Читать книгу: «Ragatz en Pfeffers»

Шрифт:

Anoniem

Ragatz en Pfeffers


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066405175

Inhoudsopgave

Omslag

Titelblad

Tekst

DE AARDE EN HAAR VOLKEN.
RAGATZ EN PFEFFERS.

Inhoudsopgave

Een paar houtskoolschetsen uit mijne reisportefeuille.


Hof-Ragatz, Badhôtel te Ragatz.

Al ware het alleen om te kunnen medepraten—als ieder door reislust gekwelde en naar de parijsche tentoonstelling hunkerende, met tijdelijke middelen voorziene zoon van Nederland, had ook ik mijn offer gebracht aan deze modezucht, en rondgeslenterd door de verschillende straten van het tentoonstellingsgebouw, welhaast eene kleine stad te midden van het reusachtige Babel dezer dagen. Ik had genoten—maar toch ook getreurd; genoten bij de opeenstapeling van de wonderen der kunst en nijverheid, aangevoerd uit bijna alle landen der wereld; getreurd om de weinig fraaie figuur door ons vaderland ook hier weder gemaakt, en waarvan wij de oorzaken niet willen opsporen, om niet een al te onvoorzichtigen blaam te werpen op de industriëelen die geroepen, maar niet mede opgekomen waren om in deze de eer onzes volks te helpen ophouden: al moet de bekentenis van het hart, dat onze schilderschool ons in deze voor het maken van nog ongelukkiger figuur heeft bewaard. Zij toch heeft door hare inzendingen getoond, dat onder onze zonen van Apelles, zoo als men vóór vijftig jaar zich zou hebben uitgedrukt, het vuur voor het schoone nog niet is uitgebluscht, en dat zij hart hebben voor hunne kunst, liefde voor den geboortegrond, dien zij, vooral door hunne weergalooze landschappen, hebben recht gedaan en deden bewonderen in den vreemde. Maar overigens?—Och, de klagelijke klachte, door een onzer afgevaardigden ter Tweede Kamer in 1851 aangeheven over onze erbarmelijke houding op de londensche tentoonstelling van dat jaar, kon ook bij deze gelegenheid niet worden gesmoord—en ook [2]in Parijs gold, wat toenmaals omtrent de expositie aan gene zijde van het Kanaal is beweerd, dat iedere bezoeker zich heeft moeten bedroeven over het klein getal voortbrengselen, dat, in een verloren hoek, van Nederland werd aangetroffen; terwijl het verwijt, uit een duitsch tijdschrift in dat zelfde jaar en in dezelfde Kamer door een ander onzer volksvertegenwoordigers medegedeeld, “dat het nu bewezen was dat Nederland zulke rijkdommen niet meer waardig was”, ook nu zou hebben kunnen worden aangevoerd, waar het scheen dat men onze koloniën alleen had willen laten schitteren door de afwezigheid harer voortbrengselen.1 Het is te hopen dat bij een volgende wereldtentoonstelling op de houding, dan door ons vaderland aan te nemen, de woorden van Duitschland’s beurtelings vergooden en verwenschten Dichter niet zullen kunnen worden toegepast:

Es ist eine alte Geschichte,

Doch bleibt sie immer neu.

Na een week aan de wonderen der tentoonstelling, en nog een andere aan het bezichtigen der kunstvoortbrengselen gewijd te hebben, die de stad der kunst bij uitnemendheid in haar midden bevat, was ik meer dan vermoeid van al het drentelen, van al de indrukken en al de aandoeningen, daardoor bij mij op gewekt. Ik gevoelde behoefte mij te gaan ontspannen te midden der vrije natuur en haar onverwelkelijk schoon, dat zich aan tijden noch wisselingen stoort, maar hoe duizendmalen ook genoten, altijd nieuw is voor hem die een hart heeft om het te waardeeren, oogen om het te zien, ooren om de geluiden en stemmen te verstaan; die van berg en dal, van boom en beek tot ons komen. In dit opzicht dweep ik met die trouwhartige bewoners van het Noorden, die in de voortbrengselen der natuur bezielde wezens meenen te zien, en plant en boom maar niet beschouwen als slechts een leven levende zonder eenig bewustzijn van hun bestaan.2

De vraag was nu waarheen? Was het wonder, dat de gedachte aan Zwitserland het eerst in mij opkwam, dat land der bergen en stroomen, vol majestueuzen ernst en tevens idyllische bekoorlijkheid, en waar, over eene kleine uitgestrektheid, de meest verschillende tooneelen; de treffendste contrasten vereenigd zijn? Ik was er door de tegenwoordige middelen van vervoer niet ver van verwijderd. Vooral van de baden van Pfeffers had ik hooren spreken, en van de liefelijke natuur en de “rustige rust” die men er geniet. Er is daar geen speelbank, en de badplaats is dus geen verzameling van den “beau monde” en van dien anderen “monde”, dien men gewoon is “demi” te noemen, en waarvoor de fransche geest weldra weer een anderen naam zal uitvinden à l’improviste. Mijn besluit was spoedig genomen, mijn koffer gepakt, en bij het instappen van den wagen, die mij zou voeren uit de stad des vermaaks, der mode, der beschaving, zoo als de Franschen—des zedelijken vervals, zoo als eenige vrome Schotten zeggen—riep ik haar het vaarwel toe met deze woorden uit Bérangers La Nostalgie:

Adieu, Paris, doux et brillant rivage,

Où l’étranger reste comme enchanté!

Men vertrekt des avonds ten acht uren van Parijs. Den volgenden morgen omstreeks negen uren is men te Bazel, Zwitserlands Rijnpoort aan de zijde van Duitschland; ten twee uren te Zürich, het zoogenoemde Zwitsersche Athene. Daar nemen de betooveringen een aanvang: het landschap wordt hier eerst echt majestueus, terwijl de machtige stilte u onbeschrijfelijk aangrijpt. De spoortreinen gaan in de kantons Zürich en St. Gallen niet veel sneller dan de oude postwagens: maar niemand denkt er aan, daar over te klagen. Als ge het meer van Zürich voorbij zijt, gaat de tocht langs het Wallenmeer, een der frischste, blauwste en landelijkste meren van Zwitserland. Men heeft geen oogen genoeg: de honderd oogen van Argus zouden hier nog onvoldoende wezen. Men geniet eenige dier zeldzame oogenblikken in het leven, die men nooit vergeet, en bij wier herinnering het hart nog van verrukking klopt. Lachende dorpen gaan u voorbij, van den oever van het meer als tusschen boomgaarden tegen de helling der heuvelen opklimmende; de spoortrein voert u door slingerende tunnels heen, wier ruwe openingen in allerbekoorlijkste perspectieven groote kommen helder en doorschijnend water omlijsten, nu eens van het diepste en donkerste, dan weder van het verrukkelijkste smaragdgroen vonkelende. Aan de andere zijde van het meer verheffen geweldig hooge bergen hunne toppen, weerspiegelende in de kristallen wateren. Aan hunne voeten heeft men zelfs geen pad; als men echter scherp ziet, meent men hier en daar eenige strookjes gras te ontwaren; vervolgens, o wonder, ontdekt men op deze bijna microscopische schiereilandjes een aardig lilliput-achtig huisje, van welks schoorsteen de rook opwaarts kronkelt: een weinig verder heeft men een molen in miniatuur, welks fijn rad als door een zilveren draad in beweging wordt gebracht. Is het mogelijk? Wie zou daar durven wonen? De onvoorzichtigen! Zal het water, als het maar even onstuimig wordt, deze kleine wereld niet verzwelgen? En welk een eenzame verblijfplaats! Zou ooit een boot het durven wagen, zoo dicht bij deze steile, schrille rotspunten te naderen? Men staat verbaasd: maar te gelijker tijd zegt men bij zichzelven, dat men wel een van die Robinsons zou willen zijn—een ganschen zomer in stille afzondering gebannen te wezen in deze verrukkelijke, deze plechtige natuur!

Bijna met tegenzin bereikt men het kleine Wallenstad, dat zijn naam aan het meer geeft; men stoomt midden door twee hooge bergketenen van een verschillend voorkomen; te Sargans, in den linkerwand, ontsluit zich eene breede kloof, als om den Rijn genoegen te doen, die, ofschoon nog een kind, reeds woelig [3]en onstuimig met vrij wat gedruisch over een bed van keijen naar het meer van Constanz voortwentelt. Ten vijf of zes uren bereikt men het doel zijner reis, en terwijl men uit den spoorwagen stijgt, heeft men Ragatz, zedig gegroepeerd op een tien minuten afstands van het station, aan den voet der bergen voor zich.

Бесплатный фрагмент закончился.

198,37 ₽
Возрастное ограничение:
0+
Дата выхода на Литрес:
16 января 2025
Объем:
31 стр. 7 иллюстраций
ISBN:
4064066405175
Издатель:
Правообладатель:
Bookwire
Формат скачивания: