorzocht de zakken van de man op de vloer. Binnen een paar seconden had hij gevonden wat hij zocht. Het was de sleutelkaart van het digitale slot dat aan de muur naast de dubbele deuren hing.
“Zullen we naar binnen gaan?”
“Na jou,” zei Ed.
Hoofdstuk 12
“Jullie mogen niet hier binnen komen!” schreeuwde de man. “Eruit! Uit mijn huis!”
Ze stonden in het midden van een grote open woonkamer. In de hoek stond een kleine witte vleugel, vlak bij de kamerhoge ramen met een spectaculair uitzicht. Het ochtendlicht scheen naar binnen. Dichtbij stond een moderne witte bank met bijpassende stoelen en een set koffietafeltjes, rondom een enorme flatscreentelevisie die aan de muur hing. Aan de muur daartegenover hing een groot schilderij van drie meter hoog met gekke vlekken en druppels in felle kleuren. Luke wist een klein beetje van kunst af en hij gokte dat dit een Jackson Pollock was.
“Ja, ja, dat hebben we al van de jongens op de gang gehoord,” zei Luke. “We mogen hier niet zijn en toch zijn we hier.”
De man was niet groot. Hij was klein en gedrongen. Hij droeg een dikke witte ochtendjas. Hij hield een groot geweer vast en de loop van het geweer was op hen gericht. Luke dacht dat het een oud Browning jachtgeweer was, waarschijnlijk geladen met .270 Winchester patronen. Dat ding zou een eland kunnen doden op vierhonderd meter afstand.
Luke liep naar de rechterkant van de kamer, Ed naar links. De man zwaaide het geweer heen en terug, onzeker op wie hij het zou richten.
“Ali Nassar?”
“En wie wil dat weten?”
“Mijn naam is Luke Stone. Dat is Ed Newsam. We zijn federale agenten.”
Luke en Ed omringden de man en kwamen steeds dichterbij.
“Ik ben een diplomaat verbonden aan de Verenigde Naties. U heeft hier geen jurisdictie.”
“We willen u alleen enkele vragen stellen.”
“Ik heb de politie gebeld. Ze kunnen elk moment hier zijn.”
“In dat geval zou ik het geweer wegleggen als ik u was. Luister, het is een oud geweer. Dat ding heeft een handvergrendeling. Als u op een van ons schiet dan heeft u nooit tijd genoeg om het volgende patroon te laden.”
“Dan schiet ik u neer en laat die andere leven.”
Hij draaide richting Luke. Luke bleef langs de muur lopen met zijn handen omhoog om te laten zien dat hij geen dreiging was. Hij had in zijn leven al zoveel geweren en pistolen op zich gericht gehad dat hij niet eens meer wist hoeveel. Toch, bij deze had hij geen goed gevoel. Ali Nassar leek geen goede schutter, maar als het hem lukte om te schieten dan zou hij een groot gat in iets veroorzaken.
“Als ik jou was dan zou ik die grote kerel kiezen. Want als je mij neerschiet dan is het de vraag wat hij met u zal doen. Ed mag mij.”
Nassar weifelde niet. “Nee, ik pak jou.”
Ed stond nu maar een paar meter achter de man. Binnen een seconde was hij bij hem. Hij schopte de loop van het geweer omhoog, net toen Nassar de trekker overhaalde.
BOEM! Er klonk een luide echo in de gesloten ruimte van het appartement. Het schot scheurde door het witte gips van het plafond.
In één beweging greep Ed het geweer, sloeg Nassar op zijn kaak en leidde hem naar een van de stoelen.
“Oké, zitten. Voorzichtig, alstublieft.”
Nassar was geschrokken door de klap. Het duurde enkele seconden voordat zijn ogen weer konden focussen. Hij hield een mollige hand tegen de rode zwelling op zijn kaak.
Ed liet Luke het geweer zien. “Wat denk je hiervan?” Het was decoratief, met een parelmoeren inleg en een gepolijste geweerloop. Waarschijnlijk had het net nog ergens aan de muur gehangen.
Luke richtte zijn aandacht tot de man in de stoel. Hij begon weer bij het begin.
“Ali Nassar?”
De man puilde zijn lip. Hij keek op dezelfde manier als zijn zoon Gunner toen die vier jaar oud was en boos.
Hij knikte. “Dat is wel duidelijk.”
Luke en Ed waren snel, ze verloren geen tijd.
“Jullie mogen mij dit niet aandoen,” zei Nassar.
Luke keek op zijn horloge. Het was zeven uur. De politie zou elk moment hier kunnen zijn. Ze hadden hem naar zijn kantoor gebracht, naast de woonkamer. Ze hadden zijn ochtendjas en slippers uitgetrokken en nu had hij nog slechts een strakke witte onderbroek aan. Zijn dikke buik stak naar voren, strak als een trommel. Ze hadden zijn handen en voeten aan de stoel vastgebonden met tiewraps.
In het kantoor stond een bureau met een ouderwetse computer erop. De processor bevond zich in een dikke metalen kist die aan de stenen vloer gemonteerd was. Er was geen duidelijk zichtbare opening, geen slot, geen deur, niets. Om bij de harde schijf te kunnen komen, zou een lasser de kist moeten openlassen. Daarvoor was er geen tijd.
Luke en Ed stonden over Nassar heen gebogen.
“U heeft een geheime rekening op de Royal Heritage Bank op het eiland Grand Cayman,” zei Luke. “Op 3 maart maakte u een bedrag over van $ 250.000 naar de rekening van Ken Bryant. Ken Bryant werd gisternacht gewurgd in een appartement in Harlem.”
“Ik heb geen idee waar je het over hebt.”
“Je bent de werkgever van een man genaamd Ibrahim Abdulraman, die vanochtend overleed in het subsouterrain van het Center Medical Center. Hij stierf aan een kogel door zijn hoofd terwijl hij radioactief afval aan het stelen was.”
Een flits van herkenning kwam over Nassars gezicht.
“Ik ken deze man niet.”
Luke haalde diep adem. Normaal zou hij uren de tijd hebben om een verdachte als deze te kunnen uithoren. Maar vandaag had hij maar enkele minuten. Dat betekende dat hij een klein beetje vals moest spelen.
“Waarom is uw computer aan de vloer verankerd?”
Nassar haalde zijn schouders op. Hij begon zijn zelfvertrouwen terug te krijgen. Luke kon het bijna zien terugvloeien in zijn gezicht. Deze man geloofde in zichzelf. Hij dacht dat hij hen kon omzeilen.
“Daarop staat een grote hoeveelheid vertrouwelijk materiaal. Ik heb klanten met zaken waarbij het belangrijk is om het intellectueel eigendom te beschermen. Ik ben ook, zoals ik al zei, een diplomaat verbonden aan de Verenigde Naties. Ik krijg van tijd tot tijd informatie die, hoe moet ik dat zeggen? Geclassificeerd is. Ik bekleed deze posities omdat ik bekend sta om mijn discretie.”
“Dat mag wel zo zijn,” zei Luke. “Maar je zult me toch het wachtwoord moeten geven zodat ik zelf een kijkje kan nemen.”
“Ik ben bang dat dat niet mogelijk is.”
Achter Nassar lachte Ed. Het leek op een grom.
“U zult verrast zijn over wat er mogelijk is,” zei Luke. “Het is een feit dat we toegang krijgen tot die computer. En jij gaat ons het wachtwoord geven. Op de makkelijke manier of op de moeilijke. De keuze is aan u.”
“Jullie gaan me niets doen,” zei Nassar. “Jullie zitten hierdoor nu al diep in de problemen.”
Luke keek naar Ed. Ed ging op zijn hurken aan Nassars rechterkant zitten. Hij nam Nassars rechterhand in zijn twee krachtige handen. Luke en Ed hadden elkaar die avond laat voor het eerst ontmoet, maar hun samenwerking had al geen mondelinge communicatie meer nodig. Het was alsof ze elkaars gedachten konden lezen. Luke had dit eerder meegemaakt, normaliter met de jongens in speciale eenheden zoals Delta. Maar normaal gesproken duurde het langer om die relatie op te bouwen.
“Speel je piano?” vroeg Luke.
Nassar knikte. “Ik ben geoefend in klassieke muziek. Als kind was ik concertpianist. Ik speel nog steeds voor de lol.”
Luke bukte zich totdat hij op ooghoogte was met Nassar.
“Zo meteen gaat Ed één voor één uw vingers breken. Dat zal het moeilijk maken om nog piano te spelen. En het zal waarschijnlijk meer pijn doen dan u gewend bent.”
“Dat waagt u niet.”
“De eerste keer tel ik tot drie. Dat geeft u nog enkele seconden om na te denken wat u wilt doen. In tegenstelling tot u, waarschuwen wij mensen voordat we ze pijn doen. Wij stelen geen radioactief materiaal met het doel om miljoenen onschuldige mensen te doden. U komt er verdomd makkelijk vanaf in vergelijking met wat u anderen aandoet. Maar na de eerste keer komen er geen waarschuwingen meer. Dan kijk ik gewoon naar Ed en hij zal dan de ene na de andere vinger breken. Begrepen?”
“Ik zal ervoor zorgen dat je je baan verliest,” zei Nassar.
“Eén.”
“Je bent maar een kleine zielige man zonder macht. Je zult er spijt van krijgen dat je hier ooit gekomen bent.”
“Twee.”
“Waag het niet!”
“Drie.”
Ed brak Nassars pink bij de tweede knokkel. Hij deed het snel, zonder veel moeite.
Luke hoorde het kraken, net voordat Nassar begon te gillen. De pink boog naar de zijkant. Het zag er bijna obsceen uit hoe het daar hing.
Luke legde zijn hand onder Nassars kin en duwde zijn gezicht omhoog. Nassars tanden knarsten. Zijn gezicht was rood en zijn adem stokte. Maar zijn ogen waren hard.
“Dat was alleen maar je pink,” zei Luke. “De volgende vinger is je duim. Duimen doen veel meer pijn dan pinkies. Duimen zijn ook belangrijker.”
“Jullie zijn beesten. Ik zeg niets.”
Luke keek naar Ed. Eds gezicht was hard. Hij haalde zijn schouders op en brak de duim. Dit keer maakte het een luid knakkend geluid.
Luke stond op en liet de man een tijdje gillen. Het geluid was oorverdovend. Hij kon het door het hele appartement horen echoën, net als in een horrorfilm. Misschien moesten ze in de keuken een handdoek halen om als mondprop te gebruiken.
Hij liep heen en weer door de kamer. Hij hield niet van dit soort dingen. Het was marteling, dat zag hij in. Maar zijn vingers zouden uiteindelijk genezen. Als een vuile bom in de metro zou afgaan dan zouden veel mensen hun leven verliezen. Degenen die het overlevenden zouden ziek worden. Niemand zou ooit helemaal genezen. Als je die twee opties tegen elkaar afwoog, dan was de keuze eenvoudig.
Nassar huilde nu. Helder slijm liep uit zijn ene neusgat. Hij ademde als een gek. Het klonk als hè- hè- hè- hè.
“Kijk naar me,” zei Luke.
De man deed wat Luke vroeg. Zijn ogen waren niet meer hard.
“Ik merk dat de duim het gewenste effect had. Dus we zullen nu de linkerduim nemen. Daarna beginnen we met je tanden. Ed?”
Ed liep naar de linkerkant.
“Kahlil Gibran,” hijgde Nassar.
“Wat zegt u? Ik hoorde u niet.”
“Kahlil liggend streepje Gibran. Dat is het wachtwoord.”
“Zoals de schrijver?” vroeg Luke.
“Ja.”
“En wat betekent het om met liefde te werken?” zei Ed, Gibran citerend.
Luke glimlachte. “Het is een kleed te weven met de draden van je eigen hart, zelfs alsof je geliefde dat kleed zou dragen.” We hebben dat ook thuis op de wc hangen. Ik ben gek op dat soort dingen. Ik denk dat we gewoon drie onverbeterlijke romantici zijn.”
Luke liep naar de computer en haalde zijn vinger over het touchpad. Het wachtwoordvenster verscheen op het scherm. Hij typte de woorden in.
Kahlil_Gibran
Het bureaublad verscheen. De achtergrond was een foto van met sneeuw bedekte bergen en groene weiden op de voorgrond.
“Het ziet ernaar uit dat we binnen zijn. Bedankt, Ali.”
Luke haalde een externe harde schijf die hij van Swann had gekregen uit de zak van zijn cargobroek. Hij stopte het in de USB-poort. De externe harde schijf had een enorme opslagcapaciteit. Het zou zonder problemen de gehele computer van de man kunnen downloaden. Het ontcijferen van mogelijke coderingen zou van later zorg zijn.
Hij begon met de bestandsoverdracht. Op het scherm was een horizontale balk te zien. De balk begon vanaf links vol te lopen met een groene kleur. Drie procent groen, vier procent, vijf. Onder de balk verscheen een stroom aan bestandnamen die verdwenen zodra ze gekopieerd waren naar de externe schijf.
Acht procent. Negen procent.
In de woonkamer was plotseling veel commotie. De voordeuren werden opengegooid.
“Politie!” schreeuwde iemand. “Leg je wapens neer! Op de grond!” Ze liepen door het appartement, gooiden voorwerpen omver en braken door deuren. Het klonk alsof het een grote groep was. Elk moment zouden ze het kantoor binnenstormen.
“Politie! Neer! Neer! Op de grond!”
Luke keek naar de horizontale balk. Het leek te blijven hangen op twaalf procent.
Nassar staarde naar Luke. Zijn oogleden hingen zwaar en zijn ogen zaten vol tranen. Zijn lippen trilden. Zijn gezicht was rood en zijn bijna blote lichaam compleet bezweet. Nu was hij niet meer zo arrogant.
Hoofdstuk 13
07:05 uur
Baltimore, Maryland – ten zuiden van Fort McHenry Tunnel
Eldrick Thomas werd wakker uit een droom. In de droom bevond hij zich in een kleine hut hoog in de bergen. De lucht was schoon en koud. Hij wist dat hij aan het dromen was omdat hij nog nooit in een berghut was geweest. Er was een stenen open haard waarin een vuur brandde. Het vuur was warm en hij hield zijn handen voor de vlammen. In de kamer ernaast kon hij zijn oma een oude psalm horen zingen. Ze had een prachtige stem.
Hij opende zijn ogen voor het daglicht.
Hij had veel pijn. Hij raakte zijn borst. Het was plakkerig van het bloed maar de pistoolschoten hadden hem niet gedood. Hij was ziek van de radioactieve straling. Dat herinnerde hij zich. Hij keek om zich heen. Hij lag in een modderpoel en was omringd door dichte struiken. Links van hem zag hij water, een rivier of een soort haven. Hij kon ook een snelweg ergens dichtbij horen.
Ezatullah had hem tot hier achtervolgd. Maar dat was een hele tijd geleden. Ezatullah was waarschijnlijk allang vertrokken.
“Kom op, man,” piepte hij. “Je moet je bewegen.” Het zou te gemakkelijk zijn om daar te blijven liggen. Maar als hij dat deed dan zou hij daar sterven. Hij wilde nog niet sterven. Hij wilde ook geen jihadi meer zijn. Hij wilde gewoon leven. Zelfs als dat voor de rest van zijn leven in een gevangenis was, dat zou oké zijn. Gevangenis was oké. Hij had er veel tijd doorgebracht. Het was niet zo slecht als men beweerde.
Hij probeerde op te staan maar hij kon zijn benen niet voelen. Ze waren gewoon weg. Hij rolde op zijn buik. Pijn schoot door hem heen als een elektrische schok. Hij vertrok naar een donkere plaats. De tijd tikte voorbij. Na een tijdje kwam hij weer bij. Hij was er nog.
Hij begon te kruipen, zijn handen grepen het zand en de modder om zich vooruit te kunnen trekken. Hij trok zichzelf omhoog, een hoge heuvel op. De heuvel waar hij gisternacht vallend vanaf gerold was. De heuvel die waarschijnlijk zijn leven gered had. Hij huilde van de pijn maar hij bleef doorgaan. De pijn kon hem niet schelen, hij probeerde alleen die heuvel op te komen.
Een lange tijd ging voorbij. Hij lag met zijn gezicht in de modder. De bosjes waren minder dicht. Hij keek weer rond. Hij was nu boven de rivier. Het gat in het hek was recht voor zijn neus. Hij kroop ernaar toe.
Toen hij zichzelf erdoorheen trok, kwam hij vast te zitten aan de onderkant. Hij schreeuwde het uit van de pijn.
Twee oude zwarte mannen zaten op witte emmers, niet al te ver weg. Eldrick zag ze met een surrealistische helderheid. Hij had nog nooit iemand zo duidelijk gezien. Ze hadden vishengels, een kist met visgerei en een grote witte emmer. Ze hadden ook een grote blauwe koelbox op wielen bij zich. Ze hadden witte papieren zakken en ontbijtmaaltijden in piepschuimverpakkingen van McDonalds. Achter hen stond een oude roestige Oldsmobile. Zij hadden een perfect leven.
God, laat me alstublieft een van hen zijn.
Toen hij schreeuwde, renden de mannen naar hem toe.
“Raak me niet aan!” riep hij. “Ik ben besmettelijk.”
Hoofdstuk 14
7:09 uur
Het Witte Huis – Washington DC
Thomas Hayes, de president van de Verenigde Staten, stond in broek en overhemd achter het aanrecht in de familiekeuken van het Witte Huis. Hij pelde een banaan en wachtte op het koffiezetapparaat. Wanneer hij alleen was dan gaf hij er de voorkeur aan om stilletjes in de keuken een simpel ontbijt te maken. Hij had zijn das nog niet eens omgedaan. En hij liep op blote voeten. Hij werd gekweld door donkere gedachten.
Deze mensen eten me levend op.
Die gedachte was onwelkom in zijn hoofd maar dook steeds vaker op. Er was ooit een tijd geweest dat hij de meest optimistische persoon was die hij kende. Zolang hij zich kon herinneren was hij een top-presteerder geweest, waar hij zich ook bevond. Als valedictorian hield hij de afscheidsrede op de middelbare school, hij was captain van het roeiteam, voorzitter van het studentenkoor. Hij studeerde summa cum laude af aan zowel Yale als Stanford. Was een geleerde aan Fulbright. President van de senaat van Pennsylvania. En gouverneur van Pennsylvania.
Hij had altijd geloofd dat hij de juiste oplossing voor elk probleem had. Hij had altijd geloofd in de kracht van zijn eigen leiderschap. En bovendien had hij altijd geloofd in de intrinsieke goedheid van de mens. Maar in deze dingen geloofde hij allang niet meer. Vijf jaar als president hadden dat optimisme uit hem geslagen.
Hij kon de lange uren aan. Hij kon omgaan met de verschillende afdelingen en de enorme bureaucratie. Tot voor kort stond hij op goede voet met het Pentagon. Hij kon leven met de Geheime Dienst, die hem vierentwintig uur per dag omringde en elk aspect van zijn leven binnendrong.
Hij kon zelfs omgaan met de media en de smakeloze manier waarop ze hem aanvielen. Hij kon leven met het feit dat ze de spot dreven met zijn zogenaamde “country club-opvoeding” en hoe hij een “limousine-liberaal” werd genoemd omdat hij van een rijke familie afstamde. Het probleem was niet de media.
Het probleem was het Huis van Afgevaardigden. Zij waren onvolwassen, achterlijk en sadistisch. Ze waren een bende vandalen, vastbesloten om hem beetje bij beetje te ontmantelen en weg te jagen. Het was alsof het Huis een studentenraad was van een brugklas waarin de leerlingen de ergste jeugddelinquenten tot afgevaardigden hadden gekozen.
De normale Republikeinen waren een horde middeleeuwse barbaren en de leden van de zogenaamde Tea Party waren bommengooiende anarchisten. Ondertussen, dichter bij huis, was de fractievoorzitter van de minderheid duidelijk over het feit dat hij zelf een oog had op de positie in de Ovale kamer. Hij had het niet onder stoelen of banken gestoken dat hij de huidige president voor de bus zou duwen als dat nodig was. De Blauwe Hond Democraten waren verraders met twee gezichten: het ene moment blij om met alle landsbroeders om te gaan, het andere moment blanke boze mannen die razend tekeer gingen over Arabieren en immigranten en de criminaliteit in de binnensteden. Elke ochtend werd Thomas Hayes wakker, zeker van het feit dat zijn vriendenkring met de dag kleiner werd.
“Ben je er nog, Thomas?”
Hayes keek op.
David Halstram, zijn stafchef , stond tegenover hem, volledig aangekleed. Zoals altijd was hij kwiek, vol energie en leven, klaar om de strijd aan te gaan en hunkerend naar meer. David was 34 jaar oud, hij had deze positie pas negen maanden. Geef het wat tijd.
“Wanneer kwam het verhaal naar buiten?” vroeg Hayes.
“Ongeveer twintig minuten geleden,” zei David. “Het gaat al rond op de sociale media, en de televisiekanalen schrapen allerlei gasten bij elkaar die in de uitzendingen van acht uur kunnen zitten. Het gaat als een lopend vuurtje. We zitten klem tussen voorzitter Ryan, het debacle in Iran en de terroristen in New York.”
Hayes balde zijn rechterhand. Precies twee keer in zijn hele leven had hij iemand geslagen. En dat was lang geleden, toen hij nog op school zat. Maar nu zou hij graag afgevaardigde Bill Ryan nummer drie willen maken.
“We zouden morgen samen lunchen,” zei hij. “Ik dacht dat het een stap in de juiste richting was. Niet dat we alles zouden oplossen in één ontmoeting, maar toch.”
David wuifde dat idee weg. “Hij heeft ons op heterdaad betrapt. Je moet toegeven dat het een slimme zet was. Hij zegt in principe dat afzetting de enige uitweg is als je niet een Derde Wereldoorlog wilt ontketenen. En hij doet het via een vriendelijke verslaggever die werkt voor een klein nieuwsbureau, Newsmax, waarvan hij weet dat zijn woorden niet bekritiseerd worden of dat het artikel met meer balans geschreven zal worden. Het hele ding kan worden getweet en geblogd via allerlei conservatieve kanalen en hij hoeft geen woord meer te zeggen. Het leeft nu al zijn eigen leven. Ondertussen moeten wij als volwassenen reageren. We moeten een persconferentie houden over de dreiging van een terreuraanslag, mogelijk gesponsord door Iran. We moeten vragen beantwoorden over een vloedgolf aan steun voor je mogelijke afzetting. En vragen over welke acties we ondernemen om radioactief materiaal in het hele land te beschermen.”
“En wat doen we?”
“Met het radioactief materiaal?”
“Ja.”
David haalde zijn schouders op. “Dat hangt af van wat je bedoelt. Het beleid is dat radioactief afval veilig wordt bewaard, maar dat is niet altijd het geval. Ja, het overgrote deel wordt op de juiste manier behandeld. Er zijn plaatsen, zoals overigens het Center Medical Center, die redelijk goede procedures hebben voor het behandelen en afvoeren van het materiaal naar veilige locaties. Maar zelfs zij transporteren het spul in speciale vrachtwagens zonder veiligheidspersoneel, gebruikmakend van openbare wegen. Dan heb je de ziekenhuizen die het radioactief afval samen met biologisch gevaarlijk spul bewaren. Er bestaat zelfs een handvol ziekenhuizen, vooral in het zuiden, die het bij het gewone dagelijkse afval gooien, in gewone vuilniszakken. Ik maak geen grap. En breek me de bek niet open over kernreactoren. Oorspronkelijk zouden alle verbruikte nucleaire brandstofstaven naar beveiligde opslagplaatsen worden gebracht, maar dat is er nooit van gekomen. Deze opslagplaatsen zijn nooit gebouwd. Het grootste deel van de verbruikte nucleaire staven in de Verenigde Staten worden sinds het begin van de jaren zeventig ter plekke in de reactoren opgeborgen. En er is bewijs dat suggereert dat bijna negentig procent van de reactoren in het land lekken, sommigen zelfs in het grondwater ernaast.”
President Hayes staarde naar zijn stafchef. “Waarom weet ik hier niets vanaf?”
“Technisch gezien weet u ervan af. U bent erover ingelicht maar het heeft nooit een hoge prioriteit gehad tot vandaag.”
“Wanneer werd ik ingelicht?”
“Wilt u dat ik de datums opzoek?”
“Ja, ik wil datums, wie, inhoud van de informatie. Alles.”
Davids schouders zakten naar beneden. Hij pauzeerde. “Thomas, dat kan ik voor je doen maar wat dan? Ga je een rapport van een Nucleaire Regelwerk Commissie van drie jaar geleden herlezen? Ik denk dat we op dit moment grotere problemen hebben om ons zorgen over te maken. We hebben te maken met een crisis in het Midden Oosten, geruchten over een mogelijke oorlog in de media en in de wandelgangen van het Congres. We hebben gestolen radioactief materiaal en een potentiële terreuraanslag in New York City. We zijn de rechterflank van onze eigen partij aan het verliezen. Het is mogelijk dat ze vanmiddag massaal overstappen naar de andere kant. En de op één na invloedrijkste man in Washington heeft zojuist jouw afzetting geëist. We staan op een eiland en het water stijgt snel. We moeten vandaag nog actie ondernemen.”
Hayes had zich nog nooit zo verloren gevoeld. Het was allemaal teveel. Zijn vrouw en dochters waren op vakantie in Hawaï. Goed voor ze. Hij wilde dat hij bij hen was in plaats van hier.
Hij reikte naar David Halstram alsof de man een reddingsboei was in een storm op zee.
“Wat doen we?”
“We draaien eromheen,” zei David. “Jouw kabinet is nog steeds stabiel. Ze geven je rugdekking. Ik ben zo vrij geweest om een bijeenkomst te regelen later vanmorgen. We zetten alle knappe koppen bij elkaar en laten een verenigd front zien. Kate Hoelscher van Financiën, Marcus Jones van Buitenlandse Zaken, Dave Delliger van Defensie kan niet aanwezig zijn om duidelijke redenen, maar zal wel deelnemen via een veilige lijn. En Susan Hopkins zit al op het vliegtuig van de Westkust op weg hiernaartoe.”
“Susan,” begon Hayes.
Hij kon haar naam zelfs niet uitspreken. Meer dan vijf jaar geleden had hij alles gedaan om zichzelf te distantiëren van zijn kandidaat voor het vice-presidentschap. Hij schaamde zich voor de hele situatie met Susan.. Ze begon haar carrière als model en stopte toen ze vierentwintig was, ze trouwde en kreeg kinderen met een miljardair uit de technologie. Toen haar kinderen de schoolleeftijd bereikt hadden, ging ze in de politiek met het geld van haar man. De mensen hielden van haar omdat ze mooi was. Ze hield zichzelf fit en gezond en barstte ook aan het begin van de middelbare leeftijd van de energie. Een vrouwentijdschrift had haar nog niet zo lang geleden gefotografeerd toen ze aan het joggen was in een fel oranje yogabroek en een tanktop. Ze was een redelijk goede publieke spreker. Ze was onstuitbaar in het doorknippen van linten en kookwedstrijden. Ze richtte zich op borstkanker-bewustzijn (alsof er nog mensen waren die er zich niet van bewust waren), levenslang lichaamsbeweging en obesitas bij kinderen.
Ze was geen Eleanor Roosevelt.
David stak een hand op. “Ik weet het. Jij vindt Susan een lichtgewicht, maar je hebt haar nooit een kans gegeven. Ze is al twee termijnen senator van Californië, Thomas. Ze is de eerste vrouwelijke vice-president in de geschiedenis van de Verenigde Staten. Dat is niet niets. Ze is slim en goed met mensen. Maar het allerbelangrijkste is dat ze aan jouw kant staat. En we hebben op dit moment alle hulp nodig die we kunnen krijgen.”
“Wat kan zij überhaupt doen? We houden geen schoonheidswedstrijd.”
David haalde zijn schouders op. “Je laatste populariteitsrating was 12 procent. Dat was drie dagen geleden, en vóór de ramp. Jouw aartsvijand Bill Ryan doet het niet veel beter. Hij heeft 17 procent, vooral omdat het hem niet gelukt is om die oorlogsverklaring erdoorheen te rammen. Hij zal waarschijnlijk tijdelijk iets hoger uitkomen omdat hij dreigt om jou af te zetten.
“Oké. Mensen zijn niet blij met de regering.”
David stak een vinger omhoog. “Grotendeels waar. Behalve Susan. Deze Iran-affaire heeft haar niet geraakt. Haar algemene rating is 62 procent en haar positie bij vrouwen is rotsvast, behalve bij de strenggelovigen. Liberale en onafhankelijke mannen aanbidden haar. Ze is de populairste politicus in Amerika en het is mogelijk dat ze jou wat van die populariteit kan lenen.”
“Hoe?”
“Door hier in het Witte Huis te zijn, door zij aan zij met jou te werken aan de belangrijkste zaken waar dit land mee wordt geconfronteerd, terwijl we het op beeld vastleggen. Ook zijn jullie samen tijdens publieke optredens. En Susan zal dan vrij letterlijk tegen jou opkijken voor leiderschap, alsof jij haar held bent.”
“Jezus, David.”
“Verwerp het op eigen risico, Thomas. Dit is waar we staan. Ik sprak haar net voordat ik binnenkwam in het vliegtuig. Ze begrijpt wat er op het spel staat en ze is bereid om deze dingen te doen. Ze is ook bereid om welke uitspraken we ook doen, ervoor te zorgen dat ze overal gehoord worden: van talkshows in de media tot het platteland.”
Hayes wreef over zijn kin. “Ik moet alleen beslissen of ik dit wel wil doen.”
David schudde zijn hoofd. “De tijd om een beslissing te maken wat betreft Susan is allang voorbij. We hebben haar nodig en de waarheid is dat je haar niet erg netjes behandeld hebt. Eerlijk gezegd zou je blij moeten zijn dat ze met je wil praten.”
Hoofdstuk 15
07:12 uur
Ali Nassars appartement – Manhattan
“Op de grond! Liggen blijven!”
Luke lag met zijn gezicht op de stenen vloer van Nassars kantoor. Ze hadden zijn revolver uit zijn schouderholster gepakt. Een politieschoen stond op zijn nek. De agent was een zware kerel, meer dan negentig kilo. Zijn gewicht zou Luke’s nek zo kunnen breken, als hij dat wilde.
Met één hand hield Luke zijn badge boven zijn hoofd. “Federale agenten!” schreeuwde hij, proberend om boven het volume van de politie uit te komen.
“FBI! FBI!” schreeuwde Ed naast hem. Dit was het gevaarlijke moment waar de goeie jongens andere goeie jongens bij vergissing schoten.
Iemand rukte Luke’s badge uit zijn hand. Ruwe handen trokken zijn armen achter zijn rug en bonden hem strak vast. Hij voelde het koude metaal in zijn polsen bijten. Hij deed geen poging zich te verzetten. In de andere kamers van het appartement was de politie nog aan het doorzoeken, schreeuwend en roepend.
“Stone, waar ben je mee bezig?”
Luke herkende de stem. Hij stak zijn nek uit om te zien wie het was. Ron Begley van Homeland Security stond over hem heen gebogen, omringd door politie in uniform. Hij staarde naar Luke met een gezichtsuitdrukking die walging of misschien medelijden moest uitdrukken. Begley droeg een lange regenjas. Met zijn dikke buik en zijn jas, leek hij op een alcoholverslaafde Ierse rechercheur in de wereld van een TV-producent. Naast hem stond Driedelig, de antiterreuragent van de NYPD van die ochtend, die niet graag als een bediende behandeld wilde worden. Het duurde even voordat Luke op zijn naam kon komen. Myerson. Kurt Myerson.
Ergens was Luke blij om ze te zien.
“De man in de stoel leidde een terroristencel hier in New York. We hebben bewijs dat hem verbindt met de groep die gisternacht het radioactieve materiaal uit het ziekenhuis heeft gestolen.”
Begley bukte zich richting Luke’s hoofd. “De man zit niet langer in de stoel. We hebben hem zojuist losgemaakt. Ik neem aan dat je weet dat hij een diplomaat is voor de Iraanse delegatie van de Verenigde Naties, toch?”
“Hij verschuilt zich achter diplomatieke onschendbaarheid,” zei Luke. “Daardoor kan hij -”
“We staan op de voet van oorlog met Iran, Stone. Dat is waar, maar een oorlog beginnen staat niet in jouw taakomschrijving.” Begley pauzeerde. Het hurken leek zijn adem te benemen maar hij hield het vol.
“Kun je je voorstellen welke enorme consequenties deze stunt met zich meebrengt? De Verenigde Staten van Amerika zal een publieke spijtbetuiging aan Iran moeten geven. Omdat jij doodleuk het initiatief nam om het appartement van een diplomaat binnen te dringen, hem te strippen tot zijn onderbroek, en hem te onderwerpen aan wat op het eerste gezicht lijkt op marteling zoals gedefinieerd bij de internationale gemeenschap. De president zal zich verslikken in zijn ontbijt als hij dit hoort. Een losgeslagen agent van een geheime eenheid van de FBI waarvan niemand ooit gehoord heeft, die maar blijft verschijnen in alle nieuwszendingen voor het geval dat iemand nog niet wist dat overheidsspionage totaal uit de hand gelopen is.”
“Ron, luister.”
“Ik ben klaar met luisteren naar jou, Stone. Wat heb ik daaraan? Je bent helemaal gek. Mijn mannen nemen nu contact op met Don Morris omdat hij de enige is waar je nog naar luistert en hij zal je persoonlijk van je taak ontlasten. Het is te laat om je zorgen te maken over je baan. De man in de kamer hiernaast zal je hoogstwaarschijnlijk aangeven en als hij dat doet dan denk ik dat je de gevangenis ingaat. Niemand zal je beschermen. Niemand zal voor je opkomen.”
Begley bracht zijn stem omlaag. “Ik zal eerlijk zijn. Men zet al vraagtekens bij Dons beslissing om jou in te zetten. Het Special Response Team is Dons kindje, toch? Dit alles zou het einde kunnen betekenen voor het SRT en sneller dan ik ooit had kunnen hopen. Je hebt me een gunst bewezen vandaag.”
Begley stond op. “Haal de handboeien van deze mannen los,” zei hij tegen iemand in de buurt. “Neem ze mee direct de lift in en naar de begaande grond. Geen pauzes, geen geklets, geen hier of daar kijken. Schiet ze in hun hoofd bij het minste teken van problemen.”
“Mijnheer?”
Begley haalde zijn schouders op. “Grapje.”
Twee mannen zetten Luke overeind. Hij ving een glimp op van Begley en Myerson die de kamer uit liepen. De mannen maakten Lukes handboeien los en gaven hem toen zijn revolver en badge terug. Ed Newsam stond links van hem, dezelfde procedure doormakend.
Luke keek naar de computer, zijn externe harde schijf zat er nog steeds in. De horizontale balk was bijna helemaal groen. De bestandsoverdracht was bijna compleet. Luke wist Eds aandacht te trekken. Eds wenkbrauw ging heel even omhoog.
“Lopen,” zei een agent. “Naar buiten.”
Ed liep voorop, Luke kwam na hem. Eds brede rug vulde Luke’s gezichtsveld. Ze zetten twee stappen en waren in de woonkamer. Rechts zat Ali Nassar in zijn witte ochtendjas op een stoel. Hij zat in zijn mobiele telefoon te praten. Een vrouwelijke agent gaf hem een spuit met verdoving in zijn hand en verbond zijn vingers met tijdelijke spalken. Nassar schreeuwde het overdreven uit van de pijn.
Plotseling viel Ed op de grond. Zijn hoofd viel met een klap tegen de vloer. Zijn ogen draaiden weg zodat alleen het oogwit te zien was. Zijn lichaam schudde gewelddadig. Zijn hoofd en armen maakten spastische bewegingen. Binnen een paar seconden verscheen er wit schuim in zijn mondhoeken.
“Oh, Jezus,” zei Luke. Hij knielde bij Eds zijde.
Begley draaide zich om. “Weg bij hem, Stone!”
Luke stond op en stapte naar achteren, hij hield zijn handen omhoog. De agenten kwamen dichterbij.
“Wat is er met hem aan de hand?” vroeg Begley.
“Hij heeft een epileptische stoornis. In Afghanistan zat hij in een Humvee die geraakt werd door een voltreffer en hij liep een ernstige hoofdwond op. Lichte hersenschade, gewijzigde hersengolven. Ik weet het niet zeker. Het is belangrijk om zijn luchtpijp vrij te houden. Binnen een paar minuten is het voorbij.”
“En jullie hebben een agent operationeel die zomaar aanvallen krijgt?”
“Dat soort beslissingen maak ik niet, Ron.”
“Oké, stap naar achteren. Deze jongens weten wat ze doen. Ze zullen voor hem zorgen.”
Luke zette een stap naar achteren, toen nog een. Een kring van agenten stonden en knielden rond Ed. Een paar seconden gingen voorbij en Begley verlegde zijn aandacht weer naar het gesprek dat hij met Myerson voerde. Luke liep heel voorzichtig naar achteren zonder dat iemand het merkte, totdat hij weer in het kantoor van Nassar was. Hij rende naar de computer, trok de harde schijf eruit en liet het in zijn zak glijden. Hij pakte een blauwe balpen van het bureau. Hij draaide zich om. Een agent stond in de deuropening. Luke hield de pen omhoog. “Ik vergat bijna mijn pen.”
De agent gebaarde naar buiten. “Kom op.”
Ondertussen in de woonkamer was Ed gestopt met het schuimen uit zijn mond. Hij lag op zijn zij, nauwelijks bewegend. Zijn ogen gesloten, toen opende hij ze zachtjes. Een paar agenten hielpen hem in een zittende positie. Hij knipperde weer met zijn ogen. Hij zag eruit alsof hij niet wist waar hij zich bevond.
“Voel je je goed?” vroeg iemand. “Je viel vrij hard.”
Ed nam een diepe ademteug. Hij schaamde zich duidelijk voor zijn kwetsbaarheid in het gezelschap van al deze macho-agenten. “Ik weet niet wat me overkwam, joh. De stress. Te weinig slaap. Dit gebeurt alleen als ik oververmoeid ben.”
Luke keek de kamer rond. Rechts was Nassar, niet langer aan de telefoon. Hij stond te praten met de agent die zijn vingers in spalken had gebonden. Luke liep direct op hem af.
“Stone!”
Luke stak zijn linkerhand uit naar Nassar, alsof hij zijn hand wilde schudden. Nassar keek grimmig en negeerde het gebaar. Luke reikte naar voren, greep zijn ochtendjas en trok hem dichtbij. Hun gezichten raakten elkaar bijna.
“Ik weet wat je hebt gedaan,” zei Luke. “En je zult ervoor boeten.”
“Vanmiddag heb jij geen baan meer,” zei Nassar. “Daar zal ik voor zorgen.”
Toen waren de agenten overal en haalden ze uit elkaar. Een grote agent trok Luke in een volle Nelson-greep en draaide hem rond.
“Genoeg!” schreeuwde Begley. “Haal deze clowns hiervandaan!”
In de lift naar beneden waren ze door agenten omringd. Het was stil, iedereen keek naar de sneldalende cijfers.
“Alles goed?” vroeg Luke.
Ed haalde zijn schouders op. “Ik ben moe. Ik heb al jaren niet meer zo’n aanval gehad. Ze vegen de vloer met me aan. Mijn hele lichaam rilt nog steeds.”
Op de straat lieten de agenten hen gaan. Ze liepen zij aan zij door de groene straat, terug naar de geparkeerde SUV. Luke wachtte totdat ze buiten gehoor waren van de groep agenten. “Een epileptische aanval?” zei hij. “Je hebt nog nooit in je hele leven een aanval gehad.”
Ed glimlachte. “Een epileptische aanval is mijn trucje. Maar je moet het geloofwaardig maken om het te kunnen verkopen.”
“Verkocht heb je het, met overtuiging. Toen ik je hoofd tegen de grond hoorde vallen was zelfs ik niet helemaal zeker. Ik zweer dat ik de val in mijn voeten voelde.”
“Juist. Het is maar goed dat ik een hard hoofd heb. En ik heb altijd een paar pillen voor het schuimen bij de hand. Hoe ging het voor jou?”
Luke haalde zijn schouders op. “Ik heb de harde schijf. En dat laatste kleine incident, de confrontatie met Nassar? Dat is een oude zakkenrollertruc.” Hij dook in de zakken van zijn cargo broek en haalde een nieuwe smartphone in een witte plastic hulsel eruit. “Ik heb zijn telefoon uit zijn ochtendjas gepakt.”
Hoofdstuk 16
07:20 uur
Site R – Blue Ridge Summit, Pennsylvania
“Heren, de vergadering zal nu tot de orde komen.” Veertien mannen waren bijeengekomen in een stille kamer diep onder de oppervlakte van de aarde. De kamer was kaal met slechts een grote vergadertafel in het midden, een betonnen gietvloer met stenen muren en plafond. LED-verlichting scheen vanachter een verlaagd plafond. Zuurstof kwam via smalle ventilatieopeningen de kamer in. Er waren geen ramen, wat het gevoel gaf dat de kamer zich aan het einde van een grot bevond. En dat was precies het geval. Iemand met claustrofobie zou het hier nog geen vijf minuten uithouden.
Er was geen audio- of opname-uitrusting in de ruimte. Een intercom die ooit gekoppeld was aan het communicatiesysteem van het gehele gebouw, was tien jaar eerder weggehaald. Ingebouwd in de ene muur was een oud interactief computerscherm, toentertijd liet het een kaart van de wereld en van de Verenigde Staten zien. Het werd gebruikt voor de planning van de locatie van grondtroepen en vliegtuigen en zelfs voor het afvuren van raketten. In theorie zou het apparaat nog steeds functioneren, maar die theorie was al sinds 1998 niet meer getest.
De kamer bevond zich achter een dubbeldikke stalen deur aan het einde van een metalen overloop. De overloop hing drie verdiepingen boven een schemerige en grotachtige commando- en controleruimte. Dit was het diepste punt van het hele complex. Het was geopend in 1953, tijdens de Koude Oorlog met de Sovjet-Unie, en het was gebouwd om herhaalde aanvallen van Russische nucleaire ballistische raketten te kunnen weerstaan.
Tien van de mannen zaten op comfortabele kantoorstoelen rond de vergadertafel. De mannen vertegenwoordigden verschillende inlichtingenorganisaties en afdelingen van het Amerikaanse leger, zowel traditionele als speciale eenheden. Tegen de muur zaten de andere vier mannen op klapstoelen. Deze mannen vertegenwoordigden de vier belangrijkste civiele industrieën: koolmijnen, olie en aardgas, bank en financiën, luchtvaart en defensie.
De groep opereerde in het geheim, zelfs intern. Niemand in de ruimte droeg enige kenmerken van identificatie. Geen naamplaatjes, geen rangonderscheidingen, en geen lintjes of medailles. Niet eens een uniform. De militairen droegen burgerkleding, gewoon een broek met overhemd. Hoewel de meeste mannen elkaar min of meer kenden, waren er dit keer twee vreemdelingen. Hun affiliatie was onbekend voor de rest van de groep.
Een generaal met vier sterren en wit haar, ooit bevelhebber van de eenheid Army Special Forces, stond aan het hoofd van de tafel. Hij wreef over een oud vervaagd litteken op zijn voorhoofd.
“Iedereen kent mij,” begon hij. “Jullie weten mijn rol hier. Dus ik zal direct ter zake komen. De gebeurtenissen hebben elkaar snel afgewisseld in de laatste vierentwintig uur, sneller dan we hadden verwacht. Als reactie op deze gebeurtenissen en om de continuïteit te waarborgen in geval van een grote aanslag of verstoring, hebben we de evacuatieplannen aangepast voor het evacueren van alle seniors, gekozen of benoemd, van het civiele overheidspersoneel. De plannen zijn in werking getreden om 0600 uur, ongeveer een uur en twintig minuten geleden. Ze zullen actief blijven tot nader order. Neem de plannen goed door, ze wijken af van de standaardprocedures.”
Hij keek op een blad voor hem op de tafel.
“Tijdens een aanslag of verstoring, zullen president Thomas Hayes en vice-president Susan Hopkins per helikopter geëvacueerd worden naar het civiele overheidscomplex Mount Weather in de buurt van Bluemont, Virginia. In het geval dat president Hayes overlijdt, neemt de vice-president als tweede in lijn van opvolging de ambtseed af in Mount Weather. Civiele leden van het kabinet, inclusief de minister van Financiën, de minister van Buitenlandse Zaken, en de minister van Onderwijs, zullen naar Mount Weather worden geëvacueerd per helikopter of militair konvooi, afhankelijk van de omstandigheden en de beschikbaarheid van luchtvaartuigen. Deze individuen representeren respectievelijk nummer vijf, zes en acht in de lijn van opvolging.”
Hij keek weer naar zijn aantekeningen.
“In het geval van een aanslag, zal de voorzitter van het Huis van Afgevaardigden per helikopter naar deze faciliteit, Site R, geëvacueerd worden. De voorzitter is momenteel William Ryan uit North Carolina. Indien zowel de president als de vice-president overlijden, dan is voorzitter Ryan nummer drie in lijn van opvolging en zal derhalve de ambtseed hier afnemen als onze gast.”
Hij keek de kamer rond, maakte oogcontact met iedere persoon.
“In het geval van een aanslag of verstoring, zal de voorzitter van de Senaat, de zogeheten Senate President Pro Tem, aan boord gaan van het Communicatie Commando Vliegtuig, met codenaam Nachtwacht, vanaf het vliegveld Joint Base Andrews. Het luchtvaartuig zal gedurende de hele crisis blijven vliegen op een kruishoogte van tienduizend meter met een escorte van gevechtsstraaljagers. In het onwaarschijnlijke geval van het overlijden van de president, de vice-president, de voorzitter van het Huis, dan is de president van de senaat nummer vier in de lijn van opvolging en zal de ambtseed afnemen aan boord van het vliegtuig. De Senate President Pro Tem is momenteel senator Edward Graves uit Kanvas, op dit moment voorzitter van de Commissie Krijgsmacht van het Congres.”
Iemand aan tafel stak een hand op. De generaal herkende een man veel ouder dan hijzelf, een voormalig admiraal van de marine. De man was zo oud dat hij ooit een eenheid van het korps mariniers door een vreselijke storm bij het Pusan Reservoir had geleid, aan het begin van de Koreaanse Oorlog. Er bestond een iconische foto van die gebeurtenis die nooit officieel was vrijgegeven, maar die de generaal had gezien. Het toonde de admiraal op negentienjarige leeftijd, met ontbloot bovenlijf in een modderige loopgraaf, zijn ogen wild, zijn gezicht en lijf donkerrood gekleurd door het bloed van de dode communisten.
“Ja?”
“U heeft de Minister van Defensie niet genoemd. Normaal gesproken zou hij aan boord van de Nachtwacht gaan, het Commando Communicatie Centrum in de lucht.”
De generaal haalde zijn schouders op. “De Minister van Defensie zal hiernaartoe komen.”
“Voorziet u problemen met deze oplossing?”
De generaal pakte het blad voor hem op en begon het in lange smalle repen te scheuren. “Wij voorzien geen enkel probleem,” zei hij.
Hoofdstuk 17
07:40 uur
Gemeenschappelijk Antiterreur Commando Centrum – Centraal Manhattan
“Hoe, in godsnaam, wist Begley waar we waren?” Luke stond in de deuropening van de kleine ruimte van het SRT in het commandocentrum. Trudy en Swann waren hier, samen met nog een paar jongens van het filiaal in New York. Ze staarden met grote onschuldige ogen. Iemand hier deed of hij onschuldig was. Dat, meer dan wat dan ook, maakte Luke woedend.
“Wat?” zei Trudy.
“Begley. Hij kwam zomaar opdagen met de politie bij het appartement van de Iraniër. Niemand had hem gebeld. Hij dook zomaar op. Hoe deed hij dat?”
Swann schudde zijn hoofd. Hij gebaarde naar zijn machines. “Dit spul is gecodeerd, ik ben op mijn eigen netwerk. Het is onmogelijk dat Begleys mensen de code gebroken kunnen hebben in de korte tijd dat we hier zijn geweest.”
“Trudy?”
Ze gooide haar handen in de lucht alsof hij een geweer op haar had gericht. “Waag het niet, Luke. Waag het niet door te gaan. Ik verafschuw Begley. Denk je echt dat ik jou zou verraden bij hem?”
Ed gleed langs hem heen, de kamer in. “Ik denk dat je je focus moet houden, man. Het heeft geen zin om hier tijd aan te verspillen. Ik geloof niet dat een van ons geprobeerd heeft je te verraden.”
Luke knikte. Ed had een punt. “Goed.” Hij liep naar Swann toe en plaatste de inhoud van zijn zakken op Swanns tafel. “Ik heb de harde schijf van zijn computer gekopieerd. Dit is zijn mobiele telefoon. Kun je alle data eruit halen en dan de telefoon vernietigen en laten verdwijnen? Doe dat eerst.”
Swann haalde zijn schouders op. “Ze zullen er toch achterkomen. Het is een iPhone. Ze zullen de locatie opsporen direct naar ons toe. Waarschijnlijk hebben ze dat al gedaan.”
“Dat maakt niet uit,” zei Luke. “Maar laten we het niet vasthouden in onze handen wanneer ze komen. Oké?”
“Oké, Luke.”
Luke keek naar de deuropening, en verwachtte half dat Begley daar stond. “Wat heb je gevonden op de bankrekening?”
“Heel veel. Ali Nassar is een drukke man. Er is heel veel gaande via die rekening. Geld dat binnenkomt en geld dat er vanaf geschreven wordt. Genève, Nassau, Teheran, Parijs, Washington. Veel ervan is anoniem, onmogelijk om te sporen. Oké, niet onmogelijk maar het zou tijd kosten. En tijd hebben we niet.”
“Is er iets interessants dat we kunnen zien?”
“Ja, de afgelopen zes maanden heeft Nassar acht miljoen dollar betaald aan een onderneming met de naam China Ruimtevaart Wetenschappelijk en Technologie Corporatie. De onderneming is in eigendom en beheer van de Chinese overheid. Ze bouwen militaire robotdronen van hoge kwaliteit. De dronen kunnen raketten en bomladingen dragen die vanuit de lucht ontladen kunnen worden, surveillance uitvoeren, connectie maken met een satelliet, alles kan. En China verkoopt het allemaal spotgoedkoop, waarschijnlijk aan mensen die dit spul niet in handen zou moeten krijgen. Noord Korea schiet me zo te binnen. Afrikaanse dictators. Particuliere actoren. De Chinese CH-3A drone heeft een vergelijkbare capaciteit met onze MQ-9 Reaper. Begrijp je?”
Luke begreep het. “Zou je een van deze dingen kunnen laden met een vuile bom en bijvoorbeeld ergens op laten storten?”
Swann puitte zijn lippen. “Misschien. Maar het is moeilijk om zo’n grote drone met die lading door een gebied als Manhattan te vliegen, er zijn teveel hoge gebouwen. Dit zijn niet zomaar huis-tuin-en-keuken drones voor de hobbyist. Ze zijn groot. We hebben het over acht tot 10 meter in spanwijdte, afhankelijk van het model. Deze drones hebben de ruimte nodig om te kunnen manoeuvreren. Ze vliegen en landen net als vliegtuigen. Ze hebben een plafond van vijf kilometer, maar als een drone zo hoog zou vliegen dan zou de luchtverkeersleiding het direct oppikken.”
Luke tapte met zijn vingers op de harde schijf waar de bestanden van Nassars computer op stonden. “Kijk of deze iets bevat.”
“Voor of na de telefoon?”
“Eerst de telefoon, maar zo snel mogelijk.”
Swann zuchtte. “Niemand heeft me ooit verteld mijn werk langzaam te doen. Relax, Swann. Doe het rustig aan en werk grondig. Dat hoor ik nou nooit.”
“Als je die magische woorden wilt horen, dan moet je maar in de particuliere sector gaan werken.”
Swann trok een lang gezicht. “Wat? En vijf keer zoveel verdienen? Absoluut niet.”
“Luke ?” zei Trudy.
Hij draaide zich naar haar toe. Ze stond met grote ogen en hield een mobiele telefoon naar hem toe. “Het is Don,” zei ze. “Voor jou.”
Hoofdstuk 18
Luke hield het mobieltje aan zijn oor en liep de gang op. Het gezoem van gesprekken in de centrale ruimte echoden in de gang. Hij wilde dit telefoontje niet ontvangen. Gedeeltelijk omdat hij niet naar huis wilde gaan. Niet nu, niet na alles wat er gebeurd was deze ochtend en alles wat er op spel stond. Maar er was meer, veel meer.
Luke herinnerde zich de dag dat hij Don voor het eerst ontmoette. Luke was een zevenentwintigjarige legerkapitein. Zes maanden daarvoor was hij tot kapitein bevorderd en hij was net lid geworden van de speciale operaties en terrorismebestrijding elite-eenheid binnen het leger, Delta Force. Het was zijn eerste dag en Luke was nerveus. Don was zijn nieuwe commandant. Don gaf hem instructies terwijl Luke in de ‘op de plaats rust’ positie voor Dons bureau stond.
“Ja mijnheer, Kolonel,” zei Luke op een gegeven moment.
Don zuchtte zwaar. “Jongen, laat me heel duidelijk zijn over een ding. Je bent niet meer in het gewone leger. Dit is Delta Force. We zullen samen leven, samen vechten en misschien op een dag samen sterven. Dus je noemt me Don, of Morris. Je kunt me zelfs klootzak noemen. Het kan me niet schelen maar je noemt me niet meer mijnheer of Kolonel. Dat kun je voor de andere afdelingen van het leger bewaren. Begrepen?”
“Ja -” Luke kon zichzelf er net van weerhouden om mijnheer te zeggen.”Don.”
Don glimlachte. “Goed. Klootzak komt later.”
Jaren later, toen Don Delta verliet om het Special Response Team op te zetten, was Luke een van zijn eerste teamleden.
“Don?” zei hij nu.
“Luke. Hoe gaat het met je?”
“Goed. Het gaat goed. Hoe is de briefing gegaan?”
“Die heeft nog niet plaatsgevonden. We zijn pas tien minuten geleden uit de helikopter gestapt. Het lijkt erop dat ik hier nog een tijdje zit voordat er iets gebeurt. Haast je en wacht.”
“Juist,” zei Luke
“Ik denk dat ze me naar een weiland sturen,” zei Don.
Luke knikte. “Ja, ik weet het.”
“De grote baas belde me kort geleden. Ron Begleys baas van Binnenlandse Veiligheid had hem gebeld. Ik weet alles af van de diplomaat.”
“Don, ik liet het wat uit de hand lopen en het spijt me als je SRT hierdoor kwijtraakt. Maar het spijt me niet dat ik het deed.”
“Relax, jongen. Waarom denk je dat ik je gisternacht opriep? Om je aan de regels te houden? Als dat het geval was, dan had ik je laten slapen. We hebben genoeg, meer dan genoeg van dat soort binnen de overheid. Nee, daar maak ik me geen zorgen over. Ik had niet anders verwacht van jou.”
“Begley wist waar ik was,” zei Luke. “Hij kwam met de gemeentepolitie binnenwalsen.”
“Dat verbaast me niet. We hebben sinds zes maanden of langer iemand in ons team die lekt.”
Luke haalde een hand door zijn haar. Iemand die lekt was slecht nieuws. Hij keek de gang door. Aan het einde van de gang, bij de waterfontein, stond een groepje agenten van de inlichtingendienst zachtjes met elkaar te praten. Een van hen keek zijn kant op en hield daarna de hand voor de mond om te bedekken wat hij zei.
Luke was het zat. Hij moest zijn overlevingstas vinden. Het was bijna tijd om de waarheid boven water te halen.
“Wie is het?” vroeg Luke.
Don leek het liever niet te zeggen. “Luke…”
“Kom op, Don. Ik ben een grote jongen. Ik kan de waarheid aan.”
“Ik weet het niet zeker, maar ik heb mijn vermoedens. Het is al maanden algemeen bekend dat het SRT misschien opgerold wordt. Er zijn een paar mensen die het schip willen verlaten voordat het ten onder gaat.”
“Noem er een.”
“Trudy Wellington.”
“Don…”
Don sneed hem af. “Stop. Ik weet wat je wilt zeggen. Ze is onze beste inlichtingenagent. Daar heb je gelijk in. En ik weet dat je een tijd met haar naar bed bent geweest. Ik ook. Daar heb ik nu spijt van. Ik zou sterven als Margaret er ooit achter zou komen. Maar er is meer. Ik heb Trudy dingen verteld tijdens intieme gesprekken in bed, die ik niet had moeten vertellen. Je weet zelf hoe het is, of niet? Ik ben bang dat het SRT daardoor een open boek is geworden dat iedereen kon lezen. Geloof me, ik voel me zo dom.”
Luke zei niets. Hij kon zijn woorden niet vinden.
“Luke, ik voel me oud.”
“Don…”
“Het kan ook iemand anders dan Trudy zijn,” zei Don. “Er zijn dingen gelekt die zelfs zij niet had kunnen weten. Elke week wordt het hoofdkwartier doorzocht voor afluisterapparatuur. We coderen al onze communicatie. Ons netwerk is een gesloten netwerk. En toch…”
Zijn stem dwaalde even af.
“Het SRT is een slangenkuil geworden, Luke. Er is niemand meer die ik kan vertrouwen. Weet je wat? Dat is een van de redenen waarom ik jou gisternacht belde, zodat jij en ik nog een keer zoals vanouds samen konden werken. Nog een laatste keer hoogvliegen en de schurken in de pan hakken.”
Luke nam een diepe adem. Hij voelde hoe dit gesprek nog uren door zou kunnen gaan zonder dat hij ook maar een woord zei.
“Dus nu komt het nieuws waarop je gewacht hebt,” zei Don. “Weet dat ik dit met tegenzin doe. Ik heb geen keuze hierin, het komt van bovenaf.”
Ineens was er een duidelijke verandering in Dons stem te horen, je kon horen dat hij de woorden van een voorbereide tekst aflas.
“Luke, u wordt verdacht van het plegen van meervoudige misdaden tijdens het uitvoeren van taken die onderdeel van uw opdracht waren. Derhalve, wordt u per direct ontheven van uw positie in het SRT. U bent geschorst van alle werkzaamheden in afwachting van het onderzoek naar uw handelingen. U kunt gedagvaard worden om uwentwege te getuigen. Uw salaris en vergoedingen blijven intact gedurende deze periode, maar onder voorwaarden en afhankelijk van uw volledige medewerking aan het onderzoek.”
Luke kreeg eindelijk zijn stem terug. “Ik was op verlof,” zei hij.
“Je bent de beste detective, de beste antiterreuragent geweest en een van de beste soldaten met wie ik ooit gewerkt heb,” zei Don. “Lever alstublieft uw badge en dienstwapen in bij Trudy. Mogelijke persoonlijke wapens in uw bezit vereisen een vergunning om verborgen wapens te mogen dragen. Heeft u zo’n vergunning?”
“Ja, die heb ik,” zei Luke.
“Het spijt me, Luke. Echt waar.”
Het gesprek was ten einde. Een moment later kon Luke zich niet herinneren hoe het gesprek was geeindigd. Misschien had hij gewoon opgehangen. Hij stond nog even in de gang, de telefoon nog steeds tegen zijn oor gedrukt. Hij leek de controle over zijn benen verloren te hebben. Zijn voeten waren ver weg. Hij zweefde terug naar de kamer.
Daar stond Trudy, naar hem starend.
“Wat zei Don?”
Een wirwar aan emoties raasde door hem heen, hij moest ze onder controle krijgen. Hij wilde niet die persoon zijn die jaloers, boos of gekwetst was. Maar hij was die persoon. Ondanks dat hij een getrouwde man was, voelde hij zich verraden door deze vrouw. Hij dacht dat ze iets speciaals hadden. De gedachte dat ze alleen maar een spelletje speelde… De gedachte dat ze ook met Don intiem was geweest, misschien wel tegelijkertijd. Met wie nog meer? Aan wie lekte ze geheime informatie? Hij had tijd nodig om het allemaal te verwerken.
Luke zette een nepglimlach op. Door de glimlach kon hij zijn emoties een beetje bij elkaar houden. Het voelde bijna echt. “Don zei vol te houden en door te ploegen. Ze wilden me schorsen maar hij heeft besloten dit aan te vechten. Je kent Don. Hij is een ouwe taaie.”
“Echt?” vroeg ze. “Hij besloot om jouw schorsing aan te vechten?”
Het was bijna te gemakkelijk om haar gezichtsuitdrukking te lezen. Ze geloofde er geen woord van.
“Ja,” zei Luke. “Hij veranderde van gedachten terwijl we praatten. Hij weet dat het fout is. Don en ik hebben een geschiedenis, hij laat dat niet zomaar verstoren. Dus ik blijf nog even. Wat heb je voor me?”
Ze twijfelde. “Nou…”
Luke knipte met zijn vingers. “Trudy, we staan met de rug tegen de muur. We moeten scherp blijven. Bestelbusjes, vrachtwagens, wat is de situatie hier?”
Ze pakte haar smartpad op. “Er is beweging geweest. De lokale politie heeft het hotdogbusje doorzocht. Je had gelijk. De Rus bedreef een full service restaurant voor pooiers en prostituees. Hotdogs, Italiaanse worstjes, chips, Red Bull, Pepsi, Mountain Dew. Tevens oxycodon, methamfetamine, XTC, kalmeringsmiddelen, diazepam, noem maar op. Ze vonden hem achterin het busje op een matras met twee prostituees. Niets om over opgewonden te raken, ze lagen te slapen met hun kleren aan.”
“Wat nog meer?”
“De gestolen ziekenauto dook op op de parkeerplaats van een slachthuis in Newark, New Jersey. De politie van Newark ging op bezoek. Afschuwelijk. Het slachthuis was tevens een opslagruimte voor menselijke organen, voornamelijk levers en nieren. In een kamer achterin het gebouw vonden ze twee paar longen die in afgesloten plastic koepels in leven werden gehouden. Een apparaat dwong zuurstof de longen in en de longen ademden. Een politieagent beschreef het als -” ze keep op haar tablet “grote roze vleugels van vlees.”
“En het busje van de wasserij?”
“Tot nu toe nog niets. We hebben het bedrijf, Dun-Rite Wasserij, gebeld. De eigenaar was er. Hij ging naar buiten en telde zijn busjes. Hij zei dat ze er allemaal waren. Eenentwintig bestelbusjes. Hij zei ook dat ze alleen zogenaamde instapbusjes gebruikten. Hij had een hele vloot met omgebouwde bestelwagens van een bakkerij gekocht. Ze gebruiken geen kleine bestelwagens zoals het busje dat we op de video zagen. Hij zei dat we iemand konden sturen om te komen kijken.”
“Hebben we dat gedaan?”
Ze knikte. “Een agent is op dit moment op weg ernaartoe.”
“Dus iemand kopieerde zijn bedrijfslogo en plakte het op hun eigen bestelbusje.”
“Ja. En Dun-Rite heeft een contract met het Center. Dus een busje met dat logo zou er niet verdacht uitzien als het geparkeerd stond bij het ziekenhuis.”
“We moeten dat busje vinden,” zei Luke.
“We zijn al aan het zoeken, Luke.”
“Zoek harder.”
Hij liep abrupt bij haar vandaan. Te abrupt. Ze had het door. Hij liep naar Swann’s hoek. Swann was nog steeds op drie schermen tegelijkertijd aan het werken.
“Wat heb je, Swann?”
“Het complot ontwikkelt zich,” zei Swann. “Ali Nassar heeft een hele map op zijn computer over drone-technologie. Hij heeft PDF’s met kleurenbrochures. Hij heeft honderden foto’s en video’s met vogelperspectief. Hij heeft spreadsheets met vergelijkingen tussen verschillende specs, ladingen, wapens, snelheid, hoogte. Of hij is een proefschrift aan het schrijven, of hij heeft drones gekocht.”
“En de telefoon?”
Swann knikte. “De telefoon. Zijn geschiedenis is helemaal leeg, Hij heeft een app die zijn geschiedenis voortdurend automatisch verwijdert. We kunnen het terughalen maar dan zouden we naar zijn mobiele provider moeten gaan met een dwangbevel.”
“Kun je de provider niet hacken?”
“Jawel, maar het heeft geen zin. Ik zou er zeker twaalf uur voor nodig hebben en tegen die tijd is wat er gaat gebeuren al gebeurd. Bovendien, er zijn belangrijkere zaken. Precies na middernacht vannacht heeft Nassar een enkele vliegreis naar Venezuela gekocht. Het is voor half drie vanmiddag, JFK direct naar Caracas, businessclass. De boardingpas bevond zich op zijn telefoon. Het rekening en een extra kopie van de boardingpas zaten op zijn harde schijf.”
“Venezuela?” vroeg Luke.
Swann haalde zijn schouders op. “We hebben geen uitleveringsverdrag met Venezuela.”
“Tuurlijk, maar waarom gaat hij niet naar huis in Iran?”
Swann draaide zich om. Zijn ogen gluurden achter zijn glazen van zijn bril. “Wat als de aanval mislukt? Voor zover ik weet hebben ze nog steeds vuurpelotons in Iran en bij een mislukking zal hij persoonlijk kennis met ze maken.”
“Het punt is dat hij het land ontvlucht,” zei Luke.
“Ja, vandaag.”
“En hij kocht het vliegticket rond de tijd dat ze het radioactief afval aan het stelen waren.”
Swann knikte. “Mijn gok is dat hij het kocht zodra hij wist dat de roof gelukt was.”
“We hebben hem,” zei Luke. Hij gaf Swann een schouderklop. “Goed werk.”
Luke draaide zich om en daar stond Begley in de deuropening. Twee grote mannen in pak aan zijn zijde. Luke keek de kamer rond. Ed Newsam stond in een hoek bij het raam, hij controleerde de straat beneden en dronk een flesje met jus d’orange. Trudy was bezig op zowel haar tablet als haar mobieltje. Een paar plaatselijke SRT-mannen zaten aan bureaus te tikken op hun laptops.
“Stone, waarom ben je hier?” zei Begley. De kamer viel stil toen hij sprak. Iedereen keek naar hem.
Luke glimlachte. “Ron, voor één keer ben ik blij om je te zien. We hebben eindelijk een doorbraak in de zaak. Ali Nassar schreef een kwart miljoen dollar over van een buitenlandse rekening naar Ken Bryant, de dode concierge van het Center. Nassar heeft miljoenen dollars besteed aan robotdrones van militaire kwaliteit. En gisternacht, terwijl de dieven bezig waren in het Center, boekte hij een vliegticket naar Venezuela voor vanmiddag.”
Begley schudde zijn hoofd. “Dat maakt geen indruk op mij.”
“We moeten hem aanhouden, Ron. We mogen hem niet laten ontsnappen. Als het hem lukt om Venezuela te bereiken dan wordt het moeilijk om hem terug te krijgen.”
Begley keek naar Ed. “Een epileptische aanval, Newsam? Grappig. Ik heb je personeelsdossier laten doornemen. Je hebt helemaal geen aanvallen. Je bent nooit gewond geweest in Afghanistan.”
Ed bewoog zich nauwelijks. Hij stak zijn wijsvinger op. “Incorrect. Twee keer ben ik gewond geraakt. De eerste keer gebroken ribben, een hersenschudding en een gebroken arm toen onze Humvee over een bermbom reed en over de kop vloog. De jongen naast mij verloor zijn been.” Hij haalde zijn schouders op. “De tweede keer, een kogel door de kuit. De kogel rukte een flink stuk vlees eruit. Ze moesten vlees van mijn kont nemen om de spier op te kunnen bouwen. Tot op de dag van vandaag is het vlees van mijn kont een andere kleur bruin dan de rest van mjin been. Je kunt de lijn zien waar ze gehecht zijn. Wil je het zien?”
Begley zei niets.
“In ieder geval klinkt het als wonden in mijn oren. Ik heb twee Purple Heart-onderscheidingen, dus het lijkt mij dat de overheid ook ermee eens is.”
“Ik bedoelde dat je nooit hersenletsel hebt opgelopen.”
Ed keek weer het raam uit. “Dat is wat anders.”
“Begley, luister je naar me?” vroeg Luke. “We hebben de man die de terreurcel gefinancieerd heeft. En we weten welk transportmiddel gebruikt wordt. Het is een drone-aanslag. En dat betekent dat er een grote kans is dat het niet hier plaatsvindt. Er is geen ruimte om te vliegen in Manhattan voor dit soort drones. We zoeken naar een drone die een vuile bom op een specifiek afgeschermd doelwit zal laten storten. En de drone zal waarschijnlijk onder de radar vliegen.”
Begley glimlachte. “Je hebt geen idee waar je het over hebt, Stone. Het zou bijna grappig zijn als je niet zo serieus erover was. We hebben alle inlichtingen die we nodig hebben. We weten wat de doelwitten zijn. Ibrahim Abdulraman, herinner je hem? De man zonder vingerafdrukken? Zijn neef zit in de gevangenis in Egypte. Ze hebben hem meer dan een uur lang ondervraagd.”
“Hem gemarteld,” zei Stone.
“Ongeveer hetzelfde als wat jullie twee deden, of niet soms?”
“Dat was anders,” zei Stone. “We braken een man zijn vingers om een wachtwoord van een computer te achterhalen. Dat was informatie die we meteen konden verifiëren.”
“Er zijn drie mogelijke doelwitten,” zei Begley. “De aanvallers hebben de vrijheid om een van deze doelwitten te kiezen, afhankelijk van de situatie ter plekke. Het eerste doelwit is het ondergrondse restaurant van het Grand Central Terminal treinstation tijdens lunchtijd. Het is altijd vol met mensen. We prioriteren deze plek als de meest waarschijnlijke. We hebben agenten met geigertellers bij elke ingang van het station.”
Luke schudde zijn hoofd. “Je kunt die informatie niet vertrouwen. Ze waterboarden mensen in Egypte. Dat weet je. Ze elektrocuteren ze. Ze hangen ze op aan de polsen. Ze spietsen ze aan ijzeren staven. De verdachten zullen van alles zeggen om het martelen te laten stoppen.”
Begley ging door, hem negerend. “Het tweede meest waarschijnlijke doelwit is de PATH-trein van Hoboken naar Manhattan. Die treinen zijn altijd druk en ze zijn lange tijd onder de rivier de Hudson. Dezelfde procedure daar, geigertellers bij elke ingang aan beide zijden van de rivier. Het derde doelwit is de Midtown Tunnel door een auto-ongeluk te veroorzaken in de tunnel. Als er dan een verkeersopstopping is ontstaan, laten ze de bom ontploffen. We controleren alle auto’s aan beide zijden van de tunnel maar dit is het meest onwaarschijnlijke doelwit. Er zijn teveel onzekere factoren om een goede aanslag te kunnen garanderen. Begrijp je wat ik bedoel, Stone? We hebben het onder controle.”
“Je hebt het mis, Begley. Je kunt inlichtingen die je door martelen verkrijgt niet vertrouwen.”
“Nee. Jij hebt het mis. Weet je waarom ik je over de doelwitten heb verteld? Zodat je zou begrijpen dat je er helemaal naast zit. Je hebt op spoken gejaagd. Je bent niet meer op de hoogte, bovendien ben je geschorst. Dus ga naar huis en laat ons volwassenen dit afhandelen, oké?”
Begley wendde zich tot de twee mannen naast hem. “Ik wil dat deze man, en de man bij het raam, naar buiten worden geleid. Geef ze drie minuten om hun eigendommen bij elkaar te pakken en leidt ze dan weg.”
Begley verliet de kamer, een stilte achterlatend.
Luke stond in het midden van de kamer, starend naar de twee mannen die hem naar buiten zouden begeleiden. De mannen keken expressieloos naar hem. Luke keek de kamer rond. Iedereen keek naar hem.
Hoofdstuk 19
08:19 uur
Oostzijde van Manhattan
“Ik neem aan dat we geen hoge prioriteit meer zijn,” zei Ed Newsam.
De zwarte SUV stond net buiten de betonnen barrières van het helikopterplatform op 34th Street waar ze bijna vijf uur geleden geland waren. Het ochtendverkeer zoefde aan ze voorbij op de FDR Drive. De helikopter was er nog niet dus ze wachtten achterin de SUV. Terwijl ze wachtten kwam een grote witte Sikorsky, een populaire helikopter onder zakenmannen, over de rivier gevlogen.
De helikopter landde en een groep asociaal uitziende jongeren klom eruit. De ene jongen droeg strakke zwarte jeans zonder shirt. Zijn haar was blauw met pieken en zijn magere bovenlijf zat vol met tatoeages. Een andere zeer magere jongen droeg een knalblauw pak met een bijbehorende bolhoed op zijn hoofd. De drie vrouwen die erbij waren zagen eruit als prostituees van twintig jaar geleden, gekleed in minirokjes, haltertopjes en torenhoge pumps. De hele groep was aan het wankelen, lachen en ze lieten dingen vallen. Ze leken dronken.
Twee erg stevige oudere mannen, de ene blank en de andere zwart, beide compleet kaalgeschoren liepen achter de jongeren. De grote mannen waren klassiek gekleed in zwarte T-shirts en blauwe jeans.
Ze stapten allemaal in een verlengde witte limousine. Binnen een paar seconden verdween de limo in het verkeer. Hun helikopter was alweer vertrokken. Het landde, liet de jongeren eruit en vertrok direct erna.
“Maak je je ongerust?” vroeg Luke.
Newsam lag onderuitgezakt op de achterbank, zo lag hij er meestal bij in zijn vrije tijd. “Over wat?”
Luke haalde zijn schouders op. “Ik weet het niet, je baan verliezen misschien?”
Newsam glimlachte. “Ik denk niet dat ze me zullen ontslaan. Het is allemaal politiek, man. Een of andere hoge piet beschermt Ali Nassar, dat is alles. Luister, we hebben de juiste man. Jij weet het en ik weet het. Als vandaag een vuile bom afgaat, God verhoede dat, dan zullen er koppen rollen. Maar onze koppen niet. Een aantal mensen in het Midden-Oosten zullen sterven in een aantal luchtaanvallen. Ali Nassar zal met een kogel door zijn kop ergens in een steegje in Caracas opduiken. En niets van dit alles haalt de kranten. Jij en ik zullen stilletjes een bonus krijgen zodat we onze mond houden. En we zullen er nooit wat van snappen, waarschijnlijk omdat het allemaal onlogisch is. En de persoon die het allemaal aanstuurt gaat gewoon door als vanouds.”
Luke kreunde. Cynisch gepraat was normaal tussen de geheime agenten onderling. Maar Luke had er nooit aan meegedaan. Hij probeerde het altijd simpel te houden, de goeien tegen de schurken. Dat was het wereldbeeld dat hij als een beschermende deken om zich heen hield. Hij moest toegeven dat na vanochtend die deken minder warm aanvoelde.
“En als er geen bom afgaat?”
Eds glimlach werd breder. “Dan neem ik aan dat ze zullen beweren dat we een aardige kerel, die de wereld alleen maar een betere plaats wil maken, hebben mishandeld. Wat maakt het uit? Je zag die kinderen daarnet? Rocksterren, TV-sterren, wie weet? Mijn kleine meiden hadden het waarschijnlijk onmiddellijk geweten. Zag je de grote kerels die erbij waren? Bodyguards. Dat heb ik een tijdje gedaan nadat ik terugkwam van een buitenlandse missie. De werkuren zijn verschrikkelijk, jongeren zijn net weerwolven. Ze komen alleen ’s nachts naar buiten. Maar het wordt goed betaald. Ik zou het weer doen als het moet. Een kerel als ik, die niet roestig wordt, heeft veel opties in deze wereld.”
Luke’s telefoon belde. Hij keek naar het nummer. Het was Becca.
“Het is mijn vrouw. Ik moet opnemen.”
“Ga je gang,” zei Ed. “Ik ga een dutje doen.”
“Hoi, schat,” zei Luke terwijl hij op de groene knop drukte. Hij probeerde vrolijk te klinken, meer voor haar dan voor zichzelf.
“Luke?”
“Ja,” zei hij. “Hoi.”
“Liefje, het is goed om je stem te horen,” zei ze. “Ik maakte me ongerust over je, maar ik wilde je niet storen. Het is op alle nieuwszendingen. Daarvoor werd je opgeroepen, of niet dan? Het gestolen radioactief materiaal?”
“Ja, dat klopt.”
“Hoe gaat het?”
“Ik ben twintig minuten geleden van de zaak gehaald. Ik ben in feite op weg naar huis.”
“Daar ben ik blij om maar is dat goed of slecht?”
“Het is politiek, kun je zeggen. Maar het zal absoluut heerlijk zijn om naar huis te gaan en deze nacht achter me te laten. Wat ben jij aan het doen?”
“Nou, Gunner en ik hebben besloten om een dagje vrij te nemen en iets leuks te gaan doen. Hij kon niet slapen gisternacht en ik ook niet. We missen je, Luke. We willen dat je die gekke baan van je voor altijd achterlaat. Dus ik dacht dat, omdat Gunner in totaal maar vier dagen school heeft gemist dit jaar en ik nog heel veel vrije dagen tegoed heb, we best een dag kunnen overslaan.”
“Tuurlijk,” zei Luke. “Waarom niet? Wat zijn jullie van plan om te gaan doen?”
“Het plan was om naar de stad te gaan. Ik wilde naar het Lucht en Ruimte Museum gaan en hij naar het Spionnenmuseum natuurlijk.”
Luke glimlachte. “Natuurlijk.”
“Maar nu met dat hele terreurgedoe, weet ik het niet. Ze zeggen dat ze overal de beveiliging verdubbelen, vooral bij toeristische attracties. Het is toch best eng. Dus ik laat hem nog een uur slapen terwijl ik iets anders verzin om te doen. Eerst laat ontbijten en dan, ja, wat? Naar de bioscoop? Ik neem aan dat een bioscoop in een buitenwijk tijdens een matineevoorstelling, vrij oninteressant is voor terroristen. Toch?”
Hij moest bijna lachen. “Ha, ja. Ik denk niet dat ze al die moeite doen voor zo’n doelwit.”
“Misschien gaan we daarna naar de klimmuur en met de lunch kunnen we krabkoekjes gaan eten.”
“Klinkt alsof het een leuke dag wordt.”
“Zullen we op jou wachten?” vroeg ze.
“Ik zou wel willen maar wij wachten op de helikopter. Ik weet niet wanneer ik thuis kom. Bovendien ben ik al meer dan vierentwintig uur op.”
Nadat ze hadden opgehangen, deed Luke zijn ogen dicht en stond zichzelf toe om even te sluimeren. Was Ed naast hem aan het snurken? Het klonk wel zo. Luke zag zijn toekomst voor zich. De vakantietijd van de universiteit was voorbij. Hij had een tijdelijke aanstelling gehad om een aantal lessen te geven. Hij had ervan genoten en hij kon zichzelf vaker les zien geven. Misschien een masteropleiding doen waardoor hij ergens een voltijdbaan als docent kon krijgen. Iemand als hij en met zijn ervaring zou geen moeite moeten hebben om een leerstoel te krijgen. Hij was tenslotte een voormalig 75e Rangers en Delta Force Speciale Operaties commando die overal ter wereld werd ingezet en gevechtservaring had. Bovendien was hij een antiterreuragent bij de FBI geweest.
Hij stelde zich de komende zomer voor. Hij en Becca hadden een klein zomerhuisje in Chesapeake Bay. Het huis was al generaties lang in haar familie. De locatie van het huis was perfect, boven op een rots met uitzicht over het water. Een gammele trap liep langs de rots naar de steiger beneden toe. In de zomertijd had Luke er een oude boot liggen. Gunner was nu zo oud dat Luke hem dingen kon leren. Misschien kon Luke hem leren waterskiën dit jaar. Of misschien het sturen van de boot.
Luke creëerde een beeld in zijn hoofd. Met zijn drietjes zaten ze aan tafel op het terras aan de achterkant van het zomerhuisje. De zon ging in het westen onder over het water. Het was het einde van een lange dag zwemmen en varen. Ze aten mosselen en een fles witte wijn stond open op tafel. Hij kon het allemaal in levendige details voor zich zien. Terwijl ze zaten te eten en te lachen, hoorden ze opeens een keiharde luchtsirene afgaan. Het loeide en loeide, luid door de lucht.
Hij opende zijn ogen. De telefoon ging af.
“Ga je vandaag nog antwoorden?” vroeg Ed Newsam. “Of zal ik opnemen?”
Luke nam op zonder te kijken wie het was.
“Stone,” zei hij.
“Luke, Trudy hier. Luister, ik weet dat je tegen me loog. Ik weet dat je geschorst bent. Daar moeten we het nog eens een andere keer over hebben.”
“Oké.”
“We hebben zojuist nieuwe inlichtingen gekregen. Het staat op het grote bord. Een man is ongeveer veertig minuten geleden naar Baltimore Memorial ziekenhuis gebracht in kritische toestand. Hij lijdt aan acute stralingsvergiftiging en heeft ten minste twee schotwonden in zijn rug. Hij werd door twee vissers gevonden onder een snelwegviaduct aan de kade in Baltimore.”
“Wie is het?”
“Zijn naam is Eldrick Thomas. Ook wel LT genaamd of Abdul Malik. Achtentwintig jaar, Afrikaans-Amerikaan. Geboren en getogen in Brownsville, Brooklyn. Een ellenlang strafblad met meerdere gevangenisstraffen gedurende de afgelopen tien jaar. Mishandeling, gewapende overvallen, wapenbezit. Het scheelt niet veel voordat hij een lange gevangenisstraf zal krijgen.”
“Oké, hij is een schurk,” zei Luke.
“Nog relevanter, hij zat twee keer samen met Ken Bryant gevangen. Een keer op Rikers Island, vijf maanden, en een keer bijna twee jaar in de Clinton Correctional Center gevangenis. Hij was lid van dezelfde bende als Bryant, de Black Gangster Family. Hij bekeerde zich tot de islam in de gevangenis en Abdul Malik werd zijn islamitische naam. Hij maakte drie disciplinaire overtredingen waarbij gevechten uitbraken omdat hij andere gevangenen probeerde te bekeren. Hij sprak vooral over de noodzaak van Jihad binnen de grenzen van de Verenigde Staten. Een van die gevechten resulteerde in een maand in de isoleercel.”
Luke werd alert. Hij keek naar Ed. Ed was opmerkzaam geworden door Luke’s lichaamstaal en zat rechtop.
“Nu komt het,” zei Trudy. “Eldrick Thomas en Ken Bryant waren vrienden in de gevangenis. Ze leken als twee druppels water op elkaar. De andere gevangenen en de bewakers noemden hen vaak de Tweeling. Ik kijk nu naar hun politiefotos op Swanns scherm. Ze zouden zo broers kunnen zijn. Je zou ze zelfs kunnen verwisselen.’
“Waarom is hij in Baltimore?” vroeg Luke.
“Niemand weet het.”
“Heeft iemand met hem gesproken?”
“Negatief. Hij was bewusteloos toen ze hem binnenbrachten. Hij ligt op dit moment op de operatietafel om de kogels te verwijderen. Hij is onder narcose.”
“Haalt hij het?”
“Ze verwachten dat hij de operatie overleeft maar meer dan dat weten ze niet.”
“Waarom vertel je me dit allemaal?”
Hij kon haar glimlach aan de andere kant van de lijn voelen. “Ik dacht dat je het zou willen weten.”
“Wie zijn mijn helikopterpiloten?” vroeg Luke.
“Rachel en Jacob,” zei Trudy. “Ik heb ze speciaal voor je geregeld.”
“Bondgenoten,” zei Luke.
“Juist.”
Het gesprek eindigde. Luke tuurde over het water. Een zwarte Bell-helikopter kwam eraan. Dat was hun vlucht. Zijn survivaltas lag aan zijn voeten. Hij opende het en greep rond, op zoek naar zijn dexedrine-pillen. Hij vond ze en hield het flesje omhoog zodat Ed het kon inspecteren.
“Dexies,” zei Ed. “Ik leefde op die dingen in Afghanistan. Nam ze de hele dag door. Ze zijn dodelijk.”
Luke knikte.
“Ik weet het.”
Hij opende het flesje en liet voorzichtig twee capsules in zijn hand vallen. De ene helft van elke capsule was roodbruin, de andere half doorzichtig.
“Het ziet ernaar uit dat we nog één kans krijgen, als je wilt. Ben je klaar om vanmorgen nog wat regels te overtreden?”
Ed nam een capsule van Luke’s hand. Hij stopte het in zijn mond en slok het door. Hij keek op zijn horloge.
“Ik denk dat ik wel wat tijd over heb.”
Hoofdstuk 20
Nul uur
Tussen leven en dood
Hij zweefde, luisterend naar de geluiden. Hij hoorde muziek, zachte klassieke muziek met violen en de piano. De mensen die rond hem stonden hadden mechanische stemmen.
“Schaar. Scalpel. Afzuigen. Ik zei afzuigen! Kun je er niet meer uithalen?”
“Ja, dokter.”
Toen: “Hij heeft geluk gehad. Een centimeter meer naar links en de kogel had zijn slagader geraakt. Dan was hij binnen een paar minuten gestorven.”
Eldrick was niet geïnteresseerd in de dokters en hij was niet geïnteresseerd in het lichaam dat op de operatietafel lag.
Ze waren allemaal onder hem nu, en hij kon een glimp zien van het ding dat de dokters zo hard probeerden te redden. Het herinnerde hem aan een dode hond langs de weg. Het was het niet waard om het te proberen te redden.
Hij draaide zich om en door de deuropening zag hij zijn oma in de andere kamer. Ze stond bij het fornuis en roerde in een pan. Het rook erg lekker.
“LT, kom onmiddellijk hier.”
Hij rende naar binnen. Het was middag, buiten scheen de zon en hij wilde naar het park om te voetballen. Maar de geur van avondeten zorgde ervoor dat hij rilde van verwachting. Het was een gelukkige tijd, voordat alles fout ging.
“Heb je je huiswerk af, schatje?”
“Ja, oma.”
“Je zou nooit tegen me liegen, toch?”
Hij glimlachte.
Ze draaide zich om en haar gezicht was serieus. “Je bent stout geweest, of niet?”
Hij was geen kind meer. Hij was een volwassen man en zij het kleine oude vrouwtje dat aan borstkanker bezweek.
Hij knikte. “Ik ben fout geweest.”
“Kun je het goedmaken?”
Hij schudde zijn hoofd. “Ik weet niet of het ooit goed kan komen.”
09:30 uur
Het ziekenhuis, Johns Hopkins Bayview Medical Center – Baltimore, Maryland
“Daar komen er een paar,” zei Luke. Hij en Ed stonden in de gang van een ziekenhuis, ongeveer twintig meter verwijderd van een deur met APOTHEEK erop. Luke had net geprobeerd de deur te openen maar het was gesloten. In de gang liepen twee mannen in blauwe kleren met lange witte labjassen eroverheen in hun richting. Ze waren aan het kletsen en lachten.
Er waren overal bewakingscamera’s. Het maakte niet uit. Luke was van plan snel te werken. Hij zat toch al in de problemen, iets meer of minder maakte geen verschil meer.
“Pardon,” zei Luke. “Zijn jullie dokters?”
“Ja, dat klopt,” zei een van hen, een fitte man van middelbare leeftijd met een metalen bril op. “Wat kunnen we voor u doen?”
Luke stapte naar de man toe met zijn pistool in zijn hand. Hij drukte het tegen de man zijn buik aan. Hij hield het laag en onopvallend, weg van de videocamera’s. Hij legde een vriendelijke hand op de man zijn schouders. “Geen woord. Je collega ook niet.”
Ed stond achter de tweede man en Luke zag dat hij de loop van zijn revolver hard tegen de onderrug van de dokter duwde.
“We zullen jullie geen pijn doen als je precies doet wat ik zeg.”
De eerste dokter die nog geen minuut geleden zo zelfverzekerd was, was nu aan het beven. “Ik…” begon hij. Hij kon niet meer praten.
“Het is goed,” zei Luke. “Je hoeft niet te praten. Ik wil dat je de deur van de apotheek opent. Dat is alles wat je hoeft te doen. Open de deur en ga samen met mij een paar minuten naar binnen.”
De tweede dokter was rustiger. Hij was kalend en droeg een bril met dikke brillenglazen. Hij was dikker dan de eerste. “Het is goed. Als je drugs nodig hebt dan pakken we wat je nodig hebt, oké? Maar er zijn overal bewakingscamera’s. Je zult niet ver komen.”
Luke glimlachte. “We zullen niet ver gaan.”
De mannen draaiden zich als een groep om en liepen naar de deur. De tweede dokter haalde zijn sleutelkaart over de scanner en het lichtje sprong op groen. Luke opende de deur. Binnen waren er verschillende gesloten medicijnkastjes.
“Wat heb je nodig?” vroeg de dokter.
“Ritalin,” zei Luke. “Twee spuiten.”
“Ritalin?” zei de man.
“Ja, en schiet een beetje op. Er is haast bij.”
De dokter pauzeerde. “Mijnheer, u zult niet high worden van Ritalin. Als u aan ADD lijdt dan kunt u het makkelijk verkrijgen op recept. U hoeft niet al deze moeite te doen. Er zijn programma’s die kunnen helpen met de financiering, als dat nodig is. Bovendien, Ritalin is niet de eerste keuze -”
Luke schudde zijn hoofd. “We zijn geen kleine kinderen meer, dok. Laten we aannemen dat ik weet wat we doen en jij niet weet wat we doen. Oké?”
De dokter haalde zijn schouders op. “Zoals u wilt.” Hij opende een medicijnkastje, liet Luke de fles zien en bereidde de spuiten voor. Terwijl hij bezig was, legde Ed vier plastic tiewraps op de toonbank. Hij opende een lade en vond een paar kleine handdoeken en chirurgische tape. Hij legde het naast de tiewraps.
Toen de dokter klaar was met de spuiten, schoof hij ze over de toonbank.
“Goed zo,” zei Luke. “Bedankt. Nu wil ik dat je nog een ding doet voordat we vertrekken.
“Oké,” zei de dokter.
“Kleed je uit,” zei Luke. “Allebei.”
*
Luke en Ed, gekleed in chirurgische kleding en handschoenen, liepen door de menigte politieagenten die buiten de deur van de kamer van Eldrick Thomas stonden. Ze pauzeerden en deden hun chirurgische maskers op voordat ze naar binnen gingen.
Een bord met een geelzwarte driehoek hing aan de deur. STRALINGSGEVAAR.
Eronder hing nog een bord met instructies.
A. Bezoek beperkt tot 1 uur per dag. Geen zwangere vrouwen of personen onder 18 toegelaten.
B. Bezoekers moeten minimaal een afstand van 2 meter tot de patiënt houden.
C. Bezoekers moeten beschermende kleding aandoen. Een schort, schoenhoesjes en handschoenen. Het is verboden voor bezoekers om zaken aan te raken in de kamer.
D. Bezoekers mogen niet roken, eten of drinken in de kamer van de patiënt.
Een agent legde zijn hand op Luke’s arm. “Wanneer kunnen we verwachten dat hij wakker wordt?”
Luke gaf hem de serieuze doktersblik. “Je bedoelt als hij wakker wordt. We doen ons best. Jullie moeten gewoon afwachten.”
Ze gingen naar binnen. Thomas lag plat op een ziekenbed, hij sliep. Hij had kleine donkerrode vlekken in zijn gezicht en hals. Zijn polsen en enkels waren vastgebonden met plastic flex-boeien aan het metalen rek van het bed. Meerdere monitoren hielden toezicht op zijn vitale functies. Twee agenten met chirurgische maskers en handschoenen stonden in een hoek van de kamer, zo ver mogelijk bij Thomas vandaan.
“Jongens, kunnen jullie ons alstublieft even alleen laten met de patiënt?” zei Ed.
“We mogen de kamer niet verlaten,” zei een van de agenten.
Ed zei de magische woorden, woorden die een bureaucratische wedstrijd touwtrekken zou veroorzaken als de patiënt niet radioactief was. “Het spijt me, maar uw aanwezigheid is in direct conflict met de bepaling van medische zorg.” Toen glimlachte hij. “Bovendien is de kerel aan het bed gebonden. Hij zal niet zal niet ver komen. Geef ons een minuut, oké?”
De agenten liepen de kamer uit, blij om weg te komen.
Luke liep meteen naar Thomas toe. Hij pakte de spuit, haalde het dopje eraf, zocht naar de dikke ader aan de binnenkant van de elleboog op de linkerarm van Thomas en gaf hem de spuit.
“Ritalin dus?” zei Ed.
Luke haalde zijn schouders op. “Het haalt mensen direct uit een narcose. Niet echt toegelaten, maar het werkt altijd.”
Hij nam een stap naar achter. “Het zal niet lang duren.”
Een minuut ging voorbij, toen twee minuten. Halverwege de derde minuut dacht Luke een lichte beweging van de oogleden te zien.
“Eldrick,” zei hij. “Wakker worden.”
Eldricks ogen gingen langzaam open. Hij knipperde met zijn ogen. Hij zag er erg moe uit, hij leek wel honderd jaar oud.
“Mijn borst doet pijn,” zei hij, zijn stem nauwelijks meer dan gefluister. Hij keek langzaam om zich heen. “Waar ben ik?”
Luke schudde zijn hoofd. “Het doet er niet toe waar je bent. Gisternacht was je in New York. Je hebt radioactief materiaal gestolen van het Center Medical Center. Je werkte samen met Ken Bryant en Ibrahim Abdulraman. Beiden werden vermoord. Ook werden twee bewakers vermoord.”
Het geheugen vloeide terug in het gezicht van de kerel. Hij bewoog zich niet. Het leek alsof hij elke minuut zou kunnen sterven. Maar zijn ogen waren hard. “Agenten?” zei hij.
Luke knikte. “We moeten weten waar en wanneer de bomaanslag zal plaatsvinden.”
Eldrick Thomas keek naar Ed. Hij maakte een gebaar met zijn hoofd naar Luke. “Hé, bro. Zorg er even voor dat die duivel van een kaaskop ophoepelt.”
Hij sloot zijn ogen langzaam en opende ze toen weer. “Daarna vertel ik je wat ik weet.”
*
Luke wachtte in de gang, vijftig meter van de groep agenten vandaan. Het duurde niet lang voordat Ed naar buiten kwam. Hij liep snel.
“Kom op, man. We moeten gaan.”
Luke liep snel, hij hield Ed bij. “Wat is er?”
“Ik denk dat hij een hartaanval kreeg,” zei Ed. “Misschien was de Ritalin teveel voor hem. Ik weet het niet. Ik heb op het alarm gedrukt voordat ik ontsnapte.”
“Heeft hij iets gezegd?”
“Ja, dat heeft hij.”
“Wat dan?”
“Ik weet niet of ik het kan geloven.”
Luke stopte. Ed ook.
“We moeten blijven lopen,” zei Ed.
Luke schudde zijn hoofd. “Wat is het doelwit?”
Boven hun hoofd klonk een vrouwenstem uit de intercom van het ziekenhuis, kalm en mechanisch, bijna robotachtig. Code blauw. Code blauw. Derde verdieping, kamer 318. Code blauw. Dokters en medewerkers haastten zich langs de twee heen, hun schouders raakten elkaar.
“Het is getimed om samen te vallen met de Ramadan in Iran. Om 20:24 uur, dat is 10:54 in de ochtend onze tijd.” Hij keek op zijn horloge. “Dat is over ongeveer een uur.”
“Waar?” eiste Luke.
Ed keek met een donkere blik naar Luke. Voor het eerst kon Luke paniek op Eds gezicht zien.
“Het Witte Huis.”
Hoofdstuk 21
10:01 uur
De hemel tussen Baltimore en Washington DC
De piloten waren stoer. De helikopter vloog laag en snel. Het landschap vloog voorbij onder hen, zo dichtbij dat je het bijna kon raken. Luke merkte het nauwelijks. Hij schreeuwde door de telefoon. Het was een slechte verbinding en de lijn werd steeds afgesneden. Ze vlogen over verschillende zendmasten heen en de overgang van de ene naar de andere was slecht door de hoge snelheid.
“Ik wil dat je het Witte Huis evacueert,” zei hij. “Trudy! Hoor je me?”
Haar stem sneed door het geruis. “Luke, ze hebben een arrestatiebevel voor jou en Ed. Het is zojuist doorgekomen.”
“Waarom? Vanwege de dokters? We hebben hen niets aangedaan!”
Er was weer geruis en de lijn verbrak.
“Trudy? Trudy! Shit!”
Hij keek naar Ed.
“Hij zei dat ze een busje gebruikten van wasserij Dun-Rite,” zei Ed. “Het logo was een magnetische sticker. Ze haalden het eraf in Baltimore en veranderden de nummerplaten. Misschien zijn er bewakingscamera’s in de buurt waar Thomas is gevonden. Dan is het mogelijk dat ze het busje op die manier kunnen opsporen.”
Luke’s telefoon ging over. Hij nam op.
“Trudy.”
“Luke, voordat je iets zegt moet je weten dat Eldrick Thomas overleden is. Aan een zwaar hartinfarct. Jij en Ed zijn te zien op de videocamera’s. En in de video is duidelijk te zien dat je Thomas een spuit gaf met een of ander middeltje.”
“Ritalin, om hem wakker te maken,” zei Luke.
“Ed leunde dicht over Thomas heen net voordat hij stierf.”
“Trudy, Thomas was bezig om Ed informatie te geven. Begrijp je dat? Eldrick Thomas is nu niet het probleem. Het plan is om een aanslag op het Witte Huis te plegen. Al het bewijs wijst op een aanval met een drone. Ze zaten in het busje van wasserij Dun-Rite Wasserij maar ze hebben het logo verwisseld. We moeten dat busje vinden en we moeten het Witte Huis ontruimen, iedereen moet eruit. Nu.”
Er klonk weer geruis op de lijn.
“Dat zullen ze nooit doen… Luke? Luke?”
“Ik luister.”
“Ze bewaken Grand Central en station Hoboken PATH. Ze hebben de Midtown Tunnel afgesloten. Ik sprak met Ron Begley. Ze geloven niet dat het Witte Huis het doelwit is. Ze denken dat jullie Eldrick Thomas vermoord hebben. Jullie arrestatiebevel is voor moord.”
“Wat? Waarom zouden we Eldrick Thomas vermoorden?”
De lijn werd weer verbroken.
Luke keek naar Ed. “We laten de piloten het over de radio vermelden.”
Ed schudde zijn hoofd. “Heeft geen zin. Niemand zal ons geloven. En als we de piloten het laten melden, dan weet iedereen waar wij zijn. Nee. We moeten zelf naar binnen gaan. Onopvallend.”
Luke ging naar de cockpit en stak zijn hoofd naar binnen.
Hij kende deze twee, Rachel en Jacob. Het waren oude vrienden van hem. Ze hadden al jaren samen gevlogen. Beide waren voormalige militairen van het 160e Speciale Operaties Luchtvaart Regiment. Luke en Ed waren gewend aan vliegen met dit soort mensen. Dit regiment leverde de aangewezen piloten voor Delta Force.
Rachel was zo stoer als niemand anders. Als vrouw word je niet zomaar lid van de elite-eenheid van militaire piloten voor speciale operaties. Je vocht je weg naar binnen. Wat perfect was voor Rachel, haar vrijetijdshobby was kooivechten. Jacob daarentegen was als een rots in de branding. Zijn kalmte in de hitte van de strijd was legendarisch, surrealistisch. Zijn hobby was mediteren op een bergtop. De twee wisten misschien dat Luke geschorst was. Ze wisten misschien zelfs af van zijn arrestatiebevel. Maar ze wisten ook dat Luke Delta was en ze waren niet het type dat veel vragen stelde.
“Hoe dicht bij het Witte Huis kun je ons krijgen?” vroeg Luke.
“Heb je een lunchafspraak?” zei Rachel.
Luke haalde zijn schouders op. “Kom op.”
“South Capitol Street helikopterplatform,” zei Jacob. “Het is een platform voor de politie, de DC Metro Police. Normaal gesproken is het gesloten voor al het andere verkeer, maar ik ken ze. Ze zullen voor ons een uitzondering maken. Het platform ligt ongeveer vijf kilometer van het Witte Huis vandaan.”
“Ik heb ook een SRT-auto nodig die klaarstaat bij landing,” zei Luke. “Geen chauffeur, alleen de auto. Goed?”
“Begrepen,” zei Rachel. Ze keek over haar schouder naar Luke.
“Ik vertel je later alles.”
Luke ging terug naar het vrachtruim waar Ed bij de open laaddeur stond.
Luke schreeuwde naar hem. “We hebben een helikopterplatform vijf kilometer van het Witte Huis vandaan en we hebben een auto ter beschikking.”
Ed knikte. “Dat klinkt goed.”
De telefoon ging weer. Luke keek om te zien wie er belde. Hij had geen zin meer om te praten over arrestatiebevelen of wie wat geloofde. Dit keer hield hij het kort.
“Trudy, zet me door aan Mark Swann.”
Hoofdstuk 22
10:23 uur
Washington DC
“Dat redden we nooit.” Luke reed de SUV van de zaak door het late ochtendverkeer richting het Witte Huis. Hij kroop vooruit. Ze hadden hier geen tijd voor.
De telefoon zat aan zijn oor geplakt. Hij bleef bellen en kreeg eindelijk verbinding. Voor de derde of vierde keer achter elkaar kreeg hij haar antwoordapparaat. Ze had gezegd dat zij en Gunner van plan waren om naar de bioscoop te gaan.
Haar stem klonk blij en vol energie. Hij stelde zich voor hoe ze eruit zag: mooi, lachend, optimistisch en energiek. “Hoi, dit is Becca. Ik kan nu even niet opnemen maar laat een berichtje achter na de piep, dan bel ik zo snel mogelijk terug.”
“Becca!” zei hij. Hij haalde adem. Hij wilde haar niet ongerust maken. “Ik wil dat je iets voor me doet. Ik heb geen tijd om het uit te leggen. Wanneer je dit hoort, stap dan meteen in de auto en rij naar het zomerhuisje. Ga niet naar huis. Pak niets in. Neem direct de snelweg en vertrek. Alles wat je nodig hebt, kun je daar kopen. Ik zie jullie daar zo gauw mogelijk.” Hij stopte even. “Ik hou zoveel van jullie beiden. Beloof me dat jullie doen wat ik zeg. Twijfel niet. Vertrek meteen, zodra je dit hoort.”
Hij hing op. Naast hem zat Ed kaarsrecht. Een dikke ader klopte op Eds voorhoofd. Hij was aan het zweten.
“We moeten op een of andere manier dit verkeer omzeilen,” zei Luke.
Ed deed het handschoenenkastje open en haalde er een LED-zwaailamp eruit. Hij zette het op het dashboard en zette het licht en de sirene aan. Buiten de auto was het lawaai van de sirene ongelooflijk luid.
TATU-TATU-TATU.
“Gaan!” zei Ed.
Luke reed dwars over het midden heen de linkerrijbaan op. Hij reed tegen het verkeer in met zijn hand op de toeter. Hij trapte op het gaspedaal en toen hij bij het verkeerslicht kwam, gooide hij het stuur naar rechts en kwam hij weer terug op de rechterrijbaan. Hij trapte weer op het gaspedaal en de auto schoot als een raket vooruit.
“Schiet op! Schiet op!” schreeuwde Ed.
Voor hen schoten auto’s aan de kant als een kudde dieren. Luke vloog met een snelheid van honderd kilometer per uur over de kruising heen.
De telefoon rinkelde.
“Swann?”
De stem had een subtiel accent. “Luke, Don Morris hier.”
“Don, ik moet de lijn vrijhouden.”
“Jongen, wat ben je aan het doen? Ze hebben me verteld dat je een man in het ziekenhuis in Baltimore hebt vermoord.”
Luke schudde zijn hoofd. “Ik heb niemand vermoord. Ze gaan een aanslag op het Witte Huis plegen, Don. Dat is de hele tijd het plan geweest.”
“Dat is niet waar, Luke. In de afgelopen tien minuten hebben ze twee Arabische jongens opgepakt, eentje op het Grand Central en de ander in Hoboken. Ze hadden allebei een zogenaamde snelkookpan-bom bij zich in een rugzak. De nationale veiligheidsdienst NSA, gaat momenteel hun identiteit en connecties na.”
“Een snelkookpan is geen vuile bom!” krijste Luke. Hij hoorde zelf zijn schelle stem. Hij klonk als een idioot. Hij had nauwelijks geslapen in vierentwintig uur. Hij was er zich van bewust. Zijn perceptie was misschien wat minder helder. Maar zoveel minder? Zou het kunnen? Hij keek naar de snelheidsmeter. Ze reden met bijna honderdveertig kilometer per uur door de stad.
“De snelkookpannen waren een truc,” zei Don. “De explosieven waren niet eens operationeel. De criminelen sturen de kinderen vooruit om te zien wat er gebeurt. Nu weten ze dat de doelwitten zijn gecompromitteerd.”
Luke probeerde langzamer te praten zodat hij en Don een rationeel gesprek zouden kunnen voeren. Hij wilde dat Don ook zou begrijpen wat voor hemzelf glashelder was. “Don, we hebben met Eldrick Thomas gesproken. Hij was een van de dieven. We hebben hem niet vermoord. Hij stierf aan stralingsvergiftiging. Hij vertelde ons dat het doelwit het Witte Huis zou zijn.”
“Luke, ik weet wie hij was. De inlichtingen die wij hebben is dat, naast al het andere, Eldrick Thomas een professionele oplichter was. Hij heeft jullie belazerd, dat is alles. Dat is wat oplichters doen, ze belazeren mensen. Ze bespelen mensen tot het bittere einde. Hij vertelt jullie dat het doelwit het Witte Huis is. De veiligheidsdienst wordt direct in staat van paraatheid gebracht en mensen denken dat hij meewerkt. Als hij het overleeft dan krijgt hij misschien strafvermindering. De man heeft meer tijd van zijn leven in de gevangenis dan erbuiten doorgebracht. Toch denk jij dat degenen die het brein achter deze aanslag zijn, een onbenullige gangster als Eldrick deze informatie zouden toevertrouwen.”
Luke zei geen woord.
“Je kunt de operatie nu nog afblazen ,” zei Don. “Kom terug naar het hoofdkantoor. Ik kan je daar ontmoeten. Als jij zegt dat je hem niet vermoord hebt, dan geloof ik je. Ik zal er alles aan doen om je te beschermen. We laten een psychiater verklaren dat je een PTSS-episode had. Een psychotische aanval. Je dossier zal dat ondersteunen. Misschien word je een paar dagen opgenomen als patiënt maar dat zou alles zijn.”
Luke kon niet geloven wat hij hoorde.
“Ik moet deze lijn openhouden,” zei hij.
“Je treedt ver buiten de grenzen en als je nog verder gaat dan sta je er alleen voor.”
Er kwam een telefoontje binnen.
“Don, ik moet ophangen.”
“Luke! Waag het niet op te hangen.”
Voor hen was de poort naar het Witte Huis. Ed zette het blauwe licht en de sirene uit. Luke reed iets langzamer. Hij hield de telefoon zo dat hij het scherm kon zien. De persoon die probeerde te bellen was Swann.
Luke antwoordde. “Swann. Heb je ervoor kunnen zorgen dat de Geheime Dienst ons toegang verleent?”
Swann twijfelde. “Ik denk het.”
“Je denkt het?”
“Hou toch op, Luke. Jullie hebben allebei een arrestatiebevel voor moord boven jullie hoofd hangen. Goed zo, het ziet ernaar uit dat jullie Yankee Witte Bevoegdheid, Categorie Een, hebben gekregen. Dit betekent dat jullie direct met de president en vice-president samenwerken. Maar het is een valse bevoegdheid. De databank van de Geheime Dienst zou het binnen dertig seconden kunnen natrekken en vergelijken met de misdaad-databank. Dan hebben ze jullie meteen door. Iemand zou een dubbele controle kunnen uitvoeren en erachter komen dat de bevoegdheid nog geen vijf minuten oud is. Ik kan geen garanties geven. Jullie kansen zijn fifty-fifty. Hoe ver weg zijn jullie?”
“We zijn er nu. We rijden de oprijlaan op.”
“Oké dan. We zullen zo weten hoe goed ik ben.”
Luke hing op. Hij schakelde terug naar Don.
“Don?”
Don had opgehangen.
Het wachthuisje was recht voor hen en werd beschermd door betonnen barrières. Er stond een stopbord en een bord met Verboden toegang. Vier mannen in pak stonden bij de ingang. Op een ander bord stond OPGELET. VERBODEN TOEGANG VOOR ONBEVOEGDEN. 100% ID-CONTROLE.
Luke keek naar Ed. Eds gezicht was gladjes en glanzend van zweet.
“Klaar?” zei Luke.
“Zoals altijd, klaar.”
Luke voelde een druppel zweet op zijn borst. Zometeen zouden ze hun weg naar binnen bluffen om toegang te krijgen tot het Witte Huis. Ze zouden zo ver mogelijk proberen te komen met behulp van de valse toegangsbevoegdheid die Swann geregeld had. Daarna zouden ze hun weg erdoorheen rammen. Ze zouden proberen om het hele veiligheidsapparaat van de Geheime Dienst te omzeilen en de president op eigen hand te evacueren. Twee mannen van een andere eenheid die bovendien uren geleden al geschorst waren. En dit alles gebaseerd op het woord van een dode beroepscrimineel die misschien alles bij elkaar gelogen had.
Even kon Luke bijna Dons reactie begrijpen. Van buitenaf leek het een krankzinnig idee.
Een bewaker verscheen bij Luke’s linkerelleboog. Luke had op de automatische piloot naar het wachthuisje gereden.
Verstijfd gaf hij zijn en Eds legitimatie aan de man. De man liep weg en kwam een minuut later terug.
“Het spijt me,” zei hij. “Beide zijn afgewezen. U heeft geen bevoegdheid.”
“Misschien is het een teken,” zei Ed.
“Kunt u het alstublieft nog eens proberen,” zei Luke.
Voor hen ging het hek open. De beveiliger verscheen weer.
“Het spijt me,” zei hij. “Waarschijnlijk een storing in het systeem.”
Luke reed zachtjes door de poort van het Witte Huis.
*
Swann was goed. Ongelooflijk goed.
Ze liepen het gebouw via de West Wing binnen, voorbij een legitimatiecontrole en door een gang met pilaren in Griekse stijl. Hun voetstappen weerklonken op de marmeren vloer. Ze sloegen rechts af en voor hen was de deur naar de Oval Office, het kantoor van de president.
Twee geheim agenten stonden op wacht bij de ingang.
“Hallo, mannen,” zei een van hen. “Dat is ver genoeg.”
Luke hield zijn badge omhoog. “FBI. We hebben Yankee Wit toegangsbevoegdheid. We moeten dringend met president Hayes spreken.”
“De president is in vergadering.”
“Maar dit wil hij waarschijnlijk niet missen.”
De kerel schudde zijn hoofd. “Wij zijn hier niet over ingelicht. U zult moeten wachten terwijl we dit natrekken.”
Ed wachtte niet. Hij gaf de eerste man een stomp op zijn keel, toen draaide hij en raakte de tweede man op zijn kaak met een elleboog. De eerste man viel op de vloer, grijpend naar zijn keel. Ed bukte, ramde zijn hoofd tegen de stenen vloer en stond daarna meteen weer op. De tweede man probeerde zijn pistool te pakken toen Ed hem in zijn gezicht sloeg. De man was bewusteloos toen hij in elkaar zakte.
Luke en Ed stormden het Oval Office binnen.
Aan de andere kant van de kamer stond de president met de vice-president. Ze leken een enorme kaart die over het bureau van de president lag te bekijken. Achter hen waren drie hoge ramen die uitkeken op de rozentuin. Een man nam foto’s van het geheel. Een jonge kalende man stond in de buurt. En er stonden nog een handvol andere mensen in de kamer.
Toen Luke en Ed binnenkwamen, stond de president meteen rechtop. Hij was erg lang.
Vier geheim agenten trokken hun wapens.
“Stop! Op de grond!”
In het midden van de kamer lag een beige, ovaal vloerkleed met het embleem van de president. Luke liep eroverheen met zijn handen omhoog.
“FBI,” zei hij. “Ik heb een belangrijke mededeling voor de president.”
Hij werd van achteren aangepakt. Binnen een seconde lag zijn wang op het vloerkleed.
Zijn armen werden pijnlijk achter zijn rug vastgehouden. Op zijn gezicht stond de voet van een man. Een meter bij hem vandaan lag Ed in dezelfde positie.
“FBI!” schreeuwde Luke. “Federale agenten!”
Ze hadden zijn badge en legitimatie. Ze pakten Luke’s wapen uit het holster. Hij voelde hoe ze zijn broek omhoogtrokken en zijn extra pistool en mes wegpakten.
“Wat is er aan de hand?” zei de president.
Drie man hielden Luke vast. Een zware arm drukte tegen zijn nek. Hij kon zich niet bewegen en hij kon moeilijk praten. “Mijnheer. Ik ben Agent Stone van het Special Response Team van de FBI. Dit is Agent Newsam. U bent in gevaar. We hebben betrouwbare inlichtingen dat een aanslag met een vuile bom op het Witte Huis is gepland. De aanval zou samenvallen met het begin van de Ramadan in Teheran, en dat is in minder dan vijftien minuten.”
President Hayes liep naar Luke toe. Hij torende boven Luke uit.
“Dat is niet waar,” zei een vrouwenstem.
Luke stak zijn nek zover mogelijk uit en zag Susan Hopkins, de vice-president. Ze was erg mooi, als een voormalig televisiepresentatrice. Ze droeg een grijs pak met een krijtstreep en haar blonde haar was geknipt in een korte bob. “We hebben zojuist bericht ontvangen dat de terreurdreiging onder controle en onschadelijk gemaakt is in New York City.”
“Er is niet genoeg tijd om u alles te vertellen,” zei Luke. “We moeten het hele gebouw ontruimen en we hebben in principe geen tijd meer. Als we het mis hebben, dan zou dat erg genant zijn. Het Witte Huis ontruimd na een valse bommelding. Maar als we gelijk hebben… Daar wil ik niet eens aan denken.”
Iedereen keek naar de president. Hij was een man die gewend was aan het maken van moeilijke beslissingen. Het duurde zeven seconden voordat hij zijn besluit nam.
“Iedereen eruit,” zei hij. “Initieer de evacuatieplannen voor alle medewerkers. Over tien minuten wil ik geen enkele persoon meer in dit gebouw hebben.”
Hoofdstuk 23
10:50 uur
Onder het Witte Huis
Ze namen de lift ver onder de grond. Er waren tien personen in de lift: de president, de vice-president, de jonge stafchef van de president, Ed en Luke, en vijf geheim agenten. Een van de agenten droeg een zwarte leren tas die met een metalen sluiting aan zijn hand vast zat. Ergens boven hen ging het alarm af.
“Hoe zeker ben je van je zaak?” vroeg de president.
Luke’s gezicht had een brandmerk van het vloerkleed. Zijn nek deed pijn. Hij voelde hoe een bult groeide op zijn kaak. Zijn mond bloedde.
“Ik ben nergens zeker van, mijnheer.”
“Als dit vals alarm is, dan zit je flink in de problemen.”
De liftdeuren openden. Ze stapten uit de lift en in een verlichte grotachtige tunnel die oneindig leek. Twee zwarte limousines stonden bij de lift geparkeerd. Luke zat in de tweede auto samen met Ed, de vice-president en twee geheim agenten.
Eds gezicht zag er gehavend uit. Zijn rechteroog was opgezwollen en half dicht. Zijn ooglid had een snee en bloedde.
De auto scheurde door de tunnel, de gele verlichting aan het plafond zoefde voorbij.
“Persoonlijk hoop ik dat je het mis hebt,” zei Susan Hopkins.
“Ik ook,” zei Luke. “Meer dan wat dan ook.”
Aan het einde van de lange tunnel namen ze weer een lift, dit keer omhoog. Ze kwamen uit bij een helikopterplatform. Een grote grijze Sikorsky stond klaar, de rotorbladen roteerden al. Ze klommen aan boord en de helikopter steeg op.
Terwijl ze opstegen zag Luke dat ze opstegen uit een bosachtig gebied ongeveer een kilometer bij het Witte Huis vandaan. Ze zweefden in de lucht op veilige afstand. De president keek naar het gebouw. Luke ook.
“Als er iets zou gebeuren dan zou het ongeveer nu plaats moeten vinden, of niet dan?” zei de President.
Luke keek op zijn horloge. “Het is 10:53 uur.”
“Een vuile bom is meestal klein,” zei Ed. “Het is mogelijk dat we op deze afstand niets zien.”
“Het kan een drone-aanval zijn,” zei Luke. “Als dat zo is dan -”
Plotseling werd hij onderbroken door de ontploffing in de Oval Office, het kantoor van de president.
Een flits van rood en geel licht verscheen achter de hoge ramen. Het glas brak. De muren leken op te zwellen en ontploften toen op het grasveld.
Een andere, grotere ontploffing verwoestte de hele West Wing.
Terwijl ze toekeken, stortte het dak in.
Een serie van explosies volgden elkaar op, van de Colonnade richting de presidentiële residentie in het centrum.
Iedereen zag hoe een van de grootste symbolen van de Verenigde Staten in vlammen opging. Een enorme explosie, de grootste tot nu toe, vond plaats in de residentie. Een groot stuk muur vloog omhoog, en draaide in het rond.
Luke keek ernaar terwijl het in de lucht uit elkaar viel.
Plotseling schudde de helikopter heen en weer. Het viel duizelingwekkend omlaag voordat de piloten het onder controle kregen en verder op konden stijgen.
“Het is een schokgolf,” zei Luke. “Alles is in orde.”
De helikopter maakte een bocht richting het westen. Ze vlogen in stilte, met verdwaasde blikken naar elkaar kijkend.
Luke keek naar Eds gewonde gezicht. Hij leek op een bokser die zojuist een gevecht verloren had. Er viel niets meer te zeggen.
Achter hem brandde het Witte Huis.
DEEL TWEE
Hoofdstuk 24
11:15 uur
Mount Weather Emergency Operations Center, overheidscentrum voor noodgevallen, – Bluemont, Virginia
“Wapens?” zei een man tegen Luke. Twintig geheim agenten waren op het platform toen de helikopter landde. Ze werkten snel en efficiënt en ze haalden Luke en Ed bij de groep weg. Ze manoeuvreerden de president en de vice-president richting het gapende gat van de open tunnel De ingang was twee verdiepingen hoog, uitgevoerd in golfplaten.
Boven hun hoofd vlogen gevechtshelikopters rond net zoals libellen. Toen de helikopter van de president opsteeg werd het door niet minder dan tien helikopters begeleid.
Luke en Ed stonden geïsoleerd op het asfalt, ongeveer vijf meter uit elkaar. Ze waren omheind door prikkeldraad. De Geheime Dienst doorzocht beide mannen grofweg. Twee mannen hielden Luke’s armen vast terwijl anderen zijn zakken doorzochten. Zijn kleren waaiden in de wind van de rotorbladen van de helikopter.
“Wapens?” zei de man weer.
Luke bevond zich in een waas. Het Witte Huis opgeblazen. De Oval Office, toen de hele West Wing, de colonnade en helemaal tot de presidentiële residentie. Hij had iets verwacht, iets… Maar niet datgene waar hij nu getuige van was geweest. Hij was te moe om er een touw aan vast te knopen.
Hij dacht aan Becca en dat hij haar nog niet te pakken had gekregen. Ze zou ongerust over hem zijn. Hij hoopte dat ze op tijd weg had kunnen komen en nu in het zomerhuisje was. Het was aan de oostkust van Maryland. Het was er rustig, veilig. Washington DC en de voorsteden zouden voorlopig in chaos zijn.
“Ik moet mijn vrouw bellen,” zei hij.
De geheim agent die voor hem stond, gaf hem een scherpe stomp in zijn buik. Luke kwam met een schok terug in het hier en nu. Hij keek in de koude blik van de man.
“Draag je verborgen wapens?” zei de man opnieuw.
“Ik weet het niet. Ik ben doorzocht in de Oval Office. Ik denk dat ze alles hebben gevonden.”
“Wie ben je?”
Dat was makkelijk. “Agent Luke Stone, FBI Speciale Response Team.”
“Waar is je legitimatie?”
“Ik weet het niet. Vraag je collega’s maar. Zij hebben alles afgepakt. Luister, ik moet echt bellen en ik kan niet bij mijn telefoon.”
“Je kunt bellen nadat je onze vragen beantwoord hebt.”
Luke keek om zich heen. Het was een zonnige dag maar door zijn moeheid en alle gebeurtenissen, viel er een donkere schaduw over alles heen. Boven hen creëerden de helikopters schaduwen op de grond net als roofvogels die in de lucht cirkelden. Bij de ingang van het complex, draaide de president zich om en liep terug richting Luke. Het was gemakkelijk om hem te zien in de menigte omdat hij zo lang was.
De geheim agent knipte zijn vingers vlak bij Luke’s gezicht. “Luister je naar me?”
Luke schudde zijn hoofd. “Sorry. Luister, jongens. Ik heb een lange dag achter de rug. Ik wil gewoon eerst mijn vrouw bellen en daarna vertel ik alles wat ik weet.”
De man gaf hem een klap in zijn gezicht. Het was een harde klap, bedoeld om Luke’s aandacht te krijgen. Het hielp en zelfs meer dan dat. Luke worstelde om zijn armen los te krijgen. Een seconde later lag hij op de grond, met zijn gezicht omlaag tegen de harde oppervlakte van het zwarte asfalt. Twee kerels hielden hem vast. Links van hem hadden ze Ed ook tegen de grond gegooid.
Vanuit zijn kikkerperspectief zag hij hoe de president naderde, in hoog tempo. Aan alle kanten, links, rechts, voor en achter, was hij omgeven door geheim agenten. Hij stopte drie meter bij hen vandaan.
“Heren!” zei hij op een bevelende toon. “Laat deze mannen opstaan. Ze horen bij mij.”
Luke stond al gauw in de ingang van het Mount Weather-complex. Een menigte mensen, voornamelijk militairen in formele blauwe uniformen, hingen rond hem. De ingang was letterlijk een gigantische tunnel die in de granieten berg was uitgegraven. Het plafond bestond uit gewelfd steen, drie verdiepingen hoog. De president was ondertussen verdwenen.
Luke pakte zijn telefoon weer.
“Hoi, dit is Becca. Ik kan nu even niet opnemen maar laat een berichtje achter na de piep, dan bel ik zo snel mogelijk terug.”
Luke had zin om de telefoon tegen de betonnen vloer te gooien.
“Verdomme! Waarom neemt ze niet op?”
Hij wist het antwoord al, natuurlijk. De telefoon ging zelfs niet af, het ging direct door naar haar antwoordapparaat. De zendmasten waren overbelast. In het hele gebied probeerden miljoenen mensen allemaal tegelijkertijd te bellen.
Ed stond dichtbij, hij probeerde ook te bellen.
“Lukt het?” vroeg Luke.
Ed schudde zijn hoofd.
Luke nam weer het bevel. “Luister, ze nemen me over een minuut mee naar beneden. Ik wil dat je op een of andere manier contact opneemt met Trudy en Swann. We moeten Ali Nassar te pakken zien te krijgen. Als de NYPD hem niet wil arresteren dan moeten onze jongens het doen. Arresteer hem, laat hem verdwijnen en breng hem naar een schuilhuis. We moeten hem koste wat het kost in het land houden. En van Ron Begley hoeven we geen hulp te verwachten.”
Ed knikte. “Goed. Zal ik Don ook proberen te bereiken?”
Luke haalde zijn schouders op. “Oké, als je hem kunt bereiken.”
“Wat zal ik tegen hem zeggen?”
Luke wist niet hoe hij die vraag zou beantwoorden. Don was een van zijn mentoren maar hij was veel meer dan dat. Don was als een vader voor Luke geweest. Toch had Don hem vandaag geschorst en hem aangeraden om zich op te laten nemen in een psychiatrische instelling. En beide keren had Don het bij het verkeerde einde.
Ongeveer vijf meter verderop, gingen twee grote ijzeren poorten open. De groep begon erheen te lopen, Luke liep mee.
“Zeg hem dat we nog leven en de president ook.”
“En dan?” vroeg Ed.
Luke haalde zijn schouders op. “Als dat allemaal gelukt is, probeer dan wat te eten.” Hij gebaarde naar de lift. “Dit zal niet lang duren.”
De vrachtlift was groot en twee verdiepingen hoog. Twintig mensen klommen erin. De lift ging langzaam naar beneden langs ruw uitgehakte rotsen. Er hing een geel bord bij de poort waarop met grote zwarte letters stond: PAS OP – HANDEN NIET NAAR BUITEN STEKEN.
De lift ging verder naar beneden, steeds dieper en dieper de grond in.
Luke keek naar de mensen om zich heen. Mannen in pakken. Mannen in uniformen. Iedereen was schoon, iedereen was netjes gekleed en iedereen was vol spanning en vastberadenheid. In vergelijking met hen voelde Luke zich versleten, vies en uitgeput.
De lift leidde naar een smalle gang. Ze bewogen als een kudde door de gang heen die naar een helder verlichte crisiskamer leidde. Platte monitoren vulden twee hele muren. Iedere monitor toonde ongeveer twaalf open beeldschermen met elk een afbeelding, video of informatie. De schermen waren aan en een klein team van technici zaten aan het touchpad-paneel. Ze waren afbeeldingen en video-opnames op de schermen aan het uploaden. Een video liet het Witte Huis in brand zien, omgeven door brandweerauto’s. Een aantal lieten brandende moskees zien. Anderen toonden scènes van gevulde straten, vol met juichende mannen met baarden die AK-47 geweren in de lucht afvuurden.
Een vluchtig beeld trok de aandacht van Luke. Het was een video van een paar seconden van de ingang van de West Wing. Een snel bewegende donkere vlek verscheen aan de rechterbovenhoek van het scherm en stortte door de deuren van de lobby heen. Nog geen seconde later ontplofte de lobby en brokstukken vlogen de tuin in en op de ronde oprit. De video herhaalde zich keer op keer in slowmotion. Zelfs in slowmotion was het onmogelijk om te zien wat voor object de vlek was.
Een jonge man in een bruin uniform nam Luke bij de arm en leidde hem verder de kamer in. Voor hem zaten twaalf mensen in stoelen met hoge rug aan een lange tafel. En ongeveer dertig anderen, assistenten, medewerkers, strategen en God wist wie nog meer, stonden langs de muren. De president stond aan het hoofd van de tafel. De vice-president, een kop kleiner, stond naast hem.
“Hier is hij dan,” zei president Thomas Hayes en gebaarde naar Luke met de palm van zijn hand wijd open. Zijn tanden waren blinkend wit en perfect. Hij deed Luke denken aan een TV-presentator die zijn publiek uitnodigt om te kijken wat er zich achter deur nummer 3 bevindt.
“Hoe heet je ook alweer?” zei de president.
Vijftig gezichten draaiden zich om naar Luke. Met alle ogen op hem gericht, voelde hij zich nog erger, versleten en vies.
“Stone,” zei hij. “Ik heet Luke Stone, FBI Special Response Team.”
De president knikte. “Dit is de man die ons leven gered heeft.”
Luke zat aan de vergadertafel. Hij zonk in de zachte leren stoel. Een assistent bracht hem een donut, verpakt in plastic. Iemand anders gaf hem koffie in een beker van piepschuim. Luke schonk een kuipje met zuivelvrije room in zijn koffie. Door het licht van de TL-buizen leek de koffie groen.
Het complex was ontworpen om een kernoorlog te kunnen weerstaan. Het voedsel wat ze serveerden was hier ook op aangepast.
Een luitenant-kolonel in een blauw militair uniform stond voor het beeldscherm dat in het midden hing. Hij wees op het scherm met een rode laserpen. “Om ongeveer 10:54 uur Eastern Time, werd het Witte Huis aangevallen door meerdere explosieve wapens, inclusief ten minste één radiologisch verspreidingsapparaat van radioactief materiaal met tot nu toe onbekende inhoud. De West Wing, inclusief de Oval Office, zijn zo goed als compleet verwoest. De colonnade en de presidentiële residentie hebben grote schade opgelopen. De East Wing werd niet direct aangevallen maar liep schade op door de kracht van explosies op andere plekken, tevens liep het rook- en waterschade op.”
“Is er nieuws over het aantal slachtoffers?” vroeg de president.
De luitenant-kolonel knikte. “Zeventien doden zijn tot nu toe bevestigd. Drieënveertig gewonden, een aantal daarvan in kritische toestand. Acht mensen vermist. In de eerste uitruk zijn waarschijnlijk 24 brandweermannen en ambulancepersoneel blootgesteld aan straling. We zullen pas over enkele dagen de consequenties hiervan weten. Vanaf ongeveer 11:24 uur is het verplicht voor alle brandweerlieden en ambulancepersoneel om beschermende pakken van niveau Een tegen gevaarlijke stoffen te dragen. Dit heeft natuurlijk het reddingswerk aanzienlijk vertraagd, zowel om de brand te blussen als het zoeken naar overlevenden.”
Het was doodstil in de ruimte. De man hoestte zachtjes en ging toen door.
“De aanslag heeft grote paniek veroorzaakt. We hebben een exclusiezone van een kilometer rond het Witte Huis opgezet. Alleen bevoegd personeel mag naar binnen. Ook al is er op dit moment geen meetbare straling bij de grens van de zone, probeert praktisch iedereen tegelijkertijd de stad te verlaten. Intussen is ook het metrosysteem door heel Washington DC en omgeving afgesloten. Alle hoofdstraten en grote verkeersaders in de stad zijn afgesloten voor al het verkeer behalve voor spoedgevallen. Dit heeft enorme files en opstoppingen veroorzaakt op de kleinere wegen. Deze effecten hebben zich tevens verspreid naar de rest van de regio. Amtrak heeft het trein- en busverkeer tussen Washington en Boston opgeschort. Alle grote vliegvelden in de regio zijn gesloten in afwachting van grondige veiligheidscontroles. Bovendien zijn moskeeën in meer dan een dozijn steden aangvallen. En nieuws van meerdere aanvallen op moskeeën komen elke minuut binnen. Het lijkt erop dat veel Amerikanen geloven dat de aanslag door moslims is uitgevoerd, dus mensen zetten de moskeeën in brand en vallen moslims aan uit wraak.”
“Het waren moslims,” zei Luke.
De man pauzeerde. “Wat zegt u?”
Luke haalde zijn schouders op. “Het waren moslims, de daders.”
De spreker keek naar de president, die gewoon knikte.
“Kunt u die verklaring toelichten, Agent Stone?”
“Het is zo duidelijk als ik duidelijk kan maken,” zei Luke. “Mijn eenheid werd gisternacht laat opgeroepen om de diefstal van radioactief materiaal van een ziekenhuis in New York City te onderzoeken. Waarschijnlijk heeft u alles over de diefstal vanmorgen op het nieuws gehoord. Wij konden de diefstal herleiden tot een terroristencel die op zijn minst bestond uit twee Amerikanen en een Libiër en aangestuurd werd door een Iraanse diplomaat verbonden aan de permanente delegatie van Iraan van de Verenigde Naties in New York. Kijk eens naar de korte video op scherm C daar, die met dat vage object dat zich op de West Wing stort? Dat is ofwel een drone die met hoge snelheid vliegt of een raket afgevuurd vanaf een drone. Deze man heeft een anonieme bankrekening in Grand Cayman om militaire dronetechnologie te kopen van China ter waarde van miljoenen dollars.”
Susan Hopkins zat tegenover Luke. Ze staarde naar hem. Luke kon zien wat mensen in haar zagen. Ze zag er precies uit zoals ze was: een model die zich uitgaf voor de vice-president van de Verenigde Staten. In het echt was ze zelfs nog mooier dan op TV.
“Is dit feit of giswerk?” vroeg ze.
“Alles wat ik gezegd heb is gebaseerd op feiten,” zei Luke. “Mijn partner en ik hebben de diplomaat vanochtend ondervraagd maar hij werd beschermd door Homeland Security voor welke redenen dan ook. We werden onder dwang van de scène verwijderd voordat we veel uit hem konden krijgen.”
Ze glimlachte en schudde haar hoofd. “Was dat het martelincident? Ik werd erover ingelicht tijdens mijn vlucht van Los Angeles vanochtend. Als het niet voor alle andere gebeurtenissen was geweest, dan zouden jij en je partner op dit moment waarschijnlijk het belangrijkste nieuws in America zijn.”
Het was of de vijandigheid in haar stem of de cafeïne in zijn koffie maar wat het ook was, Luke pepte op. Nog geen uur geleden had hij het leven gered van deze vrouw. Ze mag dan wispelturig zijn, maar toch.
“We ondervroegen hem,” zei hij. “Hij wilde zijn medewerking niet verlenen en er stonden mensenlevens op het spel. Inclusief uw leven, dat van de president en de levens van alle mensen in het Witte Huis. Geloof me dat we hem onder de omstandigheden zachtjes hebben aangepakt. Als ik een glazen bol had gehad dan zouden we hem veel harder hebben aangepakt.”
Ze knikte. “Dat is erg dapper van je om toe te geven, gezien wat we tegenwoordig vinden van marteling. Het is ook gewaagd van je om te zeggen dat dit een aanslag door moslims is, want we weten eigenlijk nog niets. Door de huidige staat van internationale relaties, kunnen we niet zomaar aankondigen dat Iran achter de aanslag ligt. Dat zou niet alleen dapper of gewaagd zijn, het zou gevaarlijk voorbarig zijn.”
“Ik zei dat een Iraniër het georganiseerd heeft. Hij kocht de dronen. Hij betaalde de mensen die hierbij betrokken waren. Ik sta achter mijn woorden.”
“Ben je je ervan bewust dat we aan de rand staan van een oorlog met Iran en dat er leden van het Congres zijn die de president willen afzetten als we niet de oorlog verklaren? Ben je je ervan bewust dat een oorlog met Iran waarschijnlijk leidt tot oorlog met Rusland?”
Luke schudde zijn hoofd. “Dat is niet mijn afdeling. Ik vertel gewoon wat ik weet.”
De kamer barstte uit in gefluister.
De president stak zijn hand omhoog. “OK, OK.” Hij keek Luke recht in de ogen. “Vertel ons eerlijk. We hoeven geen actie te ondernemen dat op jouw mening gebaseerd is maar persoonlijk wil ik het horen. Geloof jij dat de Iraanse regering achter deze aanslag ligt?”
“Ik trek nooit zodanige conclusies,” zei Luke. “Wat ik weet is dat een Iraniër de aanslag georganiseerd heeft. Ik weet dat hij een diplomaat is die verbonden is aan de Iraanse V.N. delegatie. En het laatste wat ik weet is dat hij leeft en zich nog steeds op Amerikaanse bodem bevindt.”
De President keek de kamer rond. “Nog eens, we hoeven niet te reageren op de informatie van Agent Stone maar ik wil dat hij doorgaat met het inzamelen van informatie en zijn vindingen aan deze groep rapporteert. Ook al kan het resulteren in wat tegenstrijdigheden.”
“Dat zal voor mij moeilijk worden om te doen,” zei Luke.
“Waarom?”
Luke schudde zijn schouders nu. “Ik ben vanaf vanochtend geschorst van mijn taken. Ik word verdacht van een aantal misdrijven die ik tijdens het uitvoeren van deze opdracht zou hebben begaan.
De luitenant-kolonel keek naar Luke. “Is dat alles?”
Luke schudde zijn hoofd. “Er is ook een arrestatiebevel voor mijn arrestatie in Baltimore.”
“Voor wat?”
“Moord.”
Iedereen werd stil. Alle ogen waren weer op Luke gericht.
“Het is een drukke dag geweest,” zei hij.
Hoofdstuk 25
“Hoe ging het daar beneden?” vroeg Ed.
Ze stonden aan de kant van het helikopterplatform. Ze zagen een groep mensen uit een zojuist gelande helikopter stappen en naar de ingang van Mount Weather rennen waar ze in veiligheid zouden zijn. Luke herkende de vertegenwoordiger van Vermont.
Hij haalde zijn schouders op. “Ik heb ze verteld wat ik weet. Ze zeiden dankjewel maar wij geloven liever iets anders.”
“Klinkt zoals verwacht,” zei Ed.
“Ze willen geen oorlog met Iran,” zei Luke.
Ed haalde zijn schouders op. “Dat begrijp ik goed. Oorlog is hel.”
De seingever zwaaide naar Luke en Ed met fel oranje staven en gaf het groene licht. Ze renden gebukt naar de helikopter. Er was maar een helikopterplatform in werking bij deze ingang en elke twee minuten landde of steeg er een helikopter op.
Luke en Ed waren nog maar net ingestapt of de helikopter steeg op. Ed rukte de deur dicht, vijf meter boven de grond. Luke zonk in zijn stoel en deed zijn veiligheidsgordel om. Ze zaten in een machine die gebouwd was om acht passagiers te vervoeren. Veel mensen van de civiele overheid vlogen juist van Washington DC, naar Mount Weather. Niet veel vlogen de andere kant op, terug de stad in.
Hij keek op zijn horloge. Het was 12:35 uur. Meer dan elf uur geleden sinds Don hem gebeld had. Ongeveer dertig uur sinds hij gisterochtend wakker werd. Hij telde het aantal keren dat hij een dutje had kunnen doen, en kwam tot de conclusie dat hij minder dan dertig minuten geslapen had sinds gisteren.
Ze stegen op boven het uitgestrekte complex. Het lag al gauw achter hen en werd vervangen door groene bossen en lage, ruige bergen. De hemel zag zwart van de helikopters, allemaal wachtten ze op hun beurt om te mogen landen. Kijkend naar het oosten vormden de helikopters één lange file in de lucht als een schakelketting helemaal tot de horizon. Luke keek naar beneden. Daar was een snelweg die richting het westen bumper-aan-bumper propvol was, terwijl richting het oosten de rijbanen praktisch leeg waren met hier en daar een eenzame auto.
“De motels in West Viriginia zullen een drukke nacht hebben,” zei Ed.
“Pennsylvania, Maryland, North Carolina,” zei Luke. “Er zal waarschijnlijk geen kamer vrij zijn binnen een radius van 300 kilometer.”
Ed knikte. “En veel mensen zullen in de auto slapen.”
Luke keek naar Eds gezicht. Hij had zich gewassen in het herentoilet en was in elk geval schoon. Maar de geheim agenten hadden hem flink aangepakt, erger dan Luke. Misschien was het een wraakactie voor het neerslaan van de twee collega’s in de Oval Office. Misschien omdat hij zwart was. Moeilijk om te zeggen waarom. Maar zijn oog was zo opgezwollen dat het dicht zat. Hij had een paar donkere bulten op zijn kaak die mettertijd mooie blauwe plekken zouden vormen. En hij zag er moe uit. Uitgeput.
“Je ziet er belabberd uit, man.”
Ed haalde zijn schouders op. “Je zou die andere kerel moeten zien.”
“Ga je een arbeidsschadeclaim indienen?”
Ed schudde zijn hoofd en glimlachte. “Nee, ik zal jou gewoon aanklagen voor roekeloos gedrag. Hoe is het met je aansprakelijkheidsverzekering? Ik hoop dat je er eentje hebt.”
Luke lachte. “Veel geluk daarmee. Trouwens, we zijn niet meer geschorst.”
Ed haalde een wenkbrauw op. “Was ik ooit geschorst?”
“Ik weet het niet. Misschien, maar misschien ook niet. Maar nu ben je het in ieder geval niet meer. Bovendien heb je een nieuwe baas.”
“Oh ja? Wie dan?”
Luke staarde naar de snelweg onder hem. Er stond een ellenlange file zover het oog reikte. “De president van de Verenigde Staten van Amerika,” zei hij.
Hoofdstuk 26
13:15 uur
McLean, Virginia – Hoofdkantoor Special Response Team
Luke had nooit echt naar de foto’s van Don Morris gekeken. De muren van zijn kantoor hingen er vol mee. Maar Luke had dan ook nooit echt rondgehangen in Dons kantoor zonder iets te doen te hebben. Don was er meestal als Luke binnenkwam.
De foto’s waren geweldig. Een ervan toonde een veel jongere Don samen met Arnold Schwarzenegger. Hij liet de acteur een grote MK-19 granaatwerper zien. In een meer recente foto had hij Mark Wahlberg in een jiujitsugreep. Wahlberg hing ondersteboven met zijn benen in de lucht en zijn hoofd bijna op de mat. Luke wist dat Don soms advies vroeg in Hollywood om hun nepfoto’s er iets realistischer uit te laten zien.
Er waren er nog meer. Op eentje ontving Don van Jimmy Carter een medaille die op een Bronzen Ster leek. Op een andere schudde hij Ronald Reagan de hand. Hier was hij samen met Bill Clinton. Daar stond hij in een rivier met de huidige voorzitter van het Huis, allebei in vliegvisuitrusting. En op weer een andere hield hij een toespraak voor een comité van het Congres.
Luke merkte dat er iemand achter hem in de kamer stond.
“Hallo, jongen,” zei Don.
“Hoi, Don. Geweldige foto’s.” Luke draaide zich naar hem toe. “Jij komt ook overal, hè?”
Don kwam de kamer verder in gelopen. Hij droeg een overhemd en een pantalon. Zijn lichaamstaal was ontspannen, maar zijn blik was scherp. Hij ging achter zijn bureau zitten en gebaarde naar de stoel tegenover hem.
“Ga zitten en ontspan.”
Luke deed wat hij zei.
“Politiek…” zei Don, “…is een andere manier van oorlogvoeren. Netwerken is bepalend geweest voor het overleven van deze eenheid. Ons team doet fantastisch werk, maar als de hoge pieten niet op de hoogte zijn, dan hebben we geen werk meer. In de ogen van de pennenlikkers zijn wij ongeveer even belangrijk als de post ‘Diversen’.”
“Oké,” zei Luke.
“Ik zie dat je gedoucht hebt,” zei Don. “Was het verfrissend?”
Luke knikte. De doucheruimtes hier waren tiptop. En hij bewaarde twee sets met schone kleren in zijn kastje, zelfs tijdens zijn verlof. Hij voelde zich niet honderd procent, maar wel een stuk beter dan eerder.
“Het scheelde niet veel vandaag, hè?”
“We hebben erger meegemaakt,” zei Luke.
Don glimlachte. “Hoe dan ook, ik ben blij dat je leeft.”
Luke glimlachte terug. “Ik ook.”
“Zijn we nog steeds partners?” vroeg Don.
Luke wist niet zo goed hoe hij deze vraag moest beantwoorden. Ze werkten al heel lang samen. En tot vandaag had Luke er nooit een moment aan getwijfeld dat Don hem koste wat het kost zou beschermen. Maar vandaag was anders, vandaag had Don tot twee keer toe de situatie verkeerd beoordeeld. Hij rende de ene kant op terwijl de bal in volle vaart de andere kant op ging. Als Luke naar Don had geluisterd, dan zouden de president, de vice-president en een heleboel anderen nu dood zijn geweest.
Het was een ingrijpende verandering, alsof je een ijsberg ter grootte van Kentucky in de oceaan zag storten bij Antarctica. Zoiets is gigantisch als je het ziet gebeuren, maar de gevolgen zijn zelfs nog groter.
Misschien werd Don ouder. Misschien zag hij hoe het Special Response Team om hem heen ineenstortte, de organisatie die hij in de loop van tien jaar had opgebouwd, en dat maakte hem bang. Misschien voelde hij dat het einde nabij was, en dat herinnerde hem aan zijn eigen sterfelijkheid. Misschien vertroebelde dat zijn beoordelingsvermogen. Luke was bereid om dat allemaal te geloven. “We zullen altijd partners blijven,” zei Luke.
“Goed,” zei Don. “Luister, je bent nog steeds geschorst. Het is me niet gelukt om ze van mening te laten veranderen. Ik denk dat ze de beslissing zullen herroepen, maar pas over een dag of twee. Dus ik stuur je zolang naar huis. Ben je het daarmee eens?”
“Don…”
“Ik zou me er geen zorgen over maken, jongen. Je had toch al verlof en na alles wat je gedaan hebt, verdien je wel een paar dagen vrij. Verdomme, je ziet eruit als iets wat de kat naar binnen heeft gesleept.”
“Ik heb nieuwe orders, Don.”
Dons gezicht stond strak. “Op wiens bevel?”
Luke keek hem recht in de ogen. “De president. Hij wil dat ik de sporen van vanochtend blijf volgen en rapporteer aan zijn veiligheidsteam in Mount Weather. Als het mogelijk is, wil ik gebruikmaken van de SRT-mensen hier, maar als dat niet kan, stelt de president de Geheime Dienst ter beschikking.”
Don glimlachte met zijn mond maar niet met zijn ogen. Luke voelde een kleine steek. Dons SRT stond aan de rand van de afgrond en nu pikte de president zijn agenten in. Maar goed, Don moest sterk blijven. Dit ging niet over ego’s of financiering van het bureau. Dit ging over een klus die geklaard moest worden.
Don staarde naar zijn bureau. “Nou ja, als de orders van de president komen, dan zie ik niet hoe ik kan weigeren. Hetzelfde geldt voor de directeur van de FBI. Totdat ik andere instructies krijg, staat alles wat je nodig hebt ter beschikking.”
*
Trudy Wellingtons lichaamloze hoofd verscheen op het platte beeldscherm aan de muur. Luke, Ed Newsam, Don Morris en nog een stuk of vijf andere leden van het Special Response Team zaten in de vergaderruimte. Op een lange zwarte tafel lagen verse broodjes van de delicatessenzaak die nog geen twee kilometer verderop lag. Lukes roggebrood was belegd met pekelvlees en zuurkool.
Hij keek naar Ed. Ed had ook gedoucht en zich omgekleed. Hij droeg een zwarte SRT-overall. Hij hield een ijszak tegen zijn oog. Hij verslond twee broodjes en had een grote kop koffie op tafel staan. De mok was zwart met in rode letters: JET FUEL.
Ed zag er alert, ontzagwekkend en formidabel uit; een andere man dan een halfuur geleden. Behalve zijn gehavende kop en opgezwollen oog zag hij eruit als de man die Luke diezelfde ochtend nog voor het eerst ontmoet had.
“Kunnen jullie me goed horen?” vroeg Trudy.
“We horen je duidelijk,” zei Don.
“Beeld oké?”
“Ziet er ook goed uit. Is Swann daar?”
“Hij staat achter me. Hij heeft ervoor gezorgd dat we deze verbinding hebben.”
“Goed,” zei Don. “Wat heb je voor ons?”
“Nou, het is één grote puinhoop,” zei Trudy. “De Nationale Garde is gemobiliseerd. Bij elke brug of tunnel uit Manhattan worden voertuigen doorzocht. Het verkeer is overal totaal verlamd. Takelwagens halen geparkeerde auto’s weg om ruimte te maken voor hulpdiensten. De politie heeft de metro en de treinstations afgesloten. Bij ieder metrostation is er maar één in- en uitgang open en iedereen die naar binnen wil wordt gefouilleerd. Elke tas wordt geopend. De rijen wachtenden zijn meerdere huizenblokken lang. De menigte op Times Square werd zo groot dat de politie het metrostation daar gesloten heeft en het plein ontruimd. Er lopen minstens tienduizend mensen richting het noorden, naar Central Park. Er komen voortdurend berichten van vandalisme binnen, voornamelijk ingeslagen winkelruiten.”
“Wat nog meer?” vroeg Don.
“Op dit moment lopen er honderdduizenden mensen Manhattan uit, via de bruggen van Brooklyn, Manhattan, Williamsburg, 59th Street, George Washington en 138th Street. Het lijkt net als toen met de aanslagen van 11 september. Mensen zijn over het algemeen kalm, maar ik moet er niet aan denken hoe het eruit zou zien als de aanslag hier had plaatsgevonden.”
“Nog nieuws van het bestelbusje van de wasserij?” vroeg Luke. “We weten niet wat voor radioactief materiaal er bij de aanslag op het Witte Huis is gebruikt. Zolang het busje nog op de vlucht is, kunnen we een tweede aanslag niet uitsluiten.”
“We zijn ermee bezig,” zei Trudy. “Herinner je je Eldrick Thomas nog? Hij werd op een parkeerplaats in de haven van Baltimore gevonden. Die parkeerplaats ligt precies aan de afrit van de I-95. De plek staat bekend als een trekpleister voor drugshandel en prostitutie, dus de politie van Baltimore heeft bewakingscamera’s geïnstalleerd aan het begin en het einde van de weg naar het parkeerterrein. De camera aan het einde, bij de ingang van de parkeerplaats, was buiten werking gesteld. Waarschijnlijk door de mensen voor wie de camera’s bedoeld waren. Maar de camera aan het begin van de weg werkt nog steeds. Swann, kun je de video’s tonen?”
Het beeldscherm verdeelde zich in twee helften. Op het beeld links was Trudy die naar iets keek wat zich buiten het bereik van de camera bevond. En op het beeld rechts verscheen een onscherpe video-opname van een straat met vier rijbanen en verkeerslichten. De straat was leeg.
“We hebben dit pas een halfuur geleden ontvangen,” zei Trudy. “Om wat voor reden dan ook wilde de politie van Baltimore de beelden niet graag vrijgeven. Er was een moment waarop ik dacht dat we naar de federale rechter moesten stappen.”
Terwijl ze keken, kwam er een wit bestelbusje op het scherm. Het logo op de zijkant was duidelijk. Dun-Rite Wasserij. Het busje sloeg rechts af, waardoor het van de voorkant te zien was.
“Oké, Swann, stop de video hier,” zei Trudy. “Je kunt de kentekenplaat zien. Korrelig, maar het lukte ons om het te lezen. Een kenteken uit New York voor bedrijfswagens, AN1-2NL. Dezelfde kentekens als het busje dat zich in de buurt van Center Medical Center bevond en dat we ook op video hebben. Maar kijk eens als het een tijdje later van het parkeerterrein wegrijdt.”
Swann spoelde de video vooruit, het busje verdween en kwam een seconde later weer terug. Dit keer kon je de achterkant zien. Luke zag een grote oranje vlek waar de kentekenplaat zou moeten zitten.
“Dit is twintig minuten later,” zei Trudy. “Zie je het kenteken? Dat is een New Yorks kenteken voor particuliere voertuigen, 10G-4PQ. En kijk eens wanneer het busje links afslaat, de snelweg op. Zie je dat? Het logo van de wasserij is eraf gehaald. Erg slim.”
“Dus wat doen we nu?” vroeg Luke.
“Elk politiebureau binnen een straal van vijfhonderd kilometer is gewaarschuwd via een APB, all-points bulletin. Helikopters van de staatspolitie van Maryland en Virginia vliegen rond. Ze hebben allemaal een kopie gekregen met de afbeelding van het busje en kijken nu uit naar witte busjes op de wegen.”
“Stel dat het ergens binnen staat?” zei Ed.
Trudy schudde haar hoofd. “Dat maakt niet uit. Al het videomateriaal van de afgelopen acht uur, van elke verkeerscamera in Maryland en Virginia, is naar een bedrijf in India gestuurd. Op ditzelfde moment kijken vierhonderd Indiërs in Delhi naar de verkeersopnamen met één enkele taak: zoek het witte busje met het oranje kenteken 10G-4PQ. Ze krijgen een bonus afhankelijk van de snelheid waarmee ze het busje ontdekken, niet van het aantal uren dat ze erin steken. Iemand zal dat voertuig binnenkort vinden en daarna zal het eenvoudig zijn om het busje van verkeerslicht naar verkeerslicht te volgen totdat het ergens stopt.”
“Degene die in dat busje zit zal wel wanhopig zijn,” zei Luke. “Ze hebben al twee man verloren. Als ze het gevoel krijgen dat we dichterbij komen, dan bestaat er een kans dat ze zichzelf opblazen. Als iemand dat busje vindt, dan wil ik dat wij, en daarmee bedoel ik het SRT, ter plekke zijn. We moeten deze mensen levend oppakken.”
“We zullen ons best doen,” zei Trudy. “Maar we waren gedwongen om deze informatie te delen met ongeveer vijftig politiebureaus en een stuk of tien inlichtingendiensten. Als we het geheim hadden gehouden, dan zouden we het misschien nooit vinden.”
“Dat begrijp ik,” zei Luke. “Maar als we de Little Bird nemen, dan kunnen we binnen korte tijd waar dan ook zijn. Landen is ook geen probleem. Geef ons alleen op tijd een seintje.”
“Dat zal ik doen,” zei ze.
“En hoe staat het met Ali Nassar?”
“Daarvoor moet je met Swann praten.”
Trudy verdween en Mark Swanns gezicht verscheen. “Luke, we hebben een team van drie man naar het appartement van Nassar gestuurd om hem op te pakken, maar ze kwamen te laat. Toen ze aankwamen verliet Nassar het gebouw met een veiligheidsdelegatie van de Iraanse missie. Ze stonden met getrokken wapens. We wilden geen schietpartij op straat veroorzaken en eerlijk gezegd maakten onze jongens geen kans.”
“Waar gingen ze naartoe?”
“Dit was voordat het Witte Huis werd aangevallen, dus het was niet al te druk op de straten. Ze reden het centrum in en brachten Nassar naar de Iraanse missie op Third Avenue. Het gebouw is hermetisch afgesloten. Het zou een heel leger en de nodige slachtoffers kosten om hem daaruit te krijgen. In principe zouden we de oorlog aan Iran verklaren, en dat doen we niet. Zelfs als het ons zou lukken om binnen te komen, dan zouden we hem waarschijnlijk dood aantreffen.”
“Shit,” zei Luke.
“Maak je geen zorgen,” zei Swann. “Het is de CIA gelukt om door de jaren heen meer dan tweehonderd afluisterapparaatjes in dat gebouw te planten. Elf daarvan werken nog steeds. Het is een groot gebouw, maar Nassars stem was op tenminste twee van de elf apparaten te horen. Er was veel discussie gaande toen ze hem binnenbrachten. Het is allemaal in het Farsi, dus we begrijpen er niet veel van, maar de CIA heeft tolken. En mijn contactpersoon in Langley heeft me op de hoogte gebracht van wat er gezegd werd. Ze gaan hem het land uit smokkelen, misschien zelfs vandaag al.”
“Hoe denken ze dat te doen? Alle vluchten zijn geannuleerd.”
Swann stak een vinger op. “Alleen de commerciële vluchten zijn geannuleerd. Privévluchten zijn nog steeds toegelaten. Er staat een privévliegtuig klaar voor vertrek op Kennedy Airport. De Iraanse missie ligt vlakbij de Midtown tunnel. Als en wanneer het verkeer afneemt dan is het een rechte lijn naar de tunnel, via de snelweg Van Wyck Expressway, richting Kennedy.”
“Kunnen we hem arresteren als hij naar buiten komt?”
Swann haalde zijn schouders op. “NYPD en Homeland willen niet meewerken. Ik denk dat Begley pisnijdig is omdat je gelijk had en hij zal zich de haren uit het hoofd trekken hierover. We zouden hem zelf kunnen oppakken maar dan moeten we bereid zijn ervoor te vechten. En hij moet niet in een of andere vermomming naar buiten stappen of verstopt liggen in de kofferbak van een auto.”
“Ik wil dat iedere uitgang van de missie in de gaten wordt gehouden,” zei Luke. “We mogen hem niet laten ontsnappen, zelfs als het betekent dat we -”
“Luke? Luke?” Trudy’s stem was hoorbaar maar haar gezicht was niet te zien. “Luke, we krijgen zojuist inlichtingen binnen over het bestelbusje. Iemand heeft het gezien. Ze hebben het gevolgd tot een sloopterrein in noordoost DC. Het staat geparkeerd. We hebben over dertig seconden een satellietbeeld ervan.”
Luke was al opgestaan. Hij keek naar Ed Newsams stoel. Newsam zat er niet in. Luke keek naar de deuropening van de vergaderruimte. Ed hield de deur al open.
“Ik wacht op jou,” zei Ed.
Luke keek de kamer rond. Don zat in zijn stoel, hij staarde recht voorruit.
“Don?”
Hij knikte.
“Ga.”
Hoofdstuk 27
13:45 uur
Ivy City – noordoost Washington DC
De man was een geest. Hij had geen naam. Hij had geen familie. Hij had geen legitimatie bij zich. Als ze zijn vingerafdrukken zouden nemen dan zou hij in geen enkele criminele- of militaire databank verschijnen. Hij had een verleden, natuurlijk had hij dat, maar dat deed er niet meer aan toe. Hij had zijn oude leven achter zich gelaten en de man die hij was. Nu leefde hij in een soort eeuwig heden. Het heden had zijn beloningen.
Hij lag op zijn buik op het dak van een verlaten gebouw van drie verdiepingen hoog. Hij samen met zijn sluipschuttersgeweer, de THOR M408. Hij noemde het de Almachtige THOR. Hij en zijn geweer werkten als één, het was zijn life-supportsysteem. Het was de bron van zijn creatieve expressie. Overal om hen heen lag oud vuil. Kleren, dozen, een oude magnetron, een kapotte zwart-wit televisie. Er stond een roestig winkelwagentje en er lag een aandrijving van wat ooit een pick-up truck moet zijn geweest. Hoe of waarom iemand dat ding ooit naar boven had gebracht was een raadsel. Het was het niet waard om daarover te denken.
Het gebouw, zo vervallen als het was, was tot voor kort nog bewoond. Tot vanochtend woonden er acht heroïne junkies. Hun vieze matrassen vol met vlekken, oude vodden, vuile naalden en miezerige bezittingen lagen overal. Hun zinloze graffiti-gebrabbel vulde de muren door het hele huis. De man liep door dit alles heen op weg naar het dak. Het was nogal een spektakel.
Nog voor zonsopgang waren de verslaafden zachtjes maar met dwang uit het huis verwijderd. De man had geen idee wat hun lot was, het kon hem niet schelen. Ze zaten in de weg dus moesten ze verwijderd worden. Het zou waarschijnlijk voor iedereen, inclusief zijzelf, het beste zijn als ze vermoord zouden worden.
De man haalde diep adem en deed zijn ogen een paar seconden dicht. Toen opende hij ze weer en focuste opnieuw op het doelwit. Hij lag onder een restant van een oud, groen zonnescherm, zo eentje die mensen gebruikten om de zijtuin te overdekken en te beschermen tegen de regen. De enorme geluidsdemper van zijn geweer was het enige deel dat van buitenaf zichtbaar was. Ja, hij was zeker dat niemand hem daar zou kunnen zien. En niemand zou het schot horen wanneer hij het geweer afvuurde.
Zijn vizier was gericht op de deur aan de passagierskant van een wit bestelbusje dat op het sloopterrein geparkeerd stond. Door de telescoopvizier leek de deur van het busje slechts enkele centimeters verwijderd. De man zou het liefst nu willen schieten maar door de zon kon hij slecht door het raam van het busje zien. Bovendien had hij instructies gekregen om te wachten tot het doelwit de deur zou openen en uit zou stappen.
Dat was zijn taak. Wachten tot de deur open gaat en een man uitstapt. Schiet de man in zijn hoofd met één schot. Ontmantel Almachtige THOR. Glij onder het zonnescherm vandaan en loop naar beneden, de straat op. Daar zou een onopvallende auto voor hem wachten. Stap in de auto aan de passagierskant en iemand die hij nog nooit ontmoet had zou hem wegrijden.
Er was meer, iets met een dronken zwerver die het terrein op zou lopen om te plassen en dan alle mobieltjes en ander traceerbare communicatiemiddelen zou verwijderen. Maar dat hoorde niet tot de taken van de man en hij wist verder niets over de zwerver. De straten in de buurt waren vol met haveloze zwervers, dronken van wijn en bier. Het zou wie dan ook kunnen zijn.
De man op het dak was geen zwerver. Hij droeg het bruine uniform van een klusjesman. En wanneer hij het gebouw zou uitkomen, zou hij een gereedschapskist dragen. Niemand die naar hem zou omkijken. Hij was waarschijnlijk een vertegenwoordiger van een of andere afwezige huisbaas. Hij was hier om een klein probleem in het gebouw te repareren.
Tot dan moest hij wachten. Hij hield een oog op de deur.
*
Niets klopte nog.
Ezatullah Sadeh zat voorin op de passagiersstoel van het witte bestelbusje. Hij was zojuist wakker geworden na een grieperige slaap vol nachtmerries. Zijn lichaam was nat van het zweet, net als zijn kleren.
Hij rilde, hoewel hij wist dat het een warme dag was. Hij had eerder die dag overgegeven maar dat leek nu gestopt te zijn. Hij keek naar zijn telefoon en zag dat het allang middag was. Hij zag ook dat er geen berichten voor hem waren.
De zelfverzekerdheid die hij vanochtend nog voelde was allang verdwenen. Verwarring was ervoor in de plaats gekomen. Ze stonden geparkeerd op een smerig terrein vol onkruid en gevuld met sloopauto’s en vuilnis. Buiten de poorten van het sloopterrein was het een sloppenwijk, een typisch Amerikaans betonnen oerwoud. Trieste winkels, dicht op elkaar, vrouwen met plastic tassen wachtend bij de bushaltes, dronken mannen op de hoek van de straat met een blikje bier in een bruine papieren zak. Hij kon de geluiden van de buurt goed horen: verkeer, muziek, geschreeuw en gelach.
De laatste instructie die hij had ontvangen, was om naar dit terrein te komen. Dat was vanochtend vroeg, in Baltimore, net voordat ze de jongen die Eldrick heette waren kwijtgeraakt. Ezatullah had nooit echt geloofd in Eldricks onderwerping aan Allah en hij kon zichzelf er niet toe brengen om hem bij zijn islamitische naam, Malik, te noemen. Vanochtend leek het jammer dat Eldrick in paniek raakte en wegrende, slechts een paar stappen verwijderd van glorie. Maar nu…
Ezatullah was niet zo zeker meer. Toen ze hier aankwamen was de poort op slot met een hangslot. Niemand had hem hiervoor gewaarschuwd. Ze moesten de zware ketting met een betonschaar doorknippen. Zowel hij als Mohammar waren tegen die tijd al zo zwak dat het hen erg veel moeite kostte. Ze reden het terrein op en parkeerden het busje tussen twee sloopauto’s en wachtten. Nu, vele uren later, waren ze nog steeds aan het wachten.
Hoewel, technisch gezien, waren ze niet allebei meer aan het wachten. Mohammar was ondertussen overleden. Ezatullah wist niet precies wanneer maar ergens na zonsopgang. Hij wilde wat zeggen tegen Mohammar, maar Mohammar luisterde niet meer. Hij was dood, hij zat rechtop achter het stuur. Hij was de laatste overlevende. Hij nam aan dat Eldrick gestorven was, liggend in het onkruid. Iedereen in zijn cel was dood, al zijn mannen.
Ezatullah had een berichtje gestuurd naar zijn contactpersonen met het nieuws dat Mohammar gestorven was, maar hij kreeg natuurlijk geen antwoord. Hij zuchtte bij de gedachte. Hij hoopte dat Mohammars opoffering Allah zou behagen. Mohammar was nog geen twintig jaar oud. En hoewel hij erg intelligent was, was hij ook nog net een kind.
Ezatullah sloeg uit frustratie op het dashboard. De klap was zwak. Zijn naam betekende ‘God zij geloofd’ en het was zijn bedoeling geweest om deze missie tot zijn levenswerk te maken, zijn publieke vertoning van zijn geloof. Maar nu was het te laat.
De aanval was zonder hen doorgegaan. Op zijn mobieltje had hij het nieuws gezien dat het Witte Huis ontplofte. Dat betekende dat zijn groep slechts een afleiding was. Het was nooit de bedoeling geweest dat zij een aanslag zouden plegen. Ze waren naar dit doodlopende einde geleid en daar achtergelaten. Ezatullah vond het moeilijk om te accepteren maar hij realiseerde zich dat hij slechts een marionet was die gebruikt en weggegooid kon worden.
En de aanslag, ook al was het spectaculair, was eigenlijk een fiasco. Slechts een handvol onbelangrijke mensen was gedood terwijl de President zonder een schrammetje was ontsnapt. Ze hadden Ezatullah moeten vertrouwen. Hij zou de klus geklaard hebben zoals het bedoeld was. Hij schudde zijn hoofd in ongeloof.
Plotseling kreeg hij een berichtje op zijn telefoon.
We zijn trots. Je hebt goed werk geleverd en alles zal duidelijk worden mettertijd. Er wacht een groene auto voor je op straat. Kom nu, Mujahideen.
Ezatullah staarde naar het bericht. Het was bijna onmogelijk om het te geloven na zoveel uur. Als dit waar was dan hadden ze hem niet verraden. Nu dat de missie voorbij was, stuurden ze iemand om hem naar huis te brengen.
Maar hij twijfelde. Durfde hij ze werkelijk te vertrouwen?
Het was mogelijk, realiseerde hij zich. Natuurlijk had zijn contactpersoon hem niet ingelicht over ieder aspect van de aanslag. Het volledige beeld was niet voor hem bedoeld. Het was een gevaarlijke en moeilijke operatie, eentje waarbij veel mensen betrokken waren. De anderen moesten beschermd worden. Mocht Ezatullah opgepakt worden, dan zou hij niets kunnen vertellen wat hij niet wist, zelfs niet als hij door de CIA gemarteld zou worden. Hij had geld gekregen, van wie wist hij niet. Hij had instructies gekregen, van wie dat was wist hij ook niet. Hij had een doelwit, maar dat veranderde enkele keren en hij wist niet waarom.
“Opstaan,” zei hij tegen zichzelf. “Opstaan en loop naar ze toe.”
Hij kon aan alles ontsnappen. Hij hoefde alleen maar de deur te openen en de straat op te lopen. Hij was ziek, dat klopte, maar zij konden hem zeker genezen. Dit was de Verenigde Staten. In een donker steegje zou een clandestiene kliniek zijn met een dokter op de zwarte lijst. En in vergelijking met veel andere landen zou het een ultramoderne buitenpost zijn.
Goed. Het was duidelijk. Hij zou deze dag overleven. En zijn grote levenswerk zou moeten wachten tot een andere dag, op een andere plek.
Hij duwde de deur open. Hij was verrast dat de deur zo gemakkelijk openzwaaide. Misschien was hij sterker dan hij dacht. Hij keek een laatste keer naar Mohammar.
“Vaarwel mijn vriend,” zei hij. “Je bent dapper geweest.”
Ergens dichtbij, loeiden sirenes. Ze kwamen dichterbij. Misschien was er nog een aanslag gepleegd of misschien was het gewoon een normale dag in deze achterbuurt. Ezatullah zwaaide zijn lichaam om en gleed uit het busje. Zijn voeten kwamen terecht op de vieze grond van het terrein, hij merkte dat zijn benen instabiel waren maar het lukte hem om te staan. Voorzichtig nam hij een stap, toen nog één. Allah zij geprezen, hij kon nog steeds lopen.
Hij gooide de deur achter zich dicht en haalde diep adem. Het laatste wat hij zag was de blauwe hemel en het felle zonlicht op een warme junidag.
Hoofdstuk 28
Ze noemden het de Kleine Vogel. Soms noemden ze het het Vliegende Ei. Het was de MH-6 helikopter; snel en licht, gemakkelijk te manoeuvreren, een helikopter die niet veel ruimte nodig had om te landen. Het kon op smalle daken en in nauwe straten in drukke buurten landen. De helikopter was geliefd bij speciale operatie-eenheden en Don had er eentje aangeschaft toen hij het Special Response Team opzette.
Het vloog laag over de straten, net boven alle elektrische leidingen. Luke en Ed zaten op houten banken die vastgespijkerd zaten aan de flanken van het toestel, hun benen bungelend in de lucht. Naast het sloopterrein, vond de piloot een betonnen gebouw met een brandtrap van twee verdiepingen hoog. Hij landde en beide mannen gleden eruit het dak op. Drie seconden later was de helikopter terug in de lucht.
Een minuut daarna, liepen Luke en Ed over het terrein heen naar het witte bestelbusje. Het wemelde er van de politieagenten. Zeven of acht politieauto’s stonden op de stoep geparkeerd met blauwe zwaailichten aan. Er stonden ook twee brandweerauto’s. Een Hazmat-vrachtauto en een auto van de explosievenopruimingsdienst waren het terrein opgereden. Geel politietape zette de ingang af.
In een verre hoek van het terrein waren mannen in volledige Hazmat-uitrusting het busje aan het doorzoeken. Alle deuren stonden open. Een lichaam lag op de grond bij de passagiersdeur, bloed lag in een plas ernaast. Een ander lichaam zat aan de bestuurderskant.
Ongeveer 50 meter bij het busje vandaan, stapte een agent voor hun voeten.
“Dat is ver genoeg, mannen.”
Luke liet hem zijn badge zien. “Agent Stone, FBI Special Response Team.” Hij zei het hoewel hij niet meer zeker was voor wie hij nu werkte. Maar goed, hij had zijn badge nog. Dat was goed genoeg.
De agent knikte. “Ik dacht al dat jullie belangrijke lui waren. Niet iedereen komt per helikopter. Maar vanaf hier is het een zone met gevaar voor stralingsbesmetting. Als je verder wilt dan zul je een Hazmat-pak aan moeten doen.”
Luke wilde geen twintig minuten besteden om een Hazmat-pak aan te doen. Hij gebaarde naar de mannen bij het busje. “Enig idee wat hier gebeurd is?”
De agent glimlachte. “Ik heb het een en ander gehoord.”
“Hoe zijn ze gestorven?”
De agent wees. “De man die op de grond ligt werd door zijn hoofd geschoten. Een zwaar kaliber wapen raakte hem van een afstand. De kogel veroorzaakte een groot gat in zijn schedel en zijn hersens spatten op de grond. De kerel heeft geluk gehad; hij heeft waarschijnlijk nooit iets gemerkt.
“Iemand schoot hem?” vroeg Ed.
“Als je iets dichterbij was geweest dan had je die vraag nooit gesteld. Er ligt overal hersensalade op de grond. Het lijkt wel alsof iemand een bord met guacamole heeft laten vallen.”
“Hij heeft niet zichzelf door het hoofd geschoten?”
De agent haalde zijn schouders op. “Ik weet alleen wat de jongens van het ballistische team zeggen. Ze deden wat metingen en nu gaan ze een computermodel maken, maar op het eerste gezicht denken ze dat het een scherpschutter is geweest die vanaf een van de omliggende daken heeft geschoten.”
Luke keek de buurt rond. Het was een buurt met appartementengebouwen van twee of drie verdiepingen hoog, waarin werkplaatsen en opslagruimtes waren. Op straatniveau waren er slijterijen, tenten waar ze cheques verzilverden en WIJ KOPEN GOUD-zaken. Hij draaide zich om en staarde naar de man.
“Je zegt dus dat hij door een scherpschutter is doodgeschoten? Wie heeft een scherpschutter op deze daken behalve de politie?”
De agent deed zijn handen omhoog. “Luister, ik werk hier alleen maar. Maar ik zweer dat wij het niet waren. Onze orders waren om deze kerels levend op te pakken, indien mogelijk. De man op de grond was al dood voordat de eerste agenten ter plekke waren.”
“En de andere?”
“De bestuurder? Het ziet ernaar uit dat hij bezweken is aan de straling of hij heeft pillen geslikt. Hij heeft geen zichtbare schot- of steekwonden. Geen bloed. Hij zit gewoon achter het stuur, alsof hij het busje heeft geparkeerd en toen stierf. Ze zullen een toxicologisch onderzoek op hem moeten uitvoeren. Maar dat zal een tijd duren. Met alle straling zal het zelfs een aantal uren duren voordat ze de lichamen hiervandaan kunnen krijgen.”
“Hadden ze mobiele telefoons of andere communicatiemiddelen zoals een tablet of laptop bij zich?” vroeg Ed.
De agent schudde zijn hoofd. “Niet dat we hebben kunnen vinden. Raar, toch? Twee jongens die op een missie zijn en geen mogelijkheid hebben om in contact te komen met het moederschip?”
“Hebben ze vingerafdrukken genomen?” vroeg Luke.
De agent knikte. “Dat en DNA. Het was een van de eerste dingen die ze deden toen de Hazmat-jongens hier kwamen.”
“Bedankt.”
Luke en Ed liepen terug naar het gebouw waar de helikopter geland was. “Hier was ik al bang voor,” zei Luke. “Behalve Ali Nassar waren deze mannen de laatste link met het brein achter de aanval van het Witte Huis. Het is duidelijk dat zij het niet gedaan hebben.”
“Wat denk je?” vroeg Ed. “Was deze diefstal van radioactief afval alleen als afleiding bedoeld?”
“Misschien. Of misschien was het het reserveplan dat verkeerd liep. Ik weet het niet.”
Luke pake zijn satelliettelefoon. Hij en Trudy hadden hun gewone mobieltjes omgeruild voor satelliettelefoons. Slecht weer zou deze telefoons kunnen uitschakelen, maar ineenstortingen van het netwerk zoals die van vandaag aan de oostkust zou geen invloed hebben.
Hij wachtte tot de telefoon contact legde met de satelliet en het terugkaatsen naar zijn locatie. Piep…Piep…Piep… Satelliettelefoons maakten hem altijd een beetje wantrouwend. Hij wist dat het nergens op sloeg. Het was een overblijfsel uit de tijd dat drones de satellietsignalen konden gebruiken om doelwitten op de grond te identificeren. Destijds was het vasthouden van een satelliettelefoon hetzelfde als het vasthouden van een grote rode bulls eye. Hij wist dat dat niet meer het geval was. De nieuwste drones konden tegenwoordig linken aan mobiele telefoons, laptops, GPS-apparaten, eigenlijk aan bijna alles.
“Hallo?” zei een stem. Het was Trudy. Ze klonk alsof ze in een blikje sprak. “Luke?”
“Trudy. Luister. We zijn op de plek van het bestelbusje. Er zijn twee verdachten, maar beiden zijn dood. Een agent zei dat ze DNA en vingerafdrukken hebben genomen van de verdachten. Probeer met iemand in contact te komen die je op de hoogte kan houden. Wanneer die identificaties doorkomen, wil ik ze hebben.”
“Doe ik, Luke. Maar luister. Swann krijgt bijna real time informatie vanuit de Iraanse ambassade. Ze zijn van plan om Ali Nassar vandaag naar het vliegveld te brengen. Ze willen hem het land uit krijgen. Alles wijst erop dat het vliegtuig dat op hem wacht om 15:30 uur mag vertrekken.”
Luke keek op zijn horloge. Het was 14:05 uur.
“Jezus, kunnen we hem stoppen?”
“Ik heb Ron Begley hierover gesproken,” zei ze. “Hij lachte. Hij zei dat Homeland Security geen vinger uit zal steken. Wat hen betreft is de man een diplomaat die niets te maken had met de aanslagen. Er is geen bewijs dat Iran erachter zit en ze willen niet nog een internationaal incident riskeren.”
“Verdomme!” zei Luke. Nassar was de laatste link die ze hadden en Ron Begley zou hem laten lopen. “Verdomme. En de lokale politie dan?”
“Geen enkele kans,” zei ze. “Ze hebben al aangegeven dat als Homeland hem niet wil, dat zij geen bevoegdheid hebben. Bovendien zijn ze al overbelast. Bijna het hele politiekorps is gemobiliseerd om elk treinstation en elke openbare plek te bewaken. Ali Nassar is alleen jouw obsessie, Luke. Niemand anders kan het wat schelen.”
“Goed dan,” zei Luke. “Dan stop ik hem persoonlijk.”
“Daarvandaan?” zei ze.
Luke schudde zijn hoofd en realiseerde zich toen dat ze hem niet kon zien. “Nee. We zijn op weg terug naar New York. Als we ons haasten, dan moeten we het kunnen redden. Ik wil mensen op wacht buiten de Iraanse ambassade. Ze moeten direct rapporteren wanneer Nassar het gebouw verlaat.”
“Er zijn nog een aantal dingen die je moet weten,” zei Trudy. “Ze zijn van plan om in een konvooi van bewapende SUV’s naar het vliegveld te rijden.”
“Ik had niet anders verwacht,” zei Luke. “Zorg ervoor dat onze mensen een foto van Nassar hebben. Als er meerdere konvooien vertrekken, dan wil ik dat weten. En ik wil weten in welk konvooi hij zit. Ook al moeten ze creatief zijn en een reden bedenken om de konvooien te stoppen. Een valse verkeerscontrole is bijvoorbeeld een goeie. Het maakt me niet uit hoe. Zeg tegen Swann dat hij een aantal van zijn speelgoeddrones in de lucht gooit die klaarstaan om meerdere konvooien te volgen. Eens kijken hoe dichtbij hij kan komen met zijn camera’s.”
“Luke, er is nog iets. Nassar heeft een dochter van vijf jaar. De moeder is Libanees en woont hier in New York. Ze verlaten het land samen met hem. Waarschijnlijk zitten ze in zijn auto.”
Luke zei niets. Hij voelde een steen in zijn maag bij de gedachte aan dat meisje in de auto. Waarom moest er altijd iets zijn? Waarom kon het nooit simpel verlopen?
Naast hem belde Ed om de helikopter terug te halen. Een tel later kon Luke de helikopter al zien, als een zwart insect in de verte die gauw dichterbij kwam, elke seconde groter wordend. Ed en hij liepen richting de brandtrap die ze omlaaggeklommen hadden.
“Storm niet met een heel arsenaal binnen dit keer,” zei Trudy. “Ik waarschuw je.”
“Ik storm nooit met een arsenaal binnen.”
“Oh nee?”
Luke glimlachte. “Nee, dat laat ik aan Ed over.”
Hoofdstuk 29
14:35 uur
Mount Weather Emergency Operations Center – Bluemont, Virginia
De vergadering was een chaos. Het duurde al een uur langer. Thomas Hayes probeerde de luidruchtige bende bestaande uit bange mensen onder controle te krijgen. Het lukte niet. Dit waren knappe, intelligente, inventieve mensen. Normaal gesproken de allerbesten en de slimsten. Maar angst had hun creativiteit uitgeschakeld en ze durfden geen initiatief meer te nemen. Ze wisten niet eens waar iedereen was. Hayes kon nauwelijks geloven hoe ongeorganiseerd de evacuaties waren.
Een assistent bracht verslag uit. “Mijnheer, om ongeveer 12:30 uur steeg het Airborne Communications Command vliegtoestel met de codenaam Nightwatch op van vliegveld Joint Base Andrews en vloog richting het westen. Momenteel vliegt het over Oost-Missouri, op een hoogte van ongeveer twaalf kilometer.”
Hayes keek de vergadertafel rond, iedereen had een neutraal gezicht.
“Wie heeft hier orders voor gegeven?”
Niemand zei iets. Alleen tijdens een nucleaire oorlog zou de Nightwatch mogen vliegen. De codes van de raketten waren aan boord van dat toestel.
Hayes staarde de kamer rond. Een geheim agent stond bij de ingang met een leren buideltas in zijn hand. De tas zat met een stalen koord vastgebonden aan de pols van de man. Hayes wist dat in die tas een aluminium koffer van ZERO Haliburton lag. Hij kreunde over de ironie. ZERO Haliburton was altijd de fabrikant van de nuclear football – de aluminium koffer voor noodgevallen – geweest van de president, maar was nu een volledige dochteronderneming van een Japanse producent. Tradities waren iets raars.
Hayes keek naar de assistent. “Jongen, voorzover we het kunnen weten, zijn we in oorlog?”
“Nee, mijnheer.”
“Wie in godsnaam is dan aan boord van dat toestel?”
“Mijnheer, senator Edward Graves van Kansas is aan boord van dat toestel, samen met nog een handvol medewerkers van het Pentagon.”
Thomas Hayes voelde zijn schouders in elkaar zakken. Ed Graves was de voorzitter van de Krijgsmacht Commissie en een van de domste leden van beide instanties. De man had de hersens van een boomstronk. Hij genoot van oorlog of zelfs maar een schermutseling aan de grens. En aangezien de Nightwatch ontworpen was als een plek waar de president het bevel kon geven tot nucleaire tegenaanvallen, maakte dat Ed Graves tot een gevaar. Verdomme, hij dacht waarschijnlijk dat het feit dat hij in het toestel zat hem tot president maakte.
Hayes praatte tegen niemand in het bijzonder toen hij zei: “Doe me een lol en haal hem uit de lucht. Alstublieft. St. Louis, Kansas City, wat dan ook de dichtstbijzijnde landingsmogelijkheid is. Zeg hem dat het bevel van mij komt.”
Hayes wreef over zijn voorhoofd. Hij was moe en had hoofdpijn.
David Halstram zat in de hoek van de kamer. Hij liep naar voren toen hij zag hoe Hayes zich voelde.
“Goed, iedereen. Laten we actie ondernemen. We nemen een halfuur pauze. Ga naar de wc, pak koffie, relax, doe wat je wilt.” Hij keek op zijn horloge. “Dat betekent dat we om tien voor drie weer bijeenkomen. Weet je wat? We nemen een pauze van veertig minuten en beginnen weer om klokslag drie uur. Ik begrijp dat dit serieuze problemen zijn, maar ze zullen er nog steeds zijn over veertig minuten.”
“Bedankt David,” zei Hayes. “Dat is een goed idee.”
Susan Hopkins stak een hand op. Haar hand leek op een stopbord. “Thomas, mag ik iets zeggen?”
“Susan, liever niet.”
“Thomas, dit is belangrijk en ik geloof niet dat dit tot drie uur kan wachten.”
Hayes had geen geduld meer. Hij had waarschijnlijk tegen iedereen die zijn hand had opgestoken gesnauwd, maar dit was de vice-president. En de pure absurditeit van hun hele relatie maakt het nog erger. Zijn woorden ontsnapten zijn mond voordat hij ze kon inslikken. “Dit is geen bakwedstrijd, Susan. En we organiseren geen modeshow. Wat is zo belangrijk dat het absoluut niet kan wachten?”
Ze zei niets. Ze kleurde donkerrood. Zonder een woord te zeggen stond ze op en verliet ze de kamer.
Hoofdstuk 30
15:15 uur
In de lucht – Queens, New York
De helikopter vloog over Staten Island, de Verrazano-Narrows brug en toen over Brooklyn. Nu vlogen ze oostelijk langs de stranden van de oceaan, laag en snel. Gauw zouden ze een scherpe bocht naar links maken en de Van Wyck Expressway snelweg volgen in noordelijke richting.
Luke en Ed zaten voorovergebogen in de kleine laadruimte. In New Jersey hadden ze allebei nog een dexedrine geslikt. De effecten werken merkbaar.
Het was een lange en zware dag geweest. Luke was al veel te lang wakker. Vandaag was hij gewurgd, beschoten, vertrapt, geslagen, geschopt en oh ja, bijna opgeblazen in kleine stukjes. Hij was geschorst en beschuldigd van moord. Maar nu begon de Dexie te werken, hij begon een golf van voorzichtig optimisme te voelen. Wat de hel, ze hadden vandaag het leven van de president van de Verenigde Staten gered. Dat moest iets waard zijn.
De helikopter was heel klein. Hij kon de twee piloten aanraken als hij zijn arm uitstak. Hij stak zijn hoofd tussen hen in. Het waren Jacob en Rachel, dezelfde piloten als vanochtend.
“Kinderen, zijn jullie klaar om dit ding te vliegen?” schreeuwde hij.
Achter hem zat Ed dicht bij de open vrachtdeur. Hij laadde doosmagazijnen met 30-patronenmunitie voor een M4 karabijn. Hij had al een kleine stapel geladen.
“En wat denk je dat we nu doen?” zei Rachel.
Luke mocht Rachel graag. Ze had kastanjebruin haar. Ze was gespierd als de oude posters van Rosie the Riveter. Dat moest ze wel zijn, ze deed tenslotte aan mixed martial arts. Grote armen, grote benen, ze moest een beest zijn in de kooi.
“Ed zou kunnen doen wat jij doet,” zei Luke. “Maar ik heb hem nodig, hij moet de M4 voorbereiden. Ik bedoel, ben je klaar om met dit toestel te vliegen zoals jullie het geleerd hebben in het leger van de Verenigde Staten? Waarschijnlijk moeten we iets sneller zijn dan normaal.”
“Wij zijn er klaar voor, Luke,” zei Jacob. Jacob was bijna het tegenovergestelde van Rachel. Hij was dun en pezig. Hij zag er helemaal niet uit als de typische elitesoldaat. Special Ops konden gefixeerd zijn op uiterlijk. Hij zou nooit toegelaten worden tot Delta, SOAR, de Rangers of SEALS. De enige reden, behalve zijn diepgaande kalmte, waarom hij hier zat was dat hij een van de tien beste helikopterpiloten in de wereld was.
Rachel knikte. “Je weet dat we klaar zijn.”
“Goed. Er is een konvooi SUV’s op weg naar Kennedy Airport. Het zal er nooit aankomen want wij gaan het tegenhouden.”
“Welke hulp hebben we?” vroeg Jacob.
“Swann heeft enkele kleine drones op de uitkijk. Hij heeft waarschijnlijk ook een paar van onze auto’s gestuurd. Behalve dat, ben ik er zelf en de grote man achterin met dat grote geweer.”
“Wat ben je van plan te doen?”
Luke glimlachte. “Ik ben de hoofd cheerleader. Hou de intercom open en luister naar mijn geschreeuw.”
“Hé Luke,” schreeuwde Rachel. “Toen ik SOAR verliet, vroeg mijn baas wat ik met de rest van mijn leven zou doen. Weet je wat ik zei? Ik vertelde hem dat ik voor het SRT zou gaan werken omdat Luke Stone daar zat. Al die jaren vliegen in helikopters en nooit een kans gehad om in eentje te sterven. Ik hoop dat Luke dat voor me kan regelen.”
“Je bent een meid naar mijn hart,” zei Luke.
“Dit is overigens een gebied vol met burgers,” zei Jacob.
Luke knikte. “Daarom gaat het ons lukken om dit te doen zonder ook maar een enkel schot af te vuren.”
Een moment later piepte Luke’s satelliettelefoon. Hij nam op en hield de telefoon dicht aan zijn oor.
“Swann? Wat is de status?”
“We observeren ze. Ze hebben de ambassade ongeveer vijftien minuten geleden verlaten.”
“En?”
“Ze zijn zich er waarschijnlijk niet van bewust dat wij hen afluisteren,” zei Swann. “Dat is wat ik eruit kan opmaken. Er is slechts één konvooi naar buiten gekomen. Het is een grote zwarte Lincoln Navigator tussen twee Range Rovers in. Bijna zeker dat Nassar in de Lincoln zit. Ze reden direct naar de Midtown Tunnel en stopten voor een verkeerscontrole daar. De agenten bekeken de legitimatie en liet ze toen door. Ik pikte ze op met de drones aan de andere kant van de tunnel. Ik volg ze op dit moment. Ze zijn net de Van Wyck opgereden, in zuidelijke richting naar de luchthaven. Twee van onze SUV’s achtervolgen het konvooi op een veilige afstand.”
“En niemand anders kwam uit de ambassade?” schreeuwde Luke in de telefoon.
“We hebben twee agenten ter plaatse,” zei Swann. “Tot nu toe is er niemand meer uitgekomen. Ik denk echt dat dit het is. Ze weten niet dat we hen afgeluisterd hebben en ze weten niet dat we eraan komen. Ze hebben helemaal niet geprobeerd ons te misleiden.”
“Goed dan,” zei Luke. Hij keek naar de snelweg onder hem. De helikopter vloog in noordelijke richting, net ten westen van de snelweg. Het konvooi reed zuidwaarts. Ze zouden elkaar elk moment passeren. Het verkeer was verrassend rustig nu en de auto’s reden aardig door.
Iedereen die nu nog onderweg was, probeerde zo snel mogelijk thuis te komen voordat de wereld verging.
“Wat is je plan?” vroeg Swann.
“We gaan ze aanhouden en naar de kant van de weg begeleiden,” zei Luke. “Net als de politie doet bij een snelheidsovertreding. Als ik het sein geef, moet je onze SUV’s met sirene en zwaailichten laten komen. Wij vliegen dichtbij en richten onze geweren op de slechteriken. Ik denk dat het gaat werken.”
“Goed,” zei Swann. “Ik ben er klaar voor.”
Terwijl Luke keek, reed er een witte Range Rover voorbij, met dicht daarachter een zwarte Navigator. Een andere witte Range Rover reed achter de Navigator. Ze reden hard. De helikopter vloog aan ze voorbij. Luke klopte op Rachels helm.
“Zagen jullie dat?”
“Ja, we zagen het,” zei Rachel.
“Dat zijn de verdachten,” zei Luke. “Draai het toestel om.”
De helikopter maakte een grote bocht en vloog zuidwaarts.
“Swann, kom maar op met die SUV’s.”
“Ze komen eraan,” zei Swann.
Onder hen kwamen twee zwarte SUV’s ongeveer een kilometer uit elkaar tot leven. Rode en blauwe lichten begonnen te zwaaien in de voorruit. De bestuurders trapten op het gaspedaal en binnen een paar seconden reden beide auto’s bijna 160 kilometer per uur.
De helikopter was sneller.
Luke keek naar Newsam. “Klaar?”
Ed liet een vage glimlach zien. Hij streek over de loop van zijn geweer. “Dit oude ding? Wij hebben heel wat doorgemaakt samen.” Hij droeg een geel getinte schietbril en een gehoorkap die op zijn hoofd zat. Hij gleed door de open vrachtdeur totdat hij op de buitenboordbank zat. Hij maakte zich vast.
Ze zagen hoe de afstand tussen de SUV’s en het konvooi kleiner werd. Het gebeurde allemaal binnen een paar kilometer. De Range Rovers en de grote Navigator zagen de zwaailichten dichterbij komen en reden de berm van de snelweg op. De SRT-voertuigen stopten achter hen. Het gewone verkeer vloog vlak langs hen heen.
“Dat was makkelijk,” schreeuwde Newsam van buitenaf.
“Ja,” zei Luke. “Te makkelijk.”
De helikopter vloog nog lager. Al gauw vloog het zo’n vijftien meter boven de grond, ongeveer tien meter voor de eerste auto zwevend.
“Swann, we zijn alleen in Nassar geïnteresseerd. Als hij in de Navigator zit, dan kunnen onze jongens hem daaruit halen en wegrijden.”
“Begrepen, Luke.”
Twee SRT-mannen liepen naar de rij auto’s, ieder aan één kant. Ze liepen snel met getrokken revolver. Ze liepen naar de zwarte Lincoln in het midden. De agent aan de kant van de bestuurder, klopte op het raam. Het duurde even. Niemand stapte uit.
Luke gaf Ed een klopje. “Richt je wapen op ze! Ik vertrouw het niet. Twee man is niet genoeg.”
Newsam pakte zijn geweer vast en richtte het. “Oké.”
“Swann! Stuur nog twee kerels naar die auto.”
Zonder waarschuwing zwaaide de achterdeur van de laatste Range Rover open. Een man sprong eruit, schietend. Luke kon het nare geluid van de Uzi helemaal tot in de helikopter horen. De eerste SRT-agent viel neer in een kogelregen. De tweede SRT-agent dook en rende terug naar de SUV’s.
“Man gewond!” schreeuwde Swann. “Man gewond! Jezus. Trudy, bel 911. We hebben een ziekenauto nodig. Shit.”
De man van de Range Rover liep rustig naar de gewonde agent. Hij duwde zijn Uzi aan de kant. Het hing op zijn rug met een schouderriem. Hij pakte een pistool uit zijn binnenzak en richtte het op het hoofd van de agent.
“Ed!” zei Luke. “Stop hem.”
Het plotselinge lawaai van de M4 was oorverdovend naast Luke’s hoofd. Hij boog naar achter, zijn oren suisden direct. Newsam nam de terugslag met uitpuilende spieren. Zijn gezicht was een neutraal masker.
Hij was voorbereid. Een regen van kogels raakte de Range Rover. Het wiel aan de linkervoorkant ontplofte en de voorruit barstte. De man met het pistool stond nog geen seconde te bibberen voordat hij op de grond naast de agent inzakte. De agent, gewond maar levend, begon weg te kruipen, de berm af en in de sloot.
“Jouw agent beweegt, Swann. Hij leeft. Stuur iemand om hem dekking te geven.”
De eerste Range Rover was onschadelijk gemaakt. Hij probeerde weg te rijden maar een grote wolk stoom kwam uit de radiateur. Achter de Range Rover reed de Navigator ineens de snelweg op, met de tweede Range Rover er vlak achteraan. Ze probeerden te ontsnappen. Een van de SUV’s reed de snelweg op om de auto’s te achtervolgen.
De Navigator scheurde onder hen voorbij. De helikopter vloog parallel aan de snelweg, de vrachtdeur wijd open. Ed zat buiten op de bank. De Range Rover kwam eraan. Te laat, Luke zag de lopen van machinegeweren uit de zijruiten steken.
“Kijk uit! Schoten!”
Het regende kogels om hen heen. Luke dook op de vloer. Iets scherps raakte zijn schouder. Eerste voelde hij hoe het door hem heen sneed, daarna voelde hij een stekende pijn. Verscheurd metaal. Gebroken glas. Ed Newsam schreeuwde.
Luke kroop naar hem toe. Hij greep Ed onder zijn schouders en sleepte hem de helikopter in.
Ed beet zijn tanden op elkaar van de pijn. Zijn ogen stonden wild. Zijn ademhaling was snel. “Ik ben geraakt,” zei hij. “Verdomme, wat doet dat pijn.”
“Waar ben je geraakt?”
“Ik weet het niet. Overal.”
Een stem kwam door de intercom. Het was Jacob. “Luke, de rechtervoorruit is kapot. De kogels hebben het volledig verbrijzeld.” Hij klonk rustig, alsof hij een gewoon weekendje thuis aan het beschrijven was.
“Zijn er gewonden?” schreeuwde Luke.
“Eh, we zitten onder het glas maar verder zijn we oké. Maar de rest van de voorruit zal het begeven als we sneller gaan vliegen.”
“Ed is geraakt,” zei Luke.
“Dat spijt me. Hoe erg is het?”
“Ik weet het niet.” Luke pakte zijn mes en begon Eds overall open te snijden. Hij merkte dat Ed een zwart gewatteerd vest aan had, een kogelvrij vest. Dat was een verrassing. Luke had er niet aan gedacht om er eentje aan te doen. Hij raakte het aan.
“Is het niet warm hierin?”
Ed haalde zijn schouders op. Zijn ogen traanden van de pijn.
“Stijlvol,” zei hij met moeite.
“Vind je? Eerder smakeloos zou ik zeggen. Maar het heeft waarschijnlijk je leven gered.”
Luke voelde onder het vest. Er was niets doorheen gekomen. Zijn handen gleden over Eds lichaam. Ed’s rechterarm en schouder waren aan flarden gescheurd. Ook zijn rechterdij had een vleeswond. En zijn rechter bovenbeen was ernstig gewond geraakt. Op die plek was zijn overall kapot en bloederig. Toen Luke de plek aanraakte, schreeuwde Ed het uit.
“Oké,” zei Luke. “Het is gebroken.”
“Heb je me net niet gehoord?” zei Ed op zijn lip bijtend van de pijn. “Ik klonk als een meisje.”
“Ik weet het,” zei Luke. “Ik schaam me voor je. Vooral omdat je er levend vanaf zal komen en ik mijn hele leven aan iedereen zal vertellen hoe je het uitschreeuwde als een meisje.”
De helikopter maakte een bocht en vloog weer richting zuiden, achter de auto’s aan. Luke stond op en trok de EHBO-doos van de muur af. Hij hurkte naast Ed en begon meteen zijn wonden te ontsmetten. Ed’s hele lichaam vertrok van de pijn toen het ontsmettingsmiddel zijn huid raakte.
“Het doet pijn,” zei Ed. “Veel pijn.”
En als een man als Ed Newsam zei dat het veel pijn deed dan moest het onvoorstelbaar veel pijn doen, dacht Luke. “Ik weet het,” zei hij. “Ik geef je een pil die de pijn zal verzachten maar je ook buiten spel zet.”
Ed schudde zijn hoofd.
“Ik heb alleen wat hulp nodig om weer op de been te komen. Ik kan nog steeds het geweer hanteren. Als ik me vastmaak aan de kant van de deur dan lukt het wel. Dan kan ik er niet uit vallen.”
“Ed…” Luke keek naar buiten. Ze vlogen snel en laag. De snelweg was net onder hen. Vanuit zijn huidige positie kon hij de auto’s niet zien. Hij stak zijn hoofd naar buiten aan de zijkant van de opening en keek naar de weg. Hij zag de Range Rover en een man die uit het raam hing aan de passagierszijde. De man had een machinegeweer op hen gericht.
“Jezus.”
Luke dook precies naar achteren toen een kogelregen het metaal van de helikopter verscheurde. Hij en Ed lagen naast elkaar op de vloer. Luke hees zichzelf omhoog en ging op zijn knieën zitten. “Ik zal je niet tegenspreken, Ed. Daar is geen tijd voor.”
Ed schudde zijn hoofd wild. “Dat is dan geregeld.”
Nog meer munitie raakte de helikopter. Het glas van de voorruit verbrijzelde verder.
“Luke, een deel van de instrumenten is uitgevallen. Als we nog meer geraakt worden, dan verliezen we de Vogel.”
“Wijk af,” schreeuwde Luke.
De helikopter week af en schoot omhoog. Het klom stijl naar boven maar het leunde zwaar naar links. Luke viel opzij. Hij hield zich met moeite vast aan de vloer, zijn vingers grepen de metalen latten. Nog een serie kogels was te horen maar dit keer op afstand.
Een alarm ging af in de cockpit.
PIEP, PIEP, PIEP…
Jacob zei: “Luke, we hebben een noodsignaal. Een rotorblad is geraakt en het wiebelt. Ik heb het eerder meegemaakt, het rotorblad zal het niet lang uithouden. Of we landen, of we storten neer, maar we gaan hoe dan ook omlaag.”
“Hoelang hebben we?”
“Negentig seconden. Misschien. Hoe langer we wachten, hoe harder we landen.”
Luke’s schouders zakten ineen. Gebeurde dit echt? Zouden de Iraniërs echt op deze manier vluchten? Dachten ze echt dat ze zomaar hun weg naar het vliegveld konden schieten, in het vliegtuig duiken en wegvliegen?
Luke trok zich weer omhoog. Hij keek door de cockpit. De voorruit was verdwenen. Het lag als een deken van glas over alles heen. Terwijl hij toekeek, pakte Rachel het met haar handschoenen op, trok het de cockpit in en legde het aan de kant.
De knuppel schudde hevig in Jacobs hand. Hij klopte Jacob op zijn helm. “Zet dit ding recht op het dak van de Navigator!” schreeuwde hij. “Geef me twee seconden om eruit te klimmen en landt daarna ergens.”
PIEP, PIEP, PIEP…
Luke duwde Ed weer op de bank buitenboord. Hij had geen keuze.
“Weet je het zeker?”
Ed knikte. Zijn gezicht was bleek. Hij zag er plotseling heel moe uit. “Je bent gek, maar goed, ik weet het.”
“Zeker.”
“Zodra je geland bent, zullen wij voor de auto gaan vliegen en blaas ik de voorruit op.”
“Goed,” zei Luke. “Maar laat de chauffeur leven.”
“Ik doe mijn best.”
Ze vlogen op honderdvijftig meter hoogte en vijfhonderd meter ten westen van de snelweg, buiten schot van de geweren van de Range Rover. Het gevaarlijke moment zou zijn wanneer ze opnieuw binnen bereik van de schutters zouden komen. In de verte en ver beneden hen, volgde Luke de voortgang van de auto’s. Hij zag een politieauto de snelweg opkomen, zwaailichten aan. Anderhalve kilometer verderop kwamen er nog twee aan.
Hij schreeuwde naar Jacob. “Klaar wanneer jij het bent!”
Onmiddellijk maakte de helikopter een scherpe bocht naar links en zakte steil naar beneden. Ze gingen voor de auto’s vliegen. Ze zakten nog dertig meter binnen enkele seconden. De auto’s kwamen er in razend tempo aan. Honderd meter. Vijftig meter. Een schutter leunde uit het achterraam van de Range Rover. Hij richtte zijn wapen op de helikopter.
“Hak die schoft de pan in!” schreeuwde Luke.
Ed reageerde meteen, zijn geweer brulde weer. De deur van de Range Rover begaf het, net als een blikje bier dat door een onzichtbare hand werd ingedeukt. Het hoofd van de man spatte uit elkaar, bloed spoot eruit. Hij liet zijn geweer vallen en zakte in elkaar. Het geweer kletterde op de weg.
“Voltreffer. Nou, zet me op die auto.”
De helikopter zakte snel zijwaarts, parallel aan de weg. Het draaide een halve slag zodat de deuropening naar de Navigator wees. Luke klom voorbij Ed op de bank. De helikopter zakte helemaal omlaag en raakte het dak van de Navigator. Het vloog een meter de lucht in, maar kwam toen weer naar beneden.
Het was zover.
Luke sprong.
Hoofdstuk 31
Luke viel op zijn handen en voeten en klemde zich vast aan het dak van de auto. De chauffeur moest hebben gehoord dat Luke op het dak geland was. De Lincoln begon over de rijbanen heen en weer te zwenken, zwaaiend als een gek, om te proberen Luke van het dak af te schudden. Luke greep het imperiaal op het dak met al zijn kracht, zijn benen rolden wild heen en weer.
De helikopter schoot vooruit, boog links af, draaide scherp en kwam zwevend voor de Lincoln tot stand. Ze blokkeerden de weg. Ed stond in de opening, met zijn zij naar de auto’s. Luke dook net op tijd met zijn hoofd omlaag, op hetzelfde moment dat Ed zijn geweer afvuurde.
Een kogelregen raakte de voorkant van de auto. Luke kroop naar voren. De rechterzijkant van de voorruit was naar binnen geslagen. Hij leunde naar voren en sloeg op de rest van de ruit, duwde het, dwong het de auto in. Ergens in de auto schreeuwde een vrouw. Een kind huilde.
De halve voorruit viel de auto in. Luke zwaaide zijn lichaam door de opening, voeten eerst, en kwam terecht in de passagiersstoel voorin. Hij landde op de schoot van de dode man. De chauffeur probeerde zijn pistool te pakken. Hij richtte het in Luke’s richting. Luke pakte zijn pols en sloeg het tegen het dashboard.
De man liet het wapen vallen zonder het af te vuren. Het viel tussen zijn benen en op de vloer van de auto. De man lette niet op de weg, hij probeerde het pistool te pakken. Luke pakte zijn eigen pistool.
Opeens werd er een schot afgevuurd vanaf de achterbank. Het maakte een enorm lawaai in de gesloten ruimte van de auto.
BOEM.
Op de achterbank schreeuwden mensen. Luke bukte en het hoofd van de dode man werd weer geraakt. Luke’s oren suisden. Hij keek achter hem, tussen de stoelen door. Ali Nassar zat samen met een vrouw en een klein meisje. Ze keken allemaal verschrikt met grote ogen. Het kleine meisje zat in het midden. Achter hen, op de derde rij, zat een man met een revolver.
De man bukte zich achter het hoofd van het kleine meisje. Zijn revolver leunde op haar schouder. Het was precies naast het gezicht van het meisje.
Dit was zijn kans om hier een einde aan te maken. Om zijn leven te redden en Nassar te pakken. Maar Luke kon zichzelf er niet toe brengen om te schieten. Hij kon het niet riskeren. Niet met het meisje daar.
“Ali!” schreeuwde Luke. “Pak dat pistool! Stop hem!”
Ali Nassar staarde Luke met doffe ogen aan.
BOEM. De man schoot weer.
Het meisje schreeuwde, ze gilde. Iedereen op de achterbank schreeuwde.
De kogel raakte de dode man in het midden. Elk moment zouden die kogels door de stoel en de dode man heen komen.
De chauffeur had zijn pistool gevonden.
Hij had geen keuze. Luke draaide zijn eigen pistool om. Hij hield de loop vast en met de handgreep van het pistool sloeg hij op het hoofd van de chauffeur.
Een. Twee. Drie keer.
Hij dook ineen toen nog een schot door de auto vloog.
BOEM.
Het dashbord van plastic versplinterde, stukken plastic vlogen door de auto heen. Luke voelde hoe ze zijn huid doordrongen. De auto vloog naar links, de weg af en de berm in. De chauffeur lag bewusteloos aan het stuur. De auto kantelde van een talud. Het leunde gevaarlijk ver naar links, steeds schuiner en schuiner, op twee wielen. Luke probeerde het stuur te pakken.
Te laat. De auto rolde over de kop. Luke sloeg met zijn hoofd tegen het dashboard. Toen lag de auto op zijn kop en hij viel hard tegen het plafond met misselijkmakende snelheid. Hij landde op zijn rug. Zijn adem stokte door de kracht van de klap.
Airbags bliezen automatisch op rondom hem.
De auto begon weer te rollen. Hij werd als een pop rondgegooid. Hij viel van het plafond. Het laatste wat hij voelde was de klap van zijn hoofd tegen het stuur. Toen werd alles zwart.
Hoofdstuk 32
Ed Newsam zag het hele ongeluk vanuit de Kleine Vogel gebeuren. De Navigator was twee keer over de kop gerold en geland op de rechterkant. Het lag op harde aarde langs de snelweg. De autobanden waren allemaal opgeblazen. De voorruit was verdwenen. Er kwam op verschillende plekken rook uit de auto.
De tweede Range Rover reed over de zachte berm. Drie mannen sprongen uit de auto en renden de dijk af met getrokken pistolen richting de verwoeste Navigator.
De helikopter vloog snel, zijwaarts en naar links. Ed probeerde zijn geweer op de mannen te richten maar het lukte niet. De helikopter schudde hevig. Hij schoot in ieder geval. Twee mannen doken het gras in. De derde bleef rennen.
“Mayday, mayday,” zei Jacobs stem. “We storten neer, neem de noodlandingposities aan.”
Ed zat met leren banden aan de bank vast. Het was geen veilige positie. Hij voelde een malende pijn in zijn rechterheup. Scherpe pijnen scheurden en sneden door de rest van zijn lichaam. Hij staarde naar de deuropening waar de veiligheidsgordels bungelden. Hij zou het nooit halen om naar binnen te klimmen en zich vast te binden. Hij liet zijn geweer naar binnen glijden, daarna omhelsde hij de bank en hield het zo stevig mogelijk vast. Dat was zijn noodlandingpositie.
Onder hem kwam de grond gauw dichterbij. Als de helikopter over de kop zou rollen dan zou hij de lucht in vliegen. Hij zou zich nooit kunnen vasthouden. Hij zou in dezelfde ruimte terechtkomen als de razendsnel ronddraaiende rotorbladen. Hij schudde zijn hoofd. Niet goed. De aarde zoefde met duizelingwekkende snelheid voorbij. Ze waren vijf meter boven de grond. Jacobs stem, als een man die een pizza bestelt: “Impact in drie, twee…”
Ed greep de bank harder dan ooit. Hij sloot zijn ogen.
Rol alsjeblieft niet over de kop. Rol niet over de kop. Alsjeblieft.
*
Het duurde een paar seconden voor Luke zijn ogen kon focusseren. Het was stil voorin. Hij had zijn hoofd hard tegen het stuur gestoten. Hij was bijna verblind door de pijn. De airbags waren leeg, maar het witte stof hing nog in de lucht. Zijn hoofd lag op de schoot van de chauffeur. Zijn eigen benen lagen over de dode man in de passagiersstoel. Beide mannen hadden hun veiligheidsgordel om. Luke was door de lucht gegooid, zij hadden nauwelijks bewogen.
Luke reikte onder de stoel van de chauffeur en zocht naar het pistool tussen de voeten van de man in. Hij vond het wapen en pakte het op. Een Glock negen-millimeter. Dat was prima. Het voelde goed aan in zijn hand. Hij klauwde zijn weg naar een zittende positie. Gebroken veiligheidsglas van de voorruit lag overal. De chauffeur was nog steeds onbewust, zijn hoofd hing tegen zijn gordel.
Buiten de auto kwamen twee mannen voorzichtig dichterbij, gebukt en met Uzis in de aanslag.
Luke keek naar de achterbank. Ali Nassar en zijn kleine familie waren beduusd maar ze leefden en waren bij bewustzijn. Nassar had wit gips om zijn rechterhand.
Het kleine meisje was schattig, een fel groen lint in haar zwarte haar. Ze had grote bruine hertenogen. De vrouw was slank en etherisch. Zij deed Luke denken aan een van die vrouwen die haar dagen spendeert met het lezen over de laatste mode van Parijs en Milaan en wat de Britse koninklijke familie aan het doen was.
Waarschijnlijk was ze vanochtend wakker geworden, denkend dat ze alles had gezien en gedaan. Nu niet meer. Nu staarde ze recht voor zich uit. Luke herkende die blik, hij had het vaak gezien. De vrouw was in shock.
Luke forceerde de stoel van de chauffeur omhoog en klom naar hen toe op de achterbank. Hij bleef gebukt, voor het geval een van de schutters zijn zelfbeheersing verloor en zou schieten. Hij kroop laag tussen de voeten van het kleine meisje.
“Je bent gek,” zei Nassar.
Luke negeerde hem. In plaats daarvan keek hij naar het kleine meisje en achter haar.
De man achterin was hard terechtgekomen. Hij was bewusteloos of dood.
“Hoe heet jij?” vroeg Luke aan het meisje.
Het meisje was doodsbang, maar ze zei toch haar naam. “Sofia.”
“Stil, kind! Niets tegen hem zeggen!”
“Sofia, wat een mooie naam voor een mooi meisje als jij. Goed Sofia, ik wil dat je iets voor me doet. Het is heel makkelijk. Ik wil dat je je gordel losmaakt en naar mij komt.”
Nassar maakte zijn eigen gordel los. “Waag het niet -”
Luke zette het pistool tegen zijn hoofd. “Geen woord meer.”
“Doet u hem alstublieft geen pijn,” zei Sofia. Tranen rolden over haar wangen.
“Ik zal hem geen pijn doen Sofia, maar je moet naar me toe komen.”
Het meisje deed precies wat haar gezegd werd. Ze maakte haar gordel los en ging naar Luke, net zo gracieus als een klein dier. Hij legde zijn arm zachtjes om haar heen alsof ze zijn kind was.
Buiten de auto waren de twee schutters dichterbij gekomen. Beiden waren aan de linkerkant van de auto. Ze richtten hun wapens door de ruiten. De achterruit was verbrijzeld. Er hoefde maar een van hen zijn zelfbeheersing te verliezen en het zou een bloedbad worden in de auto.
“Dat is ver genoeg!” schreeuwde hij naar de mannen. “We hebben een vrouw en kind in de auto. Als jullie schieten, dan gaan we er allemaal aan.”
Het kon ze niets schelen. Buiten schoof een van de mannen zijn Uzi achter zijn rug. Hij pakte een pistool en richtte het door het gat waar het raam ooit gezeten had.
BOEM!
Het glas verbrijzelde toen een van hen erdoorheen schoot.
Het meisje schreeuwde terwijl Luke haar vasthield. Hij zag het kogelgat in de leren zitting, een paar centimeter bij haar hoofd vandaan. Gelukkig hadden ze gemist. Maar misschien had ze de volgende keer minder geluk, dacht hij. Gek genoeg maakte Luke zich meer zorgen om het meisje dan om zichzelf.
Dus toen een van de mannen zijn pistool weer richtte en dichterbij kwam, knipperend met zijn ogen tegen het duister, dacht Luke alleen aan het meisje. Hij had de man kunnen neerschieten. Hij had ze allebei kunnen doden. Maar hij kon het risico niet nemen. Niet met het risico om haar te schaden.
BOEM!
Luke greep haar vast, zwaaide haar rond en viel boven op haar, nog geen seconde voordat het pistool afging.
Hij voelde een ondragelijke pijn toen de kogel zijn arm raakte. Bloed spoot in het rond. Maar hij wist uit ervaring dat het een vleeswond was. Het was een kleine opoffering om haar leven te redden.
Haar moeder gilde en Nassar schreeuwde: “Stop met schieten, idioten!”
Luke hoorde de mannen hun pistolen richten en voelde hoe ze hem nu in het vizier hadden. Hij wist dat dit zijn laatste kans was.
Hij draaide op zijn knie en schoot twee keer. Hij wist dat het perfecte schoten moesten zijn, anders was hij zo goed als dood. Hij wist dat er geen tijd was voor een derde schot.
BOEM. BOEM.
Luke zag geen beweging, alles werd stil. Eindelijk was er stilte. Hij keek naar buiten en zag de twee mannen, allebei dood, allebei met een perfect schot door het hoofd.
Hij nam een lange, diepe adem van opluchting.
“Je bent krankzinnig!” zei Nassar weer, bevend, met een trillende stem.
Luke draaide zich naar hem om en gromde terwijl hij naar Nassar toe leunde en zijn overhemd vastgreep.
“Ik wil ze uit de auto,” zei hij. “Allebei, het meisje en je vrouw. Ver weg van hier. Er zullen meer mensen komen en ze kunnen gewond raken. En dit is tussen jou en mij nu.”
Nassar knikte naar zijn vrouw, maar zij kreunde diep achter in haar keel.
“Ali!” schreeuwde Luke en hij zette zijn pistool tegen zijn hoofd. “Nu!”
De vrouw begon te huilen en nu begon het meisje ook weer te huilen.
Nassar leunde naar zijn vrouw toe, pakte haar bij haar schouders en schudde haar met geweld. “Irina! Beheers jezelf. Neem Sofia mee en ren weg.”
De vrouw maakte zichzelf los. Ze klom uit de auto en nam het meisje mee. De vrouw en het meisje waren dertig meter verderop en renden verder weg. Vijftig meter nu. Even keek Luke hen achterna. Hij haalde diep adem. Als ik ooit een dochter zou krijgen, zou ze dan net als dit meisje zijn, vroeg hij zich af.
Nassar probeerde de auto uit te komen. Te laat. Luke pakte hem bij zijn overhemd en trok hem terug. Hij sloeg de deur dicht en zette zijn pistool tegen Nassars hoofd.
Nassar keek naar Luke met woeste ogen.
“Luister naar mij,” zei Luke. “Ik wil alles weten. Voor wie werk je? Hoe heb je het voor elkaar gekregen? Wanneer begon het? Wat zijn de plannen nu? Alles, hoor je me? En als ik ook maar een seconde denk dat je liegt, dan zweer ik dat ik je doodschiet.”
“Als je me doodschiet, dan beloof ik je dat dat het laatste zal zijn wat je ooit doet.”
“Biecht op! Ik tel tot drie. Net als laatst. Weet je nog hoe dat afliep? Maar dit keer schiet ik je hersens eruit op drie.”
“Je bent gek! Weet je dat? Je bent gek! Je bent -”
“Een,” zei Luke.
Buiten kwamen mannen in uniformen naar beneden gerend. Agenten. Agenten van de NYPD, staatspolitie, een stortvloed aan politiemannen. Er waren ook mannen in pak bij, waarschijnlijk jongens van de SRT. Het liep op zijn einde daar buiten.
Hij had weinig tijd meer.
“Twee.”
Nassar kon het niet meer verdragen. “Stop! Ik vertel alles wat je wilt weten.”
“Wie zit hierachter?” vroeg Luke. “Voor wie werk je? Iran?”
Nassars schouders zakten in. Zijn kracht, het leven zelf, leken uit hem te vloeien. Hij haalde zijn schouders op.
“Ik werk voor jullie.”
Hoofdstuk 33
16:50 uur
116th Politiebureau – Queens, New York
Het duurde meer dan een uur om al het nodige papierwerk te verwerken en Ali Nassar naar beneden te brengen. Terwijl hij wachtte, belde Luke met Becca.
“Je bent een geweldige man.”
Luke drukte zijn voorhoofd tegen de vuile muur van de kelder van het politiebureau en luisterde naar het muzikale geluid van de stem van zijn vrouw in zijn oor. Het politiebureau was een harde omgeving. De TL-verlichting was te fel. Stemmen en voetstappen echoden rondom hem. Iemand verderop in de gang lachte, een gestoord gekakel.
“Ik voel me niet geweldig,” zei hij.
“Maar je bent het. Je hebt vandaag de president gered. Dat is ongelooflijk. Het is een wonder.”
Luke zuchtte. Hij voelde zich geen held. En het voelde niet als een wonder. Het voelde als een nachtmerrie, die nog steeds aan de gang was.
“Je bent gewoon moe, Luke. Daarom voel je je depri. Wanneer heb je voor het laatst geslapen, meer dan dertig uur geleden? Luister, Gunner en ik zijn allebei heel erg trots op je. Wanneer je terug in DC bent, ga naar huis, ga lekker slapen en kom daarna naar het zomerhuisje. Het is hier heel mooi nu. We kunnen een paar dagen vrij nemen, we zetten de mobieltjes uit en zijn gewoon samen. Hoe klinkt dat?”
“Dat klinkt goed.”
“Ik hou heel veel van je,” zei ze.
Luke hield ook heel veel van Becca en hij wilde haar zien. Hij wilde een paar rustige dagen in het zomerhuisje met haar en Gunner doorbrengen. Maar hoe graag hij het ook wilde, hij zou niet weten hoe. Hij kon haar niet alles vertellen. Het enige wat hij haar verteld had was dat, na de briefing met de president, hij teruggevlogen was naar New York om een ander spoor te volgen. Hij had haar niet verteld over de helikopteraanval. Hij had haar niet verteld over het landen op het dak van een auto die meer dan 160 kilometer per uur had gereden. Hij vertelde haar niet dat deze zaak nog lang niet opgelost was.
Een jonge inspecteur met dunnend haar, zijn das scheefgetrokken en zijn mouwen opgerold, liep door de gang richting Luke.
“Agent Stone?”
Luke knikte.
“Ze beginnen dadelijk met het verhoor.”
Luke eindigde zijn gesprek met Becca en volgde de inspecteur naar de observatiekamer. Het was redelijk duister in de kamer en er waren zes mannen. Luke was blij dat het halfdonker was na het felle licht op de gang.
De inspecteur introduceerde Luke aan drie mannen in donkere pakken en stropdas.
“Laat me jullie introduceren. Dit is Agent Stone van de FBI, dit zijn Agenten Stern, Smith en Wallace.”
“Wij werken voor Homeland,” zei een van hen terwijl hij Luke’s hand schudde.
“Heeft Begley jullie gestuurd?” vroeg Luke.
De glimlach van de man verdween heel even. “Begley?”
“Ja, Ron Begley.” Luke vormde met zijn handen een basketbal. “Ronde kerel? Hij is de baas van een eenheid daar, vraag me niet welke. Hij en ik hadden een klein misverstand vanochtend over het wel of niet vervolgen van Ali Nassar. Ik denk dat hij van mening is veranderd.”
De drie mannen lachten. “Wij werken in ieder geval niet voor Ron Begley.”
“Gelukkig niet. Waarschijnlijk beter zo.”
Aan de andere kant van een groot vals raam zat Ali Nassar aan een metalen tafel. Hij nipte uit een witte koffiekop. Zijn enkel zat vastgeklonken aan de poot van de tafel, die weer vastgeschroefd zat aan de vloer. Het deed er niet toe. Ali Nassar zag er niet uit ergens op weg naartoe te zijn.
Hij zag er helemaal verfomfaaid uit. Zijn overhemd was gescheurd en verkreukt, half open geknoopt tot zijn buik. Zijn haar stond overeind. Er zaten grote zwarte kringen onder zijn ogen. Zijn mond hing open. Zijn hand trilde iedere keer wanneer hij zijn kopje oppakte.
Een inspecteur van de NYPD hing dreigend over hem heen. Een grote, gespierde, roodharige Ier. Alles werd stil in de verhoorkamer toen Nassar begon te praten.
“Waar is mijn dochter en haar moeder?” vroeg hij.
De agent schudde zijn hoofd. “Die zijn veilig. Daarover hoef je je geen zorgen te maken. We hebben ze teruggebracht naar de Iraanse ambassade gebracht. Zij hebben niets gedaan. Zij weten niet wat er gaande is. Niemand is dan ook in hen geïnteresseerd.”
Nassar knikte. “Goed.”
“Oké,” zei de agent. “Alles in orde. Zij zijn veilig. Laten we hen even uit onze gedachten zetten. Ik wil over jou praten.”
Nu schudde Nassar zijn hoofd. “U heeft geen recht om me hier te houden. Ik wil met een advocaat praten.”
De agent glimlachte. Hij was rustig. Luke herkende een man die het verzoek voor een advocaat dagelijks hoorde en wist hoe hij het kon omzeilen.
“Waarom wil je dat?” zei de agent. “Heb je iets te verbergen? Je hebt al gesproken met de FBI-agent in de auto.”
“Hij hield een pistool tegen mijn hoofd.”
De agent haalde zijn schouders op. “Misschien is dat zo, maar misschien ook niet. Dit is de eerste keer dat ik dit hoor. Ik was er niet bij dus ik weet het niet.”
“Het is illegaal om mij hier te houden,” zei Nassar.
“Ali, laat me een ding duidelijk maken. We houden je niet vast. Dat is het juist. Je staat niet onder arrest. Ook als we het zouden willen, dan kunnen we je niet arresteren, dat weet je toch. We hebben je geboeid voor je eigen veiligheid. Op de gang wemelt het van gewelddadige criminelen. Soms ontsnappen ze. Geloof me, je bent veiliger in deze kamer. Maar als je wilt weggaan, dan ben je vrij om dat te doen.”
Nassar leek te gaan praten. Hij twijfelde, misschien verwachtte hij een truc.
De agent hief een vlezige hand op. “Laat me uitleggen waarom weglopen een slecht idee is,” zei hij. “Je bent ergens bij betrokken geraakt. Iets slechts. Jij weet dat en ik weet dat, dus we hoeven niet te doen alsof. Men heeft me verteld dat je het Witte Huis hebt opgeblazen. Ik weet niet of ik dat geloof.”
“Ik heb het niet gedaan,” zei Nassar.
De agent wees naar hem. “Precies. Dat is wat ik geloof. Ik geloof dat jij het niet gedaan hebt. Maar het lijkt alsof jij misschien weet wie het wel gedaan heeft. En als ik hen was, weet je wat ik dan zou doen? Alle losse eindjes opruimen. Een man als jij die hier de deur uitloopt, hoelang heb je dan nog te leven? Twaalf uur, als je geluk hebt? Persoonlijk denk ik niet dat je zo lang hebt.”
Nassar staarde naar hem.
“Je vrienden van de Iraanse ambassade?” zei de agent. Hij schudde zijn hoofd. “Ik denk niet dat ze je komen halen. Ze hebben vandaag al vier van hun mannen verloren toen ze jou naar het vliegveld probeerden te brengen. Jij bent een gevaar voor ze. Je bent een schande voor ze. Als ze terugkomen, dan is het om een kogel precies hier te plaatsen.”
De agent tikte op het voorhoofd van Nassar.
Nassar schudde zijn hoofd. “Zij waren er niet bij betrokken. Ze hebben geen reden om mij te doden.”
“Ja, dat is wat je de man van de FBI verteld hebt.” De agent keek naar wat aantekeningen op een klembord. “Je vertelde hem dat je voor een eenheid van de Amerikaanse overheid werkte, iets wat Red Box heette. Denk je niet dat de Iraanse overheid je zou doden als ze wisten dat je voor de Amerikanen werkte? Kom op, je bent toch iets slimmer dan dat.”
Nassars ogen werden even ietsje wijder.
De agent knikte. “Ja, je bent slim genoeg. Je ziet het. Je realiseert je dat je niet al te veel vrienden over hebt, Ali.”
Luke dacht terug aan dat moment in de auto. Overal om hen heen waren politieagenten. “Ik werk voor jullie,” zei Nassar. Toen zei hij inderdaad Red Box. Luke kon het zich nauwelijks herinneren. Hij was uit een helikopter gesprongen. Hij had een auto-ongeluk veroorzaakt. Hij had slechts enkele seconden erna twee mannen door het hoofd geschoten. Hij was net zo van slag als ieder ander. Op dat moment kon hij Nassars verhaal niet verwerken.
Nu, terwijl hij toekeek, staarden Nassar en de agent elkaar lang aan.
“Ik wil iets met je delen,” zei de agent. “Ik weet precies wat je doormaakt. Ik heb een jongere broer. Ongeveer vijftien jaar geleden raakte mijn broer betrokken bij iets, net als jij. Het was een vergissing, net zoals jij ook een vergissing hebt gemaakt, en hij zat tot over zijn oren in de problemen. Wat bleek nou, hij smokkelde wapens naar de IRA, het Ierse Republikeinse Leger, vanuit een bar in de Bronx. Ik zei nog tegen Mikey dat hij een idioot is. Je bent niet Iers. Je bent Amerikaans. Maar tegen die tijd heeft hij al iedereen achter zich aan. Hij wordt gezocht door de Amerikaanse overheid. Hij wordt gezocht door de Britse overheid. En als zijn vrienden van de IRA hem vinden dan eindigt hij op de bodem van de rivier. Ze moeten wel. Wat kunnen ze anders doen, hem laten praten en biechten?”
Een aantal agenten in de verhoorkamer lachten. Luke keek naar hen.
“Deze kerel met zijn jongere broers,” zei een van de agenten. “Mijn broer is een verkrachter. Mijn broer is een pyromaan. Mijn broer is een terrorist. Wil je de waarheid weten? Hij heeft drie zussen en allemaal zijn ze ouder dan hij.”
In de verhoorkamer zei Ali Nassar: “Ik denk dat ik me in een slechte positie bevind.”
De agent knikte. “Ik zou zeggen, een heel slechte positie. Maar ik kan je helpen. Het enige wat je hoeft te doen is mij te vertellen wat er aan de hand is.”
Nassar leek een besluit genomen te hebben. Hij schudde zijn hoofd. “Red Box is geen eenheid. Het is een programma, een operatie. Operatie Red Box. Ik weet niet waarvoor het diende. Ik wist alleen wat ze van mij verwachtten en dat was alles. Zij wilden dat ik een paar drones van China zou kopen. Ze zeiden dat ik enkele jihadis moest betalen, mannen die bereid waren om zelfmoord te plegen voor God. Ik regelde de betalingen via een buitenlandse bankrekening die zij voor mij hadden opgezet. Het was niet mijn rekening. Ik heb die mannen niet aangenomen. Ik wist niet eens wat ze hadden gepland tot twee dagen geleden.”
“Je zegt de hele tijd ‘zij, zij, zij’,” zei de agent. “Kun je specifiek zijn? Wie is ‘zij’?”
Ali Nassar zuchtte. “De Central Intelligence Agency, de CIA. Zij huurden mij in. Een man van jullie CIA die ik ken.”
Een bijna stille ademtocht ging door de kamer en Luke voelde een scherpe steek in zijn middenrif. Het voelde alsof zijn lichaam met een spijker doorboord was. Hij keek naar de mannen die met hem in de kamer waren. Iedereen, de agenten, de Homeland-agenten, iedereen leek verward. Er was een zacht gezoem van gedempte gesprekken. De CIA had Nassar ingehuurd om een aanslag op het Witte Huis te plegen? De CIA?
Luke’s hele wereld draaide om hem heen. Hij voelde dat het de waarheid was. Luke kon altijd aanvoelen of iemand loog, en Nassar loog niet. De CIA had hem daadwerkelijk ingehuurd of hij dacht echt dat ze dat gedaan hadden. Luke wankelde, zich afvragend of dit echt waar kon zijn. Als het zo was, dan zou hij iedereen om hem heen met andere ogen moeten bekijken. Wie kon hij nog vertrouwen?
“Het begon een jaar geleden,” zei Nassar. “Hij bezocht me op mijn hotelkamer in Londen. Eerst noemde hij het Operatie Red Box. Een maand later kwam hij naar me toe en zei dat hij een vergissing gemaakt had, Operatie Red Box was fout. We mochten nooit meer over Operatie Red Box spreken. We mochten niet eens meer de woorden uitspreken. Maar ik vergat het niet. Ik weet zeker dat het zo heet maar ik weet niet wat het betekent. Dus als je iets wilt weten over Operatie Red Box dan kan ik niet helpen. Dan moeten jullie maar naar de Directeur van de CIA gaan en hem vragen.”
“Wie is deze man?” zei Luke. “Neemt iemand hem in hechtenis?”
Een van de mannen van Homeland Security stak zijn hand op. “Wanneer de NYPD met hem klaar is, dan leveren ze hem uit aan ons.”
Luke knikte. “Goed. Hou hem vast.”
Hij liep naar de deur.
“Waar ga jij heen?” vroeg een van hen.
Luke draaide zich niet eens om.
“Ik ga terug naar Washington. Ik moet met iemand praten.”
Hoofdstuk 34
20:33 uur
Washington DC
De man wilde hem nooit ontmoeten voor het donker. Luke was alleen en wachtte op een houten pad aan de oever van de rivier de Potomac. De zon was net ondergegaan maar er scheen geen licht. Iets eerder was een dikke, koude mist komen opzetten vanaf het water. Het lag als een mantel om hem heen. Niemand kon hem zien. Hij kon wie dan ook zijn. Hij kon een dode man zijn. Hij kon zijn opgehouden te bestaan. Hij kon de laatste persoon op aarde zijn. Het was een goed gevoel.
Hij had zich gehaast om zo snel mogelijk naar Washington te komen maar nu hij hier was, moest hij wachten. Hij kon niet meer uitgeput zijn dan hij was en er stond ontzettend veel op het spel op dit moment. Het wachten ergerde Luke. De man liet hem altijd wachten. Heeft hij altijd gedaan, zal het altijd blijven doen.
Luke had tien minuten geleden met Ed Newsam aan de telefoon gesproken. Newsam was in het ziekenhuis. Het was Jacob en Rachel gelukt om een noodlanding te maken in het midden van een leeg honkbalveld. Newsams heup was gebroken en hij was behoorlijk geraakt door kogels, maar hij zou het halen. Er is meer voor nodig om een man als Newsam te doden. Maar hij was toch uit de roulatie en die gedachte maakte Luke ongerust.
Er was nog zoveel dat gedaan moest worden.
“Je hebt een drukke dag gehad,” zei een stem.
Luke keek op. Een lange, oudere man met haar zo wit dat het bijna lichtgevend was in de donkere omgeving. Hij had een kleine bruingrijze hond bij zich. Hij keek Luke niet direct aan maar kwam dichterbij en zat aan het andere einde van de bank. Hij ging met moeite voorzichtig zitten. Toen aaide hij de kleine hond met dunne handen. Een koekje verscheen in zijn hand als een magische truc. Hij gaf het aan de hond. Hij glimlachte over zijn eigen vingervlugheid.
“Leuke hond,” zei Luke. “Wat voor ras is het?”
“Een bastaard,” zei de man. “Hij is volgens mij half rat. Ik heb hem uit het hondenasiel gehaald. Net op tijd, vierentwintig uur later zouden ze hem hebben laten inslapen. Hoe zou ik een rashond kunnen kopen als er zoveel verloren zieltjes zitten te wachten op iemand die hen komt redden? Dat is gewetenloos.”
“Hoe zal ik je noemen?” zei Luke.
“Paul is goed,” zei de man.
Dat was grappig. Paul, Wes, Steve, de man had altijd een onopvallende naam. Toen Luke jonger was, was zijn naam altijd Henry of Hank. Hij was de man zonder naam, de man zonder vaderland. Wat viel er te zeggen over een spion uit de tijd van de Koude Oorlog die landsgeheimen van zijn eigen land aan de Russen verkocht om daarna de geheimen van de Russen aan de Britten en de Israëliërs te verkopen? En Luke kende slechts een klein deel van zijn verhaal. Er was waarschijnlijk nog veel meer. Hij mocht van geluk spreken dat hij nog in leven was. En nog gekker was zijn keuze om in Washington DC te gaan wonen, precies onder de neuzen van degenen die hem het liefst dood zouden willen zien of uit de weg geruimd. Maar misschien had verraad een houdbaarheidsdatum. Na een bepaalde tijd was er niemand meer die het nog kon schelen. Misschien waren alle mensen die het ooit kon schelen dood.
Luke knikte. “Goed, Paul. Bedankt voor je komst. Ik wilde je vertellen over de ontmoeting die ik vandaag had met een man in New York.”
De oude man lachte. “Oh god, ja. Daarover heb ik alles gehoord. Ik heb begrepen dat je onuitgenodigd bij hem langs ging. Je kwam in feite uit de lucht vallen.”
Luke keek de mist in. Het was dik als soep.
“Hij zei een aantal dingen die ik niet begrijp.”
“Intelligent zijn is niet hetzelfde als bijdehand zijn,” zei de man. “Sommige mensen kunnen heel intelligent zijn maar tegelijkertijd traag van begrip.”
“Of misschien heb ik begrepen wat hij zei, maar wil ik het gewoon niet geloven.”
“Wat zei hij?”
“Operatie Red Box,” zei Luke. “Dat zei hij.”
De oude man zei niets. Hij keek recht vooruit. Nog geen seconde geleden aaiden zijn handen de hond. Nu was hij gestopt.
Luke ging door. “Hij zei dat we de directeur van de CIA moesten vragen als we meer wilden weten. Tja, ik heb geen toegang tot de directeur van de CIA. Maar ik heb wel toegang tot jou.”
De man opende zijn mond en deed het toen weer dicht.
“Vertel,” zei Luke.
De man keek Luke nu recht in de ogen aan. Zijn gezicht zag eruit als gekreukeld perkament. Zijn diepe ogen waren lichtblauw. Het waren ogen die nog geheimen hielden. Het waren ogen zonder medelijden.
“Het is lang geleden dat ik die woorden gehoord heb,” zei hij. “Ik raad je aan om ze nooit meer te herhalen. Je weet nooit wie er afluistert, zelfs op een plek als deze.”
“Oké.”
“Ik neem aan dat je een vraag stelde die dit antwoord opwekte. Wat was de vraag?”
“Ik vroeg hem,” zei Luke, “voor wie hij werkte.”
Een lange zucht ontsnapte uit de oude man. Het klonk als een autoband die langzaam leegliep, helemaal leeg. Plotseling stond de man op. Hij bewoog soepeltjes, zonder de zichtbare kwetsbaarheid van zojuist.
“Het was interessant om met je te praten,” zei de man. “Misschien ontmoeten we elkaar nog eens.”
Het pistool verscheen in Luke’s hand als bij toverslag, een betere goocheltruc dan het hondenkoekje. Het was een ander pistool dan die hij eerder op de dag bij zich had. Deze had een twintig centimeter lange geluidsdemper aan het einde van de loop zitten. Het was langer dan het pistool zelf. Luke richtte het pistool nonchalant naar de buik van de man.
“Ken je deze geluidsdemper?” zei hij. “Het heet de Illusie. Het is nieuw op de markt en omdat jij al een tijdje uit de running bent, ken je het misschien niet. Het volstaat om te zeggen dat het heel, heel goed werkt. Een nacht als deze, met al die mist? Als dit pistool afgaat dan klinkt het alsof iemand niest. Niet luid, maar zoals iemand die niest bij een balletvoorstelling.” Hij glimlachte. “SRT krijgt altijd het beste speelgoed.”
Een vage glimlach kwam op de lippen van de man. “Ik geniet altijd van onze bijeenkomsten.”
“Vertel,” zei Luke weer.
De man haalde zijn schouders op. “Ga naar huis, ga naar je lieve vrouw en knappe jonge zoon. Dit is een situatie die jou niets aangaat. En ook al zou het jou aangaan, dan is er toch niets wat je zou kunnen doen.”
“Wat is Operatie Red Box?”
De oude man leek te huiveren bij het horen van de naam.
Luke wachtte enkele seconden maar de man leek niet te willen praten. “Geef me een reden om niet te schieten.”
De man knipperde. “Schiet me neer,” zei hij langzaam, “en je zult geen informant meer hebben voor je toekomstige opdrachten.”
Luke schudde zijn hoofd. “Er zullen geen toekomstige opdrachten zijn,” zei hij. “Als deze zaak niet opgelost wordt dan zal er voor niemand toekomstige opdrachten zijn.” Hij klonk dreigend. “Wat is Operatie Red Box?”
De man schudde zijn hoofd. “Je bent er veel teveel bij betrokken. Je bent een gevaar voor jezelf en anderen geworden en het ergste is dat je er zelf niet eens van bewust bent. Ik zeg de naam niet hardop, maar de operatie die je noemt is ontworpen om de presidentiële opvolging op een versneld traject te brengen. Het wordt gebruikt wanneer een president van zijn ambt moet worden ontheven, maar er niet genoeg tijd is om te wachten tot de volgende verkiezingsronde.”
“Ze dreigden om de president af te zetten vanochtend,” zei Luke. “Het was op de radio.” De uitspraak gaf een gek gevoel zodra hij het gezegd had. De president afzetten en terroristen die het Witte Huis opblazen; de twee pasten niet samen. Luke was doodmoe. Het was moeilijk om dingen nog duidelijk te zien.
“Sneller dan afzetten,” zei Paul. “En zekerder. Denk abrupte verandering. Denk 1963. Het is een operatie die gereserveerd is voor wanneer de loyaliteit van de president niet langer onbetwist is. Het is ook voor wanneer gebeurtenissen te groot of te gevoelig zijn voor de man aan het roer. Het is bedoeld voor tijden wanneer actie nodig is.”
“Wie beslist dit?” vroeg Luke.
Paul haalde zijn schouders op. Hij glimlachte weer. “De mensen die de leiding hebben, beslissen.”
Luke staarde naar hem.
“Maak me niet wijs dat je niet weet wie het echt voor het zeggen heeft,” zei Paul, “anders begin ik te denken dat je moeder misschien een relatie heeft gehad met de melkboer.”
De oude man staarde naar hem. Er was een soort wild licht in de ogen van de man. Luke vond dat hij leek op een nar of een rondreizende kwakzalver. De man glimlachte zonder humor.
“Je zag hoe het Witte Huis ontplofte vandaag, toch?”
Luke knikte. “Ik was erbij.”
“Tuurlijk was je er. Waar anders zou je zijn op zo’n moment? Vond je dat het op een drone-aanslag leek? Of leek het op iets anders? Denk na. Leek het niet meer op een serie ontploffingen, explosieven die dagen of weken geleden al in het gebouw geplaatst waren?”
In zijn gedachten zag hij de explosies weer voor hem en hoe de explosieven als dominostenen van de West Wing, langs de colonnade naar de residentie achter elkaar ontploften. Een enorme explosie vernietigde de residentie volledig, een groot brokstuk vloog hoog de lucht in. Hij voelde de schokgolf weer, die de helikopter bijna uit de lucht had gehaald.
Maar hoe kon iemand explosieven plaatsen binnen in het Witte Huis? Iedereen die er werkte moest door een strenge veiligheidscontrole, van de schoonmaaksters en de klusjesmannen tot de vaatwassers en de aardappelschillers, van de persvoorlichter tot de stafchef van de president. Iedereen werd gescreend. Als de explosieven geplaatst waren, dan betekende dat…
Een inside job, een klus uitgevoerd met behulp van iemand binnen de harde kern van het Witte Huis, binnen het veiligheidsapparaat, binnen de geheime dienst. Iemand die een groep explosievenexperts kan laten infiltreren in het Witte Huis. Iemand die het verleden van de groep kan uitwissen, nieuwe identiteiten kan aanschaffen en een baan voor ze in het Witte Huis kan regelen. Banen die weinig toezicht vereisen, banen met een vrijheid om de gangen rond te lopen zonder op te vallen, vooral ’s nachts wanneer er niemand is.
In Luke’s gedachten begonnen een heleboel veronderstellingen te verdwijnen. De hele dag was hij ervan uitgegaan dat een groep ongeregelde terroristen achter de aanslagen lag. Ze waren minimaal getraind maar ze waren gewelddadig en ze waren niet dom. Ze verschuilden zich, ze renden, ze gebruikten asymmetrische tactieken, ze gebruikten het feit dat ze klein en flexibel waren als wapen tegen een vijand van aanzienlijke superioriteit. Misschien geloofden deze mannen dat ze exact dat deden. Ze kunnen dan wel het radioactieve afval hebben gestolen. Ze kunnen de drone bestuurd hebben en zelfs een deel van het Witte Huis opgeblazen. Maar ze waren eigenlijk maar een kleine schakel in het geheel. Ze werden gebruikt door iets wat veel groter was, veel geraffineerder.
Wat Ali Nassar had verteld, was waar. Het was de Amerikaanse overheid die erachter lag. Een raar warm gevoel liep langs de ruggengraat van Luke, helemaal naar de top van zijn hoofd en langs zijn schouders en armen omlaag. Hij keek naar zijn handen, hij verwachtte half dat ze in vlammen op zouden gaan. Een golf van misselijkheid ging door hem heen. Hij dacht even dat hij moest overgeven. Dat wilde hij niet, niet hier, niet voor Paul zijn ogen.
“Hoe kan ik het stoppen?” zei Luke.
Paul schudde zijn hoofd. “Vriend, je kunt Operatie Red Box niet stoppen. Je maakt dat je wegkomt. Dit is niet jouw strijd, Luke. Als je het tot jouw strijd maakt, dan zul je falen. De mislukking zal waarschijnlijk spectaculair aanvoelen terwijl het gaande is, maar uiteindelijk zal het zielig aanvoelen.”
“Geef me dan genoeg om dat te doen.”
Paul gromde, toen lachte hij. “Je bent een dwaas. Je hebt geen gevoel voor zelfbehoud. Je bent net als een van die Japanse kamikazepiloten uit de Tweede Wereldoorlog, die zich lieten neerstortten op een vliegdekschip in een vliegtuig vol met bommen. Maar in jouw geval is jouw vliegtuig van papier.”
De oude man twijfelde en dacht even na. Hij zag dat Luke niet zou opgeven. “Oké. Als je echt zelfmoord wilt plegen, neem dan contact op met David Delliger. Hij is de minister van Defensie, voor het geval je dat niet wist. Hij en de president waren huisgenoten tijdens hun studententijd aan de universiteit van Yale. Hij zal nooit betrokken zijn bij het complot maar hij zal er heel dicht bovenop zitten, waarschijnlijk zonder het te weten. De puzzelstukjes zullen pas op hun plaats vallen na het feit, maar dan zal hij het hele plaatje zien. Misschien heeft hij net als jij geen gevoel voor zelfbehoud. Als dat zo is, dan passen jullie bij elkaar zoals een getrouwd paar.”
“En hoe zit het dan met de president?” vroeg Luke.
Paul haalde zijn schouders op. “Hoezo de president?”
“Hij is veilig nu, nietwaar?” drong Luke aan. “Hij bevindt zich tien verdiepingen onder de grond.”
Paul glimlachte. “Ik moet gaan. Het is al laat voor een oude man om op dit uur nog buiten te zijn. Deze parken kunnen ’s nachts gevaarlijk zijn.”
“De president is veilig,” drong Luke weer aan en hij pakte de arm van de man vast, panisch, en hij had het nodig om van de man te horen dat de president veilig was.
Paul schudde zijn hoofd langzaam en haalde Luke’s hand weg.
“Je begrijpt het niet,” antwoordde Paul, met een schorre stem, voordat hij zich omdraaide om in de zilvergrijze mist te verdwijnen. “Als dit echt Operatie Red Box is, dan is de president al dood.”
Hoofdstuk 35
20:53 uur
Mount Weather Emergency Operations Center – Bluemont, Virginia
Een serieuze jongeman stak zijn hoofd om de hoek. “Mijnheer de president? We gaan live over zeven minuten. We willen u graag twee minuten eerder op de set zien.”
Thomas Hayes zat in een leren kappersstoel in zijn zogenaamde kleedkamer. De kamer was ovaal. De muren waren kaal op een spiegel na, die voor de kappersstoel hing. Er stond ook een lange kaptafel. In de spiegel zag hij zijn stafchef, David Halstram, die probeerde te relaxen op de bank.
David leek twee versnellingen te hebben: snel en sneller. Hij zou zelfs niet kunnen relaxen onder de meest kalme omstandigheden. Vandaag was het allesbehalve kalm geweest. Hij was zenuwachtig aan het friemelen. Zijn schoen tikte ritmisch op de betonnen vloer.
De president hield de definitieve versie van zijn toespraak in zijn hand. Ouderwets papier voor president Hayes – hij was nooit echt gewend aan de digitale revolutie. David had dezelfde toespraak op een iPad.
Twee jonge vrouwen waren bijna klaar met het schminken van Hayes. Eentje zorgde ervoor dat zijn make-up er natuurlijk uitzag, alsof hij geen make-up droeg. De andere was bezig met zijn kapsel zodat het netjes en representeerbaar was, bijna maar niet helemaal perfect. Hij was ternauwernood aan de dood ontsnapt vandaag. Men verwachtte zeker dat hij er tenminste een beetje shabby uitzag.
“Wat betekent dat?” vroeg hij aan de jongeman die gesproken had. “Is het een wiskundig probleem?”
“Het betekent over vijf minuten, mijnheer.”
“Oké , we zullen er zijn.”
Toen de man weg was, keek president Hayes weer naar David via de spiegel. “Wat vind jij van deze zin, bijna aan het einde, ons verwacht grandeur? Hij heeft het er drie keer in gezet. Het klinkt als een reclameslogan voor een gratis bankrekening. Ik bedoel, wat moet ik ermee?”
Hayes was nerveus, wat normaal was. Over enkele minuten zou hij de ether ingaan en het Amerikaanse volk toespreken over de crisis waarmee ze werden geconfronteerd. Hij kon alleen maar aannemen dat bijna iedere volwassene in het land, en honderdmiljoenen meer in het buitenland, hem zouden zien of horen. Elk TV-station gaf prioriteit aan de uitzending. Ook bijna alle radiozenders. YouTube zou het live streamen.
Het was waarschijnlijk de allerbelangrijkste speech die hij ooit zou geven en het was vanmiddag en vanavond samengesteld door zijn hoofd speechschrijver. Hayes had hem weken geleden al willen ontslaan maar hij had zoveel andere dingen aan zijn hoofd gehad.
“Thomas,” zei David, “je bent de beste openbare spreker die ik ooit gehoord heb in mijn leven. Nee, ik was nog niet geboren om John F. Kennedy of Martin Luther King te horen maar dat doet er niet toe. Niemand die vandaag de dag leeft, komt ook maar bij jou in de buurt. Iemand probeerde je te vermoorden vandaag. Ze hebben het Witte Huis verwoest en bijna 25 mensen gedood. Het Amerikaanse volk wil jou horen. Ik raad je aan om vanuit je hart het volk toe te spreken. Ontroer ze, leidt ze. Gebruik de speech als een gids als je wilt of gooi het uit het raam en improviseer. Ik heb gezien hoe je met een spontane speech volle zalen tot tranen toe kan ontroeren.”
Hayes knikte. Hij hield van het idee van improvisatie. Hij mocht het idee van leiderschap. En toen hij aan leidinggeven dacht, realiseerde hij zich wat er ontbrak. Dat gevoel van angst of ongerustheid. Of het gevoel van uit elkaar getrokken te worden als het bekende snoep, saltwater taffy. Dat gevoel was weg. Door de aanslag van vandaag waren zijn gedachten weer gefocust. Hij voelde zich zelfverzekerd. Hij voelde dat de leider in hem weer terug was. Het kon hem niet meer schelen wat het Huis van Afgevaardigden dacht, of wat mensen als Bill Ryan deden. Thomas Hayes was gekozen om de mensen van de Verenigde Staten van Amerika te leiden. En leiden was wat hij van plan was om te doen.
“Denk je dat Susan zal komen luisteren?”
David knikte. “Ik weet dat ze zal komen. Ik sprak vanmiddag met haar. Ze mag je niet erg op dit moment, maar dat is van later zorg. Het komt wel goed tussen jou en Susan. In de tussentijd doet ze haar werk. Na je toespraak is het tijd voor netwerken op hoog niveau, maak een praatje met de meest invloedrijke Amerikanen. Laat de camera’s zien hoe iedereen samenkomt in tijden van crisis. Susan zal erbij zijn en heel, heel erg zichtbaar zijn.”
“Goed, David. Ik vind het rot wat er vandaag gebeurd is en ik wil het goedmaken.”
David knikte. “Dat komt ook wel.”
Toen het tijd was, stond Hayes op uit zijn stoel, deed zijn colbert aan en liep de kamer uit. David liep een halve meter achter hem aan. Hayes liep de ondergrondse TV-studio binnen. Zijn spreekstoel, met het presidentiële embleem, stond op een verhoogd podium dat bedekt was met blauwe vloerbedekking. Het was omgeven door camera’s en lampen.
Hayes voelde zich goed, hij zat vol met energie en hij voelde zich machtig. Hij voelde een golf van elektriciteit door hem heen gaan, net als vroeger, vlak voor een roeiwedstrijd. Hij was toen de kapitein van een nationaal roeiteam.
Hij hield zich in om niet als een presentator van een spelprogramma het podium op te rennen.
Achter hem ging Davids telefoon. Hij keek naar zijn stafchef. David keek op zijn telefoon om te zien wie er belde en keek toen op.
“Het is Luke Stone.”
De president haalde zijn schouders op. “Neem maar op. We hebben nog tijd. Bovendien heb ik dit onder controle. Ik heb het vaak zat gedaan.”
Hij stapte het podium op en keek tegen de felle lampen in.
*
Luke stond aan de oever van het water. Hij had exact vijf stappen genomen van de bank, waar zijn vader hem had laten zitten, tot aan de oever. Hij kon nauwelijks iets zien. De mist was zo dik dat hij geluk had dat hij verbinding had.
De telefoon ging een aantal keer over.
“Halstram,” zei een stem.
“David, ik moet president Hayes spreken.”
“Luke, het spijt me. Jij en je partner hebben fantastisch werk geleverd vandaag, maar de president staat op het punt om live te gaan. Als je wilt, dan kan ik hem een boodschap doorgeven na de uitzending. Waarschijnlijk over ongeveer een uur. Luister, je zou ergens heen moeten gaan waar ze een TV hebben en naar zijn toespraak kijken. Ik verwacht niets minder dan vuurwerk van hem. Ze hadden ons dit keer te pakken, maar we zijn niet klaar met ze, nog lang niet.”
“David, we hebben een groot probleem.”
“Ik weet het. Ik was erbij, weet je nog? We zullen hard moeten werken maar we moeten er op een of andere manier uitkomen. En jij zult een belangrijk onderdeel hiervan uitmaken, geloof me.”
Luke wist niet goed hoe hij mensen als David Halstram moest hanteren. Niet over de telefoon tenminste. David had de gewoonte om aan een stuk door te praten. Af en toe nam hij een korte adempauze om daarna weer verder te gaan. Hij was energiek, hyperactief en waarschijnlijk erg intelligent. Hij was in ieder geval overtuigd van zijn eigen capaciteiten en hij was overtuigd dat mensen naar hem zouden luisteren en doen wat hij zei. Het was onmogelijk om ertussen te komen wanneer hij aan het woord was, zodat hij zou luisteren.
Als Luke naast hem had gestaan, dan had hij zijn wapen tegen Davids voorhoofd gedrukt en hem bij zijn dunne haar gepakt. Of, als hij zich relaxt voelde, dan had hij David misschien een karateslag op zijn sleutelbeen gegeven. Beiden zouden waarschijnlijk Davids opmerkzaamheid verkrijgen. Maar door de telefoon was het moeilijk.
Hij sprak langzaam, alsof hij tegen een imbeciel praatte. “David, je moet naar me luisteren. Het leven van de president is in gevaar.”
“Daarom zitten we onder de grond.”
“David -”
“Luke, luister, ze hebben me hier nodig. Als je geen specifiek bericht wilt achterlaten dan moet je over negentig minuten terugbellen. Goed? Als je me dan niet te pakken krijgt, probeer het een halfuur later weer.”
“Jullie moeten zo snel mogelijk daarvandaan.”
“Oké, Luke, we hebben het er nog over. Hij gaat nu live. Ik moet gaan.”
De lijn was dood. Luke staarde naar de telefoon. Hij wilde het in de rivier gooien maar hij hield zich in. In plaats daarvan, begon hij terug te lopen naar zijn auto. Een minuut later begon hij te rennen.
Zou hij daadwerkelijk nu naar Mount Weather rijden, na bijna veertig uur zonder slaap?
Ja.
Hoofdstuk 36
Wat zou ze graag waar dan ook ter wereld zijn, behalve hier. Ze stond buiten het gapende gat dat de ingang tot het Mount Weather complex was. Ze rookte een sigaret terwijl ze haar mobieltje tegen haar oor gedrukt hield.
Dat ze rookte, was een van die geheimen die het Amerikaanse volk nooit zou mogen weten. Susan Hopkins hield ervan af en toe een sigaretje op te steken, al sinds de tijd dat ze als tiener een model was. Vooral in tijden van stress, was niets beter en dit was mogelijk de meest stressvolle dag van haar leven. Niemand had haar ooit proberen te vermoorden.
Ze droeg een rood skaterjurkje, eentje die misschien iets te sexy was voor deze gelegenheid. Ze hadden de jurk samen met een naaister, met een helikopter opgehaald van de Nordstrom-winkel in het winkelcentrum bij het Pentagon. Het was David Halstrams idee. Het was voor de kijkers, zodat ze gemakkelijk te herkennen zou zijn. Na de speech zou op die manier niemand ter wereld het feit missen dat Susan Hopkins in een tunnel diep onder de grond aan de lippen van de president hing. Het was een goed idee. Maar het was ook een koele avond en de berglucht ging rechtstreeks door het materiaal van de jurk.
Ze rilde. Drie heel grote agenten van de Geheime Dienst stonden dicht in de buurt. Ze doemden boven haar. Ze hoopte dat geen van hen hun jas aanbood. Van dat soort hoffelijkheid moest ze overgeven.
Pierre was aan de andere kant van de lijn aan het praten.
“Liefje,” zei hij. “Ik wil echt het liefst dat je daar weggaat. Het maakt me nerveus. Ik kan een vliegtuig naar de dichtstbijzijnde luchthaven sturen. Je zou over een uur op weg terug kunnen zijn. Ik heb de beveiliging verdubbeld. De elektrische omheining is aan. Er zou een klein leger aan te pas moeten komen om erdoorheen te komen. Je zou iedereen gewoon kunnen zeggen dat je een paar weken nodig hebt om bij te komen. Relax bij het zwembad. Neem een heerlijke massage.”
Susan glimlachte bij de gedachte aan Pierre, zich verschuilend in zijn herenhuis met dertig kamers, veilig achter zijn elektrische omheining. Wie dacht hij buiten te houden, ondeugende studenten? Zijn omheining, zijn ingangspoort en zijn acht (in plaats van vier) gepensioneerde bewakers zouden degenen die haar bijna vermoord hadden niet eens vertragen.
Oh God.
“Pierre -”
Hij bleef maar praten. “Laat me alsjeblieft uitpraten,” zei hij.
Ze dacht aan de eerste tijd samen met hem. Ze had al in Vogue, Cosmo, Mademoiselle, Victoria’s Secret en zelfs de uitgave van Sports Illustrated voor de jonge mastubeerders gestaan. Maar ze begon oud te worden. Ze kon het aanvoelen en haar agent zei het ook. Ze kreeg geen opdrachten voor de voorpagina’s meer. Ze was vierentwintig jaar oud.
Toen ontmoette ze Pierre. Hij was negenentwintig en de beursnotering van zijn nieuwe bedrijf maakte hem onmiddelijk miljardair. Hij was opgegroeid in San Francisco maar zijn familie kwam uit Frankrijk. Pierre was een mooie man met een slank lichaam en grote reebruine ogen. Hij leek op een hert dat verschrikt in de koplampen keek. Een pluk van zijn donkere haar viel altijd voor zijn gezicht. Hij verschuilde zich in huis. Het was ongelooflijk schattig.
Ze had goed verdiend tijdens haar carrière, miljoenen dollars. Financieel gezien was ze onafhankelijk. Ze leidde een heel, heel erg comfortabel leven. Maar plotseling speelde geld helemaal geen rol meer. Parijs, Madrid, Hongkong, Londen. Ze overnachtten altijd in vijf-sterrenhotels en altijd in de duurste suite. Fantastische uitzichten waren de achtergrond van haar leven geworden, nog meer dan ervoor. Skivakanties in de Alpen en Aspen, zonvakanties op het strand in Griekenland, Bali of Barbados. Ze trouwden en kregen kindjes, twee prachtige tweelingdochtertjes. Maar de jaren gingen voorbij en langzamerhand groeiden ze uit elkaar.
Susan begon zich steeds meer te vervelen. Ze wilde iets te doen hebben. Ze ging de politiek in. En tenslotte stelde ze zich verkiesbaar als senator van Californië. Het was een dwaas idee maar ze verraste iedereen – inclusief zichzelf – met een verpletterende overwinning. Daarna was ze vaak in Washington. Soms gingen de meiden mee, soms niet. Pierre werkte in zijn bedrijf en hij engageerde zich steeds meer in zijn liefdadigheidswerkzaamheden in de derde wereld. Soms zagen ze elkaar maandenlang niet.
Ongeveer zeven jaar geleden belde Pierre haar laat op de avond en vertelde haar iets wat ze ergens allang had geweten. Hij was homo en hij had een relatie.
Ze bleven toch getrouwd. Vooral voor de meiden maar ook om andere redenen. Ten eerste waren ze beste maatjes. Ten tweede, het was voor allebei beter als de wereld dacht dat ze nog steeds samen waren. Ze waren het perfecte stel in de media. En het was gewoon gemakkelijk.
Ze zuchtte. Dat was nog een geheim wat het Amerikaanse volk niet mocht weten.
Ze keek op haar horloge. Het was bijna negen uur.
“Pierre,” zei ze weer.
“Ja,” zei hij uiteindelijk.
“Ik hou heel veel van je.”
“Ik hou ook van jou.”
“Goed. Ik zal nadenken over alles wat je gezegd hebt. En zodra het kan, ben ik hier weg. Maar nu moet ik naar binnen om te luisteren naar de toespraak van de president.”
“De president is een eikel.”
Ze knikte. “Ik weet het. Maar hij is onze eikel en we moeten hem onze steun geven. Oké?”
“Oké.”
Ze hing op en deed haar peuk uit. Ze keek naar de drie reuzen die om haar heen ronddraaiden. “Laten we naar binnen gaan, jongens,” zei ze. Een minuut later stonden ze allemaal in de lift en waren ze op weg naar de diepte van de aarde.
*
“Veertig seconden, mijnheer de president,” zei een stem uit de controlekamer. “Als mijn licht op groen gaat dan bent u live in de ether.”
“Moet ik me op het groene licht richten?” vroeg Hayes.
“We filmen u van vijf verschillende hoeken, mijnheer. Maar het klopt dat groen betekent dat u de kijkers direct in de ogen aanspreekt. Dertig seconden.”
David Halstram ging ergens achterin de TV-studio staan en nam de hele scène in zich op.
De president stond kaarsrecht achter de sprekersstoel, uiterst kalm, wachtend tot het licht aan ging. In het kleine amfitheater tegenover hem zaten een aantal van de belangrijkste en invloedrijkste mensen van Amerika.
Een groot deel van het publiek bestond uit Congresleden en senatoren van beide partijen. De meesten waren liberalen net als de president, maar er waren er ook veel die loyaal waren aan de oppositie. De minister van Buitenlandse Zaken was er, de minister van Financiën ook en de minister van Onderwijs. De directeuren van NASA, de Nationale Wetenschapsstichting en de Nationale Park Service, de organisatie die verantwoordelijk was voor de natuurlijke grondstoffen in Amerika, zaten op een rij omgeven door hun hogere personeel.
Halstrams hart klopte hard. Opgewonden zou een grote onderschatting van zijn gemoedstoestand zijn. Hij voelde zich als een raket die steeds meer versnelde door de zwaartekrachtveld van de aarde. Dit waren precies de momenten waarvoor hij leefde.
Hij was geboren voor dit werk. Hij dronk geen alcohol en hij had nooit drugs gebruikt. Hij had zelfs nauwelijks cafeïne nodig. Hij werkte met gemak dagen van achttien uur, sliep vier of vijf uur, stond op en deed het allemaal nog een keer. Wat voor kick gaf koffie in vergelijking tot het leven dat hij leidde?
President Thomas Hayes stond op het punt om een van de belangrijkste toespraken in de Amerikaanse geschiedenis te geven en David Halstram, zijn stafchef en vertrouweling, stond tien meter ervandaan.
“Twintig seconden, mijnheer de president.”
Een kleine onderbreking dook op in Davids gedachten. Luke Stone. Ze hadden hem gescreend vanmiddag, natuurlijk. Hij had het leven van de president gered, maar het was belangrijk om te weten met wie je te maken had. Het dossier van de man was dik. Het zat vol met waarschuwingssignalen. Oorlogstrauma. Mogelijk onnodig gebruik van geweld. Misbruik van machtspositie. Vervalsingen. Blijkbaar was hij vandaag de West Wing binnengekomen met een valse Yankee White veiligheidsmachtiging. Hoe was hem dat gelukt? Wat zouden de gevolgen zijn geweest als het hem niet gelukt was?
“Tien seconden. Sterkte, mijnheer.”
Nu wilde hij dat ze het complex zouden verlaten. Goed, David zou het hierover met hem hebben. Misschien konden ze morgenochtend naar… ja, waarnaartoe? Naar Camp David gaan?
Op het podium stond Hayes, zijn blik op de camera gericht.
De stem was weer hoorbaar. “We gaan live in vier…”
“Drie…”
Hayes glimlachte. Het leek vals en geforceerd maar toen veranderde zijn gezicht.
“Twee…”
Zijn gezicht kreeg een blik van vastberadenheid.
“Eén.”
“Goedenavond, mijn mede-Amerikanen,” begon de president met een brede, zelfverzekerde glimlach.
“Ik sta hier om te vertellen -.”
BOEM!
Er was een flits en een seconde lang dacht David dat het het groene licht was waar de president op wachtte. Maar het was niet groen. Het was wit, enorm en oogverblindend. Het kwam vanachter de president vandaan. Het had de president helemaal opgeslokt.
De kracht van de explosie gooide David de lucht in. Hij vloog tegen de muur drie meter achter hem en viel op de grond. Alles werd donker. Hij kon niets zien. De grond onder hem schudde.
Plotseling nog een flits, nog groter en intenser. Alles schudde. Het hele complex bewoog. Het plafond boven hem stortte in. Hij hoorde hoe het begaf en heel even voelde hij het. Een groot brokstuk landde op zijn onderrug en benen. Eerst deed het pijn, toen stopte de pijn.
David was snel van geest. Hij wist onmiddellijk dat zijn benen verbrijzeld waren en dat hij waarschijnlijk vanaf zijn middel verlamd was. Hij vermoedde, hoewel hij het niet kon voelen, dat hij veel bloed verloor.
Overal om hem heen in het donker waren mensen aan het gillen.
Ik bevind me tien verdiepingen onder de grond. Niemand zal me komen redden.
Hij begon terug te denken, de gebeurtenissen terug te spoelen. De eerste flits. Hij zag het nu duidelijker dan eerst. Het licht had de president niet opgeslokt.
Het had hem vernietigd.
De president en waarschijnlijk iedereen die met hem onder de grond was, was dood.
Hoofdstuk 37
21:02 uur
Washington DC
“En nu,” zei een zachte stem. “De president van de Verenigde Staten.”
Luke reed de snelweg op, op hetzelfde moment dat de president met zijn toespraak zou beginnen. Luke dacht dat als de speech van de president een uur zou duren, dat hij tegen het einde van de speech aangekomen zijn in Mount Weather.
Hij hoorde de eerste woorden van de president toen het geluid plotseling weg viel.
De stem van een vrouw klonk door de radio.
“Eh, het schijnt dat we technische problemen hebben. We hebben alle communicatie verloren met de bunker in Mount Weather waar de president zich bevindt. We werken hard om het probleem zo snel mogelijk op te lossen. In de tussentijd, het woord aan onze sponsoren.”
Luke zette een andere zender op. Hetzelfde verhaal.
Hij probeerde een andere zender. Daar speelden ze rockmuziek.
Eindelijk kwam de stem van een man op de radio.
“Dames en heren, we hebben net te horen gekregen dat er een soort explosie heeft plaatsgevonden in het Mount Weather complex van de overheid. We hebben op dit moment geen details. Er is geen contact met het complex, maar de eerste hulpverleners zijn op de plek aangekomen. We waarschuwen ervoor dat dit niet hoeft te betekenen dat -”
Luke zette de radio uit.
Luke voelde even niets. Hij was verdoofd. Hij herinnerde zich die heuvel in Afghanistan lang, lang geleden. Het was koud. De zon kwam op maar de zonnestralen straalden nog geen warmte uit. De aarde was ruig en hard. Overal lagen dode lichamen. Dunne mannen met baarden lagen overal verspreid op de grond met wijd open en starende ogen.
Op een gegeven moment die nacht had Luke zijn shirt van zich af gescheurd. Zijn borst was rood van de verf. Hij was doordrenkt van hun bloed. Hij had ze in stukken gehakt. Doodgestoken. Opengesneden. En hoe meer hij er doodde, hoe meer er bijkwamen.
Dichtbij lag Martinez op zijn rug in een lage loopgraaf. Hij huilde. Hij kon zijn benen niet meer bewegen. Hij had er genoeg van. Hij wilde niet meer verder. “Stone,” zei hij. “Hé, Stone. Hé! Dood me, man. Dood me gewoon. Hé, Stone! Luister naar me, man!”
Murphy zat op een rots, hij staarde recht voor zich uit. Hij probeerde niet eens te schuilen.
Als er nog meer vijanden zouden komen dan wist Stone niet wat hij moest doen. Deze jongens hadden geen kracht meer over om nog te vechten. En het enige wapen wat hij nog had, was de gebogen bajonet in zijn hand.
Terwijl hij keek, zag hij een rij zwarte insecten aan de horizon verschijnen. Hij wist meteen wat het waren. Helikopters. Toen wist hij dat hij nog leefde. Hij voelde zich niet blij, ook niet slecht. Hij voelde gewoon niets.
Net als nu.
Hij schrok op toen er een ziekenauto links aan hem voorbij scheurde met honderdzestig kilometer per uur, richting het westen met zwaailichten en een loeiende sirene. Luke nam de eerste de beste afslag. Aan het einde van de afslag was een parkeerplaats voor forenzen. Luke reed ernaartoe en stopte de auto.
Hij parkeerde en deed de koplampen uit. Hij dacht dat het misschien zou helpen om te gillen, dat hij dan iets zou voelen. Dus hij probeerde het, hij gilde. Hij gilde lange tijd.
Het werkte niet.
Hoofdstuk 38
21:35 uur
Fairfax County, Virginia – een buitenwijk van Washington DC
Whisky met ijs. Het gaf hem iedere keer een speciaal genot, eerst voelde het koud aan in zijn mond en daarna brandde het in zijn maag.
Luke zat op de bank van zijn eigen woonkamer. Hij was zojuist door de deur gelopen. Hij keek naar de klok en dacht terug aan alle gebeurtenissen. Het was bijna twintig uur geleden dat hij hier was. Hij was het huis uitgegaan met een doel, vol energie. Hij had hard gewerkt om een ramp te voorkomen, hij had zijn eigen leven keer op keer op het spel gezet. En waarvoor? De ramp had toch plaatsgevonden.
Hij deed de TV aan maar zette het geluid uit. Hij zat door de kanalen heen te zappen, hij keek naar de beelden. Mount Weather, waar hij vandaag nog was geweest, stond in brand. De vrouw van de President, de First Lady, zag er helemaal radeloos uit terwijl ze haar interviewden in een vakantieoord in Hawaï. Ze stortte in en huilde voor de camera’s. Spontane kaarslichtwakes doken overal op. Honderdduizend mensen in Parijs, honderdduizend in Londen. Verlaten straten in DC en Manhattan. Rellen in Detroit en Los Angeles en Philadelphia, plaatsen waar de president geliefd was. Pratende hoofden die maar bleven praten. Sommigen met tranen in de ogen en oprecht, anderen boos en krachtig gebarend. Iemand moest boeten, natuurlijk. Er moest altijd iemand boeten.
Het nieuws veranderde. Ergens werden gevechtsstraaljagers ingezet. Bommen werden op doelwitten in het Midden-Oosten gegooid. Nucleaire onderzeeërs in de Noordzee. De Amerikaanse vloot in de Perzische Golf. De Russische president hield een persconferentie. Chinese leden van het kabinet in Beijing, Iraanse mullahs. Zingende en juichende menigten, mannen in tulbanden en sandalen die met AK-47 geweren rondzwaaiden, die babies kusten en tot God omhooghielden. Een rel in de steegjes van een eeuwenoude stad, soldaten die traangas spoten, mensen die renden, mensen die vertrappeld werden in het donker. Een man, een verrader ofzo, gestenigd tot zijn dood in een stoffig dorp.
Dit allemaal zweefde voorbij, beeld na beeld. De Amerikaanse president was vermoord en de hele wereld werd gek. Het was onmogelijk om de gevolgen van deze gebeurtenis te kunnen omvatten.
Luke bukte zich, maakte zijn laarzen los en schopte ze uit. Hij leunde achteruit. Minder dan vierentwintig uur geleden had hij op de rand van pensioen gestaan, hij zou zich terugtrekken uit de wereld van inlichtingen. De afgelopen zes maanden waren ongelooflijk plezierig geweest, hij had een aantal lessen gegeven aan de universiteit, spontane basketbalwedstrijdjes met de studenten gespeeld, tijd met zijn familie doorgebracht. Misschien waren zijn dagen als soldaat en spion en kamikaze echt voorbij.
Hij keek het huis rond. Ze hadden hier een heerlijk leven. Het huis was mooi en modern met ramen van de vloer tot aan het plafond. Het leek wel uit een woontijdschrift te komen. Het was een glazen doos. In de winter wanneer het sneeuwde was het net een ouderwetse sneeuwbol die kinderen hadden. Hij dacht aan kerstmis, samen zittend in de prachtige woonkamer, de kerstboom in de hoek, de openhaard aan, sneeuw die rondom hen naar beneden kwam dwarrelen alsof ze buiten zaten maar in feite zaten ze binnen, gezellig en warm.
God, dat was fijn.
Hij had zich nooit dit huis kunnen veroorloven met zijn overheidssalaris. Becca had het nooit gekund op haar salaris als wetenschappelijk onderzoeker. Samen zouden ze zich dit huis niet eens kunnen veroorloven. Het was gekocht met het geld van haar familie.
En dat was het enige wat nodig was om te weten over de baan. Het maakte niet uit of hij twee dagen per week werkte of helemaal niet meer. Ze waren binnen, waarschijnlijk voor de rest van hun leven.
Een donkere gedachte kwam in hem op. Als er oorlog uitbrak tussen de grootmachten dan zou het onmogelijk zijn om het te stoppen. Misschien kon hij deze giganten het zelf laten uitvechten. Hij hoefde niet deel te nemen. Misschien kon hij het zelfs vergeten mettertijd. De ergste gruweldaden zouden andere mensen overkomen, ergens ver weg.
Hij pakte zijn telefoon van de koffietafel en draaide een nummer.
De lijnen waren weer open. De zendmasten waren niet meer overbelast. Mensen hadden opgegeven.
De telefoon ging over. Op de derde beltoon nam ze op.
Ze klonk slaperig. “Hallo?”
“Schat?”
“Hoi schatje,” zei ze.
“Hallo. Wat ben je aan het doen?”
“Oh, ik was moe dus ik ging vroeg slapen. Gunner heeft me de hele dag achternagezeten. Dus ik ging direct naar bed nadat ik met jou gebeld had. Hoe is het met jou? Hoe ging het? Heb je naar de president gekeken?”
Luke haalde diep adem. Ze ging slapen voordat de president zijn speech zou houden. Dat betekende dat ze nog niets wist. Hij kon het haar gewoon niet vertellen. Niet nu.
“Nee. Ik was te moe. Ik besloot om de avond vrij te nemen. Even weg van alles. Geen TV, geen computer, niets. Morgen word ik vast en zeker op de hoogte gebracht door anderen.”
“Eindelijk denk je eens na,” zei ze.
Luke glimlachte. “Goed liefje. Ga maar weer lekker slapen. Sorry dat ik je wakker maakte.”
Ze was alweer in slaap aan het vallen. “Ik hou van jou.”
Hij zat op de bank en glimlachte even in zichzelf. Hij nam nog een slok whisky. Het maakte hem gelukkig om aan Becca en Gunner te denken, hoe ze de hele dag hadden rondgerend en nu heerlijk lagen te slapen in de stilte van het zomerhuis. Luke zou van zijn pensioen genieten, dat zou hij echt.
Maar nu nog niet.
Hij tikte een ander nummer in.
Een vrouwenstem antwoordde kortaf. “Wellington.”
“Trudy, met Luke.”
“Luke, waar ben je? Het is een gekkenhuis.”
“Ik ben thuis. Waar ben jij?”
“Ik ben op het hoofdkantoor, waar anders zou ik zijn? Luke, het halve Congres was in Mount Weather. De president en zijn assistenten en stafchef. De vice-president, de minister van Buitenlandse Zaken, de minister van Financiën, de minister van Onderwijs. Ze zijn allemaal daar beneden. De ruimte daar beneden staat in brand maar niemand kan het blussen. Er was een vuurstorm in de liftschachten. De brandtrappen waren opgeblazen. De brandweermannen kunnen niet bij de brand komen.”
“Is er überhaupt contact met iemand?”
Ze maakte een geluid. Het was bijna een lach. “Het lukte de stafchef van de president, David Halstram, om te bellen. Hij belde 911, kun je het geloven? Er is een 911-opname van zijn telefoontje. Ik hoorde het een tijdje geleden. Hij klonk doodsbang en sprak heel snel. Hij zei dat zijn benen zaten bekneld en hij was bang dat de president dood was. Hij zei dat jij hem net voordat het gebeurde, had gebeld en gezegd had dat hij de president daar vandaan moest halen. Hij…” Trudy’s stem stokte,“zei dat hij wenste dat hij naar jou had geluisterd.”
Luke zei niets.
“Had je hem gebeld?” vroeg Trudy.
“Ja, dat klopt.”
“Hoe wist jij het? Hoe wist je wat er ging gebeuren?”
“Trudy, dat kan ik je niet vertellen.”
“Luke -”
Hij sneed haar de pas af. “Luister, ik wil dat je iets voor me doet. Is de minister van Defensie nog in leven? David Delliger?”
“Hij leeft nog. Hij bevindt zich in Site R.”
“Ik heb een directe lijn naar hem toe nodig. Een of andere manier om hem te bereiken.”
“Waarom hij? Is het niet beter om met de president te praten?”
Luke schudde zijn hoofd. “Er is geen president.”
“Nog niet. Maar over tien minuten gaan ze de nieuwe beëdigen.”
“Maar als Delliger het niet is, wie is het dan? Wie leeft er nog om president te worden?”
“Luke, weet je dat niet? Het is Bill Ryan, de voorzitter van het Huis.”
Luke dacht aan de verschillende afgevaardigden en senatoren die hij in Mount Weather had gezien vandaag. Ryan? Hoe heeft hij het overleefd?”
Trudy’s stem klonk onzeker. “Ze zeiden dat het puur geluk was dat hij niet naar Mount Weather is gegaan.”
Ryan, dacht Luke verbijsterd. Een valk tussen de valken. Dat betekende maar één ding: ze zouden de oorlog verklaren.
*
22:02 uur, Site R bunker – Blue Ridge Summit, Pennsylvania
Het was een nachtmerrie waar hij maar niet uit wakker werd. Zijn naam was David Delliger en hij was de minister van Defensie. Hij was benoemd tot deze positie door zijn oude vriend en kamergenoot tijdens de studie, Thomas Hayes, de voormalige president van de Verenigde Staten.
Delliger was een verrassende keuze voor de positie, op alle vlakken. Hij was hoogleraar geschiedenis aan de Marine Academie en een advocaat die het merendeel van zijn carrière als onafhankelijk bemiddelaar had gewerkt. In de jaren voordat hij deze positie kreeg, werkte hij als consultant bij het Carter Center waar hij toezicht hield op de verkiezingen in jonge democratische naties, landen met een lange geschiedenis van despotisme. Dat werk was precies het tegenovergestelde van oorlog voeren.
Juist daarom had Hayes, de liberaal, hem gekozen. Thomas Hayes was nu dood, hij stierf ongeveer een uur geleden. Het was onmogelijk om te zeggen wie nog in leven was en wie niet in de puinhoop van wat ooit het Mount Weather complex geweest was. De vice-president werd vermist en verondersteld dood. Branden woedden nog steeds meerdere verdiepingen onder de grond. Honderden mensen zaten vast daarbinnen, inclusief veel Congresleden met tenminste een deel van hun familie.
Delliger stond in de betonnen kamer, ook diep onder de grond maar meer dan vijfennegentig kilometer van de ramp vandaan. Ongeveer dertig mensen stonden met hem in de ruimte. Een blauw gordijn hing voor de betonnen muren om de pure lelijkheid van de kamer te vermommen. Op een klein podium stonden twee mannen en een vrouw. Fotografen namen foto’s van het groepje.
Een van de mannen op het podium was kort en kaal. Hij droeg een lange toga. Het was Clarence Warren, minister van Justitie van de Verenigde Staten. De vrouw heette Karen Ryan. Ze droeg een helderblauw pak met een rode roos in haar revers. In haar handen hield ze een Bijbel vast. Een lange, knappe man in een donkerblauw pak met das stond met zijn linkerhand op de Bijbel. Zijn rechterhand hield hij omhoog. Tot dat moment was de man jarenlang afgevaardigde van Noord-Carolina en voorzitter van het Huis geweest.
“Ik, William Theodore Ryan,” zei hij, “zweer trouw mijn plicht uit te oefenen als president van de Verenigde Staten.”
“En zal naar mijn beste vermogen,” zei rechter Warren.
“En zal naar mijn beste vermogen,” zei Ryan.
“Behoeden, beschermen en verdedigen de grondwet van de Verenigde Staten.”
Ryan herhaalde de woorden en was daarmee plotseling, zonder veel poespas of ceremonie, de president van de Verenigde Staten. Delliger was in een soort shock. Ja, zijn goede vriend was dood. Thomas Hayes was een groot man en zijn dood een tragedie, zowel persoonlijk voor Delliger maar nog meer voor het Amerikaanse volk.
Erger nog, een van de meest geduchte vijanden van de president in de overheid had zojuist zijn baan overgenomen. De man die vanochtend nog de president bedreigde met afzetting was nu zelf president.
Het klopte niet. Hoe konden zowel het Witte Huis als Mount Weather verwoest zijn in één dag? Waarom waren de president en de vice-president naar hetzelfde complex geëvacueerd? Ze zouden uit elkaar moeten zijn gehaald zodra de Veiligheidsdienst inzag dat ze samen waren.
Terwijl Delliger toekeek, kuste Ryan zijn vrouw, Karen. Toen trok Ryan heel even een gek gezicht voor de camera’s en een paar mensen in de kamer lachten. Delliger keek rond om te zien wie er waren. Hij herkende veel van de mensen die aanwezig waren. Ze waren de meest fanatieke, oorlogszuchtige roofvogels binnen de overheid.
De leden van de gezamenlijke stafchefs. De directeur van de CIA. Congresleden die nauwe banden hadden met defensie-aannemers. Lobbyisten van de wapen- en olie-industrie.
Hoe kwam het dat ze allemaal hier samen terechtgekomen waren? Nee, een meer relevante vraag was hoe hij tussen hen in beland was? Hij was het buitenbeentje van deze groep. Hij mocht dan wel de minister van Defensie zijn, maar het was een vredesduif die hem de positie gegeven had. Een man die er alles voor deed om oorlog te vermijden. En die man was nu dood.
Dit was de militaire bunker. Deze mensen voelden zich hier thuis. David Delliger, zelfs met zijn militaire achtergrond, zou zich meer thuisvoelen in een civiele bunker, maar dat was een plek die… zojuist verwoest is.
Een raar gevoel kwam over Delliger heen. Even leken de gezichten van de mensen om hem heen op karikaturen, alsof hij in een lachspiegel keek. Iedereen glimlachte. Een uur geleden waren ze getuigen van de grootste ramp in de geschiedenis van Amerika en ze lachten. Waarom zouden ze niet lachen? Ze hadden nu de macht.
Delliger keek de kamer rond. Niemand gaf hem ook maar enige aandacht. Waarom zouden ze? Hij was minister van Defensie onder een dode president. Hij was een grap voor ze, een deel van een regime dat verwoest was.
Op het podium was Ryan weer serieus. Hij keek de groep aan.“Niemand wil president worden op de manier waarop ik het geworden ben, maar ik zal niet liegen over het feit dat ik deze positie wilde hebben. Ik wilde het hebben, en ik wil het nog steeds. Ik wil het omdat ik Amerika weer groot wil maken. Thomas Hayes was een groot man in vele opzichten maar hij was ook een zwakke man. Hij was zwak tegenover onze vijanden en hiervoor heeft hij de hoogste prijs betaald. Deze politiek, een politiek van zwakheid, eindigt hier.”
De menigte begon te juichen. Iemand floot lang en luid. Het klappen ging lang door. Ryan stak een hand op en vroeg om rust. “Vanavond zal ik het Amerikaanse volk toespreken en daarmee tevens de rest van de wereld. Mijn boodschap is een boodschap van hoop, hoop voor degenen die geterroriseerd zijn door de gebeurtenissen van vandaag en van de afgelopen maanden. Ik ben van plan om ze te vertellen dat we de oorlog verklaren aan en de strijd aangaan tegen degenen die verantwoordelijk zijn voor deze vreselijke aanslagen. En we zullen niet stoppen voordat we de daders achter slot en grendel hebben. We zullen niet stoppen totdat hun paleizen en torens in brand staan, en hun volk gillend door de straten rent. En zelfs dan zullen we niet stoppen.”
Het gejuich was zo luid dat Ryan moest stoppen met praten. Het had geen zin om door te gaan. Niemand kon hem horen.
Hij wachtte. Langzaam werd het weer rustig. Ryan keek nu Delliger direct in de ogen aan. “We zullen onze verliezen wreken,” zei hij. “En we zullen onze geliefden wreken. We zullen niet stoppen tot een natie als Iran haar macht in de wereld verliest en het nooit meer kan uitoefenen. We zullen niet stoppen tot Iran haar eigen volk niet meer kan voeden tenzij wij ze voeden. En zichzelf kunnen kleden tenzij wij ze kleden. Er zal uiteindelijk een tijd van rouw komen, een tijd voor herdenking. Maar nu nog niet. Nu is het tijd voor wraak!”
Terwijl er weer gejuicht werd, ging Delligers mobieltje af. Hij nam het uit zijn zak en keek ernaar. Hij had een berichtje gekregen. Dit was Delligers privételefoon. Hij kreeg bijna nooit een sms. Hij opende het.
Mijn naam is Luke Stone. Ik weet waarom de president gestorven is. We moeten elkaar ontmoeten.
Hoofdstuk 39
22:47 uur
Davis Memorial ziekenhuis – Bethesda, Maryland
De drie mannen kwamen zijn kamer als schaduwen binnen. Ze waren stil, bijna te stil. Ze hadden de lichten op de gang uitgedaan. Dus toen ze de deur naar Ed Newsam’s kamer openden en naar binnen gleden, veranderde het licht bijna niet.
Het maakte niet uit. Ed Newsam geloofde niet in slaap. Niet in tijden als deze. Hij had sterke morfine-achtige pijnstillers voorgeschreven gekregen voor zijn kogelwonden en gebroken heup. De pijnstiller zou hem helpen met slapen. Ed geloofde in pijn. Deze pijn was te echt om niet in te geloven. En hij weigerde de pijnstiller niet. Hij hield het in de palm van zijn hand vast. En toen de verpleegster de kamer verlaten had, stopte hij het onder zijn matras.
Hij had het ook gewoon kunnen weigeren, maar hij wilde dat het in zijn medische dossier kwam. Ergens had hij op dit bezoek zitten wachten. Dit soort mannen zouden eerst in Eds dossier kijken voordat ze binnen zouden komen.
Ed was gevloerd. Ed zat aan de pijnstillers. Ed genoot van een verdiende rust. Hij ademde diep, zoals een man die ver weg in dromenland was. Zijn ogen op een kiertje. Veel mensen sliepen zo. Zijn handen onder de deken. In zijn rechterhand hield hij een Beretta M9 met een vol magazijn. Het was geladen en klaar voor actie.
De mannen liepen naar het bed. Ze droegen donkere coltruien, donkere broeken en zwarte bivakmutsen die het hele gezicht behalve de ogen bedekten.
Het was duidelijk dat dit geen dokters waren.
Twee mannen stonden aan zijn rechterzijde, eentje links. Een van de mannen pakte een spuit. In het zwakke licht zag Ed hoe hij het omhooghield en de dop verwijderde. Een klein beetje vloeistof spoot eruit. Hij keek toen naar de andere twee mannen en knikte.
De twee mannen waren snel maar Ed was sneller. Ze renden naar de bedrand en probeerden zijn armen vast te houden. Hij haalde zijn pistool tevoorschijn voordat de man aan de rechterzijde iets kon doen. Hij richtte zijn pistool op het gezicht van de man, de loop raakte bijna zijn voorhoofd.
BAM!
Het geluid was oorverdovend in de gesloten ruimte van de kamer. Ed zag sterretjes van de flits.
Het hoofd van de man barstte uit elkaar. Bloed, botten en hersenen vlogen naar achter door de kamer. De man viel voorover op het rek van het ziekenhuisbed. Ed duwde hem terug met zijn pistool. Het lichaam viel op de vloer.
Hij zwaaide zijn wapen omhoog. Hij richtte het pistool op het midden van de borst van de man met de spuit. De man hield beide handen omhoog, zijn ogen wijd open achter het masker. De spuit nog steeds in zijn rechterhand.
BAM!
De loop van het pistool was dertig centimeter van de man zijn borst verwijderd. Door het schot vloog zijn hart en halve long door de rug naar buiten. De man viel op de vloer alsof hij in een valluik gelopen was.
De derde man was zo geschrokken dat hij niet eens geprobeerd had om naar de deur te rennen. Als hij geprobeerd had om direct de deur te bereiken, dan had hij het misschien gehaald. Maar in plaats daarvan stond hij nu in een hoek, drie meter van Ed vandaan. Ed richtte zijn wapen op het lichaam van de man. De man gluurde naar het raam. Achtste verdieping en geen brandtrap, herinnerde Ed zich. Veel geluk.
“Leuk pistool, nietwaar?” zei Ed. “Ik noem haar Alic. Wil je haar iets vragen?”
De man hield zijn handen omhoog. “Hé. Ik denk dat je een grote fout begaat.”
“Nee, jij bent de fout ingegaan, motherfucker. Wil je me vermoorden? Kom dan niet met een spuit om het er zogenaamd als een overdosis te laten uitzien. Wil je me vermoorden, dan kun je beter hier komen en mij meteen goed vermoorden, gewoon doden en klaar is Kees.” Hij schudde zijn hoofd en sprak met een lage stem. “Anders zie je wat er kan gebeuren.”
Ergens in het ziekenhuis ging het alarm af. De beveiliging zou hier binnen een minuut zijn. “Wie ben je?” vroeg Ed.
De man glimlachte onder zijn masker. “Je weet toch dat ik dat nooit aan jou zou vertellen.” Ed was een uitstekende schutter. Het behoorde tot een van zijn vaardigheden die hij scherp hield. Op drie meter afstand kon hij alles raken wat hij wilde. Hij richtte zijn pistool op het rechterbeen van de man en schoot hem net boven de knie.
PANG.
Ed wist wat voor schade dit schot zou veroorzaken. Het grote bot daar zou aan stukjes scheuren. Opgeblazen in kleine fragmenten.
De dokters hadden tegen Ed gezegd dat de rechtertop van zijn pelvis gekraakt was, waarschijnlijk door een afgeketste kogel die daardoor veel energie verloren had voordat het hem raakte. De behandeling was bedrust, pijnstillers en fysiotherapie. Hij zou een tijdje een rollator moeten gebruiken en daarna krukken. Over een week of acht zou hij misschien nog wat pijn voelen maar hij zou zo goed als nieuw zijn. En over zes maanden zou het net zijn alsof het nooit gebeurd was.
Dit in tegenstelling tot de man op de vloer die het uitgilde van de pijn, hij zou namelijk nooit meer normaal kunnen lopen. Afhankelijk van het feit of Ed hem zou laten leven of niet.
Ed duwde het rek aan de zijkant van zijn bed omlaag. Er was een rollator dicht bij de stoel met wieltjes en een halve tennisbal aan de knoppen. Ed trok het dichtbij en trok zichzelf overeind aan de kant van het bed. Hij klemde zijn kaken op elkaar tegen de pijn.
Jezus. Als dit het leven van een bejaarde was, dan wilde hij er niet aan meedoen.
Hij keek naar de man die op de vloer in de hoek lag. Ed gebruikte de rollator om zijn weg te vinden, rond de twee lijken, naar de gewonde man.
“We hebben niet veel tijd,” zei hij tegen de man. “Eens kijken of ik die naam binnen een minuut of minder uit je kan krijgen.”
Hoofdstuk 40
23:05 uur
Fairfax County, Virginia – een buitenwijk van Washington DC
Luke sluimerde. De telefoon ging af. Hij schrok wakker, liggend op de bank. Hij had nog een whisky gedronken terwijl hij wachtte op een telefoontje van David Delliger. Toen was hij in slaap gevallen. Het was zeker Delliger die belde. Hij nam op. “Hallo?”
“Luke? Met Ed Newsam. Heb ik je wakker gebeld?”
Luke was even gedesoriënteerd. “Nee. Hoe laat is het? Nee, je hebt me niet wakker gemaakt. Ed. Hoe gaat het met je? Ik was van plan om morgen bij je langs te komen. Ik zal een bosje bloemen meenemen. Wil je een lekker broodje? Een vers broodje, niet een van die vieze exemplaren van het ziekenhuis.”
“Hoeft niet,” zei Ed. “Ik verlaat het ziekenhuis morgenochtend. Luister, we hebben problemen. Drie mannen hebben me zojuist proberen te vermoorden.”
Luke ging rechtop zitten. “Wat? Waar ben je?”
“Ik ben nog steeds hier in het ziekenhuis, omringd door een agent of tien. Ze brengen me naar een andere kamer met bewakers voor de deur.”
“Waar zijn de moordenaars?”
Er was een pauze. “Eh, die liggen op de vloer. Ze hebben het niet gehaald. Ik probeerde uit eentje een naam te krijgen maar hij was niet erg spraakzaam. Ik kon er echt niets aan doen. Bleek dat ze de verpleegster aan de balie hadden vermoord en haar onder de balie hadden geschoven. Ze droegen bivakmutsen toen ze binnenkwamen. Deze kerels zullen we niet kunnen identificeren. Spoken zijn het. Geesten.”
Luke haalde een hand door zijn haar. “Heb je ze alle drie gedood?”
“Ja. Dat heb ik.”
Een lange stilte volgde.
“Je bent in gevaar, Luke. Daarom belde ik je. Dat gedoe met de president… het is foute boel. En deze kerels zagen er zeker niet Iraans uit. Ze leken meer op surfers uit San Diego. Als ze mij proberen te vermoorden dan zullen ze zeker ook achter jou aan komen.”
Luke deed de TV uit, hij leunde over de tafel heen en deed het licht uit. Hij kroop laag en rende naar de keuken. Daar deed hij ook het licht uit. Behalve op het zwakke oranje licht van de lichtknoppen en een LEDlichtje van de stereo na, was het nu donker op de eerste verdieping. Luke kroop naar de eetkamer.
“Luke? Ben je er nog?”
“Ja, ik ben er.”
“Wat ben je aan het doen?”
“Niets, joh. Alles is oké.”
Luke pakte een hoek van het blauwe eetkamertapijt vast en rolde het op. Eronder bevond zich een valluik dat ingebouwd zat in de hardhouten vloer. Luke legde de telefoon tussen zijn oor en schouder en pakte zijn sleutelbos. Er zaten kleine sloten links en rechts in het luik. Hij vond de kleine zilverkleurige sleutels die in de slotjes pasten en maakte het luik open.
“Ga je nog iets zeggen?” zei Ed.
“Ik ben me aan het voorbereiden, Ed. Ik denk dat ik moet ophangen.”
“Dat is waarschijnlijk een goed idee. Sterkte, bro.”
“Bedankt voor de tip.”
Luke liet de telefoon op de vloer vallen. Hij opende het luik en haalde een lange metalen kist eruit. Nog een speelgoedkist. Luke had er een aantal verstopt in huis. Hij toetste de code, die hij van buiten kende, in en opende de kist. Dit was een grotere kist dan de andere.
Een M16 geweer. Een Remington 870 geweer. Nog een paar pistolen. Een jachtmes. Drie handgranaten. Verschillende dozen met ammunitie, genoeg kogels voor de pistolen. Hij wreef over de granaten. Hij zou proberen, echt proberen, om het huis niet op te blazen. Zijn handen beefden ietwat, misschien van angst of misschien van bloeddorst. Hij begon de wapens te laden.
De telefoon ging weer. Hij keek naar het schermpje maar het was een geheim nummer. Hij zuchtte. Hij kon net zo goed praten met wie het dan ook was. Hij nam op, hopend dat het David Delliger of een late telemarketeer zou zijn.
“Luke? Met Don Morris.”
Luke drukte negen-millimeter ammunitie in een leeg magazijn, zijn vingers bewogen snel en automatisch. Terwijl hij bezig was, viel een stukje van de puzzel met een plof op zijn plaats. Don wist iets van wat er gaande was. Natuurlijk. Hij en de nieuwe president waren dikke maatjes die samen gingen vliegvissen.
“Hoi Don. Hoe ken jij de voormalige voorzitter van het Huis?”
“We studeerden tegelijkertijd aan Citadel, de militaire academie, Luke. Vele jaren geleden. Na het afstuderen ging ik bij het echte leger en Bill ging rechten studeren.”
“Ik begrijp het.”
“Luke, we moeten praten.”
“Oké.” Luke vulde een magazijn en legde het aan de kant. Hij begon met de volgende. “Maar als we met elkaar praten, laten we dan eerlijk zijn. Goed?”
“Ja, dat is goed,” zei Don.
“Begin jij maar.”
Don pauzeerde voordat hij sprak. “Goed. Ik neem aan dat je ondertussen weet wat er vandaag gebeurd is.”
“Ik zou zeggen dat het glashelder is, Don. En plotseling nog helderder door dit telefoontje.”
“Daar ben ik blij om, Luke. Dan hoeven we tenminste niet om de hete brei te draaien. We kunnen direct terzake komen. Jij bent net als ik een oude krijger met oorlogswonden. Je begrijpt dat dit gedaan moest worden. Het is in het belang van het land. Het is voor de toekomst van onze kinderen en onze kleinkinderen. We kunnen ons niet meer door de vijand laten sollen. De man in kwestie zou zonder ook maar een schot te lossen, het hele fort overgeleverd hebben aan de vijand. Dat is nu allemaal voorbij.”
Luke was klaar met nog een magazijn. Hij begon de derde te laden.
“En wat nu?” zei hij.
“We zetten enkele dingen recht. We zetten enkele mensen terug op hun plek en herinneren iedereen eraan wie de baas is.”
“En daarna? Wat gebeurt er met de overheid?”
“Hetzelfde als de vorige keer. President Ryan blijft de rest van de ambtstermijn zitten, in dit geval nog drie jaar. Misschien stelt hij zich voor een tweede periode verkiesbaar, misschien niet. Ik kan me voorstellen dat hij het wil maar dat is zijn besluit. Het volk besluit wie de volgende president is. Er is niets veranderd, Luke. De grondwet is nog steeds geldig. We hebben alleen maar op de reset-knop gedrukt.”
“De hele civiele overheid is een kop kleiner gemaakt,” zei Luke.
“Dat lossen we wel op.”
“Een simpele herkansing, hè Don? Net als kleine kinderen.”
“Tuurlijk. Je zou het een herkansing kunnen noemen.”
“Hoeveel mensen zijn de dood ingestuurd voor deze herkansing van jou?”
Het werd stil.
“Don?”
“Luke, ik zou zeggen één procent van één procent van één procent van de totale bevolking. Driehonderdvijftig mensen op een totaal van driehonderdvijftig miljoen. Dat is een schatting maar waarschijnlijk accuraat. Morgenochtend weten we meer. Niet echt een hoge prijs om te betalen, als je erover nadenkt.”
Luke kroop in het donker. Hij deed een schouderholster aan beide kanten, links en rechts, aan. Hij bond de M16 op zijn rug. De granaten stopte hij in de zakken van zijn cargobroek. Het hagelgeweer zou hij in zijn armen houden en als eerste afvuren.
Hij keek de woonkamer rond. De grote ramen waren nu niet erg handig. Hij woonde letterlijk in een glazen huis. Het zou onmogelijk zijn om deze plek te beschermen. Hij moest naar buiten, waarschijnlijk zou hij begeleid worden door een kogelregen.
“Luke?”
“Ik luister, Don.”
“Wil je iets vragen?”
“Oké, hier is een vraag. Waarom heb je mij in het midden van de nacht wakker gemaakt om aan dit alles deel te nemen? Ik was al zes maanden met verlof. En had al tien maanden geen opdracht meer gehad.”
Don lachte en dat langzame zuidelijke accent vloeide uit zijn mond als stroop. “Dat was mijn fout. Je bent een van de beste agenten die ik ooit gezien heb maar ik dacht dat je na zolang inactief te zijn geweest, nu langzaam en uit vorm zou zijn. En je begon dan ook langzaam gisteravond maar je pikte al gauw je oude tempo weer op. Ik had je onderschat, dat is alles. Het was de bedoeling dat jouw betrokkenheid bij de Iraniër zou eindigen.”
“Want dan zouden jullie de schuld kunnen geven aan de Iraniërs voor de aanslag op het Witte Huis?”
“Ja, zo simpel had het kunnen zijn.”
“En Begley? Wat voor rol speelt hij?”
Don lachte weer. “Ron Begley kan niet eens zijn eigen kont vinden met beide handen.”
“Dus hij wist van niets?”
“Oh god, nee.”
Nu moest Luke bijna lachen. Logisch. Arme Ron Begley was er om Ali Nassar te beschermen om redenen die hij niet eens begreep. Hij dacht waarschijnlijk dat hij de onschendbaarheid van diplomatieke immuniteit beschermde. Als we het hier niet respecteren, dan zullen ze het daar ook niet respecteren. Of probeerde hij gewoon Luke klein te krijgen?
“Don, waarom bel je me eigenlijk?”
“Nu komen we tot de kern van de zaak, jongen. Er is een tweede aanhoudingsbevel uitgevaardigd voor jouw arrestatie. Het lukte de stafchef van de voormalige president om vanuit Mount Weather te bellen voordat hij overleed. Hij noemde jouw naam met betrekking tot de ramp. Je wordt nu gezocht om hierover ondervraagd te worden. En ook voor jouw connectie met de moord in Baltimore vanochtend. Dat ligt weer op tafel. Het lijkt erop dat je al die tijd in zee bent geweest met de terroristen. Dat gestoei in Baltimore kwam door jou, om zo een van je partners uit de weg te helpen en alle sporen te wissen. En we hebben een buitenlandse bankrekening gevonden die we naar jou konden herleiden. Er staat meer dan twee miljoen dollar op de rekening.”
Luke glimlachte.
“Ik had beter van je verwacht, Don,” zei Luke. “Geld zetten op een valse bankrekening in mijn naam.”
“Ik denk dat het genoeg is,” zei Don.
“En Ali Nassar?” vroeg Luke.
“Jouw geldschieter? Die overleed ongeveer een uur geleden. Het was zelfmoord. Hij sprong van het balkon van zijn appartement. Vijftig verdiepingen, kun je het je voorstellen? Gelukkig viel hij op een betonnen dak dat op de derde verdieping uitsteekt. Niemand op straat raakte gewond.”
Luke haalde zijn schouders op. Hij was geen fan van Ali Nassar. Wat Nassar dan ook dacht dat hij gedaan had, hij wist dat het fout was. En hij moet geweten hebben dat zijn eigen dood altijd een realistische mogelijkheid was. Zo niet, dan was hij dommer dan hij eruit zag. “Dat komt goed uit,” zei Luke. “Nog eentje die in het stof bijt.”
“Juist.”
“En nu wil je dat ik me vreedzaam overgeef, neem ik aan.”
“Dat zou mooi zijn, ja.”
“Die kans is niet echt groot, of wel?”
“Luke -”
Vanuit Luke’s positie in de eetkamer kon hij uit de grote zuid- en westgerichte ramen in de woonkamer kijken. Het huis stond op een kleine glooiende helling van gras. De hoogte vergrootte Luke’s uitzicht. Het was een rustige buurt. De meeste bewoners parkeerden hun auto’s op de oprit of in de garage.
In zuidelijke richting stonden twee politieauto’s zonder uiterlijke kenmerken dicht bij elkaar geparkeerd op de hoek van de straat. Het waren snelle auto’s, dezelfde die de overheid in beslag nam van drugdealers. De ramen waren getint. Ze zagen eruit als ingedoken spinnen, wachtend op de buit. Richting het westen, in de noordelijkste hoek van het raam, zag hij een zwart busje in de volgende straat geparkeerd staan. Dat was alles wat hij vanuit deze positie kon zien. Waarschijnlijk waren er nog meer.
“Als er een aanhoudingsbevel voor mij uitgevaardigd is,” zei Luke, “waarom niet gewoon een aantal agenten sturen? Het enige wat ik zie zijn spoken.”
Don lachte. “Nou ja. Aanhoudingsbevel was misschien niet helemaal waar. Laten we zeggen dat we gewoon even met je willen praten.”
Tuurlijk. De politie was er helemaal niet bij betrokken. Als Luke nu naar buiten zou lopen om zich over te geven, dan zouden ze hem gewoon doden en laten verdwijnen. Hij zou ergens in een zwart gat gedumpt worden om nooit meer iets van te vernemen. Maar zo zou het niet aflopen.
“Ik zorg voor een bloedbad, Don. Als je achter me aankomt, dan zorg ik ervoor dat de mannen die nu rondom mijn huis staan, plus tien of twintig of dertig meer, het er niet levend vanaf brengen. Dat betekent een heleboel weduwen en weeskindjes. Ik daag je uit.”
Don’s stem was rustig. “Luke, ik wil dat je heel rustig naar me luistert nu. Dit is het belangrijkste wat ik je ooit heb verteld. Luister je? Kun je me goed horen?”
“Ik luister,” zei Luke.
“Ze hebben je vrouw en zoon.”
“Wat?”
“Al deze gebeurtenissen hebben niets met jou te maken, Luke. Jij diende als decoratie, jouw rol was een kleine afleiding in een veel groter drama. Als je gewoon naar huis was gegaan nadat ik je geschorst had vanochtend dan was dit alles niet nodig geweest. Maar je ging niet naar huis en als gevolg daarvan lopen Rebecca en Gunner nu groot risico. Het gaat ze goed en ze zijn niet gewond maar je moet naar me luisteren. Als je nu stopt, stopt met wat je doet en naar buiten loopt met je handen omhoog, dan komt het allemaal goed. Maar als je door blijft gaan met deze… dwaasheid…” Hij pauzeerde. “Dan weet ik niet wat er gaat gebeuren.”
“Don, wat zeg je eigenlijk?”
“Dit is niet jouw strijd, Luke, of de mijne. Dit is groter dan wij.”
“Don, als je mijn gezin iets aandoet -”
“Het is niet aan mij om die beslissing te nemen. Je weet dat ik jouw gezin nooit zou schaden. Ik hou van ze als mijn eigen gezin. Ik ben slechts de boodschapper. Vergeet dat alsjeblieft nooit.”
“Don -”
“Het is jouw keuze, Luke.”
“Don!”
De lijn was dood.
Hoofdstuk 41
23:15 uur
Queen Anne’s County, Maryland – oostkust Chesapeake Bay
Rebecca lag kaarsrecht in bed en staarde in het donker. Op het nachtkastje begon de telefoon te rinkelen. Ze keek ernaar. Ze kon het schermpje zien vanaf het bed. Het was Luke. Maar ze kon niet bewegen. Dat zou haar verraden. Ze wist dat er iemand in huis was. Ze lag daar, als bevroren, haar hart bonkte in haar borst. Ze was wakker geworden van hun voetstappen beneden, zware lichamen die probeerden te sluipen. Dit was een oud huis en de vloer kraakte. Het was bijna onmogelijk om ergens te lopen zonder dat het kraakte.
Nu hoorde ze het weer, een zware voetstap. Er was iemand beneden. De persoon probeerde stil te zijn en te sluipen. Ze hoorde nog iemand, aan de andere kant van de woonkamer. Er waren minstens twee personen beneden. En buiten, onder het slaapkamerraam hoorde ze meer voetstappen over het gras. Mensen liepen rond het huis buiten.
Ze realiseerde zich iets. Het duurde even want ze had liggen slapen toen ze wakker schrok van de geluiden. Gunner lag in de andere kamer te slapen.
Oh god. Ze moest hem halen.
Wat kon ze doen? Luke bewaarde zijn wapens achter slot en grendel, op haar verzoek. Ze wilde namelijk niet dat Gunner ze zou kunnen vinden wanneer hij een keertje alleen in huis was.
Ze gleed het bed uit en voorzichtig zette ze haar voeten op de vloer. Ze trok haar nachtjapon over haar hoofd en uit. Ze deed dezelfde kleren als gisteren aan, jeans en een blouse. Een plan begon zich in haar hoofd te vormen. Ze zou naar Gunners kamer gaan, hem voorzichtig wakker maken, zijn raam openen en dan samen het dak op klimmen. Stilletjes zouden ze over het niet al te steile dak lopen en wanneer niemand hen zag dan konden ze naar beneden klimmen via de regenpijp en als een gek naar de buren rennen, 400 meter verderop.
Dat was het, dat was het plan.
Ze keek verschrikt op. Gunner kwam binnen, in zijn Walking Dead T-shirt en zijn pyjamabroek. Hij wreef in zijn ogen.
“Mam? Ik hoorde iets.”
Plotseling stond er een gigantische man achter Gunner. Zijn adamsappel stak vooruit. Zijn gezicht was gevoelloos en uitdrukkingsloos. Zijn ogen hadden een dode blik. Hij grijnsde zonder emotie.
Zijn stem was prettig. Hij klonk geamuseerd.
“Hallo, mevrouw Stone,” zei hij. “Hebben we u wakker gemaakt?”
Gunner gilde, hij was geschrokken door de diepe stem vlak achter hem. Hij rende naar Becca en ze duwde hem achter zich. Haar adem leek in haar keel te blijven hangen. Haar ademhaling klonk als een locomotief.
“Het komt allemaal goed, mevrouwtje,” zei de man. “We zullen u niets doen. Nog niet.”
Ze dacht aan Luke. Hij was altijd zo paranoïde, waarschijnlijk door de vreselijke dingen die hij heeft gezien. In de dagen dat hij nog wekenlang naar het buitenland werd uitgezonden, leerde hij haar zelfverdediging. Maar wat hij haar leerde was geen kickboksen of karate. Hij leerde haar niet een salto te maken of hoe je een karateklap uitdeelde. Nee. Hij nam levensechte, zware, anatomische correcte oefenpoppen mee naar huis. Hij leerde Becca hoe je de ogen eruit moest steken door je vingers diep in de oogkassen te rammen. Hij leerde haar om de neus eraf te bijten. Helemaal eraf! Door je tanden diep in het vlees te zetten en de neus van het gezicht te scheuren. Hij leerde haar hoe je testikels kon verplettteren, niet alleen maar knijpen maar vermorzelen. Hij leerde haar hoe je een hand in iemands mond duwde, helemaal tot de keel. Hij leerde haar hoe je iemand kon schaden voor de rest van z’n leven, vooral iemand die groter en sterker was dan zijzelf.
Ze herinnerde zich Luke’s zonnige glimlach terwijl hij haar dit alles leerde. “Als er ooit een dag komt dat je geen andere keuze hebt dan te vechten, dan moet je die andere persoon onschadelijk kunnen maken. En niet alleen maar een klein beetje. Je moet ervoor zorgen dat die andere persoon permanent onschadelijk wordt gemaakt zodat hij niet kan opstaan en hetzelfde of erger terugdoen.”
Was zij ertoe in staat? Zou ze deze man onschadelijk kunnen maken? Als ze alleen was geweest, dan waarschijnlijk niet dacht ze. Maar nu had ze Gunner bij zich.
De man liep op haar af. Hij kwam heel dichtbij. Hij droeg laarzen, een kaki broek en een T-shirt. Hij drukte zijn lichaam tegen haar aan maar hij raakte haar niet aan met zijn handen. Zijn borst raakte lichtjes haar gezicht. Ze kon zijn lichaamswarmte voelen. Hij drukte zijn handen tegen de muur achter haar. Het lichaam van de man duwde haar naar achter.
“Vind je dat lekker?” zei hij. Hij ademde zwaar. “Ik kan je verklappen dat je man je absoluut niet zal missen.”
Gunner maakte een geluid achter haar, als een krijs van een dier.
Becca schreeuwde, zoals Luke haar geleerd had. De schreeuw ontketende haar energie. Ze ramde beide handen omhoog tegen de man zijn testikels. Ze greep ze door zijn broek heen vast en kneep zo hard als ze kon. Ze pakte ze in een ijzeren greep vast en probeerde ze van zijn lichaam af te scheuren.
De ogen van de man stonden wagenwijd open van de schok. Hij hapte naar adem en viel met een dreun op de vloer. Er kwam een geluidloze gil uit zijn open mond. Hij hield zijn handen op z’n kruis. Zijn broek had bloedvlekken op die plek. Ze had hem toegetakeld. Ze had hem flink toegetakeld.
Ze draaide zich om naar Gunner. “Kom op! We moeten hier vandaan.”
Hoofdstuk 42
23:17 uur
Fairfax County, Virginia – een buitenwijk van Washington DC
“Hoi, dit is Becca. Ik kan nu even niet opnemen maar laat een berichtje achter na de piep, dan bel ik zo snel mogelijk terug.”
Luke hing op. Het had geen zin om een berichtje achter te laten.
Hij was naar beneden gegaan. Het huis had een deels ondergrondse kelder. Het kwam uit aan de voet van de heuvel, tussen zijn huis en het huis van zijn buurman. De kelderdeur was een zwakke plek en om die reden ging Luke ernaartoe. Luke bukte bij de deur, in het donker, en staarde naar het huis van zijn buurman. Het bracht hem op een idee.
De vraag was: waagde hij het echt uit te voeren?
Zijn hele carrière had hij alles gedaan om Becca en Gunner te beschermen van de realiteit van zijn werk. Becca wist wat hij voor werk deed, maar ze wist niet wat dat werk inhield. Gunner, op zijn eigen manier, wist het eigenlijk beter. Hij dacht dat zijn pappa James Bond was.
Luke kreunde. Hij zag, in een flits van inzicht, dat hij degene was die het niet begrepen had. Al die jaren had hij zijn leven in verschillende hokjes gestopt; privéleven in één, werk in een ander. Als een goede agent hield hij alles netjes gescheiden. Dat is wat hij geleerd had. Enerzijds had je het werk en alles wat daarbij hoorde. De geheimen die je van je geheugen moest wissen. De mensen die je ontmoette, arresteerde of doodde. Anderzijds had je het echte leven met familie en vrienden. Die twee hield je zo ver mogelijk uit elkaar.
Maar het was een leugen. Het werk was gevaarlijk en smerig. Luke had regelmatig te maken met de slechtste mensen op aarde. Zij maakten geen onderscheid tussen werk en privéleven. Voor hen was het allemaal hetzelfde. In liefde en oorlog is alles geoorloofd. Hoe had hij dat tot nu toe kunnen missen? Of wist hij het ergens wel maar wilde hij het niet zien?
Hij dacht een vreselijke gedachte, iets waar hij eigenlijk niet aan wilde denken. Maar hij wist hoe het eraantoe ging. Mensen die ontvoerd waren, werden meestal vermoord. Ze laten gaan was te risicovol. Ze wisten teveel. Ze hadden teveel gezien. Het was gemakkelijker en verstandiger om ze gewoon te vermoorden.
Deze branche zat vol met mensen die anderen vermoorden als broodwinning. Voor hen was het gewoon werk dat gedaan moest worden. Ze konden iemand in de ochtend vermoorden en daarna een tien-dollar-lunch eten in Applebee.
Luke beet op zijn tong om een schreeuw te onderdrukken. Plotseling barstte hij in tranen uit, tot zijn grote verrassing. Maar het deed pijn, ongelooflijk veel pijn en dit was nog maar het begin. Hij wist het. Hij wist dat het nog veel erger zou worden. Hij had het al zo vaak gezien. Onschuldige mensen abrupt uit dit leven gerukt. De overlevenden werden een schaduw, leeg, levend en dood tegelijkertijd. Zijn lichaam werd geteisterd door snikken.
Zijn mobieltje piepte. Hij keek op het schermpje en hoopte dat het Becca was. Maar het was Becca niet, het was David Delliger.
Ik wil je ontmoeten. Annapolis?
Oké. Luke nam een beslissing.
Tegenover de kelderdeur bevond zich het huis van buurman Mort. Mort was een grappige kerel, midden vijftig, alleenstaand. Hij was een lobbyist voor de casino-industrie. Niet de gevestigde gokindustrie van Las Vegas. Maar de bizarre casino-industrie, met gokautomaten in oude vervallen hippodromen en verlaten rivierboten die voor anker liggen in kunstmatig aangelegde meren in the middle of Nowhere, Indiana.
Mort was in Washington gestationeerd maar het merendeel van zijn tijd vloog hij het land rond om wetgevers te vleien. Hij was niet vaak thuis.
Zoals deze avond. Luke wist altijd wanneer Mort op reis was door de automatische timers op zijn verlichting. Het was elke avond hetzelfde. Niet erg afschrikwekkend voor inbrekers maar het stelde Mort gerust. Dat was het belangrijkste voor een man als Mort.
Mort was rijk. Hij was zo rijk dat hij vorig jaar zijn huis had laten uitbouwen. De uitbouw was groot en schreeuwlelijk. Het was een post-moderne tumor, een mengeling van verschillende architectonische stijlen dat uit de zijkant van Mort’s statige, koloniale huis groeide. En het stond slechts een paar centimeter van Luke’s grondstuk verwijderd. Luke mocht Mort echt, maar deze uitbouw was aanstootgevend. Het liep de spuigaten uit.
Mort was niet thuis.
Luke zat gebukt en duwde de kelderdeur half open. Morts huis was dichtbij, een steenworp afstand. Luke trok de pin uit een handgranaat en gooide het de kleine helling af, richting het huis van Mort. De granaat stuiterde twee keer en landde perfect tegen de muur van het huis.
Luke gooide zichzelf naar achteren op de grond.
BOEM!
De flits van het licht en het geluid van de explosie doorbrak de stilte van de avond. Na een paar seconden stond Luke op en kroop weer naar de deur. De granaat had een groot gat in de zijkant van Morts huis gemaakt. Een kleine brand was uitgebroken aan de rand van het gat. Luke deed de de deur dit keer wijd open. Hij liep naar buiten en gokte erop dat er geen scherpschutters waren. Hij trok de pin uit een tweede granaat en gooide het als een honkbal door het midden van het brandende gat. Hij rende terug naar binnen.
Het licht was anders dit keer en het geluid gedempt. Luke keek ernaar. De hele zijkant van Morts uitbouw was ingestort. Op het gazon tussen de twee huizen lag overal puin. De brand begon zich nu snel te verspreiden. Wanneer de meubels, paperassen, vloerkleden en andere rommel eenmaal in brand zouden staan, dan zou het lekker warm worden.
Nog eentje? Oké. Nog eentje zou het mooi afronden. Luke stapte naar buiten en gooide de laatste granaat in het brandende huis. In de verte hoorde hij al sirenes steeds dichterbij komen. De politie, brandweer, ambulances, over een paar minuten zouden ze allemaal hier zijn. Ook zouden alle buren zometeen naar buiten komen in hun ochtendjas en pantoffels om vanaf hun gazon te kijken wat er gebeurd was. De buurt zou een groot spektakel zijn. Met zoveel toeschouwers zou het moeilijk zijn om iemand te laten verdwijnen.
Luke ging terug naar boven terwijl de laatste explosie het huis van Mort liet schudden. Hij keek door het raam naar buiten. Gloeiende sintels vlogen door de lucht, zwarte rook slingerde omhoog naar de hemel tegen een roodoranje gloed.
De twee donkere patrouilleauto’s reden stilletjes weg. Het busje was al weg. Het was tijd voor Luke om ook te gaan. Hij keek nog even naar het brandende huis en schudde zijn hoofd.
“Sorry, Mort.”
Hoofdstuk 43
23:19 uur
Queen Anne’s County, Maryland – oostkust Chesapeake Bay
De grote man was uitgeschakeld. Hij kronkelde op de grond van de pijn. Die stond niet meer op. Becca pakte Gunners hand. Ze bracht hem naar het raam en duwde het raamhor eruit. Het viel met veel lawaai op het dak. Achter haar hoorde ze zware voetstappen de trap opkomen. Ze ging op haar hurken voor Gunner zitten. “Schatje, klim uit het raam, ren naar de andere kant, voorzichtig, en glij langs de regenpijp naar beneden. Net zoals we doen bij een brandoefening, goed? Ik kom achter je aan. Als je beneden bent dan moet je zo snel mogelijk wegrennen. Ren zo snel als je kunt naar het huis van de familie Thompson. Oké?”
Ze dacht aan de Thompsons, een oud stel dat minstens vijfentachtig moesten zijn.
“Wie was die man, mam?”
“Ik weet het niet. Het maakt niet uit. Nu eruit!”
Gunner klom met zijn hoofd naar voren het raam uit, sprong op en rende.
Nu was het haar beurt. Ze keek naar de deur en zag twee mannen de kamer binnenstormen en naar haar toe rennen. Ze dook door het raam, maar het lukte een van de mannen haar been te pakken. Ze was bijna helemaal uit het raam, maar de mannen pakten haar benen en begonnen haar terug te trekken.
Ze schopte als een gek, zo hard als ze kon. Ze hoorde zichzelf geluiden maken. “Aahh! Argh!” Ze schopte zich los en rolde achterwaarts. Nu was ze op het schuine dak. Een seconde later dook een van de mannen door het raam. Hij kwam op haar terecht waardoor ze naar de rand van het dak rolden. Hij probeerde haar te vast te pinnen, maar ze krabde en kraste in zijn ogen. Hij rolde van haar af om te ontsnappen, maar hij rolde te ver en viel over de dakrand heen. Ze hoorde hem met een doffe plof op de betonnen oprit vallen.
Ze sprong op en begon te rennen. De andere man klom nu ook het dak op. Voor haar was Gunner al bij de regenpijp. Hij zat aan de rand van het dak, zijn benen bengelden in de lucht, hij greep de pijp, duwde zichzelf het dak af naar links en verdween.
Becca was nu ook bij de rand aangekomen.
Gunner gleed langs de regenpijp naar beneden en landde op z’n billen in het gras en viel achterover. Een seconde lang lag hij stil op de grond.
“Opstaan Gunner! Ren!”
Hij trok zichzelf op en rende de heuvel af richting het huis van de Thompsons.
Becca keek achter zich. De man kwam dichterbij. Achter hem was er nog een man die bezig was het raam uit te klimmen. Beneden en links van haar zag ze mannen om de hoek van het huis naar haar toe rennen.
Er was geen tijd om langs de regenpijp naar beneden te glijden. Ze draaide zich om en sprong.
Ze viel hard op de grond en voelde een scherpe steek in haar enkel. Ze maakte een salto voorover en kwam overeind. Hinkend rende ze zo snel mogelijk weg. Bij iedere stap schoot een pijnscheut door haar been. Ze rende door. Voor haar rende Gunner, zijn armen en benen gingen hard op en neer. Ze begon dichterbij te komen.
“Ren, Gunner!” Schreeuwde ze. “Ren!”
Achter haar hoorde ze de bonkende voetstappen van de mannen. Ze hoorde hun zware ademhaling. Ze rende en rende. Ze zag hun lange schaduwen in het gras voor haar. Ze kwamen steeds dichterbij totdat ze haar hadden ingehaald. Armen probeerden haar vast te pakken. Ze sloeg ze van zich af.
“Nee!”
Een man dook op haar. Ze voelde het gewicht van zijn lichaam. Ze vielen op de grond en gleden over het gras. Ze vocht zo hard als ze kon, krabbend en klauwend. Toen kwam er nog een man en toen nog eentje. Ze hielden haar op de grond vast.
Twee mannen renden voorbij achter de jongen aan.
“Ren!” gilde ze. “Ren!”
Ze stak haar hals uit om te kunnen zien wat er gebeurde. Ongeveer honderd meter voor hen was Gunner bijna bij het huis van de Thompsons. Er gingen lichten aan in het huis. Het licht op de veranda floepte ook aan. Gunner stampte de trap op terwijl de deur openging.
De twee mannen waren vlak achter Gunner. Ze stopten met rennen en liepen naar de veranda. Zachtjes liepen ze de trap op.
Becca kon meneer en mevrouw Thompson in de deuropening zien staan, omgeven door het licht. Plotseling was er een lichtflits, toen nog een. Flitsen van de loop van een pistool maar ze kon geen geluid horen. Ze was zo dichtbij maar toch hoorde ze de pistolen niet.
Meneer en mevrouw Thompson vielen op de vloer. Er was nog een flits en toen nog een, ze maakten het werk af.
“Oh nee,” zei Becca.
De mannen kwamen terug gelopen met Gunner in het midden, ieder hield een pols vast. Er lag een man boven op haar met een stoppelbaard en zijn adem stonk naar koffie.
“Zag je dat?” zei hij. “Zag je dat? Dat is jouw schuld, niet die van ons. Als je rustig met ons was meegegaan dan was dit nooit gebeurd.”
Becca kon niets meer doen, ze spuugde in zijn gezicht.
Hoofdstuk 44
23:27 uur
Mount Weather Emergency Operations Center – Bluemont, Virginia
Chuck Berg zweefde urenlang tussen bewustzijn en bewusteloosheid totdat een nieuwe explosie hem wakker schrok. Het was een dof geluid net als een donder die in de verte rommelt. De explosie veroorzaakte een luchtdrukverschil, als een golf in de oceaan. Het leek alsof hij lange tijd onder water zwom, totdat hij de oppervlakte bereikte.
Hij brak erdoorheen en opende zijn ogen. Chuck was zevenendertig jaar oud en werkte al bijna twaalf jaar voor de Geheime Dienst. Twee ervan achter een bureau en negen ervan als deel van een elite veiligheidsteam. Zes maanden geleden kreeg hij de kans van zijn leven, een baan als bodyguard van de vice-president. Maar op dit moment had het zijn charme verloren.
Chuck probeerde zich te herinneren wat er gebeurd was. Ze waren uit de lift gekomen en liepen door de nauwe gang naar de TV-studio. Ze liepen snel want ze waren een paar minuten te laat. Hij liep achter de vice-president. Twee mannen, Smith en Erickson, liepen voorop.
Plotseling explodeerde de stalen deur van de studio van binnenuit in hun richting. Erickson stierf onmiddellijk. Smith draaide zich om en probeerde terug de gang in te komen. Chucks gezicht werd verlicht door de vlammen die door de verwoeste deur barstten. Hij zag een schaduw door de feloranje en gele vlammen wankelen. Het was Smith, brandend als een fakkel. Hij schreeuwde heel even en viel toen dood neer. Berg stelde zich voor hoe Smith de vlammen had ingeademd. De vlammen hadden zijn keel verbrand en de schreeuw verstikt voordat het begonnen was.
Chuck had zich boven op de vice-president gegooid en op de grond. Hij hield haar vast op de vloer. Toen vulde een enorme schokgolf de gang. Het hele complex leek te schudden. Het hoofd van Berg werd door iets geraakt. Hij herinnerde zich wat hij op dat moment dacht: Oké, ik ben dood. Oké.
Maar hij was niet dood. Hij was nog steeds in de gang, die nu pikdonker was, en lag nog steeds bovenop de vice-president. Zijn hoofd deed erg veel pijn. Hij wreef met zijn hand over zijn schedel en vond een grote snee vol kleverig, opgedroogd bloed. Als hij een gebroken schedel had dan zou de pijn erger worden als hij erop drukte, maar dat was niet het geval.
Hij leefde nog en hij leek nog te functioneren. Dat betekende dat hij aan de slag moest.
“Mevrouw Hopkins?” zei hij. Ze was heel erg klein, vooral in vergelijking met hemzelf. Het was vreemd om boven op haar te liggen.
“Mevrouw, bent u er nog?”
“Noem me alstublieft Susan,” kwam haar veerkrachtige stem. “Ik haat al dat mevrouw-gezeur.”
“Bent u gewond?”
“Ik heb pijn,” zei ze. “Maar ik weet niet hoe erg het is.”
“Kunt u uw armen en benen bewegen?”
Ze kronkelde onder hem. “Ja, maar mijn rechterarm doet heel veel pijn.” Haar stem beefde. “De huid op mijn gezicht doet pijn. Ik denk dat het verbrand is.”
Chuck knikte. “Oké.” Hij vatte het voor zichzelf samen. Ze kon haar ledematen bewegen, dus er waren geen belangrijke zenuwen beschadigd. Ze hadden al een lange tijd op de vloer gelegen, dus als ze inwendige verwondingen of ernstige brandwonden had gehad dan was ze allang gestorven. Dus haar verwondingen, ook al waren ze pijnlijk, waren waarschijnlijk niet levensbedreigend.
“Mevrouw, we gaan kijken of u kan staan maar nu nog niet. Ik zal eerst wegkruipen om iets te proberen te halen en kom dan meteen terug. Ik wil dat u doodstil blijft liggen. Ik wil dat u op deze plek blijft en in deze positie. Het is donker en ik moet weten dat u hier blijft. Heeft u mij begrepen? Zeg ja of nee.”
“Ja,” zei ze met een kleine meisjesstem. “Ik begrijp het.”
Hij liet haar achter en bewoog als een slang over de vloer. Hij had gezien dat direct tegenover de liftdeuren, in een glazen kastje, een overlevingskit hing. Als dat gedeelte van de gang nog intact was, dan kon hij aan de slag gaan. Hij kroop voorzichtig door de gang, alles aftastend met zijn handen. Het was de enige manier om scherpe kanten of mogelijke valkuilen te ontdekken. Overal lag puin op de vloer. Hij voelde zijn weg langs de muur. Na een tijdje voelde zijn hand een gleuf in de muur; hij was aangekomen bij de liftdeur.
Chuck ging op zijn knieën zitten. Een meter boven de grond was de lucht een dikke rokerige walm. Hij dook terug naar de vloer.
“Mevrouw Hopkins?” riep hij. “Bent u er nog?”
“Ik ben er. Alles is goed.”
“Blijf op de vloer liggen, alstublieft. Sta om geen enkele reden op, goed?”
“Oké.”
Chuck nam een diepe ademteug en stond op. Zijn knieën kraakten bij het opstaan. Zijn handen bewogen langs de muur totdat ze het glazen kastje vonden. Hij had geen idee hoe hij het kon openen dus hij gaf er een harde klap ertegenaan. Het was splintervrij glas en het brak direct. Het kastje was diep. Zijn handen voelden in het rond, hij voelde bekende vormen. In het kastje lagen gasmaskers, die had hij nodig. Er lag ook een pistool, op dit moment niet nuttig. En hij vond een zaklamp die tegen de muur vastgebonden was. Hij maakte het los en pakte de zaklamp eruit. Hij klikte hem aan en hij werkte.
Oh mijn god. Licht.
Nu kon hij snel te werk gaan, hij vond water en een stapel kant-en-klaar maaltijden. Een EHBO-trommel. Een bijl en een multitool. Hij liet zich weer vallen net voordat hij buiten adem was.
Hij leunde tegen de muur. Ze leefden nog, ze hadden de meest noodzakelijke spullen. Het ging steeds ietsje beter en het werd tijd om over de volgende stap na te denken. Er was een aanslag op het gebouw gepleegd. Het was een extra beveiligd gebouw, bestand tegen raketten en bommen. Dat betekende dat deze aanval van binnen kwam. En dat betekende weer dat Chuck een weg naar buiten moest vinden.
Maar…
Hij moest voorzichtig zijn. Hij dacht aan de tijd dat hij voor het eerst veldwerk ging doen als agent, bijna tien jaar geleden. Hij werd toen bij een ouwe rot in het vak gezet, Walt Brenna. Walt zou bijna met pensioen gaan en het was een vreemde vogel. De andere agenten vonden hem een zuurpruim en raadden Chuck aan om niet naar hem te luisteren. Maar Chuck en Walt brachten veel tijd met elkaar door. En sommige dagen was er niet veel te doen, op die dagen luisterde hij naar Walt.
Walt was bezeten van een concept wat hij “Wit op Wit” noemde.
“Ze proberen je wijs te maken dat dit werk bedoeld is om uit te kijken voor islamitische terroristen of Russische huurmoordenaars of wie dan ook,” zei Walt altijd. “Maar in werkelijkheid hebben deze mannen geen kans om dicht bij de president van de Verenigde Staten te komen. Denk eens na. De enige taak die wij hebben is het neutraliseren van een Wit op Wit-aanval.”
Chuck Berg nam het gebrabbel van Walt altijd met een enorme korrel zout. Maar door de jaren heen, dacht hij er soms aan. Volgens Walt was een Wit op Wit-aanval een interne aanval. De overheid valt zichzelf aan. De liquidaties van de Kennedys waren voorbeelden. Ook de poging tot moord op Ronald Reagan in 1981 was een voorbeeld.
Walt Brenna over Reagan: “De vice-president, eerste in lijn van opvolging, is de voormalige directeur van de CIA. De vader van de man die de president probeert te vermoorden, is hoofd van de hulporganisatie World Vision, een dekmantel van de CIA. De familie van de vice-president is bevriend met de familie van de vermeende moordenaar. De broer van de vice-president en de broer van de moordenaar zouden gaan lunchen op het moment dat de moord gepland was. Je hoort hier niets van in de kranten. Er wordt geen onderzoek gedaan. Waarom? Omdat de moordenaar een gek is en dat het enige is wat we hoeven te weten? Nee, omdat Wit op Wit een geaccepteerd onderdeel is van het hele spel. Het is hun taak om het te proberen, het is onze taak om het te stoppen. Aanval en verdediging, dat is alles.”
Door de jaren heen heeft Chuck gemerkt dat Walt niet de enige was binnen de Geheime Dienst die zo dacht. Niemand sprak er open over, maar hij had het gefluister gehoord. Hoe kon je Wit op Wit identificeren? Hoe zou het eruit zien?
Chuck knikte en dacht, dit is hoe het eruit ziet. Een bom die afging binnen in een beveiligd gebouw, slechts enkele uren na een aanslag op het Witte Huis. De explosies in het Witte Huis kwamen ook van binnenuit, of in ieder geval de meeste. Buitenstaanders hadden deze bommen nooit kunnen planten, zeker niet op beide plaatsen. De enigen die het hadden kunnen doen was het leger, de inlichtingendienst of de Geheime Dienst zelf.
Met behulp van het licht van de zaklamp, liep hij gebukt snel terug naar de vice-president. Ze had zich niet bewogen.
“Mevrouw? U mag nu gaan zitten, als het u lukt. Ik heb eten, water en een EHBO-trommel. We zullen deze gasmaskers moeten dragen als we naar buiten gaan en ik zal u laten zien hoe. Het zal eerst zwaar en beklemmend aanvoelen maar ik beloof u dat u eraan gewend raakt.”
Ze ging langzaam rechtop zitten. Ze kermde van de pijn in haar arm. De huid op haar gezicht was op verscheidene plekken losgekomen. Berg meende dat de brandwonden er oppervlakkig uitzagen en misschien hield ze er littekens aan over of een verkleurde huid op die plekken. Maar als dat het ergste was wat haar overkomen was, dan zou hij zeggen dat ze geluk heeft gehad.
“Zullen we iemand proberen te bellen?” vroeg ze.
Hij schudde zijn hoofd. “Nee, we kunnen niemand bellen. We weten niet wie de vijand is. We zullen zolang in het geheim te werk gaan.”
Ze dacht er even over na. “Goed.”
“De weg naar buiten kan moeilijk zijn,” zei Chuck. “We zullen moeten klimmen, het kan eng zijn en pijnvol. Dus ik wil dat u iets voor me doet. Probeer uw overlevingsinstinct naar boven te halen diep in uzelf. Wees zo sterk mogelijk. Vind die persoon in uzelf. Ik weet dat ze zich daarbinnen bevindt. Kunt u haar vinden?”
De vrouw keek hem aan en plotseling werden haar ogen hard. “Geen probleem, ik heb in de mode-industrie gewerkt, omgeven door haaien, toen ik nog een jong meisje was. Ik woonde op mijn zestiende al in New York, Parijs en Milaan, alleen. Ik ben sterk, ik kan dit aan.”
Chuck knikte. Dat was precies wat hij wilde horen.
Hoofdstuk 45
23:57 uur
De United States Naval Academy, officiersopleiding Amerikaanse marine -
Annapolis, Maryland
Het was een vreemde plaats voor een ontmoeting. Luke was helemaal in het zwart gekleed. Hij droeg zwarte handschoenen en hij had een zwarte bivakmuts in zijn zak.
Het donkere American football-veld van het stadion, genaamd Navy Marine Corps Memorial Stadium, lag voor hem uitgespreid. De enorme lege tribunes torenden boven hem uit. GO NAVY was in gigantische letters op de bovenste rijen stoelen geschreven. ’s Nachts leken de woorden wit, maar hij wist dat de letters overdag geel waren tegen een donkerblauwe achtergrond.
Hij leunde naar achteren, wachtend in de schaduwen van de passage waar de spelers voor een wedstrijd het veld oprenden. Hij hield het donkere, verlaten pershok goed in de gaten omdat dat het hoogste punt was in het stadion. Als hij een scherpschutter was, dan was dat de plek waar hij zou zitten.
Een man kwam over het veld naar hem toe gelopen. Langzaamaan werd hij steeds duidelijker. Hij was lang, zwaargebouwd, en hij liep alsof hij meer gewicht droeg dan hij ooit gedragen had. Hij had een lange jas aan. Nog iets dichterbij en Luke kon zien dat hij een donker pak onder zijn jas droeg en dat hij een zachtaardige, bijna grappige gelaatsuitdrukking had.
Hij liep de duisternis van de passage in.
Luke bewoog zich een heel klein beetje. “Meneer de minister?”
De man schrok, maar niet heel erg. Het was duidelijk dat hij Luke niet gezien had. Zijn ogen richtten zich meteen op de matzwart Glock in Luke’s hand. Luke deed het terug in de holster om de man op zijn gemak te stellen.
“Ja,” zei de man. “Ik ben Dave Delliger.”
“Ik ben Luke Stone.”
“Ik weet wie je bent. Ik had de president aan de lijn vandaag. Jij bent de man die zijn leven gered heeft.”
“Tijdelijk,” zei Luke.
“Ja.”
“Het spijt me dat het allemaal zo gelopen is.”
Delliger knikte. “Mij ook.”
“Ik haat het om het te moeten vragen mijnheer, maar is het mogelijk dat u op weg hiernaartoe achtervolgd werd?”
Delliger knikte weer. “Die mogelijkheid is groot. Twee uur geleden was ik aanwezig bij de beëdiging van de nieuwe president in Site R. Ik heb een helikopter van de marine hiernaartoe genomen. Site R is ongeveer honderdvijfig kilometer hiervandaan. In het donker en met mijn nachtblindheid zou het eeuwen duren om hier te komen.”
Luke leunde tegen de muur aan. Dat was het verkeerde antwoord. Het was niet wat hij gehoopt had te horen.
“Maak je geen zorgen,” zei Delliger. “Dit is normaal. Ze hebben geen reden om mij te verdenken. Ik heb hier mijn opleiding gedaan, dit is mijn alma mater. Ik heb hier heel wat jaren lesgegeven. Ik heb nog steeds een kantoor en een slaapkamer op de campus. De marine laat het toe omdat ze zo trots op me zijn. Ik ben een deel van het meubilair hier. Ik heb tegen iedereen in Site R gezegd dat als we allemaal dood gaan, dat ik liever hier sterf dan in een hol in de grond.”
“Ik dacht dat u en president Hayes ooit op Yale kamergenoten waren geweest,” zei Luke.
“Tijdens onze rechtenstudie,” zei Delliger. “Dat klopt. En zoals iedereen zegt: we waren echt de beste vrienden. Maar dat was later, na mijn militaire dienst.” Hij gebaarde met zijn handen in de lucht naar de omgeving. “Dit is echt thuis voor mij.”
“President Hayes is vermoord,” zei Luke.
“Ik weet het. Het was een coup d’état. Ik was erbij toen Bill Ryan de eed aflegde. Iedereen sloeg zichzelf op de borst, geloof me. En nu gaan we oorlog voeren met Iran. Ryan zal vanavond nog de oorlog verklaren, als hij het niet al gedaan heeft. Waarom wachten op de uitzending van de Today Show? En omdat de meesten van het Congres toch dood zijn, hoeft er met hen ook geen rekening gehouden te worden. Ik ben benieuwd hoe Rusland over dit alles denkt.”
“We kunnen het stoppen,” zei Luke.
“Wat, de oorlog?”
“De coup.”
“Meneer Stone, zover ik weet, tikt tijd alleen vooruit. Je kunt niet iets stoppen wat al gebeurd is.”
Luke werd stil.
“De president en de vice-president zijn dood,” zei Delliger. “De volgende twee in lijn van opvolging zijn Bill Ryan en Ed Graves, beide roofdieren en beide in leven. Na hen is een complete lijn van opvolging verdwenen. Ze waren allemaal in Mount Weather. Stel dat je dit zou kunnen stoppen en Bill Ryan zou kunnen overwinnen, met wie zou je hem vervangen? Op dit moment is hij de rechtmatige troonopvolger.”
“Ik weet het niet,” gaf Luke toe. De hele dag was hij zo gefocust geweest op het voorkomen van de aanslagen dat hij zich niet realiseerde dat het allemaal voorbij was. Hij begon nu pas in te zien hoe enorm deze operatie geweest moest zijn. Don had Luke verteld dat hij slechts een muurbloempje was, maar dat was niet waar. Hij was niet alleen maar decoratie, hij was een insect op de voorruit.
Heel even dacht Luke terug aan de ontmoeting met Paul eerder die avond. Paul had Luke omschreven als een kamikazepiloot die een speelgoedvliegtuigje op een vliegdekschip wilde laten neerstorten. Het zou spectaculair lijken, maar in werkelijkheid niet meer dan meelijwekkend zijn.
“Ik weet het ook niet,” zei Delliger. “Maar het doet er niet echt meer toe, of wel? Ze hebben overal mensen. Kun je je voorstellen wie erbij betrokken heeft moeten zijn om dit te kunnen bewerkstelligen? Zie je hoe hoog dit gaat? Als je dit op een of andere manier ongedaan zou kunnen krijgen, wie zou je dan ooit kunnen vertrouwen? Je zou de samenzweerders uit elke afdeling en elk bureau moeten ontwortelen. Deze overheid is een lijk dat door maden geplaagd wordt.”
Hij pauzeerde. “Als ik dit allemaal vijf jaar geleden geweten had, dan had ik deze positie nooit aanvaard. Ik zou Thomas hebben bedankt voor de eer, maar netjes geweigerd hebben, en verder gegaan zijn met mijn leven. Minister van Defensie? Laat me niet lachen. Ze waren beleefd, maar ik heb nooit enige autoriteit gehad.”
“We kunnen bewijs vinden,” zei Luke. “We kunnen een zaak aanspannen. Wat dan ook, een houvast, iets om aan de media te geven. Jij bent nog ingewijd.”
Delliger schudde zachtjes zijn hoofd. “Er is mij verteld dat president Ryan mijn opzegging in de ochtend verwacht. Als hij het ontvangt dan zal hij me publiekelijk bedanken voor mijn trouwe dienst en toewijding. Als hij het niet ontvangt, dan zal hij me voor grove incompetentie ontslaan. De keuze is aan mij.”
Luke dacht na. “Waarom ging je akkoord met mijn verzoek om elkaar te ontmoeten?”
Delliger haalde zijn schouders op. “Ik denk dat je een goede vent bent, dapper. Ik wilde je vertellen dat je, als het nog niet te laat is, hard moet weglopen van dit alles. Loop gewoon weg. Misschien laten ze je met rust. Het leven is mooi, meneer Stone. En het heeft geen nut om een strijd te strijden die je niet kunt winnen.”
Luke nam diep adem. Het had geen zin om deze man te vertellen dat het al te laat was, voor Luke zelf tenminste.
“Is dat wat jij doet?” zei hij. “Weglopen?”
Delliger glimlachte. Het was een verdrietige glimlach. “Ik ga nu naar kantoor om mijn ontslagbrief te schrijven. En morgen ga ik terug naar mijn oude leventje. Weet je, ik ben een goede tuinman. Het is mijn favoriete hobby en ik heb er al jaren geen tijd voor gehad. Ik weet dat het al juni is dus ik ben een beetje laat. Maar het seizoen is lang en vergevensgezind in deze streken.”
Luke knikte. “Goed. Vaarwel, meneer Delliger.”
“Vaarwel, meneer Stone. En veel geluk gewenst met wat u ook beslist.”
Delliger draaide zich om en begon over het veld terug te lopen. Luke stond tegen de muur. Hij keek hoe Delliger in de verte verdween. Na ongeveer vijftig meter, toen Delliger over de 50-yard line liep, hoorde Luke een schot.
KRAK.
Een echo weerkaatste door het stadion en de straten in de omgeving.
Luke’s ogen scanden het lege stadion voor de scherpschutter. Hij had geen flits gezien, niet eens een onderdrukte, dus het schot kwam niet vanuit het pershok. Hij zou het vanuit de hoek van zijn ogen gezien hebben. Hij realiseerde zich dat de kogel van heel ver weg afkomstig kon zijn. De beste schutters konden een doelwit vanaf bijna tweeduizend meter afstand raken. Het leger van de Verenigde Staten trainde enkele van de beste schutters ter wereld.
Hij keek over het speelveld. Delligers lichaam lag daar, een donkere hoop op het midden van het veld. Luke bedacht zich dat ze niet eens de moeite hadden genomen om een geluidsdemper te gebruiken, ook al hadden ze die mogelijkheid.
Luke pakte zijn zwarte bivakmuts uit zijn zak en trok het over zijn hoofd. Nu zag je alleen nog maar zijn ogen. Hij gleed langs de betonnen muur richting de grote hal. Even later was hij in de schaduwen verdwenen.
Hoofdstuk 46
6 juni, 00:03 uur
Op straat
De wereld om hem heen was zwart. De man was een vrachtwagenchauffeur die ’s nachts lange afstanden reed. Hij was al voorbij Florence, South-Carolina, in het deel waar de afritten ver uit elkaar lagen. De donkere snelweg strekte zich voor hem uit in het licht van de koplampen. Hij was van plan om Noord-Florida te bereiken voordat hij de snelweg verliet, misschien in Jacksonville of misschien in St. Augustine als hij het zo ver redde.
Hij had een vreselijke dag achter de rug, misschien wel de ergste die hij zich kon herinneren. Maar het leven ging door. Hij had een vrachtwagen vol varkensvleesproducten uit Virginia met de haven van Port Everglades als bestemming. En het zou daar niet vanzelf komen.
Hij stak een sigaret aan en zette de radio aan. De nieuwe president, een man wiens naam de chauffeur voor die vanavond nog nooit had gehoord, werd op de radio geïntroduceerd. Hij hoopte dat deze niet ook opgeblazen zou worden. Toen hoorde hij de stem van de president.
“Mijn mede-Amerikanen,” begon hij. “Gisteren, op vijf juni, werden de Verenigde Staten van Amerika plotseling en moedwillig aangevallen door geheim agenten en provocateurs van de islamitische Republiek van Iran. De VS was in vrede met die natie en voerde gesprekken met de regering over de handhaving van vrede in het Midden-Oosten.
Sterker nog, minder dan vierentwintig uur voor de Iraanse luchtaanval met een drone op ons Witte Huis, gaf de Iraanse ambassadeur van de Verenigde Naties een officieel antwoord op een recent bericht van Amerika aan onze ambassadeur van de Verenigde Naties. En hoewel in het antwoord stond dat het zinloos leek om de huidige diplomatieke onderhandelingen voort te zetten, bevatte het geen dreigement of een hint voor een mogelijke oorlog of gewapende aanval.
De aanval van vanavond heeft ernstige schade toegebracht aan het Mount Weather Emergency Operations Cente, een van de schuilplaatsen voor de regering waar de voormalige president en vice-president zich samen met veel leden van de zittende regering bevonden. Het spijt mij u te moeten mededelen dat heel veel Amerikaanse levens verloren zijn gegaan. Het exacte aantal slachtoffers is nog niet bekend, maar we verwachten in de komende dagen te moeten bevestigen dat ten minste driehonderd Amerikanen het leven verloren hebben.
Iran heeft hiermee een verrassingsaanval op Amerikaanse bodem gepleegd. De feiten van gisteren en vandaag spreken voor zichzelf. De inwoners van de Verenigde Staten hebben hun mening al gevormd en begrijpen de implicaties op het leven en de veiligheid van onze natie. Als opperbevelhebber van het leger en de marine, heb ik de opdracht gegeven om voorbereidingen te treffen ter verdediging van ons land. Hoelang het ook duurt om over deze voorbedachte aanval heen te komen, het Amerikaanse volk zal winnen met een absolute overwinning. Ik geloof dat ik voor het hele volk spreek als ik zeg dat we niet alleen onszelf tot het uiterste zullen verdedigen, maar er tevens voor zorgen dat deze vorm van verraad ons nooit meer zal overkomen.
Vijandigheden bestaan. Het staat buiten kijf dat ons volk, onze natie en onze belangen in groot gevaar zijn. Met het vertrouwen in onze troepen en de vastberadenheid van het volk, zal onze triomf onvermijdelijk zijn, zo helpe ons God. Daarom deel ik u mede dat sinds de laffe aanslagen van vijf juni de Verenigde Staten en Iran zich in een staat van oorlog bevinden.”
Hoofdstuk 47
00:35 uur
Queen Anne’s County, Maryland – oostkust Chesapeake Bay
Luke kwam bij het huis aan en hij wist hoe laat hij was. Het was donker. De aanwezigheid van water leek de lucht met extra spanning te vullen.
Eerst parkeerde hij zijn auto ongeveer honderd meter van het huis. Hij deed de koplampen uit en daarna wachtte hij en observeerde het huis. Er was niemand op straat. In een huis ver links van hem zag hij het licht van een TV. Dichterbij, ongeveer een halve kilometer hiervandaan, stond het huis van de familie Thompson. Het was er donker.
Hij had een angstig voorgevoel, zo erg dat hij er misselijk van werd. Hij had al die tijd fouten gemaakt en nu zouden Becca en Gunner het met hun leven bekopen. Hij had Becca lang geleden al moeten waarschuwen wat voor risico’s zijn werk met zich meebracht. Trouwens, vergeet het maar, hij had nooit een relatie moeten aangaan met Becca of met wie dan ook.
Hij liet de auto de heuvel naar het huis afrollen. Haar Volvo stond er. Hij parkeerde ernaast. Hij stapte uit en controleerde haar deur. Hij probeerde zich niet te verschuilen. Het was beter als ze achter hem aan zouden komen dan dat zijn familie vermoord werd. Hij wilde dat hij was gestopt toen het nog niet te laat was. Hij wist dat het een leugen was, maar toch…
De auto was niet op slot, dat deed ze hier nooit. Er lag niets in de auto. Hij deed de achterbak open en zette zich schrap voor wat erin kon liggen. Niets. Een krik, een kruissleutel, een luchtpomp en twee tennisrackets.
Hij liep naar het huis. De deur was niet op slot. Hij ging naar binnen.
Er was niemand. Het voelde verlaten aan. Het licht van de badkamer was aan, het wierp schaduwen in de zitkamer. De koffietafel was in elkaar gestort alsof er iemand op gevallen was. Dat was het enige zichtbare teken van een worsteling, zover hij kon zien.
Hij stond even stil, hield zijn adem en keek rond en luisterde.
Geen geluiden. Het was doodstil.
Zijn adem kwam eruit als een lang, laag gegrom. Goed. Hij was al zover gekomen, nu zou hij even stilstaan om zijn emoties bij elkaar te rapen en daarna verder te gaan met het doorzoeken van het huis. Als er nog iemand in huis was dan leefde die persoon waarschijnlijk niet meer.
Het spijt me zo, Becca.
Hij stond daar enkele minuten. Ver weg, door het achterraam, zag hij een boot varen over het donkere water. Hij kon de boot zelf niet zien, maar wel het rode licht van de achtersteven.
Hij begon met het doorzoeken van het huis. Hij liep door de kamers afwezig en controleerde het hele huis. Overal waren er schaduwen om hem heen. Hij liep naar hun slaapkamer. Hij keek in de badkamer en de kast. Becca was hier niet. Wat ze ook met haar gedaan hadden, ze hadden haar lichaam niet hier achtergelaten.
Hij liep naar Gunners kamer. Er hing een poster met een levensgrote zombie boven het bed. Hij schrok ervan. Heel even dacht hij dat er een man stond. De bloedige zombie in gescheurde kleren met geronnen bloed druipend uit zijn mond, beschuldigde hem:
Jij hebt het kind vermoord. Jij bent schuldig.
Luke had niets te zeggen ter verdediging.
Een verzengende pijn ging door hem heen. Het had niets te maken met al het geweld dat hij vandaag doorstaan had. Het was de pijn van separatie, de verlammende angst voor hun veiligheid. Ze waren van hem weggerukt en hij wist niet hoe hij ze kon terugbrengen. Hij kon niet ademen, er ging van alles door zijn hoofd.
Hij zou Don kunnen bellen. Hij zou kunnen smeken. Het zou troosteloos en verachtelijk zijn. Een laatste onmogelijke gunst voor een ouwe trouwe vriend. Luke zou alles doen, wat dan ook, om van plaats te kunnen ruilen met Becca en Gunner maar Don zou er nooit mee akkoord gaan. Hij kende Don. Een ultimatum is een ultimatum in Dons wereld. Er is geen weg terug. Verdomme, zelfs als Don het zou willen stoppen dan was het waarschijnlijk niet meer mogelijk. Hij had waarschijnlijk geen contact met de kidnappers en de kidnappers zelf opereerden in hun eigen vacuüm. Eenmaal in gang gezet, voerde iedereen hun taak uit zonder verder contact.
Becca en Gunner waren waarschijnlijk al dood.
Luke begon bijna te huilen. Het was oké. Er was geen reden om niet te huilen. Er was niets meer te doen.
Zijn telefoon rinkelde. Hij nam op.
Een vrouwenstem. “Luke?”
“Trudy.”
“Luke, de vice-president leeft.”
Binnen drie seconden was Luke uit Gunners kamer en rende de trap af. Toen de deur uit en de nacht in, snel naar zijn auto. Zijn lichaam reageerde sneller dan zijn verstand. Vice-president Susan Hopkins en alles waar zij voor staat, was zijn enige hoop om zijn familie te kunnen redden.
“Vertel,” zei hij.
“ECHELON,” zei Trudy. “Het heeft naar tekenen van leven gezocht, van mobiele telefoontjes, e-mails, tablets tot alle mogelijke communicatiemiddelen van de mensen die zich in Mount Weather bevonden. Tien minuten geleden ving het een signaal op van de mobiele telefoon van een agent van de Geheime Dienst, Charles Berg. Hij behoort tot het beveiligingsteam van Susan Hopkins. Het systeem voor dataverwerking en informatiebeheer, de Real Time Regional Gateway, op het hoofdkantoor van de National Security Agency onderschepte een telefoongesprek van Berg.”
Luke startte de auto, zette de pook in drive en trapte toen op het gaspedaal. De auto scheurde met piepende banden van de oprit.
“Ik luister,” zei hij.
“Berg belde Walter Brenna op, een gepensioneerde agent van de Geheime Dienst. Ze hebben ooit samengewerkt. Om in het kort: Hopkins is met Berg. Ze is gewond maar ze leeft en hij brengt haar terug naar Washington. Behalve Brenna wil hij niet dat iemand anders hiervan afweet. Blijkbaar was Brenna een hospik in het korps mariniers voordat hij bij de Geheime Dienst ging. Dit is wel ongeveer dertig jaar geleden. Berg wil de vice-president van de Verenigde Staten naar Brenna’s huis brengen in een buitenwijk in het oosten en kijken of ze haar verwondingen bij Brenna thuis kunnen verzorgen. Daarna willen ze haar laten onderduiken.”
“Hoe erg is ze gewond?”
“Onbekend. Het gesprek duurde maar iets meer dan een minuut.”
“Waar woont Brenna?”
“Eh, dat heb ik ergens. Ze traceerden het gesprek naar een landlijn. Hij woont in Bowie, Maryland, op 1307 Third Street.”
Luke zette het adres direct in zijn GPS op het dashboard. Hij keek naar de route en zag dat hij er in dertig minuten kon zijn of zelfs sneller als hij flink gas gaf.
“Waar zijn Berg en de vice-president nu?”
“Dat is ook onbekend. Het mobieltje van Berg is niet meer in beweging en ligt waarschijnlijk in de berm ergens langs een afgelegen weg in Oost-Virginia. Pogingen om hem te bellen waren zinloos. Agenten van diverse organisaties zijn op weg naar de locatie maar ze kunnen geen exacte plek aangeven. De radius is ongeveer tweehonderd meter. Satellietdata wijst op weilanden en bosachtig gebied langs de weg. Er staan geen geparkeerde auto’s in de buurt. Het lijkt erop dat Berg nadat hij Brenna had gebeld, zijn mobieltje uit het raam heeft gegooid. Niemand weet zelfs in wat voor auto hij rijdt.”
Luke knikte. De man was slim. Hij wist dat hij in de gaten gehouden werd, maar wat hij niet besefte was hoeveel mensen hem volgden en in welke mate.
“Weet Don hiervan?”
“Dat is het vreemde, hij weet ervan. Hij liep gehaast weg nadat de informatie binnen was gekomen. Don is zichzelf niet.”
“Heeft hij iets over mij gezegd?”
“Hij zei dat hij met jou gesproken had. Dat jullie ruzie hadden. En dat jij tegen hem had gezegd dat je naar bed ging. Hij zei dat ik je niet mocht storen, maar ik weet wel beter dan te geloven dat je echt naar bed was gegaan. Ik geloof niet dat ik je ooit in slaap heb zien vallen om welke reden dan ook.”
“Trudy, Don probeert me te vermoorden.”
De woorden flapten eruit voordat hij het zich realiseerde. Maar toen hij ze eenmaal gezegd had, voelde het goed aan. Het was een feit en Trudy was een grote meid. Hij kon haar niet beschermen tegen de feiten. Er was een lange stilte op de lijn.
Luke reed langs een bord waarop Chesapeake Bay Bridge stond aangegeven. Acht kilometer. Binnen tien minuten zou hij weer langs het lijk van David Gelliger rijden.
“Trudy?”
“Luke, waar heb je het over?”
“Als ik het je vertel dan is je leven in gevaar.”
“Kom op, biecht op,” zei ze.
Dus hij vertelde haar wat er gebeurd was. Aan het einde van het verhaal, volgde er opnieuw een stilte. Luke reed hard, bijna honderdvijftig kilometer per uur. Hij reed de weg naar de brug omhoog. De wegen waren leeg. Hij had niet eens een glimp van een politieagent gezien.
“Geloof je me?” vroeg hij.
“Luke, ik weet niet wat ik moet geloven. Ik weet dat Don en Bill Ryan vrienden waren sinds hun tijd samen in Citadel. De twee gezinnen gingen zelfs samen op vakantie.”
“Trudy, ze hebben mijn vrouw en zoon gekidnapt.”
“Wat?”
Hij vertelde haar ook dat hele verhaal. Hij hield zijn stem zakelijk. Hij bleef bij de feiten en de zaken die hij zeker wist. Hij huilde niet en hij schreeuwde niet.
“Het was een coup,” zei Luke. “Een aantal mensen binnen inlichtingen en het leger willen een oorlog. Waarschijnlijk de defensie-aannemers ook. Don was ervan op de hoogte. Hij is wellicht een marionet maar hij wist ervan.”
Trudy zei met beverige stem: “Een halfuur geleden heeft Bill Ryan de oorlog aan Iran verklaard. Direct na de verklaring werd het een gekkenhuis in de ether. ECHELON, alle afluisterstations, Fairbanks, Menwith Hill, de Misawa luchtmachtbasis in Japan, en een hoop anderen, ze vangen Russisch geklets op. De Russen hebben nog niets aangekondigd, maar ze zijn bereid om een aanval op Iran als een aanval op Rusland te beschouwen. Ze zijn de raketten aan het voorbereiden. Ik kan niet geloven dat Don dit wilde.”
“Ik wil dat je het volgende doet,” zei Luke. “Haal Swann. Is Swann nog daar?”
“Swann gaat nooit naar huis,” zei ze.
“Laat Swann de computer van Don hacken. Kijk of er bewijs is dat laat zien dat Don van de aanslagen op de hoogte was voordat ze daadwerkelijk plaatsvonden. E-mails, documenten, alles. Don heeft de aanslagen niet gepland maar hij wist ervan.”
“Wat voor nut heeft het, zelfs als we bewijs zouden vinden?”
“Het kan ons helpen als we Ryan en degenen die hier achter zitten aanklagen. Als we Don te pakken krijgen, dan kunnen we Ryan misschien ook te pakken krijgen, en de volgende en de volgende. Dan zullen ze als dominostenen achter elkaar omvallen. Als we de vice-president in leven kunnen houden, dan kunnen we Ryan dwingen om af te treden. En als dat gebeurt, geniet hij niet meer de bescherming van zijn positie. Als we dan bewijs tegen hem hebben, dan is het gedaan met hem.”
“Goed, Luke. Ik zal Swann laten kijken om te zien of hij iets kan vinden.”
“Ik ben ervan overtuigd dat hij iets vindt,” zei Luke. “Bel me zodra hij iets vindt.”
“Nog iets anders?”
“Ja, kun je Ed Newsam bellen en tegen hem zeggen dat hij zich moet aankleden? Hij kan niet de hele dag in bed blijven luieren.”
“Wat ben je van plan?”
“Ik? Ik ga de vice-president redden, als het niet al te laat is.”
Hoofdstuk 48
8:56 uur (Moskou-tijd)
Strategisch commando- en controlecentrum – Moskou, Russische Federatie
Yuri Grachev, negenentwintig, assistent van de minister van Defensie, liep in rap tempo door de gangen van het controlecentrum terwijl hij de situatie overdacht. Het ergste scenario stond voor de deur. Het was een ramp in wording.
Zonder te weten waarom, zat sinds vijfenveertig minuten de zwarte nucleaire koffer van de minister, zijn Cheget, vastgebonden aan Yuri’s pols. Het bevatte de codes en mechanismen om een raketaanval tegen het Westen te lanceren.
Yuri wilde niet dat dit afschuwelijke ding aan hem vast zat. Hij wilde naar huis, naar zijn vrouw en jonge zoon. Hij wilde vooral ook huilen. Hij voelde hoe zijn hele lichaam rilde. Zijn onbewogen gezicht dreigde in te storten en in tranen uit te barsten.
Vier uur geleden vond er een staatsgreep op de Amerikaanse overheid plaats. Een uur geleden verscheen een nieuwe president op de radio en televisie. Hij verklaarde de oorlog aan Iran. In de kringen van de Russische regering stond de nieuwe president bekend als een idioot en een stroman voor de oorlogszuchtige elite achter de coulissen. Dat hij op een dag aan de macht zou kunnen komen, was altijd het ergst denkbare scenario.
De coup en de oorlogsverklaring had hier in Rusland een reeks sluimerende protocollen geactiveerd. De protocollen hadden verschillende namen, maar bijna iedereen noemde ze de ‘Dode Hand’.
Dode Hand stuurde het Russische defensiesysteem in de hoogste staat van paraatheid. Het gaf afgelegen raketlanceerstations, vliegtuigen en duikboten gedeeltelijke autonomie om eigen beslissingen te nemen. Het decentraliseerde het commando.
Het idee was dat Dode Hand de Russische defensie de mogelijkheid gaf om een tegenaanval uit te voeren als een verrassingsaanval van de Amerikanen de leiding in Moskou zou uitroeien. Als de communicatie verstoord zou zijn en ongewone seismische metingen en radarwaarnemingen ontdekt werden, dan zouden regionale bevelhebbers en zelfs verlaten bunkers de macht hebben om zelf beslissingen te nemen in het geval van een aanval, of vergeldingsmaatregelen te treffen zoals het lanceren van kernraketten.
Maar het systeem werkte niet. Het was al meer dan twee decennia in verval, bijna Yuri’s hele leven. Acht van de oorspronkelijke twaalf observatiesatellieten waren gedurende die periode in de oceaan gestort. En nooit vervangen.
Er waren constante communicatieproblemen met de afgelegen stations. Er waren altijd ongewone seismische metingen te lezen en elk moment was er ergens ter wereld wel een grote of kleine aardbeving. En het ergste van alles was dat de radarwaarnemingen regelmatig raketlanceringen veronderstelden. Niemand in de leiding zou dit ooit toegeven, maar het was waar.
Drie jaar geleden was Yuri zelf een keer in het controlecentrum toen de Zweden een wetenschappelijke raket lanceerden. Het waarschuwingssysteem zag het aan voor een Amerikaanse raket, gelanceerd van de Amerikaanse duikboot die in de Atlantische Oceaan gestationeerd was.
Het alarm van de nucleaire koffer (toen gelukkig niet aan Yuri’s pols vastgebonden) begon af te gaan. Het stuurde waarschuwingsberichten naar de verschillende stations en het maakte ook een lawaai van jewelste, een luid piepend geluid.
Raketsilos in het binnenland van Rusland rapporteerden paraatheid. Als zou blijken dat de raket een eerste Amerikaanse aanval zou zijn, dan zou het in ongeveer negen minuten het doelwit bereiken. Zou het een elektromagnetisch pulswapen zijn dat het vermogen van Rusland om te reageren zou verlammen? Zou het door een grotere aanval gevolgd worden?
Niemand wist het. Hij moest toegeven dat de Generale Staf hun adem inhield en wachtte. De minuten tikten langzaam voorbij. Acht minuten passeerden, een radarstation rapporteerde dat de raket de atmosfeer van de aarde had verlaten. Een voorzichtig gejuich vulde de ruimte. Na elf minuten rapporteerde het radarstation dat de raket zich in een normale omloopbaan bevond.
Niemand juichte hierna. Mensen gingen weer gewoon aan het werk.
Dode Hand was niet in werking getreden die dag. Commandostations wachtten op orders van het centrale commandocentrum. Maar vandaag was Dode Hand in effect getreden. Een fout, een falend communicatiesysteem of een rat die door de kabels gebeten had, zou betekenen dat nucleaire beslissingen in handen lag van mensen die ver weg zaten, en dronken, moe of krankzinnig waren.
De Amerikanen hadden iets gedaan wat niemand verwacht had. Een gevaarlijke kliek had de regering overgenomen in Washington en hun volgende stap was onvoorspelbaar. Als reactie had Rusland de onbetrouwbare en onveilige procedures in werking gezet die de hele wereld in gevaar brachten.
Dode Hand was een levensgevaarlijk afschrikmiddel. Het was een zekere wederzijdse vernietiging. In de gouden jaren van de formidabele Sovjet-Unie was het wellicht een goed idee. Toen de waarschuwingssystemen robuust en modern waren en bovendien goed onderhouden.
Maar nu, nu was het een rampzalig idee. Een idee dat werkelijkheid geworden was.
Hoofdstuk 49
13:03 uur
Bowie, Maryland – een woonbuurt ten oosten van Washington DC
Luke parkeerde ongeveer dertig meter verderop. Het huis was een zogenaamde raised ranch model en gebouwd boven op een dubbele garage. Het hele huis was verlicht. Een van de garagedeuren stond open en scheen licht uit. Het leek wel kerst.
Er was niets in de open garage, alleen wat gereedschap aan de muur, een vuilnisbak, een paar harken en scheppen in de hoek. Luke dacht dat Brenna waarschijnlijk zijn eigen auto ergens anders had geparkeerd om plaats te maken voor Chuck, zodat hij rechtstreeks de garage in kon rijden wanneer hij arriveerde. Deze kerels hadden geen idee met wie ze te maken hadden.
Luke keek naar de hemel. Het was een bewolkte nacht. Met alles wat er op het spel stond, zou hij niet verrast zijn dat ieder moment een aanslag met een drone het huis zou verwoesten. Ze zouden het zo doen en zeggen dat het een blikseminslag was. Maar ze zouden waarschijnlijk eerst op Susan Hopkins wachten voordat ze zouden beginnen.
Het was een alles-of-niets spelletje.
Luke’s telefoon ging. Hij keek ernaar en nam op.
“Ed.”
“Luke, ik ben blij dat je nog leeft.”
“Ik ook. Bedankt voor de waarschuwing. Het heeft me gered.”
“Trudy zei dat ik moest bellen. Ze zei dat jouw familie vermist wordt. Klopt dat?”
“Het klopt,” zei Luke. “Ja.”
“Leg je je erbij neer?”
“Ik vrees dat het daarvoor te laat is. Mijn beste hoop is om vooruit te blijven gaan.”
“Ik moet je iets in vertrouwen vertellen,” zei Ed. “Ik heb een keer een man een week lang in leven gehouden terwijl ik hem doodde. Het was een privé-aangelegenheid, niet werkgerelateerd. Ik zou het weer doen. Als iemand jouw gezin pijn doet, dan doe ik dat voor jou. Dat beloof ik.”
Luke slikte even. Het was mogelijk dat hij op een dag Eds belofte zou innen.
“Bedankt.”
“Wat kan ik nu voor je doen?”
“Ik heb een vriend,” zei Luke. “Een Iraakse dokter en hij werkt op het Forensisch Instituut van de gemeente, de Chief Medical Examiner’s Office op E Street. Zijn naam is Ashwal Nadoori. Ooit heb ik mijn lokale dekmantel voor hem opgegeven, om zijn leven te redden. Hij is me iets verschuldigd. Ik wil dat je hem belt nadat we opgehangen hebben. Goed?”
“Begrepen.”
“Zeg hem dat ik nu om de gunst vraag die hij me schuldig is. Dit is geen onderhandeling, dus hij heeft geen keuze. Hij zei dat hij op zijn knieën door de woestijn zou kruipen voor mij. Of iets in die richting. Herinner hem daaraan. Dit is zijn enige kans om mij terug te betalen. Ga daarna… Kun je lopen?”
“Nee, niet echt. Maar ik kan hinken.”
“Hink dan naar zijn kantoor. Bel me weer wanneer je aangekomen bent, maar gebruik een andere telefoon. Steel een telefoon van iemand. Ik beantwoord vannacht al mijn telefoontjes. Als ik het nummer niet herken dan weet ik dat jij het bent. Tegen die tijd zal ik ook een andere telefoon hebben. Dan kunnen we met de gestolen telefoons bellen. Ik geef Ashwal dan zijn instructies. Misschien heeft hij jouw hulp nodig. Misschien is het nodig om zijn arm een klein beetje om te draaien.”
“Oké, Luke. Iemands arm omdraaien is mijn specialiteit.”
“Dat weet ik.”
Luke hing op en stapte uit de auto. Uit de achterbak pakte hij een metalen kist en een groene buidel. Hij liep door de donkere buurt naar de voorkant van het huis. Hij had het gevoel dat de buurt niet echt sliep. Wie kon slapen tijdens een nacht als deze? Hij zag voor zich hoe tientallen mensen rondom hem in bed wakker lagen, zachtjes met hun partner praten, of huilen, of bidden.
Als er ergens een scherpschutter lag dan zou hij Luke nu kunnen neerschieten. Hij zette zich schrap voor een schot maar er gebeurde niets.
Hij klom de trap op en belde aan. Een klokkenspel klonk door het huis. Hij wachtte een tijdje en zette toen zijn tassen op de grond. Hij draaide zich om en keek de nacht in. Huis na huis, straat na straat, tot aan de buurt rond de kleine hoofdstraat. Voor veel mensen was dit waarschijnlijk de ergste nacht van hun leven. Hij was een van hen.
Achter hem ging de deur open. Hij draaide zich om en zag een man staan. De man was lang met zilverkleurig haar en een grof gezicht. Hij was een van die vijfenzestigjarigen die nooit gerookt had en nog steeds vijf keer per week naar sportschool ging. Hij zat als een schutter op zijn hurken. In zijn handen hield hij een groot pistool. De loop was op Luke gericht.
“Kan ik u helpen?” zei de man.
Luke hield zijn handen omhoog. Geen onverwachte bewegingen, hij had geen zin om nu neergeschoten te worden. Hij sprak kalm en langzaam. “Walter Brenna, mijn naam is Luke Stone. Ik werk voor het Special Response Team van de FBI. Ik ben een van de goeieriken.”
“Hoe weet je mijn naam?”
“Walter, iedereen, echt iedereen, kent uw naam. Ze weten allemaal wie u bent en wat u gepland heeft. Ik ben hier om u te vertellen dat het niet zal werken. De slechteriken hebben uw kletspraatje met Chuck Berg gehoord en zijn op weg hiernaartoe. Dat wil zeggen, als ze niet al hier zijn. En je zult ze niet kunnen stoppen.”
Brenna glimlachte. “En jij wel?”
“Ik was als agent van Delta Force agent op de grond in onder andere Afghanistan, Irak, Yemen en de Democratische Republiek van Congo. Officieel zijn we daar niet eens geweest, begrijp je wat ik bedoel?”
Brenna knikte. “Ik weet het, maar dat betekent niet dat het mij wat kan schelen of dat ik je geloof.”
Luke gebaarde met zijn hoofd. “Zie je die doos en die tas achter mij? Beiden zitten vol met wapens. En ik weet ze te gebruiken. Na honderd mensen doodgeschoten te hebben, ben ik de tel kwijtgeraakt. Als je de nacht wilt overleven en je wilt dat de vice-president ook de nacht overleeft dan moet je me binnen laten.”
Brenna wilde eerst een spelletje spelen. “En wat als ik je niet binnenlaat?”
Luke haalde zijn schouders op. “Dan wacht ik hier buiten. En als Chuck komt dan zal ik hem zeggen dat de vice-president met mij meekomt. Als hij weigert, dan schiet ik hem neer en komt ze alsnog met mij mee. Ze moet in leven blijven, koste wat het kost. Chuck is onbelangrijk en jij ook.”
“Waar denk je haar heen te brengen?”
“Naar goed volk. Ik heb een dokter die op haar wacht, samen met een andere voormalige agent van Delta. Hij is mijn partner. Niet dat het wat uitmaakt maar hij heeft gedurende de afgelopen twaalf uur zes mannen vermoord. Drie ervan waren huurmoordenaars die voor de regering werkten. Wanneer heb jij voor het laatst iemand gedood, Walter?”
Brenna staarde hem aan.
“Denk je dat je dit zult overleven zonder iemand te doden? Dat kun je vergeten.”
Zijn hand met het pistool trilde licht.
“Ik heb aangebeld, Walter. Dat zullen zij niet doen.”
Brenna liet het pistool zakken. “Kom binnen.”
Luke greep zijn tassen en ging naar binnen. Hij liep achter Brenna aan door een smalle gang. Ze liepen door een oude smalle keuken. Luke nam onmiddelijk het bevel en Brenna accepteerde Luke als leider.
“Zijn er vrouwen of kinderen in huis?” zei Luke.
Brenna schudde zijn hoofd. “Ik ben gescheiden. Mijn vrouw is naar Mexico verhuisd. Mijn dochter woont in Californië.”
“Goed.”
Brenna bracht Luke naar een kale kamer zonder ramen. Er stond een houten tafel in het midden. Medische benodigdheden lagen klaar: scalpels, scharen, ontsmettingsmiddel, verband, tourniquets.
“De kamer is versterkt met dubbel staal. Het is een verborgen kamer en van buiten is het niet te zien.”
Luke schudde zijn hoofd. “Nee. Ze zullen infrarode hittezoekers gebruiken. Wij hadden dat soort brillen in Afghanistan. Je kunt de roodachtige silhouetten van mensen zo door de muren zien. Ze zullen de boel in de brand steken en dan kunnen we geen kant uit.”
Luke stak zijn hand op. “Luister Walter. We zullen dit niet overleven door lief te zijn. Zij zullen ons zonder genade vermoorden. Er is geen rechtsstaat. Er is geen mogelijkheid tot onderhandelen. Er staat teveel op het spel. Wanneer ze toeslaan dan is het om ons uit te roeien. Daar moeten we op voorbereid zijn. Ze zullen zonder aarzelen het huis afbranden en tegen de buitenwereld zeggen dat een gasleiding ontplofte. Ikzelf sterf liever in een schietpartij op straat.”
Luke legde zijn tassen op de tafel. De man was duidelijk een hobbyist, een van die zielen die zich voorbereiden op de komende Apocalyps. Ze denken te overleven door onzinnige dingen te bouwen, zoals deze paniekkamer, en een voorraad blikvoer aan te leggen. Het was niet Luke zijn pakkie-an maar het was beter dan iemand die helemaal niet voorbereid was.
“Wat heb je verder nog?” vroeg Luke. “Geef me iets bruikbaars.”
“Ik heb een M1 Garand geweer en misschien twintig geladen magazijnen met .30-06 pantserdoorborende explosieve kogels.”
Luke knikte. “Beter. Wat nog meer?”
Brenna slaakte een diepe zucht.
“Kom op, Walter. Voor de dag ermee. We hebben niet veel tijd.”
“Oké,” zei Brenna. “Ik heb een GMC Suburban, helemaal omgebouwd met een kogelvrij pantser. Het staat in de garage. Het ziet eruit als een gewone auto maar de deuren, carrosserie, interieur, schokdempers en motor zijn bedekt met stalen platen, ballistisch nylon of Kevlar. De kogelvrije autobanden zijn aangepast zodat je nog honderd kilometer kan rijden nadat ze aan flarden geschoten zijn. De ruiten zijn gemaakt van vijf centimeter dik transparant policarbonaat en lood. Het gewicht is enorm, een ton zwaarder dan een standaard Suburban. De motor is een opgevoerde V8. De bumper en het rooster aan de voorkant zijn van gelegerd staal. Je kan met dat ding door een stenen muur heen rijden.”
Luke glimlachte. “Fantastisch. En dat wilde je geheimhouden.”
Brenna schudde zijn hoofd. “Ik heb een paar honderdduizend dollar in die auto gestopt.”
“Er is geen betere gelegenheid dan nu om te laten zien waartoe het in staat is,” zei Luke. “Laat zien.”
Ze liepen door het huis naar de garage. Luke hield Brenna tegen om binnen te gaan. Ze stonden bij de keukendeur, bewust van eventuele scherpschutters die in een positie zaten om door de open garagedeur te schieten. Tegenover hen in de garage stond een zwarte Suburban. Brenna had gelijk. Het leek op een gewone SUV. Alleen de ruiten waren iets donkerder dan normaal. Misschien blinkte het ook iets meer dan normaal. Misschien was het slechts Luke’s verbeelding.
“Volgetankt?” vroeg Luke.
“Tuurlijk.”
“Ik zal het van je moeten lenen.”
Brenna knikte. “Dat dacht ik al. Misschien rij ik met je mee.”
“Dat is een goed idee. Brenna, ken je oud-collega’s van de Geheime Dienst die fit genoeg zijn en die je kunt vertrouwen?”
“Ik ken er een paar, ja.”
“We zullen hun hulp nodig hebben,” zei Luke. “In godsnaam, de staat betaalt nog altijd de pensioenen van deze kerels, toch? Dan kunnen ze net zo goed nog een keertje dienst doen.”
Op datzelfde moment hoorden ze het rommelende geluid van een grote motorfiets hun richting uit rijden. Het kwam snel dichterbij en verscheen uit het niets. Het maakte een waanzinnige, lage bocht zo de korte oprit van Brenna op. Het gleed de helling omhoog en zo de garage in. Het stopte slippend met het voorwiel tegen de muur achter in de garage. Het lukte de bestuurder om de machine rechtop te houden.
Luke pakte zijn pistool, denkend dat de strijd nu begonnen was.
Brenna rende naar de garagepoort. Hij dook naar het koord en trok de poort naar beneden dicht. Hij deed de poort op slot door een haak aan een grote beugel, die aan de grond vastzat, te haken.
De bestuurder nam zijn donkere helm af. Een vrouw zat achterop, ze hield hem rond zijn middel vast. Luke keek iets nauwkeuriger. De vrouw hield hem helemaal niet vast, ze was in feite vastgebonden rond zijn middel met twee grote leren riemen.
Brenna haalde een mes tevoorschijn en begon de riemen los te snijden.
Toen haar polsen bevrijd waren, viel haar linkerarm slap langs haar zij. Met haar rechterarm nam ze haarr helm af. Haar korte blonde bob viel bijna tot haar schouders. Haar gezicht was vol met vuil en roet. Haar kaken waren op elkaar geklemd. De linkerkant van haar gezicht tot bijna aan haar kin, was schilferend en pijnlijk rood. Haar blauwe ogen verrieden haar uitputting.
Susan Hopkins keek de garage rond. Ze zag Luke.
“Stone? Wat doe jij hier?”
“Hetzelfde als u,” zei Luke. “Proberen mijn land terug te krijgen. Gaat het met u?”
“Ik heb pijn maar het gaat.”
De man zette de motor op zijn standaard en klom ervanaf. Het was een heel lange man. Zijn gezicht zag er moe uit maar hij stond rechtop en zijn ogen waren alert.
“Charles Berg?” vroeg Luke.
De man knikte. “Noem me Chuck,” zei hij. “De vice-president is een goeie volhouder. We hebben een zware nacht gehad maar ze hield vol. Ze is ijzersterk.”
“En ze is de president,” zei Luke terwijl hij zich dat nu pas realiseerde. “Niet de vice-president.” Hij keek naar haar. Ze was klein. Dat had hij altijd vreemd gevonden. Hij had altijd gedacht dat supermodellen lang waren. Ze was ook erg mooi, een sprookjesachtige verschijning. De brandwond op haar gezicht droeg alleen maar bij aan de verschijning. Hij kon wel uren naar haar blijven kijken. Maar hij had geen uren. Hij had misschien niet eens vijf minuten.
“Susan, je bent de president van de Verenigde Staten. Laten we iedereen daaraan herinneren. Ik denk dat het zal helpen. Nu moeten we hier weg.”
Luke’s telefoon ging over. Hij keek naar het schermpje, hij herkende het nummer niet. Dat moest Ed zijn.
“Walter, een vreemde vraag maar heb je toevallig een extra mobiele telefoon die je nog nooit gebruikt hebt?”
Brenna knikte. “Ik heb vijf of zes prepaid mobieltjes voor het geval ik snel een telefoontje moet plegen dat niet getraceerd mag worden. Ik gebruik het een keer en daarna vernietig ik het.”
De man was een schatkist. “Beetje paranoïde, of niet?” zei Luke.
Brenna haalde zijn schouders op. “Juist nu niet zo heel erg paranoïde, of wel?”
Luke nam zijn telefoon op. “Ed? Ben je met mijn vriend? Goed. Ik bel je zo terug.”
Hoofdstuk 50
01:43 uur
Het kantoor van de Chief Medical Examiner, het Forensisch Instituut – Washington DC
Ashwal Nadoori hing op. Hij zat even bedachtzaam aan zijn bureau. Een lange zwarte man zat tegenover hem in een rolstoel. Het aanzicht van de man, en het type man die hij was, bracht slechte herinneringen in Ashwal naar boven.
“Heeft hij gezegd wat hij wil?” zei de man.
Ashwal knikte. “Hij wil een lijk, het liefst intact. Een vrouw, ver in de veertig, blond haar. Iemand die voordat ze stierf gezond leek. Kun je dat regelen?”
Ashwal haalde zijn schouders op. “Dit is een groot complex. We hebben heel veel lijken. We kunnen er zeker eentje vinden die aan die beschrijving voldoet.”
Ooit, in een ander leven, was Ashwal een dokter. Hier in Amerika werd zijn Iraakse opleiding niet geaccepteerd, dus nu was hij slechts een hospik. Hij werkte in dit gigantische mortuarium, verwerkte lichamen, assisteerde bij autopsies, en allerlei andere klusjes die ze aan hem gaven. Het kon vrij onprettig werk zijn, maar ergens ook vredig.
De mensen waren al dood. Er was geen vechten voor het leven meer. Er was geen pijn lijden meer of angst om te sterven. Het ergste wat kon gebeuren, was al gebeurd. Er was geen behoefte om het te proberen te stoppen en er was geen behoefte om te doen alsof het geen fait accompli was.
Ashwal voelde zich misselijk. Hij zou zijn baan kunne verliezen door een lijk te stelen. Het was een redelijke baan. Hij was spaarzaam en de baan betaalde meer dan zijn rekeningen. Hij woonde in een bescheiden huis met zijn twee dochters. Ze kwamen niets tekort. Het zou vreselijk zijn als ze alles zouden verliezen.
Maar hij had geen keuze. Ashwal was Bahá'í. Het was een mooi geloof, een geloof dat streefde naar vrede, eenheid en een verlangen om God te leren kennen. Ashwal hield van zijn religie. Hij hield van elk onderdeel van de religie. Maar veel moslims waren ertegen. Zij vonden dat de Bahá'í een apostasie was. Zij vonden het ketterij waar de doodstraf op moest staan.
Toen hij nog een kind was, vluchtte zijn familie van Iran naar Irak om de vervolging van de Bahá'í te ontsnappen. Toendertijd waren Irak en Iran aartsvijanden. De leider in Irak was krankzinnig maar hij liet de Bahá'ís met rust. Ashwal groeide op, studeerde hard en werd dokter. Hij plukte de vruchten van het beroep en genoot van de privileges. Maar toen werd de leider afgezet en plotseling was het niet meer veilig om Bahá'í te zijn.
Op een nacht kwamen islamitische extremisten en namen zijn vrouw mee. Misschien waren enkele van de daders wel oud-patiënten van hem, of buren. Het maakte niet uit. Hij had haar nooit meer teruggezien. Zelfs nu, tien jaar later, durfde hij haar gezicht of haar naam niet te herinneren. Hij noemde haar simpelweg ‘vrouw’, de rest blokkeerde hij. Hij kon het niet verdragen om aan haar te denken.
Hij kon het niet verdragen te denken dat, toen ze ontvoerd werd, hij niemand had waar hij zich tot kon richten. De maatschappij functioneerde niet meer. Het bracht het ergste in de mensen naar boven. Mensen lachten of keken weg wanneer hij door de straat liep.
Twee weken later kwam een andere groep midden in de nacht, een man of tien. Deze waren anders, ze waren hem niet bekend. Ze droegen zwarte bivakmutsen. Ze namen hem en zijn dochters mee naar de woestijn achter in een pick-up truck. Ze trokken hen alle drie eruit op het zand. Ze dwongen hen op de knieën aan de rand van een loopgraaf. Zijn dochters huilden. Ashwal kon niet huilen. Hij kon zichzelf er niet eens toe brengen om hen te troosten. Hij was helemaal verdoofd. Het was bijna alsof hij dit verwelkomde, de vrijheid die het zou brengen.
Plotseling werd er geschoten door een automatisch vuurwapen.
Eerst dacht Ashwal dat hij dood was. Maar hij leefde nog. Een van de mannen schoot alle anderen dood. Hij bleef schieten. Het duurde niet meer dan tien seconden. Het geluid was oorverdovend. Toen hij klaar was, leefden drie van de mannen nog. Ze probeerden weg te kruipen en te ontsnappen. De man liep rustig naar iedere man en schoot ze vanachter in het hoofd met een pistool. Ashwal deinsde iedere keer terug.
De man nam zijn muts af. Het was een man met de volle baard van de moedjahedien. Zijn huid was donker door de woestijnzon, maar zijn haar was licht, bijna blond, als van een westerling. Hij liep naar Ashwal en stak zijn hand naar hem uit.
“Opstaan,” zei hij. Zijn stem was hard. Er was geen compassie in te horen. Het was de stem van een man die gewend was om bevelen te geven.
“Kom met mij mee als je in leven wilt blijven.”
De man heette Luke Stone. Hij was dezelfde man die hem zojuist had gevraagd een lijk te stelen. Hij had geen keuze. Ashwal vroeg niet eens waarom hij het wilde. Luke Stone had zijn leven gered, en dat van zijn dochters. Hun levens waren veel belangrijker dan welke baan dan ook.
En het laatste wat Luke Stone door de telefoon zei overtuigde hem helemaal.
“Ze hebben mijn gezin,” zei hij.
Ashwal keek naar de zwarte man in de rolstoel. “Zullen we eens kijken wat we kunnen vinden?”
Hoofdstuk 51
01:50 uur
Bowie, Maryland – een woonbuurt ten oosten van Washington DC
Een autocolonne had met hoge snelheid de hele nacht doorgereden om hier zo snel mogelijk te arriveren. Er waren zeker tien auto’s, voornamelijk Jeeps en SUV’s. Allemaal zwart zonder enige kenmerken. De laatste was een soort gevangenisbusje voor eventuele gevangenen, hoewel die kans vrij klein was. De auto’s parkeerden stilletjes twee straten van het huis vandaan. De buurt was een cul-de-sac woonwijk. Er was maar één weg de woonwijk in en uit. Twee SUV’s stonden met de neuzen naar elkaar toe en blokkeerden deze weg.
Intussen omsingelden ongeveer twintig man het huis, klaar voor de strijd.
Acht mannen naderden het huis via de voorkant en vijf via iedere zijkant. Twee mannen, de teamleiders, bleven achter, geknield achter geparkeerde auto’s in de straat ernaast. Zij zouden hun positie als uitkijk en commandopost gebruiken. De mannen droegen allemaal Kevlar-pakken en helmen. Alle helmen hadden ingebouwde headsets.
De acht mannen liepen voorzichtig voorbij de dubbele garage. De leider droeg een zware stalen stormram van 15 kilo. Een paar keer zwaaien met dat ding en de deur zou het begeven. Achter hem droeg elke man een stungranaat en een geweer. Het plan was om de voordeur in te beuken en dan de granaten naar binnen te gooien. Met een beetje geluk zouden de ontploffing en het verblindende licht de slachtoffers tijdelijk uitschakelen of het huis uit jagen waar de rest van het team ze gemakkelijk zou kunnen oppakken.
De derde man was een jonge jongen die Rafer heette. Hij veegde wat zweet uit zijn ogen. Eerlijk gezegd was hij nerveus. Hij had het gevoel dat hij naar het toilet moest, een gevoel dat hij altijd kreeg voordat hij de strijd inging. Hij poepte gemakkelijk in zijn broek. Hij glimlachte. Het betekende geluk. Drie keer uitgezonden naar Irak en Afghanistan en hij had nooit ook zelfs maar een schrammetje opgelopen.
Stop. Opletten.
Hij bracht zijn hoofd terug naar het heden. De rij mannen leunden tegen de garagedeur. De trap naar de voordeur was drie meter verder, rechtsaf. Het moest snel gebeuren. Hij kon het zich in zijn hoofd voorstellen. BOEM! De deur ingeramd, de granaten naar binnen. Hij zou de tweede gooien. Terug trekken, wachten op de explosies en dan naar binnen haasten.
Ergens dichtbij hoorde hij een geluid.
Het was gedempt maar het klonk als de motor van een auto. En het klonk alsof het precies van de andere kant van de garagedeur kwam.
De jongen voor hem keek achter hem naar Rafer. Zijn ogen wagenwijd open. Beiden draaiden ze zich om en keken naar de deur.
* * *
Luke zat in de bestuurdersstoel van de Suburban in de gesloten garage van Walter Brenna. Brenna zat naast hem. Achterin zaten Susan Hopkins en Charles Berg. Brenna had zijn M1 op zijn schoot liggen. Chuck had een negen-millimeter Beretta. Susan had niets. Luke was als de vader voorin. Hij was het hoofd van het gezin en dit was zijn kleine familie.
Zijn handen grepen het stuur. Het was bijna stil in de SUV. In de hoek van de garage was een klein videoscherm. Het liet zien wat er buiten de garagedeuren gebeurde. Er waren mannen in SWAT-uitrusting. Luke had geen idee wie het waren of voor wie ze werkten.
Wisten ze dat de aanslagen een coup was? Wisten ze dat de echte president hier in de auto zat? Misschien dachten ze dat ze een paar terroristen zouden uitschakelen.
Hij schudde zijn hoofd. Het deed er niet toe. Ze zouden zometeen het huis aanvallen en dat betekende dat ze de slechteriken waren.
“Dit verwachten ze niet,” zei hij zachtjes. “Dus we hebben een voorsprong maar dat zal niet lang duren.”
“Ben je van plan deze mannen te doden?” vroeg Susan.
“Ja.”
Hij draaide de sleutel om en de motor kwam tot leven. Terugtrekken kon niet meer.
Hij zette de auto in de versnelling en haalde diep adem.
“Klaar?”
“Het is echt een hele zware auto,” zei Brenna. “Je zult erop moeten rammen.”
Luke trapte op het gas.
De banden piepten op de betonnen vloer van de garage en de Suburban vloog vooruit, dwars door de garagedeur die in stukken uiteen barstte. De SUV dook de nacht in. Ze reden over iets heen, een brokstuk van de deur of verkeersdrempels, lichamen. Luke wist het niet en hij wilde het niet weten.
Rechts en links waren mannen in het zwart aan het rennen.
Hij sloeg links af, zonder af te remmen. Mannen hurkten en schoten, een kogelregen raakte de zijkant van de auto.
DRR-DRR-DRR-DRR-DRR…
Susan gilde.
“Susan!” zei Luke. “Hoofd naar beneden. Leg het in Chucks schoot. We weten niet hoelang de autoruiten het houden. En ik wil niet dat je rechtop zit wanneer ze kapot gaan.”
De SUV ging sneller rijden. Luke voelde de acceleratie.
Twee straten verderop blokkeerden twee donkere SUV’s de straat. Mannen stonden verschuild achter de auto’s. Luke zag de flitsen van hun pistolen. Ze waren al aan het schieten.
“Waarheen, Walter?”
“Rechtdoor. Het is de enige weg eruit.”
“Dan zullen we gaan merken of de ruiten echt kogelvrij zijn of niet.”
Luke trapte het gaspedaal helemaal in. De geparkeerde SUV’s kwamen snel dichterbij. Alsmaar dichterbij. Tien mannen in zwart schoten met hun vuurwapens. Kogels schraapten de voorruit als wespen.
Twee mannen hingen over de motorkappen van de SUV’s, nog steeds schietend.
“Het is zover!”
BOEM!
De Suburban ramde de neuzen van de twee SUV’s, metaal scheurde tegen metaal. De Suburban brak dwars door het midden, de SUV’s draaiden in het rond en werden als speelgoedautootjes aan de kant gegooid. De twee schutters werden eronder gezogen en verpletterd. De Suburban vertraagde nauwelijks.
Luke trapte weer op het gaspedaal. De auto schoot vooruit en reed steeds sneller.
Een kogelregen raakte de achterruit. Susan gilde het weer uit maar dit keer niet zo hard. Toen waren ze buiten bereik, snel rijdend. Luke keek in zijn achteruitkijkspiegel. Mannen renden en stapten in SUV’s.
“Goed,” zei Luke. “Dat ging vrij goed. Waar is de afslag naar de snelweg?”
“Iets verderop,” zei Walter. “Anderhalve kilometer naar rechts.”
De auto scheurde door het stille stadje. Luke minderde nauwelijks vaart voor de afslag, hij vloog door de bocht. Ze kwamen terecht op vier praktisch lege rijbanen, richting het westen naar de stad.
De auto ging steeds sneller rijden. De digitale snelheidsmeter gaf 130 aan, toen 150, toen 160 kilometer per uur. De auto vloog soepeltjes over de snelweg. Luke reed met gemak door de bochten. Hij omarmde de snelheid, de opwinding. Even glimlachte hij. De Suburban was gewoon door hen heen gescheurd.
Achter hen verschenen de eerste achtervolgers. Luke kon hun koplampen in de achteruitkijkspiegel zien. Zou hij ze kunnen voorblijven in deze auto? Hij dacht van niet.
Hij drukte nog harder op het gaspedaal. 190 nu.
210.
In de auto was het stil. Niemand juichte. Niemand jubelde. Ze hadden nog niet gewonnen, nog lang niet. Iedereen begreep dat.
Ineens gingen alle auto’s voor hen aan de kant. Luke keek in de achteruitkijkspiegel en zag rood-blauwe zwaailichten snel naderen.
“We krijgen gezelschap,” zei hij.
De achtervolgers kwamen steeds dichterbij. Ze passeerden een oprit van de snelweg waar drie zwarte SUV’s naast hen kwamen rijden. Tweehonderd meter voor hen waren twee andere SUV’s die opeens langzamer gingen rijden en bijna stopten. Hun remlichten schenen in het donker.
“Stone!” zei Chuck Berg. “Ze omsingelen ons.”
“Ik zie het.”
Susan stak haar hoofd omhoog. “Wat gebeurt er als we ons gewoon overgeven?” zei ze.
“Dan vermoorden ze ons,” zei Brenna.
“Weet je dat zeker? Ik bedoel, dit is te gek voor woorden. Als ze zouden zien dat ik hier zit, zouden ze me dan echt gewoon doodschieten?”
Brenna haalde zijn schouders op. “Wil je het echt testen?”
Elke paar kilometer passeerden ze verkeerscontrolepunten in de middenstrook waar de verkeerspolitie normaliter rsnelheidscontroles uitvoerde of gebruikte om op de tegengestelde rijbanen te komen. Zometeen zouden ze er weer zo een passeren.
Een SUV kwam op dezelfde hoogte rijden aan de linkerkant. Een schutter hing uit het achterraam.
“Bukken!” schreeuwde Luke.
De man schoot op de achterzijruit van de Suburban. Kogels schraapten de zijkant van de ruit. Susan gilde. De ruit barstte, maar brak niet. Luke gooide het stuur naar links. De gepantserde auto botste tegen de zwarte SUV en duwde het tegen de betonnen muur. De auto verkreukelde, de banden scheurden aan flarden en uiteindelijk sloeg de auto over de kop. De Suburban reed door.
Luke keek naar haar achterin. “Susan, ik had gezegd dat je laag moest liggen. Ik bedoelde niet af en toe, ik bedoelde de hele tijd. Zij geven geen donder om ons. Ze proberen je neer te schieten. Ik heb het liefst dat ze niet weten waar je bent.”
Ze waren omringd door SUV’s nu. Drie voor hen, eentje aan hun zijkant en twee achter hen. De drie voor hen begonnen steeds meer af te remmen. Het was onmogelijk om hen voorbij te rijden. De remlichten leken net knipperlichten, aan-uit-aan-uit, terwijl ze op de rem trapten. Luke keek naar de snelheidsmeter. 100. 90. 80. 70. De wijzer ging snel omlaag. Ze waren omringd en konden geen kant op.
“Ik ga iets doen wat niet geliefd zal zijn,” zei Luke. “Ik zou jullie het liefst laten stemmen, maar ik denk niet dat iemand voor mijn plan zou zijn.”
“Wat ga je doen?” vroeg Brenna.
Ze zouden zometeen het volgende verkeerscontrolepunt passeren.
“Dit,” zei Luke en hij gooide het stuur om.
De grote Suburban zwenkte over het controlepunt, over de hobbels in de middenstrook en kwam terecht aan de andere kant van de snelweg in de tegengestelde richting. Richting oost maar zij reden westwaarts tegen het verkeer in.
Een zee van koplampen kwam op hen af.
“Jezus!”
Luke dook er recht in, kaken op elkaar geklemd. Hij trapte weer op het gaspedaal.
Ze ploegden door het verkeer, de tegemoetkomende auto’s vlogen als blaadjes in de wind aan de kant.
Een vrachtwagen met aanhanger reed links voorbij. De auto schudde in de tegenwind.
“Luke!” schreeuwde Susan. “Stop!”
De Suburban versnelde in het verkeer. Auto’s vlogen voorbij. De koplampen waren verblindend. Er was geen tijd om achteruit te kijken. Hij concentreerde zich volledig op de weg voor hem, zijn beide handen hielden het stuur stevig vast.
Het was een lange, rechte weg en auto’s kwamen hen massaal tegemoet. Luke ploegde erdoorheen als een boot door de golven. Hij begon dat zelfverzekerde gevoel te krijgen, dat zoemende, kriebelende gevoel dat hij associeerde met het slikken van Dexies. Dat was een waarschuwing, hij moest voorzichtig blijven. Overmoed kan dodelijk zijn.
Auto’s flitsten voorbij als raketten.
“Heeft iemand ons gevolgd?” vroeg Luke.
Brenna keek naar achter.
“Nee. Niemand is zo gek.”
“Goed.”
Luke zwenkte naar de linkerrijbaan en nam de eerstvolgende afslag.
Hoofdstuk 52
02:21 uur
Het kantoor van de Chief Medical Examiner, het Forensisch Instituut – Washington DC
Luke zag Ed Newsam tegen de muur van het gebouw leunen. In zijn armen hield hij zijn M4 vast. Het gebouw had vier verdiepingen en een glazen voorgevel. Het lag net buiten de evacuatiezone rond het Witte Huis. De zone met gevaar voor radioactieve straling had een doorsnee van een kilometer. De straten waren totaal verlaten. De meeste mensen hadden besloten dat een kilometer niet ver genoeg was.
Luke parkeerde de auto op de stoep voor het gebouw.
“En nu?” vroeg Susan.
“Nu stap je uit en je blijft bij Ed, Chuck en Walter in het gebouw. Wat er ook gebeurt, of wie er dan ook komt, je blijft bij hen. Blijf zo dicht mogelijk bij Ed. Chuck en Walter zijn heel goed, maar Ed is een moordmachine. Oké?”
“Oké.”
“Laten we dit snel doen.”
Luke sprong uit de auto. Er kwam rook uit de radiateur. Alle deuren zaten vol met deuken van de kogels. Drie van de vier autobanden waren aan flarden. De auto had het verbazingwekkend goed doorstaan. Luke moest er ook zo een aanschaffen.
“Hm, spannende rit gehad?” zei Ed.
Luke glimlachte. “Je hebt wat gemist.”
Achter hem klommen de anderen uit de auto.
“Ed, je herinnert je de president, nietwaar?”
“Natuurlijk.”
Ed duwde de deur van het gebouw open. Hij had erg weinig balans en moest zijn gehele lichaamsgewicht gebruiken om de deur te openen. Ze gingen de receptie binnen. Daar stond Ashwal met een rolstoel. Hij was een donkere man, kalend, met een bril. Luke had hem al in geen jaren meer gezien. In de rolstoel zat een dode vrouw met blond haar in een bob. Ze droeg een witte trui en een broek. Haar huid was grijs en slap maar verder leek het alsof ze sliep.
“Ashwal,” zei Luke.
De man staarde naar hem. “Luke.”
Luke gebaarde met twee handen naar Susan. “Ashwal, dit is Susan Hopkins, de president van de Verenigde Staten. Ze is gewond. Ik wil dat jij haar onderzoekt en haar wonden behandelt met de middelen die je hier tot je beschikking hebt. We kunnen haar niet naar een ziekenhuis brengen. Er zijn mensen die haar proberen te vermoorden.”
Ashwal staarde naar Susan. Hij bedacht zich opeens.
“Ik ben geen dokter meer.”
“Vannacht ben je een dokter.”
Ashwal knikte, zijn gezicht ernstig. “Oké.”
Susan staarde naar het lichaam.
“Moet zij mij voorstellen?”
“Ja.”
“Wat ga je met haar doen?”
Luke haalde zijn schouders op. “Haar vermoorden.”
Hoofdstuk 53
02:30 uur
In de straten van Washington DC
Ze moesten wel uitkijken naar deze auto. Het gemakkelijkst zou zijn om ze te helpen met het vinden ervan. Luke zat in de Suburban, alleen dit keer. Hij had Brenna’s M1 Garand bij hem op de voorstoel. Het was geladen met een acht-kogels magazijn met krachtige .30-06 ammunitie, die zelfs kogelvrije vesten doorboorde. Op de grond lagen nog tien magazijnen.
Achterin zat het lijk op de plaats van Susan. De veiligheidsgordel hield het lichaam rechtop. Het hoofd hing voorover en bewoog op het ritme van de auto.
Luke reed langzaam door de lege straten dichtbij de National Mall en het Capitool. Hij was precies aan de rand van de afgezette zone met stralingsgevaar. Ergens hier moesten politieagenten een wegblokkade bewaken.
Daar was er een met flitsende lichten, in de straat rechts. Hij reed over het kruispunt en stopte langs de stoep. Er waren geen mensen of auto’s op straat.
Agenten zouden een goed begin zijn, maar wat Luke echt nodig had waren de slechteriken. De agenten wisten nergens iets vanaf. Deze auto zou voor hen niets betekenen. Hij zat er even over na te denken. Zou hij ze helemaal kwijt zijn geraakt na die stunt op de snelweg? Dat kon hij zich niet voorstellen.
Hij had nog steeds zijn mobieltje bij zich. Hij wist dat het niet slim was om het te houden maar hij hoopte tevergeefs dat Becca hem zou bellen of een smsje zou sturen. Hij pakte de telefoon en keek naar de akelige gloed van het schermpje op de telefoon.
“Verdomme,” zei hij. Hij drukte op de sneltoets met haar nummer.
Haar telefoon stond uit. Het ging niet eens over.
“Hoi, dit is Becca. Ik kan nu even niet opnemen -”
Hij hing op. Hij zat even stil, even aan niets proberen te denken. Misschien zouden ze hem vinden, misschien niet. Als ze hem niet vonden dan moest hij ze zelf opzoeken. Hij deed zijn ogen dicht en haalde diep adem. Hij zonk weg in de bestuurdersstoel. Langzamerhand werd hij zich bewust van een geluid. Het was het zware geronk van een grote helikopter. Hij was hier niet ongerust over. Er konden veel redenen zijn waarom er nu een helikopter, zelfs een militaire helikopter, boven Washington DC zou vliegen. Hij ging rechtop zitten en keek door de voorruit. Hij kon de hele boulevard zien.
De helikopter kwam recht op hem af. Het vloog laag en traag. Na een paar seconden herkende Luke de vorm van het beest.
Maar dat kon toch niet waar zijn, niet in het midden van de stad.
Maar het was…
…hij zag een Apache gevechtshelikopter voor zich.
“Oh nee.”
Luke gooide de auto in de versnelling en trapte op het gaspedaal. Hij draaide het stuur scherp naar links en maakte een gigantische, piepende U-bocht over het midden van de straat.
De helikopter vuurde de machinegeweren af.
Dertig-millimeter ammunitie schraapte de bovenkant van de SUV en beschadigde het pantser van de auto.
Luke schrok maar bleef doorrijden. Hij sloeg links af een zijstraat in. De helikopter vloog achter hem voorbij.
Voor hem stonden vier agenten voor de lage betonnen barrières. Ze keken de lucht in, al hun aandacht ging plotseling naar de helikopter. Twee politieauto’s stonden geparkeerd aan elke zijde. De zwaailichten stonden geluidloos aan. Luke haalde diep adem.
Echte politieagenten! Hij kon zich geen betere groep mensen bedenken om zich nu aan over te geven. Ongeveer honderd meter bij ze vandaan trapte Luke op het gaspedaal. De Suburban begon sneller en sneller te rijden, richting de politieagenten.
De vier mannen sprongen uit elkaar.
Drie seconden later ramde hij door de betonnen barrières en de Suburban ploegde de brokstukken een eind voor zich uit. Luke stopte slippend, hij zette de auto in zijn achteruit, reed een paar meter naar achteren en toen vooruit om de brokstukken heen.
Achter hem sprongen de agenten in de politieauto’s en zetten de achtervolging in, de bekende sirenes loeiden luid.
Luke sloeg links af de Independence Avenue op. Hij speurde de hemel af naar de helikopter. Hij kon het horen, maar niet zien. Er kwam rook uit de Suburban van de laatste klap. Hij had ze onderschat. Een Apache! Ze wilden hoe dan ook de auto verwoesten en het maakte niet uit wie het zag.
Hij probeerde zo snel mogelijk te rijden maar de Suburban had iets van zijn kracht verloren en haalde nauwelijks 130. Hij reed over Independence Avenue, ten zuiden van de Mall. Het kunstmatige meer, Tidal Basin, lag links van hem. De straatverlichting weerkaatste in het water. Achter hem kwamen de politieagenten snel dichterbij.
De Apache kwam van rechts, vier verdiepingen hoog. Het machinegeweer werd weer afgevuurd. De kogels raakten de auto. Het klonk als een drilboor. Het rechterachterraam barstte kapot, de scherven vlogen rond het lijk.
Luke slingerde de auto zo hard mogelijk, zijn voet nog steeds op het gaspedaal. Het asfalt slipte voorbij. Ver voor hem, aan zijn linkerkant, kon hij het Lincoln Memorial zien, verlicht in de nacht.
De helikopter kwam van achter. Nu schoot het niet meer met de machinegeweren maar met raketten. Een rij raketten vlogen uit de rechterzijde van de helikopter. Drie, vier, vijf.
Voor hem explodeerde de weg en gloeide rood en geel. BOEM… BOEM… BOEM.
Hij draaide snel rond naar links. De SUV brak door een hekwerk en stuiterde over het gras.
Er werden nog meer raketten afgevuurd. Eentje stak een rij kersenbomen in brand. De kleine heuvels ontploften overal om hem heen.
De auto werd geraakt, het was een voltreffer. Luke voelde hoe het achterste gedeelte de lucht in vloog. Hij duwde zijn deur open en sprong uit de auto. Hij viel op het gras en rolde naar links. De achterbanden van de auto stuiterden terug op de grond en de auto gleed verder, de heuval af richting het water.
Luke zag de vonk toen nog een Hydra-raket werd afgevuurd. Het gleed door de lucht, doorboorde het pantser en raakte het doelwit. Vlammen schoten omhoog uit de auto voordat het totaal explodeerde.
BOEM!
Luke viel tegen de grond en hij beschermde zijn hoofd tegen rondvliegende ammunitie en brokstukken. De auto rolde nog steeds en roodoranje vlammen reikten als armen naar de nachtelijke hemel.
In de auto zat een vrouw, ver in de veertig, verbrand, niet opgeëist, naamloos. Luke kon haar silhouet zien.
De auto die nu in felle brand stond, rolde zachtjes naar de kant van het water. De kant van Tidal Basin liep vloeiend het water in. De auto rolde over de kant, hing daar even, en gleed toen in het water. Het brandde nog steeds, zelfs toen het zonk.
De helikopter draaide en vloog weg. Enkele seconden later was het een donkere schaduw in de verte.
Luke lag op het gras, diep ademhalend. Een ≈politieauto van Capitol District kwam piepend achter hem tot stilstand, sirenes loeiden. Twee agenten stapten uit, een blanke en een donkere man. Ze naderden hem met zaklampen en getrokken wapens.
“Op je gezicht. Armen uitgestrekt.”
Luke deed wat de man zei. Hij werd hardhandig gefouilleerd. Ze trokken zijn armen op zijn rug en bonden zijn polsen vast.
“U heeft het recht om te zwijgen,” begon een agent.
Hoofdstuk 54
03:23 uur
Municipal Detention Center – Washington DC
Alles was wit. De muren en de vloeren waren wit. De verlichting in het plafond was fel wit. De elektronische metalen schuifhekken die open en weer dicht gleden achter hem waren wit.
Luke doorliep de hele procedure en werd toen in een gevangeniscel met een stuk of vijf andere mannen gezet. De cel was groot en wit, met vuile handafdrukken overal op de muren. De vloer was wit, of eerder witgrijs, van de duizenden zolen van gympen. Aan een van de muren hing een urinoir en een toilet. De vloer liep af naar het midden, waar een klein open afvoerputje was.
Een vieze witte bank liep rondom langs de muren, bijna de helft van de cel. Luke liep een tijdje heen en weer terwijl de andere mannen naar hem keken. Hij was de enige blanke in de ruimte. Dat maakte hem niet uit. Hij merkte de andere kerels nauwelijks. Hij haatte het gewoon om opgesloten te zitten. Enige actie ondernemen was onmogelijk vanuit de cel. Hij kon het niet uitstaan.
Ergens daar buiten waren Becca en Gunner in de handen van heel slechte mensen. Luke hield zichzelf misschien voor de gek, maar hij voelde dat ze nog in leven waren. Als dat zo was, dan moest hij hier weg zien te komen om ze te zoeken. Hij zou niet stoppen voordat hij ze gevonden had. En God helpe de ontvoerders.
Nee, dat was verkeerd. Niemand zou hen meer kunnen helpen.
Als ze zijn gezin ook maar een haar gekrenkt hadden…
Nu hij vastzat voelde hij de razernij in zich opkomen. De vice-president, de achtervolging met de auto, dat alles had zijn gedachten beziggehouden, maar nu was er niets meer om hem af te leiden.
En dan was er natuurlijk Susan Hopkins. Hij had haar bij Ed, Brenna en Berg achtergelaten. Het waren ervaren mannen, vooral Ed. Maar Luke leefde nog en eigenlijk zou hij daarom bij hen moeten zijn.
Hij wilde het wel uitschreeuwen.
Hij liep naar de bank en ging zitten. Binnen een minuut maakte een jongen zich los van zijn plaats aan de andere kant van de muur en slenterde naar Luke toe. Hij was jong en groot, goed gespierd, met een Chicago Bulls-shirt aan. Hij had een warrig afrokapsel. Hij glimlachte en ontblootte een gouden voortand.
Hij hurkte neer voor Luke. “Hé bro, alles oké?”
Een zacht gegrinnik ging de kamer rond.
Luke keer naar hem. “De president is vannacht gestorven. Bro.”
De jongen knikte. “Ik hoorde het. Maar dat kan me eigenlijk niet schelen. Ik heb nooit op die man gestemd.”
Luke haalde zijn schouders op. “Kan ik je ergens mee helpen?”
De jongen gebaarde met zijn kin. “Ik zag je laarzen. Mooi zijn ze.”
Nu knikte Luke. Hij keek naar zijn eigen voeten en de laarzen die hij droeg. “Je hebt gelijk. Ze zijn mooi. Van mijn vrouw gekregen afgelopen kerst.”
“Welk merk?”
“Ferregamo. Ik geloof dat ze er ongeveer zeshonderd dollar voor heeft betaald. Mijn vrouw vindt het leuk om me mooie dingen te geven. Ze weet dat ik ze nooit voor mezelf zou kopen.”
“Geef ze aan mij,” zei de jonge jongen.
Luke schudde zijn hoofd. “Dat kan ik niet doen. Ze hebben een sentimentele waarde voor me. Bovendien denk ik niet dat ze jou passen.”
“Ik wil ze hebben.”
Luke keek de cel rond. Alle ogen waren op hem gericht. Hij kon zich voorstellen dat dit een gespannen en angstige situatie voor iemand kon zijn.
“Ik denk dat je beter kunt gaan zitten,” zei hij. “Ik ben in een slechte bui.”
De ogen van de jongen zagen er ineens aggressief uit. “Geef me die laarzen.”
Luke rolde met zijn ogen. “Pak ze dan maar, als je ze wilt.”
De jongen knikte en glimlachte. Hij keek de cel rond. Iedereen lachte. De grote stoere schurk zou de laarzen van de blanke man stelen. Hij boog zich naar Lukes voeten.
Luke wachtte heel even en schopte het joch toen in zijn gezicht. Het was een razendsnelle schop. Het hoofd van de jongen klapte achteruit. Tanden vlogen eruit, misschien wel drie in totaal. Een ervan was de gouden voortand. De jongen viel naar achteren. Hij eindigde op zijn knieën, boog voorover met zijn handen over zijn mond.
Luke zuchtte en stond op. Hij ging achter de jongen staan en gaf hem een harde klap in de nek, precies waar de ruggengraat met de schedel verbonden is. De jongen zakte op de vieze vloer in elkaar. Zijn ogen rolden naar achteren en binnen een paar seconden was hij bewusteloos. En een paar seconden daarna begon hij een raar snurkend geluid te maken.
Luke keek de cel weer rond. Hij was al in een slechte bui, maar de jonge laarzendief maakte het alleen maar erger. Luke kon zo iedere kerel in deze cel halfdood slaan, als ze daarom vroegen.
“De volgende die me besodemietert zal al zijn tanden kwijtraken,” zei hij luid genoeg zodat iedereen hem kon horen.
Ze staarden allemaal met open mond naar hem en uiteindelijk wendden ze hun blik af. Hun ogen, waarmee ze zojuist bloeddorstig hadden toegekeken, waren nu gevuld met angst.
Hoofdstuk 55
05:45 uur
United States Naval Observatory, Washington DC
Zijn naam was William Theodore Ryan. Hij was het achter-achterkleinkind van adellijke plantage-eigenaars. Zijn familieleden waren al generaties lang trotse Confederatie-aanhangers en rebellen. En hier zat hij, de president van de Verenigde Staten.
Hij had zich nog nooit zo moe gevoeld. Hij had afgelopen nacht nauwelijks geslapen. Voor zonsopgang had hij erop gestaan om van Site R terug naar Washington DC te vliegen. Het had geen zin om onder de grond te blijven zitten, toch? De dreiging was voorbij. En het zou het Amerikaanse volk laten zien hoe dapper hij was. Hij zou zich niet in een hol in de grond verstoppen terwijl meer dan driehonderd miljoen mensen door moesten gaan met hun leven boven de grond, waar ze kwetsbaar voor buitenlandse aanvallen waren.
Hij glimlachte bij die gedachte.
Hij zat in het zitgedeelte van het kantoor op de bovenverdieping van de officiële residentie van de vice-president. Buiten begon het lanzaam licht te worden. Het huis zelf was een schitterend gigantisch wit bouwwerk in Queen Anne-stijl, met dakkapellen en een torentje, en was gelegen in de glooiende tuinen van de Naval Observatory. Het dateerde uit het midden van de negentiende eeuw en was het thuis geweest voor vele generaties vice-presidenten. Nu zou het als het Witte Huis functioneren totdat het oorspronkelijke gebouw weer helemaal hersteld was.
Op de bank tegenover hem zat Edward Graves, de senator van Kansas. Later die dag zou Ed, op tweeënzeventigjarige leeftijd, de oudste vice-president worden in de moderne geschiedenis van de VS. Ed Graves was een militair expert, hij was al een eeuwigheid voorzitter van de Congressional Armed Forces Committee. Ed was al bijna twintig jaar zijn mentor.
Tussen hen in stond een zwarte luidspreker op de tafel. Die kraakte toen een staatssecretaris van de Joint Chiefs, de gezamenlijke stafchefs, hun een update van de situatie in het Midden-Oosten gaf. Het was een gespannen situatie, maar het leek goed te gaan.
“Meneer,” zei de stem, “op uw bevel zijn twee Amerikaanse F-118 gevechtsstraaljagers het Iraanse luchtruim in gevlogen om ongeveer 13:45 uur lokale tijd. Ongeveer een halfuur geleden.”
“Status?” vroeg Bill Ryan.
“Binnen twee minuten werden ze onderschept door drie Iraanse straaljagers. We denken dat het verouderde Russische Mig-straaljagers waren. Onze F-118’s vernietigden de Iraanse toestellen na een kort luchtgevecht. De radar pikte nog minstens een stuk of vijf andere Iraanse gevechtsvliegtuigen op die op weg waren naar dit gebied. Dus de F-118’s trokken zich terug naar het Turkse luchtruim. De Iraniërs vlogen terug toen ze de grens bereikten.”
“Oké,” zei Ryan. “Wat nog meer?”
“Twee afluisterposten, een in Japan en een in Alaska, hebben gerapporteerd dat maar liefst vijf of zes Russische raketsilo’s in Oost-Siberië hun status veranderd hebben naar volle paraatheid in de afgelopen twintig minuten. De silo’s hebben de belangrijkste stedelijke gebieden aan de westkust als primair doelwit, zoals Seattle, Portland en San Francisco. Ze hebben deze doelwitten bepaald en zich erop gericht.”
“Jezus. Waarom doen ze dat?”
“Dat weten we niet zeker, meneer. De timing lijkt samen te vallen met het binnenvallen van het Iraanse luchtruim, maar de communicatie die we opvangen suggereert dat er verwarring in het Russische Centrale Commandostation is. We geloven niet dat de silo’s maar wat aan het doen zijn, maar het schijnt dat ze de bevelen verkeerd hebben begrepen.”
Ryan keek naar Ed. Het was typisch van de Russen om zo’n streek uit te halen. Wat waren ze van plan? Een nucleaire oorlog over Iran beginnen? Maar hij moest toegeven dat het ergens wel spannend was om op de grens tussen oorlog en vrede te balanceren. Hij was niet eens acht uur president.
Ryan sprak tegen de stem. “Hebben wij raketten die op de Russische silo’s gericht zijn?”
“Ja, meneer, dat hebben we.”
“Zorg er dan voor dat die raketten in paraatheid worden gebracht en dat de Russen dit vernemen. Ze moeten hun jongens inteugelen. Als we hen ons arsenaal laten zien, dan begrijpen ze misschien dat we het menen.”
De stem aan de andere kant van de lijn twijfelde even. “Goed, meneer.”
“Verder nog iets?”
“Niet op dit moment, meneer.”
Ryan verbrak de verbinding en zette de luidspreker uit. Het was erg stil in de kamer. Hij keek naar Ed Graves. “Wat denk je?”
Eds handen rustten op zijn knieën. Ze waren krom en zaten vol levervlekken, als een oude boomstam. Eds gezicht was ruw en gerimpeld. Zijn grote neus was doorlopen met gebroken adertjes. Maar zijn ogen waren als twee laserstralen.
“Het is dwaas,” zei hij, “om twee vliegtuigen over de grens te sturen. Waarom testen wij ze? We weten waartoe ze in staat zijn en we weten ook waar wij toe in staat zijn. Zij hebben toch ons eerst aangevallen? Ze hebben onze president vermoord.”
Ed knipoogde overdreven. Bill schaamde zich bijna voor hem.
“Als dat waar is, dan moeten we ze aanvallen, en hard ook. We moeten terugslaan. We hebben de Vijfde Vloot in de Perzische Golf. We kunnen het Iraanse geschut in de Straat van Hormuz vernietigen. We willen ze geen kans geven om daar mijnen te leggen. Gewoon vernietigen. Poef. Dan sturen we bommenwerpers naar Teheran, met een escorte van gevechtsstraaljagers zodat ze veilig aankomen. Ik zou dit alles al vandaag in gang zetten.”
Bill knikte. “Ze zullen zich vechtend een weg naar Teheran moeten banen.”
Ed haalde zijn schouders op. “Onze jongens zijn de allerbesten. En daar betalen we ze toch voor? Om te vechten? Een of twee weken aanhoudend zware bombardementen op de stad en ik denk dat het hele Iran-probleem verdwijnt.”
“En de Russen?”
Ed Graves leek hier even over na te denken. Uiteindelijk haalde hij zijn schouders op. “Fuck de Russen.”
Er werd op de zware eiken deur geklopt.
“Binnen.”
De deur ging open en een jonge assistent kwam binnen. Zijn naam was Ben en hij werkte al een paar jaar voor Ryan. Normaal was hij al een energieke jongeman, maar vandaag was hij echt vol enthousiasme en opwinding. Zijn hele team klom hogerop in de wereld.
“Wat kan ik voor je doen, Ben?”
“Meneer, we hebben zojuist een identificatie van de vrouw binnen die in de opgeblazen SUV zat. De SUV die in de Tidal Basin terechtgekomen was, gisternacht. U vroeg me elk nieuws hierover aan u te rapporteren.”
“Ja, dat klopt. Wat heb je voor me?”
“Gebitsgegevens duiden op een vrouw met de naam Lize Redeemer.”
Dat was niet wat Bill Ryan wilde horen. “Redeemer?”
“Ja, meneer. Ze was een 33-jarige dakloze met een verleden van psychische problemen: schizofrenie, bipolaire stoornis, noem maar op. Ze had haar naam officieel veranderd naar Elizabeth Reid toen ze 18 werd. Het is nog onduidelijk waarom ze zich in die auto bevond.”
Ryan knikte. “Oké, bedankt.”
Toen de assistent de kamer uit was, keek Ryan weer naar Ed Graves. “We moeten Don Morris te pakken krijgen.”
Hoofdstuk 56
07:15 uur
Municipal Detention Center – Washington DC
“Hoe heb je geslapen?”
“Als een roosje. Ik zat in een cel met ongeveer zes andere mannen. Aardige kerels. Ik heb nooit geweten dat er zoveel onschuldige mensen in de gevangenis zitten.”
Luke stapte naar buiten het zonlicht in en de gevangenis uit. Het was helder en zonnig buiten. Zijn handen waren nog steeds geboeid. Don Morris leidde hem, samen met twee agenten die Luke niet herkende, de trap af naar een nieuw model zwarte personenauto die in de straat geparkeerd stond.
“Dat was een spectaculaire goocheltruc die je geflikt hebt. Ze konden pas met behulp van gebitsgegevens erachter komen dat het niet Susan Hopkins was die samen met jou in de auto zat. En dat was nog geen uur geleden. Ze weten nog steeds niet wie het is.”
“O?” zei Luke. “Ik had kunnen zweren dat het Susan was.”
Don bleef staan. Hij keek Luke aan. “Hou op met die onzin, Stone. Ik ben er niet voor in de stemming vandaag. En ik had gedacht jij ook niet. Je zult praten en je zult ons vertellen waar Susan is. Dat realiseer je je nu wel, toch? O, ik weet het al. Luke Stone is onbreekbaar. Het zal dagen duren voordat we informatie uit hem krijgen. Maar persoonlijk denk ik dat het vrij snel zal gaan. We hebben namelijk een voordeel, voor het geval je het vergeten was.”
“Je had gezegd dat je mijn gezin nooit iets zou aandoen.”
Don glimlachte. “Dat zal ik ook niet doen. Je gezin leeft en ze maken het goed. Dat moet je weten. Maar wij moeten weten waar Susan Hopkins is.”
“Don, Susan is de president van de Verenigde Staten.”
Hij schudde zijn hoofd. “Dat kun jij niet beslissen, Stone.”
“Nee, maar de grondwet wel.”
Don maakte een geluid. Hij schraapte zijn keel luidruchtig en keek naar de twee agenten. “Kunnen jullie ons een minuutje met rust laten?”
De twee mannen liepen een meter of dertig door. Daar stonden ze dicht bij een geparkeerde auto en staarden naar Luke en Don. Ze lieten duidelijk merken dat ze hen in de gaten hielden. Luke nam aan dat ze wisten dat hij Don kon doden, ook al waren zijn handen en voeten geboeid.
Don leunde tegen de zwarte personenauto aan. “Jongen, waar ben je mee bezig?”
Luke keek hem aan. Hij kende Don al heel lang en toch had hij hem nooit echt gekend. “Waar ben jíj mee bezig, Don? Waar ben jij mee bezig? Ik ben niet degene die zojuist heeft meegeholpen aan een staatsgreep.”
Don schudde zijn hoofd. “Luke, hoe je het ook noemt, het is voorbij. We kijken nu vooruit, niet achteruit. Bill Ryan is de president van de Verenigde Staten, of je dat wilt of niet. Jouw gezin is in gevaar, maar ze zijn nog niet dood of gewond. Je kunt ze terugkrijgen als je meehelpt. Als je je medewerking verleent. Ik kan het niet eens geloven dat je tegenwerkt. Je hebt al je kaarten verspeeld.”
“Wat krijg jij hiervoor, Don? Je doet dit toch niet alleen maar omdat jij en Bill Ryan oude maatjes zijn.”
Don knikte. “Oké, goeie vraag. Als het helpt om jouw medewerking te krijgen, dan zal ik je een antwoord geven. Ik ben het zat dat Amerika zwak is. Ik ben het zat dat Amerika twijfelt. Gedurende mijn militaire training was dat nooit het beeld dat ik van Amerika had en eerlijk gezegd zit het niet in mijn bloed. Ik kan het niet uitstaan. Ik ben moe om te moeten bedelen voor geld en middelen om het Special Response Team in leven te houden, jaar in, jaar uit. We deden fantastisch werk, dat heb je zelf gezien, je maakte er deel van uit. Al dat werk stond op het punt de goot in te gaan.”
De puzzelstukjes begonnen voor Luke op hun plaats te vallen. “Dus Bill Ryan geeft je alle middelen en het budget dat jij wilt voor het SRT?”
Don schudde zijn hoofd. “Nee. Bill Ryan is een marionet, zoals je waarschijnlijk gemerkt hebt. Er zijn andere krachten aan het werk. En zij zouden willen zien dat Amerika’s glorie weer hersteld werd, net als ik. Dus vanmiddag zal Bill aankondigen dat ik zijn aangewezen persoon ben voor de positie van minister van Defensie.”
Luke staarde hem aan. Hij dacht terug aan de vorige nacht, David Delliger die doodgeschoten werd op het middenveld van het American football stadion van de Naval Academy.
“Weet je zeker dat je die baan wilt hebben? Ik ontmoette je voorganger gisternacht. Zijn ambtstermijn kwam vrij abrupt aan een einde.”
Don glimlachte. “Dave was niet de juiste persoon voor de positie. Hij was een militair maar hij was geen krijger. Tijden als deze vragen om een krijger. Ik weet zeker dat jij als geen ander dat kunt begrijpen.”
“Don, als we oorlog gaan voeren tegen Iran, dan komen de Russen -”
Don hield zijn hand omhoog. “Luke, lees me niet de les over de Russen. Ik vocht tegen de Russen toen jij nog in luiers poepte. Ik weet wat de Russen gaan doen. Niets. Helemaal niets. Ze zullen aan de zijlijn staan kijken. Nou, zeg me alsjeblieft waar Susan is.”
Luke zei niets.
“Rebecca en Gunner zullen vandaag sterven, Luke. Dat gaat gebeuren. En je kunt alleen jezelf de schuld geven.”
Luke draaide zijn hoofd weg. “Je bent een verrader, Don.”
In de straat, in de richting waar Luke keek, gebeurde iets vreemds. De twee agenten liepen snel deze kant op. Achter hen een groep mannen in pakken met zonnebrillen, ze volgden de twee agenten. Luke telde zeven mannen. Hij draaide en keek in de andere richting. Misschien waren ze wel ergens anders naar op weg.
Nee. Nog zes mannen kwamen van de andere kant. Luke keek naar de agenten die met Don waren. Opeens, sloegen ze op hol. Eentje vloog over de straat. Hij kwam halverwege toen een auto hem raakte. De auto kwam piepend tot stilstand. De agent rolde over de motorkap en viel toen op straat. Drie mannen renden naar hem toe met hun pistolen in de hand.
De andere agent rende over een grasveld richting een parkeerplaats. Vijf mannen renden achter hem aan.
Drie mannen kwamen op Don en Luke af, eentje van de ene zijde, twee van de andere kant. Ze hadden hun pistolen op ze gericht.
“Geheime Dienst,” zeiden ze.
Ze duwden Don op de grond, gezicht naar beneden. Ze namen zijn vuurwapens en deden handboeien om.
“Wat is de aanklacht?” vroeg Don.
“Waar zullen we beginnen?” zei de man. “Landverraad. Binnenlands terrorisme. Moord. Kidnapping. Samenzwering. Dat is een begin.”
Ze maakten Luke’s boeien los. Hij masseerde zijn polsen en begon gevoel in ze terug te krijgen.
“Staat op sommige van deze aanklachten niet de doodstraf?”
De man van de Geheime Dienst knikte. “Dat klopt.”
“Mijn vrouw en zoon zijn ontvoerd. Deze man weet waar ze zijn.”
Luke keek op Don neer.
“Als ik jou was,” zei hij, “Dan zou ik beginnen met opbiechten, en snel.”
Hoofdstuk 57
07:45 uur
United States Naval Observatory – Washington, DC
Een zwarte SUV reed de oprijlaan op en stopte voor de officiële residentie van de vice-president. De achterdeur opende en Susan Hopkins stapte uit. De Iraakse dokter had vannacht haar arm en pols in het gips gedaan. Maar hij had niet de capaciteit om haar gezicht te behandelen. Hij had slechts pijnstillers op de brandwonden gedaan zodat ze kon slapen.
Ze had net een kwartier geleden met Pierre gesproken, nadat haar verzekerd werd dat het veilig was om te doen.
Hij had gehuild en zij huilde ook bijna. Ze had nog steeds niet met de meiden gesproken.
Ze liep het pad over richting het grote witte huis, ze droeg kogelvrije kleding onder haar pak. Chuck Berg en Walter Brenna liepen met haar mee.
Het was een schitterend huis en vanochtend zag het er nog mooier uit. Ze hield van het huis. De afgelopen vijf jaar was het haar woning geweest.
Ze liepen de hal binnen.
Een tiental mannen in blauwe militaire uniformen en kostuums, staarden naar hen toen ze binnenkwamen. Ze herkende enkele van de mannen. Het waren agenten van de Geheime Dienst. Allemaal Ryans mannen.
Ze staarden haar eerst aan alsof ze een geest zagen. Een van de mannen schudde handen met Chuck Berg.
Een zacht gefluister ging door de menigte heen.
“Kan ik u helpen?” vroeg een man in een militair uniform.
“Ik wil William Ryan spreken.”
“Wie kan ik zeggen dat er is?”
“Mijn naam is Susan Hopkins en ik ben de president van de Verenigde Staten.”
Er kwamen nog meer mensen de hal binnen. Het waren voornamelijk mannen in blauwe pakken met pistolen onder hun colberts. Een kleine vrouw in een dienstbode-uniform liep naar binnen. Susan herkende haar. Haar naam was Esmeralda maar iedereen noemde haar Esa. Ze werkte al meer dan twintig jaar in dit huis. Ze keek verbaasd. Ze keek naar Susan alsof Susan een van die katholieke verschijningen was waar gelovigen naartoe stroomden tijdens een bedevaart. Ze kon zo de huilende heilige maagd Maria zijn, staande in de grot van een klif.
“Mevrouw Hopkins?” zei Esa. “U leeft nog.”
Ze liep naar Susan alsof ze droomde. De twee vrouwen omhelsden elkaar. Eerst voorzichtig maar toen trok Susan Esa dichterbij. Plotseling begon Susan te huilen. Het voelde zich zo opgelucht, zo opgelucht om hier met deze vrouw te zijn op dit moment.
“Ik leef,” zei ze. “Ik ben in leven.”
Ze sloot haar ogen en bleef haar omhelzen.
“Jij bent niet de president,” zei een donderende stem.
Susan liet Esa los. Niemand minder dan William Ryan kwam de formidabele marmeren trap aflopen. Hij zag er flink en pittig uit, fit en energiek, veel jonger dan zijn jaren. “Ik ben de president. Gisternacht nam ik de ambtseed af, uitgevoerd door de opperrechter van de Verenigde Staten.”
Eenmaal de trap afgelopen, liep hij meteen naar Susan. Hij was erg lang en torende boven haar uit. Ze keek omhoog naar hem. Chuck Berg was aan haar rechterzijde en Walter Brenna aan haar linkerkant.
“Susan,” zei Ryan. “Aangenaam om je te zien, maar ik moet je verzoeken om dit huis te verlaten. Je hebt natuurlijk onder vreselijke druk gestaan de afgelopen vierentwintig uur en ik weet zeker dat je op dit moment niet in staat bent om de ambtseed af te leggen.”
Ondertussen had zich een menigte militairen en agenten van de Geheime Dienst in de hal verzameld.
Ryan gebaarde naar een aantal militaire mannen die dichtbij stonden. “Kunt u mevrouw Hopkins naar buiten begeleiden, alstublieft? Er is werk aan de winkel.”
Susan wees naar hem. “Arresteer deze man. Voor landsverraad en de moord op president Thomas Hayes. En nog driehonderd anderen.”
Dit was het ogenblik waarvan ze niet wist wat er zou gebeuren. Iedereen stond stil en staarde. Ergens op de achtergrond tikte een klok. Drie seconden, vier seconden.
Vijf.
Chuck Berg stapte naar voren. Hij pakte een paar stalen handboeien van zijn riem.
Hij liep naar Ryan. “Mijnheer, u heeft het recht te zwijgen.”
Een militair blokkeerde zijn pad. Chuck duwde de man opzij. Plotseling brak er een trek-en-duw gevecht uit. Susan stond in het midden terwijl grote sterke mannen rondom haar elkaar heen en weer duwden.
Ineens voelde ze een scherpe pijn.
Iemand had op haar voet gestaan.
De geheim agenten waren in de meerderheid. In vergelijking met de militairen was het drie tegen één. Alle mannen van de Geheime Dienst deden hun werk.
Ryan vocht tot het einde. Hij ging vechtend onder, maar onder ging hij. In een paar seconden lag hij met zijn gezicht naar beneden op de gepolijste houten vloer. Twee agenten van de Geheime Dienst hielden hem vast op de grond.
De Geheime Dienst zette Ryan op zijn voeten. Zijn gezicht was rood van inspanning. Hij staarde naar Susan terwijl ze hem naar de voordeur leidden.
“Ik ben de president van de Verenigde Staten!” schreeuwde hij.
Susan zwaaide afwijzend naar hem.
“Mijn huis uit,” zei ze.
*
Pierre en de meisjes waren in het vliegtuig op weg naar haar toe. De gedachte gaf haar hoop en blijdschap. Dat had ze nu nodig.
President zijn zou een uitdaging zijn. De samenzwering tegen Thomas Hayes was verstrekkend en diepgaand. Op dit moment was het onmogelijk te weten wie erbij betrokken was en in welke afdelingen van de overheid ze zich bevonden. Voorlopig zou haar eigen veiligheid binnen de grenzen van de Verenigde Staten op het spel staan. Tijdens alle publieke verschijningen zou ze kogelvrije kleding moeten dragen.
De problemen in het Midden-Oosten zouden niet van de ene op de andere dag verdwijnen maar hopelijk had ze al stappen in de goede richting gemaakt. Ze had vandaag kort met de Russische president gesproken. Hij zei, met behulp van een tolk, dat hij erg blij was om te horen dat ze leefde. Hij verzekerde haar dat hij met haar samen zou werken om de problemen met Iran op te lossen.
Maar aan de horizon bevonden zich nog grotere problemen. Die middag zat ze op haar kantoor met twee bezoekers.
“Ik wil het Special Response Team blijven financieren,” zei ze. “Maar ik wil het onder de paraplu van de FBI vandaan halen.”
Luke Stone stond bij het raam, hij keek uit over de tuinen van het U.S. Naval Observatory.
“Onder wiens paraplu zou het dan komen?”
Ze haalde haar schouders op. “Het zou een tak van de Geheime Dienst kunnen zijn. Of gewoon een onafhankelijke organisatie die direct aan de president rapporteert.”
“Dat klinkt goed,” zei Ed Newsam. Hij zat in een rolstoel en zijn slechte been lag op het bureau. Hij hield een onopgestoken sigaar in zijn handen. “Het klinkt als muziek in mijn oren.”
Stone draaide zich om. “Tot gisteren was ik met verlof. Ik weet niet eens of ik nog wel voor het Special Response Team werk.”
“Dat is grappig,” zei ze. “Ik had namelijk jou in gedachten voor de positie van directeur. Ik had je verkeerd ingeschat, Stone. In de afgelopen vierentwintig uur heb je mijn leven keer op keer gered.”
Stone schudde zijn hoofd. “Ik moet mijn vrouw en zoon vinden. Het complot is ontrafeld en de samenzweerders hebben hen niet meer nodig. Elke minuut die voorbij tikt -”
Susan knikte. “Ik weet het. We hebben al onze middelen ingezet om ze te vinden. Ik beloof je dat we hen zullen vinden. Maar in de tussentijd kun je niet weggaan bij het SRT. Er zijn maar weinig mensen die ik kan vertrouwen op dit moment en jullie staan boven aan die lijst.”
Ze liep door het kantoor en keek naar buiten. Chuck Berg en een andere agent stonden nog geen tien meter verderop. Ze deed de deur zachtjes dicht.
“Om je de waarheid te vertellen, heb ik een nieuwe dringende opdracht voor jullie. Ik vernam het zelf pas een halfuur geleden. Helaas zien onze vijanden ons in een zwakke positie op dit moment en dat willen ze gebruiken om ons aan te vallen. De komende achtenveertig uur zullen cruciaal zijn.”
Stone en Newsam keken elkaar aan.
“Kom op, jongens. Ik heb jullie nodig.”
“Mogen we weten waar het überhaupt over gaat?”
Ze knikte. “Dat wilde ik net gaan vertellen. Maar eerst wil ik dat jullie ja zeggen.”
Een lang moment was het stil.
“Ja.”
*
Luke liep van de verzorgde tuinen van het U.S. Naval Observatory richting de parkeerplaats. Naast hem duwde Ed Newsam zijn rolstoel vooruit. Met zijn enorme armen duwde hij af en toe de wielen rond.
“Kom je ooit uit dat ding?” zei Luke. “Ik vind dat je een beetje een zwakkeling aan het worden bent. Kun je geen fysiotherapie ofzo doen?”
“Stone, ik zit pas sinds gisternacht in deze rolstoel.”
Luke haalde zijn schouders op. “Tja, ik kan het niet helpen dat ik me zo voel. Het lijkt wel alsof je er al een maand in zit.”
Luke’s telefoon ging. Hij pakte het en keek naar het nummer op het schermpje. Heel even had hij de hoop dat…
Hij nam op. “Trudy. Wat heb je voor me? Hoe gaat het met de computer van Don?”
Haar stem klonk melodieus, vrolijk. Ze had waarschijnlijk niet geslapen in de afgelopen achtenveertig uur en ze was waarschijnlijk niet eens naar huis gegaan in al die tijd. De twintig koppen koffie hielden haar op de been. Maar winnen deed iets met mensen, zelfs winnen door valsspelen, het bracht de muziek in mensen naar boven.
“Het is Swann eindelijk gelukt om de encryptie van Dons documenten te breken. Luke, hij was de hele tijd op de hoogte van alles. Hij werkte vanaf het begin mee aan het complot. Erger nog, hij en Bill Ryan hadden al e-mailcorrespondentie over een mogelijke staatsgreep voordat Thomas Hayes zelfs president was.”
“En je denkt iemand te kennen.”
“Ik dacht dat ik hem beter dan wie dan ook kende,” zei Trudy.
Luke negeerde die opmerking. Hij en Trudy hadden een gecompliceerde relatie. Hij had geen zin om er nu op in te gaan.
“Wat nog meer?” vroeg hij.
“Luke, Don praatte. Hij gaf het adres van een CIA-onderduikadres, een safe house. De mensen die het leiden zijn geesten. Ze staan niet op de officiële loonlijst. Don denkt dat jouw vrouw en zoon daar vast worden gehouden.”
Luke hield op met lopen. Zijn hart bonsde hard.
“Wat?”
Instinctief voelde hij of zijn pistool nog in het holster zat. Hij keek omlaag naar Ed Newsam. Ed keek naar hem en was zich bewust van Luke’s lichaamstaal. Ed’s hand zocht naar zijn eigen vuurwapen.
“Ik heb het adres van het safe house en we sturen agenten ernaartoe. Ze zullen genadeloos binnenvallen, zonder waarschuwing. Als jouw gezin daar is, dan zullen ze alles doen om ze in veiligheid te brengen.”
“Trudy, geef me het adres.”
“Jij mag er niet naartoe gaan, Luke. Je bent niet objectief. Je zult een gevaar voor de operatie en je collega’s zijn.”
“Trudy…”
“Luke…”
“Trudy, geef me het adres.”
Er volgde een lange stilte. Zijn hele lichaam deed ondraaglijk veel pijn bij de gedachte dat hij Becca en Gunner kon verliezen.
“Vertel, alsjeblieft,” smeekte hij.
Weer een lange stilte.
En toen gaf ze het.
