Читать книгу: «Een Troon Voor Zusters»
EEN TROON VOOR ZUSTERS
(BOEK 1)
MORGAN RICE
Morgan Rice
Morgan Rice is de bestverkopende (USA Today) auteur van de epische fantasy-serie De tovenaarsring (bestaande uit zeventien boeken), van de bestverkopende serie De vampierverslagen (bestaande uit twaalf boeken), van de bestverkopende serie De survival-trilogie, een post-apocalyptische actiethriller bestaande uit drie boeken, en van de epische fantasy-serie Koningen en tovenaars (zes boeken), van de nieuwe epische fantasy-serie Over kronen en glorie (bestaande uit acht boeken) en van de nieuwe epische fantasy-serie Een troon voor zusters.
Morgans boeken zijn verkrijgbaar in audio en gedrukte edities en de boeken zijn vertaald in meer dan 25 talen. Morgan zou het leuk vinden iets van je te horen, dus breng gerust een bezoekje aan www.morganricebooks.com om je in te schrijven voor de nieuwsbrief, een gratis boek of giveaways te ontvangen, de gratis app te downloaden, op de hoogte te blijven van het laatste nieuws, en via Facebook en Twitter in contact te blijven.
Wat de pers zegt over Morgan Rice
“Als je dacht dat er geen reden meer was om te leven na het einde van de serie De tovenaarsring, dan had je het mis. Met De opkomst van de draken komt Morgan Rice wederom met een briljante, veelbelovende nieuwe serie. We worden meegesleept in een fantasie over trollen en draken, moed, eer, magie en geloof in je lotsbestemming. Morgan is er weer in geslaagd om sterke personages neer te zetten, die we op elke pagina willen toejuichen. Aanbevolen voor de bibliotheek van liefhebbers van goed geschreven fantasy-verhalen.”
--Books and Movie Reviews, Roberto Mattos
“Een fantasy vol actie die ongetwijfeld fans van Morgan Rice’s vorige novels zal bekoren. Ook liefhebbers van boeken als The inheritance cycle van Christopher Paolini. en van Young Adult fictie zullen dit meest recente werk van Rice verslinden en uitzien naar meer.”
--The Wanderer, A Literary Journal (over De Opkomst van de Draken)
“Een fantasy waarbij elementen van mysterie en intriges in de verhaallijn zijn verweven. Een Zoektocht van Helden draait om moed en om het besef dat een levensdoel leidt tot groei, volwassenheid, en excellentie Voor degenen die op zoek zijn naar stevige fantasy-avonturen bieden de hoofdpersonen en de actie een krachtige verzameling ontmoetingen, gericht op de ontwikkeling van Thor: van een dromerig kind naar een jonge volwassene, met haast onmogelijke overlevingskansen. Het begin van een veelbelovende epische tienerserie.”
--Midwest Book Review (D. Donovan, eBook Reviewer)
“De tovenaarsring heeft alle ingrediënten voor direct succes: samenzweringen, intriges, mysterie, dappere ridders en opbloeiende relaties, gebroken harten, bedrog en verraad. Het boeit urenlang en is geschikt voor alle leeftijden. Aanbevolen voor de collectie van alle liefhebbers van fantasy.”
--Books and Movie Reviews, Roberto Mattos
“In dit eerste boek vol actie uit de epische Tovenaarsring-serie (die nu 14 boeken bevat), stelt Rice de lezers voor aan de 14-jarige Thorgrin “Thor” McLeod. Hij droomt ervan om zich aan te sluiten bij de krijgsmacht van de Zilveren: de eliteridders die de koning dienen. Rice schrijft goed en de theorie is intrigerend.”
--Publishers Weekly
BOEKEN VAN MORGAN RICE
DE WEG VAN STAAL
ALLEEN DE WAARDIGE (boek 1)
EEN TROON VOOR ZUSTERS
EEN TROON VOOR ZUSTERS (boek 1)
EEN HOF VOOR DIEVEN (boek 2)
EEN LIED VOOR WEZEN (boek 3)
OVER KRONEN EN GLORIE
SLAAF, KRIJGER, KONINGIN (boek 1)
REBEL, GEVANGENE, PRINSES (boek 2)
RIDDER, ERFGENAAM, PRINS (boek 3)
OPSTANDELING, PION, KONING (boek 4)
SOLDAAT, BROEDER, TOVENAAR (boek 5)
HELD, VERRADER, DOCHTER (boek 6)
HEERSER, RIVAAL, BANNELING (boek 7)
OVERWINNAAR, VERLIEZER, ZOON (boek 8)
KONINGEN EN TOVENAARS
DE OPKOMST VAN DE DRAKEN (boek 1)
DE OPKOMST VAN DE HELDHAFTIGE (boek 2)
DE ZWAARTE VAN EER (boek 3)
EEN SMIDSVUUR VAN MOED (boek 4)
EEN RIJK VAN SCHADUWEN (boek 5)
NACHT VAN DE DAPPEREN (boek 6)
DE TOVENAARSRING
EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN (boek 1)
EEN MARS VAN KONINGEN (boek 2)
EEN LOT VAN DRAKEN (boek 3)
EEN SCHREEUW VAN EER (boek 4)
EEN GELOFTE VAN GLORIE (boek 5)
EEN AANVAL VAN MOED (boek 6)
EEN RITE VAN ZWAARDEN (boek 7)
EEN GIFT VAN WAPENS (boek 8)
EEN HEMEL VAN SPREUKEN (boek 9)
EEN ZEE VAN SCHILDEN (boek 10)
EEN BEWIND VAN STAAL (boek 11)
EEN LAND VAN VUUR (boek 12)
EEN HEERSCHAPPIJ VAN KONINGINNEN (boek 13)
EEN EED VAN BROEDERS (boek 14)
EEN DROOM VAN STERVELINGEN (boek 15)
EEN STEEKSPEL VAN RIDDERS (boek 16)
HET GESCHENK VAN DE STRIJD (boek 17)
DE SURVIVAL TRILOGIE
ARENA EEN: SLAVERUNNERS (boek 1)
ARENA TWEE (boek 2)
ARENA DRIE (boek 3)
VAMPIER, GEVALLEN
VOOR ZONSOPKOMST (boek 1)
DE VAMPIERVERSLAGEN
VERANDERD (boek 1)
GELIEFD (boek 2)
VERRADEN (boek 3)
VOORBESTEMD (boek 4)
VERLANGD (boek 5)
VERLOOFD (boek 6)
BELOOFD (boek 7)
GEVONDEN (boek 8)
HERREZEN (boek 9)
BEGEERD (boek 10)
VERDOEMD (boek 11)
GEOBSEDEERD (boek 12)
Wil jij ook gratis boeken?
Meld je aan voor de nieuwsbrief van Morgan Rice en ontvang vier gratis boeken, drie gratis kaarten, een gratis app, een gratis game, een gratis beeldroman en exclusieve giveaways! Om je in te schrijven, ga je naar:
www.morganricebooks.com
Copyright © 2017 Morgan Rice. Alle rechten voorbehouden. Behalve zoals toegestaan onder de V.S. Copyright Act van 1976, mag geen enkel deel van deze publicatie worden gereproduceerd, gedistribueerd of overgedragen worden, in wat voor vorm dan ook, of worden opgeslagen in een database of zoeksysteem, zonder de voorafgaande toestemming van de auteur.
Dit ebook is uitsluitend voor jou persoonlijk bedoeld. Dit ebook mag niet doorverkocht worden of weggeven worden aan andere mensen. Als je dit boek met iemand anders wil delen, schaf dan een extra exemplaar aan. Als je dit boek leest en je hebt het niet aangeschaft, of het is niet voor jouw gebruik aangeschaft, geef het dan terug en schaf je eigen exemplaar aan. Bedankt voor het respecteren van het harde werk van deze auteur.
Dit verhaal is fictie. Namen, personages, bedrijven, organisaties, plaatsen, evenementen en incidenten zijn een product van de fantasie van de auteur of zijn fictief gebruikt. Enige overeenkomst met echte personen, levend of dood, is geheel toevallig.
INHOUD
HOOFDSTUK EEN
HOOFDSTUK TWEE
HOOFDSTUK DRIE
HOOFDSTUK VIER
HOOFDSTUK VIJF
HOOFDSTUK ZES
HOOFDSTUK ZEVEN
HOOFDSTUK ACHT
HOOFDSTUK NEGEN
HOOFDSTUK TIEN
HOOFDSTUK ELF
HOOFDSTUK TWAALF
HOOFDSTUK DERTIEN
HOOFDSTUK VEERTIEN
HOOFDSTUK VIJFTIEN
HOOFDSTUK ZESTIEN
HOOFDSTUK ZEVENTIEN
HOOFDSTUK ACHTTIEN
HOOFDSTUK NEGENTIEN
HOOFDSTUK TWINTIG
HOOFDSTUK EENENTWINTIG
HOOFDSTUK TWEEËNTWINTIG
HOOFDSTUK DRIEËNTWINTIG
HOOFDSTUK VIERENTWINTIG
HOOFDSTUK VIJFENTWINTIG
HOOFDSTUK ZESENTWINTIG
HOOFDSTUK ZEVENENTWINTIG
HOOFDSTUK EEN
Van alle dingen die ze haatte in het Huis van de Niet-Opgeëisten, vond Sophia de slijpschijf het afschuwelijkst. Ze kreunde van de inspanning toen ze tegen de dwarsbalk duwde die vast zat aan de enorme paal die in de vloer verdween, terwijl om haar heen de andere weeskinderen tegen hun eigen balken duwden. Haar lichaam deed pijn terwijl ze duwde en haar rode haar plakte tegen haar gezicht. Haar ruwe grijze jurk zat al onder de zweetplekken. De jurk was nu korter dan ze wilde en kroop met elke stap omhoog, waardoor de tatoeage op haar kuit zichtbaar werd.. Het was een tatoeage van een masker, een merkteken voor wat ze was: een weeskind, een bezit.
De andere meisjes hadden het nog slechter. Met haar zeventien jaar was Sophia tenminste nog een van de grootsten en oudsten. De enige persoon in de kamer die ouder was dan zij, was zuster O’Venn. De non van de Gemaskerde Godin droeg het gitzwarte habijt van haar orde en een kanten masker waarvan elk weeskind al snel in de gaten had dat ze er doorheen kon kijken en het kleinste foutje kon zien. De zuster had een leren riem die ze gebruikte om hen te straffen. Ze rekte hem uit tussen haar handen terwijl ze woorden uit het Boek der Maskers prevelde: preken over de noodzaak om verlaten zielen zoals zij te perfectioneren.
“Hier leer je jezelf nuttig te maken,” zei ze. “Hier leer je om waardevol te zijn, hoewel je dat niet was voor de gevallen vrouwen die jullie ter wereld hebben gebracht. De Gemaskerde Godin vertelt ons dat onze inspanningen onze plaats in de wereld vorm geven, en vandaag zullen jullie inspanningen de handmolens laten draaien die het mais vermalen en… Opletten, Sophia!”
Sophia kromp ineen toen ze de klap van de riem voelde. Ze beet op haar kiezen. Hoe vaak hadden de zusters haar wel niet geslagen? Omdat ze iets verkeerd deed, of omdat ze het goede niet snel genoeg deed? Omdat haar schoonheid op zich al als een zonde werd beschouwd? Omdat ze het vuurrode haar van een lastpak had?
Als ze eens wisten wat voor talent ze had. Ze huiverde bij de gedachte. Als ze het wisten, zouden ze haar doodslaan.
“Negeer je me, stomme meid?” wilde de non weten. Ze haalde nog eens uit, en nog eens. “Kniel met je gezicht naar de muur, jullie allemaal!”
Dat was nog het ergste: het maakte niet uit als je alles goed deed. De zusters sloegen iedereen voor het falen van één meisje.
“Jullie moeten herinnerd worden,” snauwde zuster O’Venn terwijl Sophia een meisje hoorde gillen, “aan wat jullie zijn. Aan wáár jullie zijn.” Een ander meisje huilde toen de leren riem haar vlees raakte. “Jullie zijn de kinderen die niemand wilde hebben. Jullie zijn eigendom van de Gemaskerde Godin die zo genadig was om jullie een huis te geven.”
Ze beende door de ruimte. Sophia wist dat zij als laatste aan de beurt zou zijn. De bedoeling was dat zij zich schuldig zou voelen voor de pijn van de anderen en dat zij de tijd kregen om haar te haten voor wat ze had veroorzaakt, voordat ze zelf haar pak slaag kreeg.
Het pak slaag waar ze op haar knieën op zat te wachten.
Terwijl ze gewoon weg zou kunnen gaan.
De gedachte kwam zo plotseling in haar opborrelen dat Sophia moest checken of het niet een gedachte van haar jongere zusje was, of iets dat ze van een van de anderen had opgepikt. Dat was het probleem met haar talent: het kwam wanneer het wilde, niet wanneer ze erom vroeg. Maar het leek erop dat de gedachte echt van haar was—en bovenal, dat het waar was.
Het was beter om de dood te riskeren dan hier nog een dag langer te blijven.
Als ze het waagde om weg te lopen, zou de straf natuurlijk nog erger zijn. Ze vonden altijd wel een manier om het erger te maken. Sophia had meisjes gezien die hadden gestolen of terug hadden gevochten. Zij werden dagenlang uitgehongerd, gedwongen om op hun knieën te blijven zitten en geslagen wanneer ze in slaap vielen.
Maar het kon haar niet meer schelen. Ergens in haar was een grens overschreden. De angst deed haar niets, want die werd overschaduwd door de angst van wat er spoedig toch zou gebeuren.
Vandaag was tenslotte haar zeventiende verjaardag.
Ze was nu oud genoeg om haar schuld van de jarenlange “zorg” door de nonnen te vereffenen, om verkocht te worden als vee. Sophia wist wat er gebeurde met weeskinderen die volwassen werden. Vergeleken daarmee was een pak slaag niets.
Ze had er al weken aan gedacht. Ze had opgezien tegen deze dag, haar verjaardag.
En nu was het zover.
Tot haar eigen verbazing kwam Sophia in actie. Ze stond soepel op en keek om zich heen. De non had haar aandacht op een ander meisje gevestigd en was bezig haar toe te takelen, dus het was niet moeilijk om ongezien naar de deur te komen. De andere meisjes merkten het waarschijnlijk niet eens, en als ze dat wel deden waren ze te bang om iets te zeggen.
Sophia stapte een van de witte, sobere gangen van het weeshuis in en liep stilletjes bij de werkkamer weg. Er liepen andere nonnen rond, maar zolang ze doelbewust bewoog, hadden ze geen reden om haar tegen te houden.
Wat had ze gedaan?
Sophia liep in een waas door het Huis van de Niet-Opgeëisten en kon nauwelijks geloven dat ze dit echt ging doen. Er waren redenen dat ze niet de moeite namen om de poorten op slot te doen. De stad daarachter was een wrede plek en nog wreder voor hen die het leven als weeskind waren begonnen. Ashton had dieven en misdadigers zoals elke stad, maar er liepen ook jagers rond die de onvrijen opnieuw gevangennamen en vrije mensen die haar verachtten voor wat ze was.
En dan was er haar zusje. Kate was pas vijftien. Sophia wilde haar niet meesleuren in iets ergers. Kate was een taaie, taaier zelfs nog dan zij, maar ze was nog altijd Sophia’s kleine zusje.
Sophia liep richting het kloosterhof en de binnenplaats, waar ze de meisjes mengden met de jongens van het naastgelegen weeshuis, en probeerde te bedenken waar haar zusje zou kunnen zijn. Ze kon niet zonder haar weggaan.
Ze was er bijna toen ze een meisje hoorde schreeuwen.
Sophia ging op het geluid af, half in de verwachting dat haar kleine zusje zich weer in de problemen had gewerkt. Toen ze de tuin bereikte, was het echter niet Kate die in een vechtpartij verwikkeld was, maar een ander meisje. Zij was zelfs nog jonger, een jaar of dertien misschien. Ze werd geduwd en geslagen door drie jongens die bijna oud genoeg moesten zijn om verkocht te worden als contractarbeider of aan het leger.
“Hou daarmee op!” riep Sophia uit. Ze verraste zichzelf zoals ze de jongens leek te verrassen. De regel was dat je gewoon voorbijliep als er iets gebeurde in het weeshuis. Je hield je stil en vergat niet wat je plaats was. Maar nu liep ze recht op hen af.
“Laat haar met rust.”
De jongens stopten met wat ze aan het doen waren, maar alleen om naar haar te staren.
De oudste jongen keek haar aan met een kwaadaardige glimlach op zijn gezicht.
“Nou, nou, jongens,” zei hij. “Het ziet ernaar uit dat we er nog één hebben die niet is waar ze moet zijn.”
Hij had lompe gelaatstrekken en een dode blik in zijn ogen; een blik die je alleen zag bij kinderen die jarenlang in het Huis van de Niet-Opgeëisten hadden doorgebracht.
Hij deed een stap naar voren, en voor ze kon reageren had hij Sophia’s arm vastgepakt. Ze wilde hem slaan, maar hij was te snel en duwde haar tegen de grond. Op momenten als deze wenste Sophia dat ze de gevechtsvaardigheden van haar jongere zusje had, haar vermogen om een soort beestachtigheid op te roepen. Dat was iets waar Sophia, ondanks haar geslepenheid, simpelweg niet toe in staat was.
Gaat toch als een hoer verkocht worden… kan er net zo goed gebruik van maken.
Sophia schrok toen ze zijn gedachten hoorde. Ze gingen gepaard met een soort vettig gevoel, en ze wist dat het de zijne waren. Paniek welde in haar op.
Ze verzette zich, maar hij drukte haar armen met gemak tegen de grond.
Ze kon nog maar één ding doen. Ze concentreerde zich en riep haar talent aan, hopend dat het deze keer voor haar zou werken.
Kate, stuurde ze, de binnenplaats! Help me!
***
“Eleganter, Kate!” riep de non. “Nog eleganter!”
Kate had niet veel tijd voor elegantie, maar deed toch haar best terwijl ze water in de drinkbeker van de zuster goot. Zuster Yvaine keek streng toe van onder haar masker.
“Nee, je hebt het nog steeds niet. En ik weet dat je niet onhandig bent, meisje. Ik heb je radslagen zien doen op de binnenplaats.”
Ze had Kate er echter niet voor gestraft, wat suggereerde dat Zuster Yvaine niet de kwaadste was. Kate probeerde het weer, met trillende handen.
Zij en de andere meisjes moesten leren om elegant te serveren bij de tafels van de adel, maar Kate was er niet voor gebouwd. Ze was te kort en te strak gespierd voor het soort gracieuze vrouwelijkheid dat de nonnen in gedachten hadden. Er was een reden dat ze haar rode haar kort hield. In een ideale wereld, waar ze vrij was om haar eigen keuzes te maken, verlangde ze naar een leerplaats bij een wapensmid, of misschien een van de toneelgroepen die in de stad werkten. Of misschien zelfs een kans om het leger in te gaan, zoals de jongens. Dit sierlijke inschenken was een les die haar zus, met haar droom van aristocratie, leuk gevonden zou hebben. Maar zij niet.
Alsof de gedachte haar had opgeroepen, schrok Kate ineens op. Ze hoorde de stem van haar zus in haar hoofd. Even twijfelde ze; hun talent was niet altijd even betrouwbaar.
Maar toen ze het weer hoorde, merkte ze dat er ook een gevoel achter zat.
Kate, de binnenplaats! Help me!
Kate kon haar angst voelen.
Ze deed onwillekeurig abrupt een stap achteruit en morstte het water uit de kan over de stenen vloer.
“Het spijt me,” zei ze. “Ik moet weg.”
Zuster Yvaine staarde naar het water op de vloer.
“Kate, ruim dat onmiddellijk op!”
Maar Kate had het al op een rennen gezet. Ze zou er later waarschijnlijk een pak slaag voor krijgen, maar dat kreeg ze wel vaker. Dat was niet belangrijk. Het helpen van de enige persoon waar ze om gaf was dat wel.
Ze rende door het weeshuis. Ze kende de weg, want in de jaren sinds die afschuwelijke nacht dat ze haar hier hadden achtergelaten, had ze alle hoeken en gaten leren kennen. Ze sloop ook geregeld ’s nachts weg om aan het eindeloze gesnurk en de stank op de slaapzaal te ontsnappen. Ze genoot van de duisternis wanneer zij de enige was die wakker was, wanneer er niets te horen was behalve het luiden van de stadsklokken. Op zulke momenten leerde ze alle spleten in de muren kennen. Ze had altijd het gevoel gehad dat ze daar op een dag iets aan zou hebben.
En nu was het zover.
Kate kon haar zus horen vechten en om hulp roepen. Instinctief dook ze een kamer in, greep een pook uit het haardrooster en rende verder. Ze wist niet wat ze ermee zou doen.
Ze stormde de binnenplaats op. Haar hart kromp samen toen ze zag hoe haar zus door twee jongens tegen de grond werd gedrukt, terwijl een derde aan haar jurk futselde.
Kate wist precies wat ze moest doen.
Ze werd overgenomen door een oerdrift, een woede die ze niet onder controle kon houden. Ze rende brullend naar voren en haalde met de pook uit naar het hoofd van de eerste jongen. Hij draaide zich om op het moment dat Kate sloeg, dus ze raakte hem niet zo goed als ze gewild had. Toch was de klap hard genoeg om hem tegen de grond te krijgen. Hij greep naar de plek die ze had geraakt.
Ze haalde uit naar een andere jongen en raakte hem op zijn knie, waardoor hij struikelde. Ze sloeg de derde in zijn maag tot hij dubbelklapte.
Ze bleef slaan, want ze wilde de jongens geen tijd geven om zich te herstellen. Ze had genoeg gevochten in haar tijd in het weeshuis en ze wist dat ze niet op grootte of spierkracht kon vertrouwen. Woede was het enige dat ze had om zichzelf staande te houden. En daar had Kate godzijdank geen gebrek aan.
Ze bleef slaan tot de jongens alle drie op de grond lagen. Ze waren wellicht bereid om bij het leger te gaan, maar de Gemaskerde Broeders aan hun kant leerden hen niet om te vechten. Dat zou er alleen maar voor zorgen dat ze moeilijker onder controle te houden waren. Kate sloeg een van de jongens in zijn gezicht en draaide om haar as om een andere jongen op zijn elleboog te raken. Ze hoorde het kraken van botten toen het ijzer hem raakte.
“Sta op,” zei ze tegen haar zus terwijl ze haar hand uitstak. “Sta op!”
Haar zus krabbelde verdoofd overeind en pakte Kate’s hand vast, alsof zij voor de verandering het jongere zusje was.
Kate zette het op een rennen en haar zus rende met haar mee. Sophia leek weer tot zichzelf te komen terwijl ze door de gangen van het weeshuis stormden.
Achter hen hoorde Kate geschreeuw, van jongens of zusters of beide. Het kon haar niet schelen. Ze wist dat vluchten hun enige kans was.
“We kunnen niet terug,” zei Sophia. “We moeten het weeshuis verlaten.”
Kate knikte. Iets als dit zou niet alleen maar een pak slaag opleveren. Maar toen herinnerde Kate zich iets.
“Dan gaan we,” antwoordde Kate. “Alleen eerst moet ik -”
“Nee,” zei Sophia. “Er is geen tijd meer. We laten alles achter. We moeten gáán.”
Kate schudde haar hoofd. Er waren dingen die ze niet zomaar achter kon laten.
Dus ze rende in de richting van haar slaapzaal en trok Sophia aan haar arm met zich mee.
De slaapzaal was een sombere plek, met bedden die niet veel meer waren dan houten latten die als boekenplanken uit de muur staken. Kate was niet zo dom om iets belangrijks in de kleine kist bij het voeteneinde van haar bed te stoppen, waar iedereen het kon stelen. In plaats daarvan liep ze naar een spleet tussen twee vloerplanken, en wrikte met haar vingers tot een van de vloerplanken omhoogkwam.
“Kate,” hijgde Sophia, die op adem probeerde te komen, “we hebben geen tijd meer.”
Kate schudde haar hoofd.
“Ik laat het niet achter.”
Sophia moest weten waarvoor ze was teruggekomen; de enige herinnering die ze had aan die nacht, aan haar oude leven.
Eindelijk sloten Kate’s vingers zich rond het metaal en ze pakte het medaillon op, glimmend in het schemerige licht.
Toen ze klein was, was ze er zeker van geweest dat het echt van goud was en een fortuin waard. Later was ze erachter gekomen dat het een goedkopere legering was, maar tegen die tijd was het voor haar allang meer waard geworden dan goud. De miniatuur in het medaillon, een glimlachende vrouw en een man die zijn hand op haar schouder had, was de enige herinnering die ze nog had aan haar ouders.
Kate droeg het medaillon normaal gesproken niet, uit angst dat een van de andere kinderen of de nonnen het zouden afpakken. Nu stopte ze het in haar jurk.
“We gaan,” zei ze.
Ze renden naar de deuren van het weeshuis, die geacht werden altijd open te zijn omdat de Gemaskerde Godin voor gesloten deuren had gestaan toen ze de wereld bezocht, en de bewoners had vervloekt. Kate en Sophia renden door de gangen en kwamen in de hal. Ze keken om zich heen, op hun hoede voor achtervolgers.
Kate kon ze horen, maar op dat moment stond er slechts een zuster bij de deur: een dikke vrouw die hen de weg versperde toen ze naderden. Kate liep rood aan; ze herinnerde zich alle jaren van slaag door de handen van deze vrouw.
“Daar zijn jullie,” zei ze op strenge toon. “Jullie zijn allebei erg ongehoorzaam geweest en -”
Kate aarzelde geen seconde; ze sloeg haar met de pook in haar maag, hard genoeg om haar dubbel te laten klappen. Ze wenste dat haar pook een van de elegante zwaarden was die de hovelingen bij zich droegen, of misschien een bijl. Maar ze moest het doen met wat ze had, en de vrouw lang genoeg zien af te leiden om langs haar heen te kunnen rennen.
Maar op het moment dat Kate door de deuren ging, stopte ze.
“Kate!” schreeuwde Sophia in paniek. “Laten we gaan! Waar ben je mee bezig?”
Maar Kate kon er niets aan doen, ondanks het geschreeuw van hun achtervolgers die steeds dichterbij kwamen. Ondanks de wetenschap dat ze hun vrijheid op het spel zette.
Ze deed twee stappen naar voren, hief de pook boven haar hoofd, en sloeg de non keer op keer tegen haar rug.
De non kreunde en schreeuwde het uit bij elke klap. Het klonk als muziek in Kate’s oren.
“Kate!” smeekte Sophia, terwijl de tranen in haar ogen sprongen.
Kate staarde een lange tijd naar de non, te lang. Ze mocht dat beeld van wraak, van rechtvaardigheid, niet vergeten. Ze wist dat het haar op de been zou houden, wat voor afschuwelijke martelingen er ook zouden volgen.
Toen draaide ze zich om, en ze stormde met haar zus het Huis van de Niet-Opgeëisten uit, als twee vluchtelingen van een zinkend schip. De stank, het lawaai en de drukte van de stad sloegen Kate in haar gezicht, maar deze keer vertraagde ze niet.
Ze hield de hand van haar zus vast en rende.
En rende.
En rende.
En ondanks alles haalde ze diep adem en glimlachte breed.
Hoe kortstondig het ook zou zijn, ze waren eindelijk vrij.
HOOFDSTUK TWEE
Sophia was nog nooit zo bang geweest, maar tegelijkertijd had ze zich nog nooit zo levend gevoeld, of zo vrij. Terwijl ze met haar zusje door de stad rende hoorde ze Kate gilletjes van opwinding slaken, wat geruststellend en angstaanjagend tegelijk was. Het maakte dit heel erg echt. Hun levens zouden nooit meer hetzelfde zijn.
“Stil,” drong Sophia aan. “Anders komen ze achter ons aan.”
“Ze komen toch wel,” antwoordde haar zusje. “We kunnen er net zo goed van genieten.”
Ze ontweek een paard, griste een appel van een wagen en rende verder door de straten van Ashton, alsof ze haar punt wilde benadrukken.
Het was druk in de stad vanwege de markt die elke Zesdedag werd gehouden en Sophia keek om zich heen, overweldigd door alles wat ze zag en hoorde en rook. Als er geen markt was geweest, had ze niet geweten welke dag het was. In het Huis van de Niet-Opgeëisten waren dat soort dingen niet belangrijk. Alleen de eindeloze cyclus van gebeden en werk, straf en routines deed ertoe.
Ren sneller, stuurde haar zusje.
Het gefluit en geschreeuw ergens achter hen spoorde haar aan om sneller te rennen. Sophia leidde hen een steeg in en volgde Kate met veel moeite toen ze over een muur heen klom. Haar onstuimige zusje was snel, als een sterke, gespannen spier die zich ieder moment kon uitstrekken.
Sophia kon maar net op de muur komen. Er werd weer gefloten. Toen ze de bovenkant naderde wachtte Kate’s sterke hand haar op, zoals altijd. Zelfs hierin waren ze verschillend, besefte ze: Kate’s handen waren ruw, eeltig en gespierd, terwijl Sophia’s vingers lang en glad en delicaat waren.
Twee zijden van dezelfde munt, had hun moeder altijd gezegd.
“Ze hebben de wacht opgeroepen,” riep Kate ongelovig uit, alsof dat niet eerlijk was.
“Wat had je dan verwacht?” antwoordde Sophia. “We zijn ervandoor gegaan voor ze ons konden verkopen.”
Kate leidde hen een smalle stenen trap af richting een plein waar veel mensen zich verdrongen. Sophia dwong zichzelf om langzamer te gaan lopen terwijl ze de markt naderden en greep Kate’s onderarm vast.
We gaan beter op in de menigte als we niet rennen, stuurde Sophia, te erg buiten adem om te spreken.
Kate leek te twijfelen, maar vertraagde toch tot Sophia’s tempo.
Ze liepen langzaam langs mensen die opzij gingen, zichtbaar niet bereid om contact te riskeren met mensen die zo minderwaardig waren als zij. Misschien dachten de mensen dat ze erop uit waren gestuurd om een boodschap te doen.
Sophia dwong zichzelf om te doen alsof ze gewoon aan het rondkijken waren, terwijl ze de menigte als camouflage gebruikten. Ze keek om zich heen, naar de torenklok boven de tempel van de Gemaskerde Godin, naar de kraampjes en naar de winkels met glazen ruiten die erachter lagen. In een hoek van het plein zag ze een groep acteurs die, gekleed in doordachte kostuums, een van de traditionele verhalen uitbeeldden. Eén van de censoren keek vanaf de rand van het publiek toe. Er stond een recruiter van het leger op een kist, die probeerde troepen te werven voor de naderende oorlog, een dreigende strijd die op het Mes-Water Kanaal zou plaatsvinden.
Sophia zag haar zusje naar de recruiter staren en trok haar mee.
Nee, stuurde Sophia. Dat is niet voor jou.
Kate wilde net antwoorden toen ze ineens weer geschreeuw achter zich hoorden.
Ze gingen ervandoor.
Sophia wist dat niemand hen nu zou helpen. Dit was Ashton, wat betekende dat zij en Kate degenen waren die verkeerd zaten. Niemand zou proberen om twee weglopers te helpen.
Sterker nog, toen ze opkeek, zag Sophia dat iemand hen de weg probeerde te versperren. Niemand zou twee weeskinderen laten ontsnappen.
Handen graaiden naar hen. Nu moesten ze zich een weg door de menigte heen vechten. Sophia sloeg een hand van haar schouder, terwijl Kate venijnig met haar gestolen pook om zich heen stak.
Er ontstond ruimte voor hen. Sophia zag haar zusje naar een verlaten houten steiger naast een stenen muur rennen, waar werklui bezig moesten zijn geweest om een gevel recht te zetten.
Nog meer klimmen? stuurde Sophia.
Ze zullen ons niet volgen, stuurde haar zusje terug.
Daar had ze waarschijnlijk wel gelijk in, al was het maar omdat de gewone mensen niet bereid waren om hun levens te riskeren. Sophia zag er toch tegenop, maar ze kon op dat moment geen beter idee bedenken.
Haar trillende handen sloten zich rond de houten latten van de steiger, en ze begon te klimmen. Binnen enkele seconden begonnen haar armen al pijn te doen, maar inmiddels was het een kwestie van doorgaan of vallen. En zelfs als er geen straatstenen onder hen hadden gelegen, wilde Sophia niet in de menigte vallen die hen achtervolgde.
Kate wachtte boven al op haar, nog steeds grijzend alsof het allemaal een spelletje was. Haar hand was er weer, ze trok Sophia omhoog en ze renden verder, deze keer over de daken heen.
Kate leidde hen naar een opening die naar een ander dak leidde en sprong in het riet alsof de risico’s haar niets konden schelen. Sophia volgde haar en vocht tegen de behoefte om het uit te schreeuwen toen ze bijna uitgleed. Toen sprong ze met haar zus op een lager gelegen gedeelte, waar een tiental schoorstenen rook uit een oven spuwden.
Kate wilde verder rennen, maar Sophia, die een kans zag, greep haar vast en trok haar terug in het riet.
Wacht, stuurde ze.
Tot haar verbazing sprak Kate haar niet tegen. Ze keek om zich heen terwijl ze daar zaten, ineengedoken op een plat gedeelte van het dak, de hitte van de vuren onder hen negerend. Ze moest zich beseft hebben hoe goed ze hier verborgen zaten. De rook creëerde een dikke wolk die het meeste om hen heen maskeerde. Het was alsof zich hierboven een tweede stad bevond: waslijnen met kleren, vlaggen en wimpels boden hen alle bescherming die ze zich maar konden wensen. Als ze stil bleven zitten, zou niemand hen hier kunnen zien. Bovendien zou niemand dom genoeg zijn om een wandeling over het rieten dak te riskeren.
Sophia keek om zich heen. Op een vreemde manier was het heel vredig hierboven. Er waren plekken waar de huizen zo dicht op elkaar stonden dat buren elkaars handen konden aanraken als ze uit hun ramen leunden. Een stukje verderop zag Sophia hoe een kamerpot op straat werd geleegd. Ze had nooit eerder de kans gehad om de stad vanuit deze hoek te zien, de torens van de geestelijken en de schotmakers, de klokkenluiders en de wijzen, het paleis dat binnen zijn eigen muren stond, als een glimmende karbonkel op een ruwe huid.
Ze zat daar, haar armen om Kate heen, wachtend tot de geluiden van de achtervolging verdwenen.
Misschien, heel misschien, konden ze een uitweg vinden.
HOOFDSTUK DRIE
De ochtend was al in de middag overgegaan toen Sophia en Kate eindelijk uit hun schuilplaats durfden te komen. Zoals Sophia al dacht had niemand het lef gehad om de daken op te klimmen om naar hen op zoek te gaan en hoewel de geluiden van de achtervolging dichtbij waren geweest, waren ze niet dichtbij genoeg gekomen.
Nu leken ze volledig vervaagd te zijn.
Kate tuurde naar de stad die onder hen lag. De ochtenddrukte was voorbij, vervangen door een meer ontspannen tempo en menigte.
“We moeten hiervan af,” fluisterde Sophia naar haar zusje.
Kate knikte. “Ik verga van de honger.”
Dat kon Sophia wel begrijpen. Hun gestolen appel hadden ze allang verorberd, en ook haar maag begon te knorren.
Ze klommen weer naar beneden en Sophia keek om zich heen. Hoewel ze niet langer achtervolgd werden, was een deel van haar er nog steeds van overtuigd dat iemand hen zou bespringen op het moment dat hun voeten de grond raakten.
Ze baanden zich een weg door de straten en probeerden zo veel mogelijk uit het zicht te blijven. Het was echter onmogelijk om mensen te ontwijken in Ashton, simpelweg omdat er zoveel mensen waren. De nonnen hadden niet de moeite genomen om hen veel over de wereld te leren, maar Sophia had gehoord dat er nog grotere steden waren, voorbij de Koopstaten.
Dat was nu lastig te bevatten. Overal waar ze keek waren mensen, ondanks het feit dat de meeste inwoners van de stad nu binnen moesten zijn, hard aan het werk. Kinderen speelden op straat, vrouwen liepen langs winkels en markten, werklui droegen gereedschap en ladders. Er waren tavernes en gokhuizen, winkels die koffie verkochten uit de pas ontdekte landen voorbij de Spiegelzee, cafés waar mensen bijna net zoveel leken te praten als te eten. Ze kon het nauwelijks geloven toen ze mensen zag lachen, zo gelukkig, zo zorgeloos. Ze deden niets dan luieren en genieten. Ze kon niet geloven dat zo’n wereld echt kon bestaan. Het was een schokkend contrast met de gedwongen stilte en gehoorzaamheid in het weeshuis.
Er is zoveel, stuurde Sophia naar haar zusje, terwijl ze haar blik langs de eetkraampjes liet glijden. De geuren deden haar maag weer knorren.
Kate bekeek alles met praktische ogen. Ze koos een van de cafés uit en liep er voorzichtig heen. Buiten lachten mensen om een zogenaamde filosoof, die het had over hoeveel men nu werkelijk van het leven kon weten.
“Het zou je een stuk makkelijk afgaan als je niet dronken was,” onderbrak een van hen de man.
Een ander wendde zich tot Sophia en Kate toen ze dichterbij kwamen. De vijandigheid was voelbaar.
“We willen jullie soort hier niet,” zei hij op minachtende toon. “Wegwezen!”
Zijn woede overrompelde Sophia. Toch schuifelde ze terug de straat op. Ze trok Kate met zich mee, zodat haar zusje niets zou doen waar ze spijt van zou krijgen. Ze had haar pook laten vallen toen ze voor de menigte waren gevlucht, maar ze had een blik in haar ogen die Sophia vertelde dat ze iets wilde slaan.
Ze hadden dus geen keus: ze zouden hun eten moeten stelen. Sophia had gehoopt dat iemand wat liefdadigheid zou tonen. Maar dat was niet hoe het leven in elkaar zat, wist ze.
Het was tijd om hun talent te benutten. Ze knikten stilletjes naar elkaar en gingen aan weerszijden van een steeg staan. Ze wachtten en keken toe hoe een bakkersvrouw met haar werk bezig was. Sophia wachtte tot ze de gedachten van de bakkersvrouw kon lezen. Die gedachten vertelden haar wat ze wilde horen.
Oh nee, dacht de bakkersvrouw. De broodjes. Hoe kon ik die nu binnen laten liggen?
Op het moment dat ze dat dacht, kwamen Sophia en Kate in actie. Zodra de vrouw zich had omgedraaid om naar binnen te gaan, renden ze naar voren. Ze gristen allebei een armvol cakejes mee, genoeg om hun buik barstensvol te eten.
Ze doken een steeg in en begonnen uitgehongerd te eten. Al snel voelde Sophia dat haar buik vol zat. Het was een vreemd en plezierig gevoel, een gevoel dat ze nog niet eerder had gehad. Het Huis van de Niet-Opgeëisten geloofde niet in meer voedsel dan het absolute minimum.
Nu lachte ze terwijl Kate probeerde om een heel gebakje in haar mond te duwen.
Wat? wilde haar zusje weten.
Het is gewoon goed om je gelukkig te zien, stuurde Sophia terug.
Ze wist niet hoelang dat geluk zou duren. Met elke stap die ze nam was ze op haar hoede voor degenen die achter hen aan zaten. Het weeshuis zou niet meer willen investeren in het terughalen van hun kinderen dan ze waard waren, maar wie wist hoe wraakzuchtig de nonnen waren? Ze moesten in ieder geval de stadswacht zien te vermijden, en niet alleen omdat ze ontsnapt waren.
Dieven werden in Ashton tenslotte opgehangen.
We moeten ervoor zorgen dat we er niet uitzien als weggelopen weeskinderen, anders kunnen we nooit door de stad lopen zonder dat mensen ons aanstaren en ons proberen te pakken.
Sophia keek naar haar zusje, verrast door de gedachte.
Je wil kleren stelen? stuurde Sophia terug.
Kate knikte.
Die gedachte beangstigde haar. Toch wist Sophia dat haar zusje, die altijd heel praktisch was, gelijk had.
Ze stonden tegelijk op en propten de overgebleven cakejes in hun zakken. Sophia keek om zich heen toen ze voelde hoe Kate haar arm aanraakte. Ze volgde haar blik en zag het: een waslijn, hoog boven op een dak. De waslijn was onbewaakt.
Natuurlijk, besefte ze opgelucht. Wie zou er nu een waslijn bewaken?
Toch bonkte Sophia’s hart in haar keel toen ze een ander dak op klommen. Ze pauzeerden even, keken om zich heen, en begonnen toen aan de waslijn te trekken, zoals een visser zijn vangst binnengehaalt.
Sophia stal een overjurk van groene wol en een crèmekleurige onderjurk. Het was waarschijnlijk het soort kleding dat een boerenvrouw zou dragen, maar het was nog altijd ongelofelijk luxe voor haar. Tot haar verrassing koos haar zusje een shirt, een korte broek en jas, waardoor ze er eerder uitzag als een jongen met stekelhaar dan als het meisje dat ze was.
“Kate,” klaagde Sophia. “Je kunt niet zo rondlopen!”
Kate haalde haar schouders op. “We zouden er allebei niet zo uit mogen zien. Dan kan ik net zo goed iets comfortabels kiezen.”
Daar zat wel wat in. Er stond duidelijk in de wet wat elke rang in de maatschappij wel en niet mocht dragen, de onvrijen en de kinderarbeiders. Die wetten braken ze nu; ze ontdeden zich van hun vodden, het enige dat zij mochten dragen, en kleedden zich beter dan ze waren.
“Goed dan,” zei Sophia. “Ik zeg niets. Trouwens, misschien helpt het degenen die op zoek zijn naar twee meisjes te misleiden,” zei ze lachend.
“Ik zie er niet uit als een jongen,” beet Kate verontwaardigd terug.
Sophia glimlachte. Ze pakten hun cakes, stopten ze in hun nieuwe zakken en liepen verder.
Het volgende was niet zo lachwekkend; er waren zoveel dingen die ze moesten doen als ze wilden overleven. Om te beginnen moesten ze onderdak zien te vinden, en daarna bedenken wat ze zouden gaan doen en waar ze heen zouden gaan.
Eén ding tegelijk, zei ze tegen zichzelf.
Ze klauterden terug de straat op en deze keer nam Sophia de leiding. Ze probeerde een weg door het arme deel van de stad te vinden, dat wat haar betreft nog altijd te dicht bij het weeshuis lag.
Ze zag een rij uitgebrande huizen voor zich, die nog niet hersteld waren van de branden die soms door de stad woedden als de rivier laag stond. Het zou een gevaarlijke plek zijn om te rusten. Toch liep Sophia erheen.
Kate wierp haar een vragende, sceptische blik toe.
Sophia haalde haar schouders op.
Gevaarlijk is beter dan niets, stuurde ze.
Ze liepen er behoedzaam heen. Net toen Sophia haar hoofd om de hoek stak, werd ze opgeschrikt door een aantal figuren die uit het puin verrezen. Ze waren zo zwart van het roet door het verblijven in de verkoolde restanten, dat Sophia even dacht dat ze de branden zelf ook hadden meegemaakt.
“Wegwezen! Dit is onze plek!”
Een van hen stormde op Sophia af, en ze slaakte een gilletje terwijl ze onwillekeurig een stap naar achteren deed. Kate zag eruit alsof ze wilde vechten, maar toen trok de figuur een dolk die veel feller glom dan al het andere om hen heen.
“Dit is ons terrein! Zoek je eigen ruïne maar, of ik snij je open.”
De zusjes gingen ervandoor en probeerden zo ver mogelijk bij het huis vandaan te komen.
Met elke stap die ze zetten was Sophia ervan overtuigd dat ze de voetstappen hoorde van misdadigers met messen, of wachters, of de nonnen.
Ze liepen tot hun benen pijn deden en het begon te schemeren. Het feit dat elke stap hen verder van het weeshuis bracht, was hun enige troost.
Eindelijk naderden ze een beter deel van de stad. Om een of andere reden lichtten Kate’s ogen op toen ze het zag.
“Wat is er?” vroeg Sophia.
“De centenbibliotheek,” antwoordde haar zusje. “Daar kunnen we naar binnen glippen. Ik knijp er weleens tussenuit als de zusters ons op pad sturen. De bibliothecaris laat me altijd binnen, ondanks het feit dat ik nooit een cent heb om te betalen.”
Sophia had niet veel hoop dat ze daar hulp zouden vinden, maar de realiteit was dat ze geen beter idee had. Ze liet zich door Kate leiden. Ze gingen naar een drukke plek waar geldschieters zich mengden met advocaten. Er reden zelfs een aantal rijtuigen tussen de gewone paarden en voetgangers.
De bibliotheek was gevestigd in een van de grotere gebouwen. Sophia kende het verhaal: een van de aristocraten in de stad had besloten om de armen te onderwijzen, en had een deel van zijn fortuin nagelaten om een bibliotheek te bouwen die de meeste rijken voor zichzelf wilden houden. Natuurlijk betekende de entree van een cent dat de armste mensen nog altijd niet naar binnen konden. Sophia had nog nooit een cent gehad. De nonnen zagen geen reden om de weeskinderen geld te geven.
Ze liepen naar de ingang en zagen een oudere man zitten. Hij zag er vriendelijk uit in zijn enigszins versleten kleren. Hij fungeerde duidelijk niet alleen als bibliothecaris maar ook als bewaker. Tot Sophia’s verrassing glimlachte hij toen ze naar hem toe liepen. Sophia had nog nooit eerder iemand gezien die blij was om haar zusje te zien.
“Jonge Kate,” zei hij. “Het is alweer even geleden sinds je hier was. En je hebt een vriendin meegenomen. Ga verder, ga verder. Ik zal niet in de weg van kennis staan. De zoon van Earl Varrish heeft dan wel een belasting op kennis geheven, maar de oude Earl heeft daar nooit in geloofd.”
Hij leek oprecht te zijn, maar Kate schudde haar hoofd.
“Dat is niet wat we nodig hebben, Geoffrey,” zei Kate. “Mijn zus en ik… we zijn weggelopen uit het weeshuis.”
Sophia zag de geschokte blik van de oudere man.
“Nee,” zei hij. “Nee, zoiets doms moet je niet doen.”
“We hebben het al gedaan,” zei Sophia.
“Dan kun je hier niet blijven,” zei Geoffrey. “Als de wacht komt en jullie hier bij mij aantreft, zullen ze ervan uit gaan dat ik er iets mee te maken had.”
Sophia wilde vertrekken, maar het leek erop dat Kate nog een poging wilde wagen.
“Alsjeblieft, Geoffrey,” zei Kate. “Ik moet -”
“Je moet teruggaan,” zei Geoffrey. “Smeken om vergiffenis. Ik heb medelijden met jullie, maar dit is wat het lot jullie heeft toebedeeld. Ga terug voor de wachters jullie te pakken krijgen. Ik kan jullie niet helpen. Ik zou zelfs met de zweep kunnen krijgen vanwege het feit dat ik de wachters niet heb geroepen toen ik jullie zag. Dat is alles wat ik voor jullie kan doen.”
Hij klonk streng, maar toch kon Sophia de vriendelijkheid in zijn ogen zien, en dat het hem pijn deed om te zeggen. Bijna alsof hij tegen zichzelf vocht, alsof hij alleen maar deed alsof hij streng was om een punt te maken.
Toch zag Kate eruit alsof haar hart gebroken was. Sophia haatte het om haar zusje zo te zien.
Sophia trok haar mee, bij de bibliotheek vandaan.
Terwijl ze liepen begon Kate, met haar hoofd naar de grond gericht, eindelijk te praten.
“Wat nu?” vroeg ze.
De realiteit was dat Sophia daar geen antwoord op had.
Ze liepen verder, maar inmiddels was ze uitgeput van al het lopen. Het begon ook nog eens te regenen, op zo’n gestage manier die suggereerde dat het niet snel zou stoppen. Er waren maar weinig plekken waar het zo regende als in Ashton.
Sophia merkte dat ze werd aangetrokken door de glooiende geplaveide straatjes die naar de rivier leidden. Sophia wist niet zeker wat ze daar hoopte aan te treffen behalve binnenschepen en punters. Ze betwijfelde dat er werfhulpen of hoeren waren die hen konden helpen, en in dit deel van de stad was dat vrijwel het enige soort mensen dat er te vinden was. Maar het was in elk geval een bestemming. Als er niets anders was, konden ze een plekje aan de kust vinden om naar het vredige zeilen van de schepen te kijken en over andere plekken te dromen.
Uiteindelijk spotte Sophia een laag afdak bij een van de vele bruggen die de stad rijk was. Ze liep erheen. Ze werd, net als Kate, duizelig van de stank en de rattenplaag. Maar haar vermoeidheid deed zelfs de meest armoedige schuilplaats lijken op een paleis. Ze moesten de regen uit. Ze moesten uit het zicht blijven. En waar konden ze anders heen? Ze moesten een plek vinden waar niemand het waagde om te komen, zelfs de zwervers niet. En dit was die plek.
“Hier?” vroeg Kate vol afschuw. “Kunnen we niet teruggaan naar de schoorsteen?”
Sophia schudde haar hoofd. Ze betwijfelde dat ze die schoorsteen weer konden vinden, en zelfs als dat wel het geval was dan was er nog de kans dat de stadswacht daar weer zou terugkomen. Dit was de beste plek die ze zouden vinden voor de regen nog erger werd en de nacht viel.
Ze ging zitten en probeerde haar tranen te verbergen om haar zusje niet van streek te maken.
Met tegenzin ging Kate naast haar zitten. Ze sloeg haar armen om haar knieën heen en wiegde zichzelf, alsof dat de wreedheid, barbaarsheid en hopeloosheid van het leven buiten kon sluiten.
HOOFDSTUK VIER
In Kate’s dromen leefden haar ouders nog en was ze gelukkig. Het leek of ze er altijd waren als ze droomde, hoewel hun gezichten eerder bedacht waren dan dat het echt herinneringen waren. Ze had alleen maar het medaillon. Kate was niet oud genoeg geweest toen alles was veranderd.
Ze was in een huis ergens op het platteland, een huis met glas-in-loodramen en een uitzicht op boomgaarden en velden. Kate droomde van de warme zon op haar huid en een zacht briesje dat de bladeren buiten deed ritselen.
Het volgende deel leek nooit te kloppen. Ze kende niet genoeg details, of ze kon het zich niet goed herinneren. Ze probeerde haar droom te sturen om het hele verhaal van wat er gebeurd was te achterhalen, maar ze zag alleen fragmenten: een open raam, de sterren aan de hemel. De hand van haar zus, Sophia’s stem in haar hoofd, die haar zei dat ze zich moest verstoppen. Zoekend naar hun ouders in het doolhof van het huis. Verstopt in het donker van het huis. Het horen van voetstappen. Er was licht bij het raam, ondanks het feit dat het nacht was. Ze voelde dat ze dichtbij was, dat ze eindelijk op het punt stond te ontdekken wat er die nacht met hun ouders gebeurd was. Het licht bij het raam werd feller en feller.
“Word wakker,” zei Sophia, die haar wakker schudde. “Je droomt, Kate.”
Verbitterd deed Kate haar ogen open. Dromen waren altijd zoveel beter dan de realiteit waarin ze leefde.
Ze kneep haar ogen samen tegen het licht. Het voelde onmogelijk, maar het was al ochtend. Dit was de eerste keer dat ze een hele nacht buiten de muren van het weeshuis had doorgebracht, de eerste ochtend dat ze ergens anders wakker werd. Zelfs op een vochtige plek als deze maakte dat haar dolblij.
Niet alleen het licht was anders dan het gisteren in de schemering was geweest; ze zag het ook aan de rivier die tot leven was gekomen. Binnenschepen en bootjes haastten zich stroomopwaarts. Sommige vaartuigen bewogen zich voort met behulp van kleine zeilen, andere met palen, of paarden die hen vanaf de rivieroever voorttrokken.
Kate kon de rest van de stad horen ontwaken. De klokken van de tempel luidden en daar tussendoor hoorde ze de geluiden van een hele stad mensen die aan het werk gingen, of vertrokken naar een andere bestemming. Vandaag was Eerstedag, een goede dag om dingen te beginnen. Misschien zou dat haar en Sophia ook wat geluk opleveren.
“Ik heb steeds dezelfde droom,” zei Kate. “Ik blijf maar dromen over… over die nacht.”
Ze leken het nooit iets anders te kunnen noemen. Het was vreemd, dat zij en Sophia waarschijnlijk directer met elkaar konden communiceren dan wie dan ook in de stad, en toch moeite hadden om over dit ene ding te praten.
Sophia’s gezicht betrok, en Kate voelde zich meteen schuldig.
“Ik droom er soms ook over,” gaf Sophia verdrietig toe.
Kate draaide zich naar haar om. Haar zus moest het weten. Ze was ouder, ze zou meer gezien hebben.
“Jij weet wat er is gebeurd, nietwaar?” vroeg Kate. “Je weet wat er met onze ouders is gebeurd.”
Het was eerder een statement dan een vraag.
Kate liet haar blik over het gezicht van haar zus glijden. Ze zag het. Het was nauwelijks merkbaar, maar ze zag dat ze iets verborgen hield.
Sophia schudde haar hoofd.
“Er zijn dingen waar je beter niet over na kunt denken. We moeten ons concentreren op het heden, niet op het verleden.”
Het was niet bepaald een bevredigend antwoord, maar Kate had ook niet meer verwacht. Sophia wilde niet praten over wat er gebeurd was de nacht dat hun ouders waren verdwenen. Ze wilde er nooit over praten, en zelfs Kate moest toegeven dat ze zich ongemakkelijk voelde wanneer ze erover nadacht. Trouwens, in het Huis van de Niet-Opgeëisten hadden ze het nooit goed gevonden als weeskinderen over hun verleden praatten. Ze noemden het ondankbaar. Het was wederom een toevoeging aan de lijst met dingen die je straf konden opleveren.
Kate schopte een rat van haar voet en ging rechtop zitten terwijl ze om zich heen keek.
“We kunnen hier niet blijven,” zei ze.
Sophia knikte.
“We zullen sterven als we op straat blijven.”
Dat was een harde gedachte, maar waarschijnlijk wel de realiteit. Er waren zoveel manieren om te sterven in de straten van deze stad. Kou en honger waren slechts het topje van de ijsberg. Met de straatbendes, de wacht, ziektes en alle andere gevaren, leek zelfs het weeshuis een veilige plek.
Niet dat Kate ooit terug zou gaan. Ze zou het gebouw tot de grond toe afbranden voor ze er ooit weer een voet over de drempel zou zetten. Misschien zou ze het op een dag sowieso wel tot de grond toe afbranden. Ze glimlachte bij de gedachte.
Kate voelde haar maag knorren, dus ze haalde het laatste stuk van haar cake tevoorschijn en begon te eten. Toen herinnerde ze zich haar zus. Ze brak de helft af en gaf het aan haar.
Sophia keek haar hoopvol aan, maar schuldig.
“Het is goed,” loog Kate. “Ik heb nog een stuk in mijn jurk.”
Sophia pakte het onwillig van haar aan. Kate voelde dat haar zus wist dat ze loog, maar te hongerig was om zichzelf het stuk cake te ontzeggen. Maar hun band was zo sterk dat Kate de honger van haar zus kon voelen, en Kate kon nooit gelukkig zijn als haar zus dat niet was.
Uiteindelijk kropen ze uit hun schuilplaats.
“Dus, grote zus,” vroeg Kate, “ideeën?”
Sophia zuchtte bedroefd en schudde haar hoofd.
“Nou, ik heb nog steeds honger,” zei Kate. “Ik denk dat we met een volle maag beter kunnen nadenken.”
Sophia knikte instemmend en ze begonnen terug te lopen naar de grote straten.
Al snel vonden ze een doelwit - een andere bakker - en ze stalen hun ontbijt op dezelfde manier als ze hun laatste maaltijd hadden gestolen. Toen ze een steeg in doken en zich vol aten, was het verleidelijk om te denken dat ze de rest van hun leven zo zouden leven, dat ze hun gedeelde talent gebruikten om te nemen wat ze nodig hadden als er niemand oplette. Maar Kate wist dat het zo niet kon blijven doorgaan. Niets dat goed was kon eeuwig duren.
Kate keek uit over de drukte in de stad. Het was overweldigend, en de straten leken zich eindeloos uit te strekken.
“Als we niet op straat kunnen blijven,” zei ze, “wat doen we dan? Waar gaan we heen?”
Sophia aarzelde even. Ze zag er niet zo onzeker uit als Kate.
“Ik weet het niet,” gaf ze toe.
“Nou, wat kúnnen we doen?” vroeg Kate.
Hun lijst met opties was niet zo lang als hij had moeten zijn. De realiteit was dat weeskinderen als zij geen opties hadden in het leven. Ze waren voorbereid op een leven waar ze zouden worden verkocht als leerlingen of bediendes, soldaten of erger. Er was nooit de verwachting geweest dat ze ooit vrij zouden zijn, want zelfs de mensen die oprecht op zoek waren naar een leerling betaalden slechts een hongerloontje; nooit genoeg om ooit hun schuld af te kunnen betalen.
Bovendien had Kate weinig geduld voor naaien of koken, etiquette of fournituren.
“We zouden op zoek kunnen gaan naar een handelaar en proberen om een leerplaats te krijgen,” stelde Kate voor.
Sophia schudde haar hoofd.
“Zelfs als we iemand vinden die bereid is om ons aan te nemen, zullen ze eerst met onze familie willen spreken. Als we geen vader kunnen laten zien die een goed woordje voor ons doet, zullen ze weten wat we waren.”
Kate moest toegeven dat haar zus een punt had.
“We zouden ons kunnen opgeven als scheepshulpjes. Dan kunnen we de rest van het land zien.”
Terwijl ze het zei, wist ze dat dat waarschijnlijk net zo belachelijk was als haar eerste idee. Een kapitein zou ook vragen stellen en er zouden waarschijnlijk wachters op zoek zijn naar twee ontsnapte weeskinderen. Ze konden in elk geval niet op iemand anders vertrouwen voor hulp, niet na wat er in de bibliotheek was gebeurd met de enige man in de stad die ze als haar vriend had beschouwd. Wat was ze naïef geweest.
De immensiteit van hun situatie leek ook tot Sophia door te dringen. Ze staarde voor zich uit met een weemoedige blik in haar ogen.
“Als je alles kon doen,” vroeg Sophia, “als je overal heen kon gaan, waar zou je dan heen gaan?”
Kate had er nog nooit zo over nagedacht.
“Ik weet het niet,” zei ze. “Ik bedoel, ik heb nooit verder gedacht dan simpelweg de dag overleven.”
Sophia zweeg lange tijd. Kate voelde haar denken.
Uiteindelijk begon Sophia te praten.
“Als we proberen om iets normaals te doen, zullen er net zoveel obstakels op ons pad zijn als wanneer we mikken op de grootste dingen die je kunt bereiken. Misschien zelfs meer, omdat mensen verwáchten dat mensen als wij genoegen nemen met minder. Dus wat zou jij willen, liever dan wat dan ook?”
Kate dacht daarover na.
“Ik wil onze ouders vinden,” zei Kate, die het pas besefte toen ze het zei.
Ze voelde de pijn die door Sophia heen schoot.
“Onze ouders zijn dood,” zei Sophia. Ze klonk zo zeker van haar zaak dat Kate haar weer wilde vragen wat er al die jaren geleden was gebeurd. “Het spijt me, Kate. Dat was niet wat ik bedoelde.”
Kate zuchtte, verbitterd.
“Ik wil dat niemand me meer kan vertellen wat ik moet doen,” zei Kate, die het enige koos dat ze bijna net zo graag wilde als haar ouders terugzien. “Ik wil vrij zijn, écht vrij.”
“Dat wil ik ook,” zei Sophia. “Maar er zijn slechts weinig mensen echt vríj in deze stad. De enige zijn -”
Ze keek uit over de stad, en Kate volgde haar blik. Ze keek naar het paleis, met zijn glimmende marmer en vergulde versieringen.
Kate kon voelen wat ze dacht.
“Ik denk niet dat je erg vrij bent als je een dienstmeisje in het paleis bent,” zei Kate.
“Ik dacht niet aan een dienstmeisje worden,” beet Kate. “Wat als… wat als we gewoon naar binnen konden lopen en een van hen konden zijn? Wat als we hen konden overtuigen van wat we waard zijn? Wat als we met een rijke man konden trouwen die banden met het hof heeft?”
Kate lachte niet, maar alleen omdat ze voelde hoe serieus haar zus was over het idee. Het laatste wat Kate wilde, was het paleis in wandelen en met een man trouwen die haar vertelde wat ze moest doen.
“Ik wil niet van iemand anders afhankelijk zijn voor mijn vrijheid,” zei Kate. “Als het leven ons één ding heeft geleerd, dan is het wel dat we op onszelf zijn aangewezen. Alleen op onszelf. Op die manier hebben we de controle over alles wat ons overkomt. En we hoeven niemand te vertrouwen. We moeten leren om voor onszelf te zorgen. Om onszelf te onderhouden. Om van het land te leven. We moeten leren jagen. Leren hoe we ons eigen voedsel kunnen verbouwen. Alles waarbij we niet op iemand anders hoeven te vertrouwen. En we moeten goede wapens zien te krijgen en goede vechters worden. Als er dan iemand komt die ons wil afnemen wat van ons is, kunnen we hem doden.”
En plotseling drong het tot haar door.
“We moeten weg uit deze stad,” drong ze aan. “Er zijn hier te veel gevaren voor ons. We moeten buiten de stad wonen, op het platteland, waar er minder mensen zijn en waar niemand ons kwaad kan doen.”
Hoe meer ze erover praatte, hoe meer het tot haar doordrong dat het was wat ze moesten doen. Het was haar droom. Op dat moment wilde Kate niets liever dan naar de poorten van de stad rennen, naar de open vlaktes die aan de andere kant lagen.
“En als we leren om te vechten,” voegde Kate eraan toe, “als we groter en sterker worden en we de beste zwaarden en kruisbogen en dolken hebben, komen we hier terug en dan doden we iedereen in het weeshuis die ons heeft pijn gedaan.”
Ze voelde Sophia’s hand op haar schouder.
“Je kunt niet zo praten, Kate. Je mag niet zomaar praten over mensen vermoorden alsof het niets is.”
“Het is niet niets,” spoog Kate. “Het is wat ze verdienen.”
Sophia schudde haar hoofd.
“Dat is primitief,” zei Sophia. “Er zijn betere manieren om te overleven. En betere manieren om wraak te nemen. Trouwens, ik wil niet alleen óverleven, als een boer in het bos. Wat is dan het punt van het leven? Ik wil echt leven.”
Kate wist niet zo goed wat ze daarvan moest denken, maar ze zei niets.
Ze liepen een tijdje zwijgend verder en Kate had het vermoeden dat Sophia net zo hard aan het dagdromen was als zij. Ze liepen door straten met mensen die leken te weten wat ze met hun levens deden, die vervuld leken van een doelbewust gevoel. Kate vond het oneerlijk dat het voor hen zo gemakkelijk was. Maar misschien was het dat wel helemaal niet. Misschien hadden zij net zo weinig keus als zij of Sophia als ze in het weeshuis waren gebleven.
De stad strekte zich voor hen uit, achter poorten die er waarschijnlijk al honderden jaren stonden. Voorbij de poorten stonden huizen, gebouwd tegen de muren op een manier die ze waarschijnlijk onbruikbaar maakte. Daar voorbij lag een open plek waar een aantal boeren bezig was om hun vee naar de slacht te drijven. Er waren schapen en ganzen, eenden en zelfs een paar koeien. Er waren ook wagens met goederen die moesten wachten tot ze de stad in konden.
En daar voorbij lagen de horizon en de bossen. Bossen waar Kate naar verlangde.
Kate zag het rijtuig voordat Sophia het zag. Het baande zich een weg langs de wachtende voertuigen; de inzittenden waren schijnbaar in de veronderstelling dat ze het recht hadden om het eerst de stad in te gaan. Misschien hadden ze dat ook wel. Het rijtuig was verguld en versierd met een familiewapen waar ze misschien wat van had begrepen als de nonnen de moeite hadden genomen om haar erover te leren. De zijden gordijnen waren gesloten, maar Kate zag een van de gordijnen een stukje opzij vallen, en ze zag een vrouw met een ingewikkeld masker van een vogel zitten.
Kate werd overspoeld door afgunst en walging. Hoe konden zo weinig mensen zo goed leven?
“Moet je zien,” zei Kate. “Ze zijn waarschijnlijk onderweg naar een bal of maskerade. Ze hebben waarschijnlijk nog nooit honger gehad.”
“Nee, dat klopt,” stemde Sophia in. Maar ze klonk hoopvol, en Kate hoorde zelfs iets van bewondering in haar stem.
Toen besefte Kate wat haar zus dacht. Ze draaide zich ontzet naar haar om.
“We kunnen ze niet zomaar volgen,” zei Kate.
“Waarom niet?” kaatste haar zus terug. “Waarom zouden we niet proberen om te krijgen wat we willen?”
Daar had Kate geen antwoord op. Ze wilde niet tegen Sophia zeggen dat het niet zou werken. Dat het niet kón werken. Dat dat niet was hoe de wereld in elkaar zat. Dat ze een blik op hen zouden werpen en zouden weten dat ze weeskinderen waren, dat ze armen waren. Hoe konden ze ooit in zo’n wereld opgaan?
Sophia was de oudste; zij zou dit al moeten weten.
Bovendien viel Kate’s blik op dat moment op iets wat voor haar minstens zo opwindend was. Mannen stelden zich op langs het plein, gekleed in de kleuren van een van de bedrijven met huurlingen die graag wat bijbeunden in de oorlogen aan de andere kant van het water. Ze hadden wapens die op wagens waren uitgestald, en ze hadden paarden. Een paar van hen waren spontaan een vechttoernooitje begonnen met stompe stalen zwaarden.
Kate liet haar blik over de wapens glijden en zag wat ze nodig had: rekken vol staal. Dolken, zwaarden, kruisbogen en vallen om mee te jagen. Met slechts een paar van die dingen kon ze zelf leren om vallen te zetten en van het land te leven.
“Niet doen,” zei Sophia, die haar blik volgde. Ze legde een hand op haar arm.
Kate trok zich zachtjes los. “Ga met me mee,” zei Kate vastberaden.
Ze zag haar zus haar hoofd schudden. “Je weet dat ik dat niet kan. Dat is niets voor mij. Dat is niet wie ik ben. Dat is niet wat ik wil, Kate.”
En proberen om bij een groepje aristocraten te horen was niet wat Kate wilde.
Ze kon de vastberadenheid van haar zus voelen, en die van zichzelf. Ineens wist ze waar dit heen ging. De gedachte alleen al deed tranen in haar ogen prikken. Ze sloeg haar armen om haar zus heen en haar zus omhelsde haar.
“Ik wil je niet achterlaten,” zei Kate.
“Ik wil jou ook niet achterlaten,” antwoordde Sophia, “maar misschien moeten we allebei onze eigen weg gaan, in elk geval voor een tijdje. Jij bent net zo koppig als ik en we hebben allebei onze dromen. Ik ben ervan overtuigd dat ik ze waar kan maken en dat ik jou dan kan helpen.”
Kate glimlachte.
“En ik ben ervan overtuigd dat ík mijn dromen waar kan maken en dat ik jou dan kan helpen.”
Kate zag dat haar zus nu ook tranen in haar ogen had, maar bovenal voelde ze haar verdriet. Ze hadden zo’n speciale band.
“Je hebt gelijk,” zei Sophia. “Jij zou niet passen in het hof, en ik zou niet passen in de wildernis, of bij mensen die leren vechten. Dus misschien moeten we dit alleen doen. Misschien hebben we de meeste kans om te overleven als we alleen zijn. In elk geval, als een van ons gepakt wordt, kan de ander haar nog komen redden.”
Kate wilde Sophia vertellen dat ze het fout had, maar diep vanbinnen wist ze dat ze gelijk had.
“Ik zal je weer vinden,” zei Kate. “Ik ga leren hoe ik moet vechten en hoe ik op het platteland kan leven. En dan zal ik je vinden. Dan zul je het zien en dan kom je met me mee.”
“En ik zal jóú vinden als ik succes heb behaald aan het hof,” zei Sophia met een glimlach. “Je komt met me mee naar het paleis en zult met een prins trouwen en over deze stad regeren.”
Ze glimlachten breed en de tranen rolden over hun wangen.
Maar je zult nooit alleen zijn, voegde Sophia eraan toe, en haar woorden galmden door Kate’s hoofd. Ik ben slechts een gedachte bij je vandaan.
Kate kon het verdriet niet meer verdragen en ze wist dat ze moest handelen voor ze van gedachten zou veranderen.
Dus ze knuffelde haar zus nog een laatste keer, liet haar los en rende in de richting van de wapens.
Het was tijd om alles op het spel te zetten.
HOOFDSTUK VIJF
Sophia voelde de vastberadenheid in haar lichaam branden terwijl ze door Ashton liep, in de richting van het ommuurde stadsdeel waar het paleis stond. Ze haastte zich door de straten, ontweek paarden en sprong zo nu en dan op een wagen wanneer het erop leek dat die de goede kant op ging.
Desondanks kostte het tijd om de stad door te komen, door de Schroeven, het Koopkwartier, Knoopheuvel en de andere districten. Ze waren zo anders en levendig dan het Huis van de Niet-Opgeëisten, dat Sophia wenste dat ze meer tijd had om ze te ontdekken. Ze betrapte zichzelf erop dat ze bij een groot cirkelvormig theater stond en wenste dat ze tijd had om naar binnen te gaan.
Maar dat had ze niet, want als ze het gemaskerde bal vanavond miste, wist ze niet hoe ze haar plekje aan het hof ooit kon bemachtigen. Een gemaskerd bal, wist ze, vond niet elke dag plaats, en het was haar beste kans om binnen te komen.
Terwijl ze verder liep, maakte ze zich zorgen om Kate. Het voelde vreemd om na al die tijd zomaar in tegenovergestelde richtingen te lopen, maar de realiteit was dat ze beiden iets anders wilden in het leven. Sophia zou haar vinden als ze hier klaar was. Als ze een leven had opgebouwd tussen de aristocraten in Ashton, zou ze Kate vinden en alles goed maken.
De poorten naar het ommuurde stadsdeel waar het paleis stond lagen voor haar. Zoals Sophia al verwacht had, waren ze voor de avond geopend. Erachter zag ze formele tuinen met keurige heggen en rozenstruiken. Er waren grote grasvelden, korter gemaaid dan het veld van een boer ooit zou kunnen zijn. Dat op zich leek al een teken van luxe; iedereen die een stukje land bij zijn huis had gebruikte het om voedsel te kweken.
Om de zoveel meter stonden lantaarns op palen. Ze waren nog niet aangestoken, maar vannacht zouden ze de tuinen prachtig verlichten en zouden de mensen op de gazons dansen, zoals ze dat in de grote zalen van het paleis deden.
Sophia zag mensen een voor een naar binnen gaan. Er stond een bediende in goudkleurige kleding bij de poort, vergezeld door twee wachters in een felblauwe uitrusting, hun musketten perfect naast elkaar, terwijl aristocraten en hun bedienden langs slenterden.
Sophia haastte zich naar de poort. Ze hoopte dat ze kon verdwijnen in een groep mensen die naar binnen ging, maar tegen de tijd dat ze aankwam, was ze de enige. Daardoor vestigde de bediende bij de poort zijn volle aandacht op haar. Het was een oudere man met een gepoederde pruik, met krullen tot in zijn nek. Hij keek Sophia aan met een blik die grensde aan minachting.
“En wat wil jíj?” wilde hij weten. Zijn stem was zo dramatisch dat hij net zo goed een acteur kon zijn geweest die een aristocraat speelde, in plaats van een bediende.
“Ik ben hier voor het bal,” zei Sophia. Ze wist dat ze nooit voor een aristocraat door kon gaan, maar ze kon nog iets anders doen. “Ik ben het dienstmeisje van -”
“Maak jezelf niet belachelijk,” kaatste de bediende terug. “Ik weet heel goed wie er naar binnen mogen en geen van hen zou vergezeld worden door een meisje zoals jij. We laten geen hoeren binnen. Zo’n feestje is het niet.”
“Ik weet niet wat u bedoelt,” probeerde Sophia, maar de dreigende blik in zijn ogen vertelde haar dat ze geen schijn van kans maakte.
“Ik zal het even uitleggen,” zei de bediende. Hij leek zich kostelijk te vermaken. “Je jurk ziet eruit alsof hij van een vissersvrouw is. Je stinkt alsof je net uit een beerput bent gekropen. Wat je spraak betreft, je klinkt alsof je dictie niet eens kunt spellen, laat staan toepassen. Nu wegwezen, voor ik je de hele nacht laat opsluiten.”
Sophia wilde hem tegenspreken, maar ze had geen antwoord op zijn wrede woorden. Bovendien hadden ze haar droom in duigen doen vallen, zo gemakkelijk, alsof hij ze gewoon uit de lucht had geplukt. Ze draaide zich om en rende. Het ergste was nog het gelach dat haar door de straat bleef achtervolgen.
Een stukje verderop stopte Sophia in een portiek. Ze was compleet vernederd. Ze had niet verwacht dat dit gemakkelijk zou zijn, maar ze had wel gehoopt dat de mensen in de stad wat vriendelijker zouden zijn. Ze had gedacht dat ze wel voor een dienstmeisje door kon gaan.
Misschien was dat haar fout. Als ze dan toch probeerde om zichzelf opnieuw uit te vinden, waarom zou ze het dan niet meteen goed doen? Misschien was het nog niet te laat. Ze kon niet doorgaan voor het soort dienstmeisje dat haar meesteres naar een bal vergezelde, maar wat dan wel? Ze kon zijn wat ze bijna was geweest als ze in het weeshuis was gebleven. Het soort dienstmeisje dat de laagste van alle banen kreeg.
Dat zou misschien wel werken.
De wijk rondom het paleis zat vol adellijke woningen, maar ook met de zaken die hun eigenaren nodig hadden: kleermakers, juweliers, badhuizen en nog veel meer. Allemaal dingen die Sophia zich niet kon veroorloven, maar ook dingen die ze misschien toch zou kunnen krijgen.
Ze begon met een kleermaker. Dat was het belangrijkste. En misschien, als ze de jurk eenmaal had, zou de rest eenvoudiger zijn. Ze liep de winkel in waar het er het drukst uitzag, hijgend alsof ze op instorten stond, hopend op het beste.
“Wat doe jij hierbinnen?” vroeg een grijsharige vrouw, die opkeek met een mond vol spelden.
“Vergeef mij…” zei Sophia. “Mijn meesteres… ik krijg met de zweep als haar jurk niet op tijd is… ze zei… dat ik de hele weg moest rennen.”
Ze kon niet doorgaan voor een dienstmeisje dat haar meesteres vergezelde, maar ze kon wel een gekochte dienstmeid zijn, die voor een last-minute boodschap was weggestuurd.
“En de naam van je meesteres?” wilde de vrouw weten.
Is dit echt het soort dienstmeid dat Milady D’Angelica zou sturen? Misschien is het omdat ze dezelfde maat hebben en ze wenst te weten of het zal passen?
Sophia’s talent diende zich ongevraagd aan. Ze trok het echter niet in twijfel.
“Milady D’Angelica,” zei ze. “Vergeef me, maar ze zei dat het haast had. Het bal -”
“Zal pas over een uur of twee echt beginnen, en ik betwijfel dat je meesteres er zal willen zijn tot het tijd is om een entree te maken,” antwoordde de kleermaakster. Ze klonk nu wat minder streng, hoewel Sophia vermoedde dat dat alleen kwam door wie ze pretendeerde te dienen. De andere vrouw wees. “Wacht daar.”
Sophia wachtte, hoewel wachten nog nooit zo moeilijk was geweest. Het gaf haar in elk geval wel de kans om te luisteren. De bediende bij het paleis had gelijk gehad: mensen praatten hier anders dan in de armere delen van de stad. Hun klinkers klonken ronder, de randen van hun woorden waren zachter. Een van de vrouwen die er werkte leek uit een van de Koopstaten te komen, en ze had een accent waardoor de letter r rolde.
Het duurde niet lang voor de eerste kleermaakster weer tevoorschijn kwam met een jurk. Ze hield hem omhoog zodat Sophia hem kon inspecteren. Het was de mooiste jurk die Sophia ooit had gezien. Hij glom zilver en blauw en leek met elke beweging te schitteren. Het lijfje was bewerkt met zilverdraad. Zelfs de onderrokken glinsterden, wat haar pure verspilling leek. Niemand zou die toch zien?
“Milady D’Angelica en jij hebben dezelfde maat, toch?” wilde de kleermaakster weten.
“Ja, mevrouw,” antwoordde Sophia. “Daarom heeft ze mij gestuurd.”
“Dan had ze je beter meteen kunnen sturen, in plaats van alleen een lijst met maten.”
“Ik zal het aan haar doorgeven,” zei Sophia.
Dat zorgde ervoor dat de kleermaakster bleek werd van angst, alsof de gedachte alleen al genoeg was om haar een hartaanval te bezorgen.
“Dat is niet nodig. Het is bijna klaar, ik hoef nog maar een paar dingetjes aan te passen. Je weet zéker dat je haar maat hebt?”
Sophia knikte. “Tot op de centimeter, mevrouw. Ze laat me precies hetzelfde eten als zij, zodat we hetzelfde blijven.”
Het was een wild, dwaas detail om te verzinnen, maar de kleermaakster leek erin te trappen. Misschien was dit het soort buitensporigheid waar vrouwen van adel om bekend stonden. Hoe dan ook, ze deed de aanpassingen zo snel dat Sophia het nauwelijks kon bevatten, en overhandigde haar een pakje in een gekleurd papier.
“Zal ik het op Milady’s rekening zetten?” vroeg de kleermaakster. Er zat een hoopvolle toon in haar stem, alsof ze dacht dat Sophia het geld misschien bij zich zou hebben, maar Sophia kon alleen maar knikken. “Natuurlijk, natuurlijk. Ik vertrouw erop dat dat Milady D’Angelica tevreden is.”
“Dat weet ik wel zeker,” zei Sophia. Ze rende praktisch naar de deur.
In feite wist ze zeker dat de aristocrate furieus zou zijn, maar Sophia was niet van plan om daarop te wachten.
Ze had nog meer dingen te doen, en andere pakjes “op te halen” uit naam van haar “meesteres.”
Bij een schoenmaker haalde ze laarzen van het mooiste bleke leer, versierd met lijnen die een scene uit het leven van de Naamloze Godin lieten zien. Bij een parfumeur haalde ze een klein flesje dat rook alsof de maker erin was geslaagd om de essentie van alles wat mooi was in één geurige combinatie te stoppen.
“Het is mijn beste werk!” verkondigde hij. “Ik hoop dat Vrouwe Beaufort ervan geniet.”
Bij elke stop koos Sophia een andere aristocrate om dienstmeisje van te zijn. Dat was uit praktische overwegingen: ze kon niet zeker weten of Milady D’Angelica in elke winkel was geweest. Bij een aantal winkels plukte ze de namen uit de gedachten van de eigenaren. Bij andere winkels, als haar talent niet wilde komen, moest ze hen aan te praat houden tot ze aannames deden, of, in een ander geval, tot ze een blik kon werpen op het logboek op de toonbank.
Hoe meer ze stal, hoe gemakkelijker het leek te worden. Elk stukje van haar gestolen outfit was een soort verklaring voor de volgende, want die andere winkeliers zouden natuurlijk geen spullen aan de verkeerde persoon hebben gegeven. Tegen de tijd dat ze bij de winkel kwam waar ze maskers verkochten, drukte de eigenaar zijn waren praktisch al in haar handen nog voor dat ze binnen was. Het was een half masker van ebbenhout, met versieringen van de Gemaskerde Godin die gastvrijheid zocht, aan de randen afgezet met veren en rond de ogen versierd met juwelen. Het masker was waarschijnlijk ontworpen om het te laten lijken alsof de ogen van de draagster glommen van het licht.
Sophia voelde zich enigszins schuldig toen ze het masker aanpakte en het aan de niet onaanzienlijke stapel pakketjes in haar armen toevoegde. Ze stal van zoveel mensen. Ze stal dingen waar zij voor hadden gewerkt, dingen waar anderen voor hadden betaald. Of voor zouden betalen, of nog niet helemaal hadden betaald; Sophia kon nog steeds niet bevatten hoe aristocraten dingen konden kopen zonder er echt voor te betalen.
Haar schuldgevoel was echter van korte duur, want ze hadden allemaal zoveel vergeleken met de weeskinderen in het Huis van de Niet-Opgeëisten. Alleen al de juwelen op dit masker zouden hun levens veranderd hebben.
Maar eerst moest Sophia zichzelf veranderen. Ze kon niet naar het feest als ze nog zo smerig was van het slapen bij de rivier. Ze liep om de badhuizen heen tot ze er een vond waar rijtuigen voor de deur stonden te wachten, en die een aparte badgelegenheid voor dames van stand adverteerde. Ze had geen munten om mee te betalen, maar ging toch naar binnen. Ze negeerde de blik die de grote, gespierde uitbater haar toewierp.
“Mijn meesteres is binnen,” zei ze. “Ze zei dat ik alles moest halen voordat ze klaar was met baden, of er zou wat zwaaien.”
Hij bekeek haar van top tot teen. Weer leken de pakketjes in Sophia’s handen als een paspoort te werken. “Dan kun je maar beter naar binnen gaan, nietwaar? De kleedkamers zijn aan je linkerhand.”
Sophia liep erheen en zette haar gestolen waar in een ruimte die warm was van de stoom uit de baden. Vrouwen, gewikkeld in de doeken die bedoeld waren om hen af te drogen, kwamen en gingen. Geen van hen keurde Sophia een blik waardig.
Ze kleedde zich uit, wikkelde een doek om zich heen en liep naar de baden. Ze waren gebouwd in de stijl die populair was aan de andere kant van de zee, met verschillende hete, warme en koude baden. Aan de kant wachtten masseuses en dienstmeisjes.
Sophia was zich maar al te goed bewust van de tatoeage op haar enkel die verkondigde wat ze was, maar er waren hier genoeg dienstmeisjes die met hun meesteressen waren meegegaan om hen te masseren met geurige olies of hun haren te kammen. Als iemand haar tatoeage zou zien, zouden ze er waarschijnlijk vanuit gaan dat zij hier om diezelfde reden was.
Desondanks nam ze niet de tijd om uitgebreid te baden. Ze wilde er weg voordat iemand vragen zou stellen. Ze dook onder water, schrobde zichzelf met zeep en deed haar best om het ergste vuil van haar lichaam te krijgen. Toen ze uit het bad stapte, zorgde ze dat haar wikkeldoek helemaal tot aan haar enkels reikte.
Toen ze terug was in de kleedkamer, werkte ze stukje bij beetje haar nieuwe zelf uit. Ze begon met zijden kousen en onderrokken, en werkte omhoog met een korset en bovenrok, handschoenen en meer.
“Heeft mijn vrouwe hulp nodig met haar haren?” vroeg een vrouw, en toen Sophia opkeek zag ze een dienstmeisje staan.
“Als je zo vriendelijk zou willen zijn,” zei Sophia, die zich probeerde te herinneren hoe aristocraten praatten. Ze bedacht zich dat dit gemakkelijker zou zijn als niemand dacht dat ze hier vandaan kwam, dus ze voegde een hint van het accent uit de Koopstaten toe, dat ze bij de kleermaakster had gehoord. Tot haar verrassing kwam het zonder moeite. Haar stem paste zich net zo snel aan als de rest van haar voorkomen.
Het meisje droogde haar haren en vlocht ze in een knot die zo ingewikkeld was dat Sophia nauwelijks kon volgen wat ze deed. Toen ze klaar was zette ze haar masker op en ging ze naar buiten. Ze liep tussen de rijtuigen door tot ze er eentje spotte die nog niet bezet was.
“Jij daar!” riep ze, en haar nieuwe stem klonk zelfs in haar oren vreemd. “Ja, jij! Breng me onmiddellijk naar het paleis, en geen getreuzel. Ik heb haast. En vraag me niet om de ritprijs. Je kunt de rekening naar Heer Dunham sturen, en hij mag dankbaar zijn dat hij vanavond niet meer aan me hoeft uit te geven.”
Ze wist niet eens of er wel een Heer Dunham bestond, maar de naam voelde goed. Ze verwachtte dat de bestuurder van het rijtuig in discussie zou gaan, of op zijn minst zou gaan zeuren over de ritprijs. Maar hij boog alleen maar.
“Ja, mijn vrouwe.”
De rit door de stad was comfortabeler dan Sophia zich ooit had kunnen voorstellen. Het was zeker fijner dan achterop een wagen meerijden, en veel korter. Binnen enkele minuten zag ze de poorten van het paleis al opdoemen. Sophia’s hart zonk haar in de schoenen, want ze zag dezelfde bediende staan. Kon ze dit wel? Zou hij haar herkennen?
Het rijtuig vertraagde, en Sophia dwong zichzelf om naar buiten te leunen, hopend dat ze eruitzag zoals het hoorde.
“Is het bal al in volle gang?” vroeg ze in haar nieuwe accent. “Ben ik op het juiste tijdstip gearriveerd om een impact te maken? Nog belangrijker, hoe zie ik eruit? Mijn dienstmeisjes vertellen me dat dit gepast is voor uw hof, maar ik heb het gevoel dat ik eruitzie als een hoer van de kade.”
Ze kon die kleine wraak niet laten. De bediende bij de poorten boog diep.
“Mijn vrouwe had haar aankomst niet beter kunnen timen,” verzekerde hij haar, met de valse oprechtheid die aristocraten blijkbaar prettig vonden. “En ze ziet er absoluut fantastisch uit, uiteraard. Alstublieft, rijdt u door.”
Sophia trok het gordijn van het rijtuig dicht toen ze verder reden, maar alleen zodat ze haar verbijsterde opluchting kon verbergen. Het werkte. Het werkte echt.
Ze hoopte maar dat het Kate net zo goed afging.
HOOFDSTUK ZES
Kate genoot in haar eentje meer van de stad dan ze voor mogelijk had gehouden. Ze miste haar zus nog steeds en ze wilde nog steeds naar het platteland, maar voor nu was Ashton haar speeltuin.
Ze baande zich een weg door de straten. Er was iets aanlokkelijks aan het zwerven door de menigtes. Niemand keek naar haar om, net zoals ze niet keken naar de andere straatkinderen en leerlingen, jongere zonen of aspirant-vechters van de stad. In haar jongensachtige kleding en met haar piekerige haar kon Kate voor hen allemaal doorgaan.
Er was zoveel te zien in de stad, nog afgezien van de paarden waar Kate verlangend naar keek als ze hen passeerde. Ze stopte tegenover een verkoper die jachtwapens vanuit een wagen verkocht. De lichte kruisbogen en musketten zagen er onmogelijk groot uit. Als Kate er een had kunnen meepakken zou ze het gedaan hebben, maar de man hield iedereen die in de buurt kwam nauwlettend in de gaten.
Niet iedereen was echter zo voorzichtig. Ze slaagde erin om een homp brood van een cafétafel te stelen en een mes dat iemand had gebruikt om een religieus pamflet op te hangen. Haar talent was niet perfect, maar het was in elk geval in haar voordeel dat ze wist waar mensen zaten met hun gedachten.
Ze liep verder, zoekend naar een kans om meer te pakken van wat ze nodig zou hebben op het platteland. Het was lente, maar dat betekende alleen maar regen in plaats van sneeuw. Wat had ze nodig? Kate begon dingen voor zichzelf op te sommen. Een tas, touwen om vallen te maken voor dieren, een kruisboog als ze eraan kon komen, een oliedoek tegen de regen, een paard. Zeker een paard, ondanks alle risico’s die paardendiefstal met zich meebracht.
Niet dat de andere dingen wel veilig waren. Er stonden galgen op een aantal straathoeken, met de botten van lang geleden gestorven criminelen, achtergelaten als waarschuwing. Boven een van de oude poorten, die in de laatste oorlog geruïneerd waren, waren drie schedels gespiesd, naar verluid van de verraderlijke minister en zijn samenzweerders. Kate vroeg zich af hoe mensen dat zich nog konden herinneren. Ze wierp een blik op het paleis in de verte en ze hoopte maar dat Sophia in orde was. Het paleis was een plek voor mensen zoals de koningin die weduwe was geworden en haar zoons, de aristocraten en hun bediendes die hun feestjes en jachten gebruikten in een poging de problemen in de echte wereld te negeren. Niet voor echte mensen.
“Hee, jongen, als je munten hebt om uit te geven, kan ik je een leuke tijd bezorgen,” riep een vrouw vanuit de deuropening van een huis dat geen uithangbord nodig had. Een man die eruitzag alsof hij met beren kon worstelen stond voor de deur, en Kate hoorde geluiden van mensen die plezier hadden, ondanks het feit dat het nog niet donker was.
“Ik ben geen jongen,” snauwde ze terug.
De vrouw haalde haar schouders op. “Ik ben niet kieskeurig. Je mag ook binnenkomen en zelf wat geld verdienen. De oude geilaards houden wel van jongensachtige meisjes.”
Kate beende verder. Die opmerking was geen antwoord waard. En dat was niet het leven dat ze voor zichzelf in gedachten had. Al was het ook niet haar plan om alles te stelen wat ze wilde hebben.
Er waren andere mogelijkheden die ze interessant vond. Overal waar ze keek zag ze recruiters voor een of andere vrije onderneming. Ze beloofden betere premies, betere rantsoenen, of het behalen van glorie in de oorlogen aan de overkant van het Mes-Water.
Kate liep naar een van hen toe. Het was een hartelijk uitziende man van een jaar of vijftig die een uniform aan had dat er meer uitzag als het kostuum van een acteur dan als het echte werk.
“Ho daar, jong! Ben je op zoek naar avontuur? Naar heldendaden? Naar de mogelijkheid om te sterven door het zwaard van je vijanden? Nou, dan zit je hier verkeerd!”
“Verkéérd?” zei Kate, die het niet eens kon schelen dat hij ook dacht dat ze een jongen was.
“Onze generaal is Massimo Caval, de voorzichtigste vechter van allemaal. Nooit gaat hij de strijd aan tenzij hij kan winnen. Nooit verspilt hij zijn mannen aan zinloze confrontaties. Nooit.”
“Dus hij is een lafaard?” vroeg Kate.
“Geloof me, een lafaard is het beste wat je kunt zijn in een oorlog,” zei de recruiter. “Zes maanden op de vlucht zijn voor vijandelijke troepen terwijl ze zich vervelen, met alleen af en toe wat plunderen om het een beetje leuk te houden. Denk erover na, het leven, de… wacht, je bent helemaal geen jongen, of wel?”
“Nee, maar ik kan wel vechten,” benadrukte Kate.
De recruiter schudde zijn hoofd. “Niet voor ons. Wegwezen!”
Ondanks het feit dat hij lafhartigheid had verdedigd, zag de recruiter eruit alsof hij haar in de boeien zou laten slaan als Kate bleef staan, dus ze liep verder.
Er waren zoveel dingen in de stad die niet klopten. Het Huis van de Niet-Opgeëisten was een wrede plek, maar er was in elk geval sprake van een bepaalde orde. In de stad leek het of mensen gewoon deden waar ze zin in hadden, of er nauwelijks input was van de machthebbers. De stad zelf leek in elk geval geen plan te hebben. Kate liep over een brug die was volgebouwd met stallen, podia en zelfs kleine huizen, tot er nauwelijks nog ruimte was om hem te gebruiken voor het beoogde doel. Ze liep door kronkelende straten die uiteindelijk weer op zichzelf uitkwamen, door stegen die op een of andere manier veranderden in de daken van lagergelegen huizen, om vervolgens plaats te maken voor ladders.
Wat betreft de mensen op straat leek de hele stad krankzinnig. Op elke straathoek stond wel iemand te schreeuwen, over de elementen van hun persoonlijke filosofie, om aandacht te trekken voor een toneelstuk, of om de betrokkenheid van het koninkrijk bij de oorlogen aan de andere kant van het water te veroordelen.
Kate dook steeds een deuropening in als ze de gemaskerde priesters en nonnen van de ondoorgrondelijke Gemaskerde Godin zag, maar na de derde of vierde keer liep ze gewoon door. Ze zag een van hen een rij gevangenen met de zweep geven en ze vroeg zich af hoe dat de genade van de godin kon voorstellen.
Overal in de stad waren paarden. Ze trokken rijtuigen voort, hadden ruiters op hun rug. Een aantal van de grotere dieren trokken wagens die vol waren geladen met allerlei spullen, van stenen tot bier. Paarden zien was een ding, er eentje stelen was een heel ander verhaal.
Uiteindelijk koos Kate een plekje bij een stal. Langzaam sloop ze dichterbij, wachtend op haar kans. Om iets te kunnen stelen wat zo groot was als een paard had ze meer nodig dan alleen een moment van onoplettendheid, maar in principe was het niet anders dan het stelen van een taart. Ze kon de gedachten van de staljongens voelen terwijl ze rondliepen. Eén van hen bracht een mooi uitziende merrie naar buiten, denkend aan de aristocrate waar het dier voor bedoeld was.
Verdomme, ze heeft een dameszadel nodig, niet dit.
De gedachte was de enige uitnodiging die Kate nodig had. Ze sloop naar voren terwijl de staljongen zich terug naar binnen haastte, in de veronderstelling dat niemand in zo’n korte tijd een paard mee kon nemen. Kate baande zich een weg tussen de voetgangers door en stelde zich het moment voor dat haar vingers zich rond de teugels zouden sluiten.
“Hebbes!” zei een stem terwijl haar schouder werd vastgegrepen.
Even dacht Kate dat iemand had geraden wat haar intenties waren, maar toen de figuur die haar had vastgegrepen haar omdraaide, zag ze dat het een van de jongens uit het weeshuis was.
Ze worstelde om zich los te rukken en hij sloeg haar hard in haar maag. Kate viel op haar knieën en zag twee andere jongens dichterbij komen.
“Ze hebben ons achter jullie aan gestuurd,” zei de oudste. “Zeiden dat meisjes meer waard waren dan jongens en dat ze ons allemaal konden laten opjagen als het nodig was.”
Hij klonk verbitterd, maar Kate kon het hem niet kwalijk nemen. Het Huis van de Niet-Opgeëisten was een kwaadaardige plek, maar het was tevens het enige thuis dat de weeskinderen hadden.
De volgende stoot, die haar hoofd achterover deed slaan, nam ze hem wél kwalijk.
“Dit is voor de afranseling die je ons gaf met die pook van je,” zei hij. “En dit is voor het pak slaag dat we naderhand van de priesters kregen.”
Hij benadrukte zijn woorden met klappen die Kate duizelig maakten.
“We zijn hier al meer dan een dag,” zei de oudste. “Ik heb honger, ik ben moe en ik wil terug. Ik moet binnenkort het leger in en jij gaat dat niet voor mij verpesten. Dus ik sleur je mee terug, maar niet voor je me vertelt waar die bitch van een zus van je is.”
Kate schudde haar hoofd terwijl hij haar weer sloeg. Stilletjes zwoer ze wraak, hoewel ze op dat moment niet eens kon staan, laat staan dat ze er iets aan kon doen. Ze balde haar haat op en stopte het diep weg, bij de rest van haar woede voor de zusters die haar zo wreed hadden grootgebracht, voor de wereld die haar haar ouders had afgenomen.
Haar haat hielp echter niet om de klappen tegen te houden, of de vragen af te weren die als pijlen op haar afkwamen.
“Waar is je zus?” wilde hij weten. “Waar? Zij is degene die ze voor meer geld willen verkopen.”
“Ik weet het niet,” hield Kate vol. “Maar als ik het wel wist zou ik het nog niet zeggen.”
Ze zag mensen voorbijlopen. Sommigen deden het met uitdrukkingsloze blikken, anderen wierpen een snelle blik op hen, om vervolgens weer weg te kijken omdat ze hadden besloten dat ze er niet bij betrokken wilden raken. Kate zag een jonge man met het schort van een timmermansleerling voorbijlopen, en zijn gedachten flitsten door haar geest.
Ik wou dat ik kon helpen, maar ze zijn groter dan ik, en misschien heeft ze het wel verdiend, en wat als-
“Als je wil helpen, help dan!” riep Kate naar hem.
Hij draaide zich verrast om en begon zelfs naar hen toe te lopen, schaamte op zijn gezicht.
“Hou je erbuiten,” beet de oudste jongen hem toe, maar dat enkele moment van afleiding was alles wat Kate nodig had.
Ze schopte van zich af als een zwemmer die zich afzette van de kant, krabbelde overeind en rende. Achter zich hoorde Kate het geschreeuw van de jongens die de achtervolging inzetten, maar ze negeerde hen. Ze rende door en lette niet eens op de richting die ze op ging. Ze rende naar de drukste delen van de menigte, hopend dat ze er tussendoor kon glippen terwijl de anderen opgehouden zouden worden. Toen dook ze een willekeurige steeg in, in de hoop dat ze de jongens af kon schudden.
Het werkte niet. Kate hoefde zich niet om te draaien om dat te weten. Ze kon hun gedachten voelen, geslepen tot een scherp randje zoals die van een jachthond. Het enige wat haar hoop gaf was de mist die elke avond op Ashton neerdaalde en het lastig maakte om iets te zien, laat staan een op de vlucht geslagen meisje.
Kate rende in de richting van de rivier, want de mist was altijd het dikst op het punt waar hij vandaan kwam. Zowaar, de mist werd dikker, en Kate kon nauwelijks nog een hand voor ogen zien.
Ze bereikte een aantal vervallen steigers, waar kleine boten lagen aangemeerd voor de nacht. Sommigen riskeerden het om door de mist te roeien, of hesen kleine zeilen terwijl ze zich door het licht van brandende olielampen lieten leiden.
Kate keek om zich heen, op zoek naar een plek waar ze zich kon verstoppen. Ze kon niet eeuwig blijven vluchten voor de jongens, maar misschien kon ze wachten tot ze haar voorbij waren. Ze kon hen al niet meer zien door de mist, ze kon hen alleen maar horen. Ze liep een van de vervallen steigers op.
Ze zal zich op een boot verstoppen. We moeten ze doorzoeken.
Kate werd overspoeld door angst bij het horen van die gedachte. Ze was er zo zeker van geweest dat dit zou werken, maar nu… ze kon zich niet verstoppen, ze kon niet terug. Wat moest ze doen?
Deze kant op, zei een stem in haar geest. Dit was niet zoals het lezen van de gedachten van de jongens. Het was meer zoals de momenten dat haar zus contact met haar zocht. Spring naar me toe.
Kate draaide zich om en zag een binnenschip voorbij varen, gevuld met puin uit de stad, verlicht door rode en groene lampen. Achterop het schip stond een meisje van haar leeftijd, die een lange houten paal gebruikte om het schip te sturen. Terwijl Kate toekeek, tilde ze de paal uit het water en stak hem naar haar uit.
Kate stond daar, geschokt. Ze had altijd gedacht dat zij en Sophia uniek waren; dat zij de enigen in de wereld waren die konden wat zij deden. De gedachte dat er iemand anders was die haar gedachten naar Kate kon sturen was genoeg om haar te doen verstijven.
Waar wacht je op? Spring!
Kate wierp zichzelf naar voren, en ondanks de lente was het water zo koud dat het haar de adem benam. Ze hadden in het weeshuis nooit de moeite genomen om de meisjes te leren zwemmen, dus Kate maaide even met haar armen voor haar hand de paal vond die het meisje naar haar had uitgestoken.
Het meisje was sterker dan ze eruitzag en haalde Kate binnen zoals iemand anders een vis zou hebben binnengehaald. Kate snakte naar adem toen ze zich het binnenschip op hees.
“Hier,” zei het meisje, dat haar een deken overhandigde. “Je ziet eruit alsof je hem nodig hebt.”
Dankbaar nam Kate de deken aan. Ze wikkelde hem om zich heen en keek naar het andere meisje. Ze was klein, blond en besmeurd met het vuil van de dingen die ze over de rivier had geloodst. Ze droeg een lederen schort over een jurk die ooit waarschijnlijk blauw was geweest, maar nu meer op bruin leek.
“Ik ben Kate,” bracht ze uit.
Het andere meisje glimlachte. “Emeline. Stil nu. Wie je ook achternazit, ze zullen ons niet zien in de mist.”
Kate dook in elkaar op de achtersteven van de boot en keek naar de steigers, of in elk geval wat ze daarvan nog kon zien. Ze vervaagden snel achter een muur van mist, terwijl het binnenschip verder voer.
Toen ze helemaal uit het zicht waren verdwenen, haalde Kate opgelucht adem. Het was haar gelukt. Ze was aan hen ontsnapt.
HOOFDSTUK ZEVEN
Sophia kon nauwelijks geloven dat ze in het paleis was. In het Huis van de Niet-Opgeëisten had het een magische plek geleken; een andere wereld die meisjes als zij alleen konden hopen te betreden als ze wegens speciale vaardigheden door de juiste aristocraten werden gecontracteerd.
Nu was ze er, dankzij de bereidheid om degenen die haar wilden geloven te misleiden, en de moed om het gewoon te proberen. Sophia voelde verbazing om zichzelf en om de plek waar ze was.
Het was prachtig, het was elegant en het had niet verder verwijderd van het weeshuis kunnen zijn. In plaats van de benauwde ruimtes die ze gewend was, waren er hoge plafonds en ruimtelijke kamers die eerder ontworpen leken te zijn als toonbeelden van rijkdom dan als ruimtes om daadwerkelijk in te wonen. Er waren zachte stoelen en chaise longues in de stijl die van de andere kant van het water kwam, dikke tapijten uit de Koopstaten en zelfs een paar bewerkte zilveren standbeelden die van nog verder weg afkomstig waren, uit de landen waarvan men zei dat men zelfs nog nooit van de Gemaskerde Godin had gehoord.
Dit paleis was alles wat Sophia ooit had gewild.
Nee, niet alles. Dit was een prachtige plek om te zijn, maar alleen hier zijn was niet genoeg. Sophia moest een manier vinden om te kunnen blijven. Ze was hier gekomen in de hoop dat er een manier was om een leven tussen de aristocraten op te bouwen. Een manier om een veilig leven te leiden.
Sophia voelde zich op dat moment niet erg veilig. Aan de muren hingen schilderijen van beeldschone vrouwen en sterk uitziende mannen, die waarschijnlijk de verschillende adellijke bloedlijnen in het koninkrijk vertegenwoordigden. Sophia zag er nu waarschijnlijk wel uit als een van die vrouwen, maar ze had het gevoel dat die façade net zo dun was als de canvassen. Dat er elk moment een scheur in kon komen en ze kon vallen.
“Concentreer je,” zei ze tegen zichzelf, en ze probeerde zich te gedragen zoals ze dacht dat een buitenlandse aristocrate dat zou doen. Ze liep tussen de mensen door, glimlachend achter haar masker, knikkend, pauzerend om schilderijen en sculpturen te bewonderen.
Er waren aristocraten - andere aristocraten, corrigeerde Sophia zichzelf - die in groepjes stonden en met elkaar lachten terwijl ze wachtten tot het bal zou beginnen. Ze zag een groepje jonge vrouwen van haar leeftijd staan, allemaal gekleed in jurken die waarschijnlijk weken hadden gekost om te maken. Een van hen, sprankelend in een ragfijne blauwe japon die ontworpen leek om haar figuur te laten zien, klaagde van achter haar ivoren masker tegen de anderen.
“Ik stuurde mijn dienstmeisje erheen en je raadt nooit wat er is gebeurd. Iemand had mijn jurk gestolen. Míjn jurk!”
Sophia hield haar adem in. Ze wist zeker dat het meisje zich ieder moment zou omdraaien en haar zou zien; ze zou de jurk zien die ze droeg en haar veroordelen, niet alleen als oplichtster maar ook als dievegge. Dit moest ‘Milady D’Angelica’ zijn, zoals de kleermaakster haar had genoemd.
“Ik heb mijn jurk zelfs niet eens kunnen zien,” vervolgde het meisje, en Sophia slaakte een zucht van opluchting. “Ik moest het doen met een jurk die ze klaar had liggen voor de dochter van een of andere burger.”
Een van de anderen, met een masker in de vorm van een vogelbek, moest lachen. “Dan is er in elk geval niet zoveel gepeupel binnen.”
De anderen lachten met haar mee en het meisje dat over haar jurk had geklaagd knikte.
“Kom mee,” zei ze. “Het zal spoedig tijd zijn om te dansen en ik wil dat mijn make-up perfect is als ik door een knappe jongeheer ontmaskerd wordt. Misschien wil een van de zonen van de weduwe me wel kussen.”
“Angelica, jij hebt écht lef,” zei een van de anderen.
Daar had Sophia nog niet aan gedacht. Ze was hier gekomen met de half gevormde gedachte dat ze in het hof zou passen en met een of andere rijke man zou trouwen, maar ze had niet ver genoeg gedacht om te denken aan wat ze zou doen als ze haar masker af moest zetten. Was het niet aannemelijk dat iemand tussen haar aankomst op het feest en het lang-en-gelukkig-leven haar gezicht zou willen zien?
Dus ze volgde de meisjes terwijl ze haar best deed om niet te veel op te vallen. Ze stopte even om naar een standbeeld te kijken.
“Ah, u bewondert de nieuwste Hollenbroek,” zei een dikke man.
Een afschuwelijk kunstwerk, maar er wordt van me verwacht dat ik er iets over zeg.
“Ik vind het afschuwelijk,” zei Sophia, met een accent dat ze had ontworpen om de aristocraten haar haar fouten te doen vergeven. “Excuseert u mij, ik moet mijn make-up nog doen.”
“Dan kunnen we later misschien dansen,” stelde hij voor. “Als u uw danskaart heeft…”
“Mijn danskaart?” vroeg Sophia verward. Ze kon niet zien of de man fronste achter zijn masker, maar ze kon zijn verwarring voelen. “Ja, natuurlijk. Het lijkt erop dat ik die niet bij me heb op het moment.”
Ze liep snel weg, ondanks het feit dat ze wist dat het onbeschoft was. Het was beter dan ontmaskerd worden omdat ze niet wist welke regels deze mensen hadden. Bovendien waren de adellijke meisjes bijna uit het zicht.
Sophia volgde hen naar een kleine voorkamer en gluurde naar binnen. Ze zag een meisje dat misschien een paar jaar ouder was dan zij, gekleed in de grijze vodden van een dienstmeisje met een leercontract. Ze was omgeven door spiegels en kwasten, terwijl de adellijke meisjes voor haar plaatsnamen op stoelen met hoge rugleuningen. Het dienstmeisje had donker haar dat tot net over haar schouders viel en een gezicht dat mooi zou zijn geweest als ze het gereedschap van haar vak op zichzelf had mogen gebruiken. Nu zag ze er vooral overwerkt uit.
“Nou,” snauwde het eerste meisje. “Waar wacht je nog op?”
“Als mijn vrouwe zo vriendelijk zou willen zijn om haar masker af te nemen?” suggereerde het meisje.
Ze deed het tandenknarsend en mompelde iets over onbeschofte dienstmeisjes, terwijl de anderen hetzelfde deden. Ze legden hun maskers naast zich neer, als omgedraaide gezichten, maar Sophia was meer geïnteresseerd in hun ware gezichten. Sommige van hen waren knap, anderen zagen er gewoontjes uit, maar nog steeds met de gladde huid die het resultaat was van dure lotions en de zelfverzekerdheid die ze haalden uit de wetenschap dat ze de halve stad konden kopen als ze dat wilden. Milady D’Angelica was waarschijnlijk de enige die echt beeldschoon was. Haar gezicht had zo van een van de schilderijen aan de muren kunnen komen, en ze had een aura van superioriteit om zich heen die aangaf dat ze heel goed wist hoe mooi ze was.
“Aan de slag,” zei ze. “En wees voorzichtig. Ik heb een zware dag gehad vandaag.”
Waarschijnlijk niet zo zwaar als het dienstmeisje dat op haar moest wachten, of als iemand die haar vrijheid op het spel zette om het paleis binnen te glippen. Toch hield Sophia haar mond. Ze keek toe hoe het dienstmeisje aan de slag ging met poeders en kwasten en subtiel de gezichten van de meisjes transformeerde.
“Werk sneller!” snauwde een van hen. “Echt, deze onvrijen zijn zo lui.”
“Ze zijn niet alleen maar lui,” antwoorde een ander. “Heb je gehoord dat Henine Watsworth er één in bed heeft betrapt met haar verloofde? Ze hebben gewoon geen moralen.”
“En hoe ze eruitzien,” voegde Angelica toe. “Je ziet hoe grof hun gezichten zijn. Ik weet niet waarom we de moeite nemen om ze te brandmerken. Je kunt ze van mijlenver herkennen.”
Het leek hen niets te kunnen schelen dat het dienstmeisje alles kon horen wat ze zeiden, of dat ze vanwege haar positie niets terug kon zeggen. Sophia haatte die wreedheid. Sterker nog -
“Excuseert u mij, mijn vrouwe,” vroeg een dienstmeisje dat voorbijliep. “Bent u verdwaald?”
Het duurde even voor het tot Sophia doordrong dat ze tegen haar praatte. “Nee, nee, alles is in orde.”
“Wilt u mij dan volgen om uw make-up te doen? Ik weet zeker dat we nog een stoel kunnen vrijmaken.”
Het laatste wat Sophia wilde was daar bij de anderen gaan zitten, zonder masker, waar iemand ongetwijfeld zou raden wat ze was. Of, beter gezegd, wat ze niet was.
Sophia hoorde een fragment van de gedachten van het meisje, en dat stelde haar niet gerust.
Is ze in orde? Ik herken haar niet. Misschien moet ik -
“Denk je nu echt dat ik dat nodig heb?” vroeg Sophia met haar meest arrogante stem. “Of denk je dat ik daar wil zitten met al dat geklets? Ik voel nu al koppijn opkomen. Ga wat water voor me halen, meisje. Ga.”
Op zulke momenten voelde het alsof ze een rol speelde en haar scherpe toon deed dienst als de stekels van een doornstruik die ervoor zorgden dat mensen niet te dichtbij kwamen. Het meisje haastte zich weg en Sophia ging er ook vandoor. Ze kon daar niet zo blijven staan.
Ze vond een erker waar ze zich kon verstoppen en deed alsof ze naar de schilderijen keek terwijl ze wachtte op het moment waarop de andere kamer vrij zou komen. Sophia wilde niet eens riskeren dat het dienstmeisje haar zag. Zoals de adellijke meisjes al gezegd hadden, het was te gemakkelijk om een dienstmeisje te herkennen.
Dus ze luisterde met haar oren en met haar geest, wachtend tot het stil was. Toen glipte ze voorzichtig de kamer in. Sophia ging voor een van de spiegels zitten, deed haar masker af en bekeek de enorme verzameling pigmenten en poeders.
Op dat moment besefte ze dat ze geen idee had wat ze moest doen. Ze wist wat make-up was, ze had zelfs een paar vrouwen gezien die het droegen, maar het was nooit toegestaan in het weeshuis. De gemaskerde zusters zouden haar waarschijnlijk zelfs hebben geslagen als ze er ook maar naar gevraagd had. Waarom het gezicht versieren als de godin het hare voor de wereld verborgen had gehouden? Volgens de zusters droegen alleen hoeren make-up.
Toch probeerde Sophia het. Ze concentreerde zich op hoe de vrouwen op de schilderijen eruit hadden gezien, en greep een paar poeders. Al binnen een minuut drong het tot haar door dat ze een fout had gemaakt, want ze was veranderd in een soort gestoorde clown, alleen geschikt voor het minst subtiele straattheater.
“Hallo?”
Sophia draaide zich met een ruk om toen ze de stem van het dienstmeisje hoorde. Ze besefte hoe ze eruit moest zien en greep naar haar masker. Tot haar verrassing was het dienstmeisje sneller. Ze greep haar hand en trok hem zachtjes weg.
“Nee, nee, niet doen. Dat maakt het alleen maar erger. Laat me eens zien, mijn vrouwe.”
Wie is ze? Ik weet zeker dat ik haar ken.
“Het komt wel goed,” zei Sophia, die opstond. Toen besefte ze dat ze haar accent had laten vallen. Ze was weer op haar normale stem teruggevallen, en zelfs zij kon horen hoe grof en onbeschaafd dat klonk vergeleken met de aristocratie.
“Wie ben je?” vroeg het dienstmeisje. Ze verschoof om Sophia beter te kunnen bekijken. “Wacht, ik ken je, of niet?”
“Nee, nee, je hebt het mis,” bracht Sophia uit. Ze had zich moeten losrukken. Ze had het dienstmeisje omver moeten duwen en moeten rennen. Maar dat had ze niet gedaan.
“Ja, ik ken je wel,” zei het meisje. “Jij bent Sophia. Ik herinner me jou en je zusje uit het Huis van de Niet-Opgeëisten. Ik ben Cora. Ik was maar een paar jaar ouder dan jullie, weet je nog?”
Sophia begon haar hoofd te schudden, maar de realiteit was dat ze zich het meisje wel herinnerde en het had geen zin meer om het te ontkennen.
“Ja,” zei ze. “Ja, ik weet het nog.”
“Maar wat doe je hier?” vroeg Cora. “Kom, ga zitten. Hier moet wel een mooi verhaal achter zitten.”
Sophia had verwacht dat ze de wachters zou roepen, dus ze ging verrast zitten. Ondertussen begon Cora met vakkundige handen de make-up van haar gezicht te halen.
Sophia vertelde haar wat er was gebeurd. Ze vertelde haar over hoe ze met haar zusje was weggelopen, over hoe ze op straat hadden moeten slapen. Ze vertelde over hoe zij en Kate uit elkaar waren gegaan, in een poging geluk en veiligheid te vinden ieder op hun eigen manier.
“En jij bent hier omdat je denkt dat je het paleis kunt binnenlopen en een plekje kunt vinden?” vroeg Cora. Sophia wachtte tot het meisje haar zou vertellen hoe dom dat wel niet was. “Het zou kunnen werken denk ik, als je in staat bent om bevriend te raken met de juiste mensen, of meer dan vrienden. Als je een of andere edelman zou kunnen overtuigen om je tot zijn minnares te nemen, of zijn echtgenote.”
Ze lachte alsof het een absurd idee was, maar voor Sophia was dat de meest voor de hand liggende optie. Het was de enige optie om veilig te zijn. De realiteit was dat ze zou doen wat ze moest doen. Ze zou het slaafje, of de vriendin, of courtisane van een of andere aristocraat worden, als dat was wat nodig was.
“Dus je denkt niet dat het stom is?” vroeg Sophia. “Je denkt niet dat het kwaadaardig is om te doen?”
“Kwaadaardig?” vroeg Cora. “Kwaadaardig is het feit dat ze ons kunnen meenemen en verkopen als vee, zonder een kans om onze schulden af te betalen. Kwaadaardig is het dat meisjes van adel me mogen behandelen alsof ik niets waard ben, terwijl zij niets anders doen dan een beetje rondwandelen en wachten op de juiste echtgenoot. Je doet wat je moet doen om te overleven, Sophia. Zolang je daar geen anderen kwaad mee doet, moet je er niet te veel over nadenken. Ik wou dat ik het lef had om te doen wat jij doet.”
Sophia voelde zich anders helemaal niet zo moedig. “Je hebt niet gezegd of je het stom vond. Ik bedoel, als ook maar één iemand erachter komt en me verraadt -”
“Ik zal het niet zijn,” beloofde Cora haar. “En ja, het zou stom kunnen zijn, maar alleen als je het slecht doet. Het feit dat je hier bent zegt dat je erover hebt nagedacht, maar tot hoever precies? Wie moet je voorstellen?”
“Ik dacht dat ik een meisje uit de Koopstaten kon zijn,” zei Sophia, die haar nieuwe accent weer oppikte. “Hier omdat -”
De realiteit was dat ze geen reden had bedacht.
“Het is goed om te zeggen dat je van de andere kant van het water komt,” zei Cora. “Het accent is goed genoeg om de meeste mensen voor de gek te houden. Zeg dat je hier bent vanwege de oorlog. Je vader was een man van adel uit Meinhalt; een stad uit de oude Divisie. Ik heb mensen horen zeggen dat het compleet is weggevaagd door de gevechten, dus niemand zal het kunnen controleren. Het zal ook verklaren waarom je niets bij je hebt.”
Sophia van Meinhalt. Dat klonk goed.
“Dank je,” zei Sophia. “Ik zou nooit… hoe weet je dit allemaal?”
Cora glimlachte. “Mensen vergeten dat ik er ben als ik met ze bezig ben. Zij praten en ik luister. Nu we het daar toch over hebben, ga zitten, dan zal ik, nou, ik maak je niet mooi, want dat ben je al. Maar ik zal je maken tot iemand die aan hun verwachtingen voldoet.”
Sophia ging zitten en het meisje ging aan de slag. Ze koos foundation en rouge, oogschaduw en een lipteint.
“Hoeveel weet je over de etiquette hier?” vroeg Cora. “Weet je wie iedereen is?”
“Ik weet niet voldoende,” gaf Sophia toe. “Een dikke man vroeg me net om mijn danskaart, en ik weet niet eens wat dat is. Hij begon te praten over iemand die Hollenbroek heet. Ik denk dat ik juist heb gehandeld, maar ik weet het niet zeker.”
“Hollenbroek is een kunstenaar,” legde Cora uit. “Je danskaart is een stukje bot of ivoor of leisteen om de namen van beloofde danspartners op te schrijven. En als er een dikke man is die naar beide vraagt, is de kans groot dat het Percy d’Auge is. Je kunt hem maar beter vermijden, hij is een oude geilaard zonder geld.”
Ze vertelde verder over de anderen, de aristocraten en hun families, de weduwe en haar twee zoons, Prins Rupert en Prins Sebastian.
“Prins Rupert is de erfgenaam,” zei ze. “Hij is… nou ja, hij is alles wat je van een prins zou verwachten: onstuimig, knap, arrogant en nutteloos. Sebastian is anders, zeggen ze. Hij is stiller. Maar je hoeft je over hen geen zorgen te maken. Een lagere man van adel zou goed voor je zijn. Philippe van Anter, misschien.”
Terwijl Cora haar nog meer vertelde, werd het Sophia duidelijk dat ze nooit alles kon onthouden. Toen ze dat zei, schudde Cora haar hoofd.
“Maak je geen zorgen. Omdat je van de andere kant van het water komt, zal niemand verwachten dat je alles weet. Sterker nog, het zou verdacht zijn als je dat wel deed. Zo, ik denk dat je bijna klaar bent.”
Sophia bekeek zichzelf in de spiegel. Zij was het en toch ook weer niet. Het was in ieder geval een mooiere versie van haar dan ze zich had kunnen voorstellen. Ze zou het zelf nooit voor elkaar hebben gekregen.
“Nog een ding,” zei Cora. “Ik vind je laarzen mooi, maar we weten allebei wat eronder zit. Doe ze uit, dan zal ik je tatoeage verbergen. Niemand zal het weten.”
Sophia deed haar laarzen en kousen uit en toonde het brandmerk op haar kuit. Cora wreef er dikke foundation overheen en mengde het tot de tatoeage compleet verdwenen was.
“Kijk,” zei ze. “Als je nu een man van adel weet te verleiden, hoef je in elk geval niet je laarzen aan te houden in bed.”
“Dank je,” zei Sophia. Ze gaf haar een knuffel. “Ik ben je zo dankbaar dat je dit allemaal hebt gedaan.”
Cora glimlachte. “Ik heb geluk gehad. Ik heb een baan waar ik daadwerkelijk goed in ben, op een plek die niet zo erg is. Maar als ik een onvrije kan helpen, dan doe ik dat. En wie weet? Misschien heb je, als je ooit een rijke vrouw van adel wordt, een dienstmeisje nodig dat weet hoe ze je er op je best uit kan laten zien.”
Sophia knikte; ze zou dit niet vergeten. Ze ging voor de spiegels staan en ze voelde zich alsof ze een ouderwetse ridder was die zich zojuist in zijn wapenrusting had gehesen. Toen ze haar masker opzette, was het alsof ze haar vizier omlaagtrok. Ze was klaar voor de strijd.
HOOFDSTUK ACHT
Kate droomde over het weeshuis, wat betekende dat het gewelddadige dromen waren. Ze stond in een klaslokaal. Ze werd omringd door figuren, gekleed in de gewaden van de nonnen of de simpele tunieken van de jongens.
Ze stelden haar vragen die nergens op sloegen, vragen over stomme dingen: de juiste manier om een kussen te borduren, de belangrijkste exportproducten van Zuid-Issetia. Vragen die Kate simpelweg niet kon beantwoorden.
Bij elk fout antwoord sloegen ze haar. De zusters haalden uit met riemen of stokken, terwijl de jongens gewoon hun vuisten gebruikten. De hele tijd herhaalden ze dezelfde woorden: “Je bent niet goed genoeg om vrij te zijn. Je bent niet goed genoeg om vrij te zijn.”
Kate voelde handen op zich en probeerde terug te vechten. Ze draaide zich om zodat ze kon krabben en slaan en bijten. Pas toen ze weer wakker werd, besefte ze dat de handen die haar vast hielden niet de handen van de jongens of de Gemaskerde Zusters waren. Het was Emeline die over haar heen gebogen stond, met een vinger tegen haar lippen.
“Stil,” zei ze. “Anders maak je de schippersknechten wakker.”
Kate slaagde erin om zichzelf te kalmeren en te voorkomen dat ze het uitschreeuwde van pure rebelsheid en paniek.
“Ik dacht dat jij de schippersknecht was,” bracht Kate uit.
Ze zag Emeline haar hoofd schudden. “Ze slapen voor. Zeiden dat ze me stroomopwaarts zouden brengen als ik de boot zou sturen terwijl ze sliepen.”
Kate voelde zich ineens niet zo veilig meer. Haar nieuwe vriendin had haar gered, maar Kate was in de veronderstelling geweest dat ze met zijn tweetjes op de boot waren die over de brede rivier voer. Nu bleek dat er ergens mannen lagen die ze niet kende. Een deel van Kate wilde naar hen toe lopen en hen van de boot af duwen, puur om het feit dat ze het lef hadden hier te zijn.
Dat deed ze natuurlijk niet. Het was alleen dat ze iets moest slaan en de bewoners van het weeshuis waren niet in de buurt. Ze wilde niets liever dan teruggaan en het tot de grond toe afbranden, gewoon zodat ze zeker wist dat het dan weg zou zijn uit haar leven. Ze wilde wraak voor elke vernedering en elk pak slaag dat ze daar had gekregen.
“Hey, je bent veilig nu,” zei Emeline. “Je hoeft je geen zorgen te maken. Degenen die achter je aan zaten zullen je nu niet meer te pakken krijgen.”
Kate knikte, maar een deel van haar was nog steeds niet overtuigd. Het Huis van de Niet-Opgeëisten was geen plek die je zomaar achter kon laten. Het was een plek die je altijd met je mee droeg, hoe ver je ook rende. Misschien was dat een van de redenen dat ze niet de moeite namen om de deuren op slot te doen.
In een poging om alles te negeren keek Kate om naar de stad, die gehuld was in het avondlicht. De mist die de stad had omgeven begon op te trekken en onthulde de brede rivier die zich voor hen uitstrekte, verlicht door de lampen van zeelieden, doorspekt met kleine zandbanken en wervelstromen, stroomversnellingen en langzame, slingerende trajecten.
De stad was aan weerszijden net zo gevarieerd als de rivier. Houten gebouwen werden afgewisseld door stenen gebouwen, sommige in nette rijen, andere die zich als lange vingers uitstrekten naar het water. Bij een aantal van de gebouwen was het duidelijk dat ze de rivier voor hun zaken gebruikten; er waren katrolsystemen of aanlegsteigers waar goederen werden in- en uitgeladen. Andere gebouwen waren simpelweg bestemd voor rijke bewoners die de voorkeur gaven aan een uitzicht over het water.
Kate zag een man zitten die probeerde om de rivier te schilderen bij het licht van een lamp en vroeg zich af waarom iemand de moeite zou nemen om dat te doen. Het was hier niet mooi, of wel soms? De stad was te erg aangetast. De rivier gaf die aardeachtige sediment-en-riool-stank af van een waterweg waar mensen alles in dumpten. Het oppervlak van de rivier was te bezaaid met boten en binnenschepen om het riet langs de kant te kunnen zien, of de vogels die ertussendoor fladderden. Het was geen plek die zij zou willen schilderen.
“Voorzichtig,” zei Emeline toen Kate probeerde op te staan. “Verderop zijn bruggen. Je wil niet je hoofd stoten.”
Kate ging braaf weer zitten en keek naar voren. Daar was inderdaad een lange brug die zich over de rivier uitstrekte, zo laag dat waarschijnlijk alleen lage binnenschepen als deze eronder door konden.
“Ze moeten aparte aanlegsteigers aan de andere kant hebben,” zei Emeline. “Alleen de binnenschepen kunnen eronderdoor zonder dat hun masten de brug raken.”
Ze duwde het binnenschip met haar lange stuurpaal in lijn met een van de bogen van de brug. Kate zag lange houten spiezen met de hoofden van criminelen erop, ingesmeerd met pek zodat ze minder snel zouden rotten. Ze vroeg zich af wat voor misdaden ze hadden begaan. Diefstal? Verraad? Iets ertussenin?
Er stonden niet alleen gebouwen aan de rivieroevers, er waren ook open plekken. Op die open plekken zag Kate mannen oefenen voor de oorlog. Ze hadden houten musketten en kruisbogen, want niemand wilde geld uitgeven aan goede wapens, zeker niet voor rekruten. Sommigen van hen trainden met speren terwijl een paar mannen, waarschijnlijk officiers, aan het schermen waren met degens.
“Je ziet eruit alsof je erheen wil zwemmen en je bij hen wil aansluiten,” zei Emeline.
“Jij niet dan?” zei Kate. “Om zo sterk te zijn, zonder mensen die je vertellen wat je moet doen.”
Emeline lachte. “In een van de teams met huurlingen? Zij doen niet anders dan bevelen opvolgen. Trouwens, zou jij het Mes-Water op willen en je leven riskeren voor een doel dat niets betekent?”
Kate twijfelde. Emeline deed het klinken als waanzin, maar het klonk ook als een kans op avontuur.
“En misschien hoef je niet eens naar het buitenland, als de geruchten kloppen,” zei Emeline.
Bij de meeste mensen zou Kate gewoon hun gedachten hebben gelezen om te begrijpen wat ze bedoelden, maar toen ze probeerde om in de geest van het meisje te komen, kon ze niet naar binnen kijken.
Kate, stuurde Emeline, weet je dan niet dat dat erg onbeschoft is?
“Het spijt me,” zei Kate. Ze wilde haar nieuwe vriendin niet boos maken. “Maar wat bedoelde je?”
“Alleen dat oorlogen de neiging hebben om niet op één plek te blijven,” antwoordde Emeline. “Mensen praten over het Mes-Water alsof het een onaantastbaar gat is, in plaats van slechts twintig mijl kalme zee.”
Zo had Kate er nog niet over nagedacht. Toen ze had gehoord over de oorlogen tussen de gefragmenteerde staten aan de andere kant van het water, had ze het beschouwd als iets wat aan de andere kant van de wereld gebeurde. De realiteit was dat een deel van die landen dichter bij Ashton lag dan de watermolens van het noorden, of de granietbergen daarachter.
“Dus je bent niet van plan om je bij de huurlingen aan te sluiten,” zei Kate. “Wat dan wel? Waarom wil je stroomopwaarts?”
Emeline’s ogen gingen half dicht en Kate wist dat er een dagdroom schuilging achter die oogleden.
“Voor Steenhuis,” zei Emeline. Even leek ze meegesleurd te worden in verrukking.
“Steenhuis?” zei Kate. “Wat is dat?”
Ze zag de ogen van het meisje groot worden. “Weet je dat niet? Maar je… je bent net als ik. Je kunt gedachten horen!”
Ze zei het harder dan haar bedoeling was. Het was in elk geval het meest luide dat ze had gezegd sinds Kate wakker was geworden.
“Steenhuis is een plek voor mensen zoals wij,” zei Emeline. “Ze zeggen dat het een plek is waar we veilig zijn, een plek waar anderen ons niet zullen aanvallen voor wat we kunnen.”
Kate wist niet of ze geloofde dat zo’n plek kon bestaan. Ze kon nauwelijks bevatten dat er andere mensen waren met dezelfde gave als zij. Ze was er zo zeker van geweest dat zij en haar zus de enige waren.
“Weet je zeker dat die plek bestaat?” vroeg Kate. Het leek nauwelijks mogelijk.
“Ik heb geruchten gehoord,” zei Emeline. “Ik weet niet precies waar het is. Als dat bekend was, zou het te gevaarlijk zijn. Ze zeggen dat het ergens voorbij de Ridings is. Ik dacht dat als ik eerst maar de stad uit zou komen, ik het uiteindelijk wel zou vinden. Ik bedoel, er gaan mensen heen; het kan niet onvindbaar zijn.”
Dat leek veel voor het meisje om haar hoop op te vestigen, maar de boot was in elk geval een goede manier om de stad uit te komen. En misschien was het niet eens zo’n slechte droom om een plek te vinden waar mensen zoals zij veilig waren.
“Hoe was het leven in het weeshuis?” vroeg Emeline.
Kate schudde haar hoofd. “Erger dan je je kunt voorstellen. Ze behandelden ons niet eens als mensen. Alleen als lastpakken die gevormd en verkocht konden worden.”
Dat was in feite waar het op neer kwam. Het Huis van de Niet-Opgeëisten deed alsof het een veilige haven was voor in de steek gelaten kinderen, maar in werkelijkheid was het een soort fabriek voor contractarbeiders, waar ze de vaardigheden aanleerden die hen nuttig zouden maken zodra ze een leeftijd bereikten waarop ze verkocht konden worden.
“En jij?” vroeg Kate. “Wat deed jij voordat je op deze boot terecht kwam?”
Emeline haalde haar schouders op. “Ik heb een tijdje op straat geleefd. Dat was zwaar.”
Kate wist hoeveel pijn er in zo’n pauze kon zitten. Ze sloeg haar arm om het meisje heen.
“Ik stond vroeger op de uitkijk voor, nou, het waren dieven eigenlijk,” zei Emeline. “Ze gingen eettenten en herbergen in, om uiteindelijk in de kleren van andere mensen weer naar buiten te lopen, compleet met wat er in hun zakken zat. Ik vertelde hen wanneer er mensen op hen letten.”
Kate dacht aan hoe zij haar eigen gave had gebruikt om te stelen. “Wat is er gebeurd?”
Emeline haalde haar schouders op. “Ik ving wat van hun gedachten op. Ze wilden van me af. Ze vonden me te zachtaardig.”
Kate kon wel raden hoe moeilijk dat moest zijn geweest. Ze wilde haar nieuwe vriendin net haar medeleven tonen toen ze voetstappen hoorde. Dit was wat ze haatte aan haar talent: dat het zo willekeurig was. Waarom kon het haar niet voor elk potentieel probleem waarschuwen?
Toen ze zich omdraaide zag ze een grote schippersknecht over hen heen gebogen staan, zijn met bier bevlekte shirt strak om zijn brede borstkas.
“Een heksenkind! Ik heb een heksenkind op mijn binnenschip gelaten? En nu zijn er twee van jullie? Nee, dat wil ik niet hebben. Ga van mijn schip af.”
“Wacht even,” zei Kate.
“Ik zei, ga van mijn schip af,” snauwde hij. Hij griste Emeline’s stuurpaal uit haar handen en hield hem vast zoals een van de soldaten op de rivieroevers een speer zou hebben vastgehouden. “Ze zeggen dat heksen niet kunnen zwemmen. Laten we eens kijken of dat waar is!”
Hij sloeg Emeline eerst en ze viel met een gil van schrik in het water. Kate ging tegenover de man staan, wensend dat ze een zwaard had om hem mee neer te steken.
Maar dat had ze niet en toen de paal in een boog op haar afkwam had ze geen ruimte om hem te ontwijken. Ze voelde de luchtstroom en de klap van de paal toen ze in haar buik werd geraakt. Even vloog ze door de lucht.
Het water van de rivier was een ijskoude klap. Kate zonk en even vroeg ze zich af of de schippersknecht misschien gelijk had gehad over dat ze niet kon blijven drijven. Toen schopte ze met haar benen en kwam ze, snakkend naar adem, als een kurk weer aan de oppervlakte.
Het duurde niet lang. Er kwam een andere boot recht op haar af gevaren. Kate slaagde erin om uit de weg te gaan, maar de golven duwden haar weer kopje onder. Ze zag de scheepsrompen van passerende boten en probeerde een open plek te vinden waar ze weer boven kon komen.
Ondanks de warme dag was het water koud. Zo koud dat Kate’s lichaam snakte naar lucht, maar ze verzette zich. Ze zwom weer naar de oppervlakte en slaagde erin om tussen twee roeiboten boven te komen.
“Help me!” riep Kate uit, maar de mannen op de roeiboten lachten alleen maar.
“Je zult moeten zwemmen, snotaap,” riep een van hen terug. “Er is hier geen plek voor jouw soort.”
Kate wenste dat ze hen allemaal kon neersteken, maar ze kon haar hoofd nauwelijks boven water houden. Ze keek om zich heen, zoekend naar Emeline, maar er was geen teken van haar te bekennen. Was ze meegevoerd door de stroming van de rivier, of… nee, zo kon ze niet denken.
Emeline? stuurde Kate, of dat probeerde ze in elk geval. Zelfs in de beste tijden waren haar krachten inconsistent, en verdrinken in een rivier maakte het er niet bepaald gemakkelijker op. Ze dacht dat ze een glimp van een dobberend hoofd tussen de boten opving en probeerde die kant op te zwemmen.
De stroming liet het echter niet toe. Wat op kalme maalstromen hadden geleken toen ze op de boot zat, bleken nu sterke dingen te zijn die aan Kate’s ledematen rukten en dreigden haar weer onder te trekken. Ze kon onmogelijk in Emeline’s richting zwemmen. Het enige wat ze kon doen was zich zijwaarts door de stroming laten meevoeren.
Ze probeerde grip te krijgen op de brug waar de rivier haar onder door sleurde, maar het metselwerk was glibberig door mos en slijm. Ze bleef naar de andere kant toe zwemmen in de hoop dat ze de oever kon bereiken. Dan kon ze met de stroom mee rennen, Emeline zoeken en haar misschien een touw toewerpen. Haar helpen, op een of andere manier.
Aan deze kant van de brug was het nog drukker op het water. Overal waren roeispanen, palen en kielen die Kate moest blijven ontwijken met elke slag die ze zwom. Eindelijk, eindelijk kwam ze in rustiger water. Haar vermoeide spieren slaagden erin om haar dichter bij de andere oever te brengen. Kate voelde haar vingers zich rond een aanlegsteiger sluiten en slaagde erin zichzelf omhoog te trekken.
Ze lag een minuut of langer op het hout, snakkend naar adem. Haar armen brandden van het vechten tegen de stroming. Haar kleren waren drijfnat en smerig van het koude rivierwater. Op dat moment wilde ze zich alleen maar opkrullen en daar doodgaan.
In plaats daarvan ging Kate rechtop zitten. Ze dwong zichzelf de rivier af te speuren, op zoek naar een teken van Emeline.
Ben je daar? stuurde ze. Ze hoopte op een antwoord van het meisje, maar haar gave was niet zo simpel. Kate was er pas net achter gekomen dat ze met iemand anders dan haar zus kon communiceren; de kans dat ze weer in staat was om verbinding met Emeline te vinden leek onwaarschijnlijk. Het beste waar Kate op kon hopen was dat ze het meisje langs zou zien drijven, meegesleurd door de stroming.
Maar zij was het eerst te water geraakt. Misschien was ze al verder stroomafwaarts. Kate probeerde langs de oever te rennen om haar te zoeken, maar ze had er de kracht niet meer voor. Het was hoe dan ook hopeloos. Ze zag geen teken van het meisje. In het beste geval was ze mijlen verderop uit het water geklommen. In het ergste geval was ze dood.
Die gedachte deed Kate’s maag samentrekken, maar de realiteit was dat er niets was wat ze kon doen.
Ze stopte en keek om zich heen. Ze wist niet in welk deel van Ashton ze nu was. Ze had geprobeerd om de stad uit te komen, maar de rivier had haar een heel eind mee terug gesleurd. Ze was weer alleen, nat, moe, koud en alleen.
Kate liet zich op haar knieën zakken en huilde.
Sophia, stuurde ze. Waar ben je?
Ze wachtte een lange tijd in de stilte, tot ze uiteindelijk besefte dat haar zus haar niet kon horen.
HOOFDSTUK NEGEN
Sophia liep terug door het paleis en probeerde er zelfverzekerder uit te zien dan ze zich voelde. Van wat ze tot dusver van de adellijke meisjes hier had gezien, gaven ze nooit toe aan een moment van onzekerheid.
Het hielp dat het steeds drukker werd. Ze zwierf door het kasteel met een groep anderen. Ze zag de blikken die sommige mensen haar toewierpen en eventjes was ze bezorgd dat ze door haar vermomming heen konden kijken. Toen een van de oudere vrouwen naar haar toe liep, wist Sophia zeker dat ze haar zou ontmaskeren en zou terugsturen naar het weeshuis. Haar talent bood wat geruststelling.
Wie is zij? Moet nieuw zijn. Ik weet zeker dat zo’n mooi meisje ons zou zijn opgevallen. Herinnert me een beetje aan mezelf op die leeftijd. Er zullen ongetwijfeld geruchten de ronde doen.
“Welkom,” zei de oudere vrouw, die haar hand uitstak. “Ik ben Vrouwe Olive Casterston.”
“Sophia… van Meinhalt,” zei Sophia, terwijl ze de hand van de vrouw aanpakte. Ze herinnerde zich nog net op tijd haar nieuwe accent en naam. “Zeer aangenaam kennis met u te maken.”
Oh, uit de Koopstaten. Geen wonder dat ik nooit van haar gehoord heb. Dat zal ook wel verklaren waarom ze niet boog toen ze mijn hand vastpakte.
Sophia benutte haar talent terwijl ze praatte en las wat ze kon van de vrouw. Ze leek niet achterdochtig. Ze leek eerder vastberaden om vriendelijk te zijn. Ze kletsten over koetjes en kalfjes, en Sophia maakte van de gelegenheid gebruik om andere mensen te lezen.
“Vergeef me als mijn gewoontes niet zijn wat u gewend bent,” zei Sophia. “Alles is hier behoorlijk anders, denk ik.”
“Niet zo erg anders, hoop ik,” zei Vrouwe Olive. “Maar ik denk, met de oorlog… oh, arm kind. Ben jij daarin verzeild geraakt? Kom, kom met mij mee. Ik zal je aan wat mensen voorstellen. Heer Jeffrey, dit is Sophia van Meinhalt, je moet haar simpelweg ontmoeten.”
En zo ontmoette Sophia een hele verzameling mensen, zo snel dat het onmogelijk was om te onthouden wie wie was. Vrouwe Olive bleef tijdens de eerste paar ontmoetingen bij haar en schetste een beeld van een meisje dat de oorlogen was ontvlucht. Dat betekende dat Sophia in feite niet hoefde te liegen. Ze hoefde alleen mensen te laten denken wat ze dachten.
Ze wist natuurlijk wat ze dachten en haar gave was de enige reden dat ze zich staande kon houden in de zee van mensen die ze moest ontmoeten. Ze gaven haar glimpen van wat deze mensen verwachtten, fragmenten van informatie die hen lieten denken dat ze in elk geval over de politiek in Ashton had gehoord.
Ze liet het tij van mensen die ze simpelweg moest ontmoeten haar naar de balzaal meevoeren. Daar moest Sophia zich inhouden om niet te snakken naar adem van het hele spektakel.
“Is alles in orde, liefje?” vroeg een gepensioneerde officier, zichtbaar zoekend naar een kans om galant te zijn. Ze had haar verbazing dus blijkbaar niet goed genoeg verborgen.
Hoe kon ze dat ook? Elke muur van de balzaal was bekleed met spiegels in gouden lijsten. De vloer was een meesterwerk van ingelegd hout, dat een kaart van de bekende wereld vormde, inclusief een aantal van de pas ontdekte landen aan de andere kant van de oceaan. De kroonluchters aan het plafond zagen eruit alsof ze bestonden uit duizend kaarsen, terwijl een trio in het goud geklede muzikanten aan de kant stond. Er was geen ruimte voor schilderijen aan de muren, maar de architecten hadden dat gecompenseerd door het plafond te voorzien van een fresco in moderne stijl, die de balzaal eruit liet zien als een prachtig landschap.
“Juffrouw?”
“Ja, alles is in orde,” verzekerde Sophia hem. “Het is alleen dat ik nooit had gedacht dat ik… weer een gelegenheid als deze zou bezoeken.” Sophia van Meinhalt zou dit soort evenementen natuurlijk vaker hebben bezocht. “Maar bedankt voor het vragen.”
Er werd nog niet gedanst. De mensen aten kwarteleieren en in wijn gepocheerde appels, dronken delicate wijnen uit drinkbekers of hielden drinkbekers onder wat een kleine wijnfontein in een hoek leek te zijn.
Maar bovenal leken ze zich bezig te houden met machtsspelletjes, net als marktbezoekers die zochten naar de beste koopjes, of als legers naar het hoogst gelegen terrein. Misschien allebei, want er leek van alles wat in deze ruimte te zijn. De fragmenten van gedachten die Sophia opving maakten duidelijk dat het hier niet alleen maar om dansen ging.
Ik kan toch zeker niet onder hem staan?
Hoe kan de Graaf van Charlke zich dat nieuwe huis veroorloven waar hij het over heeft?
Zal mijn dochter vanavond een echtgenoot vinden? Ze is bijna twintig!
Sophia had dit soort gelegenheden altijd beschouwd als statige, elegante affaires, maar de gedachten die ze oppikte bij de mensen om haar heen deden haar beseffen hoeveel zich onder de oppervlakte afspeelde. Het leek alsof elk gebaar, elk woord, deel uitmaakte van een groot spel van macht en vooruitgang. Iedereen leek hier te zijn omdat ze iets wilden, zelfs al was het maar om te showen met de macht die ze reeds hadden.
Maar er was elegantie. Een aantal van de meisjes waren elegant als zwanen in hun kostuums en werkelijk iedereen leek zijn best gedaan te hebben met outfits en maskers. Het was het soort gelegenheid dat de aanwezigen normaal gesproken anoniem zou hebben gemaakt, maar hier eerder diende om te showen met hun smaak en hun vermogen om de mooiste dingen te kunnen kopen.
Of ze te stelen, in Sophia’s geval.
Ze liep met voorzichtige stapjes door de ruimte, luisterend naar zowel de roddels van de aristocraten, als de laag eronder die ze alleen dachten. Ze hoorde geruchten over welke mannen en vrouwen hadden verloren bij het kaarten of het gokken op paarden, evenals de diepgewortelde zorgen van degenen die vermoedden dat ze deze keer hun schulden niet konden afbetalen. Ze hoorde verhalen over affaires en ontrouw en haar talent stelde haar in staat om de echte verhalen te onderscheiden van de verhalen die opzettelijk werden verspreid om problemen te veroorzaken.
Als ze een ander soort persoon was geweest, zou Sophia wellicht geprobeerd hebben om haar fortuin te creëren door in die geheimen te handelen. Maar dat was niet wie ze wilde zijn. Ze wilde gelukkig zijn en niet gehaat. Ze wilde hier deel van uitmaken, niet een roofdier zijn dat aan de kant stond te wachten tot ze toe kon slaan. Ze wilde meer zijn dan alleen de gave die ze had.
Dat betekende dat ze een meer permanente manier moest vinden om zichzelf aan dit hof te verbinden. Het betekende dat ze hier een echtgenoot moest zoeken. Sophia slikte bij de gedachte. Het was een grote stap om te nemen en het klonk eigenlijk heel geldbelust. Maar was het echt erger dan de aristocraten hier, die probeerden goede huwelijken te sluiten met elkaar, of voor hun nageslacht?
Het was in elk geval beter dan verkocht worden, wat er ook zou gebeuren.
Bovendien had Sophia een voordeel ten opzichte van alle andere aanwezigen: zij kon tenminste zien wat voor soort mensen de mannen echt waren. Ze kon diep in hen kijken en zien dat de oprechte man links van haar een vleugje wreedheid in zich had. Ze kon de jonge man zien die dagdroomde over de courtisane die hij die avond weer zou bezoeken.
Sophia keek de ruimte rond en voelde ogen op haar branden. Ze voelde de hoop van een aantal van de mannen die haar kant op keken. Sommigen van hen voelden roofzuchtig, als wolven die een hert omsingelden. Sommigen wilden haar duidelijk gebruiken, om haar vervolgens weer af te danken.
Er was een jonge man met een zonnemasker en een goudkleurig kostuum dat alleen maar diende om de lijnen van zijn knappe gezicht te benadrukken. Hij stond in het midden van een groepje aanhangers. Sophia hoefde hun gedachten niet te lezen om te weten dat dit Rupert was, de oudste zoon van de weduwe en erfgenaam van het koninkrijk.
Een blik op zijn gedachten deed Sophia wegkijken. Voor hem was ze niets meer dan een stuk vlees. Erger nog, onder zijn humoristische façade zat iets gewelddadigs. Sophia had gehoord dat Prins Rupert een uitstekende soldaat was die graag met de adellijke officiers mee trainde. Maar er was meer dan dat. Het was genoeg om Sophia ervan te overtuigen dat ze niet in zijn buurt wilde komen.
Ze concentreerde zich op het vinden van de aristocraat die Cora had aanbevolen: Philippe van Anter. Maar zelfs met haar talent was het lastig om een persoon te vinden in een menigte waar iedereen gemaskerd was. Ze zag een lange man met haar dat net zo rood was als het hare. Nee, hij was het niet. Het was ook niet de man in het kostuum van een harlekijn, of de man die dacht dat zijn militaire uniform een goed kostuum was.
Ze draaide zich om en verstijfde toen ze een jonge man aan de rand van de menigte zag staan. Hij was rijk gekleed, in een kostuum dat het stromende water en veranderlijke weer van het koninkrijk leek uit te beelden. Hij droeg een grijs met zilveren tuniek over een blauw shirt en een blauwe broek, en met sieraden bekleedde laarzen die er op de een of andere manier eerder elegant dan opzichtig uitzagen.
Het masker verborg de helft van zijn gezicht, maar toch kon Sophia zien dat hij aantrekkelijk was. Hij had niet de harde randjes die een aantal van de soldaten in de ruimte hadden, maar hij leek wel sterk en atletisch.
Hij was niet een van de mannen die naar haar gluurde, of naar de andere jonge vrouwen Sophia ving bij hem niets op van de gewelddadigheid die ze bij Prins Rupert had gevoeld, geen van de problemen die ze in zoveel andere gedachten had gezien. Er was iets kalms aan hem, bijna vredig.
Dat was echter niet hoe Sophia zich voelde. Ze kon zichzelf sneller voelen ademen bij zijn aanblik en ze kon haar ogen niet van hem afhouden. Pas toen een man naar hem boog besefte ze wat eerder nog niet tot haar was doorgedrongen: dit was Prins Sebastian, de jongste zoon van de weduwe. Niet degene die ooit de troon zou erven, maar nog altijd veel meer bezat dan waar zij op kon hopen.
Sophia keek weg, maar haar blik werd steeds weer naar hem toe getrokken. Ze kon er niets aan doen. Ze kreeg Vrouwe D’Angelica en haar vriendinnen in het oog. Ondanks het feit dat ze haar gedachten nog niet had gelezen, kon Sophia de hongerige blik zien die de aristocrate de prins toewierp.
En toen ze wel naar Angelica’s gedachten keek, verstijfde Sophia.
Een drankje, en hij zal snel slaperig worden.
Sophia baande zich een weg door de kletsende menigte, in de richting van het meisje. Sophia zag haar een klein buideltje aan haar riem aanraken.
Ik hoop maar dat de genezer me niet heeft bedrogen. Als dit niet snel genoeg werkt, zal ik nooit degene zijn die hem in bed krijgt.
Sophia kon inmiddels wel raden wat ze van plan was. Angelica wilde Prins Sebastian een of ander verdovingsmiddel geven en dan aan zijn arm weggaan. Ze wilde hem het bed in krijgen, ongeacht wat hij wilde.
Als ik in verwachting ben, dan moet hij wel met me trouwen.
Die onderschepte gedachte was de druppel voor Sophia. Ze moest dit tegenhouden. Ze sloop naar het meisje toe en gebruikte haar talent zoals ze het had gebruikt om op straat te stelen, wachtend tot het moment dat Angelica’s gedachten afdwaalden. Toen griste ze het buideltje van haar riem.
Sophia had het verdovingsmiddel weg kunnen gooien, maar op dat moment had ze het gevoel dat de aristocrate meer verdiende, al was het maar vanwege de manier waarop ze Cora had behandeld. Sophia pakte een glas wijn en roerde er stiekem wat van het poeder doorheen. Ze liep weer naar Angelica toe en wachtte tot ze haar wijn even op een van de kleine tafeltjes had neergezet.
Het was een kwestie van enkele seconden, maar Sophia had erop gewacht en dat maakte het eenvoudig om de wijnglazen te verwisselen. Ze liep weer weg, nippend aan Angelica’s drankje, terwijl de jonge aristocrate dronk van de wijn waar Sophia mee had geknoeid.
Het duurde even voor ze effect zag. Twee minuten lang wist Sophia niet zeker of het überhaupt wel gewerkt had. Toen zag ze Angelica iets wankelen en een poging van een van haar vriendinnen om haar te helpen afwijzen.
Wat gebeurt er? Heb ik een fout gemaakt?
Sophia zag haar naar haar riem graaien, zoekend naar het nu missende buideltje. Angelica wankelde. Deze keer ving een van haar vriendinnen haar op. Ze zag eruit alsof ze zich wilde verzetten, of in discussie wilde gaan, maar het kliekje voerde haar mee de balzaal uit, vermoedelijk op zoek naar een rustig plekje.
Sophia glimlachte bij de gedachte dat het meisje kreeg wat ze verdiende. Ze wierp een blik op Sebastian.
Nu was het tijd dat zij zelf kreeg wat ze verdiende.
Want ze had voor niemand oog, behalve voor hem.
HOOFDSTUK TIEN
Kate had het gevoel dat ze nu nog slechter af was dan voordat ze aan boord van het binnenschip was gegaan. Ze rilde van de kou terwijl ze door de stad liep. Het licht van de schemering was bij lange na niet voldoende om haar drijfnatte kleren te drogen.
Ze had ook honger, zoveel honger dat ze al aan diefstal dacht om het te stillen. Kate keek rond bij de winkels en kraampjes, zoekend naar een kans. Maar die was er niet, ondanks haar talent dat haar vertelde wanneer de kust veilig was.
Ze wenste bijna dat ze terug was in het weeshuis, maar dat was een stomme wens. Zelfs voor ze was weggelopen was haar leven daar erger geweest dan het nu was. Op straat waren er tenminste geen nonnen die haar sloegen als ze fouten maakte, en hoefde ze zich niet eindeloos met zinloze taken bezig te houden om de zonde van luiheid te vermijden.
Dit was echter niet veel beter, en Kate hoopte maar dat haar zus beter af was dan zij. Haar pogingen om contact te zoeken met Sophia werkten niet. Dat was het, of ze was dusdanig afgeleid dat ze niet kon antwoorden. Ze probeerde ook weer contact te zoeken met Emeline. Er kwam nog steeds geen antwoord.
Kate liep verder.
Ze wist niet zeker waar ze precies was in de stad, maar zo te zien was ze niet in een adellijke wijk beland. Daar, zo stelde ze zich voor, zouden de straatstenen van glimmend wit marmer zijn, in plaats van gebarsten bakstenen en graniet dat bedekt was met een laag paardenmest. Vanuit de huizen, die er hier nog armoediger uitzagen dan de huizen rondom het Huis van de Niet-Opgeëisten, hoorde ze zo nu en dan gegil en geschreeuw, geruzie en gelach komen.
Ze passeerde een herberg, waar het kaarslicht de zuipende schippersknechten en werklieden verlichtte. De woorden van een vunzig lied werden door de wind naar buiten gevoerd en Kate moest ervan blozen. Een van de mannen wenkte haar. Kate liep haastig verder.
Bij daglicht was Ashton een bruisende stad met ruwe randen. In de schemering leek het, in elk geval in dit deel van de stad, heel wat minder vriendelijk. Kate was er zeker van dat ze geluiden van geweld uit een nabijgelegen steeg hoorde komen. Toen ze langs een andere steeg liep, zag ze een man en een vrouw die tegen een muur stonden. Ze keek weg.
Kate wist dat ze snel moest opwarmen. Bij daglicht was het misschien warm genoeg om haar kleren te laten drogen door gewoon rond te lopen, maar nu het avond werd viel het maanlicht in een zilverkleurige nevel op haar neer en leek de wind dwars door haar heen te snijden als ze niet dicht genoeg bij de muren bleef. Ze zou doodvriezen als ze geen vuur vond.
Er waren genoeg vuren in de stad; vuurhaarden en stookplaatsen. De schoorstenen van de huizen bliezen rook de nachtelijke hemel in, terwijl de bewoners warm binnenzaten. Maar ze kon niet zomaar ergens naar binnen lopen.
Ze kon een herberg proberen, maar herbergen kostten geld en als ze gewoon in een herberg bleef rondhangen zou er ongetwijfeld iemand vragen gaan stellen. Dus liep ze door. Ze keek verlangend naar de herbergen waar ze langsliep en probeerde de geluiden van de gevaarlijke inwoners van de stad te negeren.
Uiteindelijk kon Kate niet meer. Bij de eerstvolgende herberg die ze tegenkwam, glipte ze de binnenplaats op. Ze kon dan wel niet voor een kamer betalen, maar deze herberg had een stal, en als ze voorzichtig was zou ze in elk geval warm bij de paarden kunnen zitten. Er zouden vast wel ergens staljongens rondlopen en de eigenaren van de paarden zouden ’s ochtends pas hun dieren komen ophalen. Maar voor nu kon Kate geen gedachten oppikken die erop wezen dat er mensen in de buurt waren.
Er stonden drie paarden in de stallen. Een van de paarden was een donkere hengst, groot, met een agressieve blik in zijn ogen. Een ander was een makke witte pony die er veel te dun en verwaarloosd uitzag. De derde was een kastanjebruine merrie die schrok toen Kate dichterbij kwam en zich terugtrok in het stro. Kate pakte de deken die over de rug van het paard lag en het dier leek het niet erg te vinden toen Kate zichzelf inwikkelde.
Het was niet veel, maar het was veel beter dan in drijfnatte kleren op straat rondlopen. Ze probeerde niet in slaap te vallen, want ze wilde niet het risico lopen dat iemand haar zou betrappen. Dus ging ze zitten. Langzaam begon ze weer een beetje op te warmen.
Ze dacht na. Ze was van plan geweest de stad uit te gaan toen de jongens haar hadden gevonden en ze gedwongen was om te vluchten. Haar plan was geweest om alles te stelen wat ze nodig had, van voedsel tot wapens, van kleding tot, wel, een paard. Waarom zou ze dat niet alsnog doen?
Kate sloop naar de voorkant van de stallen en tuurde naar buiten, terwijl ze tegelijkertijd haar andere zintuigen benutte. Ze wist heel goed wat er met haar zou gebeuren als ze betrapt werd bij het stelen van iets wat zo kostbaar was als een paard. Het zou minimaal het brandijzer zijn, maar waarschijnlijk de strop.
Maar nu het alternatief een langzame dood sterven in de stad was, leek het meer dan het risico waard. Het daadwerkelijk doen was echter toch een ander verhaal. Kate zag het zadeltuig aan de muur hangen. De kastanjebruine merrie stond keurig stil toen Kate de deken weer op haar rug gooide en het zadel eroverheen legde. Het dier was er duidelijk aan gewend dat ze door vreemde mensen werd opgezadeld. Ze vond ook een hoofdstel, en dankzij de lessen uit het weeshuis over hoe ze een goed dienstmeisje moest zijn wist ze voor het grootste deel wel hoe ze alles moest vastmaken. De rest deed ze op de gok. Toen het paard rustig bleef staan, vermoedde ze dat ze het goed had gedaan.
Ze opende de staldeur zo stilletjes als ze kon, maar elk gekraak van het hout of gepiep van de bout klonk onmogelijk luid in de stille nacht. Ze durfde het paard niet de stal uit te rijden, dus ze leidde het stilletjes naar buiten, stapje voor stapje tot ze het hek bereikte dat naar de straat leidde.
“Hee jij! Wat denk je dat je aan het doen bent?”
Kate aarzelde geen seconde. Ze steeg niet bepaald gracieus op, maar het was wel snel genoeg. Ze begroef haar hielen in de flanken van het paard en gaf een schreeuw. Tegelijkertijd dwong ze het paard met haar gedachten om te rennen.
Kate wist niet welk aspect het paard in galop bracht, maar het maakte op dat moment niet uit. Het enige wat ertoe deed was dat ze zich aan het paard vastklampte terwijl het door de nachtelijke straten rende. Er klonk geschreeuw achter haar, maar dat vervaagde al snel.
Blijven zitten was het moeilijkste. Kate had nooit eerder gereden. Het weeshuis was ervan uit gegaan dat de enige mensen die zouden rijden, degenen waren die haar kochten. Zeker niet zij zelf, en al helemaal niet zo snel.
Ze hield zich krampachtig vast aan de hals van het paard en probeerde niet eens te sturen. De merrie zocht haar weg tussen de wagens en voetgangers door die nog op straat waren. Ze hield zich vast tot het dier moe begon te worden en trok toen aan de teugels.
Ze slaagde erin om de merrie stapvoets te laten lopen, zodat ze de kans kreeg om zich te oriënteren. Ze wist niet precies waar ze was, maar ze had wel een idee van waar de rivier was waar ze zichzelf niet al te lang geleden uit had gehesen. Als ze in de tegenovergestelde richting bleef rijden, zou ze uiteindelijk wel de stad uitkomen.
Kate stuurde het paard in wat ze hoopte dat de juiste richting was en reed verder. Ze had weliswaar nog niet eerder gereden, maar ze merkte al snel dat het ritme te pakken kreeg. Ze leerde zichzelf het paard te sturen met haar benen, terwijl het dier haar langs winkels en herbergen, bordelen en gokhuizen droeg.
Ze passeerde een van de gaten in de oude muren. Er was een tijd geweest dat ze door een afgesloten poort had moeten rijden om de stad uit te komen. Dan zou ze geconfronteerd zijn met wachters die zouden willen weten waar ze het paard vandaan had. Die dagen waren echter voorbij, want de poorten waren tijdens een van de burgeroorlogen verwoest door een kanon. Nu kon Kate dus rustig doorrijden, de stillere voorstad in.
Ze hoorde nog altijd geschreeuw achter zich, maar Kate betwijfelde dat iemand haar nu nog zou inhalen. Voor de zekerheid bleef ze weg van de grote wegen, zodat iedereen die achter haar aan zat haar zou moeten zoeken. Dat betekende dat ze langs rijen houten gebouwen reed, waarvan de meesten hun eigen kleine tuintjes hadden waar de mensen wat extra voedsel konden verbouwen.
Voor het eerst in haar leven voelde Kate zich echt vrij. Ze kon gewoon blijven rijden, richting de Ridings met hun open vlaktes en kleine dorpjes. Niemand zou haar tegenhouden. Hier zou ze kunnen vinden wat ze nodig had, of het nu voedsel was, of wapens, of gewoon de vrijheid om van het land te leven.
Ze haalde diep adem en verzette zich tegen de drang om het paard weer tot een galop aan te sporen. Ze had vannacht al hard genoeg gerend. Voor nu wilde ze gewoon door blijven rijden op een tempo dat de merrie tot de ochtend kon volhouden, dus ze liet het dier in een stevig tempo doorwandelen, door de buitenwijken van de uitgestrekte stad.
Pas toen Kate langs de werkplaats van een smid kwam, liet ze haar paard weer stoppen. Het waren de enige gebouwen van steen in een zee van houten en bakstenen constructies en het zag er zo solide uit dat het leek alsof het er altijd al had gestaan. Er stonden wat voorbeelden van het werk van de eigenaar om de werkplaats heen: smeedijzeren hekken en zeisen die nog geslepen moesten worden, maar ook vaten met pijlen die nog van pijlpunten moesten worden voorzien.
Die trokken Kate’s aandacht. Als er pijlpunten waren, dan lagen er misschien ook andere wapens binnen. Misschien korte jachtbogen, wachtend op de ingewikkelde metalen fittings waar mensen zo van hielden. Misschien messen, of zelfs zwaarden.
Kate wist dat ze verder moest. Het was veiliger om geen diefstal meer te riskeren tot ze de stad helemaal uit was. Zelfs het paard was al een enorm risico geweest. Maar wel een risico dat goed had uitgepakt, nietwaar?
En misschien was het wel beter om het gewoon allemaal in één keer te doen. Er waren toch al mensen naar haar op zoek, dus misschien was het beter om alle risico’s vannacht te nemen, in plaats van alles te verpesten zodra ze eenmaal op het platteland was. Op een of andere manier had Kate het gevoel dat het beter was om al haar kleine delicten in de stad achter te laten. Dit was nog altijd deel van het leven dat ze achter zich wilde laten; ze wilde niet haar nieuwe leven verpesten door vijanden te maken in de dorpjes in de Ridings of de Graafschappen die daarachter lagen.
Kate nam een besluit. Ze bond haar paard aan het hek dat langs de zijkant van de werkplaats stond. Ze sprong over het hek en het voelde alsof ze iets onherroepelijks had gedaan. Ze sloop richting de werkplaats van de smid en probeerde zo laag mogelijk te blijven.
Er waren drie gebouwen. De eerste was duidelijk de winkel, de tweede zag eruit alsof het de woning van de smid was, de derde was waarschijnlijk de opslag en werkplaats. Dat was het gebouw waar Kate door de duisternis heen sloop. Bij dat gebouw was de kans het kleinst dat het op slot zat, en de kans het grootst dat er afgemaakte wapens waren.
En zowaar, toen Kate door een van de kleine raampjes naar binnen keek, zag ze vaten met zwaardheften en bogen, afgewisseld met ornamentaal ijzerwerk en lange spijkers voor het bouwen van boten.
Nu moest ze alleen nog een weg naar binnen zien te vinden. Kate liep naar de deur, maar er zat een groot ijzeren slot op en er was geen beweging in de hendel te krijgen. Ze liep weer terug naar het raam en bekeek het glas-in-lood raam. Zou ze erdoor passen? Het zou krap worden, maar Kate dacht dat het wel zou lukken.
Ze zou het raam moeten breken, maar aangezien er zoveel spullen in de tuin lagen was dat niet zo moeilijk. Ze pakte een gedraaide ijzeren spies op en gooide.
Het geluid van brekend glas klonk veel te luid in de stilte. Kate hield haar adem in, luisterend naar enige activiteit. Toen ze niets hoorde, sloeg ze de rest van de glasscherven weg en hees ze zichzelf door het raam.
Kate doorzocht de vaten. Ze wist niet zoveel over wapens als ze zou willen, maar ze kon zien dat sommige creaties beter waren dan andere. Er waren een aantal lichte, veerkrachtige zwaarden, maar ook een aantal die leken op goedkope replica’s. Sommige zwaarden met ingewikkeld uitziende handvaten hadden messen zonder flexibiliteit en een doffe glans, in plaats van het gegolfde metaal van de betere.
Hetzelfde gold voor de bogen. Sommige waren gemaakt van taxushout en as, anderen waren vervaardigd uit vele lagen hout en hoorn, gebonden met metaal. Kate pakte de beste wapens die ze kon vinden. Als ze dit deed, moest ze het goed doen. Ze zou met geen mogelijkheid het raam uit kunnen klimmen als ze de wapens op haar rug bond, dus ze gooide ze voor zich uit naar buiten en klom toen weer door het raam. Ze rolde in het donker over de grond en kwam gehurkt overeind.
Ze voelde een hand op haar schouder, zo groot en sterk dat Kate wist dat ze geen enkele kans had om te ontsnappen. Ze draaide zich om en probeerde zich los te trekken, maar sterke armen grepen haar vast.
Kate slikte. Ze was er geweest.
HOOFDSTUK ELF
Sophia dwong zichzelf om toe te kijken toen het dansen begon en groepjes mensen aan formele hofdansen deelnamen waar zij de passen niet van kende. Ze zou niets liever doen dan op Prins Sebastian aflopen, maar op dat moment had ze moeite om haar voeten in beweging te krijgen.
Waarom ben je dan hier? vroeg Sophia zichzelf.
Dat was een goede vraag. Ze kon nu niet terughoudend zijn. Als ze zichzelf er niet eens toe kon zetten om met de prins te praten, dan moest ze naar een van de andere mannen in de balzaal gaan. Als ze dat ook niet kon, dan moest ze vertrekken, verkopen wat ze had, en hopen dat het genoeg zou zijn om haar een nacht of twee van de straat te houden.
Was het niet beter om gewoon naar de prins toe te lopen? Was het niet beter om gewoon een gesprek aan te knopen met een jonge man die ze leuk vond? Met die gedachte was Sophia weer in staat om in beweging te komen. Ze begon zich een weg door de menigte te banen.
Zelfs nu was nog niet iedereen aan het dansen. De oudere aristocraten keken voornamelijk toe vanaf de zijlijn, pratend over wiens zoon of dochter of nichtje het elegantst danste, over de oorlogen aan de andere kant van het Mes-Water, over de kunstenaars die door de weduwe waren gekleineerd, of het feit dat de dochter van Heer Horrige was geselecteerd om een non van de Gemaskerde Godin te worden. Alleen de naam al was genoeg om Sophia de mensen te doen vermijden.
Ze bleef zich in de richting van de prins bewegen. Hij was nog niet aan het dansen, hoewel zijn broer dat wel deed. Hij wisselde de ene met de andere partner, met de lachende uitbundigheid van een man die wist dat hij vrijwel elke vrouw kon krijgen. Sophia zorgde ervoor dat ze hem ontweek. Ze had geen zin om te worden meegesleurd in de wervelwind van zijn vermaak.
Toen ze Prins Sebastian benaderde, wist ze zeker dat hij haar kant op keek. Het was lastig te zien omdat het masker zijn gezicht verborg, maar haar talent pikte zijn verbazing op.
Ze komt naar me toe? Ik was in de veronderstelling dat zo’n mooi meisje al een volle danskaart zou hebben.
“Uwe Hoogheid,” zei Sophia toen ze bij hem kwam, buigend omdat ze dat in elk geval wel had geleerd in het Huis van de Niet-Opgeëisten. “Ik hoop dat u het niet erg vindt dat ik zomaar naar u toe kom.”
Erg? Alleen als ze gaat beginnen over hoe perfect het bal wel niet is. Ik haat het hoe bedrieglijk deze gelegenheden zijn.
“Nee, zeker niet,” zei hij. “Het spijt me, ik kan niet raden wie er onder dat masker zit.”
“Sophia van Meinhalt,” zei ze, terwijl ze zich haar valse identiteit herinnerde. “Het spijt me, ik ben niet zo goed in feestjes. Ik weet niet precies wat ik moet doen.”
“Ik ben er ook niet erg goed in,” gaf Sebastian toe.
Het zijn vleesmarkten.
“Je hoeft je voor mij niet te verbergen,” zei Sophia. “Ik kan zien dat je er niet erg van houdt. Zijn het te veel profiteurs op één plek?” Ze zweeg even. “Het spijt me, dat was te brutaal. Als je wil dat ik ga -”
Sebastian reikte naar haar arm. “Blijf alsjeblieft. Het is verfrissend om iemand te ontmoeten die bereid is om eerlijk te zijn over wat hier gaande is.”
Sophia voelde zich daar een beetje schuldig over, want ze was zich heel goed bewust van het feit dat zij hier onder valse voorwendselen was. Tegelijkertijd voelde ze een diepere band met Sebastian dan met wie dan ook. Hij voelde echt, terwijl de meeste andere mensen simpelweg façades leken.
De realiteit was dat ze hem leuk vond en het leek erop dat dat wederzijds was. Sophia kon zijn gedachten zien, zo duidelijk als vis op de bodem van een rivier. Het waren mooie dingen, zonder het wrede randje dat ze bij zijn broer had gevoeld. Bovendien kon ze zien wat hij voelde en dacht als hij naar haar keek.
“Waarom ben je naar het bal gekomen als je hen zo erg haat?” vroeg Sophia. “Ik had gedacht dat een prins wel de vrijheid had om te kiezen.”
Sebastian schudde zijn hoofd. “Misschien dat het in Meinhalt zo werkt. Hier draait alles om verplichtingen. Mijn moeder wil dat ik erbij ben, dus ben ik erbij.”
“Ze hoopt waarschijnlijk dat je een leuk meisje ontmoet,” zei Sophia. Ze keek nadrukkelijk om zich heen. “Er moet er hier ergens vast wel eentje zijn.”
Ze slaagde erin om hem daarmee aan het lachen te krijgen.
“Ik denk dat ik dat zojuist heb gedaan,” antwoordde Sebastian. Toen leek het tot hem door te dringen wat hij zojuist had gezegd. “En hoe zit het met jou, Sophia? Waarom ben jij op dit bal?”
Sophia besefte dat ze niet tegen hem wilde liegen; in elk geval niet meer dan noodzakelijk was.
“Ik kon nergens anders heen,” zei ze, en Sebastian moest de verslagenheid in haar stem gehoord hebben. Hij kon de reden natuurlijk niet weten, maar zelfs als hij dacht dat ze een buitenlandse aristocrate was die voor de oorlog was gevlucht, was de sympathie in zijn volgende woorden wat er echt toe deed.
“Het spijt me. Het was niet mijn bedoeling om over lastige onderwerpen te beginnen,” zei Sebastian. Hij bood haar zijn hand aan. “Wil je dansen?”
Sophia pakte zijn hand en was verrast toen ze besefte dat ze niets liever wilde. “Graag.”
Ze liepen samen naar de dansvloer. Op dat moment drong het tot Sophia door dat er een probleem was.
“Ik moet je waarschijnlijk waarschuwen dat ik niet zo goed kan dansen. Ik ken de pasjes van alle dansen hier niet eens.”
Ze zag Sebastian glimlachen. “Jij hebt tenminste het excuus dat er heel andere hofdansen in Meinhalt zijn. Ik ben gewoon slecht. Mijn leraren hebben me dat verteld, dus dan moet het wel waar zijn.”
Sophia legde een hand op zijn arm. Ze wist als geen ander hoe het was om wrede leraren te hebben. Ze betwijfelde dat de leraren van de prins hem ooit hadden geslagen, maar er waren ook manieren om wreed te zijn zonder iemand aan te raken.
“Dat is afschuwelijk om tegen iemand te zeggen,” zei ze. “Ik weet zeker dat je beter danst dan je denkt.”
“We kunnen het in elk geval samen leren,” zei Sebastian.
De eerste paar passen van de nieuwe dans gingen Sophia niet goed af, omdat ze niet wist wat ze moest doen. Toen besefte ze iets dat eigenlijk heel vanzelfsprekend was: er was een hele ruimte vol mensen om haar heen die de danspasjes wel kenden en daarover moesten nadenken.
Ze luisterde met haar gave, hopend dat ze alles kon oppikken wat ze nodig had, en gebruikte haar ogen om het ritme van de andere dansers te bekijken. Een meisje dat niet al te ver bij hen vandaan danste, leek haar weg door de stappen te denken met de concentratie van iemand die niet al te lang geleden door een dansleraar gedrild was.
“Je pikt het snel op,” zei Sebastian toen Sophia begon te bewegen.
“Je doet het zelf anders ook niet slecht,” verzekerde ze hem.
Dat was ook zo. Ondanks zijn bewering dat hij niet goed kon dansen, zag Sophia maar een probleem met Sebastians dans: een soort zelfbewuste stijfheid. Die leek te komen en te gaan, afhankelijk van of hij zich ervan bewust was dat er mensen naar hem keken. Dus Sophia besloot om hem af te leiden.
“Vertel eens wat over jezelf,” zei ze terwijl ze langs de andere koppels wervelden.
“Wat is er te vertellen?” antwoordde Sebastian. “Ik ben de jongste zoon van de weduwe, technisch heer van een klein hertogdom in het westen en vrij onbelangrijk als het op nalatenschap aankomt. Ik voldoe aan mijn verplichtingen. Het bijwonen van een bal hoort daar ook bij.”
Sophia liet haar hand over zijn schouder glijden. “Ik ben blij dat je hier bent. Maar dat interesseert me allemaal niet. Ik wil iets over jou weten. Wat maakt je blij? Wat vind je het meest geweldige in de hele wereld? Als je met vrienden bent, behandelen zij je dan als een prins, of ben je voor hen gewoon Sebastian?”
Sebastian zweeg zo lang dat Sophia begon te vermoeden dat ze hem verkeerd had ingeschat, ondanks de voordelen van haar gave.
“Ik weet het niet,” zei hij uiteindelijk. “Ik weet niet zeker of ik wel echt vrienden heb. Ik heb eigenlijk altijd aan het randje van de sociale groep van mijn broer gestaan. Misschien is dat niet eens zo erg. Hoe dan ook, mijn enige taak als een jongere prins is om mijn familie niet te schande te zetten. Dat is makkelijker als ik de strubbelingen die Rupert veroorzaakt zo veel mogelijk ontloop. En om eerlijk te zijn vind ik boeken veel interessanter dan de rest.”
Sophia hield hem iets steviger vast. “Dat klinkt eenzaam. Ik hoop dat ik in ieder geval interessanter ben dan een boek.”
“Veel interessanter,” zei Sebastian. Toen leek hij zich te realiseren wat hij had gezegd. “Het spijt me, ik zou niet…”
Ook al is het de waarheid.
“Het is goed,” zei Sophia. Ze kon zien dat hij zich schaamde vanwege het feit dat hij zijn grens had overschreden, maar haar talent liet haar zien hoe blij hij was dat ze het niet erg vond, en wat hij dacht elke keer dat hij naar haar keek. Het was vreemd om te zien hoe de ruimte voor iemand oplichtte, alleen omdat zij er was.
Sebastian zag eruit alsof hij nog iets anders wilde zeggen, maar een ander meisje koos precies dat moment om naar hen toe te lopen, haar arm uitgestoken alsof ze hem wilde vragen om te dansen. Sophia kon zien hoe dat zou verlopen. De prins zou van het ene mooie meisje naar het andere worden geschoven en hij zou haar helemaal vergeten.
Maar tot haar verrassing deed Sebastian een stap achteruit.
“Misschien later,” zei hij op vriendelijke toon. “Zoals je kunt zien heb ik voor deze dans al een partner.”
“Ik heb mijn danskaart -” begon het meisje, maar Sophia en Sebastian dansten alweer weg.
Ze had zich geen zorgen hoeven maken. Sebastian kon zijn ogen niet van haar afhouden terwijl ze dansten. Sophia vond het heerlijk om zijn stem te horen als hij praatte over de dingen die hem opwonden, niet de zielige oorlogen waar de meeste aristocraten in geïnteresseerd waren, maar kunst en de wereld, de mensen in de stad en de dingen die hij als prins kon doen om de situatie te verbeteren.
“Natuurlijk,” zei hij, “het is niet meer zoals in de tijd voor de burgeroorlog, toen koningen en koninginnen gewoon konden doen wat ze wilden. Nu gaat alles eerst langs de Assemblee van Aristocraten.”
“Waardoor je het gevoel hebt dat je niets goeds kunt doen?” raadde Sophia.
Sebastian knikte. “Ashton is een wrede stad,” zei hij, “en de rest van het land is niet veel beter. In de wetteloze gebieden is het nog erger. Het zou mooi zijn om te kunnen helpen.”
Sophia was er altijd van uitgegaan dat aristocraten spogen op degenen die onder hen stonden, dat het hen niets kon schelen hoe zwaar zij het hadden. Maar als het op Sebastian aankwam, leek ze het verkeerd te hebben.
Desondanks wilde ze hem niet de waarheid vertellen over wie ze was. Het moment was veel te mooi. Het voelde ragfijn als een spinnenweb en net zo kwetsbaar. Een verkeerde beweging en het kon allemaal uit elkaar vallen. Sophia wilde niet dat het uit elkaar viel. Ze vond Sebastian leuk, en een blik op zijn gedachten vertelde haar dat hij veel meer deed dan haar alleen maar leuk vinden. Op dat moment voelde het alsof ze de hele nacht met hem kon dansen en praten.
En dat deed ze.
Ze draaide in Sebastians armen terwijl er een nieuw lied werd gespeeld. Ze praatte met hem over het leven in het paleis, over de plekken die hij had gezien en de mensen waarmee hij had gesproken. Ze haalde de gedachten die als diamanten in zijn geest glansden uit hem en trok hem weg van de alledaagse dagen en de druk van het leven aan het hof.
Als het over Sophia’s eigen leven ging, hield ze alles zo algemeen mogelijk. Ze kon toegeven dat ze een zusje had, maar ze kon hem geen verhalen vertellen over hun levens, behalve dan de meest vage details. Anders zou het betekenen dat ze over het weeshuis moest praten. Ze kon iets vertellen over het laatste nieuws, omdat ze de details uit de geest van de prins kon halen. Het beste wat ze kon doen was de conversatie terugleiden naar Sebastian, of praten over dingen die niet zouden vrijgeven waar ze vandaan kwam, of wat ze had gedaan om hier te komen.
Op een gegeven moment leek het natuurlijk om hem te kussen. Sophia deed even een stapje achteruit en leunde toen opzettelijk dichter naar hem toe, terwijl ze de blikken van de andere jonge aristocrates in de ruimte negeerde. Dit ging niet om hen, maar om haar en Sebastian.
Toen de klokken luidden, sneed het lawaai niet alleen door de muziek maar ook door wat Sophia de hele avond aan Sebastian had gebonden. De schok deed hen beiden opkijken en op dat moment werd wat hen in een kus zou hebben getrokken, verbrijzeld.
Sophia keek om en zag dat een aantal mensen naar hen keken en met elkaar fluisterden. De jongere vrouwen keken allesbehalve blij toen ze van de dansvloer liepen en hun maskers afnamen.
“Is het feest voorbij?” vroeg Sophia. “Het… het lijkt nog maar een uur geleden sinds het begon.”
“Drie,” zei Sebastian, maar pas na een blik op een klok om het te bevestigen. Sophia kon zien dat de tijd ook voor hem voorbij was gevlogen. “Het is een vreemd gevoel. Normaal gesproken lijkt er geen eind te komen aan deze gelegenheden.”
“Het moet het gezelschap zijn,” zei Sophia met een glimlach.
“Ik denk het wel,” zei Sebastian. Hij deed zijn masker af en als Sophia’s hart niet al zo hevig had geklopt dan was het dan wel op hol geslagen. Hij was nog knapper dan ze had gedacht, niet gewoontjes en gemakkelijk te vergeten vergeleken met zijn broer, zoals hij in de gedachten van zoveel anderen was geweest.
“Mag ik?” vroeg Sebastian terwijl hij naar haar masker reikte. “Het brengt ongeluk om een masker op te houden aan het eind van een gemaskerd bal en als je het op de terugweg naar je rijtuig draagt, zullen ze denken dat je onze manieren niet kent.”
Sophia voelde een steek van angst. Achter haar masker was ze Sophia van Meinhalt, een vreemdeling die niet geïdentificeerd kon worden. Zonder haar masker, zou ze dan genoeg zijn? Ze voelde Sebastians vingers terwijl ze voorzichtig het halve masker verwijderden waar ze zich achter verschool. Hij keek naar haar, en Sophia kon zijn gedachten zo duidelijk horen dat het leek alsof hij ze schreeuwde.
Godin, ze is nog perfecter dan ik had kunnen geloven! Is dit… is dit hoe liefde voelt?
Sophia vroeg zich hetzelfde af. En dat was een probleem. Sophia probeerde dat te negeren terwijl Sebastian met haar mee naar buiten liep, tussen alle mensen door.
Sophia zag een aantal meisjes haar met een nauwelijks verborgen vijandigheid aankijken.
Wie is zij? Wat doet ze hier?
Sophia kon voelen dat ze kwaad waren om het feit dat zij niet degenen waren die aan de arm van de prins liepen, maar op dat moment wilde ze zich alleen op Sebastian concentreren.
“Wanneer zie ik je weer?” vroeg Sebastian.
Sophia wist niet wat ze daarop moest zeggen. Hoe kon ze die vraag beantwoorden, wanneer de enige reden dat ze hier was een leugen was? De grote scheur in haar plan gaapte haar aan: het had haar eenmalig toegang tot het paleis verschaft, maar verder niets. Het had haar deze wereld laten zien, maar zou haar vervolgens weer keihard buitensluiten.
Sebastian raakte haar gezicht aan.
“Wat is er?”
Sophia had niet gedacht dat haar bezorgdheid zo duidelijk zichtbaar zou zijn. Ze dacht zo snel als ze kon.
“Het rijtuig dat me opwacht…” begon ze, proberend om niet te liegen maar wetend dat ze geen keus had, “het zal me mee terugnemen naar…”
“Het schip?” vulde hij in, een bezorgde blik in zijn ogen. “Terug naar huis, aan de andere kant van de zee?”
Ze knikte, opgelucht dat hij het had gezegd en dat ze de leugen niet uit hoefde te spreken.
“Ja,” zei ze, “maar… ik heb geen thuis, niet echt,” zei ze. “Mijn thuis is niet wat het geweest is. Alles ligt in puin.” Dat deel was in elk geval gemakkelijk om uit te spreken, omdat er een kern van waarheid in zat. “Ik ben over het water gereisd om mijn thuis te ontsnappen. Ik ga met tegenzin terug. Zeker zo snel nadat ik jou heb ontmoet.”
Ze zag de verwarring op Sebastians gezicht, en vervolgens de vastberadenheid.
“Blijf hier,” zei Sebastian. “Dit is een paleis. Er zijn meer gastenkamers dan ik kan tellen.”
Sophia gaf geen antwoord. Ze besefte dat ze niet meer tegen hem wilde liegen dan noodzakelijk was. Dat was stom, aangezien elke centimeter van haar op dat moment een leugen was, maar toch wilde Sophia de woorden niet zeggen.
“Je biedt aan om me te laten blijven?” zei ze. “Zomaar?”
Sophia kon het nauwelijks geloven. Sebastian had de scheur opgevuld. En hij had er slechts twee woorden voor nodig gehad. Hij stak zijn hand naar haar uit terwijl de laatste gasten de hal verlieten.
“Blijf?” vroeg hij weer.
Sophia pakte zijn uitgestoken hand aan en langzaam verscheen er een glimlach op haar gezicht.
“Ik wil niets liever,” zei ze.
HOOFDSTUK TWAALF
Kate dook in elkaar toen de smid een ketting om haar pols deed en haar aan het ijzeren hek vastketende. Ze probeerde haar hand los te trekken, maar het metaal gaf niet mee.
Dat gold ook voor de man die het had gesmeed. Hij leek net zo sterk als het ijzer waarmee hij werkte en was gespierd en groot. Zijn vrouw was klein en zag er bezorgd uit.
“Dat is het, Thomas? Je gaat haar gewoon achterlaten waar ze kan ontsnappen?”
“Kalm, Winifred,” zei de smid. “Het meisje zal niet ontsnappen. Ik ken mijn werk.”
Zijn vrouw leek nog steeds niet overtuigd. Ze had in Kate’s plaats moeten staan. Op dat moment voelde het alsof er een bankschroef om haar pols geklemd zat. Ze wilde uithalen, vechten, maar de wapens die ze had gestolen waren weg en ze kon zich niet eens losrukken.
“Ze is niet veel beter dan een dier,” zei de vrouw. “We moeten haar aan een magistraat overleveren, Thomas, voor ze ons allemaal vermoordt.”
“Ze gaat ons niet vermoorden,” zei de smid. Hij schudde zijn hoofd bij het horen van haar dramatische toon. “En als we haar aan een magistraat overleveren, zullen ze haar ophangen. Ze is nog maar een meisje. Wil je echt haar dood op je geweten hebben?”
Kate werd beslopen door angst bij die gedachte. Ze had geweten wat de risico’s van stelen waren, maar ze kennen was iets anders dan de gedachte dat ze daadwerkelijk zou sterven. Ze deed haar best om er zo onschuldig en ongevaarlijk mogelijk uit te zien. Kate wist niet of ze daar goed in was. Het was iets waar Sophia altijd beter in was geweest. In het weeshuis was ze een aantal keer aan een pak slaag ontkomen, puur omdat de gemaskerde zusters haar wel mochten. Maar niet heel vaak. Het Huis van de Niet-Opgeëisten was tenslotte een wrede plek.
“Het spijt me,” zei Kate.
“Dat geloof ik niet,” snauwde de vrouw van de smid. “Er staat daar een paard waarvan ik betwijfel dat ze het op eerlijke wijze heeft verkregen, en ze probeerde wapens te stelen. Waarom zou een meisje als zij wapens willen? Wat was ze van plan? Een bandiet worden?”
Wat als ze het paard zien? Wat als ze denken dat we onderdak verlenen aan een dief?
Kate kon voelen dat de angst van de vrouw meer te maken had met wat er zou gebeuren als ze Kate niet zouden uitleveren. Het was niet zozeer dat ze echte haat voor haar had.
“Ik wilde geen bandiet worden,” zei Kate. “Ik wilde vrij leven en op mijn eigen voedsel jagen.”
“En een stroper zijn is beter?” wilde Winifred weten. “Dit is gestoord. Doe wat je wil, Thomas, maar ik ga weer naar binnen.”
Ze hield zich aan haar woord en beende terug in de richting van het hoofdgebouw. De smid keek haar na, en Kate maakte van de gelegenheid gebruik om weer te proberen te ontsnappen. Het maakte geen verschil.
“Je kunt het net zo goed opgeven,” zei de smid. “Ik heb mijn metaal goed gesmeed.”
“Ik zou om hulp kunnen roepen,” zei Kate. “Ik zou mensen kunnen vertellen dat je me hebt gekidnapt, dat je me hier tegen mijn wil vasthoudt.”
Ze zag de grote man zijn handen spreiden. “Ik zou hen het kapotte raam laten zien en de dingen die je probeerde te stelen. En dan zou je wel naar de magistraat gaan.”
Kate vermoedde dat hij gelijk had. De smid stond waarschijnlijk in het hart van de gemeenschap in dit deel van de stad, terwijl zij een meisje van de straat was. En dan was er nog het paard, en de mensen zouden weten dat ze het gestolen had.
“Dat is beter,” zei Thomas. “Misschien kunnen we nu praten. Wie ben je? Heb je een naam?”
“Kate,” zei ze. Ze merkte dat ze hem niet recht aan kon kijken. Ze schaamde zich, en dat was een gevoel dat Kate niet had verwacht.
“Nou, Kate, ik ben Thomas.” Zijn stem was vriendelijker dan Kate verwacht had. “Waar kom je vandaan?”
Kate haalde haar schouders op. “Doet dat ertoe?”
“Het doet ertoe als je een familie hebt die naar je op zoek is. Ouders.”
Kate snoof bij dat idee. Haar ouders waren allang weg, verdwenen op een nacht die - ze schudde haar hoofd. Zelfs nu wilde het niet komen. Sophia wist het misschien, maar Sophia was er niet.
“Dan zijn er nog een aantal mogelijkheden,” zei Thomas. Hij greep naar het been van haar gestolen broek en rolde de broekspijp op. De tatoeage die haar markeerde als een van de onvrijen werd zichtbaar. Kate verzette zich, maar het was al te laat.
“Ben je weggelopen vanwege je arbeidscontract?” vroeg Thomas. Hij schudde zijn hoofd. “Nee, je bent te jong. Uit een van de weeshuizen dan? Zitten er mensen achter je aan?”
“Ze hebben een aantal jongens van het weeshuis gestuurd,” gaf Kate toe.
Ze probeerde de smid te lezen, om erachter te komen wat hij met haar van plan was. Als hij haar zou uitleveren, dan twijfelde ze er niet aan dat hij een beloning zou krijgen. Uit ervaring wist ze dat mensen altijd hetgeen deden dat in hun eigen voordeel was. Ze reikte in zijn geest en ze zag dat hij haar aanstaarde.
“Je bent een van hen, nietwaar?” zei Thomas.
“Wat bedoel je?” vroeg Kate. Ze had op pijnlijke wijze ervaren dat iedereen die wist wat ze was slecht reageerde. Dat was toch de reden dat de schippersknecht haar in de rivier had gegooid?
Ze zag Thomas zijn hoofd schudden. “Je hoeft het niet te verbergen. Een van de zoons van onze buren, hij was zoals jij. Hij leek altijd te weten wat we dachten, zelfs wanneer we niets zeiden. Ik leerde een gevoel te ontwikkelen voor wanneer hij luisterde. We wisten niet wat hij was tot we de gemaskerde priesters hun preken hoorden geven.”
“Ik weet niet… ik weet niet waar je het over hebt,” zei Kate.
Thomas stak zijn armen uit en maakte haar pols los.
“Je kunt vluchten als je wilt,” zei hij, “maar ik zal je geen pijn doen.”
Kate vluchtte niet. Ze had het gevoel dat de smid meer te vertellen had.
Dat was ook zo. “Ik geef niets om wat je kunt doen. Wat mij betreft ben je niet vervloekt, of kwaadaardig, of wat ze dan ook zeggen. Luister, mijn zoon Will is vertrokken naar het leger. Wil een grote soldaat worden. En ik heb sinds zijn vertrek al hulp nodig in de smederij.”
Kate fronste en probeerde te begrijpen wat de smid bedoelde. “Je biedt me een baan aan?”
Het was niet waarom ze uit het Huis van de Niet-Opgeëisten was ontsnapt. Het was ook niet waar ze naar had gezocht toen ze probeerde de stad te verlaten. Toch moest ze toegeven dat er iets aantrekkelijks aan het vooruitzicht was.
“Je bent op de vlucht,” zei Thomas. “Maar ik denk dat je niet echt een plan hebt. De onvrijen die vluchten worden opgejaagd. Als ze je te pakken krijgen, zullen ze je pijn doen en je doorverkopen. Op deze manier kun je werken in een vakgebied waarvan ik denk dat je het wel leuk vindt. Je bent veilig, en ik krijg de hulp die ik nodig heb. Je krijgt voedsel en onderdak en je kunt mijn vak leren.” Hij keek Kate verwachtingsvol aan. “Wat zeg je ervan?”
Dit had Kate niet verwacht toen hij haar had gegrepen. Ze had niets anders dan geweld verwacht, waarschijnlijk de galg. Ze had het gevoel dat het allemaal veel te snel ging, en het duizelde haar.
Maar hij had gelijk. Op deze manier was ze veilig en ze zou iets leren wat ze altijd al had willen doen. Dit was niet het platteland, maar daar kon ze in de toekomst altijd nog heen.
“Waar beginnen we?” vroeg ze.
***
Het was donker in de smederij toen ze naar binnen liepen. Kate voelde een vlaag van bezorgdheid toen ze Thomas’ hand op haar schouder voelde, die haar naar binnen leidde. Wat als dit allemaal een list was? Maar waarvoor dan? Kate kon zich niet bedenken wat hij zou willen.
Hij moest iets willen. Iedereen wilde altijd iets.
Ze wachtte terwijl hij een lamp aanstak en naar de smidse liep. Daar legde hij houtskool neer, op een heel zorgvuldige manier. Het was in elk geval geen willekeurige mix.
“Goed opletten,” zei hij. “Een van jouw taken is helpen om het vuur ’s ochtends aan te steken en dat is een kunst.”
Kate keek naar wat hij deed en probeerde het te onthouden.
“Waarom moet het op die manier?” vroeg ze. “Waarom niet gewoon houtskool erin gooien?”
Ze zag Thomas zijn schouders ophalen. “Hitte is het belangrijkste gereedschap van een smid. Het moet met zorg gecreëerd worden. Te veel brandstof, of te weinig, te veel lucht, of te weinig, het kan allemaal het ijzer ruïneren.”
Kate was verrast toen hij haar een vuursteen en staal overhandigde en naar een plek wees waar hij aanmaakhout had klaargelegd.
“We beginnen met hout en dan bouwen we verder.”
Kate ging aan het werk met de vuursteen en het staal, en maakte vonken tot het aanmaakhout vlam vatte.
“Waarom ben je weggelopen?” vroeg Thomas.
“Weet je hoe het is in het weeshuis?” vroeg Kate. Het was lastig om het harde randje uit haar stem te houden als ze eraan dacht.
“Ik ben er nooit geweest, dus ik denk het niet,” zei de smid. “Ik heb alleen geruchten gehoord.”
Geruchten. Dat was niet hetzelfde. Bij lange na niet. Een gerucht was niets meer dan een paar woorden die snel werden vergeten. De realiteit was pijn, geweld en angst. Het was een plek geweest waar haar iedere dag was verteld dat ze minder was dan alle anderen en dat ze dankbaar moest zijn voor de kans dat dit haar verteld werd.
“Was het zo erg?” vroeg Thomas, en pas toen hij het zei besefte Kate dat het op haar gezicht was af te lezen.
“Zo erg was het,” zei Kate.
“Ai, er zijn wat kwaadaardige plekken op deze wereld,” zei Thomas. “En ze zijn vaak niet waar de priesters ons vertellen dat ze zijn.” Hij knikte naar een set grote blaasbalgen. “Ik laat je hier hard werken, Kate, als je wil blijven. Laten we eens kijken of je wat lucht in het vuur kan krijgen, zodat het heet genoeg wordt.”
Kate liep naar de blaasbalgen, in de verwachting dat ze gemakkelijk te bewegen zouden zijn. Maar het was net zo moeilijk als het werken aan een van de dwarsarmen van de slijpstenen in het weeshuis. Het verschil was dat ze kon zien dat de blaasbalgen effect hadden. Het smidsvuur laaide op en veranderde van kleur terwijl ze het voedde met lucht en houtskool. Ze zag de vlammen van geel naar oranje gaan en vervolgens witheet worden.
Thomas pakte een stuk ijzer en legde het in de smidse. “Ga door, Kate. IJzer vervormt langzaam. Er zijn dingen die we niet kunnen haasten.”
Hij zei het met het geduld van iemand die veel metaal bewerkt had. Kate bleef werken en negeerde het zweet dat van haar af begon te druipen. Ze betrapte zichzelf erop dat ze indruk wilde maken op de smid. Na wat hij haar had aangeboden, wilde ze hem laten zien dat ze het waard was. Het was een vreemd gevoel; in het weeshuis had het haar niets kunnen schelen. Misschien was dat omdat ze niets om haar hadden gegeven. Ze was slechts een handelsproduct geweest.
“Zie je dat het ijzer van kleur is veranderd?” vroeg Thomas. “Zodra we het metaal uit het vuur halen, moeten we het snel bewerken. Wanneer de kleur weer vervaagt moet het weer het vuur in.”
Kate begreep het en ze haastte zich om een tang te pakken. Ze reikte naar het metaal en griste het snel uit het vuur. Ze wilde geen seconde verspillen. Haar beweging was te snel, en Kate voelde hoe het metaal uit de tang glipte en op de stenen vloer viel.
Het raakte haar been op de weg naar beneden en Kate gaf een schreeuw. Een withete pijn flitste door haar heen. Het was pure kwelling. Thomas was meteen bij haar en kiepte een trog water over haar en het metaal heen. Kate hoorde het metaal kraken, maar op dat moment had ze geen tijd om eraan te denken. Het deed gewoon te veel pijn.
“Niet bewegen,” zei Thomas terwijl hij een pot zalf met een penetrante geur greep. De zalf bleek zacht en verkoelend te zijn en had een verdovend effect op Kate’s been. Van waar ze lag, kon Kate de scheuren in het stuk ijzer zien dat ze te snel had gepakt.
“Het spijt me,” zei ze. Ze wachtte tot Thomas haar zou slaan vanwege haar onhandigheid, zoals de nonnen dat altijd gedaan hadden. In plaats daarvan stak hij zijn hand uit en trok hij haar overeind.
“Het belangrijkste is dat je niet erger gewond bent,” zei hij. “Het is een behoorlijke brandwond, maar het zal wel genezen.”
“Maar het ijzer…” begon Kate.
Thomas wuifde dat weg. “IJzer scheurt nu eenmaal. Het belangrijkste is dat je leert om geduldig te zijn. Je kunt niet in één dag een meestersmid worden, of zelfs in honderd dagen. Je kunt niet haasten in een smederij. Het is een plek waar je geduldig en kalm moet zijn, want het alternatief is een verbrande huid en gebroken metaal.”
“Ik zal beter mijn best doen,” verzekerde Kate hem.
Hij knikte. “Dat weet ik.”
HOOFDSTUK DERTIEN
Sophia liep naast Sebastiaan door het kasteel. Ze merkte dat haar hand in de zijne kroop terwijl ze liepen. Haar delicate vingers verstrengelden zich met zijn veel sterkere. Ze had nooit gedacht dat zo’n simpel moment van menselijk contact zo belangrijk kon voelen.
“Waarom heb je me gevraagd om met je te dansen?” vroeg Sophia.
Sebastian keek haar aan alsof hij het niet begreep. “Je klinkt verbaasd.”
“Moet ik dat niet zijn?” vroeg ze terwijl ze haar hoofd schuin hield. “Ik bedoel, ik ben niemand, niet echt. En jij bent... nou, jíj.”
Dat was waarschijnlijk dichter bij de realiteit dan Sophia had kunnen zeggen, maar op dat moment had ze er moeite mee om niet meer te zeggen dan ze bedoelde. Ze was misschien naar het bal gegaan met de intentie om iets als dit te doen, maar de gedachte dat ze succes zou hebben bij iemand die zo lief, zo goed en zo knap was als Sebastian was meer dan ze had kunnen hopen.
Ze is de meest fantastische persoon die ik ooit heb ontmoet, en ze vraagt zich af waarom ik met haar wilde dansen?
Sophia glimlachte toen ze die gedachte opving, maar ze zei er niets over. Niets zou de stemming zo snel verpesten als Sebastian laten weten wat ze echt was.
“Ik ben gewoon blij dat jij instemde om met mij te dansen,” zei Sebastian, alsof hij geen prins was, of knap, of alles wat iemand ooit maar zou kunnen wensen. Had hij dan echt geen idee? Nee, Sophia kon zien dat hij het niet wist. Op een bepaalde manier maakte hem dat alleen nog maar aantrekkelijker.
Sophia was hierheen gegaan met de intentie om iemand te verleiden, maar nu begon ze in te zien dat het mes aan twee kanten kon snijden.
Dat bracht een nerveus gevoel met zich mee, een gevoel dat Sophia niet had verwacht. Terwijl ze naar Sebastian keek en zich de bewegingen van zijn spieren onder zijn kleding voorstelde, voelde ze zich ook een beetje schuldig. Vanwege het feit dat alles dat ze nu was een leugen was, vanwege alles waarvoor ze hier was gekomen.
Het leek zo cynisch nu, om naar het hof te komen en de aandacht van een of andere rijke man te trekken, of gebruik te maken van de genadigheid van een adellijke vriend. Vergeleken met wat ze nu voelde, was dat allemaal goedkoop en smakeloos.
“Waar denk je aan?” vroeg Sebastian. Hij raakte haar gezicht aan. Sophia had even een moment om te bedenken dat het vreemd moest zijn om je leven te leiden en dat te moeten vragen. Maar ze werd weer afgeleid door hoe perfect zijn huid tegen de hare voelde.
“Gewoon dat ik nog steeds niet kan geloven dat dit gebeurt,” zei Sophia. “Ik bedoel… ik heb niets. Ik ben niets.”
Ze zag Sebastian zijn hoofd schudden. “Zeg dat niet. Je bent je thuis dan kwijtgeraakt in de oorlog, maar je bent nog altijd… je bent geweldig, Sophia. Ik zag je op het feest, en het was alsof je de zon tussen zwakke sterren was.”
“Was het niet je broer die de zon zou moeten zijn?” grapte Sophia, maar toen legde ze een hand op Sebastians arm om te voorkomen dat hij antwoord zou geven. Deels omdat ze daar niet over wilde praten, deels omdat ze voelde dat Sebastian dat eigenlijk ook niet wilde. “Nee, niet doen. Ik wil niet over Prins Rupert praten. Ik hoor liever over jou.”
Sebastian lachte. “Normaal gesproken is het andersom. Als je eens wist hoeveel vrouwen er naar me toe zijn gekomen omdat ze dichter bij mijn broer in de buurt wilden komen, zou je denken dat ik zijn pooier of zijn souteneur was.”
Sophia kon de bitterheid in zijn stem horen. Ze had het vermoeden dat het moeilijk moest zijn om de broer te zijn waar niemand aandacht aan besteedde. Ze liepen verder door de gangen, die waren bekleed met houten panelen en jachttrofeeën. Elke nis was behangen met wandtapijten en schilderijen, en Sophia wilde niets liever dan stoppen en staren naar de kwaliteit van het werk.
“Ik vind het moeilijk te geloven dat vrouwen jou zouden negeren,” zei Sophia. “Zijn ze blind?” Het was te veel, maar ze kon het niet helpen.
“Er zijn er wel een paar,” gaf Sebastian toe. “Ze hangen soms om me heen. Ik kan ze zien plannen over wie de volgende zet gaat maken.
“Milady d’Angelica?” vroeg Sophia.
Dat leverde een glimlach op. “Onder anderen.”
Sophia kon het niet laten. “Ze is erg mooi. En er is me verteld dat ze een uitstekende smaak heeft wat jurken betreft.”
Dat leverde haar een ietwat verwarde blik op, maar die was al snel verdwenen.
“Ik denk dat ik op zoek ben naar meer,” zei Sebastian. “En… nou, ik krijg het gevoel dat ze hopen dat ze me in een huwelijk kunnen meeslepen. Ik wil meer voor iemand zijn dan alleen een pion in een spelletje.”
Het schuldgevoel van eerder kwam weer naar boven, want op haar eigen manier was ze net zo slecht als de anderen. Nou, misschien niet zo slecht als een meisje dat van plan was geweest om Sebastian te drogeren en daar misbruik van te maken, maar ze was nog altijd niet eerlijk tegen hem.
“Ik wou dat ik kon zeggen dat mijn intenties helemaal zuiver waren,” zei Sophia. Ze zou de prins niet moeten waarschuwen, maar ze had het gevoel dat ze hem dat verschuldigd was. Ze kon zien wat voor man hij was. Het waren zijn eerlijkheid en vriendelijkheid die hem zo aantrekkelijk maakten, en Sophia het gevoel gaven dat ze dit helemaal niet zou moeten doen. “Ik wou dat dit alleen was omdat ik je leuk vind.”
“Maar je vindt me wel leuk?” zei Sebastian.
Er was op dat moment niemand in de buurt, dus Sophia deed wat ze al sinds de balzaal had willen doen. Ze kuste hem.
Het was een vreemde ervaring. De enige keer dat het in het weeshuis was gebeurd was toen een oudere jongen Sophia tegen een muur had geduwd en zijn lippen tegen de hare had gedrukt, tot een van de nonnen hen uit elkaar had getrokken. Sophia had een pak slaag gekregen, alsof ze er ook maar iets aan kon doen. Die kus was ruw geweest en kort en walgelijk.
Deze kus was anders. Sebastian, zo bleek, was een zachtaardige kusser, wiens mond die van Sophia vond in wat leek op een perfecte ontmoeting van twee helften die één werden. Sophia kon zijn bezorgdheid voelen. Hij wilde haar niet wegjagen, maar hij wilde haar graag dieper kussen. Ze sloeg haar armen om hem heen om hem aan te moedigen en gedurende een paar seconden liet Sophia zichzelf door het moment meevoeren.
“Ik hoop dat dat je vraag beantwoordt,” zei Sophia. “Het is alleen ”
“Dat je dakloos bent en dat je moet doen wat nodig is voor een adellijk meisje om te overleven?” suggereerde Sebastian. “Ik begrijp het, Sophia. Laten we wel wezen, de meeste meisjes hier zouden niet half zo eerlijk zijn geweest.”
Waarschijnlijk niet, dacht Sophia, maar op dat moment wilde ze niet dat Sebastian dacht aan de andere meisjes die in de balzaal aanwezig waren geweest.
“Zijn we oké?” vroeg ze. Ze had niet gedacht dat het zo moeilijk zou zijn om haarzelf ertoe aan te zetten om iemand te verleiden. Misschien had ze voor iemand anders moeten gaan. Iemand die ze dit had kunnen aandoen zonder zich schuldig te voelen.
Maar Sophia wilde niemand anders.
“Ik denk dat we meer dan oké zijn,” zei Sebastian, die haar zijn arm aanbood.
Sophia pakte hem aan, genietend van hoe dicht ze bij elkaar waren. Alleen al hier zijn deed haar hart sneller kloppen, en ze miste de helft van alle mooie dingen die er in het paleis te zien waren, gewoon omdat ze zichzelf er niet van kon weerhouden om naar Sebastian te staren.
Het paleis was echter zeer indrukwekkend. Het leek zich eindeloos uit te strekken, in marmer en goud dat een fortuin moest hebben gekost.
“Het moet fantastisch zijn geweest om op een plek als deze op te groeien,” zei Sophia, denkend aan hoe zeer het allemaal van het weeshuis verschilde. Hier was het kostbaarste van alles te vinden: ruimte. Ruimte zonder mensen die schreeuwden of haar bevelen gaven. Ruimte zonder honderd andere meisjes die allemaal gedwongen werden om elkaar te haten, omdat ze moesten vechten om elk restje vriendelijkheid en voedsel.
“Het is een indrukwekkend gebouw,” zei Sebastian, “maar eerlijk gezegd is het niet de plek waar ik als kind de meeste tijd heb doorgebracht. Mijn moeder heeft me laten opgroeien in een van de kleinere landhuizen die we bezitten, omdat er tijden waren dat de stad te gevaarlijk leek.”
Daar had Sophia nog niet over nagedacht. Natuurlijk had de weduwe minstens tien kastelen en huizen verspreid door het koninkrijk.
“Jij alleen?” vroeg Sophia. “Niet jij en je broer, of jij en je moeder?”
Ze pikte een hint van verdriet in Sebastians gedachten op, en streelde zachtjes met haar vingers langs zijn kaak. “Het spijt me, het was niet mijn bedoeling om de sfeer te verpesten.”
“Nee, het geeft niet,” antwoordde Sebastian. “Het is eigenlijk wel fijn om iemand te hebben die het wil weten. Maar nee, ik ben voornamelijk apart gehouden van Rupert, en van moeder. Het idee was dat we niet allemaal op dezelfde plek zouden zijn als er iets… zou gebeuren.”
Met andere woorden, zodat in elk geval een van hen het zou overleven als er een aanval of brand was, een plaag of een andere ramp. Op een bepaalde manier kon Sophia het wel begrijpen, maar toch leek het haar een wrede manier om te leven. Kate was haar enige houvast geweest toen ze jonger waren.
“Nou, ik ben blij dat je nu hier bent,” zei Sophia.
“Anders ik wel,” verzekerde Sebastian haar.
Ze liepen naar boven, naar een suite van kamers die door een massieve, eikenhouten deur van de rest van het kasteel werden gescheiden. Sophia had een slaapkamer achter die deur verwacht, maar het was alsof er een heel huis in de ruimte was gepropt. Er was een ontvangstkamer, gemeubileerd met oudere maar comfortabele divans en tapijten, en er waren deuren die leidden naar wat Sophia vermoedde dat het de slaapkamers of kleedkamers waren.
Sebastian keek haar aan. “Sophia, er is een tweede slaapkamer hier als je dat wilt. Ik… ik wil niet dat je het gevoel krijgt dat je ergens toe verplicht bent, alleen om mijn hulp te krijgen.”
Dat was een van de aardigste dingen die iemand ooit voor Sophia had gedaan. Ze had altijd gedacht dat iedereen iets wilde. Ze was in de veronderstelling geweest dat veiligheid een soort transactie vereiste, zelfs voor de aristocratie. Maar hier stond de prins, die haar een kans gaf om alles te krijgen wat ze wilde, zonder dat ze zelfs maar bij zijn bed in de buurt hoefde te komen.
“Je bent een goede man, Sebastian,” zei ze terwijl ze zijn handen vastpakte. “Een lieve man.” Ze kuste zijn handen en trok hem toen naar zich toe. “En daarom wil ik niet in de andere kamer slapen.”
Ze kusten weer en dit keer zat er veel meer passie in dan de vorige keer. Misschien kwam dat ook wel doordat Sophia een stuk zelfverzekerder was nu ze wist wat ze moest doen. Misschien kwam het doordat Sebastian niet meer het gevoel had dat hij zich in moest houden.
Ze grepen elkaar vast en kusten elkaar terwijl hun handen elkaar begonnen te ontdekken. Op dat moment begon Sophia nerveus te worden. Sebastian keek haar aan.
“Ben je in orde?” vroeg hij.
Ze knikte. “Het is alleen… ik heb nog nooit -”
“Ik begrijp het,” zei Sebastian. “Maar je hoeft niet bang voor me te zijn.”
Sophia kuste hem weer. “Dat ben ik niet.”
Op een of andere manier kwamen ze de ontvangstkamer door zonder elkaar ook maar een seconde los te laten. Sophia futselde met de koorden van haar korset en snakte naar adem toen Sebastian ze voor haar begon los te maken.
Hij duwde de deur naar een van de kamers open en Sophia ving een glimp op van een hemelbed in blauwe zijde voordat Sebastian haar optilde en haar zo zachtjes als een veer op het bed legde.
“Ja?” vroeg hij.
Sophia glimlachte naar hem. “Ja, Sebastian. Heel graag.”
***
Na afloop lag Sophia in het donker, opgekruld tegen Sebastian aan, luisterend naar zijn ademhaling terwijl hij sliep. Ze voelde zijn spieren tegen haar rug, en toen hij even bewoog in zijn slaap wilde ze niets liever dan hem wakker maken en alles weer opnieuw beleven.
Dat deed ze niet, ondanks het feit dat de hele ervaring nog mooier, nog plezieriger, nog meer was geweest dan ze zich ooit had kunnen voorstellen. Ze wilde nu alles nemen wat ze kon, maar Sophia hoopte dat ze genoeg tijd zou hebben, zodat dat niet hoefde. Ze hoopte dat er nog tientallen nachten zoals deze zouden zijn, honderden.
Een heel leven.
Ze voelde het gewicht van zijn arm die hij in zijn slaap over haar heen legde. En op dat moment had Sophia het gevoel dat ze alles had wat ze zich ooit had kunnen wensen.
HOOFDSTUK VEERTIEN
De ochtend kwam, en Kate wist niet zeker of ze ooit zo hard had gewerkt. In elk geval niet in het weeshuis. Het vreemdste was nog dat ze gelukkiger was dan ooit. Gelukkig om dit werk te mogen doen, het metaal te bewerken en met de blaasbalgen bezig te zijn.
Het hielp ook dat Thomas een geduldige leraar was. Waar ze haar in het weeshuis geslagen zouden hebben, corrigeerde hij Kate door haar te laten zien hoe ze iets beter kon doen, en om haar aan dingen te herinneren als ze ze vergat.
“We moeten het metaal verder uitrekken,” zei hij. “Het mes van een zeis moet dun en scherp zijn. Het moet kunnen snijden, in plaats van pure impact maken.”
Kate knikte en hielp om de plak staal op zijn plek te houden wanneer hij erop sloeg, om vervolgens met de blaasbalgen te pompen om de vlammen op de juiste temperatuur te krijgen. Er was zoveel te leren in de smederij, zoveel kleine subtiliteiten. Het ging veel verder dan alleen metaal verhitten en erop slaan. Vandaag had ze al geleerd over de kunst van metaal aan elkaar smeden in het vuur, over de schaal die zich vormde als ijzer te veel werd bewerkt en over het beoordelen van het verschil tussen goed en slecht ijzer.
“Ik wil de achterzijde van het mes met klei bewerken als we het hard laten worden,” zei Thomas, “omdat?”
“Omdat dat betekent dat het langzamer afkoelt dan de rand?” raadde Kate.
“Heel goed,” zei Thomas. “Dat betekent dat de rand harder wordt en de rest minder broos. Je doet het goed, Kate.”
Kate kon zich niet herinneren dat iemand haar ooit had aangemoedigd. Ze had tot dusver alleen maar straf gehad als ze iets verkeerd had gedaan.
Sommige lessen waren gemakkelijker dan andere. Metaalbewerking vergde geduld dat Kate nog niet had opgebouwd. Ze wilde constant door met het volgende, terwijl ze soms niet anders kon doen dan wachten tot metaal werd verhit of afgekoeld.
“Er zijn dingen die je niet kunt haasten,” zei Thomas. “Je hebt tijd, Kate. Koester je leven, leef in het moment.”
Kate deed haar best, maar het was niet eenvoudig. Nu ze iets had gevonden waar ze echt plezier uit haalde, wilde ze geen seconde verspillen. Er waren echter tal van verspilde momenten, voornamelijk doordat ze de smederij of de schuur moesten doorzoeken naar dingen die ze nodig hadden. Ondanks Thomas’ zichtbare talent voor het vak, was organisatie niet zijn sterkste punt.
“Ik ga lunch voor ons halen,” zei Thomas. “Winifred heeft brood gemaakt. Niet proberen om zelf iets te smeden terwijl ik weg ben.”
Hij liep naar het huis en Kate voelde het gewicht van zijn instructie op haar schouders. Als hij haar niet had verteld om het niet te doen, zou ze direct aan de slag zijn gegaan met een mes of een stuk smeedijzer. Waarschijnlijk een mes, want Kate vond dat ze daar meer aan had dan een decoratieve haak of een stuk hekwerk.
Ondanks de hitte en de beperkte ruimte in de smederij, kon ze echter niet zomaar stil blijven staan. Omdat ze toch niets beters te doen had, begon Kate dingen te reorganiseren. De tangen lagen niet op een logische plek, daar in een willekeurige stapel van ijzerwerk. Dus Kate hing ze aan een haak. De stapels metaal waren ongeordend, er was geen scheiding tussen koper en smeedijzer, hard en zacht staal.
Kate begon alles te sorteren en maakte er nette stapels van. Ze zette het gereedschap op plaatsen die haar logisch leken, gebaseerd op waar Thomas ze waarschijnlijk nodig zou hebben. Toen ze klaar was met de smederij liep ze naar de schuur, met zijn vaten en rekken, en probeerde een soort orde in de chaos te creëren. Het duurde even, maar Kate zag hoe ze het moest aanpakken. Ze stelde zich voor hoe ze door de schuur en de smederij liep en dingen oppakte waar ze ze nodig had. Toen zette ze dingen op de meest logische volgorde. Ze veegde de vloer, ruimde de metaalfragmenten op die waren gevallen, en het zand dat was geknoeid bij het werken met koper en brons.
“Jij bent druk bezig geweest,” zei Thomas toen hij terugkwam.
Kate werd beslopen door angst. Wat als ze iets verkeerds had gedaan? Wat als hij haar ervoor zou straffen? Wat als hij zei dat ze moest vertrekken en Kate weer naar de straten van Ashton verbannen zou worden? Ze wist niet of ze dat wel kon, zo snel nadat ze een veilige plek had gevonden.
“Je bent toch niet boos?” vroeg Kate.
“Boos?” zei Thomas lachend. “Ik ben al jaren van plan om deze plek te herorganiseren. Winifred zegt steeds dat ik eraan moet beginnen, maar met alles wat er steeds tussendoor komt… nou, ik ben er nooit aan toegekomen. Het ziet ernaar uit dat je het ook nog eens goed hebt gedaan.”
Thomas gaf haar een half brood, gevuld met kaas en ham. Het was meer eten dan Kate in het weeshuis gewend was te krijgen. Zeker meer dan ze voor zichzelf had kunnen stelen op straat. Ze wilde graag denken dat ze als kind goed gevoed en verzorgd was geweest, maar ze kon het zich niet herinneren. Het was lastig te bevatten dat het allemaal voor haar was.
Toch at Kate, want ze zou geen voedsel verspillen. Zeker niet nu ze uitgehongerd was van al het werken in de smederij. Ze verslond het brood met een snelheid die Thomas zijn wenkbrauwen deed fronsen.
“Ik had niet door dat je zo’n honger had, anders zouden we wel eerder gestopt zijn.”
Kate veegde haar mond af. Ze besefte dat ze er op dat moment waarschijnlijk niet erg beschaafd uitzag, maar het kon haar niet schelen. Dat was iets waar haar zus zich waarschijnlijk druk om gemaakt zou hebben, maar het was niet iets waar zij over nadacht.
Ze keek om zich heen en hoopte dat Sophia ook zoiets goeds voor zichzelf had gevonden. Kate wist niet zeker hoelang het zou duren, want ze kon zich op dat moment niet voorstellen dat er dingen waren die eeuwig duurden, maar als het wel eeuwig zou duren zou ze dat niet erg vinden. Dit was beter dan alles wat ze had kunnen hopen.
Toen ze klaar was met eten, leek het erop dat Thomas nog meer lessen voor haar had.
“Je vindt wapens interessanter dan de rest, nietwaar?” vroeg hij.
Kate knikte.
“Voor je wapens kunt gaan smeden, moet je de verschillen kennen. Kom met me mee.”
Hij liep naar de schuur en leidde Kate naar binnen. Dankzij haar reorganisatie duurde het niet lang voor hij had gevonden waar hij naar zocht. Kate was daar best een beetje trots op.
“Er zijn niet alleen maar zwaarden, dolken en bijlen,” zei hij, terwijl hij wat messen en houten zwaarden pakte die duidelijk als modellen fungeerden. “Een degen is geen slagzwaard. Een zwaardvanger is geen stiletto. Je moet leren wat de verschillen zijn tussen hun balans en hun gewicht, op welke manieren ze gebruikt worden en op welke plekken ze sterk moeten zijn.”
“Ik wil dat allemaal leren,” verzekerde Kate hem. Ze wilde niets liever.
Thomas knikte. “Dat weet ik. Daarom wil ik dat je de rest van de dag verschillende zwaarden uitprobeert en er één uitsnijdt waarvan je denkt dat die het best voor jou geschikt is. Als je klaar bent, zullen we samen bekijken wat je goed hebt gedaan en waar nog ruimte is voor verbetering.”
“Waarom uitsnijden?” vroeg Kate. “Waarom niet gewoon smeden?”
Thomas keek haar verwachtingsvol aan. “Je weet het antwoord op die vraag al, Kate.”
“Omdat hout makkelijker beweegt dan staal,” zei Kate.
“Precies.” Hij overhandigde haar een mes. “Aan de slag, we zullen straks kijken wat je hebt gemaakt. Als het goed genoeg is, laat ik het je zelfs smeden.”
Dat vooruitzicht vond Kate opwindender dan al het andere bij elkaar. Ze zou goed werk verrichten. Ze kon zich haar vader niet herinneren, maar op dit moment voelde het alsof Thomas een soort vader voor haar was.
Ze zou hem in elk geval trots maken.
***
Kate kreeg al snel door dat hout niet zo gemakkelijk te bewerken was als ze gedacht had. Het bewoog in elk geval niet zoals staal, en de vaardigheden die ze van Thomas had geleerd hadden niet veel nut bij het snijden van haar houten wapen.
Hout bewoog niet als water wanneer je het verhitte. Hout boog niet op dezelfde manier. Het vervormde niet. Het enige wat je kon doen, was er steeds een beetje vanaf snijden om te zien wat er overbleef. Daar moest Kate even aan wennen. Ze dacht na over elke haal van haar mes, zoekend naar een wapen dat perfect voor haar was.
In een hoek van de tuin hoorde ze haar gestolen paard hinniken. Voor Kate klonk het veel te vermakelijk.
“Jij hebt het makkelijk,” zei ze. “Niemand laat jou een zwaard ontwerpen.”
Het moest slank en licht zijn, natuurlijk, want ze was niet zo groot of zo sterk als een jongen. Maar het moest wel sterk zijn bij het heft, zodat Kate zou kunnen pareren zonder dat het zou breken. Het had een handvat nodig dat haar hand zou beschermen, maar toch licht genoeg was om de balans te behouden. Het kon niet te kort zijn, want Kate wilde het niet tegen langere tegenstanders opnemen met een zwaard dat korter was dan dat van hen.
Ze sneed en dacht na, vormend en hervormend, tot ze uiteindelijk een zwaard had dat misschien wel goed genoeg was. Het herinnerde haar meer aan een degen dan aan een ander soort zwaard, maar dan met een fijne curve zodat ze effectief kon toeslaan. Het was het soort wapen dat zou zijn ontstaan als er een sabel voor duels was ontworpen in plaats van het vechten vanaf een paardenrug.
Kate tilde het wapen op en de grip voelde nu goed in haar hand, perfect gevormd voor haar vingers. Het gewicht was precies wat ze gehoopt had, zo licht dat ze er niet over na hoefde te denken als ze ermee door de lucht sloeg.
Ze stelde zich voor dat ze vijanden voor zich had en ze stak naar hen. Ze stootte en sneed, pareerde en deflecteerde. In gedachten vocht ze met de jongens uit het weeshuis en vijanden uit tientallen landen. Ze haalde uit en sprong naar achteren terwijl ze denkbeeldige aanvallen afweerde.
Kate voelde een dringende behoefte aan wraak in zich opwellen. Ze stelde zich alle mensen voor die ze met haar zwaard wilde neerslaan, van de jongens die haar hadden aangevallen tot de gemaskerde nonnen die haar en de anderen gevangen hadden gehouden. Als ze de kans kreeg, zou ze die een voor een uitschakelen.
Ze begon te dagdromen over een andere tijd. Over haar zus die haar optilde, en door een huis rende waar vijanden waren die ze niet kende. Toen zag ze vlammen…
Kate struikelde over het gras in de kleine voortuin van de smederij.
“Ben je in orde?” riep een stem. Kate sprong op. Ze keek om zich heen, beschaamd bij de gedachte dat iemand haar had zien vallen. Bijna instinctief hief ze haar houten zwaard, dat ze op de nieuwkomer richtte.
“Ben ik even blij dat dat geen echt zwaard is,” zei hij.
Hij was langer dan Kate, met blond haar dat kort was geknipt in een model dat suggereerde dat het uit de weg moest blijven. Hij kon niet veel ouder dan Kate zijn, want zijn lichaam begon net een beetje gespierd te worden. Hij was slank, met een weerbarstige uitstraling die Kate wel aantrok.
Hij droeg het uniform van een van de huurlinggroepen, met een grijze overjas die duidelijk was gerepareerd na een of ander gevecht. Kate wist niet of ze zich daar zorgen om moest maken.
Ze wist helemaal niet wat ze van hem moest denken, want haar hart leek van alles tegelijk te voelen. Voor het eerst in haar leven voelde Kate zich nerveus in de buurt van een jongen.
“Je ziet er niet uit alsof je hier bent om mijn vader te beroven,” zei de jongen.
“Dat ben ik ook niet,” zei Kate. “Dat is… ik bedoel… ik ben Kate.”
Wat was er met haar? Dit was eerder hoe Kate verwachtte dat haar zus zou reageren op een knappe jongen. En alleen al het feit dat ze dacht dat dit een knappe jongen was zei iets waarvan Kate niet wist of ze daar wel over na mocht denken.
De nonnen in het Huis van de Niet-Opgeëisten hadden de weeskinderen nooit iets geleerd over liefde of trouwen, of alles wat daarmee te maken had. Ze namen gewoon aan dat als de meisjes daar met een man zouden eindigen, het zou zijn omdat ze daarvoor gekocht werden, en niets anders.
“Ik ben Will,” zei hij, en hij stak zijn hand naar haar uit. Kate liet nog net niet haar houten zwaard vallen.
“Ik dacht dat je je bij een van de vennootschappen had aangesloten,” zei Kate. “Ik bedoel, je draagt een uniform.”
Hoe kon ze in zo’n dwaas veranderd zijn? Kate wist het niet, maar het beviel haar niets. Ze kon de gedachten van de jongen lezen en dat hielp ook niet.
Ik mag haar wel. Ze is soort van… pittig.
“Ik heb me inderdaad aangesloten,” zei Will, “maar we zijn terug om te oefenen en meer rekruten te vinden. De oorlog aan de andere kant van het water begint serieus te worden. Aangenaam je te ontmoeten, Kate. Ben je mijn vader aan het helpen?”
Ze knikte. “Hij laat me hier blijven terwijl ik hem help in de smederij. Ik leer van hem.”
Ze zag Will glimlachen.
“Dat is goed om te horen,” zei hij. “Ik maakte me al een beetje zorgen toen ik me inschreef. Ik dacht dat het hem misschien in zijn eentje niet allemaal zou lukken. Ik moet nu naar binnen, maar ik ben blij dat je er bent, Kate.”
“Ik ben ook blij dat jij er bent,” zei Kate, maar meteen daarna vervloekte ze zichzelf om wat ze gezegd had. Wie zei er nu zoiets? Gelukkig was Will al op weg naar het huis. Kate keek hem na. Ze wilde niet aan zichzelf toegeven hoeveel ze daarvan genoot, of wat ze voelde.
Ze vond hem leuk.
HOOFDSTUK VIJFTIEN
Afgaande op het licht was het later dan Sophia had gedacht toen ze wakker werd. Het duurde even voor het tot haar doordrong dat ze niet op straat lag, of in een van de harde bedden in het Huis van de Niet-Opgeëisten.
Sebastian, die naast haar lag, herinnerde Sophia precies aan waar ze was. Even schrok ze van de omvang van de misleiding die ze de vorige avond had opgezet. Als ze verstandig was, zou ze wegsluipen en nooit meer terugkomen.
Het probleem was dat ze dat niet wilde. Sophia voelde zich beter dan ze zich ooit in haar leven had gevoeld. Afgelopen nacht was alles geweest waar ze op had kunnen hopen, en meer. Het was lief geweest, gepassioneerd. Liefdevol. En dat had Sophia meer dan een beetje verrast.
Instinctief streelde ze met haar vingers langs Sebastians wang, simpelweg genietend van het gevoel dat ze hem kon aanraken. Sophia had het gevoel dat ze elke centimeter van hem had leren kennen, maar toch wilde ze hem weer aanraken. Ze wilde zeker weten dat hij echt was. Dat was voldoende om Sebastians ogen open te doen gaan. Hij glimlachte naar haar.
“Dus het was allemaal geen prachtige droom,” murmelde hij.
Sophia kuste hem om die woorden. Nu ja, dat en omdat ze het gewoon wilde. Ze wilde nog veel meer doen, maar Sebastian trok zich terug.
“Heb ik…” Ze herinnerde zich net op tijd het accent dat het hare moest zijn. “Heb ik iets verkeerd gedaan?” vroeg Sophia.
“Nee, zeker niet,” verzekerde Sebastian haar, en Sophia kon zijn gedachten voelen toen hij haar aankeek. Ze had verlangen verwacht, maar ze voelde meer dan dat. Ze voelde liefde. “Ik moet alleen even kijken hoe laat het is.”
Sophia zag hem kijken naar een klok in een hoek van de kamer, en de wijzers gaven aan hoelang ze wel niet hadden geslapen.
“Godin,” zei Sebastian, “is het al zo laat?”
De bedienden hebben me niet gewekt. Die hadden zeker wel door wat er gaande was.
Sophia ving die verdwaalde gedachte op, en ze raakte zijn arm aan. “Ik hoop dat ik je geen moeilijkheden heb bezorgd? Ik hoop dat je geen… spijt hebt van vannacht?”
Sebastian schudde zijn hoofd. “Absoluut niet. Dat mag je niet eens denken. Alleen vandaag moet ik in de Ridings zijn voor het inspecteren van de lokale milities. Ik wou dat het niet hoefde, maar -”
“Je hebt plichten te vervullen,” zei Sophia. Ze herinnerde zich nog dat plichten een groot deel van Sebastians leven vormden. “Het geeft niet, Sebastian. Ik begrijp dat je moet gaan.”
“Ik haat het om dit te doen,” zei Sebastian. “Als we niet moeten voorbereiden op oorlog, moeten we wel jagen. Ik blijf hopen dat Rupert alles doet, maar onze moeder staat erop.”
Hij kuste haar weer voor hij opstond om zich aan te kleden. Sophia genoot ervan om naar hem te kijken terwijl hij dat deed. Ze had nooit gedacht dat ze hier terecht zou komen, simpelweg genietend van elke kleine beweging die hij maakte, alles. Hij kleedde zich simpel vandaag, in een donkere tuniek en een broek die bewerkt was met zilveren borduursels, over een licht linnen shirt. De simpele kleding deed de zilveren gespen van zijn riem en schoenen alleen maar mooier glimmen. Net als zijn ogen.
Het was ver verwijderd van wat hij op het bal had gedragen.
“Oh,” zei Sophia terwijl ze op haar lip beet. “Ik besef me net dat ik alleen maar mijn baljurk heb.”
Sebastian glimlachte. “Daar heb ik al aan gedacht. Het is niet veel, maar…”
Hij pakte een jurk van een stapel kleren. Die had niet de glimmer en glans van de baljurk die Sophia had gestolen, maar was nog altijd veel mooier dan alles wat ze ooit in haar bezit had gehad. Het was een diep, zacht groen dat leek op het mostapijt van een bos, en een deel van Sophia wilde uit bed springen om hem te passen, ongeacht het feit dat Sebastian nog in de kamer stond.
Ze kon zichzelf nog maar net op tijd bedwingen. Ze herinnerde zich de tatoeage op haar kuit die duidelijk aangaf wat ze was. Misschien zat de make-up van afgelopen nacht er nog op, maar Sophia kon het risico niet nemen.
“Het geeft niet,” zei Sebastian. “Het is normaal om je een beetje ongemakkelijk te voelen bij daglicht. Je kunt hem passen zodra ik weg ben.”
“Hij is prachtig, Sebastian,” antwoordde Sophia. “Veel mooier dan ik verdien.”
Nog niet een tiende zo mooi als zij. Godin, is dit hoe het voelt om verliefd te zijn?
“Je verdient veel beter,” zei Sebastian tegen haar. Hij liep naar haar toe om haar een laatste kus te geven. “Voel je vrij om te gaan en staan waar je wilt in het paleis. De bedienden zullen je niet lastigvallen. Maar, beloof me dat je hier bent als ik terug kom?”
“Bang dat ik in mist opga?” vroeg Sophia.
“Ze zeggen dat er in de oude tijden vrouwen waren die uiteindelijk geesten of illusies bleken te zijn,” zei Sebastian. “Je bent zo mooi dat ik dat bijna zou geloven.”
Sophia keek hem na en wenste de hele tijd dat hij niet hoefde te gaan. Toen stond ze op, waste zichzelf, en trok de jurk aan die Sebastian voor haar had laten brengen. Er zaten zachte bruine muiltjes bij en een lichte sluier die over haar haar heen viel, glinsterend in de zon.
Toen ze klaar was, vroeg Sophia zich af wat ze nu moest doen. Op straat zou ze naar buiten zijn gegaan om iets te eten te zoeken. In het weeshuis zou ze nu al bezig zijn geweest met haar taken.
Ze liep naar de andere kamer van Sebastians suite en zag waar ze haar kleren de vorige avond had uitgetrokken. Sophia borg ze netjes op, want ze wilde het niet riskeren om de paar dingen van waarde die ze bezat te verliezen. Ze zag dat een bediende worst, kaas en brood had achtergelaten, dus ze nam even de tijd om te ontbijten.
Daarna keek ze rond in de andere kamers. Ze bewonderde een verzameling gepreserveerde eierschalen die waarschijnlijk van de andere kant van de zee kwamen en een kaart van het koninkrijk die eruitzag alsof hij voor burgeroorlogen was geschilderd, omdat er nog steeds een aantal onafhankelijke steden op te zien waren.
Sophia kon echter niet eeuwig op dezelfde plek blijven. Ze wilde hier ook niet in haar eentje blijven zitten, wachtend tot Sebastian terugkwam. Ze wilde zien wat ze kon van het paleis en echt het leven ervaren waar ze zich op een of andere manier had ingepraat.
Ze liep Sebastians vertrekken uit, half verwachtend dat iemand haar zou bespringen en haar zou vertellen om te vertrekken of terug te gaan naar Sebastians suite. Dat gebeurde niet, en Sophia ondervond dat ze gewoon door het paleis kon wandelen.
Ze maakte wel van haar talent gebruik om bij mensen uit de buurt te blijven. Ze wilde niet riskeren dat ze betrapt werd terwijl ze iets fout deed, of dat haar verteld werd dat ze hier niet thuishoorde. Ze ontweek de ruimtes waar de meeste gedachten vandaan kwamen en beperkte zich tot de lege kamers en gangen die zich eindeloos uit leken te strekken en alleen het resultaat konden zijn van honderden jaren bouwen en herbouwen.
Sophia moest toegeven dat het hier prachtig was. Er leek geen enkele muur te zijn zonder schilderijen of muurschilderingen, geen enkele nis zonder een standbeeld of een gedecoreerde vaas die gevuld was met bloemen. De vensters hadden allemaal loden panelen, meestal met glas-in-loodramen die verschillende kleuren licht over de marmeren vloeren wierpen, alsof een kunstenaar zijn verfpalet had laten vallen.
Buiten zag Sophia adembenemend mooie tuinen. De wildernis van het plantenleven was getemd in formele rijen van kruiden en bloemen, lage bomen en struiken. Ze zag een heus doolhof, met struiken die hoger waren dan Sophia lang was. Ze liep doelbewust verder en besloot dat het fijn zou zijn om even naar buiten te gaan en van de tuinen te genieten.
Het enige wat haar tegenhield was de aanblik van een dubbele deur met een bord erboven, dat de aanwezigheid van een bibliotheek verkondigde.
Sophia was nog nooit in een bibliotheek geweest. De nonnen van de Gemaskerde Godin hadden gezegd dat ze een bibliotheek hadden, in het weeshuis, maar de enige boeken die Sophia daar had gezien waren het Boek van Maskers, de gebedsboeken, geschriften die door hun orde waren gedrukt en een paar beknopte werken over de onderwerpen die ze zeiden te onderwijzen. Op een of andere manier had Sophia het vermoeden dat deze bibliotheek heel anders was.
Ze duwde tegen de deuren, eerder hoopvol dan verwachtingsvol, met het vermoeden dat dit zo kostbaar was dat ze wel op slot zouden zitten en ze er nooit toegang tot zou krijgen.
Maar de eikenhouten deuren zwaaiden met goed-geoliede gratie open en lieten haar een kamer binnengaan die haar verwachtingen ver te boven ging. De ruimte besloeg twee verdiepingen, met nog een tussenverdieping vol boekenplanken.
Elke plank bevatte boeken in alle soorten en maten. Het waren er zoveel dat Sophia nauwelijks kon geloven dat er zoveel boeken op één plek konden zijn. In het midden van de ruimte stond een grote tafel, en in de nissen stonden stoelen die er zo comfortabel uitzagen dat Sophia zich er maar wat graag in had opgekruld om te slapen, maar daarvoor was ze veel te opgewonden.
In plaats daarvan liep ze de ruimte door. Ze pakte willekeurige boeken van de planken en bekeek de inhoud. Ze vond boeken over allerlei onderwerpen, van plantkunde tot architectuur, en van geschiedenis tot de geografie van verre landen. Er waren zelfs boeken met verhalen die puur voor vermaak geschreven leken te zijn. Als toneelstukken, maar dan opgeschreven. Sophia had het vage gevoel dat de gemaskerde nonnen dat niet goedgekeurd zouden hebben.
Dat was waarschijnlijk de voornaamste reden dat ze een van deze boeken uitkoos. Ze nestelde zich in een van de stoelen en las een verhaal over twee ridders die gedoemd waren om met elkaar te blijven vechten, tot een allang overleden geliefde opstond uit haar graf om hen te vertellen van wie ze het meest hield. Sophia was geboeid door het verhaal. Ze probeerde zich de plaatsen die beschreven werden voor te stellen en was diep onder de indruk van het idee dat iemand een totaal andere wereld kon creëren, met niets meer dan papier en inkt.
Ze was zo in haar boek verdiept dat ze de gedachten van de naderende groep meisjes pas oppikte toen het al te laat was. Toen de gedachten haar vertelden wie er naderden, dook Sophia weg in haar stoel. Ze hoopte dat ze het boek als schild kon gebruiken, zodat ze niet opgemerkt zou worden.
“Ik zeg het je,” zei Milady d’Angelica tegen een van haar vriendinnen, “iemand heeft me gedrogeerd gisteravond.”
“Wat afschuwelijk,” zei een ander meisje tegen haar, terwijl haar gedachten Sophia vertelden dat ze wel van Angelica’s dilemma genoot.
“Wie zou het gedaan kunnen hebben?” vroeg een derde, hoewel haar gedachten zeiden dat ze precies wist wat haar vriendin met de prins van plan was geweest en ze in de veronderstelling was dat er simpelweg iets fout was gegaan.
“Ik weet het niet,” zei Angelica, “maar ik weet wel dat… jíj. Wat doe jij hier?”
Sophia besefte dat het meisje tegen haar praatte, dus ze ging staan en legde haar boek voorzichtig opzij.
“Wil je iets tegen me zeggen?” vroeg Sophia, terwijl ze de meisjes bestudeerde. Angelica zag er vandaag nog altijd mooi uit, in rijkleding die zei dat ze misschien van plan was om achter Sebastian aan te gaan als ze niet ook een beetje groen zag van de nasleep van haar vergif. Van haar twee vriendinnen was er een kort en mollig, met halflang bruin haar, terwijl het zwarte haar van de ander, die langer was dan Sophia, bijna tot aan haar middel kwam.
“Waarom zou ik iets tegen jou te zeggen hebben?” snauwde het meisje, maar toch ging ze door. “Je hebt gisteravond iets genomen dat van mij had moeten zijn. Weet je wie ik ben?”
“Vrouwe d’Angelica,” antwoordde Sophia snel. “Het spijt me, ik ken je voornaam niet. Maar ik heb je vriendinnen je Angelica horen noemen, dus zullen we dat maar aanhouden?”
Het was waarschijnlijk niet slim om op die toon tegen haar te praten, maar Sophia had gezien hoe dit meisje zich gedroeg tegen mensen die ze als minder belangrijk beschouwde. Sophia kon zich niet in een hoekje laten drukken, want dat zou haar zwak genoeg doen lijken om als prooi te beschouwen. Die les had ze in het weeshuis wel geleerd.
“Je denkt dat we vriendinnen zijn?” kaatste Angelica terug.
“Ik weet zeker dat we goede vriendinnen kunnen worden,” antwoordde Sophia, die haar hand uitstak. “Sophia van Meinhalt.”
Angelica negeerde haar.
“Een mysterieuze vreemdeling die toevallig op tijd voor het grote bal opduikt,” zei Angelica. “Ze zegt uit de Koopstaten te komen. Denk je dat ik het niet zou weten als zo iemand in de stad was? Mijn vader heeft daar aandelen en ik heb jouw naam nog nooit horen vallen.”
Sophia dwong zichzelf om te glimlachen. “Misschien heb je niet goed opgelet.”
“Misschien niet,” zei Angelica, die haar ogen samenkneep. “Maar dat zal ik nu wel doen. Denk je dat ik lang nodig heb om alles over jou te weten te komen?”
Ik schrijf naar… ik weet niet naar wie ik ga schrijven, maar ik kom er wel achter.
Haar gedachten klonken niet zo zeker als haar stem, maar toch verstijfde Sophia bij de bedreiging. Ze dwong zichzelf om na te denken.
“En je wil me veroordelen omdat je geen gegevens in een verwoestte stad kunt vinden?” vroeg ze. “Nou, Angelica, als ik had geweten dat je zo jaloers zou zijn, had ik mezelf wel eerder voorgesteld.”
“Ik ben niet jaloers,” beet Angelica terug, maar Sophia voelde haar jaloezie als rook uit haar gedachten opstijgen. “Ik wil alleen Prins Sebastian beschermen tegen geldbeluste avonturiersters.”
Hij is van mij!
De kracht van die gedachte zorgde dat Sophia een stap achteruit deed. “Nou, dat is erg aardig van je,” zei ze. “Ik zal het tegen hem zeggen zodra hij terugkomt. Hij zal ongetwijfeld beschermd moeten worden tegen het soort personen die, bijvoorbeeld, proberen hem te drogeren om hem in bed te krijgen.”
Angelica liep rood aan bij die woorden, en zelfs zij kon dat niet mooi laten lijken.
“Ik kom er wel achter wie je bent,” dreigde ze. “Ik zal je kapot maken. En als ik klaar met je ben, verkoop je jezelf op de hoek van de straat.”
Sophia dwong zichzelf om de bibliotheek uit te lopen, ook al was het de plek waar ze de rest van de dag had willen doorbrengen.
Ze moest haar best doen om niet te trillen toen ze naar buiten liep.
Er kwamen problemen aan voelde ze, en de muren van dit paleis voelden niet langer veilig.
HOOFDSTUK ZESTIEN
Kate kon zich niet herinneren dat ze ooit het gevoel had gehad deel van een gezin uit te maken. Nee, dat was niet waar, want ze had haar zus en die band was als een constante geruststelling in haar hoofd. Ze had ook vage beelden en flarden van de tijd voor het weeshuis. Een glimlachend gezicht dat op haar neerkeek. Een kamer waar alles zo groot had geleken.
Maar zoiets als dit had ze nooit gehad: ze had nog nooit aan tafel gezeten met een gezin, en stoofpot en brood gegeten, het gevoel gehad dat ze erbij hoorde. Thomas en Will lachten. Zelfs Winifred leek blijer dan toen Kate was gearriveerd, maar dat was logisch. Ze was gekomen als dievegge; ze was gebleven als iemand die in de smederij kon helpen.
Het hielp ook dat Will er was. Zijn aanwezigheid leek alles beter te maken. Zijn moeder was gerustgesteld, zijn vader blij dat hij veilig thuis was. Kate vond het fijn om gewoon naar hem te kijken, en die gedachte deed haar beschaamd wegkijken.
“Blijf je lang thuis?” vroeg zijn moeder.
Kate zag Will zijn hoofd schudden.
“Je weet dat het niet zo werkt, moeder,” zei hij. “De vrije vennootschappen zitten nooit lang stil. De oorlogen aan de andere kant van het Mes-Water worden erger. Havvers is in handen van de Herroepers en de contingenten van het Ware Rijk. Het vennootschap van Heer Marl werd betaald om een eind te maken aan een opstand in de Serralt Vallei, en toen kwamen ze erachter dat ze een crimineel vennootschap hadden opgezet om iedereen te beroven die ze konden beroven.”
“Dat klinkt gevaarlijk,” zei Winifred. Kate kon de bezorgdheid in haar stem horen. Kate kon het haar niet kwalijk nemen. Ze wilde haar zoon beschermen.
Kate wilde meer horen over het opwindende leven van een soldaat.
“Hoe is het om deel uit te maken van een van de vennootschappen?” vroeg Kate. “Is het anders dan een gewone soldaat zijn?”
Will haalde zijn schouders op.
“Het verschilt niet zoveel. Er zijn maar een beperkt aantal manieren waarop een leger kan functioneren,” zei Will. Hij klonk een beetje alsof hij probeerde zichzelf te overtuigen. “Hoewel het leger van het koninkrijk niet zo groot is. Het heeft altijd vertrouwd op de loyaliteit van de bevelhebbers van de vennootschappen en de mogelijkheid om hun diensten af te nemen.”
Dat klonk niet bepaald als een goede regeling, vond Kate.
“Wat gebeurt er als iemand anders meer geld biedt?” vroeg ze.
Thomas beantwoordde die vraag. “Dan krijg je een leger waarvan de helft halverwege het conflict van kant wisselt. Maar de voorouders van de weduwe zijn altijd in staat geweest om hun vijanden te overbieden. En het is beter dan wat er tijdens de burgeroorlogen gebeurde.”
“Met een groot centraal leger dat de mensen afslachtte,” zei Will. “Ik denk niet dat de Assemblee van Aristocraten dat nu nog zou toestaan. Hoewel Prins Rupert het leger wel weer een beetje heeft uitgebreid.”
Kate zag Winifred haar hoofd schudden.
“Genoeg gepraat over oorlog en geweld en moorden,” zei ze. “Ik vind het geen prettig gevoel dat je spoedig weer terugkeert naar al die wreedheden, Will.”
“Het is veilig genoeg, Moeder,” zei hij terwijl hij haar hand vastpakte. “Het grootste deel van de oorlog bestaat uit wachten. De vennootschappen gaan elkaar zo veel mogelijk uit de weg en Heer Cranston is altijd voorzichtig met betrekking tot waar hij zijn mannen inzet.”
Kate was daar niet helemaal gelukkig mee. “Ik hoopte op avontuurlijke verhalen.”
“Ik weet niet zeker of ik daar veel van heb,” antwoordde Will. Hij zag de teleurgestelde blik op haar gezicht. “Maar ik heb er wel een paar. Ik zal ze vertellen als moeder er niet is, zodat ze zich geen zorgen hoeft te maken.”
“Ik maak me altijd zorgen als je gaat vechten,” zei Winifred.
Ze aten verder. Kate zocht naar excuses om Will meer over zijn leven te vragen. Vreemd genoeg leek hij net zo geïnteresseerd in haar als zij in hem.
“Dus je bent pas een dag bezig om mijn vader in de smederij te helpen?” vroeg hij.
Kate knikte. “Ik… ik ben afgelopen nacht gearriveerd.”
“Ze is een dievegge,” corrigeerde Winifred. “Ze wilde ons beroven van alles dat we hebben.”
Kate bleef heel stil zitten toen de andere vrouw dat zei. Ze kon zien dat Wills moeder haar nog steeds niet echt mocht en ze had het vermoeden dat dat veel te maken had met de manier waarop ze bij de smederij was verschenen. Maar ze had echter ook het gevoel dat het te maken had met andere dingen: het talent dat ze had, en het teken van een onvrije op haar kuit.
“Niet alles,” zei Thomas, die Kate’s ongemakkelijke gevoel oppikte. “En ze is een harde werkster, Winifred.”
“Ja, dat zal wel.”
Kate kon genoeg van de gedachten van de vrouw zien om te weten dat het eerder wantrouwen dan afkeer was. Ze wist niet wat Kate van plan was, en het feit dat Winifred mensen met haar gave niet zo erg vertrouwde als haar echtgenoot hielp ook niet. Kate hield haar mond, want ze wilde niet wrikken op plekken waar ze niet gewenst was.
“Dit klinkt als een heel interessant verhaal,” zei Will. “Kate, daar moet je me meer over vertellen. Misschien… kunnen we later de stad in gaan, samen?”
Zelfs zonder Winifreds gedachten te lezen kon Kate haar ontzetting voelen.
“Will, ik denk niet dat -”
“Ik weet zeker dat dat geen probleem is,” zei Thomas. “Gaan jullie twee maar.”
Kate wilde niets liever.
***
Het was natuurlijk niet zo simpel als gewoon vertrekken. Kate moest haar zwaard nog aan Thomas laten zien en een paar kleine aanpassingen doen. Hij stelde voor dat de klink dikker moest zijn, en de rand minder hoekig.
En dan waren er nog de klusjes die Winifred ineens voor haar had gevonden, van opruimen op de binnenplaats tot het schillen van groenten in het huis. Kate wist wat ze probeerde te doen: tijd rekken zodat ze niet meer de stad in kon met haar zoon.
Kate slaagde erin om ertussenuit te glippen toen ze niet keek, hoewel Thomas haar wel zag. Hij knikte instemmend. Dat was goed, want Kate wilde hem niet boos maken.
Will stond op de binnenplaats op haar te wachten en Kate kon de opwinding van zijn gezicht aflezen.
“Ben je klaar om te gaan?” vroeg hij. “Wilde je je eerst nog opfrissen, of -”
“Hoezo?” vroeg Kate. “Zie ik er niet goed genoeg uit om met je uit te gaan?”
“Je ziet er geweldig uit,” zei Will. Dat was vreemd, want Kate was het niet gewend om complimentjes te krijgen. Sophia was altijd degene die complimentjes kreeg, niet zij.
“Mooi,” zei ze. “Trouwens, ik denk dat je moeder zal proberen om me eeuwig hier te houden als we nu niet vertrekken.”
“Dan kunnen we maar beter gaan,” zei Will met een lach en een laatste blik op het huis. Hij reikte naar Kate’s hand, en tot haar eigen verbazing liet ze het toe.
Ze liepen naar de stad, en het was duidelijk dat Will de weg goed kende. Terwijl de zon langzaam onderging, leidde hij haar door brede straten. Kate bekeek de mensen die er rondliepen. De meesten van hen waren gewoon mensen die onderweg waren naar huis, maar er waren ook entertainers op straat: een man die op stelten liep die hoger waren dan Kate en een stel worstelaars die in een met zand gevulde kuil met elkaar vochten.
“Waar gaan we heen?” vroeg Kate.
“Ik dacht dat we wel naar het theater konden gaan,” zei Will. “De Acteurs van de Oude Koning doen een versie van Het Verhaal van Cressa.”
Kate wilde niet toegeven dat ze nog nooit van het toneelstuk of de acteurs had gehoord, want ze was in de veronderstelling dat het wel bekend was bij iedereen die niet was opgegroeid in het Huis van de Niet-Opgeëisten. Dus ze liep met Will mee terwijl hij haar naar een groot, rond, schuurachtig gebouw leidde, dat van buiten was beschilderd met opzichtige scenes. Er stonden al een paar mensen te wachten tot ze naar binnen konden, terwijl de acteurs bij de deur stonden om een cent entreegeld te vragen.
Will betaalde voor hen beiden. Kate stond in het midden van een menigte die zo dicht op elkaar stond dat ze nauwelijks adem kon halen.
“Gaat het?” vroeg Will.
Kate knikte. “Ik ben alleen nog nooit in een theater geweest. Het is erg druk.”
Het duurde niet lang voor het toneelstuk begon en Kate werd meegesleurd door het verhaal over een meisje die het hele schiereiland Krul moest afreizen, op zoek naar een jongen wiens liefde ze was verloren. Kate kon zich niet voorstellen om zo ver voor een jongen te reizen, maar ze was geboeid door het spektakel. De Acteurs van de Oude Koning hadden duidelijk door dat hun publiek actie, muziek, vuurwerk en verrassingen wilde. Ze voldeden aan die verwachtingen, ondanks het feit dat ze hun spel zo nu en dan even onderbraken voor rijmende speeches, in een poging het geheel voller te maken. Kate betrapte zichzelf erop dat ze hardop lachte bij de komische momenten en verlangend toekeek tijdens de gevechten.
Ze merkte ook dat ze Williams hand de hele tijd vasthield. Ze wilde hem niet loslaten, of het risico lopen dat contact te verliezen. Ze wist niet of ze het hele schiereiland Krul voor hem zou afreizen, maar ze zou zich zeker een weg door een druk theater vechten mocht ze hem kwijtraken.
Tegen de tijd dat ze met de rest van de menigte naar buiten stroomden, was Kate ademloos. Ze voelde zich levendig en wakker.
“We moeten maar naar huis gaan,” zei Will, maar zijn gedachten waren het niet met zijn woorden eens.
Ik wil nog niet.
“Straks,” zei Kate, die zijn gedachten uitsprak. “Voor nu… kunnen we gewoon een stukje lopen?”
Dat leek Will te verrassen, alsof hij had verwacht dat ze zo snel mogelijk terug zou willen, maar hij knikte enthousiast.
“Zeker weten. We kunnen naar de daktuinen.”
Kate wist niet wat dat waren. Ze was aangenaam verrast toen Will haar na een paar straten naar een ladder bracht, die naar de daken van de stad leidde. Even dacht Kate aan de schuilplaats die zij en haar zus hadden gevonden, verscholen achter de schoorstenen, waar niemand hen kwaad kon doen.
“Wil je naar boven?” vroeg Kate.
“Vertrouw me,” zei Will.
Tot haar eigen verbazing deed Kate dat ook. Normaal gesproken zou ze niemand zo snel vertrouwen. Ze begon te klimmen en pas toen ze de top bereikte zag ze wat er was. Er stond een rij bomen op het dak, in een tuin die zich over meerdere huizen leek uit te strekken.
“Dit is schitterend,” zei Kate. “Het is als een stukje van het platteland, midden in de stad.”
Het was meer dan dat; het was hoopvol en tegendraads, een plek van groei en groen in het midden van de overweldigende druk van de stad.
Will knikte. “Ze zeggen dat het door een man van adel is aangelegd als plek om na te denken. Maar nadat hij gestorven was, zijn de mensen er gewoon mee doorgegaan.” Ze liepen om de bomen heen, waar hangende lantaarns nachtvlinders aantrokken. “Je hebt waarschijnlijk niet veel van de stad kunnen zien als je in een weeshuis bent opgegroeid.”
Kate verstijfde even, want ze wist dat ze Will daar niet over verteld had. Misschien had zijn moeder het hem verteld, in de hoop hem te overtuigen dit niet te doen. Ze wist dat Winifred niet echt een hekel aan haar had, maar alleen bezorgd was over de gevolgen die Kate’s aanwezigheid zou kunnen hebben.
“Nee. Ze lieten de deur altijd open, maar dat was om ons te treiteren. Je kon vertrekken, maar je wist altijd dat je nergens heen kon. En als je wegging en weer terugkwam…”
Kate wilde niet denken aan de straffen die daarop stonden. Het Huis van de Niet-Opgeëisten was zelfs in de beste tijden een kwaadaardige plek geweest, maar de straffen waren bedoeld om de meisjes te breken.
“Dat klinkt afschuwelijk,” zei Will. Kate wilde geen medeleven, want ze wilde niet iemand zijn die dat nodig had. Toch leek het anders als het van Will kwam.
“Dat was het ook,” zei Kate. “Ze wisten dat ze ons zouden verkopen, dus ze probeerden ons tot gehoorzame meisjes te maken die net genoeg vaardigheden hadden om een aristocraat zijn wijn te brengen of om als contractarbeider aan de slag te gaan.” Kate zweeg even en zette haar hand tegen een boom. “Maar het maakt niet uit. Ik ben er niet meer.”
“Dat klopt,” zei Will. “En ik ben blij dat je hier bent.”
Kate glimlachte naar hem. “Hoe zit het met jou?” vroeg ze. “Ik heb het vermoeden dat de oorlog niet zo saai en veilig is als je je moeder probeert wijs te maken.”
Sterker nog, ze had het vermoeden dat het allesbehalve veilig was. Ze wilde de waarheid horen, de verhalen over gevechten en de plekken waar Will was geweest. Ze wilde alles horen wat hij haar te vertellen had.
“Niet echt,” zei Will met een zucht. “Heer Cranston probeert zo veel mogelijk conflicten te vermijden, maar wanneer je wel moet vechten is het vreselijk. Er is overal geweld. En zelfs als je niet hoeft te vechten, dan is er nog het smerige eten, het risico op ziektes -”
“Je laat het wel heel heroïsch klinken,” zei Kate met een lach.
Will schudde zijn hoofd. “Dat is het niet. Als de oorlogen zich over het Mes-Water uitbreiden en hierheen komen, zullen de mensen daar wel achter komen.”
Kate hoopte dat dat niet zou gebeuren, maar tegelijkertijd was er een deel van haar dat er naar verlangde, omdat ze dan de kans zou krijgen om te vechten. Ze wilde vechten. Ze zou tegen de hele wereld vechten als het moest. Het deed er niet toe hoe verschrikkelijk het zou zijn. Er zou ook glorie wachten.
“De helft van de tijd zijn de gevechten slechts wraakacties voor andere gevechten die een eeuwigheid geleden hebben plaatsgevonden,” zei Will. “Wraak is zinloos.”
Daar was Kate niet zo zeker van. “Er zijn een paar mensen waar ik wel wraak op wil nemen.”
“Het haalt niets uit, Kate,” zei Will. “Je neemt wraak, en daarna willen zij weer wraak, tot er niemand meer over is.” Hij zweeg even en lachte toen. “Hoe is dit gesprek ineens zo somber geworden? We zouden het juist naar ons zin moeten hebben.”
Kate raakte zijn arm aan, wensend dat ze het lef had om meer te doen. Ze vond Will leuk.
“Ik heb het ook naar mijn zin,” zei ze. “En ik vind je heel dapper, met je regiment. Ik zou het graag willen zien.”
Will glimlachte. “Ik denk niet dat het zo flitsend is als je denkt.”
Kate had het vermoeden dat het alles was dat ze hoopte, en meer.
“Desondanks,” zei Kate.
Toen Will knikte, kon ze haar geluk niet op. “Goed dan,” zei hij. “Maar morgenochtend. Het ziet er indrukwekkender uit bij daglicht.”
Kate kon nauwelijks wachten.
HOOFDSTUK ZEVENTIEN
Sophia zwierf door het paleis en het was onmogelijk voor haar om niet te denken aan hoeveel geluk ze had gehad. Ze had nooit iets gehad, en nu… nu leek het of dit echt haar leven zou worden. Ze had de plek gevonden waar ze naar had gezocht, en het was alles waar ze op had kunnen hopen. Het paleis was schitterend.
Sophia wilde hier kunnen blijven. Maar bovenal wilde ze hier met Sebastian kunnen blijven. Ze staarde naar een schilderij van een allang overleden aristocraat, terwijl ze nadacht over wat ze kon doen om ervoor te zorgen dat Sebastian haar niet zou vragen om te vertrekken. Het was duidelijk dat hij haar leuk vond, maar hoe kon Sophia weten of hij serieus was? Ze was nu gelukkig, maar het voelde zo fragiel. Ze wilde het door niets laten verpesten.
Sophia bleef ronddwalen, niet wetend waar ze nu heen moest. Ze wilde niet naar Sebastians vertrekken terug, want dat zou voelen alsof Angelica en haar vriendinnen haar daarheen hadden gedreven om zich te verstoppen, of alsof ze hier vastzat, wachtend tot Sebastian haar zou komen redden. Ze wilde ook niet terug naar de bibliotheek, want er was een grote kans dat de meisjes daar nog waren.
Dus liep ze naar een galerij waar mensen rondliepen om de schilderijen te bewonderen, en daarna naar de dienstvertrekken om te proberen de weg beter te leren kennen. Ze liep naar een glazen solarium, waar tere planten waren neergezet om te groeien en bracht een tijdje in een nis door waar het leek of er niemand langs zou komen.
Toen drong het tot Sophia door dat ze zich niet moest aanstellen. Ze had tenslotte een vriendin in het paleis.
Het duurde even voor ze Cora gevonden had. Ze zocht vanaf de balzaal tot ze de ruimte vond waar het dienstmeisje haar vak uitoefende.
“Mijn vrouwe,” zei Cora met een glimlach toen ze Sophia zag. “Ga zitten. Ik zal je wangen even poederen.”
“Cora, je hoeft me niet zo te noemen,” zei Sophia.
Cora knikte. “Jawel, en jij kunt er maar beter aan gewend raken. Van wat ik heb gehoord over jou en Prins Sebastian, blijf je hier nog wel een tijdje. Je mag niet vergeten wie je bent.”
“Wie ik pretendeer te zijn, bedoel je?” vroeg Sophia. Sophia van Meinhalt voelde net als het masker dat ze naar het bal had gedragen.
Cora duwde haar in de stoel. “Dat kun je hier niet zeggen. Je weet niet wie er meeluistert. Van nu af aan ben je Sophia van Meinhalt.”
Wat er met ons gebeurt als de weduwe erachter komt dat haar zoon is misleid, weet ik niet.
Sophia ving die gedachte duidelijk op. Ze kon wel begrijpen dat er spionnen konden rondlopen, of gewoon bediendes die zich in een positie bevonden waarin ze meer konden horen dan de bedoeling was. Zij had tenslotte haar hele leven lang de gedachten van mensen gehoord. Ze begreep ook dat het gevaarlijk was. Niemand wilde voor schut staan. En de weduwe zou alles doen om haar zoon te beschermen, nietwaar?
“Goed dan,” zei Sophia. “Maar ik mag je nog steeds opzoeken, toch? Zelfs een aristocrate heeft iemand nodig om haar make-up te doen.”
“Zeker weten,” stemde Cora in. Ze begon Sophia’s gezicht te poederen, zodat haar van nature bleke huid stralend en egaal werd. “En terwijl ze dat doet, mag ze me vertellen hoe het ging met een zekere prins.”
“Fantastisch,” zei Sophia, die zichzelf niet kon helpen. “Hij is… perfect, Cora.”
Cora deed een vleugje rood op haar lippen. “Hij is niet de man die ik suggereerde.”
Was ze daar boos over? Nee, zag Sophia na een blik op de gedachten van haar nieuwe vriendin, ze was bezorgd. Bezorgd over alles wat er fout kon gaan nu Sophia een prins had uitgekozen in plaats van een of andere saaie aristocraat.
“Het was niet iets dat ik gepland had,” zei Sophia. Ze wilde dat Cora dat begreep. Ze wilde niet dat ze dacht dat ze simpelweg had besloten om haar advies te negeren.
“Het is alleen… het maakt alles wel gevaarlijker als dit verkeerd afloopt,” zei Cora. “Weet je dat er nu al geruchten over je de ronde doen?”
Sophia had al zo’n vermoeden, afgaande over hoeveel Angelica over haar gehoord had. “Wat voor geruchten?”
“Dat je erin geslaagd bent om Milady d’Angelica te overtreffen en het hart van de prins te stelen. Dat je adembenemend mooi bent, dat het lijkt alsof je uit het niets bent verschenen. Dat je de oorlogen aan de andere kant van het water bent ontvlucht, dat je daar gevaarlijke vijanden hebt. Ik zweer het je, de helft van de bediening roddelt over hoe mooi je bent, of over hoe geweldig je danst.”
Sophia schudde haar hoofd. “Ik ben nog net niet over mijn eigen voeten gestruikeld.”
Dat leverde een lach op. “Denk je dat dat iets uitmaakt? Mensen zien wat ze willen zien.”
Dat was natuurlijk de reden dat Sophia’s plan was geslaagd. De enige reden dat ze een plek aan het hof had kunnen vinden was omdat mensen het mysterieuze meisje wilden zien dat voor een conflict gevlucht was, in plaats van de realiteit.
“Het is gewoon…” begon Cora. “Wees voorzichtig. Er zijn al mensen die erachter proberen te komen wie je bent. Ik hoor dat Milady d’Angelica vragen stelt, en zij is niet de enige. De aristocratie haat het als ze niet alles weten wat er te weten valt.”
Sophia kon dat wel begrijpen. “Ik zal voorzichtig zijn.”
Ze vertrok, en ze had het vermoeden dat ze er nog beter uitzag dan voor het bal. Het was lastig te bevatten dat ze gewoon in het paleis kon rondlopen zonder dat iemand haar daarmee confronteerde. Misschien kwam het door haar verbijstering dat ze niet zoveel aandacht schonk aan de gedachten om haar heen, of misschien was ze gewoon gewend geraakt aan het idee dat niemand haar zou lastigvallen als ze langsliep.
Hoe dan ook, ze ging een hoek om en verstijfde; ze stond oog in oog met Rupert, de erfgenaam van het koninkrijk, Sebastians oudere broer.
Hij was niet zo opzichtig gekleed als voor het feest, maar het kwam in de buurt. Er zat een heleboel goudbrokaat op zijn fluweelrode outfit, die was bewerkt met stukken crèmekleurige zijde. Net als Sebastian was hij een knappe jongeman, maar zijn houding toonde een bepaalde er zelfverzekerdheid, een soort arrogantie zelfs, die aangaf dat Prins Rupert zich daar maar al te goed bewust van was. Sophia zag zijn ogen over haar lichaam glijden in een combinatie van verrassing, vermaak en… bewondering.
“Uwe Hoogheid,” zei Sophia met een gehaaste buiging. Ze moest zich de etiquette herinneren, ondanks het feit dat ze dwars door Rupert heen kon kijken.
“En jij bent Sophia, nietwaar?” Hij nam niet eens de moeite om de leugen te gebruiken die haar achternaam was. Bij een ander had Sophia dat als vriendelijkheid opgevat. Bij hem kon ze zien dat hij simpelweg niet de behoefte voelde om anderen dat soort respect te tonen. Ze was slechts een van vele meisjes, ook al was ze dan met zijn broer.
“Ja, Uwe Hoogheid,” zei Sophia. “Sophia van Meinhalt.”
Hij pakte haar hand en trok haar uit haar buiging met alle gratie die Sophia van een kroonprins zou verwachten. Hij liet haar hand echter niet los. Hij bleef haar vasthouden op een manier die een buitenstander als hoffelijk en romantisch zou hebben beschouwd, maar die voor Sophia voelde alsof hij haar op haar plek hield en haar claimde, zoals een man de arm van een dief vastgreep.
“Ik zag je op het bal gisteravond,” zei hij. “Dansend met mijn broer. Je had naar mij toe moeten komen. Wij hadden ook kunnen dansen.”
Een blik op zijn gedachten vertelde Sophia dat hij helemaal niet aan dansen dacht.
“U leek genoeg andere partners te hebben,” zei Sophia met een delicaat lachje.
Rupert keek haar recht in haar ogen. “Ik heb nu niets te doen, en ik zou graag willen weten wat Sebastian zo betoverd heeft. Misschien kunnen we ergens heen gaan.”
Sophia hoefde niet te vragen wat hij van plan was zodra ze daar kwamen. Ze kon het in zijn gedachten zien, zo duidelijk dat het leek alsof iemand het geschilderd had. Ze was dankbaar voor het poeder dat Cora op haar gezicht had aangebracht, want het verborg haar rode wangen.
“Uwe Hoogheid, dat kan ik niet. Uw broer -”
“Is er niet,” merkte Rupert op.
Ze is gewoon een hoer. Wat zou het haar uitmaken?
“Uwe hoogheid,” begon Sophia, en ze probeerde een manier te bedenken om hier onderuit te komen zonder dat ze de erfgenaam hoefde te slaan. Ze kon zien hoe Prins Rupert haar zag: als iets wat hij kon gebruiken omdat zijn broer haar had. Als een prijs die hij kon claimen, simpelweg omdat hij de oudste was. Hij vond haar mooi, maar Sophia betwijfelde dat hij haar zelfs maar als een echt persoon zag.
“Je vond mijn broer ongetwijfeld lief en zachtaardig,” zei Rupert. Weer ving Sophia beelden op die haar afschrikten. “En saai. Ik denk dat jij en ik niet verveeld zullen zijn als we -”
“Sophia?”
Sophia was nog nooit ergens zo blij om geweest als het horen van Sebastians stem. Ze rukte zich los uit Ruperts greep toen hij de hoek om kwam en haastte zich naar hem toe.
“Sebastian,” zei ze met de blijdschap die kwam van het feit dat Rupert haar niet langer in zijn greep had, en de vreugde van het zien van Sebastian. “Je bent terug. Ik hoop dat je een goede dag hebt gehad?”
“Als ik mijn broer ken,” zei Rupert, alsof er niets aan de hand was, “heeft hij zich kapot verveeld. Sebastian, moeder wil dat we over ongeveer een uur met haar dineren. Neem Sophia mee. Ik weet zeker dat moeder dol op haar is. Ze is verrukkelijk.”
Sophia ving nog een laatste glimp op van wat hij over haar dacht voor hij vertrok. Het was genoeg om zich aan Sebastians arm vast te klampen en te wensen dat ze alles wat ze had gezien uit haar geheugen kon wissen.
“Ik ben blij dat je terug bent,” zei Sophia terwijl ze tegen hem aanleunde.
“Ik hoop dat Rupert niet te overweldigend was,” antwoordde Sebastian. Sophia ving zijn bezorgdheid op. Voor Sophia waren er meisjes geweest die Rupert bij Sebastian had weggetrokken, als hij ze had laten inzien dat hij de meer extravagante broer was. Dat ze nu niet hier waren liet alleen maar blijken hoe snel hij hen weer had afgedankt.
“Nee, het is goed.”
Een deel van haar wilde Sebastian precies vertellen wat er gebeurd was, maar wat kon ze zeggen? Dat ze Ruperts gedachten had gelezen en wist wat hij wilde?
“We hebben nog wat tijd voor het eten,” zei Sebastian. “Zou je het leuk vinden om een wandeling door het doolhof te maken?”
Sophia knikte. Het maakte haar niet uit wat ze deden, zolang ze hier maar weg was en bij Sebastian kon zijn. Ze liep met hem de tuinen in, waar de lampen de bloemen die in het donker waren geopend deden oplichten in zilverachtige tinten.
“Het zijn nachtorchideeën,” zei Sebastian, die Sophia’s blik had gevolgd. “Ze gaan open om de motten aan te trekken die overdag niet actief zijn, zodat ze niet met de andere bloemen hoeven te strijden om de aandacht van de vlinders.”
“Voelen ze dat ze de vlinders niet aan kunnen trekken?” vroeg Sophia. “Maar ze zijn zo mooi.”
Sebastian raakte haar arm aan en het contact was genoeg om Sophia kippenvel te geven. “Soms komen de mooiste dingen wanneer je het niet verwacht.”
Ze liepen verder door het doolhof. Sophia kreeg het gevoel dat Sebastian de weg goed kende, want hij nam zijn bochten zelfverzekerd, terwijl Sophia al snel haar richtingsgevoel kwijt was.
“Het lijkt me een goede plek om even te verdwalen,” zei Sophia. “Kom je daarom graag hier?”
“Dat is een van de redenen,” zei Sebastian. “Hoewel het ons ook wat privacy geeft.”
Sophia maakte er het beste van en leunde naar voren om hem te kussen. Ze kon niet geloven dat ze vrij was om dat te doen met iemand als Sebastian. Dat, en bijna al het andere dat ze wilde. Maar bovenal kon ze niet geloven dat ze überhaupt iemand zoals hij had gevonden.
Maar dat had ze wel. Sophia liep dicht naast hem terwijl ze hun weg door het doolhof vervolgden.
“Er is een zonnewijzer in het midden,” zei Sebastian. “En een houten overkapping met een bank.”
“Dat bevalt me wel,” zei Sophia met een glimlach. Een plek waar ze konden zitten. Mogelijk een plek waar ze nog meer konden doen dan alleen zitten. Sophia had dit nog nooit voor iemand gevoeld. “Zolang jij de weg maar kent.”
“Die ken ik.”
Ze liepen verder door het doolhof. Het was een geruststellende gedachte dat hij hier de weg kende, maar toch raakte ze verdwaald in haar eigen herinneringen: rennen door smalle gangen, verstoppen, hopen dat ze niet gevonden werden. Herinneringen aan vlammen. Ze kon de hitte voelen en de bittere rook proeven. Ze zei tegen haar zusje dat ze stil moest zijn, want het minste of geringste geluid kon…
“Sophia?” vroeg Sebastian zachtjes.
Sophia kwam weer tot zichzelf. Ze keek hem aan en sloeg haar armen om hem heen. “Sorry. Ik was er even niet bij met mijn hoofd.”
“Voel je je wel goed?” vroeg Sebastian. “Als je je niet goed voelt kan ik mijn moeder misschien overhalen dat je niet naar het diner hoeft te komen.”
Sophia wist dat dat niet echt een optie was. Wat de weduwe wilde, dat kreeg ze ook.
“Nee, het is goed,” zei ze. “Ik wil de relatie met je moeder niet lastig maken.”
Toch had ze het onheilspellende voorgevoel dat de relatie met zijn moeder behoorlijk lastig ging worden.
***
Sophia stond met Sebastian voor de deuren van een kleine eetzaal, wachtend tot een bediende hen zou aankondigen. Ze deed zo hard haar best om niet te laten merken dat ze zenuwachtig was, maar haar trillende hand in de zijne moest haar verraden hebben.
“Het komt goed,” zei Sebastian. “Mijn moeder is geen monster.”
Dat was gemakkelijker voor hem om te zeggen dan voor haar om te geloven. De weduwe had sinds de dood van haar echtgenoot in haar eentje over het koninkrijk geregeerd en was erin geslaagd om niet overweldigd te raken door de Assemblee van Aristocraten, of de Kerk van de Gemaskerde Godin. Ze had complotten en economische problemen doorstaan, overzeese oorlogen en dreigingen van opstand in de Nabijgelegen Koloniën. Sophia was ervan overtuigd dat ze onmiddellijk door de weduwe ontmaskerd zou worden.
“Prins Sebastian en Sophia van Meinhalt!” verkondigde een bediende. Hij opende de deur naar een eetzaal die vrij klein leek voor de standaarden van het paleis. De ruimte was kleiner dan een heel gebouw.
Er stond een tafel waar misschien zes mensen aan zaten. Ze waren allemaal gekleed in wat net iets minder formeel was dan het voor een officieel banket geweest zou zijn. Sophia herkende Prins Rupert, maar geen van de anderen.
Al snel bevond ze zich in een verwarrende ronde van ontmoetingen die duidelijk bedoeld was om haar op haar gemak te stellen, maar er eigenlijk alleen maar voor zorgde dat ze besefte dat ze hier niet thuishoorde.
Een vrouw in een zilvergrijze sluier stelde zich voor als Justina, de Hogepriesteres van de Gemaskerde Godin. Een man met krullende bakkenbaarden en grijzend haar bleek een admiraal te zijn. De anderen waren een barones, een gouverneur van het Graafschap, en de vrouw van de gouverneur. Er leek geen specifieke reden voor hun aanwezigheid te zijn, behalve dat het de wens van de weduwe was. Misschien waren het vrienden uit haar jeugd, of mensen die toevallig op bezoek waren.
Het enige wat Sophia nog nerveuzer maakte was het moment waarop de weduwe zelf naar binnen liep. Weduwe Koningin Mary van het Huis van Flamberg was geen lange vrouw, en ouderdom had haar grijs en bleek gemaakt. Maar er zat een ijzeren hardheid in haar houding die aangaf dat ze door niets van haar stuk gebracht werd. Ze was gekleed in het zwart, zoals ze al deed sinds de dood van haar echtgenoot. Ze ging aan het hoofd van de tafel staan en gebaarde naar de aanwezigen.
“Ga zitten,” zei ze.
Sophia deed wat ze zei, hopend dat de aanwezigheid van de anderen haar de kans gaf om zich een beetje te verstoppen. Ze was slechts een van de gasten. Maar toen de bedienden duif en korhoen begonnen te serveren, kon Sophia haar staalblauwe ogen op zich voelen.
“Sebastian, stel me eens voor aan je gast, lieverd.”
“Zeker, moeder. Dit is Sophia van Meinhalt. Sophia, dit is mijn moeder, Mary van Flamberg.”
“Uwe Majesteit,” bracht Sophia uit, terwijl ze haar best deed om te buigen.
“Ah, Meinhalt,” zei de weduwe. “Zo’n trieste zaak. Vertel eens, meisje, wat is jouw mening over de oorlogen die het continent teisteren?”
Sophia kon genoeg van haar gedachten zien om te weten dat dit een proef was, maar niet genoeg om te weten wat het antwoord zou kunnen zijn. Uiteindelijk trok ze haar antwoord uit Sebastians gedachten, hopend dat hij zijn moeder zo goed kende dat het een goede keus was.
“Ik maak me zorgen dat ze daar niet zullen blijven,” zei Sophia.
“Een zorg die we ongetwijfeld allemaal delen,” antwoordde de weduwe. Sophia kon niet zien of ze de test van de vrouw had doorstaan of niet. “Hoewel het erop lijkt dat mijn zoon voor sommige dingen die het Mes-Water zijn overgekomen wel dankbaar is. Vertel eens over jezelf.”
Sophia deed haar best, en probeerde haar gebrek aan kennis als bescheidenheid of terughoudendheid te vermommen. “Ik ben gekomen voor de stad viel, Uwe Majesteit. Ik denk dat ik veel geluk heb gehad.”
“De Godin heeft haar iets geschonken,” murmelde de Hogepriesteres.
“Inderdaad,” zei de weduwe. “Hoewel ik me kan herinneren dat je zei dat ze ons naast plezierige ook lastige geschenken geeft, Justina.”
Er volgden nog meer vragen. Had ze ervan genoten om in de winters op de rivier te schaatsen? Wat dacht ze over de verschillende kanten van de oorlog? Sophia deed haar best, maar haar talent kon haar maar tot op zekere hoogte helpen, en ze wist niet zoveel over Meinhalt. Ze had er meer over moeten lezen in de bibliotheek. Uiteindelijk deed ze het enige wat ze kon doen: ze zocht naar afleiding.
“Admiraal, ik heb altijd willen weten hoe het is om een hele zeemacht in de gaten te houden. Hoe doet u dat toch?”
“Kaarten, liefje,” zei hij. “Voornamelijk kaarten.”
Hij bedoelde het duidelijk als grapje, dus Sophia lachte met hem mee. Hij begon een discussie over de verschillende methodes om nautische kaarten te combineren. Prins Rupert onderbrak hem en zei dat niemand daar iets over wilde weten, waarna hij over jagen begon. Het maakte Sophia niets uit, zolang ze de conversatie maar bij zichzelf kon weghouden.
Het grootste gedeelte van de tijd was de aandacht niet op haar gevestigd, maar er waren uitzonderingen. De Hogepriesteres wierp haar van tijd tot tijd een vreemde blik toe en Sophia durfde haar gedachten niet te lezen om die blik te interpreteren. Sebastian leek naar haar te kijken wanneer Sophia naar hem keek. Hij keek haar aan met liefde, of hoop, of omdat hij zichzelf ervan wilde verzekeren dat ze in orde was. Rupert wierp haar meer dan eens een hongerige blik toe die zei dat wat er eerder tussen hen was voorgevallen nog niet voorbij was. Dat was genoeg reden voor Sophia om dichter naar Sebastian toe te schuiven en hem niet te laten gaan.
De weduwe bekeek haar gelijkmoedig, alsof ze Sophia wilde peilen, of in haar hart wilde kijken. Er was iets onveranderlijks, iets onverschrokkens aan die blik. Dat baarde haar meer zorgen dan al het andere bij elkaar. Ze voelde zich als een specimen onder een glasplaatje, niet in staat om iets verborgen te houden terwijl ze werd onderzocht. Ze voelde zich een bedriegster, en elke blik, elk woord dat niet op zijn plaats was, versterkte dat gevoel. Hoelang kon ze dit nog volhouden?
Op een of andere manier slaagde ze erin om het diner te overleven en beleefde conversaties met de anderen te voeren, terwijl ze een heel feestmaal aten. Sophia at zuinig en toen het tijd was om te vertrekken, was ze dankbaar dat ze eindelijk mocht staan.
Natuurlijk moest er nog afscheid worden genomen. Sophia pakte de handen van de anderen een voor een vast terwijl ze gedag zei en hen vertelde hoe zeer ze van de avond had genoten. Zelfs Rupert liet zijn hand niet langer dan een seconde dan nodig was op de hare rusten.
De weduwe glimlachte toen Sophia naar haar boog en pakte haar hand vast.
“Het is goed om te zien dat mijn zoon zo’n plezierig, intelligent meisje heeft gevonden om zijn tijd mee door te brengen,” zei ze. In andere omstandigheden zou Sophia blij zijn geweest met het compliment. Nu moest ze een glimlach forceren terwijl ze iets mompelde over wat voor eer het was, want ze voelde de gedachten achter haar woorden.
Ik zal erachter komen wie dit meisje is. Mijn zoon heeft een geschikte vrouw nodig, en meisjes komen niet zomaar uit de lucht vallen.
Sophia moest zichzelf bedwingen om niet de ruimte uit te rennen. Ze was dankbaar toen Sebastian haar arm pakte en haar de eetzaal uit leidde.
“Dat ging beter dan ik verwacht had,” zei Sebastian. “Ik denk dat mijn moeder je wel mag.”
Sophia glimlachte terug. “Ik hoop het.”
Ze hoopte het, maar ze geloofde het niet. Ze voelde haar plannen ontrafelen onder het gewicht van de wantrouw van de weduwe. Op dat moment wilde Sophia niets liever dan vluchten en nooit meer terugkomen.
Nee. Ze kon niet zomaar weglopen. Niet nu, niet na alles dat ze had meegemaakt, nadat ze zo hard had gewerkt om hier te komen en zoveel risico’s had genomen. En nadat ze verliefd was geworden op Sebastian. Hoe graag ze het ook wilde, ze kon niet zomaar weglopen.
En ineens wist ze wat ze moest doen: ze moest met haar zusje praten. Kate was degene die altijd praktisch was. Kate zou wel een plan hebben en waarschijnlijk ook een uitweg.
Ze zou de stad ingaan en doen wat ze kon om haar te vinden.
Kate, stuurde ze. Ik kom naar je toe.
HOOFDSTUK ACHTTIEN
Kate voelde zich opgewonden terwijl ze met Will naar de buitenwijken van Ashton liep. Daar maakten de huizen plaats voor meer open ruimte. Kate kon het groen van de Ridings daarachter zien, vlak en open en vrij.
Op een dag zou ze daarheen gaan, maar niet vanochtend. Vanochtend had Kate meer interesse voor de plek aan de rand van de stad, waar de grijze en blauwe vlaggen van Wills regiment wapperden.
“Weet je zeker dat je mijn regiment wil zien?” vroeg Will. Hij leek verrast door de gedachte dat Kate dat interessant vond. “Er zijn honderden andere dingen die we vandaag zouden kunnen doen.”
Kate ving glimpen van die dingen in zijn gedachten op. Ze zouden naar het theater kunnen gaan, of door de groene plekken vlak bij de stad kunnen wandelen. Ze zouden samen wat kunnen gaan eten in een van de tavernes, of naar een plek gaan waarvan Will wist dat er een violist speelde en mensen zouden dansen. Dat klonk allemaal goed, maar het was niet wat Kate wilde.
“Ik wil zien hoe het is,” zei Kate. “Hoe kan ik de beste wapens maken als ik niets weet over het soort mensen dat die wapens gaat gebruiken?”
Het was een goed argument, maar het was niet de volledige waarheid. Er was iets aan de gedachte dat een van de vrije vennootschappen hier was, dat Kate deed tintelen van nieuwsgierigheid. Dit waren mannen die over de hele wereld reisden, tegen vijanden vochten en exotische plekken bezochten. Ze wilde er alles over weten. Ze wilde het met eigen ogen zien.
Toch leek Will een beetje nerveus toen ze dichterbij kwamen. Kate kon zien dat hij zich zorgen maakte over wat er zou kunnen gebeuren, over hoe de andere leden van zijn regiment op Kate zouden reageren. Kate was vastberaden om zich daar niet door te laten beïnvloeden. Ze wilde dit.
Eindelijk bereikten ze het kamp van het regiment. Er stonden tenten in een keurig vierkant, bedoeld voor de soldaten die geen familie in de stad hadden waar ze konden verblijven, of degenen waarbij men er niet op kon vertrouwen dat ze terug zouden komen als ze vertrokken. Kate had het vermoeden dat het ook bedoeld was om de soldaten aan de rand van de stad te houden, waar ze niet al te veel schade aan konden richten.
De mannen waren aan het oefenen of werken, of zaten in de warme zon te gokken. Kate zag verse rekruten die zelfs nog niet eens een uniform hadden in formatie staan, terwijl een sergeant bevelen naar hen schreeuwde. Meer ervaren mannen waren bezig met zwaardvechten en boogschieten, musketoefeningen en worstelen.
Er hing ook een bepaalde spanning. Kate pikte bezorgdheid op over de kans op oorlog. Mannen trainden harder nu omdat ze klaar wilden zijn voor het geval er geweld kwam. Twee mannen die met botte zwaarden met elkaar aan het sparren waren, leken elkaar bont en blauw te slaan.
“Ik weet dat het niet veel is,” zei Will, “en het is allemaal een beetje chaotisch op het moment, maar -”
“Het is perfect,” zei Kate.
Ze begon door het kamp te lopen en werd aangetrokken door de tent waar zwaarden, spiesen, kruisbogen en donderbussen in nette stapels lagen. Mallen stonden naast slijpstenen voor messen en hellebaarden. Een kaalgeschoren kwartiermeester keek haar argwanend aan, tot hij zag dat Will bij haar was. Toen liet hij haar de wapens bewonderen.
“Op zoek naar gebreken in de zwaarden?” vroeg hij, hoewel het duidelijk was dat hij niet geloofde dat Kate wist waar ze moest beginnen.
“Nou, die messen mogen wel even geslepen worden,” zei Kate, “en ik denk dat die bijl tijdens het hard worden wat vervormd is bij de randen.”
Nu keek de kwartiermeester haar aan met een verbazing die Kate een beetje beledigend vond.
“Kate leert van mijn vader terwijl ik weg ben,” zei Will.
“Hoezo zou ik niets van zwaarden af kunnen weten?” wilde Kate weten.
Ze liep verder door het kamp en nam alles in zich op, van het enthousiasme van de rekruten die de vaardigheden van het soldatenleven leerden, tot de berekende, efficiënte bewegingen van de veteranen.
Op dat moment wist Kate dat dit nog dichter kwam bij wat ze uiteindelijk wilde dan het leven in de smederij. In de smederij leerde ze wapens maken, maar deze mannen kregen de kans om ze te gebruiken. Ze hadden levens waarin ze reisden en vochten, levens waarin ze samenwerkten en weg konden uit de alledaagsheid van de stad.
En als er een weg was die Kate dichter bij wraak in de buurt bracht, dan was dit hem wel.
“Heb je zin om te sparren?” vroeg Kate aan Will. Ze pakte twee houten oefenzwaarden op. Ze waren zwaarder dan het zwaard dat zij had ontworpen, de eikenhouten handvatten ruw in haar hand.
“Weet je het zeker?” vroeg hij.
Kate wierp hem een van de oefenzwaarden toe. Will ving hem op en bracht hem in een vechtpositie. Kate kopieerde hem. Hij haalde langzaam naar haar uit en ze weerde het zwaard af, waarna ze terug stak. Ze gingen van voor naar achter en Kate had het gevoel dat ze het ritme te pakken kreeg. Ze weerde de aanvallen die te dichtbij kwamen af en Will pareerde op zijn beurt haar aanvallen. De zwaarden waren zwaar, maar Kate slaagde erin om zichzelf te verdedigen.
“Probeer je haar over te halen om zich bij ons aan te sluiten, Will?” riep een oudere man. “Of wil je alleen indruk op haar maken?”
Kate deed een stap achteruit en vroeg zich af hoe het zou zijn. Zij en Will zouden zij aan zij kunnen vechten, en naar plekken reizen waar Kate zelfs nog nooit van gehoord had.
“Misschien wil ik me wel aansluiten,” zei Kate, die haar vuisten op haar heupen zette.
De veteraan lachte alsof het de beste grap was die hij die dag had gehoord.
“Je wil je aansluiten? Oh, dat is een goeie. Je had haar eerder mee moeten nemen, Will. We houden wel van lachen.”
Kate voelde haar vingers zich om het heft van haar houten zwaard klemmen.
“Ik ben serieus,” beet ze.
“Horen jullie dat, jongens?” riep de veteraan, en nog steeds leek het alsof hij een goede grap had gehoord. “Ze meent het. Ze wil zich aansluiten bij de mannen van Heer Cranston!”
Dat leverde meer gelach uit het kamp op, en nu begon zich een kringetje om Kate en Will heen te vormen. Ze hadden duidelijk besloten dat dit een vermakelijk schouwspel was.
Kate kon voelen dat Will zich zorgen maakte. Hij wilde weglopen en Kate terug naar de smederij brengen, voor er iets kon gebeuren. Maar Kate wendde zich tot de mannen.
“Waarom zou ik me niet bij jullie kunnen aansluiten?” wilde Kate weten. “Als jullie je allemaal zo’n zorgen maken over de oorlog, hebben jullie toch iedereen nodig die jullie kunnen krijgen?”
“Elke man die we kunnen krijgen,” zei de veteraan. “Het regiment is geen plek voor meisjes. Zeker niet voor degenen die nauwelijks oud genoeg zijn om bij hun moeder weg te gaan.”
Kate voelde haar woede in zich opwellen. “Hou je mond. Je weet helemaal niets van mijn moeder.”
Ze zag de veteraan zijn schouders ophalen. “Oh, ga je me de mond snoeren? Om me heen dansen met je houten zwaard alsof je weet wat je ermee aan moet? Will deed voorzichtig met je, meisje. Wil je weten hoe het voelt om echt te vechten?”
Nu werd Kate echt kwaad. “Ik weet hoe het voelt om echt te vechten.”
Dat leverde weer gelach van de mannen op. Er zat ook iets wreeds achter. Kate ving gedachten op over gevechten, over momenten dat mannen hen met zwaarden hadden aangevallen. Ze namen haar niet serieus. Zelfs Will zag eruit alsof hij Kate liever hier vandaan wilde halen dan dat hij haar wilde steunen.
“Ik denk het niet,” zei de veteraan. Hij gebaarde naar een van de jongere rekruten, een jongen die meer vet dan spieren had, maar toch groter was dan Kate. “Jij, pak een oefenzwaard. We zullen dit kleine meisje eens laten zien waarom ze niet geschikt is voor de oorlog.”
De jongen liep naar voren. Hij zag er nerveus uit toen hij een houten zwaard pakte. Toch ging hij tegenover Kate staan. Hij verstevigde zijn grip op het zwaard, alsof hij zich probeerde te herinneren wat hij moest doen.
“Dit is geen goed idee,” zei Will. “Waarom gaan we niet -”
“Jij hebt haar hier gebracht,” snauwde de veteraan. “Onthou wat je plek is in dit regiment en ga aan de kant. Als het meisje wil vechten, kan ze vechten.”
Kate legde een hand op Wills schouder. “Het is goed, Will.”
Ze liep naar haar tegenstander toe en hief haar wapen zoals ze dat had gedaan toen ze met Will trainde. De mannen om haar heen lachten. Ze maakten grapjes met elkaar en sloten weddenschappen af over hoelang ze het zou volhouden.
“Het gevecht gaat door tot een van jullie het opgeeft,” zei de veteraan. “Wil je een van ons zijn, meisje? Dan moet je ons laten zien dat je niet zwak bent. Begin!”
Haar gave gaf haar voldoende waarschuwingen voor de eerste paar aanvallen, zodat ze die kon ontwijken. Maar het was geen perfecte gids en Kate moest nog altijd op haar reflexen en reacties vertrouwen. Ze pareerde instinctief en probeerde haar zwaard voor zich te houden.
De kracht van de klappen schoot door haar arm. De rekruut waar ze tegen vocht had dan wel wat overtollige kilo’s, maar hij vocht nog altijd met alle kracht die zijn formaat hem gaf. Kate’s zwaard trilde met elke klap en het begon tot haar door te dringen dat deze jongen haar pijn wilde doen. Hij wilde de mannen bewijzen dat hij een van hen was en dat hij even hard was, even meedogenloos. Kate gaf mee onder de aanvallen.
Toen besefte Kate hoe erg Will zich had ingehouden toen hij met haar had gevochten. Toen was er niet die meedogenloze kracht geweest, of die agressie achter de aanvallen. Desondanks zette Kate haar tanden op elkaar en probeerde terug te vechten. Ze had het vermoeden dat ze in elk geval sneller was dan de jongen, hoewel het gewicht van het oefenzwaard haar wel vertraagde.
Kate sneed en stak, maar haar aanvallen werden met net zoveel geweld geblokkeerd. Kate ging achteruit. Ze probeerde te denken en uit te werken of ze misschien langs de blokkeringen van de jongen kon komen, of met haar kleinere formaat en behendigheid achter hem langs kon glippen.
“Blijf daar niet zo staan!” schreeuwde de veteraan. “Val haar aan! Drijf haar in een hoek!”
Kate wilde klagen over het feit dat de jongen vanaf de zijlijn gecoacht werd, maar daar was geen tijd voor. De jongen stormde op haar af en drukte zijn zwaard tegen het hare. Op deze manier was er geen ruimte voor Kate om haar snelheid te gebruiken, terwijl hij zijn volledige gewicht en kracht kon inzetten.
Hij haalde uit met het heft van zijn houten oefenzwaard, en het afgeronde uiteinde raakte Kate tegen haar kaak. Ze voelde de doffe klap toen het stuk hout bot raakte en even leek de wereld om haar heen te draaien. De jongen sloeg haar weer en ze viel op een knie.
“Niet stoppen,” riep de veteraan. “Als je vijanden op de grond liggen, maak je ze af!”
Kate probeerde haar zwaard omhoog te krijgen om de volgende aanval te blokkeren, maar de impact was genoeg om het wapen uit haar hand te slaan. Het kwam in het modderige gras terecht. De jongen sloeg haar weer, en nog een keer, met zijn houten oefenzwaard. Hij hield zich niet in, alsof dat alleen maar zou laten zien dat hij zwak was. Zijn gezicht liep rood aan van de inspanning, alsof het feit dat Kate daar nog zat hem alleen maar kwader maakte.
Kate was al eerder geslagen. Ze wist dat het de kunst was om de aanvallen te absorberen, om geen pijn te laten zien, om gewoon te accepteren wat je niet kon veranderen. Daar kon ze echter niet aan toe geven. Dus ze wierp zichzelf naar voren en probeerde de jongen te tackelen.
Het heft van zijn houten zwaard raakte haar kaak opnieuw en ze viel languit in het gras. De jongen sloeg het zwaard tussen haar schouders, toen tegen haar rug. Hij was duidelijk vastbesloten om niet te stoppen tot hem dat werd gezegd.
Toen was Will er ineens, die het zwaard zonder moeite uit zijn handen wrikte. Kate wist dat ze dankbaar moest zijn dat hij tussenbeide kwam, maar op dat moment voelde het alleen als een bevestiging van hoe ongekwalificeerd haar tegenstander was. Will wilde haar overeind helpen, maar Kate wuifde hem weg, en dwong zichzelf om overeind te krabbelen.
“Het lukt wel,” zei ze.
“Dat is ook het enige wat je lukt,” snauwde de veteraan vanaf de zijlijn. “Will, haal dit meisje ons kamp uit. Ik wil haar niet meer zien. De enige plek voor vrouwen in het leger is als echtgenote of hoer.”
Kate wilde in zijn gezicht spugen, maar ze had het vermoeden dat dat haar alleen maar nog een pak slaag zou opleveren. En op dat moment kon ze nauwelijks nog staan. Toen Will haar arm weer pakte, liet ze het toe.
“Kom op,” zei Will, “we kunnen maar beter vertrekken voor ze besluiten iets ergers te doen.”
Kate knikte en liet hem haar van het trainingsveld af helpen. Ze had zich nog nooit zo vernederd gevoeld. Ze had gedacht dat ze kon vechten, maar het had slechts een grotere jongen gekost om haar te verslaan. Ze zou zijn naam toevoegen aan de lijst met mensen waar ze wraak op wilde nemen, maar dat was al een probleem op zich.
Hoe kon ze ooit hopen om wraak te nemen als ze niet eens een gevecht op een trainingsveld kon winnen? Hoe kon ze wraak nemen als ze zo zwak en hulpeloos was?
HOOFDSTUK NEGENTIEN
Sophia voelde zich vreemd toen ze het kasteel uitglipte en de stad in ging. Een van de wachters bij de poorten liep met haar mee. Ze draaide zich naar hem om en staarde hem aan, niet begrijpend wat hij wilde.
De prins laat ons onthoofden als we haar iets laten overkomen.
“Je volgt me omdat je denkt dat Prins Sebastian dat wil?” vroeg Sophia.
“Ja, mijn vrouwe,” zei de wachter.
Een deel van haar wilde hem vertellen dat het niet was wat zij wilde, omdat ze vandaag plekken moest bezoeken waar het beter was om niet geobserveerd te worden. Maar dat deed ze niet, en niet omdat het verdacht was voor een aristocrate om dat soort bescherming te weigeren. De realiteit was dat Ashton een gevaarlijke plek wás. Alleen al de gedachte dat ze de stad in moest vulde Sophia met angst voor alle dingen die konden gebeuren. In de korte tijd dat ze op straat had geleefd had ze de duistere kant van de stad gezien. Bovendien wist ze dat er nog jagers rond konden lopen.
“Goed dan,” zei Sophia, terwijl ze probeerde te bedenken hoe een aristocrate het zou brengen, “maar dit is wel… een delicate kwestie. Kan ik op je discretie vertrouwen?”
“Absoluut, mijn vrouwe. Wilt u dat ik uw tas draag?”
Sophia drukte de lederen tas die ze door een dienstmeisje had laten brengen tegen zich aan. De inhoud zou haar in de problemen kunnen brengen.
“Dat hoeft niet,” zei ze. “Het gaat ook om een geschenk voor Sebastian.” De leugen kwam bijna als vanzelf. Het was het enige wat Sophia kon bedenken om ervoor te zorgen dat de prins niet ieder detail zou horen.
“Van mij hoort hij niets,” beloofde de wachter.
Eerst had ze echter een boodschap te sturen.
Kate? Kun je me horen?
Ze kreeg natuurlijk geen antwoord. Hun gave werkte niet dwars door een hele stad, niet zoals het werkte wanneer ze in dezelfde ruimte waren. Toch creëerde Sophia een beeld van een van de pleinen voor het kasteel, hopend dat haar zusje het zou ontvangen en dat ze in staat zou zijn om te komen.
Het was onmogelijk om te weten of Kate het bericht had ontvangen, dus Sophia ging aan de slag met haar andere taak. Ze vroeg discreet rond op het plein, plukte informatie uit de gedachten van mensen tot ze vond waar ze naar zocht. De aanwezigheid van de wachter die enkele stappen achter haar liep, maakte het lastig. Maar tot zijn verdienste zei hij niets, en probeerde hij haar niet te ontmoedigen. Ze kon in zijn gedachten zien waarom.
Aristocraten doen vreemde dingen. Het is niet mijn plaats.
Toen ze bij de winkel van de lommerd kwam, deed Sophia haar best om eruit te zien als een nerveuze jonge aristocrate. Ze hoefde niet echt te acteren; alleen te denken aan wat er zou kunnen gebeuren als de verkeerde mensen haar hier zagen. Het was al erg genoeg dat de wachter bij haar was.
“Wacht hier op me,” zei Sophia tegen hem. Toen ging ze de winkel binnen.
Binnen stond een man in dure kleren, die duidelijk meerdere keren waren gerepareerd. Hij keek haar behoedzaam aan.
“Wat kan ik voor u doen… mijn vrouwe?”
“Het is een gevoelige kwestie,” zei Sophia.
“Discretie is mijn tweede naam.”
“Ik zit wat krap bij kas na het laatste bal en ik kan die jurk natuurlijk niet meer dragen… zou u daar geïnteresseerd in zijn?”
Het bleek dat hij dat zeker was, hoewel het bedrag dat hij ervoor wilde geven niet eens in de buurt kwam van wat het echt waard was. Toch leek de kleine stapel van Royals en shillings die hij haar overhandigde een fortuin. Voor het eerst leek haar diefstal van de kleren wat het was, want nu kon Sophia precies zien hoeveel ze van Angelica en de anderen had gestolen.
Toch zou ze het geld nodig hebben als ze de rol van de aristocrate Sophia van Meinhalt wilde blijven spelen. En ze kon het zich niet veroorloven om de jurk te bewaren, als hij op een dag herkend zou worden. Het was veiliger om zich ervan te ontdoen.
Ze had de transactie net afgerond toen ze uit het raam van de winkel keek en een bekende figuur in de menigte zag. Sophia zag haar zusje kijken alsof ze klaar was om ervandoor te gaan bij het eerste teken van problemen.
Een wachter meenemen om Kate te zien was waarschijnlijk geen goed idee.
“Is er nog een andere uitgang?” vroeg Sophia.
“Mijn vrouwe is zeer voorzichtig om niet gezien te worden,” zei de lommerd. “U hoeft zich geen zorgen te maken. Er is een reden dat ik zo dicht bij de adellijke wijk zit.”
Hij liet haar door een achterdeur naar buiten en Sophia glipte langs de plek waar de wachter op haar stond te wachten. Ze kocht twee palingpasteitjes en bier terwijl ze over het plein naar haar zusje toeliep. Sophia vroeg zich af hoe het Kate was vergaan de afgelopen dagen, en hoopte maar dat alles goed was gegaan. Ze hoopte in ieder geval dat het leven voor haar zusje minder gecompliceerd was dan het hare.
Op het moment dat Sophia haar zusje naar zich toe zag lopen, op het moment dat ze Kate’s gezicht zag, wist ze dat haar leven allesbehalve simpel was.
Ze zat onder de blauwe plekken en het leek erop dat ze een bloedlip had gehad die nog maar net aan het genezen was. Om een van haar handen zat verband, alsof ze zich had verbrand, en ze bewoog zonder de energie en kracht die Sophia van haar gewend was. Sophia rende naar haar toe en sloeg haar armen om Kate heen.
“Wat is er met je gebeurd?” vroeg Sophia. “Ben je in orde?”
“Het is niets,” zei Kate, en Sophia kon in haar ogen zien dat Kate alleen maar dapper probeerde te zijn.
Je kunt geen dingen voor me verbergen, stuurde Sophia. Nu ze zo dicht bij haar stond, voelde het niet langer als een blindelingse boodschap door de stad. Wat is er gebeurd?
“Van alles,” zei Kate. Ze pakte een van de palingpasteitjes aan die Sophia haar aanbood. “Dat is de reden dat ik kon komen. Thomas heeft me een dag vrij gegeven van het werk in de smederij.”
“Is hij degene die dit heeft gedaan?” vroeg Sophia. Ze wist niet wat ze kon doen tegen iemand die haar zusje had pijn gedaan, maar ze zou wel iets bedenken.
“Wat?” vroeg Kate. “Nee! Dit… het is vernederend. Ik wilde me aansluiten bij een van de vrije regimenten.”
“Je probeerde je bij een regiment aan te sluiten?” zei Sophia. “En ze hebben je daarom geslagen? Heb je daarom al die verwondingen?”
“Niet allemaal,” gaf Kate toe. “Die brandwond komt omdat ik onhandig was in de smederij. Oh, en er waren een paar schippersknechten die me van een binnenschip hebben afgegooid toen ik probeerde de stad uit te komen.”
Dat was het laatste wat Sophia wilde horen. Ze wilde dat haar zusje gelukkig was.
“Oh, Kate, waarom kon je niet op een veilige plek blijven? Waarom kun je niet het soort meisje zijn dat gewoon in de bibliotheek zit te lezen?”
“Dat ben ik ook, weet je nog?” kaatste Kate terug. “Ik heb je er mee naartoe genomen.”
Sophia was vergeten dat de bibliotheek de eerste plek was geweest waar ze heen waren gegaan na hun ontsnapping. Het leek een eeuwigheid geleden, maar het waren slechts enkele dagen.
“Je zou de bibliotheek in het paleis geweldig vinden,” zei Sophia. “Ze hebben meer boeken dan je ooit zou kunnen lezen.”
“Dan ben je daar vast op je plek,” zei Kate. “Ik kan niet geloven dat je daar binnen bent gekomen.”
“Het was niet makkelijk,” verzekerde Sophia haar. “Ik moest bij een bal naar binnen glippen.”
Sophia begon haar het verhaal te vertellen en ze zag de ogen van haar zusje groot worden.
“Je hebt een príns verleid?” zei Kate ongelovig.
“Ik denk… dat we elkaar soort van verleid hebben,” zei Sophia. Ze wilde dat wat ze met Sebastian had niet zien als het soort manipulatie die de aristocratie toepaste op hen die meer geld hadden. “Hij is geweldig, Kate.”
“En het gaat goed met je, zo te zien,” zei Kate, gebarend naar Sophia’s dure kleren.
“Ja, ik…” Sophia aarzelde, en schudde toen haar hoofd. “Het is er ook gevaarlijk. Er zijn al mensen die vragen stellen, mensen die zich afvragen wie ik ben. Ze slaan me daar weliswaar niet, maar er zijn meisjes die… ik heb ze kwaad gemaakt toen Sebastian voor mij koos. Ze zullen het niet vergeten.”
Kate legde een hand op haar arm. “Het klinkt alsof we allebei wat voorzichtiger moeten zijn. Weet je zeker dat je de juiste keus hebt gemaakt?”
“Weet jij dat?” vroeg Sophia. Ze kon Kate niet de waarheid laten zien: dat ze het niet zeker wist. Dat er een deel van haar was dat ervan wilde weglopen voordat het allemaal afschuwelijk verkeerd zou gaan. Ze had wat geld. Zij en Kate zouden op een boot mee kunnen gaan en de stad uit kunnen varen. Behalve… ze wist niet of ze Sebastian wel zo gemakkelijk kon achterlaten.
“Ik moet dit doen,” zei Kate. “Deze blauwe plekken zijn niets. Ik zal leren om te vechten. Ik zal ergens heen gaan waar ik van niemand afhankelijk ben.”
Voor Sophia klonk het alsof ze zichzelf probeerde te overtuigen, maar ze zei niets. Ze wist hoe het voelde om te hopen dat alles wel goed zou komen, ondanks het feit dat er zoveel dingen waren die fout konden gaan.
“En,” zei Kate, “er is een jongen. Zijn naam is Will.”
Haar zusje klonk ineens hoopvol. Sophia herkende die toon, want ze had het in haar eigen stem gehoord wanneer ze over Sebastian sprak.
“Vertel me over Will,” zei Sophia met een glimlach.
“Hij is geweldig,” zei Kate. “Het was zijn regiment waar we heen gingen, en -”
“En jij probeerde indruk op hem te maken?” vroeg Sophia.
Kate keek beschaamd. “Een beetje.”
Sophia sloeg een arm om haar zusje heen. “Kate, je moet geen dingen doen waardoor je iets kan overkomen.”
“Jij ook niet,” kaatste Kate terug. “Het klinkt behoorlijk gevaarlijk in dat paleis.” Ze zweeg even. “We kunnen er nog steeds vandoor gaan. Kom nu met me mee. We kunnen gewoon vertrekken, de stad uitgaan en een andere plek zoeken.”
Sophia wilde dat ze dat kon. Ze wilde niets liever dan haar zusje beschermen en ervoor zorgen dat haar nooit meer iets zou overkomen.
“Dat kan ik niet,” zei ze, maar het deed haar pijn om het te zeggen. “Ik moet dit doen. Ik moet terug.”
Kate knuffelde haar. “Weet je het zeker?”
Sophia wist het niet zeker, maar dat kon ze haar zusje niet laten zien.
“Je kunt op me vertrouwen,” zei ze. “Als ik je hoor roepen, dan kom ik.”
“Ik ook,” beloofde Kate. “Waar je ook bent, waar je ook heen gaat, ik zal komen als je me nodig hebt. Ik bestorm het paleis als het nodig is.”
Ze zou het waarschijnlijk nog doen ook. Alleen de gedachte al deed Sophia glimlachen.
“Tot het zover is, neem dit,” zei Sophia, en ze drukte de meeste munten die ze voor de jurk had gekregen in de hand van haar zusje. “En Kate? Probeer wat meer tijd in bibliotheken door te brengen in plaats van in elkaar geslagen te worden?”
Ze zag haar zusje knikken.
“Misschien doe ik dat wel,” zei Kate. “Misschien doe ik dat wel.”
***
Kate baande zich een weg terug door de stad, terwijl ze op haar hoede bleef voor mensen die haar kwaad zouden willen doen. Het gevecht op het trainingsveld had haar geleerd dat er altijd wel iemand was die zou proberen haar kwaad te doen. Waar ze ook ging, er zou altijd iemand zijn die wilde bewijzen dat hij sterker was, of dat zij waardeloos was.
Ze had bijna aan Sophia gevraagd om haar te helpen om weg te komen uit alles waar ze in verwikkeld was geraakt, bijna haar grote zus gevraagd om haar als een hulpeloos kind uit het gevaar te plukken. Als ze niet had gezien hoe wankel Sophia’s situatie was, had Kate dat misschien wel gedaan.
Of misschien ook niet. In elk geval niet voordat ze had leren vechten. Niet voordat ze wraak had genomen. Haar zus had haar in elk geval een idee gegeven over hoe ze dat moest doen.
Ze was niet naar de centenbibliotheek geweest sinds de dag dat zij en Sophia uit het Huis van de Niet-Opgeëisten waren ontsnapt. Zelfs nu ze weer naar het oude gebouw toeliep voelde het als een dom idee. Want wat als iemand het gebouw in de gaten hield? Kate kon alleen maar hopen dat de gemaskerde nonnen niet zo wraakzuchtig waren. Ze hadden tenslotte nog meer meisjes om te martelen.
Ze sloop naar binnen en zag Geoffrey achter de balie zitten. Hij tuurde met wat hij waarschijnlijk dacht dat een strenge blik was naar de mensen die binnenkwamen. Toen Kate naar hem toe liep, zag ze hoe verrast hij was.
“Kate, ze hebben je niet gepakt. Ik… daar ben ik blij om. En het spijt me dat ik het niet aandurfde om je te verstoppen.”
Kate zei niet dat ze hem vergeven had. Ze was niet in de stemming. Toch wuifde ze het weg en ze haalde een cent tevoorschijn van het geld dat Sophia haar had gegeven.
“Ik zou graag van de bibliotheek gebruik maken. Ga je de wachters roepen als ik dat doe?”
“Nee, natuurlijk niet. En je hoeft niet te betalen. Dat is wel het minste dat ik je verschuldigd ben.”
Hij was haar veel meer verschuldigd, maar voor nu was Kate bereid om het te negeren. Er waren dingen die ze moest weten, en Geoffrey wist altijd precies waar hij alles kon vinden in de chaotische centenbibliotheek.
“Waar kan ik boeken over vechten vinden, Geoffrey?” vroeg Kate. “Zijn daar wel boeken over?”
Geoffrey spreidde zijn handen. “Jazeker. We hebben verhalen over de grote krijgers van vroeger, en handleidingen over moderne oorlogsvoering met spiesen en musketten. Er zijn zelfs een paar boeken geschreven door de zwaardmeesters van het continent.”
Daar begon Kate mee, want die zagen er het meest veelbelovend uit. Maar op een bepaalde manier waren het de meest teleurstellende boeken die ze ooit had gelezen. Een van de boeken bevatte talloze illustraties, maar geen teksten en de illustraties leken bovendien volledig willekeurig te zijn. Een ander boek was geschreven in een van de talen uit de landen aan de andere kant van het Mes-Water, en zelfs zonder de woorden te kennen, kon Kate zien dat het de schrijver eerder te doen was geweest om te laten zien wat hij allemaal wist, dan dat hij zijn kennis wilde overbrengen. Het was een manier om te laten zien hoe goed hij was, of misschien om een positie als zwaardmeester te verkrijgen. Maar het boek was niet geschreven om van te leren.
Dus in plaats daarvan begon ze met het lezen van de boeken over de verhalen van de grote krijgers van vroeger: Renaud van Bevan, de eilandbewoner McIlty. Kate had al meteen door dat het niets meer was dan een verzameling volksverhalen. Zelfs aan de delen waarin ze vertelden over hoe ze hun enorme kracht hadden verkregen had Kate weinig. De hele dag met een kalf op haar schouders rondlopen tot het volgroeid was? Elke man die ze tegenkwam uitdagen tot een worstelpartij tot ze haar allemaal uit de weg gingen? Het leek onmogelijk.
Het volgende boek leek niet veel beter. Het was een dunne, vreemde uitgave die deels een zwaardvechthandleiding leek te zijn, en deels een fantasierijk relaas van het leven van een zwaardvechter die Argent heette. Het leek er in de eerste instantie veelbelovend uit te zien omdat het boek claimde dat hij uit Ashton kwam, maar er waren fragmenten die pure fictie leken. Er was zelfs een deel waarin hij claimde dat hij was begonnen als een vaardige maar zwakke zwaardvechter, maar kracht had gevonden door naar een open plek in het bos ten zuiden van de stad te gaan en de geesten die hij daar bij een fontein had aangetroffen te misleiden. Er zat zelfs een kaart bij die de plek aangaf waar hij was heengegaan en de herkenningspunten langs de route: een wegwijzer, een stenen trap en meer. Kate zuchtte en gooide het boek hardhandiger neer dan haar bedoeling was.
“Voorzichtig, Kate,” waarschuwde Geoffrey haar. “Je weet wel beter dan het beschadigen van boeken die anderen misschien willen lezen.”
“Ik snap niet waarom iemand dit zou willen lezen,” kaatste Kate terug. “Zwaardvechters die hun kracht uit magische fonteinen halen? Onverslaanbare zwaardmeesters die uit het niets verschijnen? Het is nonsens.”
Ze zag Geoffrey een blik op het boek werpen. “Dat is het verhaal van Argent, nietwaar? Ja… ja, je hebt gelijk… dat kun je maar beter negeren.”
Ik wil niet dat ze eindigt zoals hij. Het is beter als ze denkt dat het een fabel is.
“Geoffrey,” zei Kate, “wat verzwijg je? Die Argent was een echte persoon.”
“Nee, ik zei je net…”
Echt, en gevaarlijk.
“Geoffrey,” zei Kate op waarschuwende toon. “Je wilde me niet helpen toen ik je nodig had. Je bent me iets verschuldigd. Vertel me de waarheid.”
Geoffrey leek toe te geven en staarde naar de grond.
“Argent was een zwaardvechter toen ik jong was,” zei hij. “Hij was niet erg goed. Toen ging hij de stad uit. Hij bleef niet lang weg. In ieder geval niet lang genoeg om zo goed te worden als hij was toen hij terugkwam. Hij versloeg d’Aquisto en Newman achter elkaar in oefenrondes! Toen de mensen hem vroegen hoe hij het had gedaan, begon hij over een fontein ten zuiden van de stad. Dat was het enige dat hij erover wilde zeggen.”
“Zeg je nu dat het echt is?” vroeg Kate. “Zeg je nu dat ik -”
“Nee, Kate,” benadrukte de bibliothecaris. “Dat kun je niet. Want weet je wat er met Argent gebeurde? Hij verdween toen hij de top van zijn kunnen bereikte. Hij vocht met iedereen die er was, schreef zijn boek en op een dag was hij gewoon verdwenen. Er zijn mensen die zeggen dat de priesters van de Gemaskerde Godin hem hadden meegenomen, maar er zijn anderen… anderen die zeggen dat het iemand, iets anders was.”
Kate kon Geoffreys angst voelen. Hij was serieus, maar die ernst zorgde er niet voor dat ze zijn angst deelde. Ze vond het alleen maar opwindend, want het betekende dat het verhaal waarschijnlijk waargebeurd was. Die fontein zou weleens echt kunnen bestaan.
“Beloof me, Kate,” zei hij. “Beloof me dat je er niet naar op zoek gaat. Het is gevaarlijk.”
“Ik beloof het,” zei Kate. Ze stak haar hand op alsof ze een eed ging afleggen. Tegelijkertijd dacht ze aan de kaart die ze in het boek had gezien. Ze probeerde zich de details te herinneren.
Geoffrey leek tevreden. Kate hoorde hem een zucht van opluchting slaken en hij keerde terug naar zijn boeken. Ondertussen dacht Kate na over haar volgende zet.
Het was waarschijnlijk maar goed dat zij de gedachten van de bibliothecaris kon lezen, en niet andersom. Het betekende dat hij niet kon zien wat Kate echt van plan was.
Het betekende dat hij niet door haar leugen heen kon kijken.
HOOFDSTUK TWINTIG
Sophia liep terug naar het paleis en glipte zo voorzichtig mogelijk weer naar binnen, maar ze kon de blikken van de mensen niet ontwijken. Ze zag een paar bedienden zich weghaasten toen ze haar zagen en vroeg zich af wie ze van haar aankomst op de hoogte zouden stellen. Ze zag Angelica vanaf een balkon naar haar kijken. Haar gezicht stond op onweer.
Er was iets gaande, maar de mensen liepen te snel voor Sophia om hun gedachten te kunnen lezen. Ze kreeg vage indrukken van geweld en spanningen, van mannen die zich voorbereidden op een conflict, maar waarom zou Angelica daar kwaad om zijn? Het sloeg nergens op.
Even was de onzekerheid van de situatie bijna genoeg om Sophia te doen omkeren en weer terug de stad in te laten gaan, want er moest wel iets aan de hand zijn. En op dat moment kon Sophia alleen maar denken dat ze haar door hadden. Als ze het wisten moest ze vluchten, en wel nu.
Maar als dat echt het geval was, zou Angelica er dan niet triomfantelijk uit zien? Zou ze zich dan niet staan te verkneukelen? Die gedachte was voldoende om Sophia verder te laten lopen en op zoek te gaan naar antwoorden. Op zoek te gaan naar Sebastian.
Ze hoefde niet lang te zoeken. Hij wachtte op haar bij de deur naar zijn vertrekken. Hij zag er verrassend krijgshaftig uit in een blauwe koninklijke overjas, met een zwaard dat aan zijn heup hing. Hij stak een gehandschoende hand naar Sophia uit, en ze pakte hem aan.
“Sebastian? Is er iets aan de hand?”
Sebastian knikte. “Een heleboel. Om mee te beginnen, ik heb een dagje voor ons gepland.”
Hij glimlachte terwijl hij het zei, en verder zei hij niets. Sophia ving een warboel van beelden op uit zijn gedachten. Daar lag… een boot?
Er lag inderdaad een boot. Sebastian liep met Sophia naar een kleine zijtak van de rivier die door de stad liep, op het landgoed van het paleis. De ijsvogels schoten door een van de zeldzame heldere stukken water in Ashton. Er lag een kleine vergulde boot met ingekerfde draken, met een kwartet in het blauw geklede mannen aan de riemen en een bankstel op het kleine bovengelegen dek.
Sebastian hielp haar aan boord en de boot gleed soepel weg van haar ligplaats. Op de groene rivieroevers liepen een paar goudkleurige fazanten en Sophia dacht in de verte reeën te zien.
“Het is hier schitterend,” zei Sophia. “Veel mooier dan de rest van de rivier.”
“We zitten relatief ver stroomopwaarts,” zei Sebastian. “De rivier is hier nog niet zo erg beïnvloed door de stad.”
Sophia had het vermoeden dat Ashton alles lelijk kon maken. Dat gebeurde vaak genoeg met de mensen, die werden vervormd tot personen die bereid waren om anderen alles af te nemen. Maar op een of andere manier was Sebastian niet hetzelfde. Hij was lief, en edelmoedig, en perfect.
Ze roeiden verder door de groene omgeving, waar wilgen over het water hingen en een kleine steiger naar een tuin vol kleurrijke bloemen leidde, die zoemende bijen en felgekleurde vlinders aantrok. Daar lag een deken op het gras, met een picknick.
“Je hebt dit alles voor mij gepland?” vroeg Sophia.
“Dit, en nog meer,” verzekerde Sebastian haar. Hij gebaarde naar een plek vlakbij de picknick. Daar stond een schildersezel. Er zat een vrouw met een kunstenaarsschort achter, die al bezig was met het schilderen van de achtergrond.
“Wie is dat?” vroeg Sophia.
“Dat is Laurette van Klet,” zei Sebastian. “Ze gaat een grote kunstenares worden, groter dan Hollenbroek, zodra de adel haar werk ziet. Ik kon geen betere persoon bedenken om jou te schilderen.”
“Om mij te schilderen?” zei Sophia. Alleen al het idee overrompelde haar een beetje. Het idee dat iemand haar zou willen schilderen leek zo onwerkelijk, zo onmogelijk. De schilderijen die ze in het paleis had gezien waren van prinsen en koningen, koninginnen en aristocrates. Ze had ook allegorische figuren gezien, mythologische scenes en onvoorstelbaar mooie vrouwen. Sophia had geen weeskinderen gezien.
“Laat u vooral niet afleiden door mijn aanwezigheid,” zei de vrouw. “Ik heb geen boodschap aan de saaie formaliteiten van andermans portretten. Doe gewoon uw ding.”
Het was een vreemd gevoel om gevraagd te worden plezier te hebben, zoals een generaal zijn troepen de strijd in zou hebben geleid. Toch deed Sophia haar best. Ze ging op de picknickdeken liggen, terwijl Sebastian naast haar ging zitten en haar een kwartelei aanbood.
Het was zo heerlijk hier in de zon, knabbelend aan snoepjes en pasteitjes, zoenend met Sebastian. Ze genoot met volle teugen van deze afgelegen plek, waarvan het leek of de rest van de wereld er nooit zou kunnen komen. Sophia lag dicht bij Sebastian en ze verloor zich zo in zijn aanwezigheid dat het, ondanks de kunstenares en ondanks de roeiers die hen hier hadden gebracht, voelde alsof ze alleen op de wereld waren.
Toen haalden de roeiers instrumenten tevoorschijn en begonnen ze te spelen, op een harp, een lage fluit, een tamboerijn en een luit. De ongerijmdheid van het schouwspel deed Sophia lachen.
“Daar!” liep Laurette uit. “Zo wil ik je gezicht vastleggen.”
Tot Sophia’s verbazing vroeg ze niet of Sophia zo wilde blijven zitten. Ze zette haar vingertoppen tegen haar slapen, alsof ze het beeld in haar hersenen wilde kerven.
“Het is haar gave,” zei Sebastian. “Ze kan zich een moment herinneren en het perfect naschilderen.”
“Waarom zou je het op een andere manier willen schilderen?” vroeg de kunstenares. Ze klonk verrast door het idee.
Sophia zag hoe ze haar bestudeerde, van de manier waarop ze op haar zij lag tot hoe haar jurk iets naar boven was gekropen. Vergeleken met de standaarden van de stoffige portretten die ze in het paleis had gezien, zou dit een revolutionair werk worden, of in ieder geval schokkend.
Sophia bleef liggen. Het was een vreemd gevoel om te weten dat iemand al haar bewegingen in de gaten hield. Wat zou Sebastians moeder van het portret vinden? Zou de weduwe denken dat ze een minder goede vangst was voor haar zoon dan na het diner van de voorgaande avond?
“Dit alles,” zei Sophia. “Ik krijg het gevoel dat je hard je best doet om indruk op me te maken, Sebastian.”
“Zou ik dat niet moeten doen?” antwoordde hij. “Ik zou je de wereld geven als je het zou toelaten.”
Het was een van die dingen die klonken alsof ze veel te romantisch waren om waar te zijn, maar Sophia kon zien dat Sebastian het meende, precies zoals hij het zei. Hij zou haar letterlijk alles geven; hij wilde haar alles geven.
Hij leek te zijn begonnen met de beste delicatessen die de keukens van het paleis konden produceren. Er waren plakjes geroosterd hertenvlees op zwart brood, zoete taartjes met bessen uit de paleistuinen, gegarneerd met saffraan dat met een koopvaardijschip ingevoerd moest zijn. Er was zelfs een taart met gans, eend en kwartel.
“Dit alles.” Sophia schudde haar hoofd. “Het is al genoeg dat je hier bij me bent.” Ze was verrast dat zij het ook meende. Ze was naar het paleis gekomen met de intentie om een beter leven voor zichzelf te creëren, maar op dat moment zou ze het niet erg gevonden hebben om in een krot te zitten, zolang Sebastian maar bij haar was. “Je hoeft niet de moeite te nemen om iets anders te doen.”
“Dat is lief van je,” zei Sebastian. “Maar ik wil dat alles perfect voor je is.”
Het was ook perfect. Sinds ze in het paleis was gearriveerd, was haar leven als een droom geweest. Niet zoals de dromen waar ze ’s nachts door geteisterd werd, met beelden van een brandend huis, en zij die met haar zusje door de gangen rende. Dit was het soort droom dat altijd onmogelijk had geleken, met dingen waarvan Sophia had gedacht dat ze bij het ontwaken weer verdwenen zouden zijn.
En toch was ze hier, met een prins aan haar zijde. Ze at het beste voedsel, er speelden muzikanten voor haar, en iemand maakte een schilderij van haar. Als iemand haar een paar weken geleden zou hebben verteld dat dit zou gebeuren, zou Sophia gedacht hebben dat het een grap was, en nog een wrede ook. Ze zou in de veronderstelling zijn geweest dat het een manier was om haar leercontract erger te maken, met de belofte dat het niet zover zou komen.
“Is er iets?” zei Sebastian, die zijn hand naar haar uitstak.
Sophia pakte zijn handen vast en kuste ze. “Alleen herinneringen uit het verleden.”
“Ik wil dat er vandaag niets mis is. Ik wil in elk geval een perfecte dag, voordat -”
Sophia hield haar hoofd schuin. “Voor wat, Sebastian?”
Ze zag het antwoord op die vraag al voordat hij het uitsprak en ze trok bleek weg door de woorden die ze uit zijn gedachten haalde.
“Je hebt gehoord dat de oorlogen erger worden?” zei Sebastian. Hij schudde zijn hoofd. “Wat zeg ik nu? Je hebt met eigen ogen gezien hoe erg het is geworden, met alle verschillende kanten, die onbeduidende oorlogen.”
“Maar ze zijn niet hier,” merkte Sophia op. Ze wenste dat ze meer kon doen. Ze wenste dat ze alle oorlogen, alle dreigingen en alle zorgen kon wegnemen voor Sebastian.
“Nog niet,” zei Sebastian, “maar de oorlogen zijn als kleine stroompjes die samen komen in een grote rivier. En die rivier stroomt naar ons toe. Toen er nog tien kanten waren die tegen elkaar vochten was het makkelijk te negeren, en het feit dat we een eiland zijn heeft een tijdje in ons voordeel gewerkt. Maar nu, met alles wat hier gaande is… er zijn mensen die denken dat we zwak zijn.”
“En nu wil jij hen laten zien dat jullie dat niet zijn,” zei Sophia. “Hopend dat ze niet terug zullen slaan.”
Er zat meer bitterheid in haar stem dan haar bedoeling was. Ze had met eigen ogen gezien wat geweld kon veroorzaken, ook al was ze zelf dan niet in een oorlogsgebied geweest. Maar ze maakte zich nog het meeste zorgen om Sebastian. Ze wilde niet dat hem iets zou overkomen.
“Het is noodzakelijk,” zei Sebastian. “Bovendien is het niet iets waar ik veel over te zeggen heb. Moeder heeft besloten dat ik me meer als een echte prins moet gaan gedragen.”
Sophia zou daarom gelachen hebben als hij niet zo serieus was geweest. Sebastian zou de oorlog in gaan, waar er geen garantie van veiligheid was. Waar er van alles kon gebeuren.
“Meer zoals Rupert, bedoel je? Geloof me; vergeleken met hem, vergeleken met wie dan ook, ben jij de perfecte prins.”
“Ik wou dat jij degene was die het voor het zeggen had,” zei Sebastian. “Dan kon ik hier bij jou blijven. Zoals het er nu naar uit ziet, zegt mijn moeder dat ik een prins moet zijn voor de Assemblee der Aristocraten. Daarom ben ik in dienst gesteld. Ik word officier van de cavalerie van het koninklijk huis.”
“Om nog eleganter te worden?” vroeg Sophia, maar zelfs terwijl ze het zei, voelde ze haar hart samentrekken.
Bovendien voelde ze een groeiende achterdocht. Er waren al oorlogen op het continent gaande zolang Sophia zich kon herinneren, maar nu ineens had Sebastians moeder besloten om hem deel te laten nemen? Ging het echt om de uitbreiding van het geweld, of zocht de weduwe naar een manier om haar zoon te scheiden van het meisje dat hij had ontmoet? Sophia wist dat Sebastians moeder haar niet vertrouwde.
Of misschien zat Rupert er wel achter. Misschien had Sebastians oudere broer de juiste dingen in de oren van zijn moeder gefluisterd, over dat Sebastian een man moest worden, of over de noodzaak om aan de oorlogen deel te nemen. Sophia had zijn jaloezie gezien toen ze samen waren geweest. Ze had ook gezien wat hij van haar wilde. Was dit gewoon een manier om haar te isoleren?
Sophia wilde niet nadenken over wat het zou betekenen. Er waren risico’s voor Sebastian, het gevaar dat de oorlog met zich meebracht, maar ook het meer praktische probleem van het feit dat hij niet hier zou zijn. In het beste geval zou ze in het paleis achterblijven, wachtend op hem. In het ergste geval zouden ze haar vragen om te vertrekken zodra hij weg was. Ze zouden haar kunnen verbannen op een manier die een echte aristocrate beledigend zou achten, maar voor haar desastreuze gevolgen had.
“Wees niet bang, Sophia,” zei Sebastian. “Ik weet zeker dat ik niet in gevaarlijke situaties terecht zal komen en ik zal ervoor zorgen dat jou ook niets zal overkomen. Dat is waarom ik dit allemaal heb gedaan. Ik wil het zeker weten.”
Sophia fronste. “Wat zeker weten?”
“Dat je ja zegt.”
Sophia’s adem stokte in haar keel toen Sebastian ging staan en terugliep naar waar de boot was aangelegd. Hij had iets in zijn hand en toen Sophia het sieradendoosje zag, vergat ze om adem te halen. Ze kon een ding bedenken waarom Sebastian zoveel moeite had gedaan vandaag. Iets wat ook zou verklaren waarom Angelica er zo furieus uit had gezien.
Toen Sebastian zich op een knie liet vallen, stond Sophia verrast op, maar dat maakte het alleen maar gemakkelijker voor hem om haar hand vast te pakken. Hij hield haar vast terwijl hij het doosje openmaakte. De ring was gemaakt van wit goud, met diamanten die van de andere kant van de wereld afkomstig moesten zijn, en dieppaarse saffieren die bijna net zo zeldzaam waren. De ring zelf was vervaardigd uit vervlochten strengen, delicaat en elegant. Het was het soort ring waar een meesterjuwelier waarschijnlijk dagen aan gewerkt had, en er zat een gevoel van ouderdom aan dat suggereerde dat het al sinds lang voor de burgeroorlogen een koninklijk erfstuk was geweest.
“Sophia,” zei Sebastian. “Ik had mijn tijd willen nemen, maar de realiteit is dat ik al weet wat ik wil als het op jou aankomt, en ik… ik wil dit doen voordat ik moet vertrekken. Ik wil dat je mijn vrouw wordt.”
“Je vraagt of ik met je wil trouwen?” vroeg Sophia.
Sebastian knikte.
Daar was maar één antwoord op. Het overstemde elk bezwaar dat Sophia had kunnen bedenken, elke zorg die ze gehad zou kunnen hebben over hoe andere mensen zouden reageren. Ze trok Sebastian in haar armen en hield hem stevig vast terwijl ze hem kuste.
“Ja, Sebastian! Ja, ik trouw met je.”
HOOFDSTUK EENENTWINTIG
Kate sloeg de volgende dag bijna drie keer op haar eigen hand, zo erg afgeleid was ze. Ze bleef staren naar de plek waar haar gestolen paard liep, vrolijk kauwend op hooi en haver. De eerste keer dat het gebeurde lachte Thomas en zei hij dat ze voorzichtiger moest zijn. De tweede keer fronste hij.
Deze keer stopte hij terwijl hij bezig was met het smeden van een set hoefijzers en liet de vlammen doven tot een oranje gloed.
“Nee, niet stoppen vanwege mij,” zei Kate. “Als je stopt met het bewerken van het metaal, zal het -”
“Ik weet wat het zal doen,” zei Thomas. “Maar ik verspil liever wat werk dan dat ik jou al je knokkels laat breken.”
Dat wilde Kate ook niet, maar ze was bereid om het risico te nemen als het alternatief betekende dat ze de smid teleur moest stellen. Ze zou zijn werk niet ruïneren alleen omdat zij liep te dagdromen over fonteinen die je een grote zwaardvechter konden maken.
“Wat is er aan de hand?” zei Thomas. “Is Will je daarbuiten aan het afleiden?” Hij liep naar het raam. “Het paard? Denk je erover om ons te verlaten, Kate?”
Hij klonk teleurgesteld, en dat kon Kate wel begrijpen. Thomas had zoveel voor haar gedaan, en nu besteedde ze niet eens aandacht aan het werk dat hij voor haar had.
“Dat is het niet,” zei Kate. “Het is alleen… heb je gehoord wat er op het trainingsveld is gebeurd?”
Ze zag Thomas knikken en ze vermoedde dat Will hem erover had verteld. Het was dat, of een van de soldaten had zijn mond voorbijgepraat toen ze waren gekomen om een deuk uit een scheenplaat of helm te laten slaan.
“Er is een plek waar ik zou kunnen leren vechten,” zei ze.
“Je zou zomaar wegrijden en niet terugkomen?” vroeg Thomas.
“Ik zou wel terugkomen,” benadrukte Kate. “Ik wil hier graag blijven.”
Ze was verrast toen ze besefte dat het waar was. Dit was de eerste keer dat ze iets had wat op een echt thuis leek; de eerste keer dat ze mensen had gevonden die echt om haar leken te geven. Zelfs Winifred leek dat te doen, op haar eigen manier. Ze maakte zich echter wel zorgen over het welzijn van haar zoon en haar echtgenoot. Dit was de eerste plek waar Kate het gevoel had gehad dat ze iets nuttigs kon doen.
En dan was er nog Will. Kate wist niet zeker wat er was tussen haar en Will, nog niet. Ze had nooit de kans gehad om jongens als iets anders dan pestkoppen en dreigingen te zien, maar nu was er een jongen die ze leuk vond. Een jongen die ze heel erg leuk vond.
“Dan denk ik dat je moet gaan,” zei Thomas. “Voor je jezelf pijn doet omdat je zo afgeleid bent.”
“Maar -” begon Kate. Ze was van plan geweest om in elk geval het werk van vandaag af te maken.
Thomas schudde zijn hoofd. “Ik red het wel een dagje zonder leerling. Of twee, als je een extra dag nodig hebt. Ga maar. Ik ga proberen deze hoefijzers te redden.”
Dat hoefde hij Kate geen tweede keer te zeggen. Ze haastte zich naar het paard dat ze had gestolen en zocht het tuig bij elkaar. Toen begon ze het dier op te zadelen. Ze was halverwege toen ze Will uit het huis zag komen.
“Kate? Je gaat toch niet weg, of wel?”
Hij klonk bezorgd, misschien omdat ze ging, misschien omdat ze zou willen vertrekken na wat er met zijn regiment was gebeurd.
“Niet voor altijd,” zei Kate, en ze glimlachte bij de gedachte dat dat was wat een jongen zou kunnen zeggen als hij naar de oorlog vertrok. “Het is alleen… er zijn dingen die ik moet doen. Ik moet sterker worden.”
“Waarom?” vroeg Will. “Je bent hier veilig. Ik kan je beschermen.”
Kate schudde haar hoofd. Dat was niet goed genoeg. Ze wilde niet alleen veilig zijn wanneer Will in de buurt was om haar te beschermen. Ze wilde niet van iemand anders afhankelijk zijn voor haar veiligheid, zelfs niet van hem. Ze wilde sterk zijn vanuit haar eigen kracht, en ze had nu een manier gevonden.
“Ik kan met je meegaan,” suggereerde Will.
“Ik denk dat ik dit alleen moet doen,” zei Kate, want anders zou ze precies moeten uitleggen wat ze van plan was. Zelfs na wat Geoffrey had gezegd, kon ze nog steeds nauwelijks geloven dat er een magische fontein bestond die haar onverslaanbaar kon maken. Als ze dat aan Will moest proberen uit te leggen, zou de situatie alleen maar verergeren.
“Doe je alsjeblieft wel voorzichtig?” zei Will, terwijl hij dichter bij haar ging staan. Zo dichtbij dat Kate even dacht dat hij haar zou kussen. Dat deed hij echter niet, en Kate voelde zich een beetje teleurgesteld.
Misschien als ze terug was.
“Dat zal ik doen,” zei Kate. “En ik kom snel terug, dat zul je zien.”
Dat zou ze doen. Met de kracht die de fontein haar zou geven, zou ze alles kunnen doen wat ze wilde.
***
De rit door het bos duurde langer dan Kate had verwacht. Haar paard was sterk en snel, maar Kate kon nog niet goed genoeg rijden om het dier in volle galop zuidwaarts te sturen. Daarom reed ze in een gestaag tempo over de brede, geplaveide wegen, waarna ze de zandwegen opreed toen de bomen in het zicht kwamen.
Ze probeerde zich de kaart uit het boek te herinneren. De fontein was op een specifieke plek gemarkeerd geweest, maar ze had niet lang naar de kaart gekeken. Ze had iets gezien over een wegwijzer, en een trap. Kate hoopte maar dat ze zichtbaar waren.
Dat waren ze. Ze vond de eerste wegmarkering nog voor ze het bos bereikte. Het was een blok van stenen, met graveringen die bijna glad waren gesleten door de tijd en de weersinvloeden. Kate’s vingers volgden de lijnen van een ontwerp dat een fontein had kunnen zijn, of de muil van een of ander groot beest. Er was een pijl in het gesteente gekerfd, dat naar een smal pad wees. Kate nam het pad. Het gebladerte begon steeds dichter te worden, tot ze uiteindelijk moest afstijgen en haar paard aan de hand verder moest leiden. Ze wilde het dier niet achterlaten, maar het pad werd nu zo smal dat ze misschien wel moest.
Ze zag een stuk bewerkt steen bij het pad, en het was zo’n contrast met de in elkaar verstrikte takken die aan haar trokken dat ze stopte om het beter te bekijken. Kate veegde de klimop weg met haar voet en zag dat er een stenen blok onder lag. Daarbovenop stond nog een blok, en nog een. Het was een stenen trap, bijna verloren gegaan aan de tijd en het mos.
Kate bond haar paard vast. Ze pakte een mes uit haar zadeltas en het houten zwaard dat ze had gemaakt om te oefenen met het ontwerpen van zwaarden. Ze gebruikte het houten zwaard om door het dikke gebladerte heen te komen en het mes wanneer ze een scherpe rand nodig had. Haar gehak onthulde meer gesteente in de vorm van een andere wegwijzer, die bijna zo groot was als zij zelf. Er zaten symbolen in gekerfd, de lijnen en krullen van een taal die niets te maken had met de voertaal van het koninkrijk. Ze zag ook iets anders: het beeld van een fontein.
Kate’s adem stokte in haar keel en ze haastte zich de rest van de treden op, hopend dat het allemaal echt was. Ze was er zeker van geweest dat het allemaal maar een verhaaltje was, dat ze de fontein nooit zou kunnen vinden, als die al bestond. Nu leek het alsof ze heel dicht in de buurt was.
Kate gleed uit en ze struikelde over de stenen treden. Ze glibberde over het mos, terwijl de braamstruiken die sterk leken toen ze ze vastpakte, dat helemaal niet bleken te zijn. Ze leunde op haar oefenzwaard zoals een ander een staf gebruikt zou hebben, en gebruikte het om de ondergrond te testen terwijl ze de afbrokkelende treden beklom. Elke tree leek ontworpen te zijn als uitdaging.
“Ik hoop maar dat die fontein het waard is,” zei Kate terwijl ze verder klom.
Hoewel het niet heel hoog was, was de klim lastig genoeg om een paar lange minuten in beslag te nemen. Toen ze boven kwam zag ze een ander pad dat door een nog dichtere begroeiing heen liep. Het licht leek hier volledig door het bladerdak tegengehouden te worden, en veranderde de wereld in een vreemde, onbekende plek. De takken verstrengelden zich in elkaar, als in een soort boog van bladeren. Kate stapte erdoorheen en kwam aan de andere kant uit op een open plek.
Er waren hier geen bomen, alleen meer van het eeuwenoude gesteente dat ze had beklommen om hier te komen. Dat stond te midden van de ruïnes van iets wat nog veel ouder leek, met stukken muur die als tanden uit het turf omhoogstaken en gescheurde zuilen die als vingers uit het gras naar de lucht graaiden. Het waren vervallen overblijfselen uit een oude tijd, nog voor de burgeroorlogen, misschien zelfs wel van voor het ontstaan van het koninkrijk.
In het hart van dit alles stond de fontein en slechts een blik erop liet Kate de moed in de schoenen zakken.
Ooit was het misschien een indrukwekkend iets geweest. De fontein was breed en donker, gehouwen uit lokaal gesteente, zo mooi dat het uit het landschap zelf ontstaan leek te zijn, in plaats van dat het een door mensen gemaakte structuur was. De fontein had de vorm van een brede schelp, die zich opkrulde tot een standbeeld dat ooit misschien de beeltenis van een vrouw moest zijn geweest, maar nu zo bedekt was met mos dat het niet meer te zien was.
De fontein werkte niet meer.
Dat vertelde Kate, meer dan de rest, hoe zinloos haar reis was geweest. Afbrokkelend gesteente was niet veelbelovend, maar uiteindelijk betekende het niets. Ze was hier gekomen voor een fontein. Ze was in de veronderstelling geweest dat er misschien iets speciaals met het water was, iets magisch. Nu er geen water was, voelde het alsof ze zich had laten meeslepen door wat Geoffrey had gezegd. Het voelde stom om hier haar tijd door te brengen in plaats van in de smederij, waar ze aan de slag had kunnen gaan met het zwaard dat nu nog van hout was.
Kate ging met haar rug tegen de fontein zitten en sloot haar ogen om haar tranen te bedwingen. Het was zo dom geweest om hier te komen. Zo dom om te denken dat ze ooit net zo sterk kon zijn als de jongens van Wills regiment. Het was een lege droom geweest.
“Waarom zou een fontein iemand sterk kunnen maken?” vroeg Kate aan het bos.
“Fonteinen kunnen dat niet,” zei een vrouwen. “Maar als mensen op zoek gaan naar een fontein, is het makkelijker voor mij om hen te vinden.”
Kate’s ogen schoten open en ze sprong overeind, terwijl ze haar houten oefenzwaard voor zich uit hield. Er stond daar een vrouw, gekleed in een diepgroene mantel met een kap. Ze had donker haar dat verstrikt leek te zijn met klimop en haar groene ogen leken perfect afgestemd op de kleur van de planten om haar heen. Ze was ouder dan Kate, een jaar of dertig misschien, maar de blik in haar ogen zei dat ze misschien nog veel ouder was.
“Ik ben al met veel dingen bedreigd,” zei de vrouw. Ze duwde Kate’s oefenzwaard zachtjes opzij. “Maar nog nooit met een stok.”
“Ik -” Kate liet het wapen zakken. “Het spijt me, je liet me schrikken.”
“Maar je bent hierheen gekomen,” zei ze. “Je kwam op zoek naar hulp, anders zou je hier niet zijn.”
“Ik had alleen niet verwacht…” begon Kate. Ze besefte dat ze als een idioot moest klinken. “Wie ben je?”
Instinctief reikte Kate naar haar gedachten, maar het enige wat ze voelde was iets dat zo massief voelde als een muur. Haar poging om tot haar door te dringen gleed van haar af, en Kate staarde de andere vrouw verbijsterd aan.
“Ik ben iemand die niet zo makkelijk te lezen is, zelfs niet door iemand met een gave als de jouwe,” antwoordde ze, hoewel ze niet boos leek om de intrusie. Sterker nog, ze leek er zelfs blij om. Dat had Kate niet verwacht. “En nu vraag je je af of we misschien hetzelfde zijn. We zijn niet hetzelfde, meisje. Mijn gave is een heel duistere versie van de jouwe. En veel gestoorder. Ik heb een gave waar je niet te diep in wilt kijken.”
Ineens ving Kate een glimp van haar gedachten op, alsof ze die naar haar had toegestuurd, en ze zette onwillekeurig haar handen op haar oren en gilde. Het was zo duister, zo afschuwelijk. Een waas van verschrikkelijke beelden die te snel gingen om te kunnen onderscheiden, maar desalniettemin een indruk van afschuwelijke horror achterlieten.
Eindelijk hield het op.
Kate haalde haar handen van haar oren en staarde de vrouw hijgend aan, haar ogen groot. Niemand was ooit op zo’n manier in haar gedachten binnengedrongen. Ze was er altijd van uitgegaan dat ze ondoordringbaar was. Dat er niemand was met een geest krachtiger dan die van haar.
Ze bekeek de vrouw - als dat was wat ze was - met een nieuwe angst en een nieuw respect. Misschien had ze hier toch niet moeten komen.
De vrouw grijnsde naar haar, een lelijke, invasieve grijns.
“Wie ben je?” vroeg Kate weer.
De vrouw zweeg een lange tijd. Toen begon ze te praten.
“Sommige mensen noemen me Siobhan,” zei ze. “Maar namen zijn slechts labels voor de zwakkeren. Je bent hier gekomen om een reden. Vertel me wat het is dat je wilt, en ik zal je vertellen wat het kost.”
Kate knipperde met haar ogen.
“Ik begrijp het niet,” zei Kate.
De vrouw fronste, en Kate voelde haar afkeuring.
“Verspil mijn tijd niet, meisje. Je bent hier om een reden. Je was ergens naar op zoek. Wat is het?”
Kate slikte, maar weigerde zich door Siobhans toon te laten kleineren. Ze moest sterk zijn.
“Ik wil leren vechten,” zei ze. “Ik wil zo sterk zijn dat ik nooit meer hulpeloos hoef te zijn.”
De vrouw stond daar een paar hartslagen lang in de stilte. Kate kon elke hartslag tegen de binnenkant van haar borst voelen slaan. Wat zou ze doen als de vrouw weigerde? Wat zou ze doen als Siobhan haar vertelde dat het onmogelijk was, en dat Kate haar tijd verspilde?
“Je hebt een talent. Ik zou je kunnen leren hoe je daarop kunt bouwen. Ik zou je kunnen leren om te vechten op manieren die niets te maken hebben met de primitieve kracht van mensen. Ik kan je leren om je krachten te benutten op een manier die je je niet kunt voorstellen.”
Ze deed het zo simpel klinken, terwijl het Kate haar hele leven was wijsgemaakt dat er dingen waren die te kwaadaardig waren om zelfs maar over te praten. Er was een reden dat Kate en Sophia hun gaven verborgen hielden.
“Je zou niet langer bang hoeven zijn voor wat je bent,” zei Siobhan. “Je zou sterk zijn. Je zou vrij zijn. Mijn soort kan jouw soort helpen, als je het toelaat.”
Een deel van Kate wilde ja zeggen, maar ze wist wel beter. Mensen waren zelden zo vrijgevig.
“En wat zou jij willen?” vroeg Kate.
Siobhan leek tevreden. “In ruil daarvoor, twee dingen.”
“Twee dingen?” antwoordde Kate.
“Je vraagt heel veel van me,” antwoordde de vrouw. “Twee dingen lijken me niet onredelijk.”
Ze deed het bijna speels klinken, alsof het allemaal maar een spelletje was. Er was iets aan de lach die volgde dat bijna niet menselijk leek. Het leek alsof het bos zelf aan het lachen was.
“Wat voor dingen?” vroeg Kate, die het negeerde.
“Wordt mijn leerling, en leer alles dat ik je wil bijbrengen.”
Dat klonk niet zo anders dan de regeling die ze met Thomas had. Het klonk niet zo anders dan de beste regeling die haar leercontract haar had kunnen opleveren.
“En het tweede ding?” vroeg Kate.
De vrouw stapte in de fontein en glinsterde even. Kate zag een beeld van de fontein die als nieuw was, gevuld met water. Het standbeeld erboven glom weer en leek veel te veel op de heks, vond Kate.
Er volgde een lange stilte. Toen:
“Een gunst.”
Kate hield haar hoofd schuin. “Wat voor gunst?”
Siobhan lachte die zorgwekkende lach weer. Ze leek hier veel te veel van te genieten. “Dat heb ik nog niet besloten. Maar je zou het moeten doen, wat het ook was.”
Dat was te veel gevraagd. Kate wist niet of ze dat kon doen.
Ze schudde haar hoofd. Het was te veel. Het was veel te veel. Ze voelde hoe duister deze vrouw was, en ze voelde dat wat de gunst ook zou zijn, het afschuwelijk zou zijn. Het zou zijn alsof ze haar ziel verkocht.
Ze liep weg van de fontein, stapje voor stapje.
“Nee,” zei ze. Ze was verrast door haar eigen woorden, verrast om zichzelf het enige dat ze ooit had gewild te horen weigeren.
De vrouw grijnsde alleen maar, alsof ze wist dat Kate geen keus had.
Kate liep weg en zodra ze de trap bereikte, rende ze al struikelend naar beneden. Siobhans gestoorde lach achtervolgde haar.
“Ik ben hier als je van gedachten verandert.”
HOOFDSTUK TWEEËNTWINTIG
Sophia kon nog steeds niet geloven dat Sebastian haar ten huwelijk had gevraagd. Ze was nog maar nauwelijks gewend aan het feit dat ze een plek in het paleis had gevonden als zijn geliefde, en nu, ineens, had ze zijn ring om haar vinger. Ze kon niet bevatten dat alles zo snel was gegaan en dat ze nu ging trouwen. Het voelde alsof ze door een stroom werd meegevoerd, zo snel dat ze de helft van de tijd niet wist wat er gaande was.
Sophia had niet geweten dat het zoveel werk was om een bruiloft te plannen. Ze had wel geweten dat het voor royalty niet alleen maar een kwestie was van een priester vinden, maar er waren complexiteiten waar ze nooit over na had gedacht. Er moesten feestmaaltijden georganiseerd worden en aankondigingen worden verstuurd. Er moest ook toestemming worden gevraagd, want de weduwe en de Assemblee van Aristocraten moesten hun zegen geven voor een prins kon trouwen. Het laatste zou, volgens de ambtenaren die ze ernaar gevraagd had, slechts een formaliteit zijn. Dit was een kwestie waarbij de adel mee zou gaan met wat hun machthebber wilde.
Maar Sebastians moeder overtuigen was allesbehalve een formaliteit. Ze was aardig geweest gedurende het diner waar Sophia haar had ontmoet, maar Sophia was niet zo naïef om te denken dat een machthebber blij zou zijn als een van haar zoons wilde trouwen met iemand die geen alliantie kon verstevigen of nieuw grondgebied meebracht. Op het moment was Sophia omringd door een kleine coterie van helpers. Een secretaris besprak met haar de etiquette van het vragen van toestemming, een kleermaakster werkte aan ontwerpen voor een trouwjurk en de chef-kok van het paleis had het over of ze zwaan of gans zouden serveren.
“Het is hier natuurlijk de traditie, maar ik dacht dat ik misschien ook een selectie van delicatessen uit uw thuis zou kunnen maken.”
Hun namen flitsten door de gedachten van de chef-kok, dus Sophia pikte er een paar uit en wuifde het toen weg.
“Ik ben ervan overtuigd dat u er een geweldig feestmaal van zult maken, wat u ook kiest,” zei Sophia. Ze wenste dat Cora bij haar was om haar te helpen haar weg te vinden.
Ze wenste dat Sebastian bij haar was, maar die was druk met de voorbereidingen voor het leger en de rol die hij daarin zou spelen. Sophia had het gevoel dat er maar zoveel was dat ze alleen kon doen, en met hem samen zijn… nou, dat was soort van het punt van dit alles, nietwaar? Wat had het voor zin om te trouwen als haar aanstaande echtgenoot niet eens hier was?
Als ze dit alleen deed om een goed leven te hebben, zou dat niet eens hebben uitgemaakt. Ze had de bruiloft van haar dromen kunnen organiseren, zonder de bijna onnodige aanwezigheid van een echtgenoot. Sophia stelde zich voor hoe Angelica in een van Sebastians vertrekken zat en dienstmeisjes bevelen gaf terwijl zij zich voorbereidde om zijn vrouw te worden.
Sophia wilde Sebastian. Bovendien hield ze van hem. Ze voelde een brandend verlangen bij zijn afwezigheid. De wereld leek op te lichten wanneer hij bij haar was. Nu leek het erop dat ze vast zat in de voorbereidingen voor een bruiloft, zonder de kans om haar aanstaande echtgenoot te zien.
Toen was hij er ineens, en Sophia ging staan om haar armen om hem heen te gooien. Ze schrok toen hij een stap achteruit deed.
“Sebastian?”
“Kom met me mee, Sophia,” zei hij.
“Wat is er aan de hand?” vroeg Sophia. Ze probeerde het antwoord uit Sebastians gedachten te vissen, maar op dat moment waren die een warboel, gevuld met pijn en verwarring. Hij dacht aan te veel dingen tegelijk om zich op één ding te kunnen focussen. “Is er iets gebeurd? Sebastian, wat is er aan de hand?”
“Ik hoopte dat jij me dat kon vertellen,” zei Sebastian. Zijn toon zorgde dat Sophia’s bloed ijskoud werd. Er was iets misgegaan. De meisjes in het kasteel hadden een gerucht over haar verspreid, of zijn moeder had het huwelijk geweigerd. Misschien was de man van de winkel waar ze haar jurk had verkocht langs geweest om Sebastian over zijn nieuwe bruid te vertellen. Er waren zoveel dingen die fout hadden kunnen gaan met haar plan, dat het altijd leek alsof het door ragfijne draden bij elkaar werd gehouden.
Sophia wist niet wat er fout was gegaan, dus ze volgde Sebastian door het paleis, vanaf de hoofdkwartieren naar de gastenverblijven. Ze gingen naar een verblijf waar alles normaal leek, behalve dat er een wachter voor de deur stond.
“Dank je,” zei Sebastian tegen de man. “Je kunt gaan nu.”
“Ja, uwe hoogheid,” zei de man. Hij liep weg, maar zijn aanwezigheid maakte Sophia nieuwsgierig naar wat er daar gaande was.
Toen Sebastian de deur openduwde, zag ze het antwoord. De ruimte was omgetoverd tot kunstenaarsatelier. De meeste meubels waren weggehaald om plaats te maken voor canvassen. Sophia hoefde niet te vragen wiens atelier dit was: het was duidelijk bedoeld voor Laurette van Klet, de kunstenares die Sebastian had laten komen om een portret van Sophia te maken. De schetsen van Sophia zeiden voldoende. Zelfs het begin van een schilderij stond er al, in olieverf. Het was bij lange na nog niet af, en Sophia had het vermoeden dat het een voorbereidend stuk voor een groter werk was. Toch was het al verder uitgewerkt dat ze had gedacht. Het toonde haar zoals ze in de tuin was geweest, informeel en mooier dan ze dacht dat ze in het echt was.
“Nou?” vroeg Sebastian.
“Nou, het is schitterend,” zei Sophia. “Maar ik begrijp niet -”
“Hier,” zei Sebastian, wijzend naar een plek op het schilderij. Een plek waar Sophia’s jurk iets omhoog was gegleden in de speelse vreugde van de dag, en een stukje van haar kuit liet zien. Haar kuit met de tatoeage, die haar als een beschuldiging aanstaarde.
Ze had hem voor het bal bedekt met make-up. Sindsdien had ze het steeds opnieuw gedaan, maar niet vandaag. Ze was het vergeten. Was ze het ook vergeten voor hun boottocht over de rivier? De realiteit was dat ze het niet wist, maar het bewijsmateriaal lag voor haar. De enige vraag was wat ze er nu mee ging doen.
“Ik begrijp het niet,” was het enige dat ze kon bedenken.
Sebastian schudde zijn hoofd. “Lieg niet tegen me, Sophia. Laurette schildert wat ze ziet. Alleen wat ze ziet.” Hij stak zijn handen naar haar uit. Sophia wilde een stap achteruit doen, maar hij greep haar bij haar schouders. “Een aantal vrouwen in het paleis praten over je. Ze zeggen dat er iets mis lijkt met je. Ik dacht dat ze gewoon jaloers waren, maar wat als ze dat niet zijn?”
Sophia probeerde hem tegen te houden terwijl hij de zoom van haar jurk optilde, wetend dat het voorbij zou zijn zodra hij het deed. Maar er was niets dat ze kon doen, en binnen enkele seconden werd het getatoeëerde symbool van haar onvrijheid zichtbaar.
Sebastian staarde er een aantal seconden naar en deed toen een stap achteruit. Sophia voelde de schok in hem opwellen, en zijn gedachten kwamen met zo’n stortvloed dat ze ze nauwelijks kon bijhouden. Ze keek toe hoe hij tussen de schildersezels op de vloer zakte, alsof hij probeerde de wereld buiten te sluiten.
“Sebastian,” begon Sophia. Ze wilde naar hem toe gaan om hem te troosten, maar dat zou niet werken, of wel? Niet als zij degene was die hem pijn had gedaan.
Hij keek op, en Sophia kon tranen in zijn ogen zien schitteren. Dat was iets wat ze niet had verwacht, en zeker niet iets waar zij de oorzaak van had willen zijn.
“Waarom?” wilde hij weten. “Waarom zou je tegen me liegen, Sophia? Is dat wel je echte naam?”
“Ja,” verzekerde Sophia hem. Voor het eerst sinds ze hem had ontmoet, liet ze het accent dat ze had aangenomen vallen. “Alleen niet van Meinhalt.”
“Zelfs je stem is niet echt?” zei Sebastian. Nu klonk hij overstuur. “We kennen elkaar… wat? Een paar dagen, hoogstens. We weten niets over elkaar, of wel? Wie ben je?”
Sophia slikte bij die vraag. Het was een vraag waarvan ze niet zeker wist of ze het antwoord kende. Ze probeerde een antwoord te verzinnen, maar het was niet de waarheid. Ze had zichzelf de vraag al zo vaak gesteld, steeds opnieuw, zonder antwoord. Het deed echter nog altijd pijn om het van Sebastian te horen.
Ze wilde hem wanhopig graag alles vertellen. Over haarzelf, over haar verleden, en boven alles, over hoeveel ze oprecht van hem hield. Over hoe haar liefde voor hem echt was, ondanks het feit dat al het andere dat niet was. Over hoe het nooit haar bedoeling was geweest om hem te kwetsen. Over dat haar gelieg en haar gedrag niets voor haar was.
Maar door haar blinde emoties bleven de woorden in haar keel steken. Het enige dat ze uit kon brengen was: “Ik wilde niet dat het zo ging.”
Sebastian stond op en liep naar een van de canvassen. Zo plotseling als een opkomende storm, pakte hij het van de ezel en scheurde hij het doormidden.
“Je hebt me misleid!” schreeuwde hij uit. “Je hebt me gebruikt! Het enige wat je wilde was mijn rijkdom! Mijn positie! Je hebt nooit iets om me gegeven!”
Zijn woorden waren als steken in haar borst bij het plotselinge geweld, bij het zien van haar beeltenis die werd verscheurd. Het paste precies bij hoe ze zich voelde over zichzelf en over haar leven, alsof ze zelf werd verscheurd.
Ondanks haar inspanningen om het niet te doen, begon ze te huilen. Ze stond daar en huilde als een klein meisje, zonder iemand om haar te troosten.
Dat leek Sebastian te verassen. Hij stopte met waar hij mee bezig was en zijn woede begon wat af te zwakken. Hij staarde naar haar, alsof hij spijt had, alsof hij had beseft dat hij te ver was gegaan.
Maar hij kwam niet naar haar toe om haar te troosten.
Ze wilde zo graag zijn gedachten lezen, maar ze waren zo’n warboel van heftige emoties, van tegenstrijdige gevoelens, dat het niet lukte.
“Ik kan nergens heen,” flapte Sophia er onwillekeurig uit.
Ze had er meteen spijt van. Ze wilde zijn medeleven niet, of zijn hulp.
Maar hij stond daar, stil, zwijgend. Zijn woede en schok leken weg te ebben, zijn gezichtsuitdrukking leek te veranderen in iets van medeleven, of medelijden.
Ze wilde geen medelijden. En al helemaal niet van hem.
Ze wilde liefde. Ware liefde. En op dat moment besefte ze dat ze dat, ondanks het feit dat ze het bij Sebastian had gevonden, voor altijd verloren had.
Sophia deed een stap achteruit.
Ze veegde haar tranen weg en trok de ring die hij haar had gegeven van haar vinger. Ze liet hem op het tapijt vallen, want ze durfde Sebastian niet meer aan te raken en ze kon hem niet meenemen.
Ze wilde wanhopig graag zeggen: Ik wil dat je weet dat wat er ook gelogen was, mijn liefde echt was.
Maar haar verdriet was zo groot dat het haar vermogen om te spreken verdronk.
Het enige wat ze kon doen was zich omdraaien en vluchten. Vluchten uit dit paleis, van de man van wie ze hield, en het leven dat zojuist door haar vingers was geglipt.
HOOFDSTUK DRIEËNTWINTIG
Kate keerde naar Ashton terug met een gefrustreerd gevoel, maar ook met een soort vrede. Frustratie, omdat ze niet de kracht had gevonden die ze zocht. Vrede, omdat het haar leven een stuk eenvoudiger maakte. Ze kon het aanbod van de heks niet accepteren, dus ze zou terugkeren naar haar simpele leven als Thomas’ leerling in de smederij, waar ze zou leren over zwaarden door ermee in de lucht te zwaaien.
Het was niet wat ze in gedachten had gehad toen ze haar reis was begonnen, maar het had de potentie van een goed leven, zeker met de aanwezigheid van Will. Misschien kreeg je niet altijd het leven dat je wilde, maar konden de alternatieven wel net zo goed zijn. De gedachte aan Will die bij de smederij op haar wachtte deed Kate glimlachen. Ze kwam bij de buitenwijken van de stad. Het zou nu niet lang meer duren voor ze terug was.
Kate steeg af en liep het laatste stuk naar de smederij met haar paard aan de hand. Ze had vandaag al lang genoeg gereden en haar benen deden pijn van de inspanning.
“Als we terug zijn,” vertelde ze tegen het paard, “kun je weer van een rustig leven genieten. En ik zal de beste leerling zijn die Thomas zich kan wensen.”
Hij was zonder twijfel een betere leraar dan het alternatief. Hij was vriendelijk en geduldig, en bovendien bracht het leerlingschap bij een smid niet het risico met zich mee dat ze een heks iets verschuldigd was. Er waren dingen die ze simpelweg niet kon doen, zelfs niet voor de kracht die ze nodig had om wraak te nemen. Dat besef bracht ook een gevoel van vrede met zich mee, alsof de vlam die had gedreigd om alles in haar te verzwelgen, eindelijk gedoofd was.
Misschien was dat maar goed ook. Misschien was dit wel een teken dat ze geweld achter zich moest laten. Misschien -
“Daar ben je!” riep een stem. “Ik ken jou!”
En Kate kende de stem. De laatste keer dat ze hem gehoord had, had de eigenaar haar tot aan de rand van de rivier achtervolgd, vastberaden om haar in elkaar te slaan voor hij haar terug zou sleuren naar het weeshuis.
En zowaar, toen ze omkeek zag ze de grootste van de jongens die op de steigers waren geweest. Hij strompelde op haar af met de zelfverzekerdheid van iemand die wist dat Kate geen kant meer op kon. Hij nam zijn tijd. Kate wist genoeg over de tactieken van pestkoppen om te weten dat hij haar gewoon de tijd gaf om bang te worden.
Ze kon uit zijn gedachten aflezen dat hij nauwelijks kon geloven dat hij haar eindelijk had gevonden, na zo lang gezocht te hebben.
Hij zag er niet goed uit. Hij had nog steeds blauwe plekken van de vechtpartij in de haven, maar ze zag ook verse verwondingen die duidelijk veroorzaakt waren door een pak slaag. Als het iemand anders was geweest, zou Kate misschien wat medeleven hebben gevoeld. Maar ze liep langzaam achteruit terwijl ze zich afvroeg of het haar zou lukken om op het paard te klimmen en ervandoor te rijden.
“Vluchten heeft geen zin,” zei hij. “Ik heb dagenlang naar je gezocht, kleine trut! De anderen zijn teruggegaan naar het weeshuis. Ze zeiden dat ze zich liever aan een mijn zouden laten verkopen dan dat ze bleven zoeken. Maar ik ben doorgegaan.”
“Fijn voor je,” kaatste Kate terug. Ze schuifelde nog steeds langzaam terug naar haar paard. Als ze erop kon komen, kon ze deze idioot net zo snel ontvluchten als toen bij de rivier.
“Fijn voor mij, jammer voor jou,” zei de jongen. “Probeer maar niet om te vluchten. Dacht je dat ik niet wist dat je voor de smid werkte? Ik heb naar je gezocht. Ik heb naar je gevraagd. En nu…”
Kate bleef staan terwijl de jongen op haar af liep.
“En nu?” vroeg Kate. “Je hebt nu je twee vriendjes niet meer om je te helpen.”
“Denk je dat ik hen nodig heb? Om met één meisje af te rekenen? Ik heb je opgejaagd, ik heb de wacht ontweken. En nu ga ik ervoor zorgen dat je me smeekt om je mee terug te nemen.”
Kate haalde het oefenzwaard van haar riem. Het was dan wel van hout, maar het was nog altijd lang genoeg om mee te dreigen.
“Denk er maar goed over na,” zei Kate.
“Dat doe ik al,” zei de jongen. “Ik denk dat als ik je terugbreng, ze me toestemming zullen geven om me bij een van de jachtbendes aan te sluiten. Ik betaal mijn contract af met mijn eerste vangst. En daarna kan ik alles doen wat ik wil.”
Kate zuchtte bij het horen van zijn stupiditeit. Ze wist dat dat niet was hoe de echte wereld in elkaar zat. “Je kunt al doen wat je wilt. Oké, wat is je naam?”
“Zachariah,” zei de jongen op defensieve toon. Hij keek alsof hij dacht dat ze hem voor de gek probeerde te houden.
“Nou, Zachariah, kijk eens om je heen. Je bent nu niet meer in het weeshuis, of wel? Je wordt nu niet verkocht. Je kunt weglopen en doen wat je wilt. Je hebt de wacht al een dag of twee ontlopen, dus waarom niet voor altijd? Er zijn er niet zoveel op het platteland, hé? Je kunt je gewoon omdraaien en weglopen.”
Het leek zo vanzelfsprekend voor haar. Geen van beiden was verkocht of in gevaar. De jongen zou zijn weg gaan, zij de hare, en het Huis van de Niet-Opgeëisten zou geen vat op hen hebben. Hij zou een leven kunnen opbouwen, of hij nu op een boerderij ging werken, of, wat meer voor de hand lag, als bandiet aan de slag ging. Was dat niet genoeg?
“Dat zou ik kunnen doen,” zei hij. “Maar dat wil ik niet. Wat ik wil is jou bont en blauw slaan, de wacht roepen, en me rot lachen als zij je terugslepen naar het weeshuis. Wachters!”
Hij schreeuwde het zo luid dat Kate ervan schrok.
“Wachters! Hier is een wegloper!” Hij keek Kate aan met een spottende grijns op zijn gezicht. “En als ze je pakken, zullen ze je dwingen om die zus van je te verraden. Misschien kan ik -”
“Hou je bek over mijn zus!” schreeuwde Kate, en ze haalde met het oefenzwaard uit naar zijn hoofd. Hij schrok en het zwaard raakte zijn schouder.
“Ik sla je in elkaar,” beloofde hij, en hij stormde naar voren. Hij beukte tegen Kate aan, en door het momentum vielen ze. Een seconde later rolden ze met zijn tweeën over de grond.
Kate sloeg hem met haar houten zwaard, maar de jongen ving de klap op en rukte het uit haar hand. Hij raakte haar hard, en op dat moment voelde het alsof ze weer op het trainingsveld was, of op de steigers. Ze proefde weer bloed, voelde zich duizelig. Ze had weer dat gevoel van hulpeloosheid, en ze haatte het.
“Ik laat je hier achter alsof je door dat paard van je bent getrapt,” zei hij. “Daarna ga ik op zoek naar je zus. En dan sleur ik jullie aan je haren mee terug.”
Kate graaide naar het houten zwaard dat hij uit haar hand had geslagen. Hij sloeg haar weer en greep het zwaard toen zelf.
“Oh, wil je dit?” wilde hij weten.
“Nee,” antwoordde ze, en haar stem klonk zelfs in haar oren vreemd. “Ik wil alleen dat je je handen vol hebt.”
Ze trok haar eetmes uit de schede en begroef het met één beweging in zijn borst.
Het was gemakkelijker dan ze gedacht had. Het mes was scherp, en het vlees van de jongen was zacht. Toch had ze het gevoel dat het niet zo eenvoudig had mogen zijn om iemand te doden. Het zou niet zo simpel mogen zijn om gewoon een mes tussen iemands ribben te steken en te horen hoe hij naar adem snakte.
Zachariah was verbijsterd door de plotselinge pijn. Hij zag eruit alsof hij iets wilde zeggen, alsof hij misschien weer de wacht wilde roepen, maar de woorden kwamen niet. Er liep een straaltje bloed uit zijn mondhoek en toen zakte hij met zijn volle gewicht bovenop Kate in elkaar.
Het ergste was dat haar gave haar het moment liet zien dat hij stierf. Ze voelde zijn gedachten van pijn en paniek veranderen in een volledige leegte toen zijn geest hem verliet. Ze voelde het moment dat hij stierf, en ze voelde… ja, wat voelde ze? Die vraag was moeilijker te beantwoorden dan Kate had gedacht. Voornamelijk dat hij het verdiend had. Dat ze onder hem uit moest zien te komen voor ze door zijn gewicht verpletterd werd. Maar ze voelde geen spijt. Nog niet. Ze voelde niet de paniek die Kate dacht dat ze zou moeten voelen, omdat ze zojuist iemand had vermoord.
In plaats daarvan voelde ze zich er eigenaardig kalm over. Stil, als het oog van een storm, alsof de rest van het leven niet echt was. Kate duwde het lichaam van de jongen van zich af, veegde haar mes schoon en zag toen dat er ook bloed op haar tuniek zat. Maar er was niets dat ze daaraan kon doen.
In de verte hoorde ze het gefluit en geschreeuw dat de aankomst van de wacht signaleerde. Of misschien waren het lokale inwoners die op het hulpgeroep af waren gekomen. Dat was wat ze deden als er iemand in gevaar was, nietwaar? Ze stuurden iedereen die in de buurt woonde erop uit om de dieven of de wolven te verjagen. Of de moordenaars op te hangen. Kate hoorde ze dichterbij komen en het enige wat ze op dat moment kon doen, was daar blijven staan.
Nu begon het langzaam tot haar door te dringen wat er was gebeurd. Ze had zojuist iemand gedood. De gedachte woog als lood op haar schouders. Wat de reden ook was, wat de situatie ook was, ze had net iemand neergestoken. Als de wacht kwam, of de hardere rechtvaardigheid van de menigte, zou het dan enig verschil maken dat hij haar bijna dood had geslagen?
Kate betwijfelde het. Ze strompelde terug naar haar paard, struikelend door de emoties en de pijn van haar verwondingen. Het kostte haar drie pogingen om op te stijgen. Toen ze zichzelf uiteindelijk in het zadel wist te hijsen, viel ze bijna weer.
Ze wist niet wat ze met Zachariahs lichaam moest doen, wist niet eens of ze er wel iets mee kon doen, aangezien zijn levenloze lijf te zwaar was om te verplaatsen. Hoe dan ook, de geluiden van problemen kwamen dichterbij en ze had geen tijd meer. Dus ze liet hem daar achter, midden op de weg, en reed in de richting van de smederij.
Terwijl ze reed, begonnen de gevolgen van wat ze had gedaan tot haar door te dringen. Ze was een van de onvrijen die haar lot was ontvlucht en ze had iemand gedood toen hij probeerde haar mee terug te nemen. Daar zouden ze haar voor doden. Het zou een wonder zijn als ze haar alleen maar zouden ophangen, in plaats van haar in een kooi achter te laten om te verhongeren, of haar lichaam te breken op een wiel.
Ze was bijna bij de smederij toen de realiteit tot haar doordrong: ze kon niet terug. Kate wist niet of iemand haar met Zachariah had zien vechten. Iemand zou ongetwijfeld gehoord hebben wat hij had geroepen. Het zou niet moeilijk zijn om erachter te komen dat zij degene was die hij had gevonden, zeker niet als hij vragen over haar had gesteld.
Als ze terugging, zou ze Thomas en Winifred in de problemen brengen. En Will. Wat was de straf voor het verlenen van hulp aan een moordenaar? Alleen al de gedachte dat Will iets zou overkomen maakte haar misselijk.
Hij en Thomas waren buiten toen Kate terugkwam. Ze steeg niet af. Dat durfde ze niet, want als ze afsteeg zouden ze haar misschien overtuigen om te blijven, of haar vertellen dat ze haar zouden beschermen terwijl ze dat niet konden. Niemand kon dat.
“Kate,” zei Will met een glimlach. “Je bent terug! Dat is mooi, je bent net op tijd, mijn vader en ik hebben een verrassing voor -”
“Will,” onderbrak zijn vader hem. Thomas zag duidelijk meer dan zijn zoon. “Stil eens. Er is iets mis.”
Kate zat daar op haar paard en staarde naar hen, niet wetend wat ze moest zeggen. Het leek verkeerd om iets te zeggen, want op het moment dat ze dat deed zou ze de enige mensen die ooit aardig voor haar waren geweest, enorm veel pijn bezorgen.
“Kate?” zei Will. “Wat is er aan de hand? Waarom zit er bloed op je tuniek? Heeft iemand je aangevallen?”
Kate knikte. “Een jongen uit het Huis van de Niet-Opgeëisten. Hij wilde me mee terug nemen. Hij viel me aan en -” De woorden wilden niet komen. Ze wilde niet dat Will of Thomas dachten dat ze een monster was.
“En?” vroeg Thomas.
“En ik heb hem gedood,” zei Kate. “Ik had geen keus.”
Was dat waar? Toen ze hem had neergestoken, had het geleken alsof ze geen andere opties had, maar de realiteit was dat ze Zachariah had willen doden. Hij had het verdiend na alles wat hij had gedaan, na alles wat hij had gedreigd te doen.
“Ga naar binnen,” zei Will. “We moeten je verbergen.”
Thomas wist echter wel beter. “Ze zullen haar hoe dan ook vinden, Will. Ze weten dat ik een nieuwe leerling heb. Het zal niet lang duren.”
“Wat moeten we dan doen?” vroeg Will.
Kate wist het antwoord op die vraag. “Er is maar één ding dat ik kan doen: ik moet vertrekken. Als ik de stad uit kan komen zullen ze op een gegeven moment stoppen met zoeken, maar als ik hier blijf zullen ze jullie net zoveel pijn doen als mij.”
“Nee,” zei Will. “We kunnen het voorkomen. We kunnen tegen ze vechten.”
Kate schudde haar hoofd. “Dat kan niet. Niet tegen allemaal. Ze zullen jullie gewoon doden, net als mij. En dat wil ik niet, Will. Ik moet gaan.”
Kate voelde de pijn en teleurstelling die als rook van Will af leek te komen. Het was hetzelfde als wat zij voelde, maar ze wist dat hij niet begreep hoe gevaarlijk de situatie was.
“Ik wil niet dat je gaat,” zei hij.
“En ik wil ook niet gaan,” antwoordde Kate. “Maar ik moet wel. Het spijt me, Will. Thomas, dank je, je hebt me een thuis gegeven. Ik wou dat ik meer had kunnen leren.”
“Je zou een goede leerling geweest zijn,” zei Thomas. “Ik heb iets voor je. Het moest een verrassing voor je zijn. Will?”
Will gaf even geen antwoord, maar toen knikte hij. Hij liep naar een plek waar een doek over iets heen lag en trok de doek weg. Kate zag de glinstering van een zwaard. Het was een zwaard dat ze herkende, want ze droeg de houten versie aan haar riem.
“Er was niet genoeg tijd om meer te doen dan het mes smeden,” zei Thomas. “Ik wilde het slijpen, het handvat en het detailwerk onderdeel van je training maken, maar het is sterk en het is licht.”
Hij pakte het zwaard en gaf het aan Kate. Het was nog niet af, maar het was nog altijd meer dan ze zich ooit had kunnen wensen. Het was lang en licht, en voelde alsof het perfect gebalanceerd zou zijn zodra ze er een handvat om wikkelde. Het was waarschijnlijk het mooiste wat ze ooit in haar bezit had gehad.
“Ik heb het met mijn vader gemaakt,” zei Will. “Het was bedoeld als welkomstcadeautje. Nu… denk ik dat het een afscheidscadeau is.”
“Ik weet niet wat ik moet zeggen,” zei ze. “Dank jullie wel. Ik ben jullie zo dankbaar.”
Kate hing het zwaard naast haar houten zwaard aan haar riem. Ze had het gevoel dat ze meer moest zeggen dan alleen bedankt. Er was zoveel meer dat ze wilde zeggen, zoveel meer dat ze wilde doen, maar ze kon het geschreeuw in de verte horen. Het begon te escaleren, ze hadden het lichaam gevonden dat ze had achtergelaten. Het was duidelijk dat ze geen tijd meer had.
Ze leunde naar voren uit het zadel en kuste Will snel en scherp. Ze wist niet eens of ze het wel goed deed. Het was niet alsof ze tijd had gehad om te oefenen. Ze rechtte haar rug weer voor hij iets kon zeggen, hoewel dat weinig verschil maakte; haar gave vertelde haar alles wat hij tegen haar wilde zeggen. Het deed haar pijn, zelfs nu ze het op deze manier hoorde, en het voelde alsof vertrekken haar hart uit haar borst zou rukken.
Toch deed Kate het. Ze begroef haar hielen in de flanken van haar paard en reed weg, luisterend naar het geschreeuw dat oprees terwijl meer mensen naar haar op zoek gingen. Ze hoefde niet te denken aan waar ze heen ging. Er was maar één plek waar ze heen kon gaan, als ze wilde overleven.
Het leek erop dat de vrouw bij de fontein toch haar zin zou krijgen.
HOOFDSTUK VIERENTWINTIG
Sophia liep door de straten van Ashton en deze keer was het nog erger dan voorheen. De vorige keer was ze net uit het weeshuis ontsnapt, dankbaar om er van weg te zijn. Ze had ook haar zusje bij zich gehad, en als ze met zijn tweeën waren leek het of alles mogelijk was.
Maar nu voelde ze alleen maar de pijn die er al was geweest sinds Sebastian tegen haar had gezegd dat ze moest vertrekken. Het deed er niet toe dat hij dit net zomin wilde als zij. Wat ertoe deed was het feit dat hij het gezegd had. Hij had haar op straat gezet, net zoals zijn broer gedaan zou hebben als hij had gekregen wat hij wilde. Hij had gezegd dat het was om Sophia te beschermen, maar was het niet net zo goed bedoeld om zichzelf te beschermen? Was hij niet gewoon bezorgd over wat er zou gebeuren als zijn moeder of de andere aristocraten erachter kwamen op wie hij verliefd was geworden?
Sophia voelde hete tranen over haar wangen lopen en ze probeerde ze niet eens meer tegen te houden. Niemand keek haar na terwijl ze door de geplaveide straten van een van Ashtons rijkere buurten zwierf. Niemand keek naar haar gebroken hart. Het kon niemand iets schelen.
Kate! stuurde ze voor de zoveelste keer. Waar ben je?
Maar er kwam geen antwoord.
Voor het eerst in haar leven voelde Sophia zich echt alleen.
Vanwege alles dat ze bijna had gehad, was het nu nog erger om op straat te leven. Sophia had het gevoel gehad dat ze op het randje had gestaan van alles dat ze maar kon wensen: een veilig leven met een man waar ze van hield en die ook van haar leek te houden, een plek tussen de meest welvarende aristocraten van het rijk, acceptatie voor meer dan alleen een wees die slechts geschikt was om te verkopen.
Sophia liep door. Ze wilde niet stoppen op een plek waar mensen haar zouden kunnen herkennen. Het was al beschamend genoeg dat dit gebeurd was, en ze wilde niet denken aan wat er zou kunnen gebeuren als iemand uit het paleis haar zag. Ze wilde niet denken aan hoe Milady d’Angelica zou glunderen als ze erachter kwam dat Sophia was gedwongen om het paleis te verlaten, dat haar huwelijk was afgeblazen.
Ze wilde echt niet denken aan wat er zou gebeuren als ze achter de waarheid kwam. Wat zou er gebeuren als het adellijke meisje besefte dat ze was misleid door een meisje die niemand meer dan een van de onvrijen was?
Wat zou Sebastian zeggen dat er gebeurd was? Dat ze was teruggeroepen naar haar land? Dat er een onbekend schandaal was geweest? Zou Sebastian überhaupt iets zeggen? Misschien zou de weduwe bekend maken dat ze de naam Sophia van Meinhalt niet meer wilde horen, en zou het daarmee zijn afgedaan.
Wat er ook zou gebeuren, Sophia kon niet meer terug. Ook dat maakte het erger. Toen ze het weeshuis had verlaten, had ze nog een sprankje hoop gehad om een plekje tussen de aristocraten te vinden. Nu had Sophia het gevoel dat ze geen hoop meer had, niets behalve het vooruitzicht van een slechter leven.
Ze zou vanavond in ieder geval niet met haar rug tegen een schoorsteen slapen. Ze had nog altijd het geld dat ze had gekregen door haar gestolen jurk te verkopen. Ze kon… nou, als ze voorzichtig was kon Sophia een hoop dingen kopen, maar op dat moment deed het te veel pijn om te denken aan alles wat er kon gebeuren. Ze wilde gewoon een kamer voor de nacht, zodat ze in stilte kon slapen en huilen.
Was er iets dat ze anders had kunnen doen? Sophia stelde zichzelf die vraag keer op keer terwijl ze zocht naar een herberg die misschien nog een kamer voor haar vrij had. Er leek geen goed antwoord op die vraag te zijn. Ze had natuurlijk beter haar best moeten doen om haar tatoeage te verbergen, maar hoe voorzichtig ze ook geweest was, vroeger of later zou iemand hem toch wel gezien hebben. Hij zat daar, onuitwisbaar, en labelde haar als iemand die minder was, iemand die gehaat moest worden. Ze zou de make-up een andere keer vergeten zijn, of het zou er in de regen zijn afgespoeld, en dan…
Misschien was Sebastian dan niet de enige die het gezien had. Misschien waren er dan wel tien aristocraten in de buurt geweest om haar te grijpen en haar dood te eisen, in plaats van alleen de enige man die om haar gaf.
Sophia liep door tot ze een herberg vond die ver genoeg bij het paleis vandaan was. Ze wilde ver genoeg bij het adellijke district uit de buurt zijn om niet door de aristocraten of hun dienstmeisjes herkend te worden, maar ze wilde ook niet helemaal teruggaan naar de slechtste delen van de stad. Er waren plekken waar ze simpelweg niet naar terug wilde keren, zelfs al betekende het dat het haar een of twee extra munten zou kosten om hier te blijven.
Ze liep naar binnen en probeerde de pijn in haar hart, die haar het gevoel gaf dat ze gewoon verder moest lopen tot ze neerviel van uitputting, te verbergen. De herberg was ver verwijderd van de luxe van het paleis, maar het leek er schoon te zijn. De mensen die er verbleven zagen er voornamelijk uit als kooplieden die op doorreis waren, in plaats van schippersknechten of huurlingen.
Sophia voelde zich er niet veilig, want waar kon ze veilig zijn als ze zelfs in het paleis in gevaar was geweest? Toch leek het goed genoeg om de nacht door te brengen. En daarna… zo ver kon Sophia niet denken. Misschien zou ze haar leven als dievegge doorbrengen en haar gave gebruiken om aan te voelen wanneer mensen niet opletten, tot ze uiteindelijk werd gepakt. Misschien zou ze proberen om haar zusje te vinden, hoewel Sophia haar niet in de problemen wilde brengen nu Kate eindelijk een plekje voor zichzelf had gevonden.
Ze liep naar de bar van de herberg, wachtte tot ze de aandacht van de herbergier had en haalde een paar munten tevoorschijn.
“Ik zou graag een kamer willen voor vannacht,” zei ze. Zelfs dat was lastig om te zeggen zonder in tranen uit te barsten.
De herbergier schudde stellig zijn hoofd. “We hebben geen kamers meer vrij.”
“Maar -”
“We hebben geen kamers meer vrij,” herhaalde de man, en deze keer ving Sophia een glimp van zijn gedachten op.
Komt van de straat zonder bagage en klinkt alsof ze uit de sloppenwijken komt. Dacht ze dat ik geen hoer herken als ik er een zie? Het zal er echter niet goed uit zien als ik haar met geweld naar buiten moet werken.
De gedachten van de anderen vertelden haar dat ze min of meer hetzelfde over haar dachten. Volgens hen kon ze niets anders zijn dan het afdankertje van een of andere rijke man.
Misschien was dat op een bepaalde manier ook wel wat ze was.
“Dan zal ik een andere plek moeten vinden,” zei Sophia, die probeerde zich om te draaien met nog een beetje van haar waardigheid intact. Ze wist de deur te bereiken voor de tranen weer kwamen opzetten, en ze liep de straat weer op, hopend dat de vallende duisternis haar verdriet zou verbergen.
Elke stap deed nu pijn en elke beweging werd doorkliefd met een gevoel van zinloosheid en waardeloosheid. Ze had geen plek in het paleis kunnen vinden. Ze was niet verstandig genoeg geweest om met haar zusje mee te gaan. Ze kon niet eens een herberg vinden om de nacht door te brengen. Ze wist niet meer wat ze moest doen.
Sophia begon naar de rivier te lopen, richting de armere wijken van de stad. Ze wist niet waarom ze dat deed. Misschien om een goedkopere herberg te vinden waar het niemand kon schelen wat ze was, gewoon om te blijven lopen, of om zichzelf door de koude rivier te laten omhelzen. Op dat moment leken alle drie de opties even waarschijnlijk en Sophia wist niet eens of ze wel iets om het verschil gaf.
Ze liep door smaller wordende straten waar de huizen dichter op elkaar stonden, en de gebouwen niet zo goed onderhouden waren. Ze liep langs figuren in deuropeningen zonder naar hen te kijken, negeerde het vunzige aanbod dat een van de mannen haar toeschreeuwde.
Ze was zo gekwetst dat ze verdoofd raakte. De stad veranderde in achtergrondgeluid voor het verpletterende gewicht rond haar hart. Sophia slenterde verder en negeerde de nachtbrakers die ontwaakten en de straten op kwamen.
Dat verdoofde gevoel was misschien de reden dat ze de voetstappen achter zich eerst niet hoorde. Het was zeker de reden dat ze haar gave niet gebruikte om de gedachten van de mensen om zich heen op te pikken. Ze had op dat moment wel genoeg aan haar eigen gedachten, zonder die van de mannen die zich afvroegen of ze haar konden kopen, of de misdadigers die zin hadden om te vechten.
Pas veel te laat besefte ze wat er gaande was: iemand volgde haar.
HOOFDSTUK VIJFENTWINTIG
Kate reed weg van het enige geluk dat ze ooit had gevonden en dwong zichzelf om niet te huilen. Ze reed sneller dan ze de hele dag had gedaan. Ze negeerde het feit dat het al donker begon te worden en liet haar paard gewoon rennen.
Ze moest wel, want ze was nu vogelvrij. Ze had iemand vermoord. Ze had dit paard gestolen. Iedereen die haar opjoeg zou nu proberen haar keel door te snijden of haar naar een galg te sleuren, in plaats van haar terug te brengen naar het Huis van de Niet-Opgeëisten.
Toen Kate was vertrokken, had ze het geschreeuw van haar achtervolgers nog gehoord. Dat was inmiddels vervaagd, en Kate kon alleen maar hopen dat dat niet was omdat ze hun woede op Will en zijn familie afreageerden. Ze hoopte dat ze het door te vertrekken kon doen lijken alsof ze hen verraden had, net als de rest, en dat de problemen haar zouden volgen in plaats van hen.
Ze reed tot het te donker werd om verder te gaan en de weg nauwelijks nog zichtbaar was in het maanlicht. Zelfs haar paard leek geen zin te hebben om verder te lopen en trok naar de zijkant van de weg terwijl het vertraagde. Kate begreep het en liep vijftig stappen van de weg af voor ze haar paard vastbond aan de takken van een lage struik en het zadel van haar rug haalde.
Ze sliep op de harde grond in de kou, want ze kon geen vuur riskeren. Ze had het zwaard dat Thomas haar had gegeven naast zich op de grond gelegd, voor het geval iemand haar zou vinden. Ze wist niet wat ze zou doen als dat gebeurde. Zou ze diegene vermoorden, zoals ze de jongen had vermoord die had getracht haar terug te brengen? Zou ze in staat zijn om diegene weg te jagen?
Kate sliep onrustig, niet in staat om haar ogen lang gesloten te houden. Angst vermengde zich met haar nachtmerries, tot ze ze nauwelijks meer uit elkaar kon houden. Vluchtte ze voor de schaduwen in een huis dat in brand stond, of kwamen er mensen die achter haar aan zaten? Kate schrok verschillende malen wakker. Ze schoot hijgend overeind, om zich vervolgens te realiseren dat haar aanvallers slechts fragmenten uit haar dromen waren.
Pas toen de zon opkwam, zag ze dat haar paard zich had losgerukt van de struik waaraan ze haar had vastgebonden. De merrie was verdwenen, haar sporen leidden de verte in. Kate liep in een wijde cirkel in een poging het dier te vinden, maar ze was verdwenen. Misschien was ze weggelopen om vrij te leven. Misschien was ze teruggegaan naar haar eigenaar.
Hoe dan ook, het betekende dat ze moest lopen. Kate pakte de zadeltassen, haar zwaard en de paar andere bezittingen die ze had, en ging te voet verder. Ze wist niet of er nu premiejagers achter haar aan zouden komen, maar ze volgde een andere weg dan de hoefafdrukken. Ze bleef zo veel mogelijk op de harde grond, waar ze geen voetafdrukken zou achterlaten, puur om iedereen die haar opjoeg op het verkeerde spoor te zetten. Pas toen ze ver genoeg verwijderd was van de plek waar ze de nacht had doorgebracht, ging Kate weer terug in de richting van het bos.
Ze bleef van de weg terwijl ze liep, tussen de velden en smalle paadjes die parallel aan de echte wegen liepen. Dat betekende dat er minder kans was dat ze gezien werd door iemand die zou kunnen weten wat ze had gedaan, maar het betekende ook dat de zon al hoog stond voordat Kate het bladerdak dichter zag worden. Inmiddels was ze moe en hongerig; ze had alleen haar dorst kunnen stillen door wat regenwater uit een groef in een steen te drinken.
Kate was blij dat het haar zus beter afging dan haar. Misschien waren ze als twee kanten van een weegschaal, zodat wanneer het bergafwaarts ging voor Kate, Sophia’s leven beter werd. Even dacht Kate aan wat er zou gebeuren als ze naar het paleis zou gaan en Sophia om hulp zou vragen. Als ze zo dicht bij een prins stond, kon ze misschien een pardon voor Kate regelen.
Kate lachte bij de gedachte en vervolgde haar weg tussen de bomen door. Als ze naar het paleis ging, zouden ze haar in het beste geval wegsturen en in het ergste geval ophangen. Ze kon nu maar één kant op, en dat was in deze richting.
Kate liep tussen de bomen door, zoekend naar de stenen trap die naar de fontein leidde. Kate had elke andere mogelijkheid al overwogen, maar in werkelijkheid waren er geen andere mogelijkheden meer. Die had ze verpest op het moment dat ze haar mes tussen Zacharia’s ribben had geduwd. Misschien was dit al de bedoeling geweest vanaf het moment dat zij en Sophia het weeshuis waren ontvlucht, en had het lot zich haar toegeëigend zoals elk ander leercontract dat gedaan zou hebben.
Kate wilde dat eigenlijk niet geloven en toch liep ze nog steeds naar de plek waar de fontein op haar wachtte. En Siobhan.
Tenminste, dat hoopte ze. Hier in het bos was het lastig om te weten welke kant ze op ging. De bomen groeiden steeds dichter op elkaar en duwden Kate met elke stap verder bij het pad vandaan. Dit was dezelfde weg als ze de eerste keer had genomen, en nu zoog de modder aan haar laarzen en bekrasten de takken haar, bijna alsof ze deze plek wilden bewaken.
Kate voelde een flits van vermaak, afkomstig van een eindje verderop. Ze rechtte haar rug en luisterde. Er kwam geen geluid, maar dat gevoel was onmiskenbaar. De heks. Ze was hier. Ze keek naar haar. Ze genoot van haar lijden.
Ze was in de buurt.
Het begon te regenen, en de druppels vielen door het bladerdak en deden Kate’s kleren tegen haar huid plakken.
“Ik weet wat je aan het doen bent,” riep Kate uit. “Laat me erdoor, verdomme!”
Er kwam geen antwoord.
Toch leek het wat gemakkelijker te gaan.
Kate werd nog altijd door doorns geprikt, maar ze hielden haar niet langer tegen. De modder zoog nog aan haar laarzen, maar ze bleef niet meer vastzitten. De bomen versperden haar niet langer de weg, maar leken een soort tunnel voor haar te creëren.
Eindelijk vond ze een smal pad dat er bekend uitzag. Ze was hier gisteren geweest, ze wist het zeker. Ze kon het afbrokkelende gesteente van de eerste treden zien.
Ze keek op en zette zich schrap.
En toen, trede voor trede, begon ze te klimmen.
HOOFDSTUK ZESENTWINTIG
Sophia wierp een blik over haar schouder, in een poging te zien door wie ze achtervolgd werd. Maar ze zag niets.
Ze werd overspoeld door een angst die haar dwong om verder te lopen. Ze ging een zijstraat in en de voetstappen bleven het ritme van de hare volgen. Ze gingen sneller als zij sneller liep, en langzamer als zij vertraagde om rond te kijken. Er waren te veel gedachten in de stad om zeker te weten wie haar volgde, of waarom. Maar ze wist zeker dat er minstens drie sets van gedachten achter haar aan liepen.
Ze ging weer sneller te lopen en de voetstappen versnelden ook.
Ze begon te rennen. Ze koos willekeurige richtingen en haastte zich door de schemering zonder na te denken over welke kant ze op ging. Ze trok zich terug op een binnenplaats, dook door een halfopen deur en probeerde op adem te komen zodat haar gehijg haar niet zou verraden.
Voorzichtig, zo langzaam dat het nauwelijks merkbaar was, sloot Sophia de deur. Ze wilde geen spoor van haar aanwezigheid achterlaten.
Ze stond daar in de schaduw, hopend dat wie er ook achter haar aan zat voorbij zou lopen, en haar alleen zou laten. Dat was hoe roofdieren in deze stad te werk gingen. Ze joegen alleen op gemakkelijke prooien en lieten de rest met rust. Als ze zich stilhield en uit het zicht bleef, zouden ze voorbij lopen en elders op zoek gaan naar een ander doelwit.
Toen ving ze een glimp van hun gedachten op en besefte ze dat dat niet zou werken. Ze liep weg bij de deur om een wapen te zoeken maar er was niets te vinden, en Sophia was sowieso niet zoals haar zusje. Ze kon zich niet verdedigen. Ze kon praten, overtuigen of vluchten, maar ze kon niet vechten.
Sophia zocht naar een uitweg. Ze zag een stapel kisten aan de andere kant van de binnenplaats en begon te klimmen. Ze reikten niet helemaal tot aan de schuin aflopende dakpannen, maar ze kwamen in de buurt. Ze had al eerder over de daken geklommen; ze kon het nog een keer doen. Ze voelde het ruwe hout van de kisten onder haar handen terwijl ze zichzelf omhoogtrok en probeerde een route naar het dak te vinden. Toen ze de deur naar de binnenplaats open hoorde gaan, probeerde Sophia sneller te klimmen.
Ze voelde de kisten onder zich wegglijden, en toen viel ze.
Ze voelde de klap van de straatstenen toen ze de grond raakte, maar Sophia kon niet eens schreeuwen van de pijn omdat de klap alle lucht uit haar longen had geperst.
Ze voelde handen op zich, en Sophia verzette zich en probeerde los te breken. Het maakte geen verschil. Er werd een stuk stof over Sophia’s gezicht heen gegooid, dat het laatste licht wegnam en het lastig maakte om te ademen. Toen er handen bij kwamen, kon Sophia helemáál niet meer ademhalen. Ze bleef zich verzetten, maar ze voelde haar kracht wegebben, en de duisternis die haar besloop had niets te maken met de stof die ze over haar hoofd hadden getrokken.
Ze hoorde een stem die heel ver weg klonk.
“Dacht je nu echt dat je aan de Gemaskerde Godin kon ontsnappen?”
HOOFDSTUK ZEVENENTWINTIG
Kate klom en klom, en deze keer leek er geen einde aan de trap te komen. Ze had het gevoel dat ze werd gestraft, dat ze op de proef werd gesteld. Misschien werd ze alleen herinnerd aan het feit dat ze anders was dan Siobhan, minder.
Desondanks bleef ze klimmen.
Tegen de tijd dat ze boven kwam, stond ze op instorten. Ze liep naar de fontein en betrapte zichzelf erop dat ze wenste dat hij vol was, zodat ze het koele water kon drinken.
Siobhan stond naast de fontein, schijnbaar elegant en onaangeraakt door de regen. Ze glimlachte. Er zat iets wreeds in die glimlach.
Ze stond daar en staarde Kate zwijgend aan. Haar ogen leken dwars door Kate heen te branden.
Ze wachtte duidelijk tot Kate iets zou zeggen.
“Ik… ik kan nergens anders heen,” zei Kate uiteindelijk. Ze boog haar hoofd, gevuld met schaamte.
Siobhan zei echter niets. Het was duidelijk dat ze meer wilde horen.
Kate haalde diep adem.
“Ik heb iemand vermoord,” voegde ze toe. “Hij wilde me terugbrengen naar het weeshuis, en ik heb hem vermoord.”
Ze zag de vrouw begrijpend knikken.
“Lessen die geschreven staan in bloed zijn altijd de moeilijkste,” zei ze uiteindelijk. “Maar je leert er wel het meest van.”
Siobhan stak een hand uit.
De aanraking van haar huid was zo zacht als mos, of als zijde.
“Je hebt geleerd wat ze je daarbuiten kunnen aandoen. Je hebt geleerd waarom je sterk moet zijn.”
Kate knikte. Ze moest inderdaad sterk zijn. Ze moest sterk zijn zodat niemand haar ooit nog kwaad kon doen. Zodat degenen die haar opjoegen haar niet konden raken. Zodat ze haar zus kon beschermen. Zodat ze wraak kon nemen op degenen die haar jeugd uit haar hadden geslagen.
Maar ze had meer nodig. Ze had een plek nodig waar ze veilig kon zijn.
Siobhan liep naar de andere kant van de fontein. Het beeld leek te flikkeren, en ineens keek Kate naar stromend water.
De fontein leefde weer.
Kate was onder de indruk van de macht van de vrouw. Maar ze vreesde het water, wetend wat de prijs was die ze moest betalen.
Siobhan doopte een kleine, zilveren lepel in het water en vulde die met een vaste hand.
Toen draaide ze zich om naar Kate en bood haar de lepel aan.
“Ben je er klaar voor, Kate?”
Met een trillende hand pakte Kate de lepel aan. Het voelde ongelofelijk zwaar in haar hand, eeuwenoud, alsof het ding zelf grote krachten bezat.
Ze keek neer in het glinsterende water dat het bevatte, en was verrast door hoe weinig het was. Minder dan een klein kommetje.
En toch genoeg om haar leven voorgoed te veranderen.
Genoeg om haar te veranderen in de sterkste krijger ooit.
En genoeg om de heks de rest van haar leven iets verschuldigd te zijn.
Het was niet een pact dat ze wilde sluiten. Maar dit was een harde, wrede wereld, en Kate besefte dat ze op niemand kon vertrouwen behalve op zichzelf.
Ze wilde die macht. Ze wilde die kracht.
Ze wilde dat weeshuis verwoesten.
En ze wilde de beste krijger worden die ooit had geleefd.
Dus met een trillende hand bracht ze de lepel naar haar lippen. Het metaal voelde koel, het water nog koeler.
Ze sloot haar ogen.
En ze dronk.

EEN HOF VOOR DIEVEN
(Een troon voor zusters - boek 2)
“Morgan Rice komt wederom met een briljante nieuwe serie. We worden meegesleept in een fantasie over moed, eer, magie en geloof in je lotsbestemming. Morgan is er weer in geslaagd om sterke personages neer te zetten, die we op elke pagina willen toejuichen. Aanbevolen voor de collectie van liefhebbers van goed geschreven fantasy-verhalen.”
--Books and Movie Reviews, Roberto Mattos (Over De opkomst van de draken)
Bestseller Morgan Rice komt met een onvergetelijke nieuwe fantasy-serie.
In Een hof voor dieven (Een troon voor zusters - boek 2), wordt het leven van Sophia van 17, volledig op zijn kop gezet als ze wordt verbannen uit de romantische wereld van de aristocratie en wordt teruggeplaatst in het weeshuis. Deze keer lijken de nonnen haar te willen doden. Maar dat doet haar niet zoveel pijn als haar gebroken hart. Zal Sebastian beseffen dat hij een fout heeft gemaakt en voor haar terug komen?
Haar jongere zusje Kate van 15, begint met haar training bij de heks. Ze vindt zichzelf onder haar voortekens, leert het zwaard perfect te beheersen, verkrijgt meer kracht dat ze ooit voor mogelijk had gehouden en is vastbesloten om haar zus te redden. Ze wordt meegesleurd in een wereld van geweld, strijd en de magie waar ze naar verlangt; de magie die haar ondergang zou kunnen worden.
Er wordt een geheim over de verdwenen ouders van Sophia en Kate onthuld, en niet alles is wat het lijkt voor de zusjes. Hun bestemming zou weleens drastisch kunnen veranderen.
Een hof voor dieven (Een troon voor zusters - boek 2) is het tweede boek in een verbluffende nieuwe fantasy-serie vol liefde, liefdesverdriet, tragedie, actie, magie, tovenarij, lotsbestemming en bloedstollende actie. Een spannend boek met personages waar je van gaat houden en een wereld die je nooit meer zult vergeten.
Boek 3 van de serie – Een lied voor wezen - is binnenkort verkrijgbaar.
“Een fantasy vol actie, die zonder twijfel de fans van Morgan Rice’s voorgaande verhalen zal aanspreken, evenals liefhebbers van werken zoals The inheritance cycle van Christopher Paolini. Liefhebbers van Young Adult-fictie zullen dit nieuwste werk van Rice verslinden en smeken om meer.”
--The Wanderer, A Literary Journal (over De opkomst van de draken)

EEN HOF VOOR DIEVEN
(Een troon voor zusters - boek 2)
BOEKEN VAN MORGAN RICE
DE WEG VAN STAAL
ALLEEN DE WAARDIGE (boek 1)
EEN TROON VOOR ZUSTERS
EEN TROON VOOR ZUSTERS (boek 1)
EEN HOF VOOR DIEVEN (boek 2)
EEN LIED VOOR WEZEN (boek 3)
OVER KRONEN EN GLORIE
SLAAF, KRIJGER, KONINGIN (boek 1)
REBEL, GEVANGENE, PRINSES (boek 2)
RIDDER, ERFGENAAM, PRINS (boek 3)
OPSTANDELING, PION, KONING (boek 4)
SOLDAAT, BROEDER, TOVENAAR (boek 5)
HELD, VERRADER, DOCHTER (boek 6)
HEERSER, RIVAAL, BANNELING (boek 7)
OVERWINNAAR, VERLIEZER, ZOON (boek 8)
KONINGEN EN TOVENAARS
DE OPKOMST VAN DE DRAKEN (boek 1)
DE OPKOMST VAN DE HELDHAFTIGE (boek 2)
DE ZWAARTE VAN EER (boek 3)
EEN SMIDSVUUR VAN MOED (boek 4)
EEN RIJK VAN SCHADUWEN (boek 5)
NACHT VAN DE DAPPEREN (boek 6)
DE TOVENAARSRING
EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN (boek 1)
EEN MARS VAN KONINGEN (boek 2)
EEN LOT VAN DRAKEN (boek 3)
EEN SCHREEUW VAN EER (boek 4)
EEN GELOFTE VAN GLORIE (boek 5)
EEN AANVAL VAN MOED (boek 6)
EEN RITE VAN ZWAARDEN (boek 7)
EEN GIFT VAN WAPENS (boek 8)
EEN HEMEL VAN SPREUKEN (boek 9)
EEN ZEE VAN SCHILDEN (boek 10)
EEN BEWIND VAN STAAL (boek 11)
EEN LAND VAN VUUR (boek 12)
EEN HEERSCHAPPIJ VAN KONINGINNEN (boek 13)
EEN EED VAN BROEDERS (boek 14)
EEN DROOM VAN STERVELINGEN (boek 15)
EEN STEEKSPEL VAN RIDDERS (boek 16)
HET GESCHENK VAN DE STRIJD (boek 17)
DE SURVIVAL TRILOGIE
ARENA EEN: SLAVERUNNERS (boek 1)
ARENA TWEE (boek 2)
ARENA DRIE (boek 3)
VAMPIER, GEVALLEN
VOOR ZONSOPKOMST (boek 1)
DE VAMPIERVERSLAGEN
VERANDERD (boek 1)
GELIEFD (boek 2)
VERRADEN (boek 3)
VOORBESTEMD (boek 4)
VERLANGD (boek 5)
VERLOOFD (boek 6)
BELOOFD (boek 7)
GEVONDEN (boek 8)
HERREZEN (boek 9)
BEGEERD (boek 10)
VERDOEMD (boek 11)
GEOBSEDEERD (boek 12)
Morgan Rice
Morgan Rice is de bestverkopende (USA Today) auteur van de epische fantasy-serie De tovenaarsring (bestaande uit zeventien boeken), van de bestverkopende serie De vampierverslagen (bestaande uit twaalf boeken), van de bestverkopende serie De survival-trilogie, een post-apocalyptische actiethriller bestaande uit drie boeken, en van de epische fantasy-serie Koningen en tovenaars (zes boeken), van de nieuwe epische fantasy-serie Over kronen en glorie (bestaande uit acht boeken) en van de nieuwe epische fantasy-serie Een troon voor zusters.
Morgans boeken zijn verkrijgbaar in audio en gedrukte edities en de boeken zijn vertaald in meer dan 25 talen. Morgan zou het leuk vinden iets van je te horen, dus breng gerust een bezoekje aan www.morganricebooks.com om je in te schrijven voor de nieuwsbrief, een gratis boek of giveaways te ontvangen, de gratis app te downloaden, op de hoogte te blijven van het laatste nieuws, en via Facebook en Twitter in contact te blijven.
