Читать книгу: «Partizaan»

Шрифт:

Inhoudsopgave

Colofon 3

Hoofdstuk 1 – januari 1949 4

Hoofdstuk 2 – zomer 1947 9

Hoofdstuk 3 – februari 1949 14

Hoofdstuk 4 – 25 juni 1941 18

Hoofdstuk 5 – zomer 1947 23

Hoofdstuk 6 – zomer 1947 29

Hoofdstuk 7 – eind augustus 1941 33

Hoofdstuk 8 – februari 1949 38

Hoofdstuk 9 – zomer 1947 43

Hoofdstuk 10 – begin december 1941 51

Hoofdstuk 11 – einde zomer 1947 58

Hoofdstuk 12 – zomer 1949 64

Hoofdstuk 13 – juli 1944 71

Hoofdstuk 14 – einde zomer 1947 77

Hoofdstuk 15 – zomer 1949 84

Hoofdstuk 16 – zomer 1949 93

Hoofdstuk 17 – herfst 1949 102

Hoofdstuk 18 – begin september 1949 110

Hoofdstuk 19 – november 1949 118

Hoofdstuk 20 – zomer 1952 126

Hoofdstuk 21 – begin november 1949 131

Hoofdstuk 22 – november 1949 138

Hoofdstuk 23 – begin november 1949 145

Hoofdstuk 24 – kerstmis 1949 153

Hoofdstuk 25 – 5 maart 1953 158

Hoofdstuk 26 – november 1949 165

Hoofdstuk 27 – augustus 1988 171

Hoofdstuk 28 – maart 1953 175

Hoofdstuk 29 – november 1949 181

Hoofdstuk 30 – 23 augustus 1989 186

Hoofdstuk 31 – januari 1991 190

Hoofdstuk 32 – januari 2001 198

Colofon

Alle rechten op verspreiding, met inbegrip van film, broadcast, fotomechanische weergave, geluidsopnames, electronische gegevensdragers, uittreksels & reproductie, zijn voorbehouden.

© 2022 novum publishing

ISBN drukuitgave: 978-3-99107-916-3

ISBN e-book: 978-3-99107-917-0

Lectoraat: Daphne Hoebée

Vormgeving omslag: Alexvu, Gibsonff, Zdasiuk, Siarhei Kazlou | Dreamstime.com

Omslagfoto, lay-out & zetting: novum publishing

www.novumpublishing.nl

Hoofdstuk 1 – januari 1949

Langzaam gingen zijn ogen open. Hij was al een tijdje wakker maar had nog niet de moed gehad om de dagdagelijkse ellende te overschouwen. Terwijl zijn ogen langzaam de al te vertrouwde muren van de krappe cel aftastten, ontsnapte een diepe zucht aan Arvydas’ lippen. Buiten was het nog aardedonker maar in de cel brandde dag en nacht een peervormig lampje. Zijn blaas was ondertussen gewend geraakt aan het ochtendpatroon. Eén keer per dag mochten ze naar het toilet. Om exact zes uur ’s morgens openden enkele norse Sovjets de celdeur en mochten ze de cel verlaten om het lange gangpad naar de toiletten af te wandelen. De rest van de dag moesten ze gebruik maken van de ijzeren emmer die in een hoekje van de cel prominent geurend stond te roesten. Aangezien Arvydas niet bepaald happig was op het gebruik van de emmer terwijl de vijf paar doffe ogen van zijn celgenoten hem aanstaarden, had hij zijn biologische klok ingesteld op kwart voor zes.

Terwijl hij de realiteit trachtte te aanvaarden, bonsde zijn hoofd. Voorlopig was hem “de ondervraging” nog bespaard gebleven en had hij “het voorstel” nog niet gekregen, maar de spanning begon zijn tol te eisen. Steeds op dezelfde plek voelde hij de pijn kloppen. “Spanningshoofdpijn,” gromde hij en hij begon zijn nek langzaam van links naar rechts te bewegen. Hij ging rechtop zitten en zag dat de anderen nog lagen te slapen. Op de grond uiteraard want matrassen, laat staan bedden, gunden de Sovjets hun niet. Vytautas lag te snurken. Zijn nieuwe vriend vertoefde nog even in andere oorden. Misschien ergens in de veilige bossen buiten Vilnius die de partizanen als hun thuis beschouwden. Misschien lag hij in de armen van zijn boerenvrouw op hun boerderij die door de Sovjets nog niet was ingelijfd in het systeem van de kolchozen. Arvydas bewoog zijn benen en voelde hoe het bloed zijn stramme spieren folterde. Wat zou de dag brengen? In het beste geval kende die hetzelfde monotone verloop als dat van de voorbije dagen. In het slechtste geval maakte het NKVD-hoofdkwartier zijn beruchte reputatie waar.

Toen de deur werd geopend, waren ze alle zes wakker. De lichtgevende buizen die de gangen sierden, wierpen hun passende kunstmatigheid naar binnen. De cipier moest zelfs niets zeggen. Hij tikte even met zijn matrak tegen de celdeur en ze stonden op. Zonder een woord te zeggen, strompelden ze één voor één naar buiten. Eenmaal in de gang bleven ze stokstijf staan totdat de cipier opnieuw tegen de celdeur sloeg. Dan zette de karavaan koers naar de toiletten, ondertussen de celdeuren passerend waarachter andere gevangenen even ongeduldig zaten te wachten op het moment dat zij hun behoefte mochten gaan doen. Arvydas liep achter Vytautas als tweede in de rij. Achter hem liep de priester. Ze kenden zijn naam niet. Hij liet zich gewoon priester noemen. Na nauwelijks twee minuten stonden ze voor het sanitaire complex. De Sovjet die hen begeleidde, hield Vytautas tegen. “Stop.” Het was geen snauw, maar ogenblikkelijk hield Vytautas halt. Arvydas zag dat nog enkele andere gevangenen gebruik maakten van het toilet. De cipier keek geërgerd. Contact tussen de verschillende cellen was verboden en dit kleine oponthoud zorgde voor een hoop administratief werk. Straks moest de man op enkele formulieren invullen welke gevangenen elkaar hadden ontmoet, ook al hadden ze geen woord gewisseld.

Vytautas snoof minachtend. Vytautas was natuurlijk niet zijn echte naam. Net zoals de meeste partizanen droeg hij een codenaam. Zo was het moeilijk voor collaborateurs om hem te verlinken aan die duivelse Sovjets en was het tegelijkertijd voor die smeerlappen moeilijk om uit te zoeken wie zijn familie was. Die familie bleef dan misschien een tripje naar een Siberische goelag bespaard. Vytautas de Grote was een Litouwse volksheld uit de vijftiende eeuw en de partizaan droeg zijn codenaam dan ook met de gepaste trots en als een teken van opstandigheid. Hij had de naam geadopteerd en moest tegenwoordig zelfs bijna nadenken hoe hij werkelijk heette. “Ze geven ons net voldoende te eten om niet van de honger te sterven,” gromde hij. Hij keek naar de twee sneden brood en het kopje heet water dat het ontbijt moest voorstellen. “Je weet toch waarom ze dat doen?” vroeg de priester waarna hij zelf het antwoord gaf, “Ze willen je weerstand breken. Ze willen geen sterke onverzettelijke partizaan voor zich hebben zitten wanneer ze met ‘de ondervraging’ starten. Ze willen een meegaand, angstig iemand die gemakkelijk te manipuleren valt.” Hij wachtte even en ging toen verder. “Nog even en je doet alles voor een kom hete soep of een lekker stuk vlees.” De ogen van Vytautas schoten vuur. Met enige moeite hief hij zijn enorme lijf omhoog en enigszins wankel door het gebrek aan voedsel en daglicht, stond hij recht en balde zijn vuist. “Nooit zal ik met dat schorem samenwerken. Al krijg ik niets meer te eten. Ik ben geen landverrader. Nog liever sterf ik duizend doden,” schreeuwde hij theatraal. “Jou hebben ze duidelijk nog niet gebroken,” antwoordde de priester laconiek. “Maar dat komt nog wel,” voegde hij eraan toe. Het kwam hem op een boze blik van Vytautas te staan.

De priester zat met zijn rug tegen Arvydas. Jarenlang had hij de vieringen verzorgd in Paneriai, maar toen kwamen de Sovjets, daarna de Duitsers en tenslotte de Sovjets opnieuw. Die waren niet bepaald happig op geestelijken. Het was snel gedaan met het opdragen van de mis. Net zoals zovele andere katholieke kerken in Litouwen werd ook zijn kerk aangeslagen. Zelf werd hij nog gespaard, maar toen in 1946 de Sovjetregering eiste dat de Litouwse bisschoppen het verzet zouden demoniseren, was voor hem de maat vol. Hij ging ondergronds en begon met het drukken van pamfletten tegen de bezetters. Een jaar later werd hij verraden en belandde in de NKVD-gevangenis. “Ik wil straks even biechten,” mompelde Arvydas. De priester reageerde niet. Hij had in de cel wel vaker de biecht afgenomen of een gebed opgezegd. Hoewel het strafbaar was en de kans reëel dat hij werd betrapt, bleef hij onverstoorbaar volhouden. Het gaf de mannen mentale rust en iets om zich aan vast te klampen. En het gaf hem het gevoel dat hij toch nog weerbaarheid toonde ondanks de 147 dagen die hij ondertussen in dit voorgeborchte van de hel doorbracht. “Laten we nog even wachten. De bewakers eten meestal om twaalf uur. Dan hebben ze het te druk om ons te controleren en heb ik minder kans om in de isoleercel te belanden.” Het was als grap bedoeld maar niemand lachte. “Hoe zou het met Gitana zijn?” vroeg de priester dan maar om de deprimerende stilte te doorbreken. Gitana was de vrouw van Arvydas en als hij de verhalen mocht geloven, bloedmooi. De anderen maakten schunnige moppen over haar, maar Arvydas ging er meestal niet op in. Hij had de priester eens in vertrouwen verteld dat het geloof dat zij op hem wachtte, hem overeind hield. “Het is september, niet? Dan zal ze wel het land aan het inzaaien zijn. Denk je dat ze de boerderij wist te behouden? Of zouden ze haar verplicht hebben om op een kolchoz te gaan werken?”

De Neris zond ijskoude winden richting de stad. Ze teisterden de gevangenis en kropen via spleten en tralieramen naar binnen. Heel de dag kropen de gevangen dicht tegen elkaar aan om zo hun lichaamswarmte te delen. Meubels stonden er niet in de cellen en tegen de muren leunen was ten strengste verboden. Arvydas flapperde met zijn benen om zo de bloedcirculatie op peil te houden. Niet dat het vroor in hun cel, maar het was koud genoeg om ongemak te veroorzaken en de gezondheid te ondermijnen. “Ook zo proberen de cipiers ons verzet te breken,” wist Arvydas, “en het is overigens een bijzonder effectieve methode.”

De deur ging open en grijnzend keek Valentin de celgenoten aan. “Dat wijf van je heeft je extra eten gebracht,” riep hij terwijl zijn blik op Juozas viel. Hij snoof minachtend. “Niet dat je dat verdient, wat mij betreft. Ik heb haar dan ook een goede beurt gegeven. Lang geleden dat ze nog eens een echte vent heeft gevoeld. Jullie Litouwse mietjes weten niet hoe jullie een vrouw moeten verwennen.” De temperatuur in de cel kroop nog enkele graden naar beneden. Ze wisten allemaal wat het betekende wanneer iemand extra voedsel kreeg. Ondanks het geschimp van de cipier was dat een absolute gunst. Het kon enkel betekenen dat Juozas inschikkelijk was geweest. Had hij hun informatie verstrekt, vroeg Arvydas zich af. Of erger nog, hadden ze hem weten te rekruteren? Valentin gaf een kom cepelinai en een aardebruin brood door. Iedereen in de cel besefte dat er een spel werd gespeeld en dat zij de pionnen waren. De geur van het gekookte varkensvlees deed hen watertanden. Ze snakten allemaal naar vlees. De boodschap was niet mis te verstaan: werk mee en je wordt beloond. “Geef die kom aan die hond,” tierde Valentin. Juozas nam de kom aan zonder omhoog te kijken. Hij schaamde zich maar zijn honger was te groot. Terwijl Valentin het tafereel bleef bekijken en er goed op lette dat er geen voedsel werd gedeeld, wierp de jonge Litouwer zich op het brood. Mechanisch en met een doffe blik werkte hij de maaltijd naar binnen. Mijn god, dacht Arvydas, wat zou ik allemaal doen voor een warme maaltijd? Zou ik ook buigen als ze me een voorstel doen? Hij krabde aan zijn neus en wreef daarna automatisch over zijn armen. Dat was een zenuwtrek geworden. Het verbaasde hem dat hij geen haat voor Juozas voelde opwellen. Diep in zijn binnenste voelde hij eerder een mengeling van medelijden en begrip. Hij wendde zijn blik af van de schrokkende Juozas en zag de grimmige trekken op het gezicht van Vytautas. Zijn vriend dacht er duidelijk anders over. Voor hem was Juozas vanaf nu een verrader, een collaborateur, uitschot dat het verdiende om geëxecuteerd te worden. Bezorgd vroeg Arvydas zich af wat dit betekende voor hun samenhorigheid. “Haast je,” beval Valentin terwijl hij ongeduldig tegen de celdeur leunde. “Ik heb vandaag nog wel iets anders te doen dan naar een vretend varken te kijken.”

Juozas werd uit de kring geweerd. Ze wisten allemaal dat wanneer ze hem een haar krenkten de isolatiecel – of erger – wachtte. De enige manier om hem te straffen en om celgenoten met soortgelijke gedachten te waarschuwen, was het ogenblikkelijk verbreken van alle banden. Juozas moest vanaf nu alleen de kou trotseren. De anderen waren weer dicht tegen elkaar gekropen terwijl hij in een hoekje alleen zat, er goed op lettend dat hij de muur niet raakte. Onze cirkel wordt kleiner en kleiner, dacht Arvydas. Niet enkel hier in de cel maar ook daarbuiten. Hoe kunnen we deze strijd ooit winnen?

Hoofdstuk 2 – zomer 1947

“Het is niet dat ik ernaar verlang of het leuk vind om een landgenoot te doden,” stelde peletoncommandant Aldolfas Ramaneekas, “maar we hebben niet veel keus. Hij moet eraan.” Snel onderzocht hij de impact van zijn boodschap op zijn mannen en probeerde hun gedachten in hun ogen te lezen, een gewoonte die hij zich de laatste jaren eigen had gemaakt. Wat hij zag, stelde hem gerust. Zijn mannen staarden onbewogen terug. “We hebben hem al meermaals gewaarschuwd. Helaas zonder succes. We hebben bovendien niet veel tijd meer vooraleer hij zijn plannen effectief uitvoert. Neem allemaal nog eens goed het plan door voor we vannacht vertrekken, want het is een riskante operatie.” Een riskante operatie, begreep Arvydas, betekende voor de woudbroeders dat de kans op bloedvergieten groot was. Aan welke kant de slachtoffers vallen, bepaalt het lot. Hij huiverde. Het was zijn eerste sabotagemissie sinds hij zich in het voorjaar had aangesloten bij de partizanen. Zijn maag kroop samen en zijn linkerooglid begon te trillen. “Stress,” gromde hij. Hij was nooit een echte held geweest. Hij keek even rond en zag hoe de anderen de barak opzochten die verscholen lag in de diepten van het Varčioswoud. Zouden ze dezelfde angst voelen, die hem parten speelde?

In een lange rij en zonder iets te zeggen, vertrok het bataljon. Onbekende geluiden die het nachtelijke bos voortbracht, wuifden hen uit. Marija liep voor Arvydas en dat vond hij een prettige gedachte. Ze leek uiterlijk een ­beetje op Gitana, althans op de Gitana waarvan hij elke nacht droomde. Ondertussen had hij zijn vrouwtje al enkele maanden niet meer gezien. Marija was met haar 1 meter 65 misschien net iets kleiner dan zijn wederhelft maar ze was pittig en wanneer haar wangen rood kleurden van woede, kon je je maar beter verschuilen. Hij keek naar haar kont en grinnikte. Die perfect gevormde kont was een jachttrofee in de onfrisse verhalen van de mannen. Niemand waagde het echter om de trofee te claimen. Alsof ze voelde dat hij aan het staren was, draaide ze zich om. “Gaat het lukken?” informeerde ze, “want je ziet er beroerd uit.” “Nog beroerder dan anders?” grapte hij. Ze glimlachte meewarig. “Probeer de nacht te overleven zuikis, ik mag je te graag.”

Het dorp Daugai lag op vier kilometer van de bosrand en de kans dat iemand hen in dit open landschap zag, was vele malen groter dan wanneer ze beschermd werden door het groene bladerdak van het bos. Bovendien was het een wolkeloze nacht en scheen de zomermaan in al zijn kracht. Onder normale omstandigheden had Ramaneekas een andere nacht uitgekozen voor hun operatie, maar ze hadden geen keus meer. Eigenlijk hebben we het al te ver laten komen, dacht hij bitter, we hadden eerder moeten ingrijpen. Het doden van landgenoten, ook al waren ze pro-Sovjetunie, bleef een moeilijk gegeven. Hij keek nog eens naar zijn groep. Hij was fier op hen. Harde mannen die hun gezin hadden achtergelaten om hun vaderland te verdedigen. Enkel over Arvydas maakte hij zich een ­beetje zorgen. Was het niet te vroeg voor die jongen? Hij had een zacht kantje en dat kon zich tegen hem keren. Nu ja, dacht Ramaneekas, iedereen beleeft ooit zijn vuurdoop. Of je overleeft het en je wordt een echte man, of de partizanen sturen bloemen en condoleances naar de naaste familie. Ramaneekas besloot om er zich verder niet druk over te maken.

Daugai was een pro-Sovjetdorp en de lokale burgervader had de roep uit Moskou beantwoord. Hij verbood onafhankelijke boerderijen rond zijn dorp en wilde de landbouw, naar het communistische model, collectiviseren. Dat werkte natuurlijk als een rode lap op een stier in het zuiden van Litouwen, waar de partizanen het in vele streken nog voor het zeggen hadden. De burgervader werd dan ook goed beschermd door paramilitairen van “het volkscommissariaat voor binnenlandse zaken”. “Die smerige stribai,” had Ramaneekas hen verwittigd, “zijn meedogenloos. Dus moeten wij even meedogenloos zijn. Wees snel en aarzel niet. Het zijn zij of wij.” Arvydas had de woorden van zijn commandant goed in zijn hoofd geprent. Terwijl ze aan de laatste kilometers van de missie begonnen, echode de waarschuwing als een mantra door zijn geest: “schiet om te doden, verzaak niet … schiet om te doden, verzaak niet!”

Gebukt liepen ze het zandpad af dat naar het dorp leidde. Om de paar minuten stak Ramaneekas zijn hand omhoog en hurkten ze neer. De stilte van het nachtelijke platteland zoog de angst naar Arvydas’ keel, meer dan de luidste bommenexplosie had kunnen doen. “Het niet weten wat je kan verwachten, is de ergste vijand, zuikis,” probeerde Marija, die zijn angst herkende, hem gerust te stellen. “We hebben het allemaal meegemaakt.” In de verte zagen ze de eerste huizen van het dorp. “Nog maximaal zevenhonderd meter,” schatte Arvydas. Ramaneekas had hun verteld waar de stibai zaten. “Of waar ze horen te zitten,” had hij gespecifieerd. “Je mag er niet vanuit gaan, dat de vijand voorspelbaar wordt.” Stapje voor stapje ging het verder richting Daugai. Arvydas zag hoe ook Marija haar Tsjechische Skodarevolver steeds harder vastklemde, als een onbewust signaal dat de adrenaline ook door haar aderen gierde. Ergens begon een hond te blaffen. Arvydas besloot er maar geen acht op te slaan.

Eenmaal de dorpsrand bereikt, leken ze wel een geoliede machine. Ramaneekas had, als vroegere leerkracht op een lagere school, zijn mannen goed voorbereid. In het gele huis in de hoofdstraat woont Edgarius Jankauskas, de burgemeester met zijn vrouw, zoon en twee dochters. Ernaast, in het rode huis ertegenaan, leeft een bataljon stribai die hem moeten beschermen en hem helpen zijn verachtelijke taak uit te voeren, herinnerde Arvydas zich de les. Ramaneekas had vier mannen aangeduid die zich verdekt moesten opstellen vóór het huis van de stribai. Nu moest hij niets meer zeggen. Ze kenden hun taak tot in de perfectie. Arvydas zag hoe zijn kameraden een plek opzochten in het duister van waaruit ze de voordeur van het huis onder vuur konden nemen. Petras, een kerel met een borstkast als een aambeeld en een overtuiging die hem desnoods deed afdalen tot de onderwereld en terug, kreeg de leiding over de subgroep. Geruisloos volgden Marija en Arvydas Ramaneekas. Ze begaven zich naar de oostkant van het halfvrijstaande, houten gebouw. Ramaneekas keek door het venster naar binnen. Er brandde geen licht en alles leek rustig. Zijn vingers betastten snel het glas van het raam. Enkel glas zoals hun informant hen had verteld. Het zou niet veel moeite kosten dit glas te breken. Hij haalde nog eens diep adem. Dan zette hij druk op het raam. Het kraakte maar begaf niet.

Edgarius Jankauskas nestelde zich tevreden in de houten schommelstoel die het gerieflijkste meubelstuk in de kamer was. Een koperen olielamp met een lange tuit onderaan de voorkant wierp zijn licht de wereld in. Hoewel elektriciteit al meer dan zeventig jaar geleden zijn intrede had gedaan, moest Jankauskas helaas verdragen dat vele kleine Litouwse dorpen nog steeds niet op het net waren aangesloten. Hij hoopte dat de toekomst beterschap zou brengen voor zijn land dat al zoveel geleden had. Zijn hand zocht zich een weg naar de houten pot met pijptabak die hij naast de schommelstoel had geplaatst. Langzaam begon hij zijn pijp te stoppen. “De huizen zijn te vochtig maar de tabak is te droog,” mopperde hij terwijl hij onderaan de tabak luchtiger hield en bovenaan steviger aanstampte. Het duurde niet lang vooraleer hij met regelmaat aan zijn pijp trok en genoot van de geur en smaak. Pijproken was een luxe die niet elke inwoner van zijn dorpje gegeven was, dus hij voelde het als zijn plicht om het zorgvuldig te doen. Hij keek naar zijn Dunya die erbij was komen zitten op een houten stoel. De Sovjets hadden haar en haar hele familie vanuit Moskou naar Litouwen geïmporteerd, nog voor de Duitsers het voor het zeggen hadden gehad. Teder legde Jankauskas zijn hand op de schoot van zijn vrouw. “Je moet niet bang zijn,” probeerde hij haar gerust te stellen. “Het zal allemaal wel loslopen.” “Ik weet niet of we er goed aan doen, beertje,” antwoordde ze terwijl de stress onveranderd op haar gezicht bleef staan. “Daar hebben we het al over gehad. Het is de weg naar een betere toekomst. Er is geen andere mogelijkheid. Of dacht je dat die naïevelingen uit de bossen Stalin ook maar een strobreed in de weg kunnen leggen?” Zonder op een antwoord te wachten, ging hij verder: “Nee, als we Daugai willen helpen, moeten we gehoorzamen. Gedaan met het privé-land hier. Geen kleine boeren meer. Willen we vooruit, dan moeten we opgaan in een staatsbedrijf. Dat is de communistische weg en de wil van Stalin.” Als om zijn woorden kracht bij te zetten, blies hij een stevige rookpluim uit. “De partizanen zeggen anders het omgekeerde. Ze beschouwen ons als collaborateurs. Ze jagen me schrik aan, beertje.” Jankauskas snoof. “Het zijn lafaards die eenvoudige mensen bedreigen. Denken ze dat ik mijn mening verander omdat ze me een dreigbrief schreven? Denken ze dat ik op de loop ga omdat ze enkele stallen in brand staken?” Jankauskas ging zo op in zijn betoog dat hij uit zijn schommelstoel opstond en zijn stem steeds luider liet weerklinken. “Vandalenstreken, meer dan kwajongens zijn het niet. Dommeriken die geen idee hebben van wat ons te wachten staat! Eigenlijk moet je medelijden met ze hebben.” Wanneer hij boos werd, kon je duidelijk zien waarom zijn vrouw hem “beertje” noemde. Breedgeschouderd en ruim een meter vijfentachtig groot was de burgemeester van Daugai bepaald geen doetje. Net op tijd herinnerde hij zich tegen wie hij sprak. “Schrik is niet nodig, lėlė, de stribai beschermen ons. Er zal ons niets overkomen.”

Ramaneekas zuchtte. Hij zat met een dilemma. Het glas inslaan was de snelste, maar ook de luidruchtigste manier om toegang te krijgen tot het eenvoudige huis van de burgemeester van Daugai. Misschien zou iemand hen horen en alarm slaan. Misschien werd Jankauskas gewekt door het lawaai. Maar Ramaneekas besefte dat ze snel moesten handelen, wilden ze kans op slagen hebben. Zonder zich nog langer te bedenken, sloeg hij met de speciaal hiervoor meegebrachte kei het glas in gruzelementen. Het gerinkel klonk hem als een luide sirene in de oren en een seconde lang verscheen er een grimas op zijn gelaat. Hij liet zich echter niet tegenhouden. Met de kolf van zijn geweer verwijderde hij de glaspunten uit het raamkozijn en zonder zich verder te bekommeren om eventuele verwondingen, kroop hij naar binnen.

Hoofdstuk 3 – februari 1949

Vytautas kon genieten van de muziek die de studenten speelden. De Academie voor Muziek was de buurman van de gevangenis en de oefenlessen vormden vaak het enige vertier in de keldercellen. Nog niet zo lang geleden had een moedige maar ook roekeloze student het verboden nationale volkslied van Litouwen, diep in de nacht, opgevoerd, goed wetende dat slechts enkele meters verderop zowel de gevangenen als de bewakers er getuigen van waren. Een gedurfde protestactie zo dicht bij het centrum van het Sovjetkwaad. Vytautas had het gehoord en zijn hart huilde tranen van melancholie. Hij hoopte maar dat de student zijn verzetsdaad niet had bekocht met een tripje naar de goelag. Ook nu speelde de muziek toen de gevangenisdeur midden in de nacht werd geopend. Het leek wel alsof de noten het openen van de deur begeleiden als een dirigent zijn orkest. Iedereen was meteen klaarwakker. Ze wisten allemaal wat het betekende wanneer de Sovjets ’s nachts de cel binnenkwamen. Vytautas zag hoe de nog vermoeide ogen van Arvydas in een oogwenk de angst binnenlieten. Zelf voelde hij eerder minachting. Minachting voor de zoveelste laffe daad van de Sovjets.

“Vytautas, meekomen!” brulde één van de drie bewakers. Hij was helemaal niet verbaasd dat het zijn beurt was. Hij had “zijn ondervraging” veel eerder verwacht. Nog even keek hij naar de anderen die hem met een mengeling van medelijden en opluchting aanstaarden, vooraleer zijn lichaam zich mechanisch in beweging zette. Tamelijk hardhandig werd hij geboeid. Er werd verder niets meer gezegd. Twee bewakers liepen voor hem uit terwijl Valentin enkele meters achter hem liep, zijn geweer in de aanslag. Ze liepen de gang door, langs de andere cellen en toiletten in de richting van de trap. Aan de onderste trede werd hem gesommeerd te stoppen. De voorste bewaker gaf het signaal aan de bewaker op de bovenverdieping dat er een gevangene onderweg was. Pas daarna mocht Vytautas de houten trap betreden.

“Je naam?” vroeg de dienstdoende agent aan Vytautas. Hij grijnsde. Typisch, dacht hij, de Sovjets willen hun administratie in orde brengen. “Je naam?” herhaalde de agent en hij trok reeds een wenkbrauw op. Ondanks dat het hem rustig werd gevraagd, wist Vytautas dat het niet verstandig was om het geduld van de Sovjets tot het uiterste op de proef te stellen. Valentin, die tot dan toe met zijn rug tegen de muur van de kleine ruimte had gestaan, zette al gretig een stap naar voren.

“Vytautas,” mompelde hij. “Je échte naam graag!” De agent had zijn vingers reeds van de typmachine gehaald en keek zijn gevangene strak aan. “We hebben hier duidelijk een probleem,” hoorde Vytautas zichzelf zeggen. “Als ik je mijn echte naam geef, krijgt mijn familie binnen de kortste keren een kaartje richting Siberië. Enkele reis waarschijnlijk. Dat wil ik hen graag besparen.” Opnieuw wilde Valentin naar voren komen, maar een bruuske armbeweging van de ondervrager hield hem tegen. De agent keek zijn slachtoffer opnieuw aan en Vytautas proefde een soort van respect. Waarschijnlijk verbeeld ik me dat maar, want die schoften hebben een hekel aan weerspannige types, dacht hij meteen daarna. Langzaam trok de agent aan zijn reeds halfopgerookte sigaret, blies de rook uit, legde de sigaret terug in de asbak naast de typmachine en glimlachte mild. “Jongen, denk je dat je de eerste moedige partizaan bent? Soms denk ik dat jullie stalen ballen hebben. Ik zal nooit het lef van een Litouwse woudstrijder in twijfel trekken. Maar ook stalen ballen kunnen en zullen breken. En dat doet pijn. Dus bespaar je die pijn, want spreken doe je toch. Hier of in de verhoorcel.” Vytautas zweeg. Niets wat hij nu nog kon zeggen, had enig nut. Hij wist dat hij de komende uren zou afzien en hoopte enkel dat hij de kracht had om zijn familie niet te verraden.

Via de trap leidden ze hem terug naar beneden. Op de overloop had hij nog snel een blik door het grote raam kunnen werpen op Gedimino Prospektas, de grote verkeersader die voor de gevangenis liep en op het Lukiškiųplein waar het standbeeld van Lenin dreigend naar de gevangenis wees. Wat zou hij gegeven hebben om nu de buitenlucht te mogen inademen, maar de twee seconden getreuzel voor het raam leverde hem een stomp met de kolf van het geweer in zijn ribben op. Valentin lachte heimelijk. “Loop door zwijn! We hebben niet de hele nacht de tijd.” De verhoorkamer was geluidsdicht gemaakt om ervoor te zorgen dat het gehuil van de slachtoffers niet doordrong tot de rest van het gebouw. Hardhandig werd hem een dwangbuis aangetrokken. Verzetten heeft geen enkele zin, dacht Vytautas. Ik zou trouwens niet weten hoe ik dat zou kunnen met mijn armen op mijn rug gebonden. Enkele zweetdruppeltjes sijpelden langs zijn voorhoofd naar beneden, maar hij was zich niet bewust van hun zoutsmaak. Vytautas keek even rond. De muren waren kaal en door een klein raam hoog in de buitenmuur scheen het matte licht van een lantaarnpaal naar binnen. “Ik vraag het je nog éénmaal,” zei de leidinggevende agent niet geheel onvriendelijk. “Geef me je naam en vertel me wat ik weten wil. Dan brengen we je netjes en ongehavend terug naar je cel.” Vytautas had de juiste inschatting gemaakt. De man had respect voor zijn vastberadenheid. Hij gaf hem een tweede kans. Dat was een zeldzaamheid in deze omgeving. Vytautas opende zijn mond, maar in plaats van de gevraagde informatie kwamen de eerste zinnen van het illegale volkslied over zijn lippen: “Litouwen ons Vaderland, jij bent het land van Helden. Laat je zonen kracht putten uit je verleden.” Het was de ultieme provocatie. De uitdrukking op de gezichten van zijn ondervragers vloeide naadloos over van neutraliteit naar ongeloof en vervolgens naar woede. Valentin nam de Amerikaanse honkbalknuppel die op de grond lag en sloeg genadeloos op Vytautas’ knieschijf.

Ze wierpen hem terug in de cel. Hij merkte niet eens hoe hij op de betonnen vloer viel en was zich pas na enkele minuten bewust van de bezorgde stemgeluiden van zijn celgenoten. Hij probeerde zijn ogen te openen, maar zijn oogleden plakten aan zijn gezicht, alsof hij zwaar verkouden was. Pas na drie keer proberen kon hij één oog voorzichtig openen. Meteen overviel een felle pijnscheut zijn hersenpan. De priester kroop recht en bekommerde zich om hem. Arvydas daarentegen was verbijsterd. Hij durfde amper te praten. Wat hebben ze met mijn vriend gedaan? Niemand verdient het om zo toegetakeld te worden. Naast verwarring voelde hij ook een hartgrondige haat opwellen. Een haat die hij nooit eerder had gevoeld. Niet toen de Sovjets de eerste keer zijn land binnenvielen, niet toen hij de eerste lijken als waarschuwing zag verspreid worden over de diverse dorpen en zelfs niet toen hij werd gearresteerd. Het was een haat die hem verbaasde. Die kroop van zijn tenen naar zijn hoofd en palmde zijn hele lichaam in. Arvydas duwde de priester opzij en ging op zijn knieën naast zijn vriend zitten. “Hebben ze je gebroken?” fluisterde hij. Vytautas zweeg en Arvydas vreesde het ergste. Met een uiterste krachtinspanning hief Vytautas zijn hoofd op. “Ik heb hen niets verteld. Mijn vrouw en kinderen zijn nog veilig. Voorlopig nog.” Hij hijgde en in zijn ene geopende oog zag Arvydas wanhoop doorschemeren. “Maar een tweede nacht hou ik dit niet vol!” Hij begon geruisloos te wenen. Wat moet ik doen, Arvydas?”

Hoofdstuk 4 – 25 juni 1941

Wel, dacht Gitana, misschien was ik toch maar beter op de boerderij gebleven? Ze wreef over haar bolle buik waarin zeven maanden geleden een vruchtje was beginnen groeien. Rust zal ik hier in Kaunas immers ook niet vinden. Moeizaam nam ze de veel te hoge trede die de voordeur van het huis van haar zus scheidde van het voetpad. Ze klampte zich aan de deurstijl vast om niet te vallen. Het zwanger zijn viel haar zwaar. In normale omstandigheden was ze een kwieke, hardwerkende boerendochter die voortdurend in de weer was. Het Litouwse boerenleven eiste nu eenmaal veel overgave maar ze vond er zeker ook het nodige plezier in. Nu was ze helemaal niet mobiel en zat ze gevangen in een stad die net het strijdtoneel was geweest van een strijd tussen de Sovjettroepen en Litouwse paramilitairen. “Ik zou toch liever hebben dat je binnenbleef,” hoorde ze haar zus zeggen. “We weten niet of het buiten veilig is en gezien je conditie …” Met haar kin maakte ze een beweging naar Gitana’s buik. “Ik bedoel … Je moet nu toch ook aan het kindje denken.” “Daar denk ik juist aan. Als ik nog langer binnen moet blijven, word ik stapelgek. Ik vreet mezelf op van de stress. Dat kan ook niet goed zijn voor het kind.” Jeira was een pracht van een zus. Je kon haar alles vragen en Gitana zou haar leven geven om dat van haar zus te redden. Maar ze was altijd zo voorzichtig. Zo behoedzaam. Een echt muisje. Ze zou het liefst elk risico in het leven bannen. Een moeilijke karaktertrek in een tijd waarin je geboortestad achtereenvolgens wordt ingenomen door de Sovjets en nu blijkbaar door de Duitsers. Of misschien ben ik juist wel te impulsief, dacht Gitana. “Want Jeira had natuurlijk gelijk. Dat zou Arvydas haar ook vertellen, als hij hier was geweest.” Maar ze moest nu eenmaal weten wat er waar was van de geruchten dat de Litouwers de stad overgaven aan de Duitsers. “Maak je maar geen zorgen, zus. Ik zal heus wel oppassen.” Ze ging op de tippen van haar tenen staan en gaf haar zus, die inmiddels in de deuropening stond, een kus op haar voorhoofd. “Ik ben terug voor je het beseft.” Vooraleer Jeira verder kon protesteren, draaide ze zich om en schuifelde de straat in.

Het was druk in de straten en naarmate Gitana het stadscentrum naderde, vielen haar de verschillende gemoedstemmingen van de passerende mensen op. Terwijl ze even in de blakende junizon uitrustte op een stadsbankje, het zweet van haar voorhoofd veegde en haar lange, blonde lokken in een staart bond, kwam er een groepje uitgelaten jonge mannen langs. Ze hadden duidelijk te veel gedronken en ééntje had de fles nog vast. Terwijl ze opruiende strijdliederen zongen, keek de meest dronken man haar richting uit. “Wat een lekker ding,” riep hij. “Zullen we het vertrek van de Russen samen vieren, schatje?” Gitana keek hem aan zonder te antwoorden. Die stilte werd duidelijk niet goed ontvangen. “Voel je je soms te goed voor ons? Zoals die smerige joden?” De man strompelde naar voren, maar zijn kameraad greep hem bij de arm. “Laat haar, ze is zwanger,” fluisterde hij in het oor van zijn hitsige maat. Die keek Gitana nog eens aan, spuwde vervolgens op de grond en draaide zich om. Terwijl ze een nieuw lied aanhieven, vervolgden ze hun weg. Een paar minuten later stond Gitana onverstoord op. Ze stak de dolk die ze onder de plooien van haar rok verborgen hield weg en liep verder richting centrum, zonder nog aan het incident te denken. Nu en dan kwam ze iemand tegen die gehaast de tegenrichting uitliep, duidelijk niet van plan om langer dan nodig in het stadscentrum te blijven. Vreemd, dacht ze, de stad is bevrijd en je hebt de feestende groepen. Toch heerst er ook een bedrukte stemming. Ik vraag me af waarom? Ze liep de brede Vytautas Avenue op in de richting van het kerkhof. In de verte zag ze de contouren van een benzinestation waar een massa mensen zich had verzameld. Aan de geluiden te horen was er iets aan de hand. Gitana probeerde haar tred te versnellen en het haastige dreunen van haar hart te negeren. Ze begon steeds harder te zweten en moest bepaald niet fris ruiken toen ze eindelijk het hek bereikte dat de garage omringde.

Hoewel haar hart inmiddels moest pompen als een bezetene, viel haar adem stil en trok Gitana lijkbleek weg. Het leek alsof haar hersenen dienst weigerden, alsof ze niet konden bevatten dat de werkelijkheid die ze zag zo gruwelijk was. Even moest ze zich vasthouden aan de man naast haar. Ze greep zijn arm, maar hij duwde haar geïrriteerd van zich af, alsof ze een onbetekenende vlieg was in plaats van een zwangere vrouw en begon opnieuw enthousiast te scanderen, het ritme van de anderen volgend: “Dood ze allemaal, dood ze allemaal, dood ze allemaal …!”

Op het betonnen plein voor de garage werd een groep van wel twintig mannen vastgehouden en bewaakt door een nog veel grotere groep. Ze stonden gedwee en leken in een soort trance, alsof ze zich neergelegd hadden bij hun lot. Ze waren net en goedgekleed wat de situatie nog surreëler maakte. Enkele meters van hen verwijderd stond een blonde man van gemiddelde grootte. Hij had het duidelijk warm en leunde even voorover op de houten schoffel die hij net nog had gebruikt. Gitana telde wel zeventien lijken die rond zijn voeten lagen verzameld. Hij droeg hoge laarzen zodat zijn broek niet bezoedeld werd met het bloed dat uit de gapende wonden van zijn slachtoffers stroomde. Het leek alsof hij een karweitje in de stallen van een boerderij aan het klaren was. Terwijl hij uitrustte, begon de uitzinnige massa opnieuw te scanderen: “Doodgraver, doodgraver …” De vuisten van Gitana klemden zich wederom rond de verborgen dolk onder haar rok. Ze schaamde zich diep voor haar landgenoten. Wat was hier aan de hand? Wie had hiertoe het bevel gegeven? De doodgraver was inmiddels weer op adem gekomen. Grijnsend keek hij naar zijn supporters. Hij kon hun wensen niet langer negeren. Met zijn schoffel gaf hij een teken aan de bewakers. Een jonge jood werd naar voren geduwd. Hij kreeg enkele trappen te verwerken in zijn onderrug zodat hij op zijn knieën voor de doodgraver viel. Die grinnikte even en sloeg ogenblikkelijk met zijn schoffel op de schouders van zijn prooi. De pijnlijke kreet werd overstemd door het gejoel van het publiek, maar Gitana voelde hem nazinderen door heel haar lichaam. Nog voor de jood hersteld was van de aanval, kreeg hij een nieuwe serie slagen te verwerken. Helemaal verkrampt lag hij op de grond. Vol trots keek de doodgraver in het rond. Hij stond op een podium, een voetstuk. Voor zijn toeschouwers was hij duidelijk een held. De jood was inmiddels bewusteloos geslagen en de doodgraver wenkte één der bewakers. Die spoot de hulpeloze jood wakker met een tuinslang. Opnieuw grijnsde de doodgraver en hij maakte zijn werk af. Toen zijn slachtoffer eindelijk dood op de grond lag, wendde hij zich tot het publiek. Met een kort gebaar vroeg hij om stilte. Meteen werd het muisstil. De doodgraver klom op het lijk, schraapte zijn keel en begon het Litouwse volkslied te zingen. Meteen viel het publiek in. Het leek wel een festival. Gitana voelde de tranen opwellen, maar niemand schonk aandacht aan haar. Ze draaide zich om, wurmde zich door de massa en verliet de plaats.

Ze rilde alsof ze griep had. In haar hart werd de zomer vervangen door de winter. Met een deken over haar schouders zat ze in een zetel aan het venster van haar zusters’ rijhuis. De zware gordijnen aan het raam pasten niet bij het seizoen en Gitana had ze zo ver mogelijk opengetrokken. Zo kreeg de naargeestige kamer wat meer daglicht binnen. Ze kon het niet bevatten. Niet wat ze gezien had en niet wat ze achteraf te horen had gekregen. “Algirdas Klimaitis,” fulmineerde ze tegen niemand in het bijzonder. Die naam had de hele nacht haar slaap verstoord. “Een Litouwer notabene.” Dat hij met zijn mannen de kant van de Duitsers had gekozen, omdat hij hen een betere partij vond dan de Sovjets vond ze naïef, maar kon ze ergens nog begrijpen. Maar dat hij dan ook maar meteen meedeed aan de pogrom tegen de joden, die ook inwoners van Litouwen waren, en de vreselijkste misdaden pleegde op het verzoek van zijn Duitse vrienden, was een brug te ver. Ze nipte van haar kruidenthee. Arvydas had tijdens een kort bezoekje vorige week de salie meegebracht van de boerderij. “Goed voor lijf en geest,” had hij gezegd maar Gitana ontdekte er noch troost noch smaak in. Jeira probeerde haar te ontzien en vertelde haar niets van wat er zich buiten afspeelde. Ze had natuurlijk schrik voor de impact van het nieuws op de ongeboren baby. Maar het nieuws sijpelde langs allerlei hoeken en kanten toch binnen. Soms kroop het langs de radio het huis in en een andere keer via een kort bezoekje van de buren. “Heb je het gehoord? Ze hebben de rabbijn van de stad aan handen en voeten gebonden, zijn hoofd op de talmud gelegd en vervolgens afgezaagd. Daarna hebben ze dat hoofd in een uitstalraam gelegd met een bordje waarop stond: “Dit doen we met alle joden.” Weet je het al? De Duitsers strooien rond dat ze meer dan 4000 mensen hebben gedood. Dat kan toch niet? Naar het schijnt droegen Litouwse moeders hun kinderen op de nek zodat ze de moorden beter konden zien. Dat moet pure propaganda zijn!” Bij elk nieuwtje kroop Gitana dieper onder haar deken. Dit was niet het Litouwen waarvoor zij opkwam. Dit was niet haar Litouwen! In een oogwenk nam ze een besluit. Ze dronk de rest van de thee op en riep haar zus. “Jeira, ik moet weg uit deze verschrikkelijke stad. Ik kan hier niet langer blijven. Niet na wat er allemaal gebeurd is.” “Zou je niet beter blijven? Denk aan je kind. Je hebt hier een zacht bed en je kan hier rusten.” “Ik kan hier helemaal niet rusten. Elke dag krijg ik meer onheil te verwerken. Ik kan het niet van me afzetten. Zeker hier niet. Ik ga terug naar de boerderij.”

Hij was voorspelbaar en Gitana moest, ondanks alles, glimlachen: zodra Arvydas het nieuws had gehoord, kwam hij checken of alles in orde was. Hij is een zachte man, een softie, dacht ze, maar ze realiseerde dat ze daardoor verliefd op hem geworden was. Hij was immers ook haar hoeksteen waarop ze kon bouwen. Ze had de voordeur open horen gaan en zag Jeira snel de gang in sluipen. Dan wat gefezel. “Ze wil naar de boerderij. Ze wil niet blijven. Ik denk niet dat het verstandig is om …” Hij kwam binnen met die typisch bezorgde trek om zijn mond. Gitana probeerde recht te komen, maar natuurlijk belette hij haar dat. “Blijf maar liggen, schat,” zei hij en hij legde zijn hand op haar buik. Daarna volgde een snelle kus en hij prikte haar ongemerkt met zijn stoppelbaard. “Jeira vertelde me net dat je niet hier wil blijven. Ik denk dat de rit naar huis te vermoeiend is voor een vrouw in …” “Arvydas Skvernalis,” onderbrak ze hem, “jij neemt me mee naar de boerderij. Ik blijf geen dag langer in deze vervloekte stad, hoor je me? Einde discussie.”

Hoofdstuk 5 – zomer 1947

Arvydas kroop als derde en laatste partizaan het huis binnen. Hij sneed zich aan een glasscherf en kon een vloek nog net onderdrukken. Langzaam ontpopte er zich een bloedvlek op zijn broek. Het moest nu echter snel gaan. De kans was groot dat de burgemeester, zijn vrouw of één van hun kinderen wakker waren geschoten, dus ze hadden geen tijd om zich te bekommeren om futiliteiten. In een oogwenk stonden ze in de woonkamer en zagen ze de houten trap die naar de bovenverdieping leidde. In zijn haast om boven te geraken, sloeg Ramaneekas telkens een trede over. Hij werd op de voet gevolgd door Marija en Arvydas. Op de overloop zagen ze twee deuren. “Achter welke slaapt de burgemeester?” siste Marija, maar Ramaneekas had al een klink vast. Behoedzaam betrad hij de volledig verduisterde kamer en zijn ogen hadden moeite om zich aan de overgang van de maanverlichte overloop en de kamer aan te passen. Hij schuifelde naar binnen en zag iemand onder de dekens liggen. “Eén persoon!” Nog voordat het signaal zijn hersens bereikte dat er iets niet klopte, werd hij in een stevige wurggreep genomen. Achter de deur, de smeerlap had ons gehoord en heeft zich achter de deur verstopt, dacht hij nog terwijl hij zijn geweer liet vallen. Hij probeerde uit de greep te komen, maar de burgemeester liet niet los. Het jarenlange werken op het Litouwse platteland had hem zo sterk gemaakt als een tiental ossen. Vanuit een ooghoek zag Ramaneekas hoe Dunya ondertussen in bed omhoog was gekomen en met een revolver begon te zwaaien. Ze had maar gedaan alsof ze aan het slapen was. Ze waren in hun val getrapt. Duidelijk onervaren met een vuurwapen loste Dunya een schot dat weliswaar insloeg in de muur maar waardoor Marija en Arvydas toch gedwongen waren om dekking te zoeken op de overloop. “Merde, ze heeft geschoten,” mompelde Marija. “Dat zal de stribai zeker waarschuwen. Petras en zijn mannen zullen het hard te verduren krijgen.” Marija verhardde. “Op mijn teken gaan we de kamer in. Jij schiet die bitch neer en ik neem de burgemeester voor mijn rekening.” “Maar ze heeft een revolver,” stamelde Arvydas. “We zijn hier niet gekomen om boontjes te planten. Komaan man. Alles of niets.” Zonder nog op zijn antwoord te wachten, stak Marija drie vingers in de lucht. Daarna twee. Tenslotte één. Ze stormden samen de kamer binnen en nog vóór hij kon schieten, zag Arvydas dat Ramaneekas het pleit behoorlijk aan het verliezen was. Diens gezicht was purperrood, zijn adem stokte en het kwijl liep langs zijn lippen naar beneden. Als in een vertraagde film wendde Arvydas zijn blik af en richtte zijn revolver op de vrouw in bed. Twee schoten weerklonken en Dunya sloeg achterover terwijl een kogel rakelings langs Arvydas reeds verwondde been schoot. De wereld stond stil. Ik heb iemand gedood! Ik heb iemand het leven ontnomen, was het enige waaraan Arvydas nog kon denken. Hij hoorde de schreeuw van de burgemeester, maar merkte de smart niet op die daarin weerklonk. Ook Marija richtte nu haar revolver. Zonder een seconde te aarzelen schoot ze nauwkeurig over het hoofd van Ramaneekas in de keel van de burgemeester. Het bloed gutste als een kolkende rivier naar buiten, maar toch duurde het nog enkele seconden vooraleer Edgarius Jankauskas de controle verloor. Toen hij tenslotte op zijn knieën zakte, liet hij Ramaneekas los. Die viel voorover en hapte gretig naar adem. Er verstreek bijna een minuut vooraleer zijn hortende ademstoten tot rust kwamen en hij het snot van zijn aangezicht had geveegd. “Foute boel,” zei Marija, ”dit moest een snelle en vooral stille operatie worden. Ik vrees dat we mogen stellen dat dat niet gelukt is. De kinderen zijn blijkbaar niet thuis maar de stribai zullen ons niet ongehinderd laten vertrekken.”

Ze hadden zich verspreid, maar hadden allen een positie ingenomen van waaruit ze de voordeur van het rode huis in het oog konden houden. Enkel Petras had een omtrekkende beweging gemaakt om zo de achterkant van het gebouw te bewaken. Je weet maar nooit, dacht hij. De stribai zijn door de wol geverfd en geslepen. Officieel zijn het dan wel vrijwilligers, maar hun rangen zijn sociaal gevarieerd en een groot deel van hen zijn voormalige misdadigers. Je kan niet voorzichtig genoeg zijn. Aan de achterkant van het rode gebouw bemerkte Petras een venster en een gammele, houten deur. Gelukkig zijn de twee huizen gescheiden door een kleine zijtuin, anders hadden ze zeker een tussendeur gecreëerd en dat had nog voor bijkomende problemen gezorgd, dacht Petras terwijl hij zich verschool achter een eenzame berkenboom. De witte bast bood niet veel bescherming, maar was de enige plek van waaruit hij de achterdeur onder schot kon houden. Voorzichtig liet hij zich zakken en ging zich op zijn buik liggen. Het was muisstil en onder normale omstandigheden had Petras zeker genoten van de nachtelijke vrede. Nu was hij echter uiterst geconcentreerd. Hij plaatste zijn van de Sovjets gestolen licht machinegeweer in de juiste stand en begon geduldig te wachten. Hopelijk kunnen ze de klus snel klaren, dacht Petras zonder wroeging te voelen over het feit dat ze een mensenleven kwamen nemen. Hij voelde de aarde tegen zijn borstkast drukken maar slaagde erin het ongemakkelijke gevoel te negeren. Focus, focus. Als een mantra verschenen de woorden in zijn gedachten. Focus, focus. Plotseling hoorde hij in de verte het gerinkel van gebroken glas en verstijfde. Hij hapte naar adem maar in het rode huis bleef het voorlopig stil. Hij probeerde opnieuw de mentale toestand te bereiken waarin hij ontspannen genoeg was voor een zuiver schot maar ook voldoende geconcentreerd om snel te reageren. De minuten kropen voorbij en Petras had het gevoel in een slow motion film beland te zijn. Net toen Petras dacht dat zijn kompanen ondertussen wel tijd genoeg hadden gehad om de vuile collaborateur te mollen, klonk het schot. Luid en helder maakte het meteen een einde aan de serene toestand. Enkele seconden later klonken er opnieuw twee schoten. Nog geen dertig seconden later brak de hel los. Aan de voorkant kwamen twee paramilitairen het huis uitgelopen om te onderzoeken wat er aan de hand was. Ze werden meteen onder vuur genomen door de partizanen. Petras twijfelde. Moest hij zijn mannen te hulp schieten of blijven wachten? Zouden de stribai de achterdeur gebruiken of aan de voorkant proberen hun tegenstanders uit te schakelen? Hij drukte zich nog wat dichter tegen de grond en vloekte. De stress begon nu de overhand te krijgen. Een minuut lang gebeurde er aan zijn kant niets, maar hoorde hij wel het heen- en weergeschiet aan de andere kant. Ik moet gaan helpen, gromde hij en nam zijn noodlottig besluit. Nog voor hij helemaal rechtstond werd hij doorzeefd. Hij was al dood voordat zijn lichaam terug de grond raakte.

De zelfgestookte aardappelwodka ging vlot rond en de sfeer was uitbundig. Met z’n achten zaten ze rond het vuurtje dat iemand had aangestoken voor hun barak in het Varčioswoud. Arvydas nam echter niet deel. Hij dronk enkel in de winter wodka. Hij was één van de weinige mannen die niet genoot van de smaak en nuttigde de sterke drank enkel om zich te verwarmen gedurende de lange, ijskoude, Litouwse winter. Marija daarentegen nam enkele stevige teugen. “Komaan zuikis, vier met ons mee. Het leven is al kort genoeg,” hikte ze. “Zeker als je een woudbroeder bent.” Iedereen gierde van het lachen en Arvydas toverde een geforceerde glimlach op zijn gezicht. “Ik moet mijn hoofd erbij houden,” bracht hij uit. “Niet nodig,” grinnikte Jonas, één van de meer ervaren partizanen, “als we te veel nadenken, worden we helemaal zot. Feesten, zuipen en neuken moeten we! Tot we de kans niet meer krijgen.” Ramaneekas had zich ook bij hen gevoegd. Hij liet enkele woudbroeders de bospaadjes naar het kamp bewaken, maar besefte dat zijn mannen stoom moesten aflaten. Toch hield hijzelf het bij één enkel shotje. Hij had tot dan geluisterd maar pikte nu in. “Arvydas heeft gelijk. Het is belangrijk om alert te blijven.” “Komaan zeg. Jullie weten hoe jullie een leuk moment moeten verneuken,” boerde Jonas. Hij krabde even aan neus. “Ik bedoel … het was toch een succesvolle nacht?” Ramaneekas veerde op en stootte daarbij bijna tegen een laaghangende tak van een elzenboom. “Vind je? Dat moet je me toch eens uitleggen!” Het klonk luider dan bedoeld en de commandant kreunde inwendig. Hij had zich nog zo voorgenomen zijn mannen van hun braspartij te laten genieten. “Nou … die burgemeester hebben we netjes uitgeschakeld. Bovendien hebben we drie stribai gedood. Dat zijn bonuspunten. Het doel is toch bereikt?” Iedereen zweeg plotseling en de hele kring keek Ramaneekas aan. Arvydas voelde hoe de spanning terug de groep in werd gekatapulteerd. Hij wist eveneens wat Ramaneekas zou zeggen. “Er mogen dan misschien wel bijna honderdduizend partizanen gemobiliseerd zijn over het volledige land, dat is niets vergeleken met de miljoenen Sovjets die zijn ingeschakeld. Zij kunnen het zich veroorloven een paar stribai en een collaborerende burgemeester te verliezen.” Ramaneekas zweeg even en keek de kring rond. Ze staarden hem allemaal aan en hij zag de hardheid in hun pupillen terugkomen. Enkel Jonas nipte nog eens aan zijn wodka. “Zij kunnen het zich veroorloven om soldaten te verliezen,” herhaalde hij, “maar wij kunnen het ons niet veroorloven om waardevolle mensen als Petras kwijt te spelen.” Er daalde een korte stilte neer over de groep waarin enkel de geluiden van een ontwakend woud te horen waren. Toen vloekte Jonas. “Godverdomme. We zijn hier om te doen wat we moeten doen. En we lopen allemaal risico. Niemand gaat Petras meer missen dan ik. Maar we kunnen alleen maar vechten, snappen jullie dat dan niet?” Hij krabbelde, met de nodige moeite, overeind en ging neus aan neus staan met zijn commandant. “Het lot kunnen we niet veranderen. Maar wij hebben vannacht een prima job gedaan. Wat je daarover ook te zeggen hebt.” Ramaneekas liet hem uitrazen. Verstandig, dacht Arvydas. In normale omstandigheden zou hij nooit tolereren dat Jonas hem zo zou afblaffen. Maar hij begrijpt dat de stress en het verlies van een vriend ons parten speelt. “En nu ga ik Petras eren op mijn manier. Door te poepen.” Hij stak zijn hand uit. “Kom Marija,” vervolgde hij. Marija greep zijn hand en trok zich hoegenaamd niets aan van een eventueel schaamtegevoel. Dat was ze ergens onderweg in de strijd kwijtgeraakt. Samen strompelden ze naar de barak en al snel hoorden de anderen hen kreunen.

Arvydas werd wakker bij zonsondergang. Hij had de hele middag op een smalle matras in de barak doorgebracht, naast Marija en Jonas, die zelfs niet de moeite had gedaan om zijn broek terug op te trekken. “Gezien de enorme hoeveelheid alcohol die ze door hun keel hebben gegoten, zijn die nog wel een tijdje buiten westen,” grijnsde Arvydas. Marija had haar rechterbeen over hem gegooid en met enige moeite wist Arvydas zich te bevrijden. Hij keek even rond. De laagstaande zon wierp zijn gloed door de halfgeopende deur. Hij begaf zich naar de houten tafel en schonk zichzelf een glas water in. Het water verdreef zijn slaapdronken gevoel. Hij brak een homp brood af, liep naar buiten en ging onder dezelfde elzenboom zitten waaronder ze hadden gedronken. Hij keek over de nu verlaten open plek voor de barak naar het bos en nam een hap van het brood. De miljoenen dennenbomen gaven hem altijd een gevoel van geborgenheid. Hij onderzocht met zijn ogen de korstmossen die de bodem van de dennenbossen overwoekerden en, zoals hij had geleerd van zijn ijverige leerkracht in de lagere school, het resultaat waren van een verregaande samenwerking tussen twee organismes: een schimmel en een blauwalg. Hij zag overal bosbessen groeien, maar miste de paddenstoelen. Die komen pas in de herfst tevoorschijn, mijmerde hij. Hij wist dat in de bossen grote zoogdieren leefden zoals edelherten en everzwijnen en zelfs wolven en wilde katten. Terwijl hij dromerig opnieuw een hap nam van zijn brood, kreeg hij enig begrip voor de Sovjets. Dit land zou ik ook willen bezitten als ik in hun schoenen stond, dacht hij. Maar ze moeten begrijpen dat wij het nooit zullen afgeven.

Hoofdstuk 6 – zomer 1947

Het gonsde en het waren deze keer niet enkel de bijen die rond de resten zoetigheid cirkelden. Het waren de geruchten die, sinds de netjes geüniformeerde Juozas Luksa in het kamp was verschenen, het geluid produceerden. Met een viertal mannen was hij plots opgedoken en hij had onmiddellijk zijn ring getoond aan Ramaneekas. “Om duidelijk te maken dat ik geen infiltrant ben, toon ik je de partizanenring,” had Arvydas hem horen zeggen. Hij had zich echter niet hoeven te legitimeren. Iedereen kende hem als één van de meest prominente leiders van de partizanen en als hoofd van de Birutébrigade die actief was rond Kaunas. Ramaneekas en Luksa hadden zich teruggetrokken in de bunker die de mannen de vorige zomer hadden gegraven naast de barak. Sindsdien had iedereen zijn eigen gedachten over de reden van het bezoek, hoewel sommige ideeën zo vergezocht waren dat ze niet serieus konden worden genomen. Jonas klonk het luidst: “Ik denk dat we een fabriek gaan aanvallen. Die verduivelde Bolsjewieken willen ons volk immers tot slaaf van hun machines maken.” De mannen hadden zich om hun elzenboom verzameld en Jonas keek rond om te zien of iemand hem durfde tegen te spreken. Marija was de slechte wip nog niet vergeten en waagde het. “Denk je echt dat zo’n hoge pief helemaal naar hier afzakt om een ordinaire sabotageactie te bevelen? Een daad die we al ik weet niet hoeveel keer hebben uitgevoerd? Mijn hemel, wat ben je naïef.” Jonas keek haar vuil aan, maar Marija sloeg haar blik niet neer. Om de zoveelste zinloze ruzie te vermijden, mengde Arvydas zich in het gesprek. “Misschien moeten we een clandestien blaadje drukken, misschien een hoge Sovjetfunctionaris in Kaunas gaan vermoorden of misschien komt hij gewoon een kopje koffiedrinken. We weten het niet. Laten we maar even afwachten. Ze zullen ons heus wel vertellen wat er te gebeuren staat.” “Zuikis,” grinnikte Marija, “jij bent niet alleen de mooiste jongen van de hoop, maar ook de verstandigste. Waarom wil jij nooit met mij naar de barak gaan?” Op Jonas na barstte iedereen in lachen uit. Arvydas voelde zijn wangen rood worden en wist zich geen houding te geven.

Ze gebruikten de houten kratten waarin ze hun wodka vervoerden als stoel. Iedereen had een zitplaats gevonden en enkel de vijf partizanen die de toegang tot het kamp bewaakten, waren afwezig. Ramaneekas had hen er ook graag bijgehad maar met een dergelijk hoog bezoek nam hij geen risico. De Sovjets probeerden immers voortdurend in hun rangen te infiltreren en als iemand in het Rode Leger wist dat Juozas Luksa naar het Varčioswoud was afgezakt, konden ze een veldslag verwachten. Ramaneekas kon geen risico nemen. Hij keek hen aan en voelde hun spanning. Eén voor één nam hij de vijftien haveloze gezichten van de mannen die voor hem zaten in zich op. Hij zag Arvydas kauwen op de stengel van een vrouwenschoentje, een orchideeënsoort die in groepjes van ongeveer tien overal in het kamp aanwezig was. Jonas staarde onbewogen voor zich uit. Jurgis draaide met zijn hoofd van links naar rechts om de spanning uit zijn nekspieren te laten vloeien. Marija was overduidelijk nieuwsgierig. Naast zijn elf partizanen en de vijf bewakers, hadden ook de vier leden uit het gevolg van Luksa hun plaats ingenomen. Zij staken fel af tegen de mannen van Ramaneekas. In hun groenbruine uniformen leken ze rechtstreeks van de militaire academie te komen. Ramaneekas had het gevoel dat ze minder vaak honger hadden geleden tijdens de voorbije twee strenge winters en minder vaak ziek waren geweest in de extreem natte herfsten die het bos tot een moerasland hadden omgetoverd dan zijn mannen. Afgaan op iemands uiterlijk is eigenlijk dom, vermande Ramneekas zich. Misschien is het wel passend dat onze strijders degelijke uniformen dragen. Dat komt beter over op de bevolking en zo stralen wij ook een soort van eenheid uit.

“De bolsjewieken zijn bloeddorstig, verachtelijk en kwamen bepaald onuitgenodigd,” begon Luksa zijn toespraak. Hij stond recht voor de zittende mannen en met zijn lange, slanke gestalte maakte hij indruk. Met zijn krullend, zwart haar leek hij niet op de gemiddelde Litouwer, maar hij sprak met zoveel patriotisme dat niemand aan zijn afkomst twijfelde. “Ze bezetten ons land, sturen tienduizenden van onze mensen naar Siberië, halen grote groepen Sovjets naar hier om ons land te koloniseren, vermoorden en folteren en behandelen ons als hun onderdanen.” Hij werd onderbroken door instemmend gejoel. Ramaneekas glimlachte inwendig. Luksa was duidelijk een bevlogen spreker en wist hoe hij de toehoorders op zijn hand moest krijgen. Hij probeerde hun enthousiasme op te wekken. Dat zouden ze nodig hebben, wanneer ze straks vernamen wat hij hen kwam vragen. “Wij zijn het antwoord. Wij, de vrijheidsstrijders, de woudbroeders, de partizanen gaan de gewapende en ideologische strijd met die vervloekte communisten aan.” Opnieuw klonk er gejoel en Ramaneekas had even het gevoel dat Luksa er zich aan ergerde. Met een kort handgebaar vroeg hij opnieuw om stilte. “We kunnen het echter niet alleen. We hebben hulp nodig uit het Westen. Daarom ga ik weldra naar Zweden.” Nu werd het stil en even was de wind het enige die nog hoorbaar was. Naar Zweden, verwonderde zich Arvydas, wat ga je daar doen? En wat hebben wij daarmee te maken?” De Sapo, de Zweedse geheime dienst, staat aan onze kant! Het Westen moet ingrijpen. Zonder hen hebben we immers weinig kans. Ik ga naar Zweden om afspraken te maken. Als God het wil, slaag ik erin om door het ijzeren gordijn te glippen!” Even zweeg Luksa en hij gaf de mannen de tijd om deze informatie te verwerken. “Maar ondertussen moeten de zaken hier ook geregeld worden. Mijn brigade zal een tijdje zonder een bekwame leiding zijn en er dienen dringend enkele zaken geregeld te worden. Daarom ben ik hier!”

Hij zette zijn pion twee vakken naar voren en schoof bij de volgende zet zijn loper diagonaal naar de vrijgekomen ruimte. Het was één van zijn typische openingszetten en Jurgis was al meermaals in de val gelopen. Hij monkelde en Arvydas wist dat hij het gevaar voor zijn toren inzag. Wanneer Jurgis zijn buitenste pion naar voren schoof, kon Arvydas met zijn loper het volledige speelveld oversteken en de toren nemen. Arvydas wist ook dat Jurgis ergens in het spel dat gevaar zou vergeten en dat de toren nu al eigenlijk in zijn bezit was. Ze zaten te schaken op het grasveld voor de barak en speelden de vraag van Luksa even naar de vergetelheid. Het antieke schaakbord dat iemand meegenomen had uit zijn dorp en al voor menige avond vertier had gezorgd, hadden ze op de houten krat geplaatst, waarop daarnet Jurgis nog had zitten luisteren naar de speech. Arvydas speelde met zijn snor, een zenuwtrek die hem wel vaker parten speelde wanneer hij nadacht. Jurgis kwam met zijn paard opzetten. Een vervelend manoeuvre, dacht Arvydas, aangezien het paard het enige stuk is dat over andere stukken heen kan springen. Terwijl hij nadacht over zijn volgende zet, speelde de wind op en bracht even verkoeling naar de open plek. Het leek wel een kampavond van de scouts en de tijdelijke vrede bezorgde hun enige rust. “Wat is jouw mening?” vroeg Jurgis plots. “Ik ga winnen, je speelt zoals een seniele, oude man,” antwoordde Arvydas. “Je weet best wel wat ik bedoel.” Arvydas keek even op en zag aan Jurgis dat hij raad nodig had. In een vorig leven was de man een journalist geweest en hij was één van de eersten die zich in de bossen had verstopt om aan Stalins’ deportaties naar de strafkampen te ontkomen. Hij heeft alles in het werk gesteld om te overleven en nu zit hij met een dilemma, bedacht Arvydas. De vraag van Luksa beantwoorden kan hem immers zijn hachje kosten. “Ik weet het niet, ik moet er eens over slapen. Vandaag wil ik gewoon genieten van de zon, het bos en dit partijtje schaak. Morgen zal ik Ramaneekas mijn antwoord geven.” Zoals verwacht stak de loper van Arvydas even later het hele bord over en nam de toren in beslag. “Godverdomme, je doet het opnieuw. Ik had het moeten weten!” grommelde Jurgis. Arvydas lachte zijn tanden bloot. Hun schaakpartijen namen ze immers heel serieus.

Hoofdstuk 7 – eind augustus 1941

“Een week oud en zich van geen zorgen bewust. Hoe heerlijk kan het leven zijn,” lachte Arvydas terwijl hij de pasgeboren Myrthe in zijn armen hield. Steeds opnieuw was hij verbaasd hoe klein het leven was dat Gitana hen vorige week had geschonken. Aanvankelijk durfde hij de baby zelfs niet vast te nemen, uit schrik dat hij haar liet vallen. Maar Gitana had snel duidelijk gemaakt dat ze met dergelijke flauwekul niet was opgezet. Ondertussen was hij over de eerste angst heen. Hij kuste zijn vrouw vol op de mond. Gitana was alweer snel ter been. Twee dagen na de bevalling hielp ze, zoals verwacht, weer op de boerderij. Arvydas had geprotesteerd maar Gitana had er zelfs niet naar geluisterd. “We doen dit samen,” was haar credo. “Ik help mee op de boerderij en jij helpt mee je dochter op te voeden.” Ze hadden de hele dag gewerkt en de hitte van de dag was nog aanwezig in het woonhuis. Arvydas wandelde met zijn dochter in zijn armen naar buiten en zette zich in de portiek. Hij keek uit over het erf en de boerderij die bestond uit een aantal houten gebouwen met rieten daken die in schijnbaar willekeurige posities bij elkaar stonden. Iets verderop stonden nog twee andere boerderijen en samen vormden ze een soort van dorpje zonder naam. Een dorpje dat je niet terugvond op de stafkaarten en daardoor zelfs in de oorlog verzekerd was van een relatieve rust. Een vrediger tafereel was moeilijk te vinden. Gitana was naast hem komen zitten met een beker melk. “We zijn nu met z’n drieën, schatje,” zei ze terwijl ze met haar vrije hand zachtjes door zijn haren wreef. “Wie had dat ooit kunnen denken?”

“Met z’n drietjes,” zuchtte Arvydas toen Myrthe die nacht voor de vijfde keer begon te krijsen. Om de beurt gingen ze kijken om vervolgens tot de conclusie te komen dat ze toch niet bijzonder veel konden doen. Arvydas stond de oneven keren op en Gitana de even. “Jij kan haar nog de borst geven, maar wat kan ik doen?” mompelde hij enigszins geïrriteerd. “Wat zei je?” vroeg Gitana slaapdronken. “Niets, laat maar.” Hij stond al naast zijn bed en liep de slaapkamer uit en de overloop op. Aan het einde van de gang lag zijn dochter en zodra hij de deur opendeed, verdween zijn slechte humeur als had er een tovenaar met zijn toverstok gezwaaid. “Kom hier schatje, wat scheelt er? Moet papa een liedje zingen?” Hij nam zijn dochter uit de kribbe, ging op de stoel ernaast zitten en probeerde haar terug in slaap te wiegen. Het duurde zeker nog twintig minuten vooraleer ze terug rustig werd. Zo voorzichtig als maar mogelijk was, legde hij haar terug te slapen om vervolgens op zijn tenen terug naar bed te sluipen. Nauwelijks een kwartier later begon het blèren opnieuw.

“Litas, vandaag mag jij voor molenaar spelen,” zei Arvydas terwijl hij zijn knecht op de schouder klopte. Arvydas had twee knechten op zijn boerderij maar eigenlijk was Litas al aanwezig zolang Arvydas zich kon herinneren. Arvydas’ vader had de toen nog jonge kerel in dienst genomen en hij had nooit meer elders gewerkt. Hij was als het ware onderdeel van de boerderij en deel van het gezin geworden. “Slecht geslapen, baas?” grinnikte Litas. Arvydas kon nog net de fut opbrengen om één wenkbrauw te fronsen. “Dat is een understatement. Misschien moet ik jou maar eens vragen om een nachtje naast dat kind door te brengen!” “Daarvoor betaalt u me niet genoeg,” grijnsde de knecht. “En uw vrouw zou het ook niet toelaten.” “Dat eerste klopt van geen kanten maar helaas heb je wel gelijk wat dat tweede betreft,” zuchtte Arvydas. “Laten we maar wat graan tot meel gaan malen.” De taken op de boerderij waren opgesplitst. Vandaag ging Gitana de varkens verzorgen. Reeds gedurende vele decennia waren varkens de voornaamste dieren in de schuur van de Litouwse boeren en Arvydas vormde hier geen uitzondering op. “Fokken, verzorgen en slachten. En proberen geen band te krijgen met de dieren,” murmelde Gitana steeds. Vooral met dat laatste had ze moeite. Naast negen varkens bezaten ze ook nog twee koeien, een schaap en wat kippen. Gitana had ze vroeger allemaal een naam gegeven, maar dat was een slecht idee. Wanneer je dan in de winter een varken moest slachten, leek het alsof je een goede vriend vermoordde. En wanneer ze een biggetje verkochten, had Gitana altijd het gevoel alsof ze een kind afstond. Nu hadden enkel de koeien nog namen. Die werden immers niet geslacht of verkocht omdat ze melk leverden. Op een normale dag kon Gitana wel tot 40 liter melk verkopen. “Dus mogen de koeien een naam hebben,” had ze besloten. Arvydas vond het onzinnig maar durfde niet tegen zijn vrouw in te gaan.

Arvydas en Litas stonden in voor de korenmolen. Zij moesten uit graan tarwemeel malen. Later werden van dat meel dan weer brood en koeken gemaakt. Een deel gebruikten ze voor eigen consumptie, maar het overgrote deel verkochten ze op de markten in de nabijheid. “Vervelend dat ook de Duitsers een deel van de koek eisen,” gromde Litas. “Ik ben die verplichte leveringen onder het mom van oorlogsbelastingen zo beu als koude pap.” Arvydas reageerde niet op het geklaag van zijn knecht. Hij was geconcentreerd bezig en probeerde met een lichtstok drie balken via een soort van hefboomwerking op en neer te laten bewegen. Zo probeerde Arvydas de afstand tussen de twee molenstenen nauwkeurig in te stellen. Die stenen waren immers de echte molenaars. De onderste steen, die ze de ligger noemden, zat vast aan de vloer van de zolder en daaronder had je een soort van kleine tussenruimte waarin de maalsteen kon draaien. Litas liet zich door het schijnbare gebrek aan interesse van zijn baas niet ontmoedigen en jammerde verder. “Ik bedoel, ze doen maar op. Ik was blij toen ze de Sovjets kwamen verjagen maar nu …? Ze dwingen mannen om te gaan werken in Duitsland of brengen anderen gedwongen onder in het Duitse leger.” Arvydas zuchtte inwendig. Hij kende Litas lang genoeg om te beseffen dat zijn knecht even een luisterend oor nodig had. Wanneer hij zijn frustraties had kunnen uiten, zou hij dubbel zo hard werken. Hij liet de lichtstok een ogenblik voor wat hij was en keek zijn oude vriend aan. “Nochtans steunen veel mensen de Duitsers. En niet alleen in de steden, zelfs hier op het platteland.” Litas spuwde op de grond. “Dommeriken,” fulmineerde hij. “Ze zien niet wat er werkelijk gaande is. We zijn van de regen in de drop gesukkeld.” “Misschien heb je wel gelijk, maar veel kunnen we er niet aan doen. Laten we ons nu maar concentreren op ons werk!” gebood Arvydas die er nu echt genoeg van had.

De dag vloog voorbij. Arvydas had nauwelijks door hoe laat het was toen Litas hem duidelijk maakte dat hij ondertussen echt wel honger had. Ze verlieten de molen en liepen terug naar het woonhuis. Terwijl ze het erf overstaken, bedacht Arvydas hoe vreemd gelukkig hij momenteel was, zelfs in deze afschuwelijke oorlogstijd. De dagen vliegen voorbij en het is hard werken. Maar ik heb mijn vrouw en kind bij me en hier op de boerderij lijkt de tijd toch stil te staan. Elke dag lijkt op de voorgaande en dat gestage ritme geeft me een goed gevoel. Instinctief klopten ze de modder van hun rubberen botten vooraleer ze het woonhuis binnengingen. Het afkloppen van de laarzen was een ritueel geworden dat Gitana had afgedwongen. Ze dachten er zelfs niet meer bij na. Op tafel stond een kan dampend warme koeienmelk en Litas schonk zich een beker in vooraleer hij zich aan de nog lege tafel zette. Normaal stond het avondeten klaar wanneer ze gedaan hadden met werken, maar Arvydas realiseerde zich dat Gitana het nu veel drukker had dan vroeger. Hij zette zich naast Litas aan de tafel en schonk zich ook een beker melk in. Enkele seconden later kwam Kazimeras de keuken ingewandeld met een brullende baby Myrthe op de arm. Kazimeras was de tweede knecht van de familie en Gitana had hem blijkbaar opgedragen voor de baby te zorgen terwijl zij nog met de dieren bezig was. “Ze heeft heel de middag geslapen, maar nu heeft ze honger,” vertelde Kazimeras. “En ik kan haar niet helpen,” voegde hij er totaal overbodig aan toe. Arvydas begon te lachen. “Wat scheelt er?” vroeg Litas. “Drie mannen en een huilende baby rond een lege keukentafel en niemand heeft ook maar enig benul van wat te doen.”

Ze aten een uur later dan normaal dus rammelden alle magen van de honger. Gitana had ondertussen de met paddenstoelen en kaas gevulde aardappelknoedels waarop Arvydas zo verlekkerd was, op tafel gezet. Litas schepte de als dessert bedoelde gebakken varkensoren op zijn bord en deed alsof hij niet merkte dat Gitana hem verwijtend aankeek. “Hebben we nog bier?” bromde Kazimeras. “Niets meer. De Duitsers zijn het komen halen. Verplichte leveringen noemden ze het,” antwoordde Arvydas met een volle mond en een vettige snor. Kazimeras keek maar sip. Hij had zoals steeds zin in een koud glas bier op het einde van de dag. “Misschien hebben we nog wat mede liggen?” zei Gitana troostend. “De Duitsers vinden honingdranken minderwaardig. Die laten ze links liggen.”

Hoofdstuk 8 – februari 1949

Alsof ze gewone arbeiders waren, floten de twee bewakers allerlei liedjes terwijl ze de lege cel aan het herschilderen waren. De zoveelste laag kwam op de muren te zitten om de namen en nota’s die de gevangenen erin hadden gekrast, te verwijderen. Het gefluit drong door tot de naburige cel waarin Arvydas zat en wekte een gevoel van wrok op. Het alledaagse van een gewone werkdag vermomd in hun gefluit terwijl wij hier liggen te creperen, flitste er door zijn hoofd. Hopelijk krijgt de cel een vrolijk kleurtje maar ze zullen het wel weer op deprimerend grijs of legergroen houden. Arvydas keek even rond. De anderen stoorden zich blijkbaar niet aan het gefluit of schermden zich ervan af. De priester was wakker maar zat met gesloten ogen te verwijlen in een ander oord. Juozas werd nog steeds genegeerd. Aanvankelijk had hij geprobeerd om enkele malen een gesprek aan te knopen, maar niemand reageerde nog op hem. Uiteindelijk had hij het opgegeven en ondertussen had hij al twee dagen niets meer gezegd. Vytautas was lichamelijk gebroken. Na de folteringen hadden ze hem twee dagen laten recupereren. Daarna hadden ze hem in de watercel gestopt. “Iedereen breekt in de watercel, Erelis, iedereen.” Hij noemt me bij mijn codenaam, dacht Arvydas terwijl hij zich naast het ingevallen lichaam van de eens zo brede man had gezet. Hij beseft het misschien niet, maar zijn geest biedt nog tegenstand. “Is het zo erg?” fluisterde Arvydas. Hij legde zijn hand op de borst van Vytautas om diens stokkende ademhaling tot rust te brengen. Het hielp niet maar hij had zijn vriend niet meer te bieden dan dit teder gebaar. “Het is er … ijskoud. Ik bedoel … Het is winter en er is geen verwarming. Er zit zelfs geen glas in het kleine venster.” Vytautas zweeg even en Arvydas kon zich de harteloze kilte van het vertrek perfect voorstellen. Een rilling liep van zijn onderrug tot aan zijn nek. “In het midden van de cel staat een soort van opgehoogde schijf ter grootte van een klein wiel. De rest van de cel hebben die smeerlappen onder water gezet. Onder water!” Hij hijgde en Arvydas vroeg zich af of Vytautas een nieuwe ondervraging zou overleven. Onbewust betrok hij de situatie vervolgens op zichzelf. Hoelang zou hij standhouden wanneer zijn beurt kwam? Een paniekaanval schuilde om de hoek maar hij kon nog net zijn gedachten afschudden door zich opnieuw te concentreren op zijn vriend. “Zolang je wakker blijft, kan je op die stolp blijven staan. Maar als je in slaap valt of je evenwicht verliest, plons je in dat water … En ze hebben me er wel twee volledige dagen laten staan.” Hij hoestte en spuwde onbewust een gelig slijm op de vloer. De hoestbui bleef aanhouden en Arvydas tilde het hoofd van zijn vriend op. “Ik ben er zes keer ingevallen, Erelis, zes keer!” fluisterde Vytautas.

Ze tilden hem op omdat hij zelf niet meer in staat leek om recht te komen. Deze keer keek Arvydas de bewakers openlijk vijandig aan en Valentin voelde zijn priemende blik. “Jij bent binnenkort aan de beurt, zwijn. Ik ben benieuwd of je dan nog zo kijkt.” Even leek het erop dat de bewaker hem zou slaan. Arvydas besefte dat het verstandig was om zijn blik af te wenden maar zijn haat was te groot. Hij walgde van alles wat naar de Sovjetunie rook en Valentin was de personificatie van dat land. Hij bleef staren terwijl ze Vytautas uit de cel sleepten en zijn blik bleef nog op de celdeur gericht lang nadat die al terug was gesloten.

Vandaag ging hij hun vertellen wat ze wilden weten. Vytautas realiseerde het zich meteen toen ze hem kwamen halen. Hij had de kracht niet meer om de pijn te verduren. Hij wist niet welke methode ze deze keer zouden gebruiken, enkel dat die nog pijnlijker zou zijn dan de vorige. En hij kon zich niet indenken dat iets nog pijnlijker was dan de twee nachten in de watercel. Zijn handen waren doof en gevoelloos geweest, zijn spieren stijf en verkrampt. Zijn huid was loodkleurig geworden en hij had aldoor gerild. Uiteindelijk was hij bewusteloos geraakt en hadden ze hem terug naar zijn cel gebracht. Ze ondersteunden hem in de gang en voetje voor voetje ging het opnieuw naar de trap. Valentin volgde hen op korte afstand en Vytautas voelde aan dat de Sovjet het ondertussen persoonlijk opnam dat hij nog niet was gekraakt. De twee bewakers trokken hem langzaam, haast teder, vooruit. Ze namen opnieuw dezelfde weg die Vytautas reeds twee avonden had moeten nemen. Langs de toiletten tot aan de houten trap. In hun gedrag zijn ze best voorspelbaar, dacht hij nog. Het ligt in hun volksaard. Hopelijk kunnen we daar ooit nog gebruik van maken.

Aan de trap hielden ze halt. Zijn twee bewakers hielden hem nu zo stevig vast dat zelfs als hij fit was geweest, hij zich moeilijk had kunnen losrukken. In zijn huidige toestand was het helemaal onbegonnen werk. Valentin kwam dichterbij om de mannen op het gelijkvloers het signaal te geven dat ze met een vracht onderweg waren. Toen de nurkse sergeant achter hem door schoof, gingen bij Vytautas zijn nekharen recht staan. Intuïtief voelde hij opnieuw aan dat het voor deze man meer betekende om hem te doen praten dan voor de doorsnee bewaker. Hij doet dit niet gewoon omdat het zijn job is, dacht Vytautas, hij schept er een duivels genoegen in. Bovendien is hij vasthoudend. Waarschijnlijk hebben ze hem daarom sergeant gemaakt. Zonder iets te zeggen, legde Valentin zijn vrije hand op de nek van Vytautas en liet hem daar enkele seconden rusten. Vytautas merkte dat de man stonk naar een mengeling van sigaretten en rode bieten, waarschijnlijk afkomstig van hun befaamde Russische bietensoep. De sergeant kroop daarna langs hen door en drukte op het verborgen knopje onder de trapleuning zodat de bewakers op de bovenverdieping gewaarschuwd werden dat er een vracht onderweg was. Opnieuw wachtten ze enkele seconden en dan tilden zijn bewakers Vytautas op. De houten trap kraakte vervaarlijk onder het gewicht van de mannen.

De verzengende pijn was alom tegenwoordig. Even nog hadden de Sovjets hem verzocht om te praten, maar toen al snel duidelijk werd dat opnieuw geen succes werd, hadden ze hem opnieuw naar de grimmige foltervertrekken gebracht. Ze hadden hem weer het keurslijf aangetrokken en met een demonische grijns op zijn gelaat was Valentin in zijn maag beginnen te boksen. De twee bewakers hadden zich naast de deur gepositioneerd en staarden schijnbaar in de verte alsof ze geen onderdeel van het geheel waren. De slagen volgden elkaar in een regelmatig tempo op en werden enkel onderbroken door steeds dezelfde drie vragen: “Hoe heet je? Hoe heet je vrouw? Waar wonen jullie?” Valentin wachtte daarna enkele seconden om de naar adem happende Vytautas de kans te geven om te antwoorden, maar eens duidelijk werd dat het antwoord niet zou komen, stootte hij opnieuw. En opnieuw. De opgevulde muren van de cel absorbeerden Vytautas’ geschreeuw om hulp. Zijn kreten moedigden Valentin enkel aan om nog harder te slaan. Vytautas kokhalsde en het kwijl vloog in het rond. “Hoe heet je? Hoe heet je vrouw? Waar wonen jullie?” Tweemaal verloor hij het bewustzijn. “Goed,” hijgde Valentin, “dan kan ik ook even op adem komen.” Hij grijnsde naar de bewakers. “Het is heus vermoeiend om op dat varken in te blijven beuken. Maar het is wel goed voor mijn conditie.” Plichtsgetrouw lachten de bewakers om het macabere grapje. Ze lieten hun slachtoffer even hangen. Na een paar minuten gooiden ze een halve emmer water over Vytautas en begonnen de slagen opnieuw. Niet veel later kotste Vytautas bloed. Hij kocht er wederom enkele seconden respijt mee. Niet meer dan enkele seconden. “Het varken wordt geslacht,” krijste Valentin. “Hoe heet je? Hoe heet je vrouw? Waar wonen jullie?”

“Birutė Mažeikaitė,” Valentin keek de gevangenen triomfantelijk wreed aan. “Zijn vrouw heet Birutė Mažeikaitė. Ze woont samen met haar echtgenoot Jonas Misiünas in Bielėnai, waar ze zes hectaren land hebben.” Hij lachte smakelijk terwijl hij de hele deuropening innam. “Zijn codenaam was Vytautas, naar die idiote middeleeuwse koning van jullie. Dat laatste wisten jullie natuurlijk al. Vannacht nog gaan we zijn wijf oppikken en binnenkort vertrekt ze naar de goelag. Samen met haar drie kinderen. Ik zou wel eens willen weten wie van hen de eerste twee maanden in Siberië overleeft.” Hij keek de vijf gevangen aan en Arvydas voelde zijn nood aan bevestiging. Zou hij nu verwachten dat we gaan rechtstaan en beginnen te klappen? Goed gedaan, kerel, jij weet van aanpakken, vroeg Arvydas zich af. De anderen wendden hun blik af. Zelfs Juozas, de collaborateur, voelde een verschrikkelijke gêne de kop opsteken. Arvydas verachtte de sergeant. Van alle Sovjets vond hij Valentin het meest perverse sujet. Hij doet het gewoon voor de kick, besefte Arvydas opnieuw. Hij was de enige die zijn blik niet afwendde. Hij wist dat het niet verstandig was. Het was al de tweede maal dat hij de toorn van Valentin riskeerde. En wat dat kon betekenen was iedereen in de cel ondertussen duidelijk. Maar voor de eerste keer sinds hij was gearresteerd voelde hij geen schrik meer. Voor het eerst was zijn angst en zijn natuurlijke voorzichtigheid ondergeschikt aan zijn pure haat en zijn verstand aan zijn gevoel. Hij realiseerde zich dat Vytautas nu dood was en hij besefte eveneens dat hij de volgende kon zijn, maar hij bleef Valentin minachtend aanstaren. Valentin merkte het op. “Ik heb je vorige keer al gezegd dat je moet oppassen, stuk onbenul. Je bent duidelijk niet slimmer dan die dode vriend van je. Het is niet verstandig om me uit te dagen.” Arvydas antwoordde niet maar weigerde ook zijn blik neer te slaan. Hij kon Valentin geen twee overwinningen in één nacht gunnen. De spanning vulde bliksemsnel de lucht in de naargeestige cel. Het was Valentin die er een einde aan maakte. “Ik ben te vermoeid om me nu met je bezig te houden! Maar ik garandeer je nog een rendez-vous.” Met een ruk trok hij de deur achter zich dicht. Arvydas wist dat hij hem een deel van zijn plezier had ontnomen. De priester legde zijn hand op Arvydas’ schouder. “Dat was erg dapper maar ook superdom,” zei hij. “Ik weet het vader, ik weet het.”

Бесплатный фрагмент закончился.

985,37 ₽
Возрастное ограничение:
0+
Объем:
250 стр. 1 иллюстрация
ISBN:
9783991079170
Издатель:
Правообладатель:
Bookwire
Формат скачивания:

Похожие книги