Читать книгу: «Liesje van den Lompenmolen»
W. Heimburg
Liesje van den Lompenmolen

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066311506
Inhoudsopgave
Tweede druk. Te Sneek. Bij J. F. van Druten. 1886.
Eerste Hoofdstuk.
Tweede Hoofdstuk.
Derde Hoofdstuk.
Vierde Hoofdstuk.
Vijfde Hoofdstuk.
Zesde Hoofdstuk.
Zevende Hoofdstuk.
Achtste Hoofdstuk.
Negende Hoofdstuk.
Tiende Hoofdstuk.
Elfde Hoofdstuk.
Twaalfde Hoofdstuk.
Dertiende Hoofdstuk.
Veertiende Hoofdstuk.
Vijftiende Hoofdstuk.
Zestiende Hoofdstuk.
Zeventiende Hoofdstuk.
Achttiende Hoofdstuk.
Negentiende Hoofdstuk.
Twintigste Hoofdstuk.
Tweede druk.
Te Sneek. Bij J. F. van Druten.
1886.
Inhoudsopgave
Eerste Hoofdstuk.
Inhoudsopgave
In de kamer der barones Derenberg brandt een helder vlammend houtvuur in den hoogen haard en geeft aan het vertrek, met zijn ouderwetsche meubelen, iets vertrouwelijks, iets huiselijks.
In een der diepe vensterbanken zit een jong meisje van ongeveer veertien jaren en staart naar het wegstervende avondrood van den korten winterdag; haar fijn profiel teekent zich scherp af op den helderen achtergrond van het venster. Zij heeft de smalle handen gevouwen, en hare gedachten verwijlen blijkbaar bij iets afwezigs.
“Mama,” zegt zij op eens en wendt het hoofd met de prachtige, blonde krullen naar de tengere, bleeke vrouw, die in een leunstoel bij den haard zit te breien. “Mama, Army blijft weder onverantwoordelijk lang in grootmama’s kamer; wij zullen er wel weder niet toe komen, naar den molen te gaan en het wordt daartoe toch hoog tijd; Army heeft slechts acht dagen verlof, en daarvan zijn er reeds vier om. Vandaag had hij mij bepaald beloofd, mede te gaan;—wat moet Liesje wel denken, dat hij daar nog in ’t geheel niet geweest is?”
Bij deze woorden was het jonge meisje opgestaan en hare moeder genaderd; een verdrietige en ongeduldige trek lag op haar kinderlijk gelaat.
“Heb geduld, Nelly!” antwoordde de moeder, en liefkoosde de bloeiende wangen der dochter. “Gij weet, wanneer grootmama het verlangt, moet Army blijven, zoolang zij het wil; grootmama zal hem veel te zeggen hebben. Oefen u in geduld, mijn lieveling! Daaraan is in het leven zooveel behoefte.—Steek de lamp aan! Gij weet, er is nog veel aan Army’s linnengoed te doen.”
Het slanke, nog een kind gelijkend jonge meisje verplaatste zich bijna onhoorbaar over den ingelegden vloer, en weldra verlichtte de lamp het vertrek, ’t welk er nu nog aangenamer uitzag, daar de geheele inrichting, hoezeer ouderwetsch, zich door gezelligheid kenmerkte.
Ook de barones stond op en ging aan de groote, ronde tafel zitten. Nu viel het licht der lamp op een bleek, lief gelaat, dat duidelijke sporen droeg van veel kommer en lijden.
Haar dochter, tegenover haar gezeten, had dezelfde trekken; op dit oogenblik straalden haar blauwe oogen van blijdschap; want in de gang weerklonk een vaste, vlugge, mannelijke tred. Spoedig daarop werd de deur geopend;—een bevallig, jong officier trad binnen; zijn negentienjarig gelaat blonk van levenslust. Nelly ijlde hem te gemoet.
“Army, hoe heerlijk, dat gij komt! Nu kunnen wij toch nog naar den molen gaan,” zeide zij, en sloeg, zich op de teenen verheffende, de armen om zijn hals; “ik haal schielijk mijn kap en mantel, want lang mogen wij niet meer wachten; in den molen wordt ’s avonds vroeg gegeten,” en verheugd wilde zij zich heen spoeden.
“Nelly!” riep de jonge man en hield haar terug; “laat dat nu blijven! Dat—voegt niet meer,” liet hij er eenigszins verlegen op volgen.
“Voegt dat niet meer?” Het jonge meisje zag haar broeder vragend aan.
“Neen, Nelly, gij moet verstandig zijn; als kind kan men omgaan met wien men wil, juist omdat men een kind is; als officier kan dat echter niet meer.”
“Nu, Liesje moogt gij toch wel bezoeken; gij gingt vroeger altijd zoo graag mede.”
“Kom, Army!” sprak de barones, “dat meent gij niet; het zijn achtenswaardige lieden daar op den molen, die het altijd goed met u gemeend hebben; het zoude ondankbaar zijn.”
“Maar, mama, ik bid u,” antwoordde hij knorrig, “die lieden behooren tot den onbeschaafden stand. Verbeeld u, dat de molenaar eens te B. kwam en den ongelukkigen inval kreeg, mij te bezoeken. Ik zou er immers dood mee verlegen worden!”
“Het zijn volstrekt geen onbeschaafde menschen,” riep Nelly uit; “dat kan slechts grootmama u gezegd hebben, die nu eenmaal de lompenmolenaars-familie volstrekt niet lijden mag.”
“Lompenmolenaars! Daar hebben wij het!” lachte de jonge officier. “Laat ieder in zijn eigen stand blijven! Ook gij, Nelly, zult dáár niet altijd kunnen blijven verkeeren. Wanneer gij eerst uwe sleepjaponnen draagt—dan is het ook met u: adieu, Liesje!”
“Nooit!” antwoordde het jonge meisje heftig, “ik zou des nachts naar den molen gaan, wanneer men het mij des daags verbood. Liesje is mijn eenigste vriendin. Wat moet ik nu als reden opgeven dat gij niet komt?” Zij barstte in tranen uit.
“Daar zal wel een reden voor te vinden zijn, Nelly; schrei toch niet!” troostte haar broeder. Zijn stem klonk teeder, evenals vroeger, toen hij de pop zijner zuster brak, en niet wist hoe haar te troosten.
“O, niet waar, Army,” bad zij en zag vol vertrouwen naar hem op, “gij hebt mij slechts willen plagen,—wij gaan naar den molen, aanstonds?”
Hij stond een oogenblik besluiteloos; in zijne verbeelding zag hij een kleine meisjesgestalte, zooals hij die vroeger honderdmaal gezien had, Liesje, lompenmolenaars Liesje van den papiermolen, daar beneden in het dal. Zij zag hem met de helderblauwe kinderoogen aan; de roode lippen openden zich: “Army, gaat gij mede? Tante zal ons appelen geven, en in het park heb ik een vogelnest gezien; kom Army, kom toch!”
Onwillekeurig maakte hij eene beweging, alsof hij zijne muts wilde opnemen, die op de tafel lag. Het licht der lamp viel op een fonkelenden ring aan zijn hand, in welks groenachtigen steen het wapen der Derenbergs blonk; één vluchtige blik hierop en—haastig greep hij zijne muts en wierp die op een nabij staande tafel.
“Kwel mij niet!” zeide hij kortaf en keerde zich om.
Er ontstond een lange pauze; het jonge meisje stond op en zette zich op hare vroegere plaats, het hoofdje diep over haar werk gebogen; maar de kleine vingers, welke de naald voerden, beefden, en uit de oogen vielen groote tranen op het witte naaiwerk. De barones zuchtte, en vestigde een smartelijken blik op den zoon, die onophoudelijk de kamer op en neder ging. De oude rococo-klok sloeg zes uur en begon een lang vergeten liefdesliedje te spelen; de zoete melodie klonk door de kamer en nog altijd heerschte er een drukkend stilzwijgen tusschen deze drie menschen, door de innigste liefde aan elkander verbonden.
“Army,” sprak eindelijk de bleeke vrouw, “wanneer gaf grootmama u den ring, dien gij nu aan den vinger draagt?”
Hij bleef voor den haard staan, en met de pook in het vuur stootende, dat de vonken omhoog vlogen, zeide hij;
“Heden middag, zooeven, toen ik bij haar was!”
“Weet gij ook, dat het uws vaders ring is, Army?”
De jonge man keerde zich plotseling om. “Neen, mama, dat heeft grootmama mij niet gezegd; zij sprak slechts in het algemeen over de beteekenis van het wapen en—”
“Nu, mijn kind, dan zal ik het u zeggen,” klonk het van de lippen der barones, met een van aandoening bevende stem. “Het is de ring, dien grootmama eens van de koude, verstijfde hand uws vaders trok, toen hij—gestorven was” De laatste woorden klonken als een half onderdrukte snik. De spreekster zonk als bezwijmd in haar stoel neder.
“Mijn lieve, goede Mama!” riep Army en stond in een oogenblik naast haar, terwijl Nelly, over haar heen gebogen, haar wang tegen het met tranen besproeid gelaat drukte. “Ween niet, lieve mama!” bad hij, “ik zal den ring zoo hoog in eere houden, als dat slechts een zoon vermag, die trotsch is op de nagedachtenis zijns vaders; ik wil mijn best doen, even goed, even edel te worden, als hij was.”
Uit deze woorden, zoowel als uit den blik, dien hij op zijn weenende moeder sloeg, sprak nog de volle overtuiging van een kinderlijk gemoed, de innige vereering, die in den gestorven vader den edelste der menschen ziet. Maar de uitwerking dier woorden was een bijna verpletterende. De slanke gestalte der barones richtte zich overeind; als wezenloos zag zij haar zoon aan, en: “Army, almachtige God!” riep zij in vertwijfeling uit, “o, slechts dat niet, slechts dat niet!”
“Mama is ongesteld,” zeide de zoon en haastte zich naar de schellekoord.
Doch een flauw: “Kom hier, Army! het wordt reeds beter,” bracht hem aan hare zijde terug; zij nam dankbaar een glas water aan en sprak, terwijl zij poogde te glimlachen:
“Ik heb u verschrikt, arme kinderen. De herinnering aan den dood uws vaders is nog heden voor mij diep treurig; maar nu Army op het punt staat zijne intrede in de wereld te doen, moet ik met u over het verledene spreken, iets wat ik tot nu toe steeds vermeden heb. Gij zult u zeker wel eens in stilte verwonderd hebben,” ging zij na een korte pauze voort, “over de eenvoudige, ingetogene levenswijze die wij voeren, over het volstrekte gemis van weelde en overvloed. Ach, Army, niet om mijnent- alleen om uwentwille doet mij dat leed. Gij gaat de wereld in onder de drukkendste omstandigheden, die men zich kan voorstellen, veroorzaakt door de grenzenlooze lichtzinnigheid uws—”
Zij hield ontsteld op en brak in bittere tranen los.
Army stond met gefronst voorhoofd bij den haard en zag tot de weenende vrouw op; de vroolijke uitdrukking was van zijn gelaat als weggevaagd, en om zijn mond was een trek van bittere teleurstelling zichtbaar.
“Toen ik hier kwam wonen aan de zijde uws vaders, ik, een kind van nauwelijks zeventien jaar,” hervatte de barones, “vond ik hier enkel pracht en een vroolijk leven. Het slot Derenberg was sedert jaren beroemd wegens zijne gastvrijheid, en uwe grootmama verstond de kunst, de eer des huizes op te houden. Zij was toen nog beeldschoon, en haast even betooverend als op haar portret in de groote familiezaal boven; zij hield hartstochtelijk veel van pracht en praal. Jegens mij was zij zóó lief en goed, dat ik waarlijk meende, een tweede moeder gevonden te hebben. Ach, die korte glansrijke tijd was de schoonste mijns levens, en toen ik u aan mijn hart mocht drukken, mijn Army, en u, mijne Nelly, toen ontbrak er niets meer aan mijn geluk.—Daarop echter kwam het vreeselijke: de dood uws vaders. Plotseling en onverwacht trof ons het ongeluk.”
Zij huiverde en drukte de bevende handen tegen de slapen, als om zich te herinneren, of dat, wat zij verhaalde, werkelijk tot het verleden behoorde.
“Na zijn dood werd de oude justitieraad Hellwig mij als curator ter zijde gesteld. Het bleek, dat onze zaken meer dan verward waren. Waarheen het oog zich ook wendde—hypotheken, pandbrieven, onbetaalde rekeningen; het was eene wanorde zonder wederga, waarin grootmama en ik ons eensklaps verplaatst zagen. Hoe vele slapelooze nachten, hoe vele kommervolle uren zijn sedert verstreken, en toch is tot heden, trots alle bemoeiingen van den ouden Hellwig, nog geen licht in den chaos gekomen.”
“Wind u niet op, lieve mama!” bad de jonge officier, “ik wist het immers reeds lang, dat wij in bekrompen omstandigheden leven, hoewel ik niet vermoeden kon, dat wij zoo arm zijn; maar houd goeden moed! Er komen zeker ook weder andere, betere tijden, en grootmama heeft mij nog onlangs gezegd, dat de zaken niet zoo hopeloos stonden, daar wij toch nog een rijke erfenis van tante Stontheim te wachten hebben.”
“Grootmama gelooft stellig aan deze erfenis, maar—”
“Zij wenscht,” viel de jonge man zijne moeder haastig in de rede, “dat ik, alvorens naar mijn regiment te gaan, tante Stontheim zal bezoeken.”
“Ik heb er niets tegen, mijn kind, en wensch van ganscher harte, dat grootmama zich niet bedriegt; maar wij moeten niet vergeten, dat de Derenbergs in Koningsbergen evenveel recht op de erfenis hebben als wij; de dochter van den overste Derenberg van het zestiende regiment heeft hetzelfde recht als gij en Nelly.”
Op dit oogenblik opende Sanna, de oude dienstbode der barones, de hooge vleugeldeur, en de oude barones Derenberg trad binnen. Nog altijd een statige, gebiedende verschijning, ging zij, trots haar zestig jaren, nog volkomen rechtop. Zij droeg haar eenvoudig wollen kleed met dezelfde waardigheid als vroeger haar zwaar zijden sleepjapon. Haar dik, nog altijd donker haar, aan de slapen een weinig naar achteren gestreken, werd door een kanten mutsje bedekt, waaronder een paar groote zwarte oogen fonkelden. Over haar geheele verschijning lag een echt aristocratisch waas, en de fijne trekken drukten een niet te buigen trots uit. Hoe oud geleek die lijdende, gedrukte schoondochter naast deze indrukwekkende vrouwengestalte!
Army ijlde haar te gemoet; hij ontnam haar een groot boek, dat zij in de hand hield, en geleidde haar naar den haard, waar Sanna ondertusschen eenige stoelen gereed gezet had. Ook haar kleindochter was opgestaan, en de bleeke vrouw veegde in stilte de laatste tranen uit haar oogen weg.
“Waarover werd hier gesproken?” vroeg de oude barones, terwijl zij plaats nam aan den haard en de dienstbode wenkte, heen te gaan. “Ik hoorde zoo iets van ‘dezelfde rechten als Army en Nelly.’”
“Wij spraken over tante Stontheim en de erfeniskwestie,” antwoordde hare schoondochter, zich ook aan den haard zettende, “en ik gaf als mijne meening te kennen, dat Blanka van Derenberg uit Koningsbergen evenveel recht op de erfenis zou hebben als onze kinderen.”
“Blanka? welk een idée!” riep de oude dame schouderophalend, “dat roodharige, klierachtige schepsel? Tante Stontheim heeft—goddank!—een te goeden smaak, om zulk een dwaasheid te doen;—overigens had zij, voor zoover ik mij herinneren kan, een zeer billijken afkeer van dien snoevenden overste en zijn hoogblonde gemalin, die hij, God weet! in welken hoek van Engeland of Schotland heeft opgedaan. Zij is immers een miss Smith of Newman? Nu, zoo iets duisters is het. Neen, Cornelie, dat is weer een van die ongehoorde, gezochte geschiedenissen, waarmede gij u-zelve en anderen kwelt.”
De toon harer stem klonk spotachtig, zooals gewoonlijk, wanneer de trotsche vrouw tot haar schoondochter sprak.
“Ik meende slechts,” antwoordde deze zacht, “dat men toch niet met zekerheid—-” hier hield zij op. “Het leven geeft reeds zoo vele teleurstellingen, dat men werkelijk—”
“Army zal het bij de oude, knorrige tante wel zoover weten te brengen, dat zij hem het waarlijk vorstelijk vermogen vermaakt,” viel de oude dame haar bits in de rede.
“Hoe bedoelt gij dat, grootmama?” klonk plotseling de stem des jongen mans. “Gij verlangt toch, hoop ik, niet, dat ik—een erfenisjager worden zal, zooals men dat noemt? Ik zal haar beleefd en hoffelijk bejegenen, zooals tegenover eene dame betaamt, maar dat is ook alles—kruipen kan ik niet;—wat zij mij vrijwillig niet wil geven, mag zij behouden!”
Verbaasd richtte de grootmoeder zich uit haar achtelooze houding op, en haar oogen fonkelden van toorn over deze onverbloemde verklaring van haren kleinzoon. “Zou men dat wel van zulk een jongen melkbaard gedacht hebben?” vroeg zij op een toon, die zij te vergeefs poogde schertsend te doen klinken, want haar stem beefde van ergernis. “Wel, Army! hebt gij met den cadettenrok ook den eerbied afgelegd en meent gij, wijl gij sedert acht dagen de épauletten draagt, nu het recht te hebben, uwe grootmoeder te vermanen en haar goede raadgevingen te versmaden? Gij zijt nog veel te jong om den toestand, waarin ge nu komen zult, juist te kunnen beoordeelen. Is dat jachtmaken op erfenissen, wanneer men de liefde eener oude, eenzame bloedverwante zoekt te winnen?”
“Ja, grootmama,” zeide Army beslist, zonder dat één trek op zijn lief gelaat veranderde. “Ja, dat is het, indien men met de liefde, ook het geld van iemand zoekt te winnen—”
“Dat men hoog noodig heeft, wil men zijn leven lang geen gebrek lijden, en zijne dagen in kommer en ellende slijten, in een slot zonder heerlijkheid en inkomsten,” viel de oude barones hem toornig in de rede en schoof heftig haar stoel achteruit.
“Dat stem ik toe, grootmama; ik zou ook zoo boud niet gesproken hebben, zoo er niet nog eene erfgename ware; maar dewijl Blanka—”
“Alweder die Blanka! kent gij haar misschien? Weet gij of zij nog leeft, dat ziekelijke schepsel? ’t Is akelig, zulke kinderwijsheid te hooren uitkramen, die sterk naar de cathechisatie-kamer riekt. Ik verlang dringend, Army, dat gij naar Stontheim gaat; ik duld geen tegenspraak; heden nog vertrekt de brief, die uwe komst meldt.”
“Zeker, grootmama, ik zal gaan,” zeide Army beleefd maar koel, “zoodra gij het verkiest.”
Zij stond op; haar trotsch gelaat gloeide en om den mond plooide zich een eigenaardige, hoogmoedige trek; nooit was de overeenkomst tusschen grootmoeder en kleinkind meer in het oog vallend geweest. Met vlammende oogen en vast op elkander gedrukte lippen, stonden zij tegenover elkander, zonder dat de een voor den ander het veld wilde ruimen.
“Gij vertrekt morgen namiddag, met de post van vijf uur,” zeide de oude koel, en zonder de toestemmende buiging des jongen mans af te wachten, groette zij haar ontstelde schoondochter met een nauw merkbaar hoofdknikje, en ging heen.
Een pijnlijke stilte volgde, toen de vleugeldeuren achter de hooge gestalte der oude barones dicht vielen. Hij, die het gewaagd had, de trotsche vrouw tegen te spreken, wier woord een bevel voor alle huisgenooten was, hij stond in zoo rustige houding voor den haard, en staarde zoo onverschillig in de vlammen, alsof er niets gebeurd was. Nelly zag haar broeder verwonderd aan; hij scheen een geheel ander mensch te zijn. Niemand sprak een woord, totdat de oude Sanna binnentrad met een brief in de hand, en vroeg:
“Heeft Mevrouw de barones ook iets noodig uit het dorp? Hendrik moet naar de post; het sneeuwt sterk, en wellicht kon het dan meteen geschieden.”
De barones antwoordde ontkennend en de oude vertrok. Intusschen was Army aan de tafel gaan zitten en bladerde in het boek, dat hij zooeven uit de handen zijner grootmoeder genomen had.
“Daar vind ik iets over onze schoone Agnese Mathilde boven in de familiezaal,” riep hij vroolijk: “kom eens hier, zusje! Dat is interressant—hoor maar!”
Het jonge meisje ging naar hem toe, boog zich over de leuning van zijn stoel en zag nieuwsgierig naar het geelgeworden papier, dat met moeielijk te ontcijferen schrift bedekt was. Hij las, langzaam spellende:
“Op den dertigsten November Anno 1694 is hier in het slot Derenberg het lijk der hooggeboren vrouwe Agnese Mathilde, barones van en tot Derenberg, Schüttenfeld en Braunsbach, geboren vrijvrouwe van Krobitz uit het stamhuis Trauen, in den grafkelder plechtig begraven, en wel zóó, als zij het bij haar leven zelve beschreven had. En het lijk stond in de zaal naast de kapel, en de doodkist was bedekt eerst met een fijn wit, en daarover een zwart satijnen lijklaken, waarop genaaid was een kruis van zilverdoek. Bovenop lag in het midden een verguld zilveren crucifix, en aan elke zijde waren acht kleinere, aan het hoofd- en voeteneinde echter grootere op oranjekleurige zijde geborduurde wapens van Derenberg en Trauen, bevestigd. De kist werd alleen door de adellijken, die in de buurt woonden en hier dikwijls feest gevierd hadden, in de kapel gedragen. Daarachter gingen de zes zonen der overledene, dan volgde de weduwnaar, die zeer bedroefd was.”
“Dat is vervelend,” viel de jonge officier zichzelf in de rede, “maar wat staat hier?—luister!”
“En de schoone Agnese Mathilde, barones van en tot Derenberg is een zeer trotsche en kloeke vrouw geweest, die haar man in alle nooden wakker ter zijde stond.
“Zij had een slanke gestalte en rood haar, hetgeen eigenlijk geen goed teeken moet zijn, zooals het oude rijmpje zegt:
De schoone vrouw en ’t schoone paard,
Zijn ongetwijfeld zeer veel waard;
En zijn ze zonder booze nuk,
Dat is voorwaar een groot geluk.
Let daarom op de kleur van ’t haar,
En is dat rood, dan dreigt gevaar.
“Doch zij heeft niet meer gebreken gehad dan andere vrouwen; zij was een schoone vrouw; een ridder was voor haar zoodanig in liefde ontstoken, dat hij, toen zij zijn smeeken geen gehoor wilde leenen, zich uit wanhoop het leven heeft benomen, ’t geen God hem moge vergeven; en in zijn bloed badende, heeft zij hem voor de deur van haar vertrek gevonden, waardoor zij zóó ontstelde, dat haar plotseling een zware ziekte is overvallen, zoodat men meende, dat zij ellendig zou sterven. De goede God heeft haar echter een spoedige herstelling geschonken; maar zij heeft na dien tijd niet weder gelachen, en de ridder, een jonker van Streitwitz, is in den slottuin alhier begraven.”
“Wat zegt gij daarvan, mamaatje?” riep Army opgewonden; “ik wil graag gelooven, dat iemand zich om haar van het leven heeft beroofd; het is een wonderschoon gelaat. Ik wenschte wel, dat ik haar beeltenis konde meenemen, en op mijne kamer ophangen; zij moet een bekoorlijk schepsel geweest zijn, die Agnese Mathilde.”
“Wel, Army!” lachte de barones, “ik wist niet dat uw eerste verliefdheid eene doode gold! Nu, het is ten minste niet gevaarlijk—wat zegt gij, Nelly?”
Nelly zweeg; de opgeruimde stemming wilde niet weder in den kleinen kring terugkomen; het jonge meisje zat zwijgend over haar werk gebogen en dacht er over, wat zij Liesje ter verontschuldiging zou zeggen; Army verdiepte zich weder in de lectuur van het oude boek, en om den mond der barones was het vluchtige lachje verdwenen. Nu en dan streek zij met de hand over de oogen en zuchtte diep; telkens wanneer zulk een bange zucht het oor harer kinderen trof, zagen zij op en rustten hun vragende blikken droevig op het bekommerde gelaat der moeder; daarop nam elk zijne bezigheid weder ter hand.
“De genadige vrouw barones wenscht op haar kamer thee te drinken,” zeide de binnentredende oude Sanna, “zij laat zich bij het avondeten verontschuldigen; de barones heeft hoofdpijn.”
De oude vrouw droeg een presenteerblaadje met een ouderwetsch kannetje en kopje in rococo stijl. Zij was blijkbaar voornemens, haar meesteres de thee te brengen en stond nu, op antwoord wachtende, bij de deur; zij sloeg een onderzoekenden blik op de drie gestalten, als om te zien, welken indruk dit bericht op hen maakte. De peinzende vrouw aan den haard scheen haar woorden niet gehoord te hebben en zag verschrikt op, toen haar dochter vriendelijk zeide:
“Wij betreuren dat zeer, lieve Sanna, en wenschen grootmama van harte beterschap.”
“Is uwe genadige vrouw ongesteld, Sanna?” vroeg de barones.
“Ja zeker,” antwoordde deze, en de groote, beenige figuur richtte zich in haar volle lengte op, terwijl zij met haar grauwe oogen de vragende strak aankeek. “De barones was reeds niet wel, toen zij van hier ging, want zij kwam met hevige hartkloppingen in haar kamer; ik heb haar reeds drie bruispoeders moeten geven. Als het maar niet iets ergers wordt!”
Er lag iets verwijtends, onbeschaamds in dit antwoord, minder nog in de woorden, dan wel in de stem en de uitdrukking van het gelaat, zoodat de barones Derenberg van verontwaardiging kleurde. “Het spijt mij zeer,” zeide zij, haar stem verheffende en Sanna met de hand wenkende heen te gaan; “ik hoop dat de genadige vrouw morgen weer hersteld zal zijn.”
“Zeer goed,” antwoordde de oude en verliet het vertrek, maar haar houding en de uitdrukking van haar gelaat onder de geplooide muts waren eensklaps vijandig geworden.
Army was opgesprongen, en zag met toornige blikken de dienstbode na.
“Army, ik bid u,” riep de barones, “laat haar! Gij maakt het er niet beter op, wanneer gij haar op hare plaats zet. Zij is altijd zoo geweest; het warme zuidelijke bloed verloochent zich bij haar evenmin als bij haar meesteres, en bovendien—zij vereert uwe grootmoeder afgodisch. Gij weet, Army, dat Sanna reeds met grootmama uit Venetië hierkwam, dat zij het tijdperk van grootheid en rijkdom met haar doorleefd heeft, en nu trouw haar zorgen en ontberingen deelt. Sanna heeft veel goeds; een getrouwheid als de hare is zeldzaam; en u, kinderen, vooral Army, heeft zij boven alles lief; zij is buitendien ook al zóó oud, dat men haar niet veel kwalijk nemen kan.”
Army antwoordde niet; hij nam zijne muts. “Ik moet een oogenblik naar buiten, anders slaap ik slecht,” zeide hij, kuste zijn moeder de hand en verliet het vertrek.
Hij stond in den hoogen, killen corridor, en vroeg zichzelf af, waar hij eigenlijk heen wilde. “Eerst moet ik mijn paletot halen,” dacht hij, en ging door de lange gang naar zijn kamer; hij was wonderlijk te moede—voor het eerst had hij den ernst des levens leeren kennen. Ja, hij wist wel, dat zijne familie in behoeftige omstandigheden leefde, maar met de gewone onbezorgdheid der jeugd, had hij zich daarover niet bekommerd. Nu had zijne grootmoeder er over gesproken en hem tegelijk het uitzicht op eene rijke erfenis geopend, maar er was nog eene erfgename, een klein, roodharig schepsel, zooals grootmama haar genoemd had.
Hij dacht aan de schoone Agnese Mathilde! hoe heette het ook weer het rijmpje: “Daarom, let op de kleur van ’t haar! En is dat rood, dan dreigt gevaar.” Het roode haar zou hem toch niet in gevaar brengen? Maar neen, hij had geen aanleg om idealist te worden.
Grootmoeder had gezegd: “Op u, Army, en op de Stontheimsche erfenis bouw ik al mijne hoop,” en hij had haar iets verweten van jacht maken op erfenis. Maar Blanka dan, de kleine, roodharige Blanka—daar was zij alweer—maar tante Stontheim kon immers verdeelen tusschen Blanka, Nelly en hem—ja, dat was een uitkomst. Zou zóó alles nog niet terecht kunnen komen?
Hij huiverde; hij ging naar den haard en wierp een handvol hout op het haast uitgedoofde vuur; de vlammen vlogen knappend op uit het droge hout en wierpen een onzeker licht op den ingelegden vloer. Het roode schijnsel deed het vergulde loofwerk van den schoorsteen helder uitkomen en de oogen van den jongen man volgden droomend de kronkelingen van den eiken slinger, die onder de kroonlijst van den schoorsteen heenliep, en in het midden een omkranst schild vormde, waarop de spreuk:
“Wanhoop nooit aan God!
Dan is geluk uw lot;”
een kernspreuk uit oude, lang vervlogen tijden. “Geluk is dan uw lot,” herhaalde hij halfluid; had hij deze woorden dan nog nooit gelezen? Zij maakten thans een diepen indruk op hem; zou ook hij niet weder gelukkig kunnen worden?
Hij zag op naar de prachtige hertegeweiden—alle waren zij door de Derenbergs buitgemaakt, zooals de bijschriften met naam en datum vermeldden, in de bosschen, die men deels verkocht, deels verpand had. Maar het was immers mogelijk—waarom niet?—dat hij eenmaal weder dáár kon jagen, waar zijne voorouders zoo menige vroolijke jachtpartij gehouden hadden.
Weg met die zotte kuren! Het leven lag immers nog vóór hem, zoo vol hoop, zoo uitlokkend, en ’t geluk kon immers komen.
Op zijn jeugdig gelaat blonk weder een zonnestraal; het hart klopte hem warm in de borst, en hij voelde den moed in zich ’s levens stormen te trotseeren. “Voorwaarts dan in de golven des levens! Hoe sterker de branding hoe beter! Vreugd of smart, ik neem het zooals het valt; een leven zonder strijd is geen leven. Ik wil grootmama om vergeving vragen voor dat leelijke woord ‘erfenisjacht’, ging hij voort; ook mama mag niet meer zoo treurig zijn—waarom altijd zoo donker te zien? Zelfs de kleine liet haar hoofdje hangen; ja maar—dat was om Liesje, de kleine lompen-Liesje, bah! dat is niet de moeite waard er over te spreken, en zij zal zelve later wel inzien, dat—”
Hij floot een vroolijk liedje, toen hij door de gang naar zijne moeder terugkeerde.
Tweede Hoofdstuk.
Inhoudsopgave
Den volgenden morgen stond Army met een opgeruimd gelaat voor zijne grootmoeder; hij had hare vergiffenis verworven. Wel schudde zij lachend het hoofd, toen hij zijne meening herhaalde, dat de nog onbekende Blanka mee zou erven. “Gij zijt een dweeper, Army,” zeide zij schertsend, doch sprak hem niet tegen; alleen wees zij op een tabouret aan haar voeten. “Ga zitten! Ik heb u nog wat te zeggen, voor wij scheiden.”
De vertrekken der oude dame hadden hunne weelderige inrichting behouden, en maakten op het eerste gezicht een bijna prachtigen indruk. Wie nauwkeuriger toezag, bemerkte wel, dat de kleur der zware purperen stof verbleekt, en de zijde hier en daar doorgesleten was, maar niettegenstaande dit alles, gaven de gordijnen voor deur en vensters, de sierlijke palissanderhouten meubels, het zware Smyrnasche tapijt aan het vertrek een deftig aanzien. De wanden waren versierd met in gouden lijsten gevatte, vroolijke Italiaansche landschappen; ’t waren herinneringen aan de gelukkige dagen, door de barones als gevierde gravin Luja te Venetië en Napels doorgebracht, en bij deze herinneringen vergat zij het troostelooze heden.
“Hoe gij u te gedragen hebt jegens tante Stontheim, behoef ik u niet te zeggen, Army!” ving zij aan, verstandig het geschilpunt van gister vermijdende. “Gij zult dit zelf wel weten; breng haar mijne hartelijke groeten, en zeg haar, dat ik een oude, afgeleefde vrouw ben geworden.”
“Die boodschap kan ik niet overbrengen, grootmama,” zeide Army hoffelijk, “ik kan mijn geweten onmogelijk met een leugen bezwaren.”
De oude dame lachte, en hem een tikje op de wang gevende, sprak zij: “Niet spotten met uw oude grootmoeder!”
Army kuste haar de hand. “En wat heeft u mij nog meer te zeggen?”
“Ja, waarlijk, ik moet u nog voor iets waarschuwen. Gij treedt zeer jong de wereld in en hebt het hartstochtelijke bloed mijner voorouders geërfd. Geniet uw jonkheid naar hartelust, maar wacht u voor een ernstige neiging! Zij, die gij eenmaal als vrouw naar huis zult voeren, moet veel in zich vereenigen, van oude familie zijn en vermogen bezitten, Army! veel vermogen; dit is een der weinige wegen, die u openstaan om den gezonken luister van uw huis weer op te richten.—Dat is alles, en als gij belooft, mij nu en dan eens te schrijven, heb ik u niets meer te zeggen!”
De jonge officier lachte. “Zeker grootmama, ik schrijf spoedig, want ik zal tijd in overvloed hebben; maak u niet bezorgd! Aan trouwen kan ik toch onmogelijk nu reeds denken; ik ben immers eerst onlangs achttien jaar geworden.” Hij lachte luid; van zijn gelaat was elke schaduw van den vorigen avond verdwenen. “Mag ik nu afscheid nemen, grootmama?” vroeg hij, “ik wilde nog gaarne eens naar de familiezaal gaan, om de schoone Agnese Mathilde een afscheidsbezoek te brengen. Hoor eens, grootmama, dit kan ik u tot uwe geruststelling verzekeren,” voegde hij er bij, “wanneer ik niet een meisje vind, dat haar gelijkt, dan trouw ik niet, want zij is mijn ideaal eener vrouw.”
“Meent gij die Mathilde met het roode haar?” vroeg de oude dame verbaasd.
“Ja!” knikte de kleinzoon. “Ik heb eene voorliefde voor rood haar. A propos, grootmama, mag ik het oude boek behouden, dat gij gister avond beneden bracht?”
“Zeker, het is een familiekroniek, die ik voor u bestemd had.”
“Duizendmaal dank! Tot weerziens van middag!” Hij kuste haar de tengere hand, en vertrok.
Een liedje neuriënd, ging hij den corridor door en stond weldra in de familiezaal voor het portret der schoone Agnese Mathilde. Op den donkeren achtergrond kwam het fraaie hoofd heerlijk uit; het zware, goudkleurige, ietwat roodachtige haar, over het blanke voorhoofd weggestreken, was bedekt door een mutsje van zilverstof. Onder dit voorhoofd, onder de scherpgeteekende wenkbrauwen, die een zonderling contrast vormden met het lichtkleurige haar, blonken groote, donkere oogen; met een uitdrukking van diep gevoelde smart zagen zij den beschouwer aan; zoo droomend, zoo lijdend, als vroegen zij hem om een verloren geluk. Een matte schemering heerschte in het groote vertrek; Army schoof de gordijnen van het dichtstbijgelegen venster ter zijde, en nu vielen de stralen der heldere winterzon op het roode haar der schoone vrouw en oefenden de oogen, die oogen met hunne droomende, diep smartelijke uitdrukking, op hem weder dezelfde betoovering uit. Daar naderden zachte schreden, en de kleine hand zijner zuster werd op zijn schouder gelegd.
“Zijt gij hier, Army? Het middagmaal is gereed. Kom mee. Gij gaat immers vroeg weg, en ik heb u den ganschen morgen nog niet gezien.”
Hij trok het jonge meisje naar zich toe. “Zie mij eens even aan, Nelly!” bad hij, haar hoofdje een weinig oplichtende; “zijt gij nog boos op mij?”
Haar oogen vulden zich met tranen, toen zij haar broeder aanzag, maar zij schudde lachend het hoofd. “Boos? neen, o neen! Maar kom toch—het is hier zoo koud.”
Hij nam haar hand; doch bij de kamerdeur gekomen, keerde hij zich nog eenmaal om, en zag naar het portret.
“Let daarom op de kleur van ’t haar, en is dat rood, dan dreigt gevaar,” mompelde hij zacht voor zich heen.
Nauwelijks een uur later stond de oude Sanna boven aan een der ramen, om den vertrekkenden Army na te zien. Hij had afscheid genomen van zijn weenende moeder; nu ging hij juist over het slotplein, en Nelly ging naast hem in een eenvoudig manteltje gewikkeld; zij had er niet van willen afzien, tot de laatste minuut bij haar broeder te blijven.
“Precies zijn grootmoeder!” mompelde de oude Sanna zacht; “het hart springt iemand op van blijdschap, als men hem ziet.” Zij hield de handen boven de oogen, om des te beter te kunnen zien. “Het kan hem niet mislukken,” dacht zij, “hij kan aankloppen, waar hij wil; de rijkste, de schoonste kan hij krijgen, en het ongeluk van zijn vader zal hem toch wel niet vervolgen. O, als mijne barones het nog eens mocht beleven, dat hier in het slot het oude, vroolijke, glansrijke leven weder heerschte! Zij zou weder jong en schoon worden. O, mijn bloedige Heiland, hoe zou ik u daarvoor op mijne knieën danken!”
Intusschen gingen broeder en zuster de linden-allée door; het was een heerlijk schoon winterlandschap, dat voor hen lag. Beneden, waar de allée eindigde, zag men de met sneeuw bedekte bergen schitteren, door een rand van boomen omgeven; aan de eene zijde kwamen de huizen van het dorp met hunne besneeuwde daken te voorschijn; uit bijna iederen schoorsteen steeg een rookzuil omhoog in de koude winterlucht; aan de andere zijde breidde zich het groote, donkere woud uit. Alles was met een verblindend wit laken bedekt—doodstil was het in de natuur; alleen een zwerm kraaien vloog onder een luid gekras uit de boomen omhoog en deed den witten tooi der stammen verstuiven in het rond. En dit alles werd verlicht door de stralen der ondergaande zon, die zich in de verte als in een purperen zee baadde.
De jonge man liet zijne blikken over het landschap weiden. “Zie Nelly,” zeide hij, “dat alles, zoover uw oog zien kan, was eenmaal het onze.”
“De papiermolen ook?” vroeg de kleine en wees op het met leien gedekte gebouw.
“De molen zelf niet, maar wel een groot gedeelte der landerijen. Grootvader heeft ze aan des molenaars vader verkocht, toen hij zich eens in verlegenheid bevond—zoo verhaalde grootmama mij. De man jaagt daar nu heerlijk, terwijl wij—” hij voer even met de hand over de oogen, toen lachtte hij en begon te fluiten; hij wilde er nu eenmaal niet over tobben.
Bij den uitgang van het park gekomen, keerde hij zich nog eens om en zag de groote laan langs.
Daar lag het machtige portaal; de treden der breede trappen waren geheel door de sneeuw bedekt, die ook hoog tegen de massieve vleugeldeuren was opgestuwd. Betooverend schoon kwam het slot te voorschijn, als ’t ware overstroomd door den rooden gloed der ondergaande zon; de verlichte vensters straalden den jongen man daar beneden tegen, even helder en zonnig als de droomen der toekomst, die zich in zijn hart hadden ontwikkeld.
“Het moet hier weder anders worden,” zeide hij, “het moet; ik wil het.”
Hij keerde zich om en volgde zijn zuster.
Zwijgend gingen zij verder; eindelijk stond de jonge officier stil en keek op zijn horloge.
“Zusje,” zeide hij, “ik moet spoed maken, als ik de post niet wil misloopen; keer gij terug, gij zult koude voeten krijgen in de dikke sneeuw; vaarwel, kleine, en groet allen nog hartelijk van mij!” Hij bukte zich en kuste haar op den frisschen mond. “Pas op, dat de tijd u niet lang valt in het oude, eenzame slot!”
Zij schudde het hoofd. “O neen, ik heb Liesje immers.”
Zij stonden juist op de plek, waar de weg, langs welken zij gekomen waren, op den grooten weg uitliep. Door het dennenbosch daarboven voerde een pad naar den papiermolen, dat eveneens hier uitkwam; de weg daalde tamelijk steil naar beneden in het dorpje; onder de breede takken van een lindeboom stond een door de sneeuw bedekte steenen bank. Uit het dorp klonken duidelijk de tonen van een posthoorn.
“Wijl ik van u scheiden moet,
Bied ik u den afscheidsgroet!
Meisjelief, adé,
’t Scheiden doet wee!”
zong vroolijk een heldere kinderstem, en tegelijk trad een jong meisje uit het dennenbosch te voorschijn.
Zij bleef staan, toen zij de beiden gewaar werd; een donker rood bedekte een oogenblik het kinderlijk gelaat, en een paar donkerblauwe oogen staarden verschrikt voor zich neer; maar toen kwam zij dadelijk nader, en een vriendelijke lach plooide haar lieven mond, waardoor zich twee kuiltjes in de wangen vormden.
“O, Nelly,” riep zij, “hoe heerlijk dat ik u aantref! En gij Army,” voegde zij er vriendelijk en zonder eenige verlegenheid bij, “gaat gij alweer heen, zonder een enkele maal bij ons op den molen geweest te zijn?”
De jonge officier bloosde hevig, toen hij de blauwe oogen op hem gericht zag en de hand vatte, die zij ouder gewoonte hem toestak. Hij kon nog niet genoeg veinzen om eene verontschuldiging te bedenken; zijn lach verstomde bij den aanblik van het lieve, frissche gezichtje, dat hem vragend en verwijtend aanstaarde.
“Army moet heel onverwacht vertrekken,” zeide Nelly, “anders—” zij bleef steken; het was haar onmogelijk, het argelooze kind te bedriegen; zij had wel van schaamte willen schreien en zag haar broeder smeekend aan.
Maar het jonge meisje was met deze weinige woorden tevreden. “Goede Army,” zeide zij gerustgesteld, “ik had u al beschuldigd, dat gij niet meer in den molen wildet komen; ik wilde juist naar Nelly gaan,”—zij lachte, zoodat de kuiltjes weer te voorschijn kwamen—“om te vragen of het waar was, wat tante beweert, namelijk dat gij trotsch geworden zijt. Nu kan ik haar echter uitlachen, nietwaar? Gij zoudt van daag of morgen toch gekomen zijn,” voegde zij er trouwhartig bij.
Als in gedachten verdiept, zag hij haar aan. “Wat zijt gij groot geworden!” zeide hij en beschouwde haar slanke gestalte. Liesje was werkelijk even lang geworden als hij zelf; zij zag er hoogst bevallig uit in haar blauw fluweelen, met bont omzet jakje; op eens werd zij bloedrood onder zijn blik en vroeg gejaagd:
“Moet gij met de vijfuur-post vertrekken? Dan moet gij u haasten, Army; ik ben toch blij, dat ik u nog als officier gezien heb.” Zij stak hem weder de hand toe, en weder lag hij de zijne in de hare; hij lachte nu ook; de herinneringen uit hunne kinderjaren kwamen nu weder te voorschijn.
“De laatste, Army,” riep zij vroolijk, tikte hem licht op den schouder en liep toen haastig weg. Een oogenblik stond de jonge man, als wilde hij, evenals vroeger haar naloopen, om haar “de laatste” weer te geven, zooals zij vroeger telkens deden, wanneer hij den molen of zij het slot verliet;—zij plaagden elkaar daar zoo gaarne mede. Hij trok echter zijn paletot dichter om zich heen, knikte nog eens en ging door. Hij zag niet weder om naar de beide meisjes, die arm in arm hem nazagen; hij moest zich immers haasten.
Onder de oude besneeuwde linde werden een paar zachte blauwe oogen vochtig, en een stem, waaruit plotseling alle dartelheid verdwenen was, fluisterde een zacht “vaarwel!”
Ook Nelly weende, en toen zijne gestalte achter de huizen in het dorp verdween, vroeg zij angstig: “Nietwaar, Liesje, gij zijt niet boos op Army?” Maar Liesje antwoordde niet; zij schudde slechts het hoofdje en ging zwijgend nevens hare vriendin verder.
Het gloeiend rood aan den hemel was verdwenen, en slechts een dof geel kleurde nog den horizon; de vensters van het oude slot zagen er weder even treurig uit als altijd; de beide jeugdige harten waren droevig gestemd door het afscheid; de nachtkus, dien zij elkander bij het hek van het park gaven, was inniger, veel inniger dan vroeger, en Liesje had een gevoel of zij de kleine hand harer vriendin heden niet kon loslaten; nog eenmaal fluisterde zij zacht: “goeden nacht!”
Derde Hoofdstuk.
Inhoudsopgave
De lompenmolen, zooals de papiermolen van ouds her in den ganschen omtrek genoemd werd, lag bekoorlijk tusschen hoog oud geboomte aan het ruischend riviertje. Het statige woonhuis, met den vergulden weerhaan op het spitse leien dak, was gebouwd in de eerste helft der vorige eeuw en had geheel het karakter van dien tijd behouden. De zware eikenhouten voordeur met den blank geschuurden koperen klopper, was nog dezelfde; de kleine vensterruiten waren nog door geen spiegelglas vervangen, en het gebeeldhouwde opschrift in het oude balkon verkondigde, dat dit huis “tot Gods eer Anno 1741 gebouwd (was) door Johan Frederik Erving en zijn huisvrouw Ernestine, geboren IJzerhardin.” De oude drakenkoppen aan de vier hoeken van het dak waren nog steeds bereid, het regenwater uit te spuwen, en de hardsteenen banken naast de huisdeur onder de twee groote lindeboomen waren nog steeds de geliefkoosde zitplaats der familie in de heerlijke zomeravonden. Een groote tuin met vruchtboomen omgaf het huis aan drie zijden met rechte paden, jasmijnstruiken en vele kruis- en aalbessenboomen; deze tuin stond onder het bijzonder toezicht van tante. In den geheelen omtrek waren zulke voortreffelijke appels en peren niet te vinden als op den molen, en de met zorg gekweekte aspergies van tante waren beroemd wegens haar fijnheid en grootte.
Wie had zich ook den lompenmolen kunnen voorstellen zonder de oude? Welk een aangenamen indruk maakte het, als men het pad langs kwam, dat naar het woonhuis voerde! De oude vrouw zag dan over de sneeuwwitte gordijnen, om den gast met een paar vriendelijke, heldere oogen te verwelkomen; zij zette het spinnewiel ter zijde en was zoo vlug, dat zij den binnenkomende meestal aan de reeds geopende huisdeur kon ontvangen met een “God zegene u! wat zal dat Mina”—dat was de huisvrouw—of: “wat zal dat Frederik”—zoo heette de heer des huizes—“genoegen doen!” en dan trippelde zij vooruit om den gast in de gezellige woonkamer te laten, en terwijl zij den sleutelbos van haar zijde nam, verdween zij haastig in de keuken en provisiekamer.
De oude vrouw leefde sedert haar tiende jaar in den molen; zij was eene weeze, en de grootvader van den tegenwoordigen bezitter had het vriendelijke, kleine meisje tot zich genomen; zoo was zij de speelgenoote zijner beide kinderen geworden. Zij had deze weldaad door trouwe aanhankelijkheid beloond, lief en leed met de familie gedeeld en was reeds lang een geliefd lid des huisgezins en allen onontbeerlijk geworden. De Ervings hadden zich steeds door goedheid en welwillendheid jegens de armen gekenmerkt; hunne rechterhand mocht niet weten wat de linker deed, en de Heer had het hun vergolden, zooals tante dikwijls zeide: zij waren de rijksten, wijd en zijd in den omtrek.
Op den molen hadden altijd mannen gewoond van den echten stempel, wier handslag meer gold dan tien eeden, en die een vasten wil en krachtige werkzaamheid in zich vereenigden. Het “bid en werk” was van oudsher de zinspreuk van hun geslacht geweest, door de ouders steeds den kinderen ingeprent. De molen kon zich nog op iets anders beroemen: op de bijna tot een spreekwoord geworden schoonheid der vrouwen en dochters. “Zóó schoon, alsof zij van den molen afstamde,” was een compliment, dat men in het dorp aan menig schoone maagd gaf: de blauwe oogen der molenaarskinderen hadden reeds sinds jaren menigeen kommer en hartepijn veroorzaakt. De oude molen was ook getuige geweest van veel levensgenot, maar altijd was het de echte, rechte, gulden vroolijkheid.
Met de Derenbergs hadden zij altijd als vriendschappelijke buren verkeerd; van weerszijden waren het dan ook mannen, die elkander achting moesten toedragen; en wanneer de toenmalige landheer langs de molenbeek reed en de toenmalige molenaar met zijn vrouw onder den lindeboom zat, ontstond er altijd een vriendschappelijk gesprek.
Ook in den nood reikte men elkander de hand, en toen de oorlog van 1807 tot 1813 uitbarstte, konden geen bloedverwanten elkander trouwer bijstaan, dan de trotsche Derenbergs en de Ervings van den lompenmolen.
Toen tante in huis kwam, bloeiden daar twee vroolijke kinderen. Het meisje was even oud als zij, de knaap vier jaren ouder. Zij groeide met hem op; toch was de molenaarsvrouw, die even huishoudelijk als godsdienstig was, er zeer op gesteld, dat het arme weeskind in haar eigen stand bleef. Zij zou haar later als meid dienen, maar juffrouw Erving kon en wilde het niet beletten, dat de drie kinderen te zamen speelden, en er tusschen de beide meisjes een vriendschap ontstond, die met de jaren steeds vaster werd. De knaap, van zijn kant, hield goede kameraadschap met de beide zonen, die daar boven op het slot opgroeiden, en de barones Derenberg hield zooveel van den blonden krullebol, dat zij zijn ouders wist over te halen, hem aan het onderwijs harer zonen te laten deelnemen. Zoo kwam de kleine Frederik uit de dorpsschool in de leerkamer van het vrijheerlijke slot, en zelden heeft men van een leerling meer genoegen gehad. Toen in later tijd de zonen der Derenbergs volwassen waren en sedert lang kennis gemaakt hadden met het buitenland, en de oudste reeds de bezittingen, hem door zijn vader nagelaten, had aanvaard, terwijl de jongste een knap officier bij de huzaren was geworden, kwamen zij nog altijd gaarne in het oude huis terug, om den vriend te bezoeken. De kleine Lisette was intusschen tot een statige jonkvrouw opgegroeid; zij bezat de spreekwoordelijke schoonheid der molenaars-dochters in de ruimste mate, en kon met haar groote oogen, die zoo diep en blauw waren als het meer in het Derenbergsche bosch, iemand zóó aanzien, dat zij zijn hart won.
Marietje was ook groot geworden; een prachtige meid, zooals de huisvrouw verklaarde; zij sprong en zong in keuken en kelder en keek daarbij zoo vriendelijk, dat men het vroolijke ding met de roode wangen wel lief moest krijgen. Zij moest nu wel is waar haar speelgenoot met “juffer” en “u” aanspreken, maar onder vier oogen kwam nog wel eens het vertrouwelijke Lisette over haar lippen en menigen zomeravond zaten zij hand in hand in het jasmijnpriëel, evenzoo als toen zij kinderen waren.
En in deze dagen gebeurde het, dat een zwaar ongeluk over het huisgezin kwam, zoo zwaar, dat de wanhopige ouders meenden het niet te kunnen dragen; de vroolijke Marietje werd een ernstig, stil meisje; het betrof immers ook het sieraad des huizes, de schoone Lisette.
Het bekoorlijke kind had wel is waar dikwijls genoeg van haar moeder het rijmpje gehoord:
“Gelijk goed, gelijk bloed,
Gelijke jaren, geeft de beste paren,”
maar, hoe kon zij daaraan denken, toen werkelijk de liefde, die zich om rang noch stand bekommert, haar hart binnensloop? En zij beminde voor het eerst, met haar geheele ziel, met haar rein en vertrouwend gemoed, en de liefde, die haar wederkeerig werd geschonken, was even ernstig en heilig gemeend als de hare. Dáár verwoestte een hand ruw en boosaardig het pas ontloken geluk; het was een fijne, schoone vrouwenhand, maar zij reet de beide harten zoo wreed van elkander, dat het eene aan zijne wonden bezweek—Lisette sloot haar wonderschoone blauwe oogen na een kort, smartelijk ziekbed, voor altijd.
Van dit oogenblik af werden alle betrekkingen met het slot afgebroken, en wanneer de bedroefde Marie den jongen landheer aan de zijde zijner schoone gemalin boven op den boschweg voorbij zag rijden, dan zuchtte zij dikwijls bij zich zelve: “zij komt immers uit het lichtzinnige Italië—hoe zou zij weten kunnen, hoe een Duitsch hart te moede is, als het iemand recht innig liefheeft? Maar de vergelding blijft niet uit.”
Dat was nu lang, lang geleden, en de menschen, die toen in den molen leefden, waren lang dood. Marie was oud geworden en bij de Ervings gebleven, geacht en bemind, als behoorde zij tot de familie. Frederik Erving, de tegenwoordige eigenaar van den molen, de neef der schoone Lisette, had in haar een tweede moeder gevonden, want toen zijn ouders vroeg stierven, nam zij hem tot zich en voedde hem teeder en zorgvuldig op. Hij was flink opgegroeid onder haar hoede, en toen hij eens een lieve vrouw in huis bracht, trad zij het jonge paar op den drempel der vaderlijke woning vriendelijk tegemoet, en de jonge echtgenoot voerde zijn pas verkregen kleinood haar in de armen: “Daar, tante!”—zoo noemde hij haar steeds—“heb haar ook een weinig lief en wees ons beider moeder!”
Zoo was het dan ook geworden. En toen tante in de oude dorpskerk later een dochtertje van het jonge paar ten doop hield, en een paar groote blauwe kinderoogen haar aanstaarden, toen vielen vreugdetranen op het gezichtje der kleine, en een vurig dankgebed, voor al het geluk haar beschoren, steeg ten Hemel op. De kleine ontving den naam van Liesje.
Omstreeks dezen tijd viel de vreeselijke gebeurtenis op het slot voor, die ook de harten in den molen diep schokte—de plotselinge dood van den baron Derenberg. Tante zat zwijgend aan haar spinnewiel en dacht “hoe wonderlijk somtijds Gods wegen waren.” Toen nu eens haar lieveling, het kleine vierjarige Liesje, met nog een even klein blond meisje hand in hand langs het molenpad kwam aantrippelen, gevolgd door een beeldschoonen jongen met zwart haar, en een trotsch uitzicht, die verlegen met zijn klein zweepje speelde, ging zij hun tegemoet en nam het lieve krullekopje op den arm, en toen de kleine op de vraag, of zij boven in het slot woonde, toestemmend knikte, bracht zij het kind bij de jonge vrouw in het woonvertrek, nam toen den knaap en Liesje bij de hand en bracht ze ook binnen. De beide vrouwen, de oude zoowel als de jonge, liefkoosden de vaderlooze kinderen, tot het blondje eindelijk de armpjes om den hals der oude vrouw sloeg en de knaap met glinsterende oogen den appel aannam, dien zij hem voorhield. En toen zij later weder huiswaarts trippelden langs het molenpad, de broeder zorgvuldig het zusje geleidende, beiden telkens omziende en knikkende, drukte de jonge vrouw haar dochtertje aan het hart, en zeide, met tranen in de oogen: “Van avond moeten wij den lieven God hartelijk daarvoor danken, dat gij nog zulk een besten, braven vader hebt, zie die beide kinderen daar, die hebben geen vader meer, en zij missen bovendien nog zóóveel!” Van toen af dagteekende de vriendschap tusschen lompenmolenaars Liesje en de kinderen van Derenberg.
Op den molen was intusschen het leven aangenaam voortgesneld. Liesje groeide steeds schooner op; zij was een schrander meisje geworden en leerde vlijtig. De geestelijke, haars vaders vriend en haar peetoom, onderwees haar, en zijn vrouw leerde haar Fransch spreken en zingen. Wanneer zij met haar buigzame, hoewel niet sterke altstem de oude vaderlandsche volksliederen zong, dan werden tante de oogen vochtig: “precies Lisette!” zeide zij halfluid in zich zelve.
Dat Army, nu hij officier was geworden, den molen niet meer bezocht, verwonderde de oude vrouw niet. “’t Is grootmoeders bloed,” zeide zij. Maar Liesje wilde niet gelooven, dat Army trotsch geworden was, dezelfde Army, met wien zij nog kort geleden zoo vroolijk gelachen had; zij moest het hemzelf vragen; zij begaf zich op weg naar het slot. Zij trof de jonge lieden onder den grooten lindeboom aan: Army stond op het punt te vertrekken, maar het was spoedig opgehelderd; hij moest onverwacht op reis, anders zou hij zeker gekomen zijn. Toen zij nu weder in de warme kamer voor de oude vrouw stond, die ijverig spon, sprak zij: “Ziet gij wel, tante, het is niet waar, dat Army trotsch is geworden; hij heeft niet kunnen komen, omdat hij plotseling op reis moest;—ik wist het wel.
“Zoo?” vroeg de oude vrouw.
“Ja! Gij stoute tante hebt mij waarlijk doen schrikken. Gij—” zeide zij pruilend.
“Nu, het ei wil altijd wijzer wezen dan de hen,” antwoordde deze. “Nelly heeft dus gezegd, dat hij had willen komen?”
“Ja, en Nelly jokt niet.”
“Nelly is een goed kind; het doet mij altijd genoegen als zij komt; zij heeft de trekken en ’t gemoed der Derenbergs, dat waren door en door brave lieden die Derenbergs, totdat—-” Zij zweeg.
“Wat bedoelt gij, tante?”
“Nu, als de duivel de menschen verderven wil, doet hij zich als een engel voor.”
“Wat zegt gij?”
“Ik zeg niets; maar gelooven moogt gij het, Liesje! wat de leeraar Zondag van den kansel verkondigd heeft: ‘Onze God is een rechtvaardig God,’ dat is een waar woord; nu, zie mij niet zoo verwonderd aan! Kijk liever eens in den oven! Daarin liggen voor u heerlijk gebradene appels.”
Vierde Hoofdstuk.
Inhoudsopgave
Twee jaren en eenige maanden waren sedert verstreken. Het was op een avond in de maand Mei. Door het geopende venster drong een bedwelmende lucht in tantes kleine kamer; de wind speelde zacht in de jonge wijngaardranken, die het venster als met een lijst omgaven, en de maan wierp haar helder licht op de eenvoudige meubelen in het gezellig vertrekje en bescheen het gerimpeld gelaat der oude vrouw, die, de vlijtige handen in den schoot latende rusten, aan het venster zat, en naar buiten zag in den tuin, waar juist de appel- en vlierboomen in vollen bloei stonden. Zij hield haar schemeruurtje; licht werd er in de langer geworden avonden niet meer aangestoken; dat was een oud gebruik in huis; en de mensch wil ook wel gaarne eens rusten niet alleen met zijn handen, maar ook met zijn gedachten. Eigenlijk rustten deze ook niet, want zij dwaalden rond in het verleden, in schoone, lang vervlogen dagen, en dat was een genot, een ontspanning, wanneer, na de warmte en de lasten des daags, de schemering kwam. In huis was alles bezorgd; het tegenwoordige verdween op dezen nevelachtigen lenteavond voor de blikken der oude vrouw, en de tijd harer jeugd dook weer voor haar op, nevelachtig en door de maan beschenen, als de wereld daar buiten.
Zij vouwde de handen, en het hoofd omkeerende, bleven haar blikken op een schilderijtje boven de commode rusten dat in het heldere maanlicht de silhouette van een man vertoonde.
“Ja, ja, mijn Christiaan,” fluisterde zij zacht, “wij hebben elkander liefgehad, zeer lief, en zijn wij slechts korten tijd gelukkig geweest, vergeten heb ik u niet, en ik ben u tot nu toe getrouw gebleven. Dat het ook zoo met u moest gaan—zoo treurig! Lieve hemelsche vader, wat kan men al niet beleven, in een korten tijd! Nauwelijks is de mensch een paar jaar gelukkig,—of daar komt de smart; een lading vol—mijn God! wat waren wij toch een paar lustige, vroolijke meisjes, mijne Lisette en ik, en juist toen wij dachten, wat is de wereld heerlijk! daar ving het treuren aan.
“Mijne Lisette en mijn goede Christiaan!” Zij schudde treurig het hoofd, want voor haar geest verschenen twee groene, met zoden bedekte grafheuvels, ginds boven in de schaduw der linden op het kerkhof.
Daar vloog een bloeiende vliertak door het raam en viel haar in den schoot.
“Ha, wacht! Dat doet Lise,” zeide zij, en een schalkachtige trek verdreef de treurige uitdrukking van haar gelaat; zij zat onbeweeglijk achter in haar hoogen stoel. Een oogenblik daarna werd een meisjeshoofd, met donkere vlechten als een krans omwonden, voor het venster zichtbaar en zag bespiedend naar binnen.
“Zij is hier niet!” sprak zij verdrietig; toen gaf zij een gil van schrik, want tante maakte een rassche beweging en streek het meisje met den vliertak over het verblufte gelaat.
“Foei! Hoe afschuwelijk, tante, mij zoo te doen schrikken!”
“Ei, wat! wie zou wel het meest ontsteld zijn?” vroeg de oude; “wacht, gij ondeugd, meent gij nog wel de beleedigde te zijn?”
Het meisje gaf hierop geen antwoord, maar vroeg: “Zijn vader en moeder reeds terug uit de stad?”
“Nog niet; dat kan wel elf uur worden, mijn kind. Ga rustig slapen. Ik blijf immers wacht houden.”
“Maar, tante! wat denkt gij wel?” riep het jonge meisje. Op dezen wonderschoonen avond? Kom eens even buiten, ruik toch hoe liefelijk de vlierboomen geuren! Gij kunt niet gelooven hoe heerlijk het in den tuin is.”
“Ach, kind, dat is niet meer voor mij; oude lieden zijn moeielijk weder jong te maken; het is buiten vochtig, en mijn nare jicht—blijf gij echter maar buiten en geniet den schoonen avond.”
“Dan kom ik bij u binnen, tante. Mag ik? Ik kan van avond niet alleen zijn, voor niets ter wereld niet.”
“Nu, kom dan, gij dwaas kind!”
Het kopje verdween voor het venster, en aanstonds daarop werd de kamerdeur geopend, en de slanke meisjesgestalte, in een licht gewaad gekleed, trad binnen.
“Daar ben ik, tante!” riep zij vroolijk, en zette zich op een bankje aan de voeten der oude. Het maanlicht viel op het ronde gezichtje en bescheen een paar wonderlijk diepe, blauwe oogen, die smeekend tot de oude vrouw opzagen. “Tante,” sprak zij toen zacht, “vertel mij heden avond iets, bid ik—”
“Ei! moet ik zulk een groot meisje nog sprookjes vertellen?”
“O, toch niet! Iets uit uwe jeugd, tante.”
“Uit mijne jeugd? Maar wat dan toch?”
“Och, tante, vertel mij eens, hoe gevoeldet gij u, toen gij—toen gij uw liefste voor de eerste maal zaagt?”
“Wel gij—nieuwsgierig ding! Gij zijt nog veel te jong om alles te weten. Waarom moet ik u juist dat vertellen?”
“Ik ben al zeventien jaar, tante; andere meisjes hebben dan reeds een bruidegom, en—”
“Hoor mij dat eens aan! Gij zoudt bij slot van rekening er ook wel graag een hebben,—ei, ei, als ik dat aan moeder verhaal—”
“Doe dat maar, tante!” riep het jonge meisje, lachend. “Moeder heeft mij onlangs o! zooveel linnengoed laten zien en gezegd: dat is alles voor uw uitzet, Lise.”
“Zoo? men zou zeggen! Maar wat wildet gij weten?”
“Gij zoudt mij eens verhalen, hoe gij waart, toen gij uw geliefde voor het eerst gezien hebt?”
De oude vrouw ontroerde, en het kind voor haar zag met, groote, vochtige oogen vol verwachting tot haar op.
Het was zoo stil in het rond; alleen het bruisen van het water klonk met eentonige melodieën uit de verte.
“Drie leliën, drie leliën, die plantten ze op mijn graf!”
zong een frissche meisjesstem, beneden in den tuin.
“Daar kwam een vreemde ruiter aan, en brak ze allen af.”
Tante schudde het hoofd. “Dat is Doortje; hoe kan zij zoo zingen, zij is van daag nog beknord! Maar, minnen en zingen, laat zich niet dwingen.”
“Och, ruitertje, och, ruitertje!
Blijf van mijn bloemen af;
Die moet mijn schat, mij allerliefst,
Zelf plukken van mijn graf.”
“Dat liedje heb ik ook dikwijls gezongen, toen ik nog jong was,” zeide tante; “ik heb ook daar beneden gezeten in het jasmijnpriëel met Lisette en naar hartelust gezongen, en zij kon het zoo schoon—maar gij wildet immers weten,” viel zij zich zelve plotseling in de rede, “wáár ik hem voor het eerst gezien heb? Hoor dan, eens op een avond, zoo heerlijk als deze, maar iets later in het jaar, in Juli ongeveer, ging ik den weg langs, die voorbij het park voert, en zong:
“Hij is geen keizer, bij is geen koning;
Hij is soldaat, hij is soldaat.”
“Daar trad uit de schaduw der lindenallée een man te voorschijn en vroeg: ‘Wel juffer, moet het juist een soldaat zijn?’ waardoor ik zóó schrikte, dat ik zonder antwoord te geven, mij haastig wegspoedde. Hij echter volgde mij, en bad zoo vriendelijk om vergiffenis, dat ik stilstond en hem aanzag. Hij had zulk een lief, goedig gelaat, met een paar eerlijke, trouwhartige oogen, dat ik geen vrees meer gevoelde; wij wandelen langzaam verder en hij verhaalde mij, dat hij rijknecht was op het slot bij de jonge barones, de grootmoeder van Army en Nelly, die voor korten tijd hier was komen wonen; dat hij mij reeds dikwijls gezien had, als hij den molen voorbijreed, want gij weet wel, dat ik bij uwe overgrootmoeder diende. En ik verhaalde hem, dat ik vader noch moeder meer had, en toen reikten wij elkander boven bij de molenbrug de hand en zeide hij: ‘goeden nacht, Marie!’ Wij spraken niet meer, maar stonden langen tijd zwijgend naast elkander, tot ik op eens zoo hard ik kon over de brug naar huis liep.”
“Hoe waart gij toen te moede, tante?”
“Ja, dat weet ik niet meer zoo nauwkeurig, Lise,” zeide de oude vrouw; “ik weet alleen, dat het mij was, alsof de maan nog nooit zoo helder op den ouden molen geschenen had, en de hemel nog nimmer zoo hoog was geweest; ik kon den ganschen nacht niet slapen en was toch den volgenden morgen niet moede, en de woorden: ‘goeden nacht, Marie!’ klonken mij onophoudelijk in de ooren.”
De oude zag naar het jonge meisje; haar oogen stonden vol tranen. “Zeg mij eens, Lise, wat scheelt u toch?”
“Och, niets, tante!” antwoordde zij. “Weet gij wat, ik ga nog even naar buiten; vader en moeder zullen wel aanstonds komen. Goeden nacht, tante!”
“Goeden nacht, Lise! God behoede u! maar hoor eens, kind, als gij morgen vroeg weer aspergies steekt, moet gij niet als vandaag de helft laten staan, anders moet ik er weder zelf voor zorgen, hoe zwaar het mij ook valt. Goeden nacht!”
En toen was de oude vrouw weder alleen in haar kamertje. Zij sloot het venster en ging, het hoofd schuddend, naar de commode; zij zag naar de beeldtenis van haren Christiaan; de maan bescheen die niet meer, zoodat zij die niet meer onderscheiden kon; maar zij wist immers nauwkeurig, hoe hij er uitzag.
“Ja, zoo was het,” fluisterde zij, “dáár buiten bij de molenbrug, daar ving het aan. Liefde heeft een goed geheugen; ik herinner het mij heden avond even zoo goed, alsof wij gister daar stonden. Dat is Lise’s schuld. Wat of zij toch eigenlijk wilde, het dwaze ding?”—-
Lise was buiten onder den lindeboom gaan zitten; het water van de molenbeek ruischte aan haar voeten. Haar oogen staarden op den weg, die, aan de overzijde van het water, naar het slot voert, en daarboven, achter de donkere toppen der boomen, verhieven zich de trotsche, door de maan helder beschenen torens naar den nachtelijken hemel, zooals zij dat reeds dikwijls gezien had, zoo ontelbare malen—hoe kwam het, dat zij heden zoo wonderlijk te moede was?
De oorzaak was een onverhoopt wederzien. Army was plotseling het priëel binnengetreden, waarin zij en Nelly elkander zaten voor te lezen. Geheel onverwacht stond hij voor haar en omhelsde lachend zijne zuster die, blozend van vreugde, bijna niet spreken kon; daarop had hij haar zeer verbaasd aangezien en eindelijk “juffer Lise” genoemd. “Juffer Lise!” Hoe gek klonk dat! Zij moest er om lachen; hij lachte mede, maar bleef haar zoo noemen. Hij was grooter en statiger geworden sedert dien winteravond, toen zij hem voor het laatst onder de besneeuwde linde zag, en nu prijkte de frissche mond met een aardig kneveltje; wat was hij toch knap! En wat was de avond van Nelly’s verjaardag spoedig omgevlogen; zij hadden hunne kinderjaren in herinnering teruggeroepen en hij was zoo vroolijk, zoo tevreden geweest; het gelaat zijner moeder had zoo van vreugde gestraald; en toen zij vertrekken moest, had hij haar vergezeld; zij waren te zamen de lindenallée doorgewandeld tot aan de molenbrug, evenals vroeger tante met haar Christiaan; zij hadden over hunne jeugd gepraat en bij de brug was hij blijven staan.
“Goeden nacht, juffer Lise!” Zij had er weder om moeten lachen; “goeden nacht, mijnheer Army!” had zij willen zeggen, maar het kwam niet over haar lippen; zij stak hem weifelend de hand toe, die hij als een oude bekende greep, en toen ging hij heen. Zij boog zich over de leuning en zag in het water, waarop de stralen der maan als zilveren strepen dansten, en hoorde de nachtegaal zingen in de oude linden—’t was alsof zij droomde.
“Of hij ditmaal ook in den molen zal komen?” vroeg zij bij zich zelve en zag naar het slot. “Ja, zeker! Als moeder nu maar juist niet morgen het beloofde bezoek bij de houtvestersvrouw wil afleggen,” dacht zij. Dat zou toch jammer zijn, en meegaan moest zij in alle geval.
En zoo zat zij en droomde onder de oude linde in dien lentenacht, en de maan zag vriendelijk en stil op haar neder, als wilde zij haar niet storen in die zalige droomen der jeugd; zij weet het immers, die oude kameraad, hoe spoedig ze soms vervliegen—-
Boven in het slot scheen nog laat in den nacht het licht in de kamer der oude barones. Zij zat achterover in haar stoel geleund, en haar handen speelden met den witten zakdoek op haren schoot.
“En gij zegt, Army!” sprak zij vragend tot den jongen officier, die tegenover haar zat, “tante Stontheim heeft zelve den wensch te kennen gegeven, dat Blanka ons hier bezoeken zal?”
“Neen, lieve grootmama, dat is te veel gezegd,” antwoordde deze: “tante Stontheim is een zonderlinge vrouw; zij zegt eigenlijk nooit wat zij wenscht; zij sprak er over, dat de vermoeienissen van den winter Blanka verzwakt hadden, en vroeg mij, of de lucht onzer bosschen versterkend was; waarop ik natuurlijk, den wenk verstaande, aanstonds onze gastvrijheid aanbood.”
“Zeer voorbarig, mijn waarde Army! Ik moet bekennen, hier in dit ledige, eenzame slot aan een jonge, verwende dame eenigszins een genoeglijk leven te verschaffen, schijnt mij een moeielijke zaak toe. Het is onbescheiden van tante Stontheim, uw aanbod aan te nemen en dat nog wel voor die Blanka! Zij kan later haren vader verhalen, hoe men in het slot Derenberg gasten weet te ontvangen.” De oude dame lachte bitter.
Army zweeg; hij zag naar een mug, die om de lamp fladderde.
“Hoe ziet zij er toch eigenlijk wel uit, die Blanka?” vroeg de grootmoeder, na eenig stilzwijgen.
Army’s gelaat verhelderde zich. “Hoe zal ik u haar beschrijven, grootmama? Ik kan u alleen zeggen, dat Blanka een buitengewone verschijning is; men wordt verblind, als men haar voor de eerste maal ziet, en hoe meer men haar ontmoet, hoe meer zij iemand aan zich boeit.”
“Dat is de taal eens verliefden,” sprak de oude dame koel; “zooveel ik weet, had zij nooit aanleg eene schoonheid te worden.”
Army werd gloeiend rood onder de koude blikken der groote, zwarte oogen.
“Zij is ook eigenlijk niet schoon; zij heeft zoo iets—”
“Genoeg!” viel de oude barones hem ongeduldig in de rede; “zeg mij liever, hoe denkt men over de verhouding van tante tot Blanka, en wat heeft deze te hopen?”
“Zij gaat door voor de eenige erfgename harer tante. Veel hartelijkheid heb ik echter gedurende mijn veertiendaagsch verblijf, bij het Kerstfeest en den verjaardag van tante, tusschen die beiden niet kunnen bespeuren.”
De barones haalde minachtend de schouders op.
“Hebt gij uwe moeder het heuglijk bericht van het te wachten bezoek reeds medegedeeld?”
“Neen, noch aan mama, noch aan Nelly; zij waren niet alleen—de kleine uit den molen was bij haar.”
“Natuurlijk! Het is onbegrijpelijk. Ik heb eens voor altijd verzocht van hare tegenwoordigheid verschoond te blijven, en desniettegenstaande is zij de eerste en de laatste bij uwe moeder en zuster, die in haar een engel van schoonheid en goedheid zien. Maar, Army, waar ter wereld zal deze Blanka logeeren? Door wie zal zij bediend worden?”
“Ik had aan de kamer naast de uwe gedacht, grootmama! en de torenkamer zou tot zitkamer kunnen worden ingericht.”
“De torenkamer? Nooit!” riep de oude dame vertoornd uit; haar buitendien reeds bleek gelaat had in dit oogenblik een bijna spookachtig aanzien.
Army zag haar verschrikt aan.
“Zooals gij wilt, grootmama!”
“Schik dat met uwe moeder!” liet zij er haastig op volgen, “laat Blanka zitten waar zij wil! De torenkamer blijft gesloten, zoolang ik leef. Begeef u nu ter rust! Morgen spreken wij elkander nader.”
Army kuste hare hand en ging heen. Buiten op den corridor scheen de maan door de kleine ruiten der hooge ramen helder op den witten marmeren vloer.
“Nog altijd het oude liedje,” mompelde hij; “wat heeft dat nu weer te beteekenen met dat torenkamertje? En ik had mij zoo voorgesteld, het voor Blanka in te richten—”
“Voor Blanka!” Hij hield een oogenblik op; zijne gedachten vlogen terug naar de groote stad, naar de deftige villa met de hooge spiegelruiten en de met bloemen getooide veranda; dáár, boven op de tweede verdieping, achter de fijne kanten gordijnen, rustte zij nu zeker en sliep. Hij trad zijne kamer binnen; de vensters waren geopend, en de lucht voerde hem een stroom van geuren te gemoet; hij zag naar buiten in het door de maan beschenen park. Hij herinnerde zich dien winteravond, toen hij in deze zelfde kamer vertoefd had, nog onbekend met het leven, beangst voor de toekomst, en hoe hem toen de oude spreuk voor den schoorsteen zoo verrassend hoop en levensmoed gaf: “Vertrouw gerust op God, geluk is dan uw lot.” Was het geluk hem reeds ten deel gevallen? O, neen; het geluk zelf nog niet, maar toch de hoop er op. In den geest bevond hij zich bij tante Stontheim, in haar sierlijk salon.
Hij was, op de uitnoodiging der oude dame, de Kerstdagen te D. komen doorbrengen, en toen hij haar de hand kuste, die zij hem ter verwelkoming toereikte, had hij niet zeer vriendelijk gezien. Hem werd thee gediend, en een gevoel van onuitsprekelijke verveling beklemde zijne borst. Op eens was de deur opengedaan, en zweefde een meisjesgestalte de kamer binnen. De kroon aan den zolder wierp haar verblindend licht op een wezen, aan een elf gelijk, gehuld in een kleed van bleek groen krip, waardoor fijne, marmerwitte schouders zichtbaar werden, en over het blanke, smalle voorhoofd glinsterde het goudkleurig haar, dat langs den rug nederviel in zware, weelderige vlechten. Hij was opgesprongen en staarde haar aan, alsof hij eene geestverschijning zag. De jonge dame wierp den prachtigen ruiker van witte camélia’s op de tafel, ijlde hem voorbij, en begroette hare tante.
“Agnese!” klonk het in zijn binnenste; “de schoone Agnese Mathilde uit de familiezaal ’t huis!”
“Is het reeds zóó laat?” vroeg hare tante, een onderzoekenden blik op de bekoorlijke gestalte werpende, en toen op hem wijzende, zeide zij:
“Lieve Blanka, uw neef Armand van Derenberg, die gedurende de feestdagen onze gast zijn zal!”
De jonge dame, met hare donkere oogen, had een vluchtigen blik op hem geworpen; hij staarde haar nog steeds aan; hij kon niet anders; voor hem stond immers zij, de schoone Agnese Mathilde, alsof zij zoo uit haar vergulde lijst getreden was! Ja zeker, hij had zich zeer links gedragen; het bloed steeg hem nog gloeiend heet naar boven, als hij daaraan dacht. Toen had hij, op verzoek zijner tante, haastig toilet gemaakt, en was met de dames in een prachtig rijtuig uitgereden, was een vorstelijk verlichte zaal binnengetreden, en had met Blanka gedanst; hij had haar verteld, dat er thuis in het slot een portret in de familiezaal hing, dat haar sprekend geleek, en waarvoor hij als knaap uren lang had gestaan zonder zich ooit aan het aanschouwen te kunnen verzadigen.
Zij had toen gelachen, en hem gezegd, dat zij wel lust had de proef te nemen en er naast te gaan staan, om te zien, of het niet veel meer inbeelding was dan werkelijke gelijkenis. Trouwens, die oogen, die diep treurige oogen, bezat zij niet; wel waren zij ook donker, maar die onbegrijpelijke smart lag er niet in; hoe was dit ook mogelijk? Was zij niet zóó jong, zóó vroolijk, zóó gevierd!—Hij volgde haar met zijn blikken, toen zij hem in den dans voorbijzweefde; als een goudkleurige sluier omgaf het loshangende haar het bleeke gelaat; hij kon zich niet verzadigen aan dien wondervollen tooi; hij benijdde elk, die met haar danste, en verheugde zich in het vooruitzicht van den heiligen avond, om welken te vieren hij toch eigenlijk gekomen was, en dien men zeker stil in den huiselijken kring zou doorbrengen.
Maar juist dáár was zij hem het minste bevallen; niet, dat zij er minder bekoorlijk had uitgezien—zeker niet; de gouden sluier lag zoo wonderschoon op het donkerblauwe zijden kleed; de lichten van den Kerstboom weefden schitterende vonken daarin, maar de vroolijke lach, die een gelaat eerst waarlijk betooverend maakt, ontbrak; de innige Kerstvreugde miste hij geheel in Blanka’s zwarte oogen.
Daarop volgde het eene feest het andere, en eindelijk moest hij vertrekken, hoe zwaar het hem ook viel. Hij bad zijne tante, spoedig terug te mogen keeren, en in den borstzak zijner uniform droeg hij een sierlijk étui van juchtleder, een geschenk zijner nicht; dit was zijn kleinood geworden, want daarin lag een lange lok rood, zacht vrouwenhaar. Zij gaf hem op zijn verzoek het haar al schertsend, opdat hij zou kunnen vergelijken, welk het meest goudkleurig was, dat op het portret in de familiezaal, of het hare.
Army stond nog aan het geopende venster in het donkere vertrek; hij haalde haastig het étui te voorschijn en beschouwde in het maanlicht de haarlok, die van boven en van onderen sierlijk met een blauw zijden lintje was vastgemaakt; hij drukte ze aan zijne lippen, en heerlijke beelden der toekomst kwamen hem voor den geest; hij zag zich weder gevestigd in het slot zijner vaderen; zij stond naast hem in den zomernacht; hij hield den arm om haar heen geslagen, en het lokkige hoofd rustte aan zijne borst; buiten op het eenzame voorplein murmelde weder na langen tijd een frissche fontein, nieuw vroolijk leven aankondigende.
Hoe schoon was deze droom der toekomst! Maar het was immers slechts een droom; en de werkelijkheid?—Army huiverde; zij stelde hem eischen, die hem deden terugschrikken; deze vervelende, ongelukkige werkelijkheid.—Waar zou hij de middelen vinden, om voor de schoone gast de treurige armoede in het slot Derenberg te verbergen? Dat geld, o, dat booze geld!
Hij zag droomend naar het park. De nachtwind was opgestoken en ruischte door de boomen. “Het is tijd om te gaan slapen,” zeide de jonge dweeper. Met zachten tred verliet hij de zaal en zocht zijne legerstede op. In den droom verscheen hem de schoone Agnese Mathilde. Zij stond vóór hem in een zilverkleurig zijden gewaad, en daarover lag een gouden sluier; zij zag hem met hare groote, treurige oogen aan en hief waarschuwend de hand omhoog:
“Let daarom op de kleur van ’t haar,
En is dat rood, dan dreigt gevaar.”
klonk het in zijn oor.
Бесплатный фрагмент закончился.
