Читать книгу: «Tusschen mal en dwaas»

Шрифт:

Clementine Helm, P. J. Andriessen

Tusschen mal en dwaas

Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066400637

Inhoudsopgave

EERSTE HOOFDSTUK.

TWEEDE HOOFDSTUK.

DERDE HOOFDSTUK.

VIERDE HOOFDSTUK.

VIJFDE HOOFDSTUK.

ZESDE HOOFDSTUK.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

NEGENDE HOOFDSTUK.

TIENDE HOOFDSTUK.

ELFDE HOOFDSTUK.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

DE WERKEN VAN P. J. ANDRIESSEN.

EERSTE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Hoe ik uit Brondaal vertrok.

't Rijtuig stond al een heele poos voor de deur. De oude Frits klapte met de zweep, als ware hij een postiljon zooals we ze met de zware reiscalèches wel eens door ons dorp zagen rijden, en de bruintjes stampten zoo ongeduldig op den grond, als wilden zij er de steenen uithalen. Nog eens lag ik weenend in de armen van vader en moeder, kuste al mijn broertjes en zusjes en reikte den knechts en meiden, die aan de deur stonden, de hand tot afscheid; toen wierp ik mij snikkend in een hoek van 't rijtuig, den zakdoek voor de oogen houdende, en boog mij toch terstond weer uit het portier om met dien door mijn tranen bevochtigden zakdoek mijnen dierbaren nog tallooze afscheidsgroeten toe te wuiven.

„Voort, beestjes!” riep Frits, en daar gingen we voort, het dorp door. Uit alle vensters, uit alle deuren klonken vriendelijke groeten en wenschen: want ik kende al de bewoners van die kleine boerenwoningen; ik had met allen meer of minder omgegaan gedurende de gelukkige kinderjaren, welke ik in mijn lief dorp had doorgebracht. En nu moest ik dat alles verlaten, wat mij tot hiertoe 't liefst geweest was: mijn ouderlijk huis en mijn dorp, dat voor mij 't schoonste in de heele wereld was! Was 't niet vreeselijk, lieve Lezeressen? Misschien lacht gij er om, dat ik daar zoo bedroefd om was. Ik hoop het niet. Ik zou u wel eens hebben willen zien, als gij in mijn geval waart geweest.

Naast mij in 't rijtuig zat een vriendelijke, beschaafde vrouw van middelbaren leeftijd, in wier welwillend gelaat, door grijze lokken omlijst, twee verstandige, donkere oogen stonden. Zij was het, die mij uit mijn geboortedorp was komen weghalen naar haar huis in Den Haag. Daarheen zou het jonge, onnoozele meisje met haar gaan, om onder haar hoede wat van de wereld en het leven te leeren kennen. Deze lieve dame was Tante Betsy. Ze was de zuster van mijn vader, sedert jaren weduwe, en bemind en vereerd door allen die haar kenden.

De goede tante drukte zacht mijn hand, die ik in de hare legde, en sprak mij zulke vriendelijke woorden van troost toe, dat ik een weinig tot mij zelf kwam. Ik voelde mij aan haar zijde niet zoo verlaten, als ik mij tot nu toe gevoeld had.

Nadat we eenige uren gereden hadden, waren we in Arnhem, vanwaar de spoortrein ons naar de residentie zou brengen. Hier moest ik van de laatste herinnering aan 't ouderlijk huis afscheid nemen: van den ouden trouwen Frits met de twee wakkere bruintjes, die ik zelf zoo dikwijls gemend had, als we naar 't land reden om hooi of graan binnen te brengen. Ik droeg Frits duizenden groeten op aan al mijn kennissen in Brondaal, nogmaals streelde ik de bruintjes en onthaalde hen op wittebrood met suiker, en keek toen met tranen in de oogen nog lang de stofwolk na, die achter het wegrollende rijtuig opsteeg.

Tante deed met mij een wandeling door de stad en haar schoone omgeving. Ze liet me 't mooie buitengoed van baron van Heeckeren, den Hartjesberg, zien, wandelde met mij langs den Rijn, waar we de schipbrug bezichtigden en toen naar 't station, waar we wat gebruikten en een heerlijk uitzicht genoten op de buitenplaats, die we zoo straks bekeken hadden, en op de wegen naar Velp en naar Apeldoorn. Hierdoor werden langzamerhand mijn gedachten afgeleid en bedaarde mijn droefheid over de scheiding van al wat mij lief en dierbaar was. En toen de bengel geluid was, en we rustig en wel in den spoortrein zaten, had ik mij met de verandering reeds verzoend. Tante was er dan ook wel de vrouw naar, om mijn opmerkzaamheid gaande te houden: van al wat wij voorbijreden wist zij mij wat mede te deelen; daarenboven droeg het telkens afwisselende reisgezelschap er veel toe bij, om mij afleiding te bezorgen.

Toch zou de reis van Arnhem naar Den Haag mij misschien wel wat lang gevallen zijn, had Tante niet, toen we te Zeist-Driebergen kwamen, haar reistasch opengemaakt, waaruit zij allerlei lekkere vruchten en koekjes haalde, die mama haar stilletjes had meegegeven en waaraan ik zoo geheel en al het lieve, zorgzame moederhart herkende, dat haar kind ook nog in de verte vreugde wilde bereiden. Ik was nog genoeg kind, om met deze heerlijke versnapering mijn verdriet te vergeten, en zoo had die goede moeder het doel bereikt, dat zij daarmee gehad had.

Eindelijk, ja, eindelijk, riep de conducteur: „Den Haag!” en ik was heel blij, dat we aan de plaats onzer bestemming waren. Door het groote, prachtige station heen, ging tante naar een vigilante, die ons naar haar woning zou brengen. Wat was mij dat alles vreemd, die stad met haar groote huizen, haar breede straten, ruime pleinen met boomen beplant en met standbeelden versierd. 't Was of al die huizen, welke paleizen geleken bij de woningen op ons dorp, of die kerken en standbeelden trotsch op mij, het arme dorpskind, neerzagen, of ze vroegen: „Wat kom jij hier doen, dom gansje?”

De vigilante hield op voor een eenvoudig, net huis, gelukkig niet zoo groot als die andere, welke mij met hun aantal vensters en hun breede gevels de borst beklemden. 't Zag er van buiten vriendelijk en goed onderhouden uit: het inwendige beantwoordde daaraan volkomen. Achter 't huis lag een kleine tuin, door andere tuinen omgeven, en daarvan slechts met een houten schutting gescheiden, zoodat men, wanneer men daarin was, schier vergat dat men zich in de drukke residentie bevond. Hier zou ik dan wonen, hier in dit vreemde huis, in deze vreemde stad, waar ik niemand kende! O, hoe bonsde mij 't hart, toen ik achter Tante de deur intrad, welke een knap gekleede dienstmaagd had geopend. Schroomvallig bleef ik op den drempel van de keurig gemeubileerde kamer staan, en waagde het niet, mijn goed af te doen. Maar Tante Betsy kwam vriendelijk naar mij toe, trok mij vol liefde aan haar borst, en zeide:

„Welkom in mijn huis, kindlief! God geve, dat gij u hier naar uw zin en gelukkig moogt voelen, en mijn liefde u het ouderlijk huis vergoede!”

Hoe innig geroerd nestelde ik mij aan de borst van mijne lieve tante! O, hoe alleen, hoe eenzaam zou ik mij in deze groote, vreemde stad gevoeld hebben, zonder deze trouwe, moederlijke vriendin! Maar aan haar zijde, onder haar bescherming kon ik gerust al het nieuwe en vreemdsoortige te gemoet gaan, dat mij hier wachtte.

Tante liet mij haar geheele huis zien, dat voor een alleenwonende dame vrij groot en ruim was. Overal heerschte de keurigste netheid, en hoezeer ook 't geheel aantoonde, dat de bewoonster geen geld behoefde te ontzien, vond men er toch geen buitensporige weelde of geen overlading. Alles ademde denzelfden eenvoud en dezelfde degelijkheid als de bewoonster bezat. In Tante Betsy was iets, wat telkens weer een geheime bewondering in mij opwekte, en toch was er niets bijzonders in het doen en laten dezer stille, hoogst beschaafde vrouw; integendeel, alles scheen zoo eenvoudig, zoo natuurlijk, dat men zich verbeeldde, niet anders te kunnen zijn dan zij, niet anders te kunnen handelen en spreken. Dat was dan ook wel in haar het voortreffelijke, dat er nergens een gebrek in haar te bespeuren was, dat alles juist zoo was als het zijn moest en men er geen verandering in zou gewenscht hebben. Toen echter kon ik er mij nog geen rekenschap van geven, waarin dat bestond; thans weet ik het: het was de goede opvoeding, welke zij genoten had en die uit al haar handelingen zoo duidelijk sprak.

Eerst aan de zijde van deze uitmuntende vrouw gevoelde ik meer en meer wat er aan de opvoeding van mij, onnoozel dorpskind, nog ontbrak. Bij ons thuis, in onze eenvoudige omgeving en midden onder mijn talrijke kleinere broertjes en zusjes, was deze gedachte nooit in mij opgekomen. Maar mijn lieve Mama, die door haar groot huishouden en doordien ze nog al eens sukkelde, zich weinig met mijn opvoeding had kunnen bezighouden, die haar eigene jeugd slechts op het dorp had doorgebracht, ver van de fijnere beschaving der stad, had reeds sedert lang gewenscht, dat haar oudste dochtertje in een andere omgeving eens mocht leeren wat haars vaders huis haar niet kon schenken. Wel had die lieve moeder mij zorgvuldig en trouw in die stille, huiselijke deugden opgebracht, waardoor zij het geluk van haar gezin uitmaakte, en daarvoor kan ik haar, zoolang ik leef, nooit dankbaar genoeg zijn. Haar lessen legden den grondslag voor al datgene, wat mij in 't latere leven te pas is gekomen en waardoor verstand en hart hun verdere ontwikkeling erlangden. Maar toch, er was meer voor een beschaafd meisje noodig; en dat ik die verdere ontwikkeling nergens beter zou kunnen vinden, dan aan de hand van Tante Betsy, daarvan was mijn lieve mama verzekerd, omdat zij zelf der voortreffelijke, fijnbeschaafde vrouw zulk een oprechte innige vereering toedroeg. Met dankbare blijdschap hadden dan ook mijn ouders haar aanbod aangenomen, om voor mijn verdere opvoeding zorg te dragen, en gaarne hadden zij mij daartoe voor eenigen tijd aan haar afgestaan. Spoedig ondervond ik, aan welke liefdevolle handen ik was toevertrouwd.

In den eersten tijd van 't verblijf bij Tante Betsy was ik zeer gedrukt en treurig; want naast haar gevoelde ik telkens, hoe houterig ik in al mijn bewegingen was en juist dat gevoel en daarbij de mij aangeboren blooheid verergerden mijn stijfheid nog meer. Als een houtenklaas stond ik naast haar en als zij tot mij sprak, dan kreeg ik een kleur tot achter de ooren en durfde geen antwoord geven, omdat ik mijzelf zoo onhandig en kinderachtig voorkwam. Doch de vriendelijkheid van Tante Betsy werkte allerweldadigst op mij; mijn blooheid smolt als sneeuw voor de zon en langzamerhand kreeg ik mijn kinderlijke vroolijkheid weer, ondanks alle fouten en bokken, die ik steeds opnieuw beging. Reeds den eersten dag zeide Tante mij, dat ze mij terstond zonder eenige erbarming opmerkzaam zou maken op alles wat zij anders wenschte, maar vermaande mij tevens, dat ik er niet ongeduldig onder moest worden, als ze misschien tusschenbeide wat veel knorde, omdat het van haar kant niet kwaad gemeend en alles tot mijn eigen bestwil was. Natuurlijk beloofde ik haar dat van harte, en ik moet zeggen, dat ik mij werkelijk heel goed hield, ofschoon 't mij in den beginne dikwijls moeilijk genoeg viel, om niet moedeloos te worden.

En nu, lieve Lezeressen, heb ik u zoowat bekendgemaakt met mijn persoontje en mijn omgeving. Welnu, thans wil ik u openhartig en zonder iets te verbergen verhalen, wat ik van mijn verblijf in 't huis mijner tante nog onthouden heb. Voor mij zijn en blijven het aangename en lieflijke herinneringen. En daar 't geslacht der „meisjes tusschen mal en dwaas” tot op heden nog niet uitgestorven is, ja steeds groeit en bloeit, zoo zal er onder u wel de een of andere zijn, die zich op den leeftijd van veertien, vijftien jaren even weinig op haar gemak gevoelt, als dat bij mij het geval was, en zullen haar deze bladzijden tot troost en opwekking verstrekken. En al zijt gij ook op den leeftijd, waarin ik mij bevond toen ik bij mijne goede Tante Betsy kwam, veel slimmer en meer ontwikkeld dan ik het was, dan zult gij toch gaarne mijn boek lezen en om domheden, die ik beging, lachen; misschien vindt gij er nog wel hier of daar iets in, dat ge op uzelf kunt toepassen, een kleinigheid, waaraan ook gij mank gaat en welke gij verbeteren kunt. Is dat het geval, dan hebt ge bij 't amusement van de lectuur het nut op den koop toe. En nu, terstond begonnen met mijn verhaal.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Hoe ik den eersten morgen in 't huis mijner Tante doorbracht.

„Je slaapt op mijn kamer, Margot,” zeide Tante Betsy, toen ze me haar woning liet zien, en dit zeggende deed ze de deur van een allerliefst en net gemeubileerd vertrek open. Met angstige blikken keek ik naar het sierlijke ledikant, onder welks sneeuwwitte gordijnen ik nu voortaan zou droomen. Mijn eenvoudig bed te huis was zoo mooi niet en toch, hoe heerlijk had ik daarin geslapen! Tantes ledikant was ook met witte gordijnen behangen, die van voren door den snavel van een arend werden vastgehouden. Dat beest keek mij zoo boos aan, als was het nijdig over de nieuwe slaapkameraad; 't joeg mij een gevoel van angst aan. Gelukkig echter scheen het mij toe, alsof het van dag tot dag vriendelijker op mij neerzag; misschien merkte het wel, dat ik, arm kind, mijn best deed, om het iedereen zooveel mogelijk naar den zin te maken.

Naast mijn ledikant stond een waschtafeltje, waarop alle mogelijke toiletbenoodigdheden zich bevonden. Een mollig tapijt lag op den grond; groene staatsiegordijnen harmoniëerden met het groene behangsel op den muur en gaven aan de kamer een allervriendelijkst voorkomen. Wat ik het prettigst vond, was, dat mijn ledikant vlak bij 't venster stond, dat op de tuinen uitzag. Als ik dus wakker werd, zou ik terstond den blauwen hemel en de groene boomen zien; dat was net zooals bij ons thuis in de groote benedenkamer, waarin wij kinderen sliepen.

Met welk een onbeschrijfelijk zwaar gemoed drukte ik den eersten avond mijn hoofd in de mollige kussens. Ach! het was de eerste nacht, dien ik buiten het ouderlijk huis doorbracht, de eerste scheiding van al wat mij lief was op mijn dorp! Tranen en nog eens tranen vielen op de donzen kussens en een onuitsprekelijk verlangen naar huis beklemde mij de borst. Eindelijk vouwde ik de handen en zocht troost en rust bij Hem, die toch ook hier over mij waakte en Wiens hand ook hier mij liefderijk en vaderlijk zou leiden, gelijk Hij tot nu toe gedaan had. Dat deed mij goed; mijn arm hart kwam al biddende tot rust; eindelijk vielen mijn moegeschreide oogen toe, en ik viel in slaap om in den droom weer daarheen te ijlen, waar mijn hart en mijn gedachten waren; naar het geliefde ouderlijke huis.

Hoe raar keek ik op, toen ik den volgenden morgen, in den geest nog onder mijn levenmakende broertjes en zusjes, hier in de stille groene kamer wakker werd. Met een lichten zucht herinnerde ik mij nu alles en keek nieuwsgierig naar het andere ledikant, om te zien of Tante al wakker was. Zij knikte mij een vriendelijken morgengroet toe en vroeg mij hoe ik geslapen had.

„Heel goed, lieve tante,” antwoordde ik opgeruimd. „Ik heb den geheelen nacht van Brondaal en van al mijn broertjes en zusjes gedroomd. Ze zullen van daag wel een gat in den dag slapen, nu ik er niet ben om hen wakker te maken.”

„'t Is of jij ook nog niet uitgeslapen bent,” hernam Tante glimlachend, toen ik mijn mond luid geeuwend opendeed en, zonder er de hand voor te houden, haar aankeek. „Hè, kind! gaap je mond niet uit het lid!” riep zij uit terwijl ze de vingers voor de oogen hield. Beschaamd haalde ik mijn hoofd weer achter de gordijnen. Dat was de eerste ongemanierdheid waarmede ik den dag begon, en die maakte zulk een indruk op mij, dat ik van toen af mijn geeuwen buitengewoon beschaafde.

„Kom, Margot, sta nu op!” zeide tante. Dat behoefde ze mij geen tweemaal te zeggen; terstond stak ik, zooals ik 't al heel mijn leven gedaan had, beide beenen onder het dek vandaan en ging in het allerlichtste nachtkostuum op den grond zitten, om daar mijn kousen aan te trekken.

Een hartelijk gelach van Tante deed mij tot achter de ooren blozen. „O,” riep zij vroolijk uit, „hoe oud is toch dat meisje, dat daar zoo ongegeneerd op den grond zit?”

Als een vogel vloog ik bij deze woorden achter de bedgordijnen, en nu begreep ik eerst, waartoe die moesten dienen; want tot zoolang ik mijn al te natuurlijk bedkostuum met andere kleederen verwisseld had, bleef ik er achter verscholen. Beschaamd kwam ik toen te voorschijn en snelde naar het ledikant van Tante, om haar mijn morgengroet te brengen.

Zij beantwoordde dien groet vriendelijk; doch toen ik haar mijn lippen tot een kus aanbood, duwde zij mij zacht terug en zeide:

„Lieve Margot! Eer men iemand kust, behoort men zich te wasschen en den mond te spoelen.”

Dat was nu al de derde domheid die ik beging, en ik was nog ternauwernood uit de veeren! Tot welk een aantal zouden Tantes vermaningen wel zijn aangegroeid, eer ik mij weer achter die witte bedgordijnen zou nedervlijen!

Bedremmeld ging ik nu naar de waschtafel, om aan mijn morgentoilet te beginnen, waaraan ik tot hiertoe tehuis weinig tijd besteed had. Een beetje water, juist genoeg om de handen nat te maken, was mij voldoende om mij te wasschen, en zonder mijn japon uit te doen, ging ik een paar maal met den natten handdoek over mijn gezicht en mijn hals; even gauw ging het met de handen en klaar was ik.

Tante was nu opgestaan en kwam bij mij aan de waschtafel.

„Is 't water bij u op 't land zoo duur, dat je er zoo zuinig op bent?” vroeg zij mij, terwijl ze op de weinige druppels wees, die in de lampetkom waren.

„Ik heb niet meer noodig, lieve Tante,” antwoordde ik verwonderd.

„En toch zou ik graag zien, dat je wat meer zorg besteeddet aan deze bezigheid; het is zoowel noodig voor de zindelijkheid als voor de gezondheid,” zeide zij vriendelijk. Ze begon nu zelve aan haar morgentoilet; terwijl ik verbaasd naar haar keek, hoe zij deed.

Eerst goot zij een stroom water in de lampetkom, maakte hals en armen bloot en wiesch zich nu herhaalde malen met een groote, fijne spons, die zij achter in den hals uitdrukte. Toen wiesch zij armen en handen met schuimende zeep en riep opgeruimd uit: „Water en zeep kunt gij niet te veel gebruiken! Naar 't verbruik van zeep beoordeelt men de beschaving der Staten; hoe meer zeep die behoeven, hoe beschaafder zij zijn.” Daarop gaf ze mij een even fijne spons en noodigde mij uit haar voorbeeld te volgen. Ik verrichtte het mij ongewone werk, doch deed het zoo onhandig, dat weldra de geheele waschtafel nat was. Tot overmaat van ramp stiet ik de lampetkan om, en nu dreef letterlijk alles om mij heen: de sierlijke waschtafel, de grond, mijn bedgordijnen en zelfs de kleeren, die van mijn stoel gevallen waren.

„Hemel! Wij verdrinken! Dat noem ik eerst water gebruiken!” riep Tante lachend uit; terwijl zij den nog drogen omtrek voor het water trachtte te beveiligen. „Je bent met reuzenschreden vooruitgegaan, Margootje, en dat noem ik eene theorie in praktijk brengen.”

„Ach, Tante! Dat komt ook door die dikke spons!” riep ik bijna schreiend uit en keek bedremmeld naar den zondvloed om mij heen.

„Alles is een wetenschap, kindlief,” zeide Tante troostend en vriendelijk. „Zorg nu maar, dat je gauw weer droog wordt; anders haal je je nog op den koop toe een verkoudheid op den hals.”

„Ik wou dat ik al gekleed en gereed was!” dacht ik zuchtend, terwijl ik een glas water inschonk, om den mond te reinigen. „Wie weet, welke bokken ik nu weer schiet!” Maar 't ging beter dan ik gedacht had. De tandborstel was keurig fijn, de tandpoeder rook heerlijk, en dat hielp mij voortreffelijk.

„Ik hoop toch, dat je ook na het middageten steeds den mond spoelt en de tanden poetst,” zeide Tante, toen ik gereed was.

„Na het middageten, Tante? Dat heb ik nog nooit gedaan.”

„Doe het dan voortaan; het is uitmuntend voor 't behoud der tanden.”

„Jawel, Tantelief.”

Ach! hoe dikwijls heb ik in dien tijd: „Jawel, Tantelief!” gezegd. Als ik voor elken keer een rijksdaalder had gekregen, dan zou ik als een millionair naar huis zijn teruggekeerd.

„Ik zie gaarne, dat jonge meisjes 's morgens terstond het haar opmaken,” zeide Tante, toen zij zag, dat ik mijn bruine lokken maar zoo wat wilde gladkammen.

„Jawel, Tantelief,” antwoordde ik onderworpen, en rukte mijne vlechten zoo onhandig los, dat de haarspelden over den grond vlogen.

„Ik zal je intusschen de krant voorlezen, Margot. Neem er den tijd toe, opdat je er fatsoenlijk uitziet; daar ben ik op gesteld,” zeide Tante, terwijl zij in een leuningstoel ging zitten en mij uit de krant van alles wat voorlas, waarbij zij er echter voortdurend overheen keek, om te zien of ik alles wel goed deed. Nu eens was het: „Doe de haren uit den kam, eer gij dien weer gebruikt;” dan: „Leg het haar niet op de tafel, maar op een papier!” Dan weer: „Niet zoo stijf vlechten, maar gelijk. Maak kam en borstel schoon, eer je ze weglegt,” en al dergelijke vermaningen meer.

Eindelijk was het werk volbracht en greep ik naar mijn morgenjapon, om, zooals ik gewoon was, er mij gemakkelijk in te hullen.

„Neen, kind, een jong meisje kleedt zich dadelijk aan. Ik houd niet van slechte aanwensels,” zeide Tante, en ik legde het versmade kleedingstuk weer weg. „Dat is goed als je ziek bent, maar in gezonde dagen moet men zoo iets niet doen. Een jonge dame moet er altijd net en keurig uitzien. Slordige meisjes zijn afschuwelijk. Kom, ik zal je helpen.”

Dit zeggende nam zij mijne kleederen en hielp mij banden, haken en knoopen vastmaken.

„O, o, wat zie ik daar een tal van dingen, die mij niet bevallen,” klonk mij in 't oor en daar vloog een van mijn roksbanden, die ik gisteren in de haast aan elkander geknoopt had, door de kamer.

„Hoor eens, Margot! zoo iets moet bij mij nooit gebeuren,” zeide Tante streng. „En kijk eens, de haken van je jurk zitten altemaal zoo los, dat ze van boven tot onder een voor een te zien zijn. Dat kan zoo niet. Geef me terstond een andere jurk en naai dadelijk den roksband vast.”

Geheel en al uit het veld geslagen ging ik naar de kleerkast en deed wat mij bevolen was.

„En heeft uwe goede moeder zulke slordigheid toegelaten?” vroeg Tante, terwijl ik den band aannaaide.

„Ach neen, Tante! dat niet. Zij houdt veel te veel van orde,” antwoordde ik zacht, terwijl mij de tranen uit de oogen sprongen. „Ik ben anders zoo slordig niet; 't ging gisteren met het vertrek zoo gauw, dat ik geen tijd had om den boel in orde te brengen.”

„Ik wil je een goeden raad geven, opdat zoo iets niet meer gebeure, kindlief,” hernam Tante vriendelijk. „Zie elken avond, vóór je naar bed gaat, geregeld al je goed, dat je den volgenden dag wilt aantrekken, na, en breng het gebrekkige in orde. Daartoe is altijd gelegenheid en, moet je er wat slaap door missen, dat beteekent zooveel niet. Zulke kleine, goede aanwensels dragen vruchten: dat moet men steeds bedenken. Winkelhaken worden spoedig groote scheuren, evengoed in iemands kleed als in zijn ziel, en dan is elke herstelling tiendubbele arbeid.”

Ik kuste de goede Tante stil de hand, waarmede zij mij de wang streelde. Eensklaps zette zij een half grappig, half ernstig gezicht, keek naar mijn handen en zeide:

„Heb je den hofrouw aangenomen, lieve Margot?”

„Den hofrouw, Tante? wat meent gij daarmede? Is er iemand van de koninklijke familie gestorven?” vroeg ik verwonderd.

„Hoe! Kent ge die uitdrukking niet?” vroeg Tante lachend, terwijl ze allebei mijn handen voor mijn oogen hield. „Zie, die tien zwarte nagelranden noemen wij hier gewoonlijk den hofrouw. 't Is waarlijk, alsof er geen nagelschuiers in de wereld zijn. Kom, maak die nagels terstond schoon. Op je waschtafel vindt ge alles, wat je er voor noodig hebt.”

Ik deed, wat mij bevolen was; 't was voor de eerste maal in mijn leven: te huis had ik het nooit gedaan. Tante wees mij hoe ik het doen moest, en dat was goed, en nu begreep ik, waartoe al die nette dingetjes dienden, die op mijn waschtafel lagen. Nog nooit had ik zulke mooie witte nagels gehad en ik moet eerlijk bekennen, dat mijn handen er nu netjes uitzagen.

„Margot, pantoffels zijn van die zaken, die een jong meisje slechts op haar slaapkamer mag dragen,” hervatte Tante, terwijl ze een bedenkelijken blik op mijn voeten wierp. Ik deed spoedig mijn pantoffels uit en verruilde die voor mijn rijglaarsjes. Hierop verliet Tante de slaapkamer en ik volgde haar spoedig naar 't woonvertrek, waar het ontbijt ons wachtte. Toen ik binnentrad, kwam ze mij vriendelijk te gemoet, nam mijn hoofd tusschen haar beide handen en drukte een hartelijken kus op mijn lippen.

„Zie je, nu krijg je van harte, wat ik je straks weigerde,” sprak ze opgeruimd. „'t Is een walgelijk iets, door onreine lippen gekust te worden en dat vergeten heel veel menschen, niet alleen mijn nichtje.—Maar nu aan 't ontbijt, mijn kind,” ging zij voort en wees op de mooie, blankgepoetste koffiekan. „Vandaag is de koffie al gezet; maar van heden af aan draag ik u den post op om koffie en thee te zetten.”

Ik haastte mij om Tante een kop koffie te schenken en er melk en suiker bij te doen.

„Eerst suiker, dan melk, dat is een oude regel,” zeide zij. „Schenk het kopje niet te vol en mors er niet over.”

„Ach! neem 't mij niet kwalijk,” riep ik blozend uit en goot spoedig de overgestorte koffie weer uit het schoteltje in het kopje. Maar nu raakte ik van de wal in de sloot, zooals het spreekwoord zegt; want dat was nu eerst heel ongemanierd.

Eindelijk zette ik mij neder om te ontbijten en sopte, zooals ik thuis gewoon was te doen, mijn brood in mijn kopje.

„Margot! Margot!” zeide Tante. „Wat heb je nog onhebbelijke manieren! Eet nu 't gesopte brood maar op; doch doe het nooit als er anderen bij zijn.”

„Dat is jammer, 't smaakt zoo lekker, Tante!” zeide ik.

Het tweede kopje poogde ik echter, naar 't gegeven voorschrift, fatsoenlijk uit te drinken; doch daar de koffie zeer warm was, schonk ik die in 't schoteltje, opdat ze gauwer koud zou worden.

„Dat is alweer niet gemanierd, kindlief,” zeide Tante lachend, en verschrikt zette ik het schoteltje neer.

„Maar thuis dronken wij, kinderen, altijd uit het schoteltje, Tante,” zeide ik blozend.

„Dat wil ik graag gelooven,” antwoordde zij. „Kinderen mogen wel eens kinderachtig zijn. Maar gij zijt nu bij mij om te leeren hoe volwassen menschen doen moeten en om de kinderschoenen uit te trekken, en daarom plaag ik je zoo zonder eenige deernis, arm kind! We willen echter voor van daag de les voor geëindigd houden; doe nu verder zooals je 't goeddunkt; anders vergeet je 't een door het andere. Heden heb ik je met de regelen en plichten van den morgen bekendgemaakt, dat was les één. Als we zoo alle dagen een Hoofdstuk nemen, dan zullen we over een jaar wel klaar zijn.”

Op deze opgeruimde, prettige manier wist Tante Betsy mij, onbeschaafd meisje, wat te polijsten, 't geen inderdaad geen gemakkelijke taak was. Zij deed dit echter met zooveel zachtheid en met zulk een onuitputtelijk geduld, dat ik er onmogelijk boos over kon worden. Al deed ik ook nog zooveel verkeerds en kreeg ik nog zooveel terechtwijzingen: steeds was ik dankbaar aan haar, die mijn opvoeding met zooveel zelfverloochening en liefde op zich genomen had, en elken morgen begon ik met het vaste voornemen, om deze pogingen met ijver en oplettendheid te vergelden.

En 't was inderdaad voor mij geen gemakkelijke taak om op alles te letten en alles anders te doen dan ik het tot nu toe gedaan had. Toch was ik wel een weinig moedeloos wanneer ik bedacht, hoe alleen de morgen reeds zooveel reden tot vermaningen en berispingen had opgeleverd. Met welk een treurig hart dacht ik reeds op den eersten dag aan mijn lief ouderlijk huis!—Ach, daar was steeds alles goed geweest wat ik deed: daar was ik nog een kind, daar was alles mij geoorloofd, en hoe gelukkig en vroolijk gevoelde ik mij daar! Maar nu! Nu was ik geen kind meer, nu moest ik een volwassen meisje verbeelden en dat stelde mij allerlei nieuwe verplichtingen en nieuwe eischen. Dan kwam mij telkenmale weder het refrein van dat gevoelvolle lied voor den geest, dat ik zoo dikwijls gezongen had en nu zoo ten volle tot de taal van mijn eigen hart maakte:

„Hoe zalig, hoe zalig, een kind nog te zijn!”

DERDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Hoe mijn eerste visites afliepen.

Gij moet niet denken, lieve Lezeressen, dat mij al de dagen die ik bij Tante doorbracht, zoo levendig en in alle bijzonderheden voor den geest staan als die eerste morgen, waarvan ik u een beschrijving heb gegeven. Toch herinner ik mij, vooral uit den eersten tijd, nog vele op zichzelf staande voorvallen zoo duidelijk, alsof ze eerst gisteren gebeurd waren en van deze wil ik er u eenige verhalen.

„Krijg je hoed en mantel, Margot! we gaan eenige visites maken,” zeide Tante op zekeren dag, en ik haastte mij om aan haar bevel te voldoen en spoedig klaar te komen; want zij hield er niet van om op mij te wachten. Nu was ik echter aan zulk een deftig uitgaan niet gewoon; want te huis zette ik maar gauw mijn hoed op en sprong zoo de deur uit. Mantel, handschoenen, parasol en al dergelijke voorwerpen, die zoo noodig zijn voor een wandeling in de stad, waren mij genoegzaam onbekend. Vandaar dat ik geregeld steeds een van die dingen vergat, wat ik gewoonlijk eerst bemerkte, zoodra wij onderweg waren en natuurlijk was Tante daarover niet erg in haar humeur.

Het had geregend en daarom schortte ik mijn japon heel netjes op; want reeds dikwijls had tante mij doen opmerken, hoe leelijk het stond als netgekleede dames haar goede japonnen in de modder lieten hangen, of ze zoo ongemanierd opnamen, dat men alle verdiepingen der onderkleederen volgen kon, waarbij niet altijd alles even zindelijk was. Goed uitgerust met mantel en parapluie, volgde ik snel mijn geleidster die, als naar gewoonte, vlugger klaar was dan ik. Ik was nog op de stoep, toen ik bemerkte dat ik mijn handschoenen vergeten had en verschrikt ijlde ik het huis weer in, om die mij zoo ongewone dingen te krijgen. Gelukkig haalde ik Tante spoedig weer in, doch lette er in mijn haast niet op, hoe nat de straten waren en dat ik dunne rijglaarzen aan had, tot Tante eensklaps bleef stilstaan en naar mijn voeten wees.

„Zonder overschoenen in zulk weer, Margot!” riep zij knorrig uit. „Dat gaat niet, kind! Vooreerst krijg je natte voeten en ten tweede bederf je je goede laarzen. Ga gauw weer naar huis, doe je overschoenen aan en kom mij dan achterop; je vindt me bij mevrouw Bredius, naar wie ik 't eerst toega.” Haastig snelde ik naar onze woning terug en haalde de vergetene overschoenen uit de kast. Maar, o lieve hemel! Ze zaten nog vol modder van den vorigen keer, toen ik uit geweest was, en nu moest ik wachten, tot Doortje ze had schoongemaakt.

„Dat ik ook zoo dom geweest ben, om die dingen vuil weg te zetten!” bromde ik in mijzelven en stampte ongeduldig op den grond. „Haast je toch wat, Doortje! anders kan ik Tante niet meer inhalen en moet alleen bij mevrouw Bredius binnengaan.” Die gedachte joeg mij een hevigen angst aan; en toen de overschoenen klaar waren en ik ze had aangetrokken, rende ik Tante met zulk een spoed achterna, dat ik in duizend plassen trapte, alle menschen die mij ontmoetten tegen 't lijf liep of hun met mijn parapluie bijna de oogen uitstak.

„Lieve Hemel! Nu die heeft haast! Die moet er wezen!” hoorde ik achter mij roepen; maar onophoudelijk stormde ik voorwaarts om Tante nog in te halen, voor zij bij mevrouw Bredius was. Doch al mijn hollen hielp mij niet: Tante was er al vóór ik aankwam, en ik moest nu alleen de kamer binnengaan.

Met een kloppend hart volgde ik den huisknecht, die mij aandiende en ging toen bloode naar de dame des huizes toe, die mij vriendelijk welkom heette. Tante Betsy zat reeds naast haar op de canapé, doch stond bij mijn binnenkomst ook op, om mij aan mevrouw Bredius voor te stellen. Daar kwam een vreeselijk oogenblik: ik moest een nijging maken! Ach! dat was een steen des aanstoots, en ik moet mij houterig genoeg gedragen hebben; dat voelde ik duidelijk aan mijn knikkende knieën en den hoogen blos, die mij de wangen kleurde.

„Kom nader, lieve Margot,” zeide de dame hartelijk en wees mij een keurigen fauteuil om op te gaan zitten.

„Veroorloof Margot om eerst haar overschoenen en parapluie in 't voorhuis te brengen,” zeide Tante, juist toen ik mij angstig in den fauteuil zette.

Verschrikt rees ik weer van mijn zitplaats op en sloeg mijn oogen neder. Dit gaf mij de gelegenheid te bemerken, in welk een onbehoorlijken toestand ik door mijn haast de kamer was binnengetreden. Niet alleen dat ik vergeten had, mijn opgenomen japon te laten vallen om mijn rok te bedekken, die bij den geforceerden marsch tamelijk vuil was geworden, maar ik had ook mijn modderige overschoenen aangehouden, die leelijke sporen op het kostbare tapijt hadden achtergelaten. Ook omklemde ik nog krampachtig mijn parapluie, die braaf nat was en vreeselijk droop.

Met een verlegene verontschuldiging stormde ik 't vertrek uit en verbeterde in de entréekamer zoo goed ik kon mijn misslagen. Tevens keek ik eens in den daar hangenden spiegel en ontdekte nu hoe slordig ik er uitzag. Mijn haar was door den wind geheel verward en zat zoo los als 't maar kon; mijn hoed stond door de botsingen met de parapluies der voorbijgangers geheel scheef en had een groote deuk bekomen; de strik van mijn dasje was naar achteren geschoven en mijn kraagje was losgegaan en op het punt mij te begeven.

„Dat Tante nu ook juist met zulk weer visites moet maken!” zeide ik braaf knorrig en bracht mijn toilet weer eenigszins in orde. Terwijl ik daarmede nog bezig was, viel mijn blik op mijn handschoenen en dat bezorgde mij een nieuwen schrik. In de haast had ik een paar oude aangetrokken en dat bemerkte ik nu eerst. Wat zou Tante wel zeggen als zij dit zag! Want zien zou zij het; aan haar oog ontging niets. En wat zou mevrouw Bredius wel van mij denken! 't Ergst was, dat ik die afschuwelijke handschoenen moest aanhouden, want zonder handschoenen op visite te komen, dat ging bij ons in Gelderland best, maar niet in Den Haag. Angstig en aarzelend trad ik de kamer weder binnen; terwijl ik zooveel mogelijk mijn handen onder mijn mantel poogde te verbergen, 't geen mij natuurlijk een nog stijver en onbehaaglijker voorkomen gaf.

De goede mevrouw Bredius was vriendelijk genoeg om te doen of ze mijn binnenkomen niet bemerkte en zat druk met Tante te praten. Ik zette mij dus zoo stil mogelijk op een stoel en zat daar lang zonder een woord te spreken, terwijl ik heimelijk aan de vingertoppen van mijn ongelukkige handschoenen trok, die hier en daar losgebarsten waren, zoodat de vingers er door kwamen als rozenknopjes uit hun bladeren. Het hielp echter niets: ze werden er niet weer heel door.

Ik moest noodzakelijk mijn neus snuiten en wilde dus mijn zakdoek krijgen. Maar, o hemel! hoe ik ook in mijn zak tastte, ik kon den doek niet vinden. Zeker had ik hem op straat verloren of in de entréekamer laten liggen. Nu weet gij, lieve lezeressen, welk een toestand het is, als men zijn neus moet snuiten en zijn zakdoek vergeten heeft. En Tante bleef maar; 't was of zij aan geen heengaan dacht. Eindelijk stond mevrouw Bredius op om den huisknecht te schellen, en van dit oogenblik maakte ik gebruik om een paar stappen naar Tante te doen en haar met een smeekenden blik den fijnen zakdoek uit de hand te nemen. Toen mevrouw Bredius zich weer omkeerde, zat ik reeds weer, maar ik had duidelijk aan 't ontevreden hoofdschudden van Tante bemerkt, hoe zij over haar onbezonnen nichtje dacht.

„Frits, zeg aan de juffrouw dat er visite is,” zeide mevrouw Bredius tegen den knecht. Kort daarop ging de deur van de aangrenzende kamer open en eene knappe jonge dame in een elegant toilet trad binnen. Met een lichte nijging begroette zij Tante. Mij scheen ze over 't hoofd te zien, ofschoon ik in mijn geheele lengte naast haar stond, tot eindelijk hare mama mij aan haar voorstelde. Het stijve compliment dat ik bij mijn binnentreden gemaakt had, wilde ik nu door een beter goed maken en dus neeg ik voor juffrouw Amanda zoo diep als ik maar kon en was zeer tevreden over mijzelve. Juffrouw Amanda verwaardigde zich nauwelijks mij een genadig knikje toe te werpen, en ging toen zoo gemakkelijk zij maar kon op den door mij lediggelaten leuningstoel zitten. Deze scheen haar nog niet gemakkelijk genoeg te zijn; want zij trok een geborduurd voetbankje naar zich toe, ondersteunde met de eene hand het hoofd en hield in de andere een mooien waaier, waarmede zij zoowat speelde; terwijl zij mij met halfgesloten oogen lang zwijgend aankeek.

't Koude zweet stond mij op 't voorhoofd en ik zat onrustig op mijn stoel heen en weer te draaien, terwijl ik voelde dat ik tot achter de ooren rood werd.

„Je bent zeker uit het boerenland gekomen,” zeide de jonge dame eindelijk met een geaffecteerde stem.

Ik werd nog rooder bij deze eenvoudige vraag. Tot dusverre was ik nog altijd trotsch op mijn dorp geweest en mijn oog schitterde als ik er met iemand over spreken kon; thans echter was 't mij als moest ik mij schamen, dat ik uit het „boerenland” was; want de toon, waarop Amanda dat vroeg, was vrij verachtelijk.

Tante, die tot hiertoe met mevrouw Bredius gesproken had, verloste mij uit mijn pijnlijken toestand, daar zij voor mij antwoordde. Na eenigen tijd, gedurende welken ik weer zonder een woord te spreken daar gezeten had, wendde Amanda zich weer op een toon van nederbuigende trotschheid tot mij.

„Hoe oud ben je, kind?” vroeg zij.

„Zestien jaar, juffrouw,” antwoordde ik, terwijl de kleur mij weer, uit- en insloeg.

„Dus nog tusschen mal en dwaas!” zeide Amanda op kouden toon, en verkoelde zich met haar waaier, terwijl ze 't hoofd trotsch in den nek wierp.

Dat was inderdaad geen nieuws voor mij. Tusschen mal en dwaas was ik van top tot teen, dat zeiden Tante en alle menschen mij dagelijks en ik had het mij nog nooit aangetrokken. Doch uit den mond van Amanda kwam 't mij hatelijk voor, en 't scheelde niet veel of de tranen waren mij van kwaadheid uit de oogen gesprongen. Gelukkig stond Tante juist op en nam afscheid van moeder en dochter, waardoor ik uit mijn onaangenamen toestand verlost werd.

Goddank! Eindelijk waren wij weer op straat! Zonder een enkel woord te spreken en vol schaamte over mijzelve, wandelde ik naast Tante voort, en ook deze sprak in den beginne volstrekt niet. Eindelijk zeide zij:

„Nu, Margot! Ik moet zeggen dat je je van daag met roem overdekt hebt!”

„Ach, Tante! ik ben zoo bedroefd over al mijn domheden!” riep ik in lang bedwongen tranen losbarstende uit.

„Nu, kind! Huil maar zoo niet,” zeide Tante. „Wat zullen de menschen er wel van denken, dat zoo'n groote meid over straat loopt te huilen en snikken. Je hebt immers geen kwaad gedaan: slechts eenige misslagen tegen welvoeglijkheid en goede opvoeding, en dat zal wel beter worden.”

„O, ik ben een dom kind, lieve Tante!” riep ik nog harder snikkend uit. „Beknor mij maar geducht; ik heb het dubbel en dwars verdiend.”

„Je over zulke dingen beknorren, kindlief? neen dat nooit: want je weet het nog niet beter,” hervatte Tante Betsy vriendelijk. „Maar wat ik niet wil is, dat je mijn fijn batisten zakdoek nog langer zoo nat maakt met je tranen.”

Ondanks mijn droefheid moest ik toch weer lachen en weldra was ik weer bedaard.

„Ten aanzien van ons bezoek bij deze mijne vrienden,” ging zij voort, „zal ik je nog iets zeggen, wat je bij de andere dingen, welke tot een goede opvoeding behooren, wel in acht moogt nemen. Als je gaat zitten, 't zij op een stoel of op iets anders, dan moet je niet op den hoek of op den rand blijven hangen, maar terstond de geheele zitting innemen, anders stelt ge u links en bevreesd aan. Verder moet je wachten tot men u de hand toereikt; je kunt niet weten of men plan heeft u de hand te geven. Eindelijk moet je je nijgen inrichten naar den ouderdom en den stand der personen, voor wie je ze maakt. Mevrouw Bredius kreeg slechts een onbeduidend knikje van je; terwijl je voor Amanda een nijging maaktet, zoo diep als ware zij een prinses geweest.”

„Ze was ook zoo ongenaakbaar als een prinses,” zuchtte ik.

„Daar heb je zoo geheel en al geen ongelijk aan,” antwoordde Tante glimlachend. „En juist daarom acht ik er haar des te minder om; als jij het doen wilt, geef ik je er verlof toe. Maar nu gaan we naar huis. De verdere bezoeken zullen we later wel eens maken, wanneer het weer beter is en je een zakdoek in den zak hebt en.... je handschoenen er fatsoenlijk uitzien.”

Ja, dat had ik wel gedacht! Aan Tantes oogen was dat niet ontgaan, hoeveel moeite ik ook gedaan had om die lastige vingers te verbergen, die er zoo brutaal doorheen kwamen kijken. O, Tante Betsy! Ge zaagt dan ook alles!

Gelukkig liepen niet alle bezoeken, welke Tante met mij maakte, zoo treurig af als dit; desniettemin kreeg ik altijd de visitekoorts op 't lijf, als we op zulke expedities uitgingen. Mijn hart bonsde geweldig toen Tante mij eenigen tijd later mededeelde, dat we een bezoek bij mevrouw Donker, de vrouw van den dokter, zouden afleggen.

„'t Zou me niet verwonderen, of Marie Donker zal je wel bevallen,” zeide Tante onderweg; „ja 't kon wel zijn dat je er een vriendinnetje in vondt.” Ik zuchtte in stilte bij deze gedachte; want, hoezeer mijn hart ook naar den omgang met eene vriendin verlangde, de jonge meisjes in de residentie schenen mij van zoo'n heel ander allooi te zijn dan mijne vriendinnetjes op 't land, dat ik er aan twijfelde of ik er wel ooit eene zou vinden. Al de Haagsche jonge dames toch stonden voor mij, arm onbeschaafd dorpskind, op zulk een onbereikbare hoogte, dat ik telkens wel als een slak in mijn schulp had willen kruipen, wanneer ik aan zulk een dametje werd voorgesteld. Zoo trad ik, als een schuchter kieken, door Tantes beschermende vleugelen gedekt, met angstige schreden de kamer van Mevrouw Donker in. Ze was een zeer levendige, vriendelijke dame, de doktersvrouw, die ons hartelijk en met ongeveinsde gulheid begroette. Zij liep terstond naar de deur en riep: „Marie! kom eens beneden! er is een aangename visite!”

Kort daarop kwam een jong meisje met mooi blond haar en vriendelijke blauwe oogen, licht blozend en eenigszins schuchter, maar toch vrij en bevallig de kamer binnen. Tante Betsy gaf haar een hartelijken kus en bracht haar toen naar mij, opdat wij met elkaar in kennis mochten komen. Marie keek mij met hare schoone blauwe oogen vriendelijk aan, gaf mij de hand en zeide: „O, lieve Margot, uw Tante heeft mij reeds zooveel van u verteld, dat ik er recht blij over ben u te leeren kennen.” Dit zeggende nam zij mij mee naar de canapé, die aan 't venster stond, terwijl de beide oude dames op eenigen afstand van ons gezeten waren en sprak zoo hartelijk en vertrouwelijk, zoo prettig en eenvoudig met mij, dat mijn hart zich van vreugde en genot ontsloot. Dat was nu eerst een geheel ander meisje dan die trotsche Amanda Bredius, die zich ter nauwernood verwaardigd had mij een paar woorden toe te voegen en mij als een onnoozel schaap had behandeld; ook geheel anders dan de andere jonge juffrouwen, van welke ik er reeds eenige bij Tante had leeren kennen. Mijn blooheid verdween; weldra waren we met elkander aan 't praten en lachen, als hadden we elkaar reeds jarenlang gekend. Toen Tante eindelijk afscheid nam, gaf Marie mij een hartelijken kus en beloofde dat ze mij heel gauw eens zou komen bezoeken.

„Welnu, heb ik 't je niet gezegd, dat ge vriendinnen zoudt worden?” vroeg Tante, toen wij naar huis gingen. „Marie is een lief, hartelijk meisje en het zal mij verheugen, als gij elkander wederzijds bevalt.”

„O, 't is een allerliefst, engelachtig meisje!” riep ik met geestdrift uit, „en ik zal gelukkig zijn als ze mijne vriendin wil worden.”

„Dat zou mij ook zeer veel pleizier doen,” hernam Tante, „want bij al haar natuurlijkheid is Marie een zeer beschaafd, verstandig meisje, op wier opvoeding nauwkeurig gelet wordt: zoodat gij veel van haar kunt leeren.”

Deze nieuwe kennismaking vervulde mijn hart met onbeschrijfelijke vreugde. Hoe meer ik de beminnelijke Marie Donker leerde kennen, hoe inniger onze harten verbonden werden; wij sloten een vriendschap, die ons thans nog innig aan elkander verbindt.

Mijne vriendin was iets ouder dan ik en door haar goede opvoeding reeds den leeftijd „tusschen mal en dwaas” te boven, maar zij hield zich toch liever met jongere meisjes op dan met de geheel volwassenen. 't Was een allerliefste jonge blondine, slank van gestalte en gracieus in haar manieren, zoodat ik, hoogopgeschoten boonenstaak, met mijn lange armen en beenen, waarmee ik zoo zonderling manoeuvreerde, vreemd bij haar afstak; ze had een onvergelijkelijk goed, gevoelig hart, dat zoo ten volle uit haar lieve blauwe oogen sprak, dat men haar moest lief krijgen, men mocht het willen of niet.

Al spoedig noemden wij elkander bij onze doopnamen: dat sprak wel van zelf. Vervolgens schreven we een vurige ontboezeming van vriendschap in elkaars poëziealbum. Het duurde niet lang, of we hadden ieder een medaillon met elkanders haar en Tante bezegelde het verbond nog door een paar lieve gouden ringen met blauwe steenen, die zij ons cadeau gaf. Beiden lieten we ons portret maken en daarna hing mijn beeld weldra boven haar schrijftafel en het hare boven mijn toiletspiegel. Hadden wij elkander in eenige dagen niet gezien, dan werden er van weerszijden tal van kleine briefjes gewisseld, waarin geen eind was aan 't vertellen en 't vragen.

Van dien tijd af aan begon mijn leven in Den Haag veel prettiger te worden; want hoe gaarne ik ook met mijn goede Tante Betsy praatte en van hoe groot nut de omgang met deze brave vrouw voor mij was: haar leeftijd verschilde te veel van den mijnen, dan dat onze gevoelens en inzichten met elkander overeenkomen konden. Marie echter dacht en gevoelde bijna evenzoo als ik, behalve dat ze meer ondervinding had en beschaafder was, en mij daardoor met haar goeden raad ter zijde stond. Ik was nu genezen van de visitekoorts, en begeleidde Tante zonder schroom naar haar vrienden en bekenden; want ik wist, dat ik Marie bijna overal aantrof en zij mij in mijn verlegenheid zou bijstaan. Het eerste wat mijn oogen deden, als ik in een kring van vreemden kwam, was naar Marie te zoeken; was zij er niet, dan gevoelde ik mij vreeselijk verlaten en eenzaam.

Maar we besteedden onzen tijd niet alleen aan praten en schertsen; we brachten ook ernstiger uren met elkander door. Tante Betsy verlangde dat ik nog eenige lessen in de talen, muziek en teekenen zou nemen en tot mijn onuitsprekelijk genoegen nam Marie aan die lessen deel. En zoo zorgde de goede vrouw er voor, dat ik niet alleen wat uiterlijke beschaving aanleerde, maar ook innerlijk in alles wat tot een goede opvoeding behoort. Hoe zij echter ook poogde een ander mensch van mij te maken, Tante waakte er toch altijd voor dat mijn eenvoudige ongekunstelde aard niet vervormd en veranderd werd, en zoo zijn mij tot op heden alle gemaaktheid en verwaandheid even onuitstaanbaar gebleven als zij het toen waren. Op dat punt was Marie 't geheel met mij eens: daarenboven had ik in Tante Betsy steeds een sprekend beeld voor oogen, dat de echte beschaving in geheel wat anders bestaat.

Maar wat zeer gelukkig voor mij was: niet alleen Tante deed haar best om mij betere manieren te leeren, ook Marie deed het van haar kant. Zoo bijvoorbeeld kwam ze mij eens op straat tegen, en in mijn blijdschap dat ik haar zag, liep ik haar met uitgebreide armen te gemoet; terwijl ik haar luid jubelend om den hals viel en kuste. Ze kreeg een kleur tot over de ooren, maakte zich snel uit mijn omarming los en keek angstig rond.

„Wat scheelt je, Marie?” vroeg ik verschrikt. „Ben je boos op mij?”

„O neen, Margot, dat is 't geval niet,” antwoordde zij op fluisterenden toon en trok mij snel met zich. „Kom maar mee, dan zal ik je zeggen, wat het is.”

Nog eens keek zij angstig rond en thans eerst bemerkte ik, hoe een jonge kwast dicht bij ons stond, zijn lorgnet voor de oogen hield en ons met spottende blikken beschouwde. Ik schrikte er van en keek den spotter vlak in 't gezicht. Deze glimlachte vertrouwelijk tegen mij en wierp mij kushandjes toe, terwijl hij uitriep: „Allerliefst! Of men in de komedie is! Wat een snoepjes van meisjes!”

Zoo spoedig mogelijk trok Marie mij uit de nabijheid van dien onbeschaamden kwant weg en snelde met mij voort. In mijn angst wilde ik toch weten of we vervolgd werden, en keek haastig om, of ik den brutalen kerel nog zien kon. Marie's waarschuwing: „Maar om 's Hemels wil, Margot! kijk toch niet om!” kwam te laat: het was gebeurd en ik had moeten zien, hoe onze pijniger mij van uit de verte nog toeknikte en kushandjes toewierp, gelukkig zonder ons te volgen.

„Hoe kondt ge mij op de publieke straat toch zoo woest en zoo luid begroeten, Margot?” vroeg Marie op vriendelijk verwijtenden toon. „Doe dat nooit meer; je ziet welke gevolgen het heeft.”

„Maar we begroeten elkander toch altijd zoo, Marie!” riep ik uit. „Wat beweegt dien mallen kerel dan, ons zoo te beleedigen?”

„De jonge man meende dat hem dit geoorloofd was, omdat ge u zoo in 't oogvallend dwaas gedroegt, Margot. Op straat begroet men elkander niet zooals in huis. Kussen en omarmen is daar niet geoorloofd; dat moet je onthouden. 't Is nu nog gezegend afgeloopen; je hadt kans gehad dat we een troep kwajongens achter ons gekregen hadden.”

„Maar 't is dan toch verschrikkelijk, dat men elkander onder Gods vrijen hemel niet kan betuigen hoe men elkaar liefheeft,” zeide ik zuchtend en liet het hoofd hangen.

„Ja, wat het toonen van zijn gevoel aangaat, dat is nog een bijzonder hoofdstuk,” hernam Marie glimlachend. „Men moet slechts al te dikwerf zijn gevoel bedwingen en een kalm gezicht zetten, 't moge er daarbinnen zoo vroolijk of treurig uitzien als 't wil.”

„Dat is toch moeilijk,” antwoordde ik. „En ik geloof niet, dat ik het ooit zal leeren. Maar bewijs mij de vriendschap, lieve Marie, en zeg mij wat er al meer zoo op straat niet welvoeglijk is. 't Is hier in Den Haag alles zoo geheel anders; bij ons behoefde ik mij zoo niet te geneeren. Wanneer ik daar op 't veld rondliep, was alles goed wat ik deed, en geen mensch dacht er aan of het paste of niet.”

„Welnu, Margot, als je dan zoo graag wilt weten, wat alzoo op straat niet fatsoenlijk is, dan zal ik je 't een en ander opnoemen,” hervatte Marie, vriendelijk glimlachend: „Bijvoorbeeld: spreek nooit zoo luid op straat als je nu doet. En loop, als 't je belieft, niet iedereen zoo plomp tegen 't lijf aan; maar wijk een beetje voor de menschen uit.”

„Ja, ja, je hebt een rare stoethaspel van een vriendin, Marie!” zeide ik zuchtend, en maakte nu een halven cirkel voor ieder die mij ontmoette, om voor hem uit den weg te gaan. Dat was ook al niet goed: want de boog, dien ik om de menschen beschreef, viel weer in 't oog en alles wat in 't oog valt, was verboden kost; dat begreep ik nu. „Je zult wel heel boos op mij zijn; je moet je wel schamen om met mij te loopen, Marie,” zeide ik knorrig. „Ik wil dus niet langer met je gaan; 't is beter, dat ik alleen loop. Adieu! Tot wederziens.”

„Kom, Margot, wees toch zoo dwaas niet,” zeide Marie, terwijl ze mij vriendelijk terughield. „Ik zou al een heel mooie vriendin zijn, als ik je zwakheden niet droeg. Jij moet immers ook mijn gebreken dragen.”

„Och, jij hebt in 't geheel geen gebreken,” antwoordde ik nog altijd knorrig.

„Hoe! ik geen gebreken!” riep Marie lachend uit. „Nu, dan kan ik me wel in een spel op de kermis laten kijken! En daarin heb ik nooit veel lust gehad. Wil ik je dadelijk eens een gebrek van je voortreffelijke vriendin laten zien,” ging ze opgeruimd voort, terwijl ze een harer voeten oplichtte. „De welvoeglijkheid vordert, dat men te huis de veters van zijn laarzen goed vastbindt, zoodat ze onder 't wandelen niet losgaan en ons naslepen, waardoor men genoodzaakt is stil te staan en ze op de een of andere stoep weer vast te maken.”

Terwijl wij na de herstelling van deze kleine fout naar huis gingen, ontmoetten ons eenige zeer jonge, keuriggekleede meisjes, die, te oordeelen naar de mappen die zij droegen, uit school kwamen. Ze gingen allen gearmd en namen meer dan de geheele breedte van het trottoir in. Toen ze dicht bij ons waren, toonden ze weinig lust om de keten te verbreken en ons door te laten. Doch Marie ging zoo kalm op haar af, dat ze het toch beter vonden plaats te maken, waarbij zij allermalst ginnegapten en op elkander drongen.

„Zoo onfatsoenlijk als die nuchtere kalvertjes zich daar gedragen, heeft Margot van het boerendorp zich nooit aangesteld!” riep ik uit, vol verwondering dat dametjes uit de residentie zoo ongemanierd waren.

„Ja, dat is nu een van de fraaie schoolmeisjesmanieren,” antwoordde Marie. „De jonge dingen weten zeer goed, dat het niet fatsoenlijk is de geheele straat te beslaan, en toch laten zij het niet. Er gebeuren meer van die grappen, welke jonge meisjes zich in de schooljaren veroorloven; als ik je die mededeelde, zoudt ge er verbaasd over staan. Men heeft er wat mee te stellen als men zelve nog op school gaat en niet mee wil doen. Uitzonderingen zijn hier natuurlijk evenals overal. Dit echter wil ik je wel zeggen en dat zal je troosten, dat zulk een echt residentiedametje met haar verbeelding en haar ijdelheid tienmaal erger is dan jij, lief natuurkind, zelfs al omarmdet ge mij alle dagen op de publieke straat en al stond er een geheel legioen malle kwasten bij, om het tooneel aan te zien.”

We waren juist thuisgekomen, toen Marie dat zeide en ik viel haar bij die woorden om den hals. In haar kamertje toch had ik mij niet te ontzien. Lang zaten we hier nog met elkaar te praten, tot de avondschemering, die reeds begon te vallen, mij herinnerde dat het tijd was om naar huis te gaan. Toen moest ik weg: want zooveel wist ik reeds, dat het tot de lastige eigenaardigheden eener groote stad behoort, dat een meisje 's avonds niet alleen over straat mag gaan. Thuis werd het eerst recht prettig, als de avond aankwam. Hoe vroolijk en onschuldig wandelde of dartelde men dan het dorp door, zonder dat iemand ons 't minste molest aandeed, zooals hier bij klaarlichten dag gebeurde, alleen omdat men voor 't oog der wereld zijn gevoel toonde. He! dan was het in Brondaal toch anders.

VIERDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Aan tafel.

Ik heb u reeds verteld, hoe 't mij den eersten dag aan 't ontbijt was gegaan; natuurlijk waren er bij 't middagmaal ook verscheidene dingen, die ik niet behoorlijk deed: want thuis was de kleine bende luidruchtige kinderen oorzaak dat papa en mama op mij niet konden letten. 't Bewaren van de rust toch was bij ons de eerste en eenige eisch; al 't andere bleef genoegzaam geheel en al aan ons eigen goeddunken overgelaten.

De maaltijden bij Tante Betsy geleken in den regel vrijwel op elkander; toch heerschte er een opgeruimde en prettige geest: want Tante kruidde het maal met een aangenaam onderhoud, waarin haar vermaningen als groote uitroepteekens van tijd tot tijd de redeneering afbraken.

„Gebruik toch je servet, kindlief!” was eens een der geboden uit haar welvoeglijkheidsformulier. „Alleen daar waar geen servetten groeien, veegt men zich den mond met de handen af.”

Ik greep terstond naar het door mij zoo veronachtzaamde voorwerp.

„O, jij kleine lekkerbek!” heette het toen weer. „Je slurpt je soep met al de eigenschappen van een kenster, juist zooals een echte wijnproever het druivenvocht keurt. Je wilt zeker eens proeven, hoeveel pond rundvleesch er noodig is geweest, om zulk een krachtigen bouillon te trekken. En wat zit je daar op je gemak. Eten bij u thuis de ellebogen ook mee?”

„De poort is te klein voor zulk een hoog voer hooi,” werd er kort daarop lachend aangemerkt, toen ik zooveel eten te gelijk op mijn vork had genomen, dat ik het bijna niet in den mond kon krijgen. Toen ik nu met dien vollen mond wilde antwoorden, wenkte Tante mij dat ik zou zwijgen.

„Men spreekt nooit, als men den mond vol heeft,” zeide zij. „Dat is zeer onfatsoenlijk.”

Allerlei onhandigheden beging ik, waarover ik moest terechtgewezen worden. Nu eens kwamen mijn vingers in aanraking met hetgeen op mijn bord lag, dan gebruikte ik mijn mes in plaats van mijn vork, of legde de beenderen van het vleesch niet op den rand van mijn bord, maar op het tafellaken.

„Lieve Margot, denk toch dat die arme Philax nog graag een vezeltje vleesch aan de beenderen vindt,” was het dan weer als ik de kluifjes van hoenders of duiven bijna geheel opat en alle beenderen zoo schoon afkloof of uitkauwde, dat er niets meer aanbleef.

„Papa zegt altijd, dat in de beenderen de meeste kracht zit, Tante,” antwoordde ik. Toen echter op zekeren dag het vet van mijn vingers droop onder 't afkluiven van een hoenderboutje, zeide Tante glimlachend:

„Hoor eens, kindlief. Morgen zijn we, zooals gij weet, bij de Donkers ten eten gevraagd. Wees dan zoo wijs, geen jong hoen in de handen te nemen. Hier bij mij kan ik het door de vingers zien. Maar het gebruik eischt, dat men met mes en vork het vleesch van de beenderen doet; 't is nu eenmaal zoo en niet anders.”

„Heel goed, lieve Tante,” antwoordde ik verwonderd; want tot hiertoe had ik nog nooit gevogelte naar den mond gebracht dan met mijn vingers.

't Was voor de eerste maal, dat ik met Tante uit eten ging en mijn hart klopte als een hamer van angst dat ik weer bok op bok zou schieten. Tot mijn geluk kreeg ik Marie naast mij aan tafel en zoo was ik in geval van nood gedekt. Aan mijn andere zijde zat een dikke, vriendelijke heer, die er uitzag, als bestond zijn grootste genot in lekker eten en drinken. Dit was inderdaad het geval; doch het welbehagen, waarmede hij slurpte en smakte, de onsmakelijke manier, waarop hij evenveel langs zijn breede lippen als daartusschen bracht, en eindelijk het snuffelen, dat hij onder dien gewichtigen arbeid deed, bedierven mijn eetlust. Nu schoten mij Tantes woorden van gisteren te binnen: dat het alleronaangenaamst is aan tafel naast iemand te zitten die slechte gewoonten heeft. En al mochten nu die slechte gewoonten aan een ouden heer eer te vergeven zijn dan aan een jong meisje: ik begreep toch ten volle, hoezeer ikzelve op goede manieren te letten had, om geen ergernis te geven.

Na de soep werd er een gerecht rondgediend, dat ik nog nooit gegeten had: het was een zwartachtig moes en om de korreligheid hield ik het voor vla van moerbeziën of bramen, waarvan ik een groote liefhebster ben. Daar nu de oude heer naast mij braaf toetastte, nam ik er ook een goede portie van op mijn bord en begon die te verorberen.

Maar hoe verschrikte ik, toen ik in plaats van de heerlijke moerbeivla een zout, slijmerig goed op mijn tong kreeg. Ik was niet in staat er een tweede vork van te nemen en keek verwonderd naar mijn buurman, die dat zwarte korrelige goed op geroosterde sneedjes brood streek, er dan citroensap op liet druppelen en al wat hij op zijn bord had genomen spoedig naar binnen gewerkt had.

Juist wilde ik Marie vragen, wat voor goed dit eigenlijk was, toen zich de oude heer nog kauwend en genietend tot mij wendde.

„Delicieuse kaviaar!” zeide hij. „Ook een liefhebster van dat heerlijke Russische product, jonge dame?”

Dus was het kaviaar. De naam was mij wel bekend, maar ik had het goed nooit gezien; daar er nooit een korreltje van naar ons dorp verdwaald was.

„O, neen, mijnheer, ik.... ik was in gedachte, toen ik er van nam,” stotterde ik, terwijl ik een kleur kreeg, en mijn onwetendheid dwaas genoeg onder een leugen verborg.

„O, dat is niet mogelijk! Proef 't nog maar eens, 't is heerlijk, dat kan ik u verzekeren, en ik.... ik heb verstand van wat goed smaakt,” verzekerde de dikkert met nadruk, en hoezeer ik van de waarheid zijner bewering overtuigd was, waagde ik het toch niet, om aan zijn uitnoodiging gehoor te geven en had er vermaak in te zien, met welke verlangende blikken mijn buurman de door mij versmade lekkernij nakeek, waarvan de knecht mij eindelijk bevrijdde.

Eenige volgende gerechten gingen zonder verder ongeval voorbij; slechts toen ik Marie om zout gevraagd had en zooals ik gewoon was, met de vingers in 't zoutvaatje wilde komen, zeide zij zacht: „Met het mes, Margot.”

Beschaamd deed ik wat zij zeide, ofschoon ik werkelijk zeer verwonderd was: want tot nu toe had ik mij altijd van mijn vinger en duim bediend, om zout te nemen.

Nu kwam het gevogelte op tafel, werkelijk jonge hoenders, juist zooals Tante Betsy gedacht had. Ik herinnerde mij gelukkig de ontvangen vermaning en beproefde het vleesch met mes en vork los te maken, in plaats van zooals anders de teedere beentjes met mijn tanden te bearbeiden. 't Was echter een ondankbare arbeid, het beste bleef daarbij aan de beenderen zitten en het deed mij groot verdriet, dat ik die heerlijke overblijfselen moest laten wegnemen. Met de confituren, die bij 't gevogelte werden gepresenteerd, was ik ditmaal niet bedrogen: die waren zoet en frisch, zooals ik ze gaarne lustte en niet zoo onaangenaam zout als de kaviaar. Ik gebruikte die confituren met niet minder welbehagen dan mijn dikke buurman zijn steurkuit en verheugde mij reeds op 't genot van de gesmolten suiker, waarin de vruchten op mijn bord lagen te zwemmen. Daar ik die suiker met geen vork kon machtig worden en er geen lepel onder mijn bereik was, lichtte ik mijn bordje op en wilde het aan mijn lippen brengen, om, zooals ik thuis altijd deed, het sap er van af te slurpen. Reeds zweefde het bordje in de lucht en was het dicht bij mijn mond, toen ik mij eensklaps bij den arm voelde vatten, en met een snellen ruk stond het bord weer op zijn plaats.

„Om 's hemels wil, Margot! Ben je niet wijs?” fluisterde Marie mij toe. „Men laat de suiker op zijn bord liggen.”

„Op zijn bord?” vroeg ik, terwijl ik Marie aankeek, die nog altijd mijn arm vasthield, uit vrees, dat ik de comedie nog eenmaal mocht vertoonen. „De gesmolten suiker is juist het lekkerste van de confituren; die kan ik toch niet op mijn bord laten liggen.”

„Doe thuis, wat gij wilt;—in gezelschap gaat dat niet anders,” fluisterde Marie snel; want juist sprak haar buurman haar aan, en kon ze zich niet meer met mij bemoeien. Zoo zat ik daar bedroefd tegenover mijn bord met heerlijke vruchtensuiker, die ik niet gebruiken mocht en ergerde mij vreeselijk over de zonderlinge wetten der welvoeglijkheid, die mij eerst geboden hadden het vleesch aan de beenderen te laten zitten en nu het lekkerste van 't geheele diner op te offeren.

„Wat zou mama wel van deze verkwisting zeggen!” dacht ik knorrig, maar eensklaps stond ik doodelijk verschrikt van mijn stoel op, en keek om mij heen, wie daar zoo vlak bij mij een pistool had afgeschoten. Mijn oude buurman lachte hartelijk over mijn schrik en weldra bemerkte ik, dat hetgeen ik voor een pistoolschot had gehouden, het knallen van een champagneflesch was, een geluid dat ik misschien eens in mijn leven gehoord had. En de wijn zelf: Ik had hem lang geleden thuis eenmaal geproefd, toen het doopmaal van een mijner zusjes gevierd werd, en nu stond daar een hoog vol glas voor mij, waarin tallooze kleine paarlen dansten.

De wijn smaakte mij buitengewoon goed. Dat prikkelen op de tong, dat vuur, dat zoete zonder flauw te zijn, alles droeg bij, om mij hem lekker te doen vinden. Mijn dikke buurman had er niet minder smaak in dan ik en 't scheen hem zooveel pleizier te doen, dat de wijn mij zoo beviel, dat hij mij 't eene glas na 't andere inschonk. Weldra gloeiden mijn wangen en het werd mij zoo raar voor de oogen; doch ik lette daarop niet, tot ik eindelijk zoo wonderlijk zat te kijken, dat Marie mij angstig aanzag en zeide:

„Ben je niet wel, Margot? Wat scheelt je?”

„Ik ben zoo wonderlijk! Alles draait mij voor de oogen,” antwoordde ik en greep Marie's hand om mij vast te houden.

„Heb je champagne gedronken? Dat is koppig goed! Pas op!” zeide Marie.

„Ja, drie of vier glazen. Mijnheer Martini heeft mij aldoor maar ingeschonken,” fluisterde ik en hield de oogen toe, om wat tot mijzelf te komen; want ik wist werkelijk niet waar ik was.

„Hoe kon je dat ook doen? Je hadt al wijn gedronken,” zeide Marie en schonk mij een groot glas water in dat ik snel leegdronk. Dat hielp gelukkig, en nu wachtte ik mij wel, nog een enkelen druppel van dien verraderlijken wijn te drinken, hoe mijn buurman mij ook noodigde en toeknikte. Hij kon, zooals 't mij toescheen, geducht veel verdragen, zonder er duizelig van te worden, zooals ik, arme nieuweling, dat geworden was; want zijn glas was onophoudelijk vol en even spoedig weer leeg. Ik was recht blij, toen men van tafel opstond om naar den tuin te gaan, waar de koffie zou gepresenteerd worden. De frissche lucht bracht mijn verward hoofd weer geheel en al in orde, en alweder rijker aan ondervinding wandelde ik met Marie den tuin rond. Aan Tante Betsy, die spoedig bij ons kwam, biechtte ik eerlijk al de domme streken, die ik op dit eerste diner begaan had en die mij nooit uit het geheugen zullen gewischt worden, al word ik ook honderd jaar oud.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

Onder ons.

Elken Maandag kreeg Tante bezoek van eenige kennissen, die thee bij haar dronken en zich met praten, voorlezen of ook wel eens met kaartspel vermaakten. Mij werd op die avonden de post opgedragen, om thee te schenken en den kleinen kring te bedienen, daar Tante niet graag de meid in de kamer zag. Dat was mij, nadat ik de eerste moeilijkheden had overwonnen, zeer aangenaam: want huiselijke bezigheden vond ik heel prettig: ik ontging daardoor het best de verlegenheid, om onder die oudere heeren en dames fatsoenlijk stil te moeten zitten of ook wel soms aan hun gesprekken deel te nemen, waarvoor ik nog veel te weinig algemeene kennis en beschaving bezat. Ik kon immers evengoed toeluisteren en had tevens wat te doen. Maar in den beginne waren er natuurlijk verscheidene dingen, die ik eerst moest leeren.

Zoo vulde ik de kopjes altijd hoog tot aan den rand, wat Tante mij reeds den eersten morgen verboden had; doch dat ik maar niet scheen te kunnen onthouden. Het kwam mij altijd voor, als zouden de menschen denken, dat ik 't hun niet gunde, wanneer ik zoo weinig in de kopjes schonk. Verder liep ik met den trekpot de kamer rond, om terstond de kopjes op de plaats waar ze stonden, te vullen; totdat Tante mij zacht terugtrok en mij de kopjes aan de schenktafel bracht, om ze daar weder vol te schenken.

Wanneer dan de een of andere gast bedankte, hield ik 't voor mijn plicht zoolang bij hem aan te dringen, tot ik mijn thee of mijn banket aan den man gebracht had. Tante verbood mij dat. „Dat opdringen,” zeide zij, „mogen de menschen op uw dorp hartelijk vinden, tot den goeden toon behoort het echter niet, al is het dan ook juist geen kwaad. Ook moet je wel opletten, dat je de gasten altijd aan hun linkerhand iets presenteert en nooit aan hun rechterzijde; anders hebben zij de rechterhand niet vrij om 't gepresenteerde aan te nemen.”

Vooral was Tante er zeer op gesteld, dat ik alles wat ik deed stil en zonder veel gedruisch ten uitvoer bracht, „opdat de gasten,” zeide zij, „het knarsen der raderen, waardoor de huishouding loopt, niet bemerken. Ik ten minste vind het altijd onpleizierig, wanneer ik iemand een bezoek breng en ik zie, hoeveel stoornis mijn tegenwoordigheid veroorzaakt. Dan wordt er gerend en geroepen, deuren en kasten worden open- en toegeworpen, en dat alles om mij misschien een stukje taart op een bordje te presenteeren of de thee klaar te zetten. Maak nooit zooveel leven om niets, kindlief, in 't lichamelijke, zoomin als in 't geestelijke.”

Daar op die Maandagen slechts oude heeren en dames kwamen, kon ik mijn lust voldoen, om zoo voorkomend en attent te zijn, als mij maar mogelijk was. Waren er jongere personen, vooral jonge heeren, dan bedwong Tante mij meermalen in mijn dienstvaardigheid, als die, volgens haar, menigmaal te ver ging. 't Was voor mij iets nieuws, dat men overdreven dienstvaardig kon zijn; Tante wist het echter beter dan ik. Waren er bejaarde dames, dan liet ze mij stil mijn gang gaan. Vooral voor die, welke ik 't liefst mocht lijden, kende mijn dienstijver geen grenzen. Haar van sjaal of mantel te ontlasten, een gemakkelijken stoel te geven, voetbankjes of stoven aan te dragen, voor een ruggekussentje te zorgen, voor haar de steken van haar breiwerk te tellen of ze op te rapen als ze gevallen waren, naalden in te steken, garen of zijde te winden, fruit te schillen, kortom, haar op alle mogelijke wijzen te bedienen, was mijn lust en mijn leven. Mijn oog was dan gedurig in de weer, om ook slechts den minsten wensch te raden. Haar vriendelijk bedanken was mij een voldoende belooning.

Ten opzichte van de oude heeren was ik natuurlijk beschroomder; toch deed ik ook voor hen mijn best, om hun gemakkelijke stoelen te geven, alles wat op den grond viel op te rapen, fijngedrukt schrift voor te lezen, brillenglazen af te vegen, of soms rustig en vriendelijk toe te luisteren bij een vervelende vertelling, waarvoor men geen enkelen oplettenden toehoorder kon vinden.

Veelal, wanneer er op deze prettige avondjes niet gespeeld werd, las de een of andere van 't gezelschap een mooi boek voor. 't Liefst hoorde ik Tante Betsy lezen, die niet alleen een mooie stem had, maar ook op elk woord zoo den juisten klemtoon wist te leggen, dat ik toen eerst goed begreep welk een schoon talent het is, als men goed kan voorlezen. Trouwens voorlezen viel mij meermalen ten deel, en opdat ook ik mij in die kunst zou oefenen, nam Tante dikwijls de moeite om iets met mij te lezen. In den beginne durfde ik bij zulk een begaafde lezeres nauwelijks mijn lippen openen; doch zij wist mij vriendelijk aan te moedigen, liet mij dikwerf regel voor regel naspreken, denzelfden volzin drie- of viermalen nazeggen, totdat ik den rechten toon gevat had, en dat alles met zooveel geduld en volharding, dat ik die niet genoeg roemen kan. Zij had dan ook de voldoening, dat ik langzamerhand eene zeer goede voorlezeres werd.

Maar wanneer Tante voorlas mocht ik nooit met de handen over elkander zitten. Altijd moest ik mij met een of ander vrouwelijk handwerk bezighouden.

„Als jonge meisjes niet wat doen, weten zij geen raad met haar handen en zitten dikwijls in de alleronbehagelijkste houding.” De mijne, al zeg ik 't zelf, liet vrijwat te wenschen over; mijn rug zocht onophoudelijk de leuning van mijn stoel, waarschijnlijk omdat ik zoo'n lange slungel was en mijn ruggegraat daarom een steun verlangde.

„Kijk, ik ben oud, en zit veel rechter dan jij, jonge meid,” zeide Tante Betsy menigwerf tegen mij. En inderdaad, wat zij zeide, was waar; want zij zat altijd zoo recht als een kaars, zonder dit te doen, alsof zij een boonenstaak had ingeslikt.

„'t Is maar gewoonte, kind,” placht zij te zeggen als ik haar daarover bewonderde. „Wie krom zit, groeit krom. Het boompje, dat jong goed geleid wordt, geeft bij 't opwassen een flinken, statigen stam. Jong geleerd, oud gedaan. Wie b. v. zooals mijn lieve Margot, reeds op zestienjarigen leeftijd zijn voeten zoover vooruitsteekt, met de handen zulke vechtende bewegingen maakt en overluid in zichzelf spreekt, die zal op zijn zestigste jaar zich nog even dwaas aanstellen.”

En dan schoof Tante een voetbank onder mijn schommelende, trappelende voeten. Had ik voor mijn tien vingers ook maar zulk een steunpunt gehad en die eenvoudig en rustig, zooals 't behoort, in mijn schoot laten liggen, dan zou 't zeker heel goed geweest zijn; maar dat was voor mij een al te zware taak.

„Je moet het echter leeren, meidlief,” zei Tante. „Onder 't gesprek behoort een jong meisje haar vingers stil te houden en niet verlegen aan haar japon of mantel te plukken; dat staat vreeselijk onbeholpen. Wanneer je eens wist hoe zulk een beweeglijkheid anderen hindert, dan zou je er meer aan denken om daartegen te waken.”

„O, Tante, 't is mij zoo moeilijk aan al die dingen te denken,” klaagde ik soms moedeloos.

„Kom, kom, dat leert men wel, en dan kan men later niet anders,” hervatte Tante. „Ik verzeker je, dat je 't vroeger zult leeren dan je wel denkt, kindlief. Ik zie dat je er moeite toe doet, en al knor ik ook dikwijls, ik ben toch zeer tevreden over je. Slechts geduld, kindlief, en alles zal wel terecht komen.”

Dit was de eerste keer, dat Tante mij te dien aanzien prees. Hoe gelukkig maakte mij die lof, en hoe werd ik er door bemoedigd!

Tante ging nu naar haar boekenkast en kreeg „Onze Buurt” voor mij, om daarin te lezen, terwijl zij haar middagdutje deed. Spoedig beviel mij dit boek zóó, dat Tante mij moest roepen om thee te zetten. Ik schrikte; want zoodanig was ik in de lectuur verdiept geweest, dat ik mijn werk geheel vergeten had.

„Eerst de plicht en dan de uitspanning,” zeide Tante vriendelijk. En zij had gelijk: ik had eerst voor de thee moeten zorgen en dan gaan lezen.

ZESDE HOOFDSTUK.

Inhoudsopgave

In gezelschap.

Tante ontving niet alleen dikwerf gasten, maar ging zelve ook dikwijls uit, en daar zij mij altijd meenam, maakten die gezellige avondjes, die wij bij anderen doorbrachten, het mij in den beginne angstig genoeg en gaven mijn goede Tante vrijwat aanleiding om zich over mij te ergeren. Vooral één avond is mij onvergetelijk gebleven, die zoo rijk aan gebeurtenissen was, dat ik ze u vertellen moet, daar hij in zijn gevolgen invloed op mijn leven had, zonder dat ik het toenmaals vermoeden kon.

Wij waren op een soirée bij den President der rechtbank, den Heer Van Doren. Als gewoonlijk stond ik naast mijne vriendin Marie, die mij hier als overal een redster in den nood was; want ik kende in 't geheele talrijke gezelschap geen enkel persoon. Met tamelijke verveling keek ik de zaal rond en monsterde de élegante menigte. Eensklaps echter kwam er een glans van vreugde op mijn gelaat.

„Kijk eens, Marie, daar staat warempel Dokter Huisman uit Arnhem. Die heeft Papa nog eerst onlangs een bezoek gebracht. Ik moet hem goeden dag gaan zeggen. Wat zal hij verwonderd zijn, mij hier te zien!” en ik wees met den vinger naar een grooten blonden heer, die midden onder andere gasten stond.

Snel wilde ik van Marie wegijlen en op Dokter Huisman toeloopen, toen mijne vriendin haastig haar arm op den mijnen legde.

„Blijf hier, Margot,” riep zij zacht, terwijl zij mij terugtrok. „Vooreerst, wijs toch om 's Hemels wil niet naar iemand. Dat is vreeselijk onfatsoenlijk, en dan moet ik je zeggen, dat het in 't geheel niet welvoeglijk is om Dokter Huisman thans aan te spreken, terwijl hij midden onder andere heeren staat. Om tot hem te komen, zoudt gij er doorheen moeten dringen.”

„Ach! dat is waar; daaraan had ik niet gedacht,” zeide ik verlegen.

„Daarenboven,” ging Marie voort, „kent ge dien heer zoo van nabij, dat gij hem het eerst begroeten wilt? Hij is zeker een goed vriend van je familie.”

„Neen, ik heb hem slechts eens bij ons aan huis gezien; hij kwam bij Papa voor zaken en bleef dien achtermiddag bij ons,” antwoordde ik min of meer verlegen. „Maar daar ik hier de menschen zoo weinig ken, vond ik het zoo prettig, dat ik met hem over Brondaal kon spreken; daarom voel ik mij veel meer naar hem heengetrokken dan naar de andere heeren, die noch Papa noch iemand thuis kennen.”

„Hoor eens, Margot, als je hem niet nader kent, wacht dan tot hij je aanspreekt,” zeide Marie. „Dat behoort zoo. Want al boezemt hij je ook nog zooveel belangstelling in omdat hij je familie kent, schijnt gij hem niet erg te interesseeren; anders zou hij je wel aangesproken hebben.”

Hoezeer ik Marie ook gelijk moest geven speet het mij toch geweldig dat ik door den jongenheer, in wien ik zulk een levendig belang stelde, in 't geheel niet werd opgemerkt. Doch spoedig was mijn knorrigheid over; want het heerengesprek was uit en de blonde dokter wachtte geen oogenblik om regelrecht op mij af te komen.

„Hé, juffrouw Zuidhof!” riep hij vroolijk uit. „Vind ik u hier? Een aardige verrassing! Eerst nu zie ik u, anders had ik mij reeds gehaast u vroeger mijn compliment te maken. Hoe gaat het u?”

Ik had het wel gedacht! Hij was er ook over in zijn schik, dat hij eene bekende onder al die vreemden zag; en dat had hij mij niet vroeger kunnen zeggen, daar hij mij nu eerst opgemerkt had. Gij begrijpt, hoe prettig ik dat vond, en vroolijk praatte ik nu met hem over al mijn dierbaren te huis, en Dr. Huisman scheen in alles wat ik hem voorbabbelde zooveel belang te stellen, dat ik mijn geheele omgeving vergat en hem openhartig terstond allerlei dingen vertelde. Nadat we een tijdlang zoo met elkander gepraat hadden, zag ik Tante Betsy eensklaps dicht bij mij en het scheen mij toe, als zag zij mij onderzoekend en verrast aan. Ik begreep, dat het haar genoegen zou doen, Dokter Huisman te leeren kennen, en zoo stond ik snel op en zeide, dat ik mijn Tante wilde roepen. De dokter volgde mij op den voet en verzocht mij dat ik hem liever bij Tante zou brengen, opdat hij zich aan haar mocht voorstellen. Daarbij glimlachte hij zoo zonderling, dat ik vreesde weer iets doms uitgevoerd te hebben en hoog blozend voor hem uit tot bij Tante Betsy ijlde, aan wie ik met een paar woorden mijn bekende voorstelde.

Tante begroette den dokter wel is waar op de vriendelijke manier, waarop zij voor alle menschen zoo engelachtig goed was; ik vond echter dat zij hem vrij koel en afgemeten ontving. Dat hinderde mij geducht! Doch hoe was ik verwonderd, toen Tante, nadat de dokter zich verwijderd had, met een tamelijk onvriendelijk gezicht mij wenkte om haar naar een donker vensterkozijn te volgen, waar men ons niet kon opmerken.

„Je spraakt daar al vrij vertrouwelijk met dien jongen heer!” zeide zij. „Is die dokter Huisman bij u zulk een vertrouwd vriend des huizes? Daar wist ik niets van.”

„Een vriend des huizes? Dat nu juist niet,” antwoordde ik eenigermate bedremmeld. „Ik was echter zoo blij dat ik hem zag, omdat ik hier genoegzaam geen mensch ken.”

„En in je blijdschap heb je geheel vergeten wat een jong meisje past, kindlief!” zeide Tante zacht.

„Ik, Tante?” riep ik verschrikt uit; want daarvan had ik in 't geheel geen vermoeden.

„Ja, jij,” antwoordde Tante. „In de drukte van je gesprek heb je niet opgemerkt, hoeveel verwonderde blikken zich op je vestigden; want je praatte zoo luid met dien jongen man, dat allen, die er omheen stonden, verstaan konden wat je zeide. Dan lachte je tusschenbeide ook zoo hard, sperde den mond zoo wijd open en leunde met den rug in je stoel, dat ik mij over je schaamde. En 't ergste van alles nog was, dat je tusschenbeide met den jongen heer fluisterde, alsof gij de intiemste vrienden waart. Hoe kwam dat toch? Je bent anders zoo schuchter en bedeesd.”

„Ach, Tante, ik vertelde hem eenige mijner domme streken, en die mochten anderen toch niet hooren; ik bemerkte ook niet, dat andere gasten naar ons gesprek luisterden,” zeide ik.

„En heb je hem die verteld? Dat is al heel vertrouwelijk jegens zulk een vreemden heer. Ken je hem dan zoo goed, om te weten, dat hij in zijn hart niet den spot drijft met die vertrouwelijkheid?”

„O, dat zal hij niet doen, lieve Tante,” riep ik blozend uit. „Hij stelde zulk een groot belang in alles wat ik hem van mijn familie en mijn dorp verhaalde, en dat zou hij toch niet gedaan hebben, als hij zoo slecht was.”

„Natuurlijk scheen dit u zoo toe; want hij kon toch zoo onbeleefd niet zijn om weg te loopen, als een jonge dame haar hart voor hem uitstortte,” zei Tante Betsy glimlachend.

„Ach, Tante!” zeide ik, terwijl mij 't huilen nader stond dan 't lachen.

„'t Is mijn schuld niet, dat je deze kleine strafpredikatie moet aanhooren, opdat je voortaan voorzichtiger wordt,” ging mijn onverbiddelijke Tante voort. „Wie weet, of je vriend niet op ditzelfde oogenblik bezig is aan een anderen jongen man te vertellen, welk een dwaas kind juffrouw Zuidhof is, en hoe beiden zich ten uwen koste vroolijk maken.”

„Ach! lieve Tante! zeg dat toch niet!” smeekte ik haar, terwijl de tranen mij langs de wangen rolden.

„Nu, we zullen er het beste van hopen; troost je dus maar,” hernam Tante, terwijl zij 't haar uit mijn gloeiend gezicht streek. „Doch ik moet je waarschuwen om voortaan voorzichtiger en verstandiger te zijn, en niet zoo aan je gevoelens den vrijen loop te laten. Pas nu op; maak door een ingetogen, fatsoenlijk gedrag weer goed, wat gij in de oogen van zoovelen misdaan hebt en bovenal zet een kalm, vriendelijk gelaat: want het is niet raadzaam om door zijn gelaatstrekken zijn gevoelens en de bewegingen van zijn hart te verraden; vooral in gezelschap. Daar komt Marie; zij zal je beter kunnen troosten dan ik.”

Tante wendde zich nu naar eene oude dame, met wie zij een gesprek aanknoopte, en liet ons alleen om vertrouwelijk met elkander te spreken. Gelukkig verborg nog steeds het donker vensterkozijn ons; want ik moest mijn bezwaren in 't hart van mijn goede Marie uitstorten. Zij troostte mij en stelde mij gerust.

„Je gedrag is in 't oog gevallen,” zeide zij, „ik kan het niet ontkennen, en ik had je er zoo gaarne opmerkzaam op gemaakt, dat je gesprek met dokter Huisman lang genoeg geduurd had. Maar je scheen het zoo druk te hebben, dat je niet om mij dacht, hoe ik ook om je heendraaide; en ongeroepen kon ik mij in je gesprek niet mengen, daar ik je vriend niet kende.”

„Ach! noem hem zoo niet,” smeekte ik. „Wie weet of hij dien naam niet geheel en al onwaardig is en zich over mij vermaakt.”

„Dat denk ik nu juist niet,” antwoordde Marie. „Daartoe ziet hij er mij veel te ernstig en te vriendelijk uit, en al lacht hij misschien ook in zichzelf een beetje over 't meisje, dat in haar eenvoud nog niet weet hoe zij zich gedragen moet, ik ben er zeker van, dat hij zich niet ten uwen koste zal vermaken.”

„Denk je dat werkelijk, Marie?” riep ik in verrukking uit. „Tante had er mij zoo bang voor gemaakt.”

„Ik zou mij al zeer in hem moeten vergissen, als hij het deed,” hervatte Marie.

„Maar al die menschen, voor wie ik mij zoo gecompromitteerd heb! Ik durf niet meer uit mijn schuilhoek komen!”

„Kom, dat is ook zoo erg niet als je denkt,” zeide Marie. „Het ergste, wat ik gehoord heb, was dat men lachte en je voor heel jong en kinderlijk hield, en dit is toch over 't geheel geen groot gebrek. Daarenboven is men nu de geheele historie alweer vergeten. Kom dus gerust maar weer te voorschijn; want langer mogen we hier niet staan. Zie, daar komt juffrouw Van der Velden; zij is altijd vriendelijk jegens mij en ik heb haar nog niet gesproken. Nu, tot straks! Wees goedsmoeds en zet niet langer zoo'n armezondaarsgezicht!”

Vreesachtig mengde ik mij weer onder de overige gasten en zette mij neder in een kamer naast het salon, waarin men juist begon te musiceeren. Men presenteerde ijs, waarvan ik zeer veel hield, en zoo verdreef ik mij een poos lang den tijd, terwijl ik naar de muziek luisterde en mij 't ijs goed liet smaken. Daarbij sloeg ik mijn omgeving gade, of er misschien niet nog iemand was, die tegen de regelen der welvoeglijkheid zondigde, opdat ik toch niet alleen als zoo onhebbelijk mocht bekend staan. Maar helaas! rondom mij was alles zoo welvoeglijk en ernstig: men praatte wel, maar om de muziek slechts fluisterend—allen gedroegen zich zoo, dat ik mij zuchtend van hen afwendde.

Daar viel mijn blik op een heer, die dicht bij mij stond. Jong scheen hij niet en toch zag hij er in 't oogvallend angstig en verlegen uit. Blijkbaar was hij geheel onbekend in dezen kring en had in 't geheel den tact niet om zijn schuchterheid te verbergen, zoodat ik een hartelijke sympathie voor hem gevoelde.

Eindelijk zweeg de muziek en 't gezelschap bewoog zich weer door elkander; maar mijn vreemdeling bleef daar alleen staan. Ook ik bleef stil op mijn stoel zitten; want ik was geducht uit mijn humeur.

Eindelijk stond ik op om mijn ijsschoteltje ergens neer te zetten en zag daarbij, dat mijn vreemde man het zijne nog in de hand had en er klaarblijkelijk vreeselijk verlegen mee was, daar hij niet wist, wat hij er mee zou beginnen.

Бесплатный фрагмент закончился.

178,42 ₽
Возрастное ограничение:
0+
Дата выхода на Литрес:
16 января 2025
Объем:
222 стр. 4 иллюстрации
ISBN:
4064066400637
Издатель:
Правообладатель:
Bookwire
Формат скачивания:

Похожие книги