Читать книгу: «Zes maanden bij de commando's»

Шрифт:

Nico J. Hofmeyr

Zes maanden bij de commando's


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066401146

Inhoudsopgave

VOORREDE

I

II

III

IV

V

VI

VII

VIII

IX

X

XI

XII

XIII

XIV

XV

XVI

XVII

XVIII

XIX

XX

XXI

XXII

XXIII

XXIV

XXV

XXVI

XXVII

XXVIII

XXIX

XXX

XXXI

XXXII

XXXIII

XXXIV

XXXV

XXXVI

XXXVII

VOORREDE

Inhoudsopgave

De volgende bladzijden zijn tijdens den oorlog te Pretoria begonnen en te Oudtshoorn verder voortgezet. Zij zijn niet geschreven, om de eene of andere geliefkoosde stelling, in verband met de groote Zuid-Afrikaansche worsteling, te verdedigen of te wederleggen. Aan de critiek en de politiek heb ik mij zooveel mogelijk onthouden. Ik heb slechts willen verhalen, uit een en ander door mij gezien en ondervonden, gedacht en gevoeld gedurende de eerste negen maanden van den strijd, waaraan ook ik, als Transvaalsche burger, heb deelgenomen. Met verstand en geweten, zoowel als met hart en bloed, sta ik aan de zijde der Republikeinen. Ik maak derhalve geene aanspraak op de schoon-klinkende, maar voor de meeste menschen onmogelijke onpartijdigheid. Daarbij echter, heb ik mijne oogen niet willens en wetens voor het goede en het edele in de tegenpartij gesloten. De klove tusschen de twee groote blanke rassen van ons land is reeds zóó groot, en eene mannelijke verzoening en samenwerking tusschen die beide is zóó noodzakelijk voor de stoffelijke, intellectuëele, zedelijke en godsdienstige welvaart van Zuid-Afrika, dat het de plicht van elken waren patriot is, om zoo veel mogelijk die klove te dempen en de gewenschte harmonie te bevorderen. Zelfs Sir Alfred Milner—die, onzes inziens, in vele opzichten »de teekenen der tijden” in ons zuidhoek verkeerdelijk gelezen heeft—heeft moeten erkennen, dat het heil van Zuid-Afrika in de wederkeerige achting der Hollandsche en Engelsche bevolking voor elkander gelegen is. Daartoe heb ik ook het mijne willen bijdragen, door de eenvoudige en ongekunstelde waarheid en werkelijkheid, zoo als die aan mij duidelijk geworden zijn, zonder vrees of gunst—maar niet zonder liefde, en gastvrijheid van geest—bekend te maken.

N. HOFMEYR

Oudtshoorn, April 1901

I

Inhoudsopgave

Oorlog of Vrede?

't Is de maand September van het jaar 1899. De beide Volksraden zitten te Pretoria. Dikwijls, al te dikwijls is er een geheime zitting, nu eens in den Eersten, dan weêr in den Tweeden Raad. Soms vindt er ook wel een vereenigde zitting plaats met gesloten deuren. Wat is er gaande? Wat wordt er besproken? De oningewijden weten slechts dit: dat de politieke situatie hoogst ernstig is en dat de oorlogswolken zich boven den geliefden Staat samenpakken.

Oorlog of vrede?—ziedaar de vraag, die in elk hart onophoudelijk opdoemt, en op aller lippen zweeft. Gretig wordt elk nieuwsblad verslonden; angstig wordt het gelaat van den grijzen President, wanneer hij zijn kantoor verlaat, bestudeerd. Wat zal het zijn? Is er hoop op een vreedzame schikking? Is er kans op een eervolle oplossing? Wat zal het nieuwe depêche nu weer bevatten? O! die akelige kabelgrammen! Zij maken het ons zoo zwaar, om kalm en bedaard te denken en te spreken. Zij vullen ons gemoed met toorn. Zij verspreiden een onuitblusschelijk vuur van rassenhaat. Zij willen den oorlog, niets minder dan den oorlog! God vergeve die draadtrekkers: want zij weten niet wat zij doen. Zij lachen nu; later zullen zij niet meer lachen, maar wel op de tanden knersen.

Gij ontmoet iemand op de straat. Vroeger wisselde hij geen woord met u. Thans komt hij u tegen met de ernstige vraag: »weet ge ook wat nieuws over de situatie? Wat staat ons voor de deur?” Gij spreekt als oude kennissen met elkander: de groote, brandende, alles verslindende kwestie doet vreemdelingen zelfs voor het oogenblik ineensmelten.

Een vriend uit Johannesburg, die uw oordeel nooit over eenig onderwerp inriep, komt u tegen met de vraag: »Zal ik mijn goudaandeelen van de hand zetten, of nog meer geld in aandeelen beleggen?”

»Man! wat weet ik van zulke zaken af? Ik ben geen makelaar. Waarom vraagt u mijne opinie over zulke dingen?”

Hij fluistert u in 't oor: »Jij kent meneer Reitz, niet waar? Of Jan Smuts, den Staats-Procureur? Of een van de Leden van den Uitvoerenden Raad of den Volksraad. Hebben zij u niets verteld? Hoe lijkt het, vriend? Zeg mij in 's hemels naam, wat ik doen moet om.... geen geld te verliezen.”

In vroegere eeuwen klonk het: »wat moet ik doen om zalig te worden?” Thans hoort men gewoonlijk: »wat moet ik doen, om geld te maken?” Geld kan immers zoo vele dingen koopen, die (op 'n manier!) ook zalig maken!

Groot is de man, in de maand September 1899 te Pretoria woonachtig, die in een tram gezien wordt met den heer Reitz sprekend—mogelijk over het weêr, of over een gedicht! Nog grooter de man, die zich een vriend van een Lid van den Uitvoerenden Raad durft noemen. Grootste van al, die zijne pijp met presidentieel tabak op den welbekenden stoep in de Kerkstraat gestopt heeft! Elk een, die hem tegen komt, verlangt van hem het jongste nieuwtje te vernemen. Elk een hoopt door zijne bemiddeling een kijkje achter de gordijnen te krijgen.

Oorlog of Vrede? Wat zal het zijn? Waar gaan wij henen? Wat staat ons voor de deur? Elk huis, elk hart, elk uur, elke plaats wordt overschaduwd door een donkere, angstige onzekerheid, over het gansche Zuid-Afrika hangt er een huivering-wekkend?

Johannesburg loopt langzamerhand leêg, zeggen de couranten. De »Uitlanders”, die hun uiterste krachten hadden ingespannen om de Transvaal in een oorlog met Engeland te wikkelen, zijn nu zeker dat hun doel zal bereikt worden. Zij gaan derhalve bijtijds naar Durban, Port Elizabeth of de Kaapstad—»voor eenige weken, of maanden,” zeggen zij, »wanneer de Britsche legers wel zegevierend Pretoria zullen instappen.” Twee, later drie treinen per dag dragen de loyale Britten en anderen, die zich in den naderenden strijd niet mengen willen, naar de kust. 't Is een slecht teeken voor degenen, die den vrede begeeren en om den vrede bidden. De schaduw des oorlogs schijnt bij voorbaat reeds op het land te vallen. De Engelsche nieuwsbladen worden al onstuimiger. Zij blazen het oorlogsvuur al meer en meer aan. Zij ontvlammen de kalmste en bezadigste gemoederen. Weten zij wel wat zij doen? Willen zij de zaden van een eeuwigen rassenhaat in Zuid-Afrika planten? Willen zij het Britsche volk bedwelmen door hun buitensporige artikels, hun lage leugentaal, hun hartstochtelijke uitbarstingen? Willen zij de Regeering, de Raadsleden, ja elken man en elke vrouw, die zich »Transvaler” of »Afrikaner” noemt, met woede vervullen, en alzoo een vreedzame schikking onmogelijk maken? Helaas! het schijnt maar al te waar: de Star, de Transvaal Leader, de Cape Times, om andere organen niet te noemen, werken met macht en kracht voor den oorlog en tegen alle toenadering tusschen de twee Regeeringen en volkeren, die elkander reeds niet te veel liefde toedragen.

Groot is de macht der pers; grooter is de macht van het goud der kapitalisten; vereenigd in een onheilig verbond kunnen die twee machten werelddeelen tegen elkaar in 't harnas jagen.

Menig gesprek mocht ik in die dagen van spanning met mijn twee naaste buren, de heeren Piet Cronjé en Koos de la Rey, voeren. Eerstgemelde hield met de hem eigene hardnekkigheid vol, dat het tot geen oorlog komen zou. »God zou het niet zoo ver laten komen”—was zijn vast geloof. Tot op het laatst nog, toen hij mij groette bij zijn vertrek als Hoofd-Generaal der westelijke commando's—toen nog beweerde hij heel kalm, dat er een vreedzame oplossing zou gevonden worden.

Kenmerkend van den man is het volgende, dat ik bijna woordelijk, zoo als door hemzelven gesproken, teruggeef. Het was op een namiddag, kort na hij van eene vergadering van den Uitvoerenden Raad, (waarvan hij lid was) naar zijn woonhuis was teruggekeerd, dat ik hem ging bezoeken. Voor zoo ver ik mij herinner, gebeurde het tegen het midden van de maand September.

»Er zal geen oorlog zijn,” zei de grijze held, op zijn zachte doch zeer besliste wijze. »God heeft het mij in een droom of gezicht geopenbaard. Ik zag een groot beest op mij afkomen. Het was een vreeselijk monster—een soort beer, of zoo iets. Het kwam al nader en nader. Ik was in den grootsten nood, want ik had slechts mijn knipmes als wapen tegen het beest. Het ding scheen op het punt om op mij te springen. Wanhopig opende ik mijn mes om mij te verdedigen. Doch ziet! wat gebeurde? Het ondier viel vlak voor mij neêr, zoo effens links van mij, en lag doodstil op zijn rechter zij. Verbaasd liep ik toe, om het van nabij te bekijken—en toen zag ik, wat er meê gebeurd was: er waren groote, sterke touwen of draden om zijn lijf gewikkeld, zoodat het monster zich niet kon verroeren!”

Op mijne vraag: wat dat al mocht beduiden, antwoordde mijn eerbiedwaardige oude vriend met den grootsten eenvoud. »Kijk, het beest moet natuurlijk Engeland, het machtige Engeland voorstellen. Ik ben de Transvaal. De touwen of draden zijn Europeesche verwikkelingen, die Engeland beletten zullen om ons te verbrijzelen.”

Toen ik later eenige maanden te Magersfontein bij Generaal Cronjé's commando's vertoefde, vond ik in hem nog dezelfde kinderlijke, eenvoudige zekerheid, dat God hem zijn wil bekend maakte, ook in verband met oorlogszaken!

De man, die later als Generaal de la Rey wereldberoemd zou worden, was van een gansch anderen stempel. Hij had ook een ander oordeel over de brandende kwestie van den dag. Innig vroom, zooals bijna alle mannen van karakter en gewicht onder het oudere geslacht der Boeren, was hij daarbij volkomen nuchter en helder van geest. Hij was een Lid van den Eersten Raad, die steeds als »progressief” gekenmerkt stond. In menig opzicht veroordeelde hij de politiek van President Kruger. Zijn patriotisme was boven allen twijfel verheven, maar hij gaf zich nooit over aan blinde partijzucht en uiterste maatregelen. »De teekenen der tijden” bestudeerde hij met zijn helder en gezond verstand en zij leerden hem het volgende: »Er is een oorlog op handen”—zei hij, kalm, ernstig, bedroefd, vooral bedroefd. »Wij kunnen er niets aan doen. Al geven wij ook toe op het punt van 't stemrecht, het zal toch niet helpen. Onze vijanden willen ons land, ons goud hebben. Als wij op één punt toegeven, komt er weer een tweede eisch voor den dag. Als het tweede uit den weg geruimd wordt, komt er een derde op het tooneel. En zoo zal het voortgaan, totdat de vijand zijn zin krijgt. 't Is een uitgemaakte zaak—welke concessies wij ook geven—hoe wij ons ook vernederen—de oorlog komt gewis.”

Heel toevallig kwam ik in die onvergetelijke dagen ook met mijn ouden vriend uit den Vrijstaat, den heer Christiaan de Wet in aanraking. Het was op het perron van het prachtige Park-Station te Johannesburg dat wij elkander eenige minuten mochten zien. Het gesprek liep over de bekende »Gezamenlijke Commissie” door den heer Chamberlain in een zijner laatste depêches voorgesteld. Ik trachtte een woordje ten gunste der aanname van dat voorstel intebrengen, maar de toekomstige held van Sanna's Post was er beslist tegen. Hij zag er geen heil in, daar hij den heer Chamberlain met een volkomen wantrouwen wantrouwde? Ook hij was van oordeel, dat »de Engelschen ons land en onze mijnen wilden hebben.” Ook hij meende, dat de oorlog geheel en al onvermijdelijk was. Ook hij protesteerde, dat er geene schikking zou of kon plaats vinden. Met innige droefheid zag de la Rey den naderenden storm tegemoet, met uitdagende fierheid riep de Wet uit: »Laat hem komen.” Kalm als een Stoicijn redeneerde de schrandere Transvaler over den onvermijdelijken strijd; de onverschrokkene Vrijstater deed denken aan het ongeduldige oorlogsros van 't Boek Job, »dat den Krijg van verre riekt.” Beiden zijn zij later gewogen, keer op keer gewogen in de hitte zoowel als de koude des strijds, in maanden van voorspoed en in weken van moedeloosheid,—en geen van beide werd te licht bevonden.

Voor eenige dagen flikkerde de hoop op een vreedzame oplossing der situatie weêr op in menig vredelievend gemoed, maar ook dat laatste vonkje werd spoedig uit gebluscht. Wij zinspelen op de delikate, semi-officieele onderhandeling tusschen den Heer Jan Smuts, den Staatsprocureur, en den Heer Conyngham Greene, den Britschen Agent te Pretoria. Onze lezers weten, hoe de ongelukkige schaduw der zoogenaamde »Suzereiniteit”—dat onheilspellend spook uit de Middeleeuwen—ook die poging verijdelde. Bijna kwam het tot eene overeenkomst, maar helaas! de teleurstelling was des te pijnlijker, omdat de verzoening zoo nabij scheen:—

»The pity of it, Iago, the pity of it.”

De stroom was te machtig geworden. De oorlogskoorts was te hoog gestegen. Het bloed van Majuba scheen om wraak te roepen, en 't Engelsche volk riep luide om oorlog. »Majuba moet gewroken! Majuba moet gewroken!”—zoo klonk het uit veler mond en in veel meer harten. De couranten en tijdschriften—ja, zelfs de kansels—hadden gezaaid; het zaad had diepe wortels geschoten; de oogsttijd was gekomen.

De oorlogskoorts ging van den Brit op den Boer over.

»Niet meer toegeven! Geen duim meer!”—klonk het door de lengte en breedte van den Transvaal. »Genoeg, genoeg!”—riepen de Vrijstaters. En de Koloniale Afrikaanders, en ook velen, die zich niet Afrikaanders maar Britten noemen, zeiden »Amen” erop. De Republikeinen van Zuid-Afrika waren immers ook menschen van vleesch en bloed, en van gelijke beweging als andere natiën. Zij werden boos; zij werden woedend. De maat hunner vernedering was vol geworden. Hunne schande werd ondragelijk. Hun toorn liep over. Hun nationaal zelfrespect was op 't spel. Hun nationaal bestaan scheen bedreigd. Welaan dan, liever als helden sterven, dan als verachte lafaards blijven leven.

II

Inhoudsopgave

Te Wapen!

Generaal Joubert, de bekende Commandant-Generaal van den Transvaal was een van de meest vredelievende menschen op den aardbodem. De natuur heeft hem niet voor een man van ijzer en bloed bestemd, maar de burgers kozen hem nochtans herhaaldelijk tot Opperbevelhebber. Zijne politiek, als Lid van het Uitvoerend Gezag, was tevens allesbehalve vijandig tegen Uitlander of Engelschman. Hij pleitte steeds voor een gematigde, billijke, sympathieke behandeling van alle kwesties tusschen de oude en de nieuwe burgers. Den heer Rhodes wantrouwde hij lang voor den Jameson-Inval reeds, maar hij wanhoopte niet aan de mogelijkheid van harmonie, samenwerking en vrede tusschen Brit en Boer. Zijn ideaal mocht hij echter niet verwezenlijkt zien. Integendeel, de groote Boer-Kampioen voor de Uitlander-zaak werd door een vreemd noodlot bestemd, om zijn volk tegen Uitlander en Engelschman in den krijg aantevoeren. Waarlijk: »de mensch mikt, maar God beschikt”! Sedert den onbezonnen en verraderlijken inval van Dr. Jameson op Transvaalschen bodem won de anti-Engelsche politiek bij den dag veld, en de jongste presidentsverkiezing was slechter dan eenig vorige voor den Generaal uitgevallen. De tijden en de winden waren hem inderdaad tegen.

Lang, echter, verzette hij zich tegen de gedachte zelfs, dat er een oorlog aan de deur van Zuid-Afrika klopte. De gedachte was hem te onaangenaam, te akelig, te verschrikkelijk. Hij hield de oogen zoolang mogelijk er van af. Hij hoopte tegen de hoop, lang na alle anderen alle hoop op vrede hadden vaarwel gezegd. Zijne wensch worstelde met de werkelijkheid, zijne idealen bekampten zijne overtuigingen.

De Britsche troepen worden nader en steeds nader naar onze grenzen geschoven. Bij Kimberley vooral zijn zij gevaarlijk dicht bij de Vrijstaatsche lijn. Een gevoel van angst en onrust trilt door de Republieken. Men herinnert zich de bange dagen van Jameson. Men vreest eene herhaling van die geschiedenis—op groote schaal! Allerlei geruchten vliegen van mond tot mond—zooals in dagen van overspanning en angst altoos het geval is. Aan kalme redeneering is er, wat de groote meerderheid der bevolking betreft, een einde, en de algemeene opinie is: dat de oorlog hoe eerder hoe liever maar beginnen moest.

O! dat waren dagen, zwanger aan groote gebeurtenissen—gebeurtenissen, die niemand kon beletten, die niemand kon bedwingen. De verstandigste, gematigdste, meest verlichte en progressieve Transvalers redeneerden (met enkele uitzonderingen) als volgt:

»Daar de oorlog toch onvermijdelijk is, laat het dan hoe eerder hoe liever maar tot het uiterste komen. De Engelschen hebben veel belang er bij om tijd te winnen. Ons eenig voordeel ligt hierin, dat wij terstond beginnen! Indien wij wachten, zullen wij al de strijdbare krachten van Engeland te gelijk te bekampen hebben. Nu kunnen wij ze »bij de kleine maat” beet pakken, eerst de troepen, die reeds in Zuid-Afrika zijn, daarna de legers, die geland zullen worden. Als wij bevinden, dat wij tegen White, Baden-Powell en Kekewich niet bestand zijn, dan kunnen wij het hoofd in den schoot leggen en vrede vragen. Er is bitter weinig kans voor ons, om het op den duur te winnen, maar hoe langer wij wachten, hoe kleiner wordt de kleine kans. De strijd wordt al ongelijker en zwaarder, hoe langer hij wordt vertraagd. »Nu of nooit”—dat is ons wachtwoord!”

Tegen 't begin van October begonnen de commando's zich te verzamelen op de grenzen der Zuid-Afrikaansche Republiek. Weken te voren, echter, begon het Staats-Gymnasium leêg te loopen. Niemand werd opgeroepen, maar elkeen wilde »op commando” gaan. Geen een werd gecommandeerd, maar ruim veertien dagen voor den oorlog zat er geen enkele buitenjongen van zestien en opwaarts op de schoolbanken. Zij hadden hunne ouders per brief gesmeekt om ook het geweer in de vuist te mogen leggen, en o! hoe blijde waren zij, wanneer er een gunstig oor aan hun smeeken verleend werd.

Vroolijke, bezielde jongens! nog zie ik u, een voor een, uit de klas verdwijnen. Nog hoor ik het »Meneer! ik moet naar huis. Mijn vader zegt, ik kan ook op commando gaan.” En dan werd er haastig hier en daar met de hand gegroet en de jongen verdween, door al de achterblijvenden benijd. Den volgenden morgen werd hetzelfde tooneel herhaald, totdat het Gymnasium, zoo wat tien dagen voor den oorlog, moest gesloten worden, omdat er zoo weinig leerlingen waren.

Vroolijke, onbedachtzame jongens! Ik heb meer dan een van u later bij de commando's ontmoet, nadat gij bij eigene ervaring de beteekenis van het vreeselijk woord, oorlog, geleerd had. Toen stond er ernst, zoo wel als levenslust op uw gelaat te lezen. Toen hadt gij mij veel van gevechten te vertellen, maar niet zonder ‘vreeze en beving’. Toen waren er weinigen onder u, die geen bloedverwant of vriend onder de gesneuvelden betreurden.

Vroolijke, dappere jongens! Velen uwer zijn niet meer in het land der levenden. Ik heb uwe graven gezien bij Dundee en Elandslaagte en Magersfontein. Uwe teedere beenderen zijn aan de oevers van de Tugela en de Modderrivier begraven, en over vele andere slagvelden verstrooid. In 't prille uwer jeugd zijt gij afgesneden, gij edele zonen van een edel geslacht. Gij wordt door menig vader- en moederhart beweend, maar de dag komt dat uwe dierbaren over u slechts roemen zullen, want gij stierft voor vaderland en voor volk, en fluistert ons toe van uit het rijk der dooden:

Dulce est pro patria mori.

De geestdrift om te velde te trekken was algemeen in de eerste dagen van October. Alle klassen en standen wedijverden met elkander in vaderlandsliefde en offervaardigheid. Elk beroep en ambt werd onder de commando's vertegenwoordigd. Alle talen werden er gehoord. Geen nationaliteit werd er gemist—zelfs niet de Engelsche, daar er verscheidene geboren Britten in de Transvaal waren, die van harte met de republieken sympathiseerden. Welk een tooneel was er dagelijks bij het spoorwegstation te Pretoria te zien! De Britsche Agent verstomde zich en zelfs de Transvaalsche Regeering was verbaasd over de wonderbare eenstemmigheid en de hooge geestdrift die er allerwege geopenbaard werden. Boeren en ambtenaren, advocaten en procureurs, winkeliers en agenten, schoolmeesters en klerken, pennelikkers en ellenridders—zij waren allen met één geest vervuld; zij snelden allen naar de grenzen van hun geboorteland of aangenomen vaderland; zij gevoelden zich allen bereid en gewillig, om voor een vrije Transvaal te vechten en, zoo noodig, te vallen. Velen hunner waren lange jaren Britsche onderdanen geweest; sommigen hadden den grootsten eerbied voor Engelands geschiedenis en instellingen; allen wisten zij echter, even als elk ware Brit of Rus, Duitscher of Franschman of Japanner het weet: dat het veel beter en edeler is om een vrij, dan om een onderworpen volk te zijn.

»Gaat gij ook tegen de Engelschen vechten, indien het tot een oorlog komt?”—de vraag werd mij op straat door mijn Engelschen collega gedaan.

»Wel stellig”—was mijn antwoord. »Er bestaat bij mij geen kwestie in deze.”

Hij stond stil en zag mij aan, om te zien of ik het werkelijk meende. Toen vervolgde hij:

»Ik verbaas mij, hoe jullie Koloniale kerels zoo kunt spreken. 't Is mij een raadsel!”

De uitleg ligt echter voor de hand. Het raadsel is gemakkelijk op te lossen. Ziet! de liberale kieswet, pas door den Volksraad aangenomen, had ons allen met de Regeering van den Transvaal geheel en al verzoend. Wij waren tevreden met »Zeven Jaren” verblijf in 't land, als voorwaarde van burgerschap. Het hardnekkig vastklemmen aan de leuze: »Vijf Jaar! Niets minder dan dat”—scheen ons, op zijn zachtst gezegd, eene kleingeestige openbaring van Engelsche verwaandheid en verachting van andersdenkenden. De oude Transvalers hadden onze bewondering en liefde gewonnen, door de zware offers die zij ter wille van den lieven vrede brachten. De Imperiale Regeering had onze verbazing en ons wantrouwen opgewekt, door haar zoogenaamde »gewapende pressie” om inwendige veranderingen in de Republiek te verkrijgen. De steeds klimmende eischen van den heer Chamberlain vermeerderden onze sympathie met onze conservatieve Regeering en Volksraadsleden. De valsche beschuldiging omtrent een zoogenaamd »Hollandsch-Afrikaansch Komplot tegen Britsche Heerschappij in Zuid-Afrika” droeg ook zeer veel bij om ons met verontwaardiging tegenover de »nieuwe methoden” van Imperiale Staatslieden te vervullen, terwijl de lage lasterlijke scheldwoorden tegen de voornaamste Hollandsch-sprekende Transvalers, Vrijstaters en Kolonisten geslingerd, ons met verontwaardiging en toorn bezielden. Ons algemeen menschelijk gevoel, ons rechtsgevoel, zoowel als ons nationaal gevoel smolten ons met de Transvalers en Vrijstaters samen. Het gold niet een zekere regeering, maar een eigene regeering, die op onrechtvaardige wijze bedreigd werd. Het was geen despotisme of oligarchie meer, die men wilde omverwerpen, maar een vrij volk, dat men aan banden wilde leggen. Vooral was het ons duidelijk, dat het om geen kiesrecht te doen was maar om den val van het Afrikaanderdom. De twist was niet aanvaard om Britsche onderdanen te Johannesburg in Republikeinen te veranderen, maar om geheel Zuid-Afrika onder de Engelsche vlag te brengen en alle Afrikaanders in Zuid-Afrika tot Britten te herscheppen.

Zoo dachten, zoo gevoelden wij althans, en elkeen onzer, die een greintje eergevoel had, riep terstond uit: »Ik heb geene keuze. Ik werp mijn lot in met de Republieken, en dat wel van heeler harte.”

Daarbij kan nog gevoegd, dat wij als volle of genaturaliseerde burgers door onzen eed verplicht waren, om onze Regeering loyaal in de ure van gevaar te steunen—maar in die onvergetelijke dagen van ridderlijke opgewondenheid was de geest, die ons bezielde, zóó warm, zóó gloeiend, zóó vrij, dat het koude woord »plicht” zich vooreerst niet behoefde te doen gelden.

De Hollanders gedroegen zich flink. Een sterk corps werd er georganiseerd en van de voornaamsten en invloedrijksten sloten zich vrijwillig erbij aan. In deze waren zij alle andere genaturaliseerde burgers ten voorbeeld. Zij togen ten strijde, niet slechts omdat zij veel aan de Regeering te danken hadden, maar omdat zij zich ten nauwste aan het Transvaalsche volk verbonden gevoelden en ook van ouds af aan »menig appeltje” met Engeland »te schillen” hadden.

Vele Ieren kwamen zich ook met geestdrift aanbieden, om tegen Engeland de wapenen optenemen. Ook zij hadden vele bittere geschiedkundige herinneringen, die ze in deze aanspoorden. Ook zij wisten van onrechtvaardige behandeling en van onderdrukking van den zwakke door den sterkere te spreken. Ook zij behoorden tot eene natie, die naar vrijheid dorstte, maar onder de »beschermende vleugelen” van 't Imperialisme aan 't verkwijnen en uitsterven was. Geen wonder dus, dat zoo vele vurige zonen van Erin zich bij de bedaarde Boeren aansloten. Zij hielpen mede, niet omdat zij onze Regeering lief hadden, maar omdat zij de Imperiale Regeering haatten.

Ook een Duitsch Corps werd er op de been gebracht, de Scandinaviërs van Johannesburg volgden weldra hun voorbeeld, terwijl een aanzienlijk getal Italianen en zelfs eenige Franschen ook »op commando” gingen.

In die eerste dagen van schoone enthousiasme en edele offervaardigheid werd de eenheid der Transvalers vooral treffend geopenbaard. Alle verdeeldheid was terstond uit de wereld verdwenen. Elke grieve tegen de Regeering was vergeten; elk vermeend onrecht vergeven. Alle partijgevoel ontplooide zich tot nationaal-gevoel. Conservatieven, progressieven, regeeringsmannen, opgevoeden en ongeletterden, godsdienstigen van alle gezindten en ongodsdienstigen van welke kleur ook—allen toonden zich één volk te zijn. Ja, mannen boven de zestig wedijverden in die onvergetelijk-schoone dagen der »eerste liefde” voor land en volk met jongens beneden de zestien, in ijver en ongeduld om de vierkleur te gaan verdedigen. Eén machtige polsslag trilde er door het gansche land—

Bliss was it in that dawn to be alive,

But to be young was very Heaven.

(Wordsworth).

Een typisch verhaal uit die dagen verdient aan de vergetelheid ontrukt te worden. Een gymnasiast van zoo wat zestien zomers, wiens vader erop tegen was, dat hij zich vrijwillig bij een of ander commando zou voegen, besloot zijn eigen weg naar het front te vinden. Op de eene of andere wijze wist hij een Mauser-geweer en bandelier in handen te krijgen en, aldus gewapend, liep onze jonge burger op 'n avond naar het station te Pretoria. Ongelukkig voor den jongen Orlando Furioso, zou er geen trein naar de Natalsche grens vóór den volgenden morgen vertrekken. Dit wist onze vriend echter niet en, daar de chef hem dikwijls gezien had en zijn vader goed kende, ontbrak hem den moed om te veel nieuwsgierigheid omtrent den treindienst aan den dag te leggen. In een groote overjas gehuld en met het hoofd in een ruimen hoed gedoken, stapte hij heen en weer op het perron als een soldaat op de wacht.... Het sloeg tien uur—en geen trein vertrok naar het zuiden! Twaalf uur—nog geen kans om weg te komen! Hé, wat nu gedaan? Naar huis gaan? Néén, hij was reeds te ver gegaan en vreesde zijn vader te ontmoeten. Op en af, op en af stapte de would-be soldaat ongeduldig en radeloos. Wanneer gaat er toch een trein? Het sloeg één uur. »Lieve hemel, wat moet ik beginnen?”—dacht de kleine vuur-eter. »Hoe kom ik weg? Hoe kom ik naar huis? Heer! waar dan heen?”

Ongeveer twee uur in den nacht kwam de beangste vader bij het station aangevlogen. »Hebt je ook misschien mijn zoontje hier gisteren avond gezien?” vroeg hij den stationschef vervaard en buiten adem. »Overal rond bij zijn speelmakkers heb te vergeefs naar de ondeugd gezocht. Zeg mij toch, was hij niet misschien op het perron in den nacht?”

De chef liet zijne gedachten gaan en na een korte pauze viel het hem te binnen, dat hij een jongen meer dan eens op het perron bemerkt had. Mogelijk was dat het mannetje, dat absent was zonder verlof! Hij uitte eenige woorden in dien zin en—eenige seconden later werd de kwâjongen levensgroot door zijn eigen vader ontdekt!

Het beste deel van de grap kwam echter eerst later voor den dag. De kleine deugniet wist het heel spoedig met vader in orde te krijgen,—vooral toen de moeder van blijdschap over den terugkeer van haar verloren zoon in tranen uitbarstte. Hij had echter een speelmaat in zijn vertrouwen genomen en, zelf aan alle gevaar van straf zoo heerlijk ontkomen, besloot hij zijn onschuldigen vriend een prettige poets te bakken. Die trouwe medeplichtige had hem plechtig beloofd, om vroeg op den morgen na zijne vlucht het heele geheim aan zijn ouders te komen bekend maken. Daar kwam hij ook werkelijk aangestapt, tot barstens toe vol van de gewichtige tijding, die hem als lood op het gemoed drukte. De held van ons verhaal bevond zich toen juist in den tuin vóór de ouderlijke woning, in 't gezelschap van zijn verzoenden en verheugden vader. Ongemerkt verdween hij achter een boom, zonder een woord te spreken. Alzoo hoorde hij, hoe zijn boezemvriend het pijnlijke nieuws omtrent zijne ontvluchting naar de commando's met bevende stem bekend stelde, met de hoop eindigende, dat de vader den weglooper toch zou vergeven, daar hij stellig met roem beladen naar huis zou terugkeeren!—Ha! Ha! Ha! schaterde ons levendig ventje het meteen uit, terwijl hij te voorschijn kwam en zijn verlegen vriend de hand drukte.

De wakkere, levendige jongen kreeg later toch zijn zin. Hij ging naar Ladysmith, met goedkeuring zijner ouders, en gedroeg zich bijzonder knap in menig gevecht, zonder iemands verlof daartoe te vragen.

Zulke en dergelijke gevallen kwamen er dikwijls in die tijden voor. Schoolknaapjes van twaalf en dertien sprongen binnen in de wagens, op opene »trucks” staande, gereed om met de burgers naar het front te gaan. Sommige werden ontdekt en moesten weêr naar de schoolbanken terug; enkelen wisten op die wijze te ontsnappen, om later tot verbazing van ouder of voogd bij een of ander commando weêr opteduiken. Heel kleine jongens wisten een rijpaard te bemeesteren—mogelijk te stelen!—en weenden bitterlijk, toen het dier hun ontnomen en aan oudere en grootere burgers gegeven werd. In Natal zag ik telkenmale twee kleine zonen van Erin, geen tien jaar oud, onder het Iersche Corps bij Ladysmith. Zij waren onopgemerkt in een bagagewagen te Johannesburg geklommen, werd mij verteld, en later stonden hun vaders (die leden van 't corps waren) verstomd, toen de kleine snaken als 't ware uit een meelzak te Zandspruit vielen.

III

Inhoudsopgave

Te Zandspruit

Op een namiddag kwam Generaal Cronjé en zijn goede, trouwe gade bij mij aan huis aan, om mij en de mijnen te groeten, eer zij naar de westelijke commando's vertrokken. Het was ons allen een aandoenlijk oogenblik, want de lucht ging zwanger aan het donkere onbekende, hoewel de Generaal nog vast hield aan zijn geloof: dat er geen vechten zou plaats vinden.

»Ik had gehoopt, om ditmaal thuis te blijven”, zei de grijze krijgsman, »want ik ben al eenige jaren boven den ouderdom bij de wet bepaald. Ik ben drie-en-zestig, en ik ben moede van vechten en oorlogmaken. Maar.... de roepstem van mijne Regeering en mijn volk mag ik niet afslaan. Ik ga, waar God en mijn plicht mij roepen.”

Hij ging naar Mafeking, vanwaar hij haastig geroepen werd, om Lord Methuen in zijn zegevierenden marsch op Kimberley te stuiten.

God zegene U, buurman en vriend! Wij zullen elkander bij Magersfontein weer ontmoeten.

Generaal Schalk Burger drukte ik de hand op het station te Pretoria, alwaar ik hem op een namiddag aantrof, druk bezig eenige wagens op den trein te laden, die hem en zijn staf naar Komati Poort zou voeren. Het trof mij zeer toen ik hem letterlijk »den schouder aan meer dan een wiel” zag plaatsen, om het werk klaar te krijgen. Zóó doen onze Boeren-Generaals, al zijn zij ook Uitvoerende Raadsleden.

Generaal Jan Kock, die de Johannesburgers en Hollanders en een deel van 't Duitsche Corps zou aanvoeren, was reeds naar het zuiden vertrokken, en Generaal Lukas Meijer, Voorzitter van den Eersten Raad en vroeger Commandant van Vrijheid, werd benoemd om de burgers der zuidoostelijke districten ten strijde te leiden.

De Commandant-Generaal was te Zandspruit, om persoonlijk aan de spitse te treden der zuidelijke commando's, die door Laing's Nek in Natal zouden afzakken.

Het was op den gedenkwaardigen Maandag, waarop ons ultimatum de geheele wereld verbaasde, dat ik te Zandspruit van den trein stapte. Het tooneel, dat zich daar aan mijne oogen ontvouwde, zal ik niet licht vergeten. Men moet weten, dat de commando's van zoo wat zes districten, waaronder die van Heidelberg en Pretoria (die de meeste burgers leverden), alsmede 't Hollander Corps, 't Iersche Corps en 't Duitsche Corps, te zamen met de sterkste batterij der Staatsartillerie aldaar vergaderd waren. Links en rechts van den spoorweg stonden de duizenden tenten in ongelijke groepen verdeeld, daar sommige districten meer en anderen weêr minder burgers hadden bijgedragen. Daar ginder op eene helling is het groote lager van de stad Pretoria met die van de verschillende veldkornetschappen er dicht bij. Ruim een half uur rijdens ervan verwijderd, tusschen eenige heuvels als verscholen, zijn de Nederlanders bezig onder Commandant Jan Lombard in het paardrijden en snel op- en afstijgen wat te oefenen. De vroolijke boeren zeggen lachend: dat zij nog al die lessen hoog noodig hebben! Maar—daartegen kan men de vraag opperen: »wie drommel kan met een paard omgaan, zoo als de boer het doet?” Tenten, wagens, paarden en ossen, overal waar het oog zich wendt. Tot hiertoe had de bodem van Zuid-Afrika niet zulk een massa gewapende burgers in 't veld gezien: er waren immers meer mannen (ruim 10,000) te Zandspruit dan Generaal Joubert ooit in den Vrijheidsoorlog (verkeerdelijk zoo geheeten!) onder zijne banieren telde!

Maar de tijd verstrijkt; de zon begint ten westen te neigen—ik moet mij haasten naar de tent van Generaal Joubert. Te midden van de kanonnen en maxims der eerste batterij, op een zachte deining links van den spoorweg naar Volksrust in positie gesteld, staat er een onaanzienlijke witte veldtent, waarin de Commandant-Generaal zijn eenvoudige spijzen nuttigt en ook zijn krijgsraad houdt en audiënties verleent. Het gaat met die audiënties echter heel eenvoudig, misschien al te eenvoudig toe. Mij dunkt een weinig meer ceremonie in zulke zaken, zou den Generaal, wanneer hij afgemat en uitgeput mocht zijn, verbazend goed te pas kunnen komen. Mij kwam de vrije toegang tot den Opperbevelhebber dien namiddag echter goed te stade. Ik wachtte slechts eventjes bij de wijd opengesperde tent, totdat de Generaal zijn laatsten bezoekers had te woord gestaan, en—stapte zonder verlof naar binnen. Ik had mijn lang Mauser-geweer in de hand, en een wel gevulde, splinternieuwe bandelier om den schouder—het was zoo de algemeene mode in 't begin van den oorlog, lezer; elk een liep toen als 't ware gewapend rond; maar later, toen het gevaar op den man afkwam waren »vele eersten de laatsten” en (Goddank) »vele laatsten de eersten”! Maar pardon, wij zijn in de tegenwoordigheid van den Generaal.

Hij zit op een eenvoudigen stoel bij een eenvoudige tafel (zonder kleedje natuurlijk) met zijn Secretaris aan zijne rechterhand. Eenige Adjudanten wandelen er in en uit naar goedvinden. Buiten de tentdeur wordt er nog al vrij en druk gesproken en ook soms gelachen. Zonder staatsie, zonder tusschenpersonen, zonder complimenten of ceremonies, zonder stilte of verpoozing stroomt de massa werks op den grijzen, conscientieuzen man af—'t is om er dol van te worden. Begrijpt u, eens kwam er een oude burger den Commandant-Generaal in diens tent bij Ladysmith persoonlijk vragen (verkondig het niet te Gath):—

Of deze hem toch geen schoenriempje kon verschaffen! Great Scott!!—

Maar ik loop de geschiedenis heelemaal vooruit, en laat den lezer op mij wachten. Ik haal mijn hoed af, en sta vlak voor den Generaal, wien ik natuurlijk meermalen in zijne woning te Pretoria ontmoet had. Zoodra hij van het papier, dat voor hem ligt, opziet, neem ik mijne kans waar [Men moet er bij der hand zijn, anders komt een andere persoon je stellig voor].

»Goeden middag, Generaal.”

»Goeden middag.”—Hij geeft mij de hand. Een goed begin, hoor! Na eene pauze zegt hij kort af:

»Wel, wat kan ik voor jou doen?”

»Ik heb een brief van Meneer Reitz, Generaal.” Daarbij overhandig ik hem een schrijven van den Staatssecretaris, hetwelk deze mij persoonlijk te Pretoria had ter hand gesteld. Het hield in, dat de Uitvoerende Raad geen objectie had tegen mijn wensch, om de verschillende republikeinsche commando's te bezoeken, met het doel om eene geschiedenis van den oorlog optestellen voor het nageslacht, mits de Generaal zelve zijne goedkeuring aan mijn plan hechtte.

Hij las den brief, keek op, en zeide heel familiaar:

»Zoo! ik zie jij wilt met ons meêgaan, om te zien wat er gedaan wordt.”

»Ja, Generaal, heel graag.”

»Wel! ik heb er niets tegen. Maar, ik waarschuw jou, dit zal maar zwaar gaan voor jou om ons bij te houden. Ik ben eraan gewoon. Maar ik weet niet of jij mij door wind en weer en allerhande ellende zal kunnen volgen.”

Dit zeide hij zonder in 't minst te glimlachen, maar ik wist wel, dat het een soort van boeren-grapje was, en een duidelijk bewijs leverde: dat ik genade in zijne oogen gevonden had.

Op ootmoedigen toon antwoordde ik: »Ik zal mijn best doen, Generaal”, waarop hij van de zaak afstapte door mij aan den zorg van Kapitein Bosman (mijn goeden vriend en schoolmakker, die bij de eerste batterij gevoegd was) optedragen.

De zaak was beklonken. Mijn doel was bereikt. Ik was gelukkig. Van jongs af aan was het mijne begeerte, om boeken te schrijven. Welnu, hier had ik eene kans om materiaal voor een magnum opus te verzamelen. Veel had ik van oorlogen en slagvelden, overwinningen en nederlagen, heldendaden en heldenrampen gelezen. De prachtige schilderijen hadden mij betooverd. Thans zou ik uit eigen oogen gaan zien, wat oorlog maken eigenlijk beteekende. Van nabij zou ik de naakte werkelijkheid mogen onderzoeken. De Generaal had wel gezegd: gij zult het zwaar hebben, maar mijn loon zou groot zijn. Ik zou immers de Waarheid der dingen zien, de koude Werkelijkheid betasten, en daarna met eenig gezag eene geschiedenis van den grooten Anglo-Afrikaanschen oorlog kunnen schrijven! En toch, lezer, heb ik dikwijls later gewenscht, dat ik mijne verantwoordelijkheid in deze op iemand anders kon leggen. De Waarheid is soms zoo pijnlijk! De Werkelijkheid zoo vernederend! Maar hierover spreken wij elkander later.

Den eersten nacht werd ik reeds in de mysteriën van oorlogvoeren onder onze Boeren ingewijd. Ik moest op een paar zakken kaf mijn vermoeide ledematen uitstrekken. Het artilleriekamp was vol officieren dien avond, zoodat mijn goede vriend, kapitein Bosman, geen bed of matras voor mij vinden kon. Daar het bitter koud was, begaf ik mij met al mijne kleederen aan 't lijf (overjas en al) ter ruste. Lang bleef ik wakker, want het was de vooravond van groote, onbekende dingen voor ons volk,—en mijn bed was alles behalve zacht. Ik troostte mij, echter, met de gedachte, dat ik daar was, om indrukken te ontvangen; en de harde grond maakte een bijzonderen indruk op mij! Ook dacht ik aan de andere arme drommels, mijne vrienden uit de stad Pretoria bijvoorbeeld, die van 27 September reeds te Zandspruit gekampeerd waren. Veertien dagen lang waren zij daar, en bijna altoos door regende het, zoodat de aarde vochtig en het water modderig en bijna ondrinkbaar werd. Na de warmte in de hoofdstad was de nijpende koude op het hooge veld bij de Drakensbergen vooral onaangenaam voor de verfijnde dorpelingen. Ook zij hadden het zwaar, bitter zwaar, veel zwaarder dan ik het had. Arme burgers uit onze steden en dorpen! Sommigen hadden veel moeite, om het vuile water in de plaats van het heldere vocht bij hunne woningen te drinken. Anderen hadden het nog moeilijker, om zwarte koffie in plaats van hun geliefkoosd bier of whisky te nuttigen. Allen, echter, waren in die dagen vroolijk en opgewekt. 't Was alles zoo nieuw, zoo vreemd, zoo grootsch, zoo romantisch. Wij waren betooverd door het morgenrood van den oorlog.

IV

Inhoudsopgave

Over de Drakensbergen

't Is Woensdag namiddag, 13 October. Al de lagers zijn nu rondom Volksrust getrokken, wachtende op 't antwoord van Lord Salisbury. Het geschiedkundige dorpje—de hoofdkwartieren van Generaal Joubert gedurende den korten oorlog van 1880-'81—de plaats waar het eenvoudig gedenkteeken van dien roemrijken strijd staat—wemelt nu van menschen. De drukte is ontzettend, vooral in de nabijheid van het telegraafkantoor en het hotel. Op eene helling, dicht bij het Monument, ziet men het artilleriekamp, met de tent van Generaal Joubert in 't midden ervan. Daar vindt er een laatste, groote, vereenigde Krijgsraad plaats. Al de Generaals, behalve Generaals Burger en Cronjé, zijn daar vergaderd. Kolonel Trichard, hoofd der Staatsartillerie is ook met de meeste zijner onderofficieren tegenwoordig, alsmede vele Commandanten en Veldkornetten. Het krijgsplan werd besproken en Commandant Daniel Erasmus van het Pretoria District werd, volgens den wensch van Generaal Joubert, tot Generaal over de centrale colonne gekozen. Het werd daar vastgesteld, dat, terwijl de Commandant-Generaal en Generaal Erasmus met de hoofdafdeeling der burgermacht (de centrale colonne) den grooten weg over Laing's Nek Pas naar Newcastle zouden inslaan, Generaal Kock een meer westelijke route naar dezelfde plaats en Generaal Meijer langzaam het pad langs Vrijheid naar de Jagersdrift (in de Buffelrivier, op den weg naar Dundee) moest volgen. Ter gelegener ure zou men later een vereenigde poging op Dundee aanleggen, en daarna, in samenwerking met de Vrijstaters, tegen Ladysmith optrekken.

Toen het antwoord van Lord Salisbury op ons ultimatum bekend werd en elkeen zeker wist, dat de krijg feitelijk begonnen was, stond er ernst op bijna elk gelaat (voor zoo ver het mijne omgeving betrof) te lezen. Later vernam ik, dat er ook te Pretoria een plechtige stilte heerschte. De burgers waren mannen des vredes. Zij hadden geen persoonlijk belang bij den oorlog. Geene promotie, geen onderscheidingsteekens, geen geldelijke belooning voor hen! Wat gaven zij tevens om den ijdelen roem, den soldaat voor beroep zoo dierbaar? Zij gehoorzaamden slechts de stem hunner Regeering en Leidsmannen, in het volste vertrouwen dat deze, ten volle op de hoogte van zaken zijnde, het beste voor land en volk besloten hadden. Geen champagne werd er gedronken; geen klokken geluid. Met de armen over de borst gekruist en met een zucht of gebed, namen de edele Transvalers en Vrijstaters het geweer in de vuist. Zij hadden hun land lief en geloofden ten volle, dat de oorlog noodzakelijk was voor het behoud hunner onafhankelijkheid en nationaliteit. En wie durft zeggen, dat zij het geheel en al mis hadden? Heeft de geschiedenis van den oorlog niet getoond, dat 't huidige Britsche Ministerie geen aparte nationaliteit, geen tweede blank volk naast het Engelsche in ons land wil dulden? Is de annexatie-politiek niet slechts een onderdeel van de groote denationalisatie-politiek?

Jacta est alea: de teerling is geworpen. De God der geschiedenis heeft zijn decreet uitgevaardigd; er zij oorlog in Zuid-Afrika! Daar omtrent is er thans geen twijfel meer. Het groote, angstige? hangt niet meer boven onze hoofden. Andere vragen houden nu meer dan een denkend hoofd dezen nacht bezig: Wat zal het einde zijn? Waar zal het einde zijn? Wanneer zal het einde zijn?

Lang kon ik de oogen dien nacht op mijn veldbed (een »stretcher” werd mij door Kapitein Bosman verschaft, en ik sliep met hem en den Kolonel te samen in ééne tent) niet sluiten. De voornaamste vraag, die in mij opkwam, was deze: Zal de lieve, oude Kolonie, de grijze Moeder der Republieken, ook in dezen maalstroom worden ingezogen? Zullen de Hollandsche Afrikaanders onzijdig blijven, of zullen zij van lieverlede zich bij ons aansluiten? Een komplot bestond er niet: van eene samenzwering tusschen den Bond en de Republieken was er geen sprake. Maar de vraag was: of onze Koloniale broeders het op den duur zouden kunnen uithouden, om bloote toeschouwers van den strijd te blijven? Te Pretoria werd de vraag mij bijna dagelijks door mijn Nederlandsche vrienden gedaan en ik bleef hun altoos een beslist antwoord schuldig. Schouder ophalend woog ik de pro's en de con's, en het scheen mij alsof de laatsten het wonnen, maar—er was altoos nog een »maar” in mijn binnenste op dat allergewichtigste punt. De crux van den heelen oorlog lag, mijns inziens, in de eventueele houding der Koloniale Hollandsche bevolking. Op een vereenigd Hollandsch Zuid-Afrika kon Engeland nauwelijks de zege behalen, meende ik. Maar—zouden de Koloniale Afrikaanders van Hollandschen bloede zich in deze opofferen?—Een tweede vraag, die zich aan mij voordeed, was deze: Zou ons betrekkelijk klein conflict na verloop van tijd in een Europeeschen oorlog verzwolgen worden? Zulke dingen zijn te voren gebeurd en konden wel weêr plaats vinden. Is de roemrijke 80-jarigen Oorlog niet in de vreeselijken 30-jarigen Krijg opgegaan? Heeft de Amerikaansche Vrijheidsoorlog niet Frankrijk in het strijdperk doen treden? Liever een Europeesch bloedbad—zoo dacht ik dien nacht—dan dat onze twee kleine vrije Staten door de overmacht van kanonnen en soldaten zouden verpletterd worden. O God! help ons arm, klein Volk! Als het waar is, wat Frederik de Groote zeide: dat die den laatsten thaler in den zak heeft, het langst den strijd kan volhouden—dan zijn wij reeds verloren. Is de overwinning steeds aan den kant der grootste legers, zoo als de groote Napoleon beweerde, dan is de uitslag gewis tegen ons. Maar onze zaak is immers rechtvaardig, zeide ik tot mijzelven, en zal God dan geen recht doen op de aarde? Moet de Waarheid niet altoos over de Onwaarheid de zege behalen? Kan Macht over Recht triomfeeren? Helaas! wat van Polen? Hongarije? Bohemen? De Tirolers? Ach! de God der geschiedenis schijnt voor het menschelijk verstand zoo dikwijls een andere dan de God des gewetens te zijn! De mensch tast in het duistere rond. Hij weet niets—hij kan het Raadsel des levens niet oplossen:

Er is geen priester,

Die U verklaart;

In raadselen wandelt

De mensch op aard'.

(De Genestet).

»Kerels! helpt! die tent valt om! Maak licht, een van jullie!” Ik schrok wakker onder een hevig gedruisch, diep in den nacht, en hoorde de Kolonel de bovenstaande woorden uitgillen. Haastig sprong ik op en werktuigelijk kreeg ik de kaars aan den voet van mijn ‘stretcher’ beet. In een oogwenk was er licht op het tooneel gevallen. Er was een geweldige stormwind op ons losgebroken, vergezeld van regen. De tentpalen bogen als rieten voor den orkaan—het was een ronde tent, met een acht of tien kleine palen langs den omtrek en een grootere en sterkere in 't midden ervan geplant—en elk oogenblik kon de boel »als een doek opgerold” en erheen geslingerd worden.

»Houdt vast! Kerels!”—bulderde de Kolonel, die in zijn ‘stretcher’ rechtop zat en den paal binnen zijn bereik tegen den wind op drukte. Het geraas was oorverdoovend en de koude ondragelijk. Bibberend klemde ik mij aan den centralen paal vast en trachtte ik dien recht op te houden. De andere slapers werden ook spoedig wakker, en elk een greep den paal, die het dichtst bij hem was, om de waggelende tent te steunen. Voor eenige minuten was het twijfelachtig wie het winnen zou: de storm of de mensch. De tent beefde en sidderde onder de ruwe geeselslagen van den stormgod. De Kolonel en zijne tentgezellen zwoegden en zweetten als of zij een »Tug of War” met de elementen hadden. Het was inderdaad een »Tug of War”—maar niet een, die voor de grap ondernomen was!

Plotseling viel de wind, terwijl de regen in een onafgebroken stortvloed nederdaalde. De crisis was voorbij. Onze tent was gered en wij waren aan een gedwongen koud bad voor lichaam en kleederen en beddegoed ontkomen. De Kolonel liet zijn paal los en keek ons aan.

»Kijk daar!” riep hij onverwachts uit, terwijl hij het luid uitschaterde. »Haal af jou kappie!”—Te met wees hij al lachende op een onzer slaapgenooten, die een dameskapje voor slaapmuts op 't hoofd had en met beide handen zijn paal in de richting van den storm duwde! Onze vriend was eenigszins doof en daarbij zoo diep in het ruime hoofddeksel gedoken, dat hij het niet bemerkt had, dat hij werkelijk zijn best deed om ons te verongelukken.

Vrijdag morgen, 15 October, ging de colonne, waarbij ik mij gevoegd had, over den Rubicon tusschen Transvaalsch en Britsch gebied—een klein stroompje tusschen Volksrust en Charlestown, onbeduidend in omvang, veelbeduidend in verband met de treurige geschiedenis, die toen geopend werd. Welk eene gedachte: Van nu af aan kan elke vreemdeling, die u tegenkomt, uw lichaam als schijf voor een schietoefening gebruiken! Foei, 't is om er kippenvel van te krijgen. Eén troost: als je gauw bent, kunt je aan hetzelfde spel doen—ten koste van den vreemdeling, natuurlijk. Houd je roer dus bij der hand!—Wat is zoo'n oorlog toch een gek ding. Begrijpt u, een boel goede, zachte, lieve menschen gaan Natal binnen. Morgen, overmorgen ontmoeten zij een massa andere menschen, in khaki gekleed, en ook best mogelijk heel goeie, brave lui. En dan?—Dan doen zij hun best elkander de eeuwigheid in te jagen. Zij hebben malkander nooit te voren gezien. Zij dragen elkaar geen haat toe. En toch beschieten zij elkaar met kanon en geweer! Bah! de mensch is krankzinnig. Wij zijn allen mal geworden. Doch basta; 't is niet mijne zaak. Voorwaarts! Marsch!

Ik volgde de eerste batterij, gezeten in de geschiedkundige kar, waarin Dr. Jameson zijn befaamden tocht naar Johannesburg trachtte te doen. De Kolonel had mij daarin eene plaats aangewezen. Het rijtuig werd door vier muilen getrokken en een paar jonge, vroolijke artilleristen ageerden als koetsiers. Te Charlestown reeds moest ik met een van de schaduwzijden van den oorlog kennis maken. Tegen het uitdrukkelijk bevel van Generaal Joubert werd een groote verlaten winkel langs den weg opengebroken. Wie het deed, is natuurlijk onmogelijk te verklaren. Sommige burgers beweerden, dat de hongerige benden Kaffers uit de Johannesburgsche mijnen naar Natal vluchtend, de schuldigen waren. Ik kan slechts getuigen, dat de winkel open was en dat er eenige burgers druk bezig waren, zich aan het een en ander te helpen. Mijn twee Jehu's maakten natuurlijk ook halt, om aan de pret deel te nemen, en ik maakte van deze gelegenheid gebruik, om een indruk op te doen. Het plunderen was gewis al ten vorigen dage begonnen, oordeelende naar den onbeschrijfelijken chaos daarbinnen. Bijna knie-diep moest ik mijn weg door de laarzen en schoenen, op den vloer gesmeten, vinden. Het waren meestal voor dames en kinderen bestemd, daar al wat eenigszins voor mans bruikbaar kon zijn, was weggenomen. En dan de groene hemden-doozen en witte hoeden-doozen, en allerlei andere grootere en kleinere dito dito! Hun aantal was legio. Alle mogelijke soorten kleedingstukken lagen er ook op den grond rond gesmeten, om van de duizend en één andere zaakjes, die men in een grooten Zuid-Afrikaanschen dorpswinkel aantreft, niet te spreken. Elk een, die binnenkwam, had eene of andere bijzondere behoefte, hetzij een werkelijke of een denkbeeldige, en niet wetende waar de verschillende voorwerpen geborgen waren, rukte en plukte hij maar zoo alles van de rekken af, om zijn doel te bereiken. Ondertusschen echter, viel het begeerige oog op meer dan een ding, dat eene afwezige echtgenoote of vriendin later mocht te pas komen. Zoo zagen wij meer dan een burger met een boel damesartikelen, noembare en onnoembare, soms heel fijne nog al—den winkel uitstappen. Daar het alles zeer haastig toeging, zou men op een afstand staande, zweren, dat er een brand ontstaan was, en de goede lieden druk bezig waren zooveel mogelijk van het goed te redden!

Met moeite kreeg ik mijn twee heel jonge reisgezellen van het verlokkend lokaal weg, daar het voor hen bepaald een buitenkansje was en zij beide veel belang in dameskleederen schenen te stellen. Verbeeld u echter mijne verbazing, lezer, toen ik vlak buiten het dorp ook een menigte Zulus aantrof.... elk met zijn specialen bundel gestolen winkelgoed op den arm! Als men bedenkt dat er, gedurende de week van het ultimatum zoo wat 7000 naturellen, in kleinere en grootere klompen, als een dikke, zwarte stroom uit de Witwatersrand goudvelden naar Natal doorsijpelden, is het wel de vraag: of hun lange vingers wel uit de onbewaakte winkels konden blijven? Waar er geen blanke opzichters bij hen waren, hebben zij zichzelven gewis niet in dezen bedwongen.

Voort gingen wij over het steeds steiler en zwaarder wordend pad over de Drakensbergen. De vele regens hadden den weg doorweekt. De grond was turfachtig, kleiachtig, aan de wielen vastklemmend en hun gang erg verzwarend en vertragend. Van den spoorweg kon er vooralsnog geen gebruik gemaakt worden, daar men nog niet wist, dat er geen dynamiet-mijnen onder verborgen waren. De trouwe paarden en muilen moesten dus al het werk doen. Heuvel op, heuvel af, tot vervelens toe ging het. Er kwam geen einde aan die hoogten en diepten. En dan, de akelige modderige driften door de veelvuldige bergstroompjes; wat waren hun wallen steil en glibberig! Arme artillerie-paarden! Zij moesten de breedgewielde kanonwagens en zware caissons over dat moeilijk turfpad sleepen—en zij deden het ook! Het was echter bijna donker, eer zij den korten afstand van Volksrust naar Mount Prospect achter den rug hadden.

Boven op Laing's Nek gekomen, was het zoo bitter koud, dat ik Kapitein Bosman (die te paard was) voorstelde de reis verder te voet voort te zetten. Wij waren opgewonden door de unieke gebeurtenis in ons leven en stapten dapper voort, terwijl de zware wagen van den Kolonel, waarin onze kleederen en ons voedsel waren, nog ver achter was. De trotsche kruin van Majuba bezielde ons met hoop voor de toekomst, en wij spraken elkander moed in. Telkenmale, echter, kwam een stille vrees over ons bij de gedachte aan den grooten sprong in het duistere, dien dag door de Republieken gewaagd. Zóó druk waren wij aan 't spreken en peinzen, dat wij geen acht op het weêr gaven, eer de regen op ons neerstortte.

't Was een fraai spelletje: zonder kost, zonder paard, zonder rijtuig, zonder drooge kleederen gingen wij de duisternis en den nacht tegemoet. Terug te keeren naar den grooten tent-wagen van Kolonel Trichard zou het verstandigst zijn geweest, maar een soort van extase vervulde ons dien onvergetelijken dag. Wij berekenden niets; wij omhelsden onze nieuwe ondervinding met beide handen. Majuba stond achter ons, Ingogo lag voor ons, wij zouden Colley's Graf wel vinden. Moedig stapten wij voort door modder en slijk. Onze groote regenjassen waren ons van grooten dienst, maar onze laarzen werden zwaar op de proef gesteld en onze sokken bleven niet lang droog.

Wat is de weg lang! Wanneer komen wij er? Wat wordt van ons van avond? Hemel! wat een regen! Is er dan geen einde aan?—De groote droomen, door Majuba en Ingogo opgewekt, beginnen hun invloed te verliezen. De nare, natte werkelijkheid heeft het over het ideale gewonnen. Eindelijk zien wij eenige vuren. Sakkerloot! dat zijn stemmen van onze menschen. Ja! hier zijn wij bij de muren van de Engelsche begraafplaats op Mount Prospect, te midden van de onzen.

Toen, echter, begon de treurigheid eerst een acuten vorm aantenemen. Wat nu gedaan? Ons wagen is niet opgedaagd! Geen voedsel of koffie, geene tent of drooge kleêren dus voor ons. Welk een treurspel! Jong en onervaren in het vak van oorlogvoeren, zijn wij in de grootste verlegenheid en ellende gedompeld. Nat en koud stappen wij rond, om te zien hoe onze medestervelingen zich gedragen. Hier en daar vinden wij een groepje Boeren, rondom een keteltje water op een vuurtje gezet, wachtend op de heerlijke, onmisbare koffie, die al hun lijden zal verzachten. Ginds is men reeds bezig de ingewanden met het kostelijke vocht te verwarmen. 't Is om te watertanden, maar de leuze is heden avond: »elk een voor zichzelven”—zoo blijven wij op een eerbiedigen afstand staan. 't Is te koud en onpleizierig, om koffie voor jan en alleman te maken. Elke vriendenkring hangt als een zwerm bijen om zijn eigen keteltje. De Boer haalt zijn koffie en beschuit uit den zadelzak of knapzak. Met zijn knipmes snijdt hij zijn biltong aan stuk. Hij weet, wat het is om op commando te gaan, en kan zich altoos redden.—De arme artilleristen, echter, moesten al hun aandacht aan kanon en caisson wijden. Hun commissariaat-wagens waren in den modder ergens vastgeraakt. Zij—en wij met hen—waren er derhalve ellendig aan toe, en dat wel op den eersten den besten avond van den Natalschen veldtocht.

En toch liet ik het hoofd niet hangen, dank zij het vonkje kunstgevoel dat ik geërfd had, en de avontuurzucht die mij eigen was. Ik werd geïnteresseerd in wat er rondom mij voorviel: dat was mijn redding. Het eigenaardige, het vreemde, het geheel nieuwe mijner omgeving en ondervindingen verlosten mij van »het lichaam des vleesches”. Ik leefde en zweefde in eene wereld van ideeën en indrukken, die mij met de klamme en koude en hongerige werkelijkheid eenigszins verzoende. Hoe kalm en tevreden waren de burgers rondom mij! Geen murmureering hoorde ik, geen klagen, geen gezanik, geen gelol. Zwijgend en zelfs lachend gingen zij hun gang. Zonder tent of dak moesten zij den nacht doorbrengen. Hunne kleederen waren niet droog en de regen viel gestadig op hen neer, maar onze hedendaagsche Spartanen begaven zich ter ruste, alsof zij aan zulk een leven gewoon waren.

Ter ruste?—Hoe kan dat? Volg mij naar die zwarte massa op gindsche helling zichtbaar. Het zijn menschen, die daar op de natte aarde liggen! Een partij groote, sterke boeren hebben zich naast elkander, in hun regenjassen en dekens gehuld, uitgestrekt. Zij hebben elk een zadel aan het boveneind van hun harde bedstede recht opgesteld,—dat geeft in elk geval eenige beschutting tegen wind en water. Veiligheidshalve, echter, is een kafferbediende bezig met een graaf een kleine groeve te kappen, evenwijdig met de lijn der zadels loopend, om het regenwater eenigszins weg te leiden.

Verbaasd roepen wij uit: »Kerels! Wat maakt jullie hier?”

»Wij gaan slapen”—antwoordt er een heel droogjes.

»Wel ik zeg! Maar man, hoe op aarde slaapt je hierin zulk weêr?”—Het regende altoos maar sterk door.

Een soort van binnensmondsche lach is het eenig antwoord op deze vraag.

Welk prachtig materiëel voor een leger! Hoeveel zou Engeland vandaag niet willen geven, om zulke soldaten aan zijn kant te hebben?

Daar mijne sokken erg klam waren, waagde ik het niet, om het voorbeeld dier geharde mannen te volgen. »Gezondheid vóór alle dingen”—was mijne leuze. Zoo stapte ik heen en weer om geen koude te vatten en ook om alles rondom mij gade te slaan. Eindelijk kwam ik op een ammunitiewagen af, die door een groot bokzeil (teerkleed) gedekt was. Ziezoo! nu kan ik een weinig schuiling van den storm vinden en ook wat uitrusten. Verblijd lichtte ik een punt van het zware kleed op. Wat?—Elke duim gronds is door levend menschenvleesch bedekt. Als haring in de ton waren de artilleristen er opeengepakt. Men kon er nauwelijks adem halen.

Geen plaats voor mij dus, maar wat geef ik er om? Ik ontvang immers indrukken! Ik bezie het tooneel als het ware van buiten—al ben ik zelf ongelukkig een deel van het aandoenlijk geheel, dat wel heel aardig, maar vooral zeer nat is. Zoo lijkt het commandoleven en ik wilde immers weten, hoe het er »op commando” toeging, niet waar? Ook dit is een voorname zijde van wat men oorlog maken noemt; en ik verlangde immers een oorlog met eigen oogen en van nabij te bekijken. Ja, zoo is het, lezer; en deze gedachten waren mij werkelijk tot grooten steun en troost. Ik gevoelde mij van tijd tot tijd zelfs bezield dien avond door mijn wonderlijken eersten nacht in het veld. Hoe grooter de ellende, des te sterker het gevoel. Hoe kouder en klammer het lichaam, des te tastbaarder de impressie. Hoe meer honger en dorst ondervonden, des te hooger de waarde van de schilderij, die ik was komen aanschouwen.

Maar intusschen word ik al meer hongerig en nat—vooral het laatste. »There's the rub”. Goeie gunst, als ik ziek word, dan kan ik niet verder met het commando meêgaan; dan zal ik geen gevecht kunnen bijwonen.—Dit zal mij niet betalen, hoor! 't is bij middernacht en ik heb wat rust noodig, anders word ik mogelijk hors de combat, terwijl er nog zooveel te zien zal zijn.—Maar waarheen? wat begonnen? Ik heb het! Ik zal den weg, dien wij gekomen zijn, volgen. Terug dus, terug.... totdat er een of andere wagen wordt aangetroffen.

Een half uur later zat ik in eene tent van Dr. Hohls—een Duitschen geneesheer, die bij de Staatsartillerie gevoegd was en aan 't hoofd van 't Geneeskundig Departement voor den Oorlog stond. Goede, geniale, levenslustige Dr. Hohls! Nooit zal ik U voor uwe vriendelijkheid en gastvrijheid kunnen beloonen. Gij gaaft mij dien nacht brood en vleesch en whisky, een paar drooge sokken en een warm bed binnen in uw Ambulance-wagen. O! dat was een heerlijkheid en weelde, die ik nooit vergeten zal. Buiten regende het onafgebroken door—arme burgers!—binnen in den wagen lag ik hoog en droog te slapen, dank zij den ruwen, maar goedhartigen Duitscher, die zijne tent op eene afstand van ons kamp had opgeslagen, omdat (zooals hij mij in 't oor fluisterde) hij het niet mooi vond van de Boeren, om bij Generaal Colley's graf te kampeeren.

Meermalen had ik het voorrecht later, om wat spijs en drank bij Dr. Hohls te nuttigen. Ja, dikwijls was hij mij een Deus ex Machinâ, die mij van algeheele uitputting door een lekker middagmaal of een glaasje Schotsch vocht redde. Sterk gespierd, breed geschouderd, energiek en gehard tegen alle vermoeienis en ontbering, had hij een »wee drap of Scotch” steeds gereed voor hemzelven—en ook voor anderen.

»Als het tot een slag komt,” zeide hij mij menigmaal op weg naar Ladysmith, »ga ik geheel binnen de vechtlinie, om onze gewonden te helpen”. Zijn rechterhand en apotheker, den heer Townshend, stemde met hem in dit gevoelen samen. Zij waren in deze van éénen geest. En zij hielden hun woord gestand!

Op Pepworth's heuvel bij Ladysmith gingen zij beide tot vlak achter onze kanonnen de gewonde artilleristen verbinden. De heer Townshend kwam er dien dag—het was de groote slag te Modderspruit en Nicholson's Nek—met een gebroken been van af; de dokter schoot er het leven bij in. Terwijl hij een gewonden man verpleegde, te midden van een ontzettenden kogelregen uit achttien Engelsche vuurmonden op dien heuvel stortend, werd hij doodelijk getroffen. De dappere Dr. Hohls was de eerste man, die in den slag van Modderspruit aan onzen kant sneuvelde; het eerste offer door de hoofdcolonne onder Generaal Joubert gebracht.

V

Inhoudsopgave

Newcastle-Herinneringen

Het eerste Natalsche dorpje, waar onze vierkleur geheschen werd, is Newcastle. De Ermelo-vlag werd daartoe gebruikt. Later vernam ik, dat Warrenton, op de Vaalrivier, de eerste plaats in de Kaapkolonie was, die op gelijke wijze geëerd werd. »Geëerd” zeg ik, zonder mijn loyale Koloniale vrienden te willen beledigen. Voor mij is het jaren lang reeds eene eer geweest, om onder een republikeinsche vlag te leven. Mij dunkt 't is geen schande, om in deze naar de Grieken van Pericles te aarden. De oude Romeinen hadden immers ook hunne republiek lief, om van de hedendaagsche Amerikanen, Switzers en Franschen te zwijgen. Wat zeg ik? Is niet Engeland zelf met reuzenschreden vooruitgegaan onder den grooten Protector, Oliver Cromwell? En zingt Tennyson niet van Groot Brittannië als een »gekroonde republiek”? Worden Canada en Australie en Nieuw Zeeland niet als »vrije zusternaties van Engeland” bestempeld? Nog ééne stap in de richting van vrijheid en ze zijn Republieken! Daartoe zal en moet het immers met alle groote zelfregeerende Koloniën op den duur komen, indien zij in mannelijkheid, zelfstandigheid, rijkdom en een eigendommelijk nationaal gevoel toenemen.

't Was op een Maandagmorgen, dat wij Newcastle binnen reden. Den vorigen dag werd als een Sabbat, een dag voor rust en godsdienst op de hoogten van de Ingogo doorgebracht. Daar sprak de Eerw. heer Müller, een vriend van den Kolonel, de schare burgers en artilleristen toe in den morgen, terwijl ik in den avond het voorrecht had het Ermelo-commando, op uitnoodiging van Commandant Grobler, toe te spreken. Het behoeft nauwelijks gezegd, dat mijne toespraak historisch was. Wij waren op het slagveld van Ingogo, waar Generaal Nicolaas Smit in 1881 zoo veel roem verwierf. Het fraaie monument van graniet, met zijn lange, droeve lijst van dappere dooden was niet verre van ons kamp te zien. De grond waarop wij stonden, was heilig. Er was veel bloed daar gestort. Ach, waarom komt er niets groots tot stand zonder bloedstorting?—Doch genoeg: Newcastle is in 't zicht.

Een huis aan brand! dat was het eerste voorwerp, dat mij in het dorp trof. Het was een ijzeren gebouw, een Coolie-winkel. Of het per ongeluk of met opzet der vlammen ten prooi gegeven werd, wist niemand mij te vertellen. Dit kan ik echter verklaren, en dat wel met trots: Dat ik nooit weer een brandend huis gezien heb, zoo lang ik op commando was. Ruim zes maanden heb ik met de Boeren in Natal, bij Magersfontein, rondom Kimberley, bij Warrenton en in den Vrijstaat doorgebracht. Nimmer heb ik zelfs gehoord, dat er een huis door hen aan brand gestoken werd—behalve natuurlijk door een bom in een belegerde stad vallend. Ik spreek van de eerste negen maanden van den strijd. Hoe anders echter, hebben de Engelschen met ons gehandeld! Drie maanden later ontmoette ik Commandant Lubbe van Jacobsdal—die zich ook wel Multatuli mag noemen! Met toorn en verontwaardiging verhaalde hij mij, hoe zijn woonhuis en molen door dynamiet verwoest waren. De dappere man had een oog te Graspan verloren, later ging zijn vee en goed en huis er aan. Britsche soldaten hebben zijne woning in de lucht doen vliegen. De Britsche naam heeft ontzaggelijk veel door al dat huizenverbranden geleden. Strategische redenen en militaire proclamaties kunnen de eeuwige schande niet dekken, noch minder uitwisschen. Onze menschen hebben gebuit maar niet—verbrand—althans niet in 't eerste jaar. Wij hebben meubelen vernield te Dundee en elders, gansch onnoodig en tot onze oneer, maar de beschaafde Brit heeft honderden private woningen, ja zelfs dorpen van het aangezicht des aardbodems verdelgd. Welk een zedelijke val voor 't aangezicht van de zon en de maan en—de eenvoudige hulpelooze Boerenvrouwen en kinderen! Voorwaar, zulke tooneelen worden niet licht vergeten. Zij branden zich een weg tot het geheugen en het geweten van geslacht na geslacht!

Bij de Magistraatskantoren vond ik een menigte burgers en—een allesbehalve verkwikkelijke taak. Generaal Erasmus had mij, namelijk, nauwelijks gezien, of hij vroeg mij een inventaris van al wat er in de publieke kantoren was, te maken. Hij ontsloot de voordeur toen en overhandigde mij al de sleutels, met de opdracht ze later aan Generaal Joubert te bezorgen. Gaarne had ik eerst mijne schreden naar een hotel gewend, want wij waren dien morgen om vier uur reeds te Ingogo begonnen, en ik had noch koffie, noch voedsel van eenigen aard dien dag genoten. Gehoorzaamheid ging echter voor de gezondheid zelfs, zoo moest ik mijn ontbijt voor nog een uur langer uitstellen.

Vergezeld van een veldkornet ging ik van kamer tot kamer, alle kasten openend en het geld, de zegels, wissels enz. tellend. Het een en ander, zoowel als de voornaamste meubelen en boeken, werden zorgvuldig door mij opgeschreven. De grijze Magistraat van Newcastle, die er bleek en aangedaan uitzag, werd ook toegelaten met een zijner klerken, om ons te assisteeren. Laatstgenoemde schreef op eene lijst in 't Engelsch wat ik in 't Hollandsch plaatste. De lijsten werden toen door den magistraat en mijzelven onderteekend en het Engelsche document werd aan den klerk overhandigd.

Op plechtigen toon sprak de grijze zwijger toen voor 't eerst:

»Mag ik deze pen behouden?”

»Met het grootste genoegen”—was mijn antwoord.

»Deze pen is historisch”!—vervolgde het orakel van Newcastle, terwijl hij haar voorzichtig opnam.

Ik keek hem aan en, zoodra hij zijn ernstige blikken van mij aftrok, knipoogde ik in de richting van den jovialen en geämuseerden klerk.

Wederom opende de Sfinx den mond, zeggend, terwijl hij op 't papier keek:

»Hofmeyr! Is dat uw naam? Zijt gij verwant aan den Leider van den Afrikaander Bond?”

»Ja. Ik heb de eer zijn neef te zijn.”

»Ah! I see.... ahem!.... very remarkable”—zeer merkwaardig, bromde de oude Fossiel half tot zichzelven, en opziende, zag ik de schaduw van een spotlach op zijn koude gelaatstrekken.

De lieve, bevooroordeelde, oude ziel meende eene ontdekking te hebben gedaan. Hij had een rebel voor hem, niets minder dan een rebel, en dat wel een neef van den grooten Samenzweerder (à la Sir Alfred en Sir Gordon). Jan Hendrik Hofmeyr—en naar huis gaande verkondigde hij gewis aan zijne vrouw, dat het alles klink-klare waarheid was omtrent »het groote Pan-Afrikaansche Komplot tegen al wat Engelsch was,” want zie! hij zelf had een neef van Jan Hofmeyr, den grooten Bondsman van de Kaapstad, in levende lijve bij de commando's gezien!!

Het was alles heel vermakelijk, lezer, daar in 't kantoor te Newcastle; maar ik had niemand om mede te lachen—en ik had honger!

Wat later had ik mijn eerste aanraking met een valsch alarm. Ik was juist bezig de laatste chop (een taaie, hoor!) in 't hotel met enthousiasme te bestormen, toen er een officier van het Iersche Corps uit adem de eetzaal binnen liep.

»Hullo! mates,” gilde hij uit, »come along. The English are coming!” Een koude rilling ging mij door 't lijf, maar ik hield mij stil en kalm.

Ze zijn al te Dannhauserstation—hoorde ik hem verder aan eenige Ieren in 't vertrek uitleggen, en ik begon weer wat adem te scheppen.

»All the Boers are preparing to go out to meet them”—brulde hij weer, toen zijn makkers hem half slapend toekeken—»Come along!”

Spoedig was het groote vertrek leeg, maar mijn inwendige mensch was ook nog leeg. Zoo besloot ik vooreerst maar nog wat te eten. Dat eenvoudig besluit redde mij van veel moeite en vrees. Al etende, kreeg ik mijn verwarde gedachten weer onder contrôle. Dannhauserstation is heel ver van hier! Ik hoor ook nog geen kanongebulder. Het gevaar is nog veraf. Zulke gedachten kwamen mij al etende te binnen, en ik besloot op meer licht te wachten. Mijn eerste plicht was immers zeer duidelijk: ik moest eten en drinken. De tweede en volgende plichten zouden wel later duidelijk worden. De lezer zal wel ter dezer plaatse opmerken, dat ik niet te vergeefs mijn Carlyle gelezen had! Good old Carlyle!

Toen mijn ontbijt afgeloopen was, was het alarm ook in wind opgegaan. Of de Iersche officier zijn manschappen wilde wegkrijgen, omdat zij mogelijk wat droog van lever waren, kan ik met zekerheid niet zeggen. Mogelijk was er werkelijk een valsch gerucht, dat een tijdelijke consternatie door het dorpje verspreidde.

Tegen den namiddag reed ik naar ons nieuw kamp, zoo wat een uur rijdens ten zuiden van Newcastle. Op weg zag ik een menigte lagertjes, rechts en links gelegen. Al de commando's die er te Zandspruit waren, hadden zich weer vereenigd, zonder eenigen tegenstand te ontmoeten. De Engelschen hadden blijkbaar Noordelijk-Natal prijs gegeven.

Wederom vond er een groote krijgsraad plaats, de laatste die de oude Generaal Kock met Generaal Joubert zou bijwonen, want 's daags daarna scheidden onze wegen weêr: de hoofdmacht trok over Dannhauser naar Dundee; Generaal Kock zwenkte rechts en moest Wessels Nek in de Biggarsbergen voor ons in bezit nemen en open houden, en tegelijkertijd trachten de spoorwegcommunicatie tusschen Glencoe en Ladysmith te breken. Zijn werk was hoogst gewichtig. Hij heeft het letterlijk willen uitvoeren—helaas! tegen een duren prijs. Hiervan, echter, later.

Bitter-zoet zijn mij de verdere herinneringen van dien Maandag bij Newcastle. De tijding van ons eerste succes werd ons dien namiddag bekend gemaakt. Te Kraaipan op de Mafeking lijn had de la Rey een gepantserden trein doen verongelukken en eenige prisoniers en kanonnen genomen. De eerste schot in den oorlog was gevallen, en de uitslag was ons gunstig.

Na afloop der krijgsvergadering, echter, wenkte de Commandant Generaal mij in het voorbijgaan, om nader te komen.

»Er zijn ook te Lobatsi eenige prisoniers door onze burgers gevangen”, zeide hij mij op zachten toon, »en één ervan is uw broeder!” Daarop ging hij verder naar de voorpunt der hoogte waarop ons geschut gesteld was, en vanwaar men een heerlijk uitzicht had op het grootsche plein, dat zich tot aan de verre Biggarsbergen uitstrekte. Het was een zeer vriendelijke, hoffelijke daad van den Generaal, te treffender omdat de typische Boer allesbehalve sentimenteel is, even min als de flinke karakters, die Schotsche schrijvers als Barrie en Maclaren in hun welbekende novellen afschilderen.

Goede, humane Generaal! Gij hebt mij geen aangenaam nieuws meêgedeeld, maar uwe bedoeling was goed en ik blijf u ervoor dankbaar. Mijn broeder een prisonier, en dat wel in onze handen! En hier ben ik met een geweer in de vuist op weg naar Dundee. Welk een warreboel hebben wij in ons land! 't Is niets minder dan een burgertwist en burgeroorlog. Broeder vecht tegen broeder, vriend tegen vriend, schoolmaat tegen schoolmaat. Akelige werkelijkheid! Bittere waarheid!

Hedenmorgen nog zag ik eene dame te Newcastle vroolijk lachend en schertsend met onze Boeren, terwijl haar man (een geboren Engelschman) geen woord sprak en ons mogelijk in zijn binnenste verwenschte.

Natal was vroeger Hollandsch—getuige de namen van vele steden en bergen en rivieren. De oude voortrekkers waren hier lang voor de Engelschen het land in hun bezit namen. Wat is natuurlijker, dan dat een Hollandsche Afrikaander, in Natal woonachtig, dagelijks aan de roemrijke geschiedenis zijner vaderen zal herinnerd worden? Hoe kan hij anders, dan trotsch zijn op zijn Hollandsche of Fransche afkomst? Voorwaar! de bergen en rivieren roepen hem toe: »gij zijt een afstammeling der mannen, die met Retief en Maritz in 1838 en daarna de Republiek Natalia gesticht hebben.” En nu? Wat gebeurt er voor zijne oogen? Boerencommando's gaan er bij zijne deur voorbij. Hij hoort de burgers in zijn eigene taal spreken. Ze zijn volks- en geloofsgenooten. Nog erger: onder die commando's is er reeds een zoon of broeder of neef, die te Johannesburg of Vrijheid wonend, een Transvaalsch burger werd en thans de wapens tegen Engeland draagt. Welk eene worsteling in menige Hollandsche familie! Welk een slingeren tusschen loyaliteit en nationaliteit, gehoorzaamheid aan de wet en gehoorzaamheid aan het hart! God helpe die arme, arme, zwaar beproefde, heen en weer bewogene lieden—ze zijn in allen deele beklagenswaardig. Helpen zij den Boer—dan zondigen zij tegen hunne Regeering en komen zij later mogelijk in de grootste moeilijkheid. Helpen zij hem niet, worden zij door bloedverwant en stamgenoot uitgescholden als ontrouwen aan hun eigen bloed en vleesch. Helpen zij de Engelschen?—neen, daaraan wil ik niet denken: de gedachte is mij te afschuwelijk, te laag, te walgelijk.

En toch—ik ben te opvliegend—ach! hoe uiterst gemakkelijk gebeurt het, dat leden van dezelfde familie, ja, van hetzelfde huis, in de twee vijandige kampen verdeeld raken! Wat doet de school niet in deze: de zoogenaamde opvoeding? Welk eene scheiding wordt er niet in ons land door het onderwijs alleen teweeg gebracht? En dan, er zijn zoo vele andere dingen, die de steeds zich herhalende Zuid-Afrikaansche tragedie veroorzaken. Het nieuwsblad, dat men dagelijks leest; het boek, dat men toevallig ter hand neemt; de boezemvriend onzer keuze; de omgeving, waarin wij geplaatst worden; een vrijerij, een innige liefde, ons beroep, onze woonplaats, een twist, eene verlegenheid, eene uitredding uit eene groote moeilijkheid—al deze dingen scheiden ons bewust en onbewust van elkander. Stil en onopgemerkt werken die onzichtbare krachten in elke familie van Zuid-Afrika voort.

Ik heb een vriend, die in de Kaapkolonie geboren en opgevoed, geheel en al Engelsch in zijne sympathieën en idealen en ideën was, totdat de heer Jan Hendrik Hofmeyr een rede bij zekere gelegenheid over de Zuid-Afrikaansche Geschiedenis voerde. Het gevolg was: dat hij van toen af aan elk boek over onze geschiedenis gretig las. De uitslag was onvermijdelijk: hij dweepte met de Voortrekkers en hun liefde voor de Vrijheid. Een nieuw leven golfde hem door de aderen. Nationaliteitsgevoel begon in zijn boezem te ontwaken, en van lieverlede werd hij een Afrikaander, die zich verzette tegen den Jingo-Imperialen geest van inmenging met onze inwendige zaken en van verachting van zoo veel, dat niet-Engelsch en toch echt Zuid-Afrikaansch was. Niet slechts door inwoning, maar van heeler harte werd hij een republikeinsche burger,—terwijl zijn broeder tegen hem vocht. Zulke gevallen zijn er meer.

Opmerkelijk is het, dat in tijden van crisis, bij nationale keerpunten in de geschiedenis van elk volk, een dergelijke verwarring en verdeeldheid te vinden zijn. Willem van Oranje had een zoon, in Spanje opgevoed en Spaansch van hart tot zijn dood toe. Zijn schoonbroeder pleegde verraad met den Prins van Parma. Washington had met dezelfde moeilijkheden te kampen. De zoogenaamde »Tories” in de Staten waren bepaald aan de Engelsche zijde en een gedurige bron van gevaar voor de republikeinen. Nergens echter is de scheidslijn tusschen de twee partijen zoo fijn, zoo delikaat, zoo onzichtbaar soms, als in ons arm, onstuimig en bewogen land—'t is inderdaad gelijk aan een geometrische lijn, pure lengte zonder breedte! De oorlog heeft wel voor een tijd de scheiding tusschen de twee vijandige kampen treffend aan 't licht gebracht. Maar als de strijd afgeloopen is, zal de lijn weer verborgen zijn als te voren. Men weet eigenlijk niet, wie men voor zich en rondom zich heeft in tijden van vrede. Vandaar dat zoo velen zich den Heidenschen God, Janus, ten voorbeeld stellen en naar beide kanten tegelijk kijken—naar den éénen kant met het gelaat van een Imperialist, naar den anderen met dat van een Afrikaander. Het betaalt immers zoo goed! Vandaar ook dat niet weinigen gedurig de leuze van de cynische, wreede Catherine de Medicis beoefenen—zoo slim en toch zoo laag, zoo politiek, maar zoo verachtelijk in 't oog van alle echte mannen en vrouwen—»nous devons toujours en user avec nos ennemis comme s'ils devaient être un jour nos amis, et avec nos amis comme s'ils devaient être un jour nos ennemis.”

VI

Inhoudsopgave

Naar Dundee

Het akeligste uur om uit de warme dekens te kruipen is gewis zoo wat 3 uur in den morgen. Dat nu was het geliefkoosde uur voor den Kolonel, om het reveille te doen blazen. Maanlicht was er niet; lantarens mochten niet gezien worden; en toch moest het goed opgepakt, de trekdieren ingespannen, de paarden opgezadeld en de tent neergehaald en opgerold worden. O! die tent heeft ons wat moeite veroorzaakt. De pennen waren zoo moeilijk te vinden en nog moeilijker uit den grond te halen. Foei! als ik daaraan denk, ben ik dankbaar dat ik niet meer op commando ben. Aan de vervelige herhaling van dat onderaardsch vroeg opstaan kon ik mij niet gewennen. Het was geene uitzondering: het was de regel. Waarom?—dat weet Joost.—De Engelschen waren ver van de eerste batterij verwijderd. Er was geen gevaar voor eene verrassing, wat ons commando betrof. Wij hadden de voorzichtigsten van alle voorzichtige officieren: Generaals Joubert en Daniel Erasmus. Schijnbaar onnoodig dus marcheerden wij in de duisternis en bleven wij dagen lang op verschillende plekken talmen. De ergste van al was, dat wij geen koffie mochten maken eer wij met den optocht begonnen, en dus met leêge maag, zoo wel als ongewasschen oogen en de vuilste handen moesten voortjagen.

Er zijn vrouwen en jongedochters in Natal, wier namen mij geheel en al onbekend zijn, maar die ik niet stilzwijgend kan voorbijgaan. Zij wonen op den hoofdweg en ook soms op een zijweg tusschen Newcastle en de Biggarsbergen. Nooit vergeet ik de heerlijke kopjes koffie, die ik (en vele burgers met mij) van haar vriendelijke handen ontvingen. Niet dat de koffie bijzonder goed gemaakt was. O neen, dat niet. Niet dat zij echt Javavocht inschonken. Dat nog minder. 't Is omdat wij een achttien of twintig mijl op de nuchtere maag gereisd hadden, dat wij die koffie niet kunnen vergeten. De invloed van zulk een kopje, onder zulke omstandigheden genoten, is niet te beschrijven. Voor gij het drinkt, zijt gij lichthoofdig, laf, gemelijk, ongelukkig; daarna gezond, sterk, vroolijk en opgeruimd. Wonderlijke, wonderdoende kopjes koffie! gij zijt onsterfelijk voor menig burger-geheugen. Vertel mij niet van uw »three star” of »Bols” of »Scotch”! Ons nationale Kaapsche drank (van de Oost gestolen) overtreft ze allen. Dank, duizendwerf dank, gezegende Natalsche schoonen, die de koffie bij emmers vol voor de voorbijtrekkende commando's inschonken. Wij willen het hopen, dat geen onpoëtische, ongastvrije, bekrompene geest u die humane, echt Afrikaansche daad tot disloyaliteit of verraad heeft toegerekend!

Hoe nader wij naar Dundee kwamen, hoe voorzichtiger en langzamer ging het. Verkenners waren natuurlijk ver voor de colonne uit, om informatie omtrent den vijand in te winnen. Eenige jonge Natalsche boeren hielpen ons ook veel met raad en nieuws. (Arme kerels! zij moesten later er zwaar voor boeten!) Sterke patrouilles te paard werden ook steeds vooruit en links en rechts van de hoofdmacht gezonden, die gewoonlijk in den grooten, gebaanden weg bleef. De regeling van den marsch was gewoonlijk als volgt:—eerst een sterk commando paardenruiters, daarna de kanonnen en maxims met de artillerieofficieren en artilleristen, dan de ammunitiewagens voor de kanoniers en voor de burgers, gevolgd door den tentwagen van Kolonel Trichard, de Jameson-kar (zoo noemden de artilleristen het rijtuig) en een paar commissariaat-wagens bij de eerste batterij gevoegd. Eindelijk had men er een sterke achterhoede, ook uit paardenruiters bestaande. Voetvolk was er niet.

Een eigenaardig verschijnsel in verband met onzen tocht in Natal verdient vermelding. Telkenmale bemerkte ik, dat er een lichte kar, of chais, of »spider” zich bij onzen langen stoet aansloot. Waar kwamen die rijtuigen toch vandaan? Een paar burgers zaten gewoonlijk in die dingen, met wat goed en vooral zadels erop geladen. Zij hadden klaarblijkelijk hun rijpaarden er voor gespannen, om wat gemakkelijker en aangenamer over den weg te komen. Het was natuurlijk niet heelemaal in den haak, voor een soldaat tot de ruiterij behoorend (!) om per as den vijand te gemoet te gaan, maar de officieren lieten het oogluikend toe. Zoodra er eenig gevaar was, of bijzonder haastige operaties plaats grepen, werden die geheimzinnige rijtuigen maar zoo achter gelaten. En dan, na eenigen tijd, doemde zoo'n ding weêr op! Het brood, dat op het veld gesmeten werd, werd na vele dagen weer gevonden—door iemand anders. Zoo herinner ik mij goed de lotgevallen van zeker netten »spider”. Te Newcastle werd het door een paar jonge kerels uit een wagenhuis geraapt. Te Ingogo kreeg ik het voor het eerst weer in 't zicht. Te Dannhauser werd het achtergelaten door zijn tijdelijke »eigenaars” of »huurders”. Daar het mij heel comfortable uitzag, werd het door mij geännexeerd, maar bij de »Navigation Collieries”, dicht bij Dundee, moest ik het geriefelijke voertuig achterlaten, uit gebrek aan de noodige trekdieren. (De lezer wete, dat er gedurig een of ander muil zoek raakte, en dat mijn Jehu's elken morgen een hevige ruzie hadden, eer wij onze dieren mochten optuigen,—totdat wij er later met twee magere luie knollen werden afgescheept). Bij ons volgende uitspanplek zag ik tot mijne verbazing den identischen spider weer op 't tooneel verschijnen. Te Ladysmith verloor ik zijn spoor geheel en al.

Mij dunkt, meer dan een dier nuttige rijtuigen zal wel naar gevraagd worden in Natal, nu dat de goede eigenaren weer bij hunne huizen zijn. Zoo ja, dan beklaag ik de arme lieden. Zij zullen zoeken, maar niet vinden. Naalden in hooimijten hebben meer kans, om ontdekt te worden.

De waarheid is dikwijls meer verrassend dan de stoutste vlucht der verbeelding. Het volgende is er een voorbeeld van.

We waren op marsch van Dannhauserstation naar de Imbaban heuvelen, recht noord van Dundee. Een patrouille paardenruiters was ver voor ons uit in het golvende plein1) tusschen voormelde heuvelen en den Impatiberg. Ik stond met mijn verrekijker op eene hoogte en kon ver op de vlakte zien. Onze ruiters reden langzaam en voorzichtig op een weg, die naar Dundee liep. Plotseling kwam er een tweede groep ruiters op het tooneel. Zij reden op denzelfden weg, maar in tegenovergestelde richting. Zou dat een afdeeling Engelsche troepen zijn? Het was ruim zes mijl van ons af en ik kon de khaki-kleur niet goed uitmaken. Ellendig uitvindsel! Hoe gemakkelijk zou het zijn het helder rood van 1880 op dien afstand met een goeden veldkijker te onderscheiden! Maar die beroerde khaki! Wel, geduld! Laat 's zien, wat er voorvalt.—Kijk! de twee groepen komen elkander langzaam nader, maar zij schijnen elkander niet te zien. Wat zou het zijn? Waarom schieten zij niet?—Ha! daar verdwijnt de veronderstelde Engelsche patrouille uit het gezicht. Nu is de zaak mij ietwat duidelijker: de vlakte lijkt wel gelijk, maar in de werkelijkheid zijn er hellingen en diepten daar, die van hier onmerkbaar zijn.—Langzaam rijden onze kerels vooruit.... de vijand is vlak voor ze, achter een bultje. Sakkerloot! kan niemand ze waarschuwen? Kunnen wij niet die kleine Britsche macht omsingelen en oppikken? 't Is om razend te worden. De spanning, de onzekerheid is vreeselijk.

Lezer, denk eens goed na over het gevoel, dat zich van u meester maakt, wanneer gij in de duisternis eene kamer binnenstappend uwe hand onverwachts tegen een tafeltje aanstoot. Er zijn kostbare voorwerpen op de bewuste tafel: eene lamp, een bloempot, een klok,—wie weet wat nog meer. Gij weet niet of de tafel omver zal vallen, of weer recht zal komen. Gij weet niet, of de kostbare dingen aan 't aftuimelen zijn, of niet. Gij zijt bang uwe handen uittesteken, want mogelijk stoot gij dan juist een of ander ding te pletter. De machteloosheid en de onzekerheid waarin gij verkeert, zijn onbeschrijfelijk. In één enkele seconde moet het gekraak komen, óf—de tafel heeft haar evenwicht behouden! Maar welk eene seconde voor U! Welk eene intense ondervinding maakt gij erin door! Wat voor gedachten, en vragen vliegen u door het brein! Hoop, vrees, twijfel, angst—een heele geschiedenis maakt gij door, en dat alles in één klein oogwenk!—Zóó was het mij dien dag te moede, toen de Engelschen weer te voorschijn kwamen. Zij schenen mij vlak voor onze burgers te zijn en ik kon niet anders dan een hevig geweervuur verwachten. Daar hoor! Kr.r.r.r.... neen! nog niet. Hoe is 't mogelijk? Het moet gebeuren. Daar!—neen! hoe hangt het onvermijdelijke dan zoo lang in de lucht? Het vuur moet vallen. Hoor!—Nog alles stil. Geen geraas—geen gekraak. Wat? De onzen vliegen om! Zij jagen terug. En de Khaki's? Vuren zij dan niet? Neen! Ook zij verdwijnen van 't tooneel zoo snel zij kunnen.

Gij haalt—weer vrijen adem. De tafel is niet omgevallen—de lamp is gered—de mooie vaas staat er nog. Gij trekt een lucifer: alles is in orde.

Verbeeld u 'reis. Na al die angst, onzekerheid, akelige gewaarwordingen, is er niets gebeurd! De Boeren kwamen van 't verre Noorden; de Engelschen kwamen over de groote wateren. Zij voerden oorlog met elkander. En ziet! Zij kwamen..... zagen..... en liepen weer terug, toen zij elkander voor het eerst op 't lijf kwamen! Zij vergaten, dat zij zoo ver gereisd waren, om elkander de eeuwigheid in te jagen. Ex Africa semper aliquid novi is maar al te waar. 't Was voorwaar een geheel nieuwe, en zeer origineele wijze van een campagne te openen!

Na drie lange dagen op de Imbaban heuvels vertoefd te hebben, met ongeduld op den trotschen Impati starend, waarachter het Engelsche kamp te Dundee gelegen was, kwam er eindelijk wat »beroering in de dorre beenderen.” Generaal Erasmus was in communicatie gekomen met Generaal Meijer, die bij den Doornberg nabij de Buffelsrivier gelegerd was. Halverwege tusschen de twee legers, was er eene ontmoeting plaats gevonden, waarbij eenige officieren van beide zijden tegenwoordig waren. Daar werd het plan van den aanval besproken en de dag daartoe bepaald. Op Vrijdagmorgen, 20 October, zou het Engelsche kamp van drie zijden worden aangevallen, namelijk: Generaal Meijer van het oosten, Generaal Erasmus van het noorden en Commandant Weilbachs Heidelbergers van het westen. De zaak werd geheim gehouden, maar onze geheimen waren destijds gewoonlijk van het soort, dat men »open” noemt.

't Was op een donkeren, regenachtigen avond, dat ik de Pretoria- en Standerton-burgers ons kamp zag verlaten. Stil als spoken verdwenen zij uit ons midden in de duisternis. Hunne bestemming was de Impatiberg. Zij hadden een zware taak voor zich, en, zooals wij toen dachten, eene gevaarlijke. Later bleek het echter, dat de onderneming van alle gevaar ontbloot was, daar de Engelschen (vreemd maar waar!) al de hoogste en belangrijkste punten rondom Dundee onbeschermd lieten. Onze tent was neergehaald en alles was in de wagens gepakt, kant en klaar om eenig oogenblik voorwaarts te rukken. 't Was drie uur in den morgen, echter, eer de Kolonel (ouder gewoonte) de trompet liet steken. De Ermelo burgers en het Iersche korps dienden als escorte voor de kanonnen der eerste batterij. In een klein half uur was alles gereed en de lang verbeide marsch op Dundee nam een aanvang. Groote dingen werden door ons dien dag te gemoet gezien. Moedig trotseerden wij dan ook al de ongemakken van den vroegen rit, die mij nog zoo helder voor den geest staat alsof het gisteren gebeurde.

De weg was bijzonder drassig en slecht; de regen erg lastig; de koude vinnig. Mijn historische kar had wel drie veeren, maar geen kap. Ik werd heel aangenaam gewiegd, maar niet tegen den regen beschut—hae misero mihi! Hoe wij over den weg kwamen? Ja, dat weet ik niet. Om de tien minuten moest er halt gehouden worden, daar de kanonnen en caissons in de vele slaggaten vast raakten en slechts na veel oponthoud en gesukkel weer weg konden. Wederom trof mij de vele stroompjes in het gezegende land van gras en water. De modder lag dieper dan ooit te voren; de driften waren lastiger dan immer voor de trouwe trekdieren. Meer dan een ammunitiewagen rijd ik voorbij in de vroege schemering.

Allo! wie is dat? Is het mogelijk?.... Neen, toch niet, ja toch. 't Is mijn oude vriend, Advokaat Ewald Esselen. Hij zit op een ammunitiewagen van het Pretoriacommando. Hij is korporaal van een aantal ammunitiewagens. Daar zit hij, hoog en ‘nat’ met onzen vriend Mike Maritz naast hem. Beiden zijn uit Pretoria, en oude schoolmakkers van mij.

»So the world wags, Mor'e Ewald! Mor'e Mike! Hoe gaat het, kerels?” Het gaat beroerd, maar wij lachen lekker ten spijte van alles. Bar! als ik aan onze vuile handen en gezichten, en nog vuiler kleeren denk. 't Was een tooneel voor de schoone Grieksche goden! Zonder scheermes, zonder zeep, zonder brood, zonder koffie, zonder bed en zonder tent moesten de meeste mannen in die dagen het stellen. En onder hen waren er predikanten en schoolmeesters, advocaten en hoofdambtenaren.

Adieu, mijne vrienden! Later zien wij elkander weer, vuiler dan immer, maar vroolijker tevens en—wij willen het hopen—wijzer en mannelijker en beter ten gevolge van wat wij hebben doorgestaan.

Wij gaan naar Dundee!—Neen, toch niet. In elk geval, nog niet. Het bevel kwam: afzadelen, uitspannen bij de »Navigation” koolmijnen—meer dan een uur rijdens van de plaats mijner bestemming. Haastig tracht elk nu wat te eten en te drinken te krijgen. De honger is groot en de dorst niet minder. 't Is meer dan tijd om wat in de maag te doen. Er zijn kleine woonhuisjes bij de mijnen en in een keuken maken wij ons spoedig een heerlijk ontbijt gereed. Er was een winkel dichtbij en mijn drijvers wisten er wat ‘porridge’ en ‘jams’ te bemachtigen. Het beste van alles was, echter, een jonge kip, die zij ergens op weg hadden opgepikt en voor ons klaar maakten. Onvergetelijk hoen! Zaliger nagedachtenisse! Nog was ik bezig een beentje te pluizen, toen er onverwachts een onaangenaam geluid tot ons doordrong.

Boem! Boem!—klonk het uit de verte. Er wordt gevochten! Lukas Meijer is bezig—en wij? Wat doen wij hier?—Wij luisteren en schudden onze hoofden. Boem! daar valt weer een hard schot. Een groote, pijnlijke twijfel beknelt ons gemoed. Is er misschien een fout begaan? Daaraan valt niet te twijfelen. »Some one has blundered?”—Wie? Hier staat de geheele eerste batterij, met haar prachtige snelvuurders en pom-poms. Alles nutteloos, terwijl er ginds achter dien berg hard gevochten wordt.

Ik snel naar de hoogte boven de mijnen, waar onze kanonnen gesteld zijn, en vraag den Kolonel, wat ons te doen staat. Hij zegt: »Generaal Erasmus heeft mij doen weten, dat de Impatiberg in zulk een dikken mist gehuld is, dat hij niets zien kan en dus niet weet, waar de kanonnen te laten plaatsen”. 't Is een akelige geschiedenis—die van dien Vrijdagmorgen. Er was een dikke mist, ongetwijfeld. Maar die lag maar op de bovenste helft des bergs. Indien Generaal Erasmus eenige verkenners had afgezonden aan de zijde van Dundee, dan zou er spoedig heel wat licht op het vechtterrein gevallen zijn. Geen uur te paard van de Pretorianen verwijderd, vond de slag van Talana Kop plaats—van den morgen vroeg tot tegen den middag. Men hoorde het kanongebulder onafgebroken dreunen, maar de gansche colonne bleef »op orders” die nooit kwamen, wachten, terwijl zij het heele Engelsche leger in het holle harer hand had. De gewaarwordingen van de Pretorianen moeten onuitsprekelijk pijnlijk zijn geweest, daar zij zoo dicht bij het vuur waren—zoo nabij en toch zoo ver!

Nimmer vergeet ik het dof gedreun der kanonnen van Dundee en Talana Kop op dien Vrijdagmorgen. Na zóó veel inspanning, zóó veel zelfopoffering, zóó veel plannen maken, zóó veel tijdverlies—zulk een resultaat! De heerlijke Creusot snelvuurders waren van Pretoria tot hier bij de kolenmijnen gebracht—om werkeloos te blijven, terwijl er een hevig gevecht aan den gang was! De Pretoria- en Heidelberg-burgers hadden regen en koude, honger en allerlei ontberingen en ellende vroolijk getrotseerd—om hier te komen en.... niets te doen. De Engelschen waren totaal verloren, indien er slechts een boodschapper naar Generaal Meijer was gezonden, of omgekeerd, indien deze zich met Generaal Erasmus tijdens den slag in communicatie gesteld had. De weg naar den »Helpmalkaar Pas” (zuid van Dundee) werd door Generaal Meijer's mannen beheerscht. Het pad naar Glencoe liep over een nauw en open plein, dat van den westelijken schouder van Impatiberg door onze vuurmonden bestreken kon worden, terwijl Commandant Weilbach met zijn sterk commando en eenige stukken nog daar waren, om den vijand het vluchten in die richting te beletten. Het gansche leger van vijf of zes duizend man zou tot de overgave gedwongen zijn, indien het afgesproken plan slechts eenigszins werd nagekomen. O! de bittere ironie der fortuin! De berg was in barensnood, weken lang, en ziet! een muis kwam er voor den dag.—En toch vergete men niet, dat de Boeren toen nog maar »groenen” in de kunst van aantevallen waren! Geen wonder dus dat wij zulk een fiasco maakten. Geen wonder, dat ons eerste aanval zoo treurig afliep. Ook hadden wij geen de la Rey daar, om alles met zijn helder hoofd te regelen en met zijn kalmen moed uittevoeren. Welk een kluchtspel werd er dien morgen afgespeeld, wat de centrale colonne betreft! Maar o! welk een treurspel was het voor de mannen van Wakkerstroom en Utrecht, Middelburg en Vrijheid, Krugersdorp, Bethal en Piet Retief, die daar zoo schandelijk in den steek gelaten werden!

1) Vlakte.

VII

Inhoudsopgave

Een brilliante Schermutseling

Tusschen een en twee uur van dienzelfden noodlottigen Vrijdag, 21 October, waarop Generaal Meijer gedwongen werd, om tot over de Buffel's rivier terugtetrekken, vond er een korte, maar brilliante schermutseling plaats, die een apart hoofdstuk waardig is. Zoo wat twee honderd Engelschen—zij waren van de King's Royal Rifles en de 18de Hussars—kwamen heel onverwachts op ons af. Zij werden tusschen de kolenmijnen en den Impatiberg door een patrouille onder den wakkeren Kapitein Daniël Theron (Hoofd van het Wielrijder's Corps) aangetroffen, en, even als een lot springbokken kwamen zij wild in onze richting aangejaagd, met Theron's patrouille op hunne hielen! Zij waren verdwaald, dachten wij toen; maar later vernamen wij, dat zij deel uitmaakten van een grootere macht, die Meijer's commando trachtte omtetrekken en er deerlijk gehavend van afkwam. Mogelijk wilden zij Dundee van 't noorden weer binnen rijden, niet wetende, dat de Boeren reeds dien weg hadden afgesneden. Hoe het ook zij: daar komen zij aan! Door het mistig weer is het ons in 't begin twijfelachtig, of het Engelschen zijn. »Schiet!” schreeuwt er een, maar er wordt geen bevel daartoe gegeven, en eer wij van onze verbazing bekomen, zwenken de ruiters rechts en snellen zij in vollen galop naar de Imbaban bergen.

Toen volgde er een merkwaardig schouwspel. De tweehonderd man werden in 't begin door slechts zoo wat vijftien man nagezet. De schrik was echter zoo groot, dat zij er niet aan dachten, om hun achtervolgers te beschieten. Zij zoeken slechts veiligheid in een haastige vlucht. Daar snellen zij heen! 't Is een wedren zoo als ik er nog nooit een heb bijgewoond. Zullen zij vrij komen? Het lijkt er wel naar, want zij tellen veel meer dan hun achtervolgers en zijn ze ver vooruit.

Doch ziet! wat is er gaande aan mijn linkerhand? Veldkornet Ernst van Ermelo is er als een pijl uit een boog met een twaalftal waaghalzen, zoo als hij zelf is, van de Mijnen uitgeschoten. Ha! die mannen kunnen rijden! Hun paarden zijn versch en sterk, en zij geven ze den vrijen teugel. 't Is een »race” naar het hart van den boer, die dikwijls op zijne plaats het gewond wild zoo achterna zet, of ook met Nieuwjaarsdag voor de pret met zijne vrienden te paard wedijvert. Het terrein is hun onbekend en daarbij erg gebroken en lastig, maar paard en man zijn aan zulke dingen gewoon. Sa! mijn dappere kerels! Sa! mijn flinke jongens. Gij wint reeds op den vijand. Jaagt, dat het zweet je aftapt, maar breekt toch je nekken niet.

Het gelukt hun werkelijk de Engelschen ‘voortesnijden’, ze voortekeeren, ze den aftocht onmogelijk te maken. Bravo! dat's flink gedaan. Dat kleine klompje heeft de vliegende colonne Engelschen in de grootste verlegenheid gebracht. Zonder eenig bevel daartoe aftewachten, zetten zij den vijand achterna en keerden zij hem voor. Daar hebt je een van de sterkste zijden van een Boerenmacht. De individu kan soms zoo veel doen!

Intusschen, echter, waren er honderden burgers ook te paard gestegen, om aan de jacht deeltenemen.—Verschoon mij het gebruik van die schijnbaar wreede uitdrukking; er is geen beter woord denkbaar voor het tooneel van dien namiddag.—Niet slechts de Ermelo-burgers en de Ieren, maar een aantal Pretorianen kwamen ook van den hoogen Impati aangejaagd, om hun bloed een weinig te koelen, na het vreeselijke abuis van den morgen. Het zijn de kleine klompjes Boeren, echter, zoo even genoemd, die de vluchtelingen in een hoekje keerden. Ja, zij waren inderdaad in de engte gebracht. Zij zochten schuiling, namelijk, in twee kleine huisjes en achter eenige steenen muren van een boerenplaats. Daar sprongen zij van hun paarden af en trachtten zij het een tijd lang uittehouden.

Langzaam en voorzichtig sluiten de burgers ze in. Zij laten hunne paarden op een afstand achter, en kruipen nader, steeds nader, al schuilend en schietend. Elke burger gaat zijn eigen gang, behalve waar een veldkornet in de nabijheid is, die bevelen geeft. Bevelen zijn trouwens ook niet noodig. De Boer is in zijn element hier. Hij heeft scherpe, geoefende oogen; een gezond en helder verstand; een bedaard en kalm gemoed. Zijn zenuwen plagen hem niet; hij is phlegmatisch. La Gloire heeft voor hem geene betoovering, daarom ligt hij plat op den grond, glijdt hij op zijn buik, of koest hij achter een klip, of schuilt hij in een sloot, al schietende en steeds schietende, zooveel als mogelijk. Hij haast zich langzaam—want het einde is zeker, en hoe minder offers van onzen kant, hoe beter voor ons in de toekomst.

Têk-tek-tek. Tak-tak-tak-tak-tak. Têk-tek. Zoo knallen de Mauser en Lee Metford schoten onophoudelijk door. Het duurt ruim een uur, en de Engelschen verdedigen zich knap. Zij houden zich goed en schieten dat het kraakt. Hunne paarden (prachtige ingevoerde dieren) worden één voor één getroffen, want zij zoeken geene schuiling, stomme, trouwe dieren. De positie der Engelschen is hopeloos. Toch houden zij den tegenstand vol. Lafaards zijn zij niet. Van alle kanten worden zij nu beschoten, en de vuurkring wordt al nauwer om hen getrokken. Daar zij zich hardnekkiglijk verzetten en tot geen overgave komen, zendt iemand bericht aan Kolonel Trichard, om een kanon ook eens het woord te geven. Een ruiter komt aangevlogen naar de plaats, waar onze kanonnen zoo nutteloos den mond houden, en schreeuwt: »Vuur! kerels—jullie moet vuur! Daar, op die huizen. Die Engelschen zijn erin.”

Boem.... kraak! 't Is ons eerste kanonschot. Luitenant de Jager, Kolonel Trichard's rechterhand,—verbitterd over het droevig nietsdoen van den morgen, en waarschijnlijk al te begeerig, om toch eindelijk een beetje meê te praten—loste dat schot, onder daverend gejuich van de omstanders.

Boos kwam de Kolonel, die bezig was de schermutseling met zijn verrekijker gade te slaan, naar den Luitenant, uitroepende: »Wacht! Moet niet schieten zonder mijne orders. Jullie mag van onze menschen dooden.”

Daarin lag ongetwijfeld ook heel wat waarheid, maar de menschen waren toen reeds overspannen over het gebeurde (en vooral over het niet-gebeurde) van dien dag, zoo vond er een hevige ruzie tusschen een Veldkornet en den Kolonel plaats! Voor het aangezicht en ten aanhoore van al de burgers en artilleristen in den omtrek werd er getwist tusschen twee officieren. Ja, sommigen van de burgers nemen van tijd tot tijd ook deel er aan. 't Is eene verwarring als die van Babel. Wat hebben die lui met de zaken van den Kolonel uitstaande? Hoe durven zij zich in den twist mengen? Zijn al de burgers gelijk? Is er geen tucht, geen discipline in een Boerenleger mogelijk? Heeft men geene vrees voor officiers—geen eerbied voor het gezag? Is deze de noodzakelijke schaduw van de sterke zijde onzer Boeren, die wij zoo even geprezen hebben? Is deze »de ondeugd onzer deugd” par excellence?.... De goede God helpe ons om het spoedig in te zien, als het zoo is!

Wederom snelt er een ruiter in vollen galop naar de kanonnen. Er moet een kanon naar het vechtterrein komen zegt hij. De burgers krijgen het anders niet klaar van avond. Na een kort onderhoud met hem geeft Kolonel Trichard bevel aan Luitenant de Jager, om met een Krupp-snelvuurder op te rukken. Alles was in orde; de paarden stonden klaar, tuigen en zadels waren op hun plek, en de jonge artilleristen toonden dien dag, dat zij hun werk op meesterlijke wijze verstonden. In eenige minuten was de affuit de hoogte af en in vollen galop ging zij voorbij de mijnen in de richting van de boerenplaats, waar het kogelgefluit nog onafgebroken voort ging. Een diepe drift moest men door, en later ging het buiten den weg over heuvels en door kloven, maar de uitgelaten Luitenant vertraagde zijn snelle vaart niet, aleer hij bij de plaats gekomen was, waar hij zijn stuk wilde stellen.

De rest behoeft nauwelijks verhaald. De derde kogel trof het huisje dat links stond, en de witte vlag kwam voor den dag. De Engelschen telden 12 gewonden en 4 dooden. Ruim zes maanden later ontmoette ik Kolonel Möller, die ze dien dag aanvoerde, te Pretoria. Hij vroeg mij ernstig: hoevelen er aan onzen kant dien namiddag getroffen waren. Ik antwoordde: »twee, zeer licht gewond,—eene in den bovenarm, de andere in de hand. Dat was al!” Noodeloos te zeggen, dat hij mij niet wilde gelooven, en toch is het de eenvoudige, volle waarheid.

Daar bij den muur van het huisje, dat door den bom getroffen werd, zag ik voor de eerste maal een gesneuvelde. Een jongeling, nog baardeloos, lag er op zijn rug uitgestrekt, onder eene kar, waar hij schuiling had gezocht. Eene bomscherf had ook daar haar weg tot het hart van den jongen Engelschman gevonden. Leeft zijn vader of zijne moeder nog? Zijn er anderen, die hem beweenen?—Het leven is wreed: de oorlog is nog wreeder!

Op een kopje dichtbij hoorde ik eenige honderden burgers een Psalm aanheffen en, met ontbloote hoofden in den regen staande, Gode voor de overwinning dankend—een typisch oorlogstooneel, aan de dagen van Gustav Adolf en die van den ouden Voortrekker Charl Cilliers herinnerend.

Daar bij het andere huis vindt er iets plaats, dat ook zeer aandoenlijk is. Een sterke, welgebouwde boerenvrouw wordt uit het huis gebracht, doodsbleek en bevend. Twee krachtige mannen ondersteunen haar, en verscheidene kinderen volgen haar. Het zijn de vader en de moeder des huizes, die met hun kinderen den heelen middag in dat huis met eenige soldaten doorbrachten. Het dak des huizes was doorboord van Mauserkogels, en de gewonden werden in het huis gedragen en verpleegd. Arme vrouw! Dat alles moest zij doorstaan en aankijken. En dan—het bombardement! Geen wonder, dat zij er als een doode uitzag. Het oorlogsgetij was schijnbaar voorbij de »plaats” gegaan, maar onverwachts sloegen de stormen met geweld tegen het woonhuis aan, een schok veroorzakende, die niet licht door die familie vergeten zal worden. Toen ik twee maanden later die plaats weer bezocht, vond ik er slechts een paar zwarten. Het huis was gesloten en verlaten. De eigenaar woonde op eene nabijgelegene plaats met zijne vrouw en kinderen. Zeer waarschijnlijk was de vrouw er niet toe te bewegen, om naar haar met bloed bevlekt huis terug te keeren.

De naam van »de plaats” is Adelaïde, en de eigenaar beroemt zich op den aristocratischen familienaam Maritz, en is stellig een afstammeling van den fieren Voortrekker, Gerrit Maritz, wiens naam bij dien van den grooten Pieter Retief in Natal's hoofdstad, Pietermaritzburg, voor eeuwig gevoegd is.

De Engelschen zochten schuiling tegen de Boeren in het huis van een Maritz! Welk een vreemd geval! Wilde de grillige Godin ons wat humor met de bittere ironie van dien dag mengen?

VIII

Inhoudsopgave

Een Roemlooze Vangst

Zaterdag namiddag werden onze kanonnen eerst op den Impatiberg gebracht. Zaterdag namiddag, toen Generaal Meijer's geheele commando over de Buffelrivier op Transvaalschen bodem stond, en de weg naar het zuiden voor het groote Engelsche leger weer open was! Een Kruppkanon werd met groote moeite tot boven op den top van Impatiberg door de burgers getrokken—evenals zij vroeger een groote vestingkanon boven op een hoogen top in de Drakensbergen (tegenover Majuba) gesleept hadden, en later.... maar daarover vooreerst niet. De overige stukken werden op de westelijke helling van den Impati, vlak boven »Marshall's Farm”, in positie gesteld. Er waren er vier heerlijke Fransche veldstukken van 7½ c.m. en twee eerste klas Krupps van 7½ c.m., een pom-pom (Vickers-Maxim van 3.7 c.m., die 2 lb. bommetjes over de 4000 treden werpt), en een gewone maxim. Er was geen Britsche macht op die belangrijke stelling, om ons haar bezit te betwisten. Een paar geweerschoten met een kleine buitenpost gewisseld maakten ons den weg daarheen open. Even zoo waren een paar bommen uit onze Creusot's voldoende om het gansche leger in de bergen ten zuiden van Dundee te doen vluchten. Er was geen kanon of fort op eenige hoogte om het Engelsche kamp gesteld. Generaal Penn-Symons had een zeer lagen dunk omtrent de strijdkracht der Transvalers en zijn gansch leger kon gemakkelijk, zelfs na den ongelukkigen slag van Talana Heuvel, in onze handen zijn gevallen. Hij zelf lag doodelijk gewond in het dorp en zijn opvolger toonde weinig vechtlust. De Talana overwinning was inderdaad een van die, waarvan Koning Pyrrhus van Epirus zou gezegd hebben: »Nog zulk eene zegepraal, en ik ben verloren!” Het was ongetwijfeld een bloedig gevecht van beide kanten, maar het Engelsche verlies was natuurlijk veel grooter dan dat der Boeren. De aanvallers lijden immers altoos veel meer dan de verdedigers. Het moraal der Britsche troepen liet dus heel wat te wenschen over—even als 't met Generaal Meijer's commando voor eenige dagen het geval was—terwijl de hoofdmacht van Generaal Joubert nog niet in den slag geweest was en, vooral na de kleine schermutseling te Adelaide, vol vuur en geestdrift was. Indien er toen nog een sterke afdeeling—zegge de Heidelbergers—om Dundee ware gezonden, dan zou Generaal Yule (de opvolger van Generaal Symons), zich tusschen twee vuren geplaatst ziende, in wanhoop de witte vlag geheschen hebben. Dit werd, echter, om de eene of andere reden, niet gedaan. Mogelijk dacht Generaal Erasmus, dat Generaal Meijer nog den Helpmalkaar Pas in zijn bezit hield. Mogelijk zag hij geen kans, om Commandant Weilbach er toe te krijgen, om zoodanige flankbeweging uittevoeren, daar hij meermalen in mijne tegenwoordigheid verklaarde: »Weilbach wil mij niet gehoorzamen. Zeg ik, dat hij oost moet gaan, dan gaat hij west en omgekeerd. Ik kan op hem niet rekenen.” Great Scott!

Onwillekeurig heb ik mij tot een weinig critiek laten verleiden. Of ik gelijk heb, zal den lezer verder duidelijk worden uit het vervolg van mijn verhaal. Zoodra ons geschut in positie kwam, werd er op het Engelsche Kamp, dat geen zes mijl van daar verwijderd lag, gevuurd. Een paar schoten werden terug gezonden, maar het Armstrong veldgeschut was niet bij machte onze stelling te bereiken, en de vijand verdween achter de heuvelen ten zuiden van het dorp! De verachte Boer had wel veel minder, maar veel beter grof geschut dan de met zichzelven steeds ingenomen Brit. Daar lagen zij achter Dundee, machteloos en verstomd over de situatie, waarin zij zich bevonden. Voedsel hadden zij er voor ruim drie maanden voor een 6000 man. Hun veld-hospitaal was vol gewonden. Ook andere gebouwen in het dorp werden tot hospitalen ingericht, van vriend en vijand. (Zoo lag er bijvoorbeeld de wakkere, dappere Mike du Toit, Luitenant bij de derde Batterij, die op Talana's Kruin bij zijn kanon zwaar gewond werd.) Er bleef den trotschen Brit, echter, niets over, dan alles achter te laten en op de vlucht te gaan. Dat deed hij echter eerst Zondag nacht, aan ons ruim genoeg tijd gunnend, om hem totaal intesluiten! 't Is om hoofdpijn te krijgen, als men over de »blunders” van die dagen nadenkt.

Wij bleven Zaterdag nacht op Marshall's plaats. Het regende gruwelijk en ik bewonderde de gehardheid en gehoorzaamheid en tevredenheid onzer mannen meer dan immer te voren. Daar zaten zij tegen de kraal muren, klaar om een aanval eenig oogenblik afteslaan. Hoe jammer, dat zij niet aanvallenderwijze konden optreden?

Den volgenden morgen, Zondag 23 October, maakten de Engelschen eene beweging in de richting van Glencoe. Het was mistig weer, en zij waren een heel eind weegs uit hun kamp getrokken, eer wij hun plan ontdekten. De Heidelbergers versperden ze echter spoedig den weg, en onze Creusot's speelden met hunne kanonnen, zoo als een kat zich met een muis vermaakt. Vriend Armstrong zond een paar bommen in onze richting, die echter alleen een paar honderd treden te kort vielen. Wij stonden er volmaakt veilig op onze hoogte, terwijl onze bommen onder hun gelederen vielen. Evenzoo kan men het zich voorstellen, heeft de bekende Gulliver op zijne reizen de kleine Lilliputianen dikwijls van een heuvel met steenen lastig gevallen, zonder het minste gevaar voor zijn eigen persoon. De Engelsche batterijen keerden zich toen in woede tegen de kopjes, waarop de Heidelbergers zich bevonden, maar ook dat bleef zonder eenige vrucht. De Mausers lieten een hagelbui van kogels op hunne hoofden los en—zij keerden terug naar hun onzichtbare schuilhoeken achter Dundee. Waarheen zij gegaan waren, wisten wij niet zeker, maar niemand scheen te vermoeden dat zij hun kamp en hunne vele gewonden in ons bezit zouden laten zonder verderen tegenstand.

Een groote Creusot vestingkanon van 15½ cM., die een bom van 85 ℔ gewicht 12000 meter ver werpt, werd nog dien Zondag met oneindig veel moeite van Dannhauser naar Marshall's plaats vervoerd. Wat een gesukkel met de zware houten balken, die tot platform voor het monster-geschut moesten dienen! En wederom was al die moeite bloot tijdverspil!

Den Zondag werd verder als een dag van rust doorgebracht! Niets werd er gedaan, om de positie en de plannen van den radeloozen vijand te ontdekken, laat staan, om hem te omsingelen. Niets. Het was een dag van rust. Het was de Sabbatdag. Wij mochten dien dag niet vrijwillig en op eigen initiatief door krijgsoperaties ontheiligen. Ach! hoe jammer, dat onze menschen het niet begrepen, dat de ééne, groote vraag deze was: of zij den oorlog met een goed en rein geweten begonnen waren! Als dat eerst in orde was, dan bestond de ware godsdienst voor den krijgsman verder vooral in het oorlogvoeren met geheel zijn verstand en hart en met al zijne krachten! Zoo moet een leger op actieven dienst zijn God dienen, mijdunkt. Maar onze voormannen dachten er blijkbaar anders over—en verzetten verder geen trede, om den vijand vast te keeren.

Den volgenden morgen werd het groote vestingkanon in positie gesteld, terwijl de Heidelbergers langzaam en voorzichtig al langs de bergen in een zuidoostelijke richting trokken om den vijand uit zijn schuilplaats op te jagen. Met gespannen aandacht werd hun tragen gang door ons gadegeslagen. Elk oogenblik kon een gevecht zich ontspinnen—meenden onze Generaals.

Niets van dat alles vond er plaats. De vogel was in den nacht reeds gevlogen! Den stal wilden wij sluiten, na het paard eruit was. Een enkel kanonschot dreunde er van den top van den Impati—het was Luitenant de Jager nog eens, die gewis tot berstens toe ziek was van de herhaalde fiasco's onzerzijds gepleegd—en eene wacht kwam uit de stad met een witte vlag te voorschijn. Hospitaal en gewonden, kamp en dorp werden ons overgegeven. Vooral de massa voedingsmiddelen (er was een heele pyramide) kwamen ons goed te pas en mochten een kolossale, hoewel roemlooze vangst heeten.

Zoo werd Dundee door ons genomen! Onze Zondagsrust kostte ons duur: het geheele leger was ontsnapt en kwam werkelijk veilig te Ladysmith aan! De teleurstelling was dubbel groot na den treurigen afloop van den slag op den vorigen Vrijdag. De Engelschen waren onuitsprekelijk dwaas om daar, te Dundee, midden in de bergen, (die zij nog al aan de Boeren overlieten) zulk een kostbaar kamp te vormen. Wij waren niet minder dwaas in de wijze, waarop wij van den Vrijdagmorgen tot den volgenden Zondagavond te werk gingen om Dundee in te nemen. Generaal Penn-Symons was overmoedig en onderschatte de kracht zijner tegenpartij; Generaal Erasmus had te min moed en overschatte de macht der Engelschen. Allerwege en voor allen was de Dundee-geschiedenis een treurige mislukking. Geen van beide partijen behaalde er veel eer mede. Vele dapperen sneuvelden er op Talana heuvel aan onzen kant, en de echtgenoote van Generaal Penn-Symons, die den val van Dundee niet overleefde, had een profetisch voorgevoel, toen zij haar man per kabel liet weten:

»Ik ben de hoogmoedigste vrouw in Engeland; vreeselijk angstig; verlangend naar boodschap. Leef om mijnentwille.”

IX

Inhoudsopgave

Een Nachtelijk Avontuur

Meer dan eens is mij de vraag gesteld: »Hoe ging het in de eerste weken van den oorlog op het punt van voedsel voor de commando's”? Wel, het ging in het begin uiterst beroerd. Dagen lang was er geen brood. Die geen beschuit, door vrouw, of vriendin, of zuster voor hem gebakken, bij zich had, moest meermalen honger lijden. Want zelfs met het slachten van vee ging het toen zeer ongeregeld. De meeste burgers hadden echter, wat kost van huis meegebracht, en anderen hadden geld in den zak, om er koopjes op weg mee te doen. Te Newcastle, bijvoorbeeld, konden de hotelhouders niet genoeg spijze voor de hongerige mannen verschaffen, hoewel zij er goed voor betaald werden. Opmerkelijk is het, dat noch spijs noch drank aldaar door eenig een maar zoo genomen, of, zooals men het euphemistisch noemt, »gecommandeerd” werd. Langs den grooten weg, echter, ging het meer ongeregeld toe, vooral waar men verlaten huizen en winkels aantrof. Een oplettende burger kon gedurig kleine klompjes burgers (heel toevallig!) zien verdwalen in de richting van een of ander hoen, of eend, of gans: geen gewoon Afrikaander kon met Paddy in een varkenjacht wedijveren. Hetzij deze de lieve diertjes gewoon weg storm liep, of met eenige kameraden in de flanken aanviel, zijne manoevers werden steeds op meesterlijke wijze en met schitterend succes uitgevoerd. En 's avonds, als wij ergens op een groot buiten ons bivak hadden, kon men op het geschreeuw van zieltogende zwijnen rekenen als een veilige aanwijzing naar de kwartieren der dartele zonen van Erin. Men moest zichzelven, echter, in die dagen op alle mogelijke manieren behelpen. Het brood werd op reuzenschaal te Pretoria gebakken en versch uit de ovens naar 't front gezonden. Maar waar was het front? Wij bleven soms een, soms twee, soms drie dagen op eene plek. Zelfs de Generaal, kon niet altoos met zekerheid zeggen, waar zijne commando's over twee of drie dagen zouden kampeeren! Wat nu gedaan? Men zond eenvoudig het brood bij trucks vol per spoor naar Natal, alwaar het bij de stations dikwijls lag te verschimmelen, terwijl de arme burgers ernaar versmachtten. De Nederlandsche Spoorwegmaatschappij werkte hart en ziel en krachtig met de Regeering en den Commandant-Generaal zamen, maar de fout lag hierin: dat men het brood te Pretoria liet bakken en dan nog al versch over al die lange mijlen spoors verzond. Later werd deze gewichtige zaak veel beter geregeld. Er werd niet slechts te Glencoe Station een groote veld-bakkerij op touw gezet, maar al het brood in de hoofdstad gebakken, werd eerst opgesneden, met wat vet bestreken en dan nog eens in de ovens goed droog en hard gebakken, eer het naar de commando's ging. Als een soort smakeloos, maar toch zeer voedzaam beschuit werden de harde sneden in de koffie door de burgers geweekt en met pleizier gegeten. Zulk brood kon natuurlijk niet verschimmelen, al bleef het ook hoe lang op weg naar het onbekende en beweegbare front.

Wat het vleesch aangaat, werd er later mede gemorst, kan men zeggen, toen de commando's vaste lagers rondom Ladysmith en de Tugela en de Modderrivier getrokken hadden. Er was altoos een overvloed van ossenvleesch, en soms werd er ook wel een kudde schapen voor de commando's gekocht. Zekere personen in elk lager werden afgezonderd, om het vleesch te verdeelen, en elk korporaalschap (ongeveer 25 man) kreeg zijn bescheiden deel. Desgelijks werd de koffie en suiker, de thee en de tabak, de zeep en de blikjes jam en visch—en natuurlijk ook het brood-beschuit—uitgedeeld. Drank werd niet verschaft, maar die in een flesch whisky of brandewijn behagen vond, wist die wel uit Pretoria of Johannesburg of elders per spoor aan zijn adres te doen zenden.

Wat mijn eigen persoon betreft, mijn vriend, de kapitein, hield er een soort adjudant op na, die tegelijkertijd ook naar den kookpot moest kijken. Gewoonlijk had hij een kuiken, soms ook wel een taaien haan op 't vuur, eenmaal per dag. Wij vroegen niet vanwaar die dingen kwamen, maar bleven goed op de hoogte omtrent den weg waarheen zij gingen. Aan een gezonde spijsvertering was er bij ons in de open lucht geen gebrek, en ons appetijt was kolossaal. Soms kwamen wij in een stortregen 's avonds bij ons bivouac voor den nacht aan, en in een ommezien was er eene kamer voor den kapitein en zijn gast gecommandeerd en een kip op 't vuur. Dit hadden wij alles aan den adjudant te danken, die weinig moeite had om voor den kapitein een bed te krijgen, daar deze tot het commissariaat-departement der Staatsartillerie behoorde en alzoo ruime rechten en machten kon uitoefenen. 't Was dus goede politiek, om hem van dienst te zijn. Op zijne beurt, weêr, vereenzelvigde mijn goede, oude, Stellenbossche schoolkameraad altoos mijne belangen met de zijnen, zoodat ik steeds met hem zijn hoen, zijn koffie en brood en zijn bed deelde. Soms spoorde de kapitein de trage gangen van een en ander surnumerair-artillerist, van wien hij iets wilde gedaan krijgen, met het volgende heel ernstig uitgesproken grapje aan:—

»Toe, kerel! Gedraag je nou fluks—dan kom je ook in 't boek van meneer Hofmeyr!”

Goede, ondeugende, handige jongens! Gij hebt ons onschatbare diensten op commando bewezen. Zonder u waren wij gewis verhongerd, of op de invalidenlijst gekomen. Wij vergeten u nooit, vooral niet wegens die hoenderboutjes; maar uwe namen zijn ons ontgaan. Het ga u wel, waar gij ook zijt.

Maar wat heeft dit alles met het opschrift van dit hoofdstuk te doen?—Zeer veel, lezer, zeer veel. Zie! toen het mij duidelijk werd dien Maandagmiddag, dat Dundee in onze handen was gevallen, verlangde ik zeer naar een lekker diner. Droog beschuit en koffie voor 't ontbijt, dito dito om twaalf uur—als er kans daartoe bestond—met dito dito plus een stukje vleesch tegen zonsondergang—wel, dat zegt veel voor iemand, die de eerste weken met het Natalsche commando was, maar!... Enfin, een table d'hôte lachte mij uit de verte toe, terwijl ik het schoone Dundee van den Impatiberg bewonderde.

En zoo werd mijn nachtelijk avontuurtje voorbereid.

De Magistraat van Dundee had Generaal Erasmus om eene wacht bij zijn huis voor den nacht verzocht. Terwijl ik nu bij Marshall's plaats rond wandelde, in twijfel of ik naar Dundee zoude stappen of niet, ratelde er een trolley (een open rolwagentje) mij snel voorbij. Ik keek op en zag mijn vriend Mike Maritz erop, met nog een negental andere burgers. Zij vormden de wacht, door den Generaal naar den Magistraat gezonden.

»Gaat ge meê,” bulderde de gezellige Mike.

»Ja wel” en ik rende den wagen achterna en sprong er achter op. Daar ik als 't ware mijn eigen baas was en bij geen veldkornet of officier ingedeeld was, kon ik mij aan dergelijke avontuurtjes ongestraft wagen. Later echter, en dat wel te Magersfontein, werd ik onverwachts heel zwaar gestraft voor een mijner onschuldige ondekkingsreisjes. Maar dit is een ander verhaal.

Een klein half uur rijdens bracht ons bij het veldhospitaal, rechts van den weg gelegen, tegenover het verlaten kamp, dat links van den weg was. Daar sprong ik af en liep eenige soldaten te gemoet. Zij pasten de gewonden op en sommigen waren zelf gewond en kreupel.

»Een groot gevecht, hè?”

»Ja,” zei Tommy, »a bloody fight—nothing like this since the Crimea.”

»Hm. Was er mist op den berg?” naar Impati wijzend.

»O ja, den heelen dag, maar niet lager af dan die plek daar”—zei een hunner in 't Engelsch, met den vinger zoowat halverwege den berg opwijzend.

»Is u zeker hieromtrent?”

»Ja, zeker!”

Dit punt was dus mijns inziens als feit geconstateerd: er was een dikke mist op den bergtop laatsten Vrijdag. Generaal Erasmus werd daardoor natuurlijk zeer belemmerd.

De gewonden telde ik niet: het was mij geen verkwikkelijk werk. Volgens Dr. Hohls hadden de Engelschen 184 gewonden te Dundee dien Maandag.

Het kamp liet ik vooreerst daar, omdat het laat begon te worden en ik het dorp wilde doorwandelen en dan een hotel wilde vinden. De doodsche stilte, de algeheele verlatenheid van het dorpje trof mij zeer. Slechts voor ééne deur waren er twee dames met een heer te zien. De inwoners, die nog achtergebleven waren, hielden zich binnenshuis »vanwege de vreeze der wreede, ruwe, vuile Boeren!” Zoo waren zij immers door hun geliefkoosde Engelsche couranten geleerd. O! de domheid van den ordinairen Jingo-Engelschman is iets, om Engelen te doen weenen of—wilt gij het liever?—te doen lachen.

Alleen wandelde ik de hoofdstraat van Dundee op, zuchtende terwijl ik mijn oog op Talana Kop liet vallen. Zóó dicht bij den Impati! Foei! wat 'n wanbestuur!

Mijne aandacht wordt door een aantal mannen bij gindschen winkeldeur afgetrokken. Laat 's zien, wat daar te doen valt. O! ze zijn aan 't buiten—zooals men zulke streken noemt. Een van de groote voorruiten (show window) is kortweg ingeslagen en onze vrienden zijn bezig de anderen, die reeds binnen zijn, te volgen. Het zijn burgers die, zonder verlof, ja, tegen het verbod van hun Generaal en Commandant, bij het vallen van den avond het dorpje zijn ingeslopen. Of zij nu den winkel reeds ingebroken vonden al dan niet, is mij onbekend. In elk geval, zij namen er slechts het allernoodigste uit: zooals laarzen, broeken, jassen, wollen hemden, enz. En—ik gun ze dat alles van heeler harte, al spijt het mij om den handelaar, die mij totaal onbekend is.

Ietwat later stap ik weêr denzelfden weg terug, naar zeker hotel, dat ik in 't oog had. Er brandden eenige lichten in de eetzaal, maar de deuren waren dicht. Ik klopte aan. Een oude praatzieke Jood kwam naar de deur.

»Kan u mij wat kost en een slaapplek verschaffen?” Met de grootste beleefdheid noodigde hij mij, hem te volgen. Hij bracht mij in een ruime eetzaal, alwaar er een half dozijn kinderen van Israël aanzaten. Zij groetten mij allen vriendelijk en mijn gastheer riep uit:

»Kijk hier, die man is mijn gast van avond. Vraag hem en vertel hem ook niets van den oorlog. Ik wil geen ruzie hebben. Laat ons samen eten en drinken.”

Tot mijn innige spijt was er geen warm eten! Zalm, kaas, »blikjesvleesch” (ingevoerd vleesch in blikjes, aldus op commando genoemd), thee, whisky en galore, maar geen gebraden vleesch, geen aardappelen, geen rijst (den Afrikaner der steden zoo onmisbaar), geen puddings. Hé, wat is dat? Bakkersbrood, heerlijk, versch! Dat heb ik langen tijd niet gezien, hoor. Smakelijk werd er dus gegeten, alhoewel het mengelmoes voor mij ten toon gespreid op geen fatsoenlijk table d'hôte geleek. Al etende vond ik uit, dat die lieden allen Johannesburgsche Refugee's waren—wachtende op de zegetocht naar Pretoria, door Engelsche bladen zoo luidkeels uitgebazuind. Zij hadden gehoopt van Dundee naar de goudstad terug te mogen gaan. In plaats ervan werden zij per spoor naar Delagoa Baai gezonden, om vandaar hun weg naar de groote wereld te vinden. Arme drommels! Zij hebben mij gastvrij en vriendelijk onthaald en ik wensch ze een veilige terugkeer naar Johannesburg—over een jaar!

Na den eten riep ik den waard op zijde: »Geef mij toch alsjeblief een bad, man. Ik verga van vuil.”—»Een bad heb ik niet, het spijt mij zeer”.—»Wel! eene kamer dan met waschwater en een bed”.—»O Ja, dat wel. Volg mij maar.”

Ik volgde mijn onbekenden geleider door een langen gang naar een ruime kamer. Daar gekomen, wenkte hij mij geheimzinnig toe. Ik naderde hem. Hij fluistert mij in 't oor:

»You are in a trap! Ze English will come again to night. I warn you”.

Ik hield mijn hoofd hoog en sprak op dood gerusten toon (al wist ik er niets van af!)

»Nonsense. They're fled, man.” Hij haalde zijn schouder op en de schaduw van een spotlachje speelde op zijne breede lippen, terwijl hij opmerkte:

»Hm! Alsof de Engelschen zóó op de vlucht zullen gaan! Man, ik waarschuw jou, verlaat het dorp. Zij komen van nacht terug” (in 't Engelsch natuurlijk).

Ik begon erg te twijfelen, omtrent den stand van zaken, maar hield staande, dat er geene sprake van hun terugkeer was en dat ik een lekker »perpendiculier bad” en een heerlijke nachtrust ging genieten.

Hij zag mij verbaasd en medelijdend aan, en verliet de kamer. Plotseling kwam hij weer terug en fluisterde mij met nog meer geheimzinnigheid in ernst toe:

»Kijk. Neem dezen sleutel. Als de Engelschen bij de voordeur komen, kan je hiermede door de buitendeur van den gang ontsnappen.”

Ik lachte spottend, maar nam den sleutel uit zijne hand.

»Zoo,” zeide hij, »dat's goed. Ik mag je niets vertellen. Ik moet mijn mond dichthouden. Maar ik weet.... ik weet.... pas op! de Engelschen komen van nacht terug. Ik weet het.” De laatste woorden werden mij heel zacht in 't oor gestooten.

Toen bemerkte ik eerst, dat mijn waard heel diep in het glas gekeken had. De opgewondenheid der laatste paar dagen hadden hem gewis een hevigen dorst gegeven. En er stonden niet minder dan twee tamelijk gevulde bottels Scotch op de tafel—herinnerde ik mij.

Ik besloot hem toen op de proef te stellen. Hem sterk in de oogen ziende, donderde ik los:

»De Boeren komen van nacht het dorp in—niet de Engelschen.”

»Vader Abraham! Zullen ze mij dooden?”—riep hij angstig uit.

Ha! hij was dus alles behalve zoo zeker van zijne zaak, als hij mij wilde diets maken.

»Och neen, vriend! Ze zullen je geen kwaad doen. Wees maar vriendelijk en geef ze wat te drinken,”—zei ik.

»Goed,” antwoordde hij, »ik blijf den heelen nacht op. Ik zal ze goed ontvangen.”

»Wel, goeden nacht dan, old chap.”—Ik schudde hem al lachend de hand.

Hij stond mij besluiteloos aan te kijken. Krabde zijn hoofd eenige seconden, in diep gepeins verzonken en toen stotterde hij:

»Ah! I have it. I shall keep coffee ready for ze Boers.... and beeftea for ze English!”

X

Inhoudsopgave

Een Romantische Rit

Dinsdag morgen begon de droevige tijding omtrent Elandslaagte in ons kamp doortesijpelen. Ik zeg »doorsijpelen” met opzet, want we kregen het nieuws bij kleine stukjes en brokjes. »Generaal Kock is dood”—fluisterde een je in 't oor. »Hij en al zijn officieren zijn gevallen.” »Neen”, merkte een ander op, »bijna al zijne menschen zijn ontvlucht, en hij zelf is licht gewond.”

Wij waren zeer ter neêr geslagen bij het vernemen van deze nieuwe ramp. »Sorrows never come singly”. Zoo was het ook met ons. Met hangende hoofden aten wij ons morgenmaal te »Marshall's Farm”, toen wij eensklaps uit ons droomerigen, lusteloozen, »bek-af” toestand gewekt werden.

Boem! Boem! Boem! We hoorden het duidelijk. Daar ginder in de Biggarsbergen is het, of anders er achter. Boem! Boem! Het gaat geweldig aan. Er wordt weer gevochten. Het klinkt zoo nabij, dat meer dan een, met ongeduld vervuld, opspringt en uitroept: »Om God's wille! laat ons van hier wegkomen. We zijn ziek van Dundee. Elandslaagte maakt ons woedend. Laat ons voorwaarts rukken. Onze broeders vechten al weer, en wij.... doen weêr niets”!

Zoo voelen wij allen, al zeggen wij het ook niet overluid.

Goddank! daar komt Generaal Joubert in eigen persoon in ons kamp aangereden. Hij is boos en opgewonden, en roept met zijn fijne schelle stem uit:

»Wat maakt jullie hier? Waarvoor wacht jullie? Voorwaarts, kerels! Hier is niets te doen. Er is geen tijd te verliezen. Voorwaarts!”

Spoedig is het geheele commando op weg naar Glencoe. O! hoe branden wij van verlangen, om daar te komen, waar het kanongebulder plaats vindt. Het schijnt ons zoo dichtbij te zijn, maar het bleek later, dat het te Rietfontein (dichtbij Ladysmith!) was, dat de Vrijstaters dien Dinsdag morgen hun vuurdoop ondergingen. In Natal, wegens de vele bergen en de heldere lucht, kan men het grof geschut verbazend ver hooren, wanneer de wind gunstig is.

Eer wij Glencoe bereiken komen wij een locomotief en een paar trucks tegen. Het zijn de Hollanders van de Zuid-Afrikaansche Spoorwegmaatschappij (kortelijks Zasm genoemd), die reeds daar zijn, druk bezig de taklijn van Glencoe naar Dundee in orde te brengen.

»Bij Jupiter!”—hooren wij een bekende Afrikaander, die nooit een goed woord voor de Zasm had, uitroepen, »die Hollanders zijn wakkere kerels. Zij verstaan hun vak. They mean business! That's sharp work, eh?”

Eere wien eere toekomt! De Nederlanders hebben de Republieken trouw en con amore gedurenden den oorlog, voor zoover mij bekend, bijgestaan. Gewis hebben zij niet geschroomd, de Transvalers ten oorlog aantesporen. Maar, zij voegden de daad bij het woord, in de meeste gevallen, en de zware offers, die zij voor ons brachten, zijn meer dan voldoende om hun bitterste tegenstanders onder ons volk te ontwapenen.

Voort gingen wij, de Commandant-Generaal in een klein »spider” vóór aan, voor een paar uur, toen hij weer naar het naaste telegraafkantoor terugkeerde. Wij gingen den schilderachtigen Biggarsberg Pas in bij Glencoe-station, maar vandaag hebben wij geen oog voor natuurschoon. We zijn enkel oor: hoor dat gedreun als van den donder! Geen ruwe bergkrans imponeert, geen kabbelende stroom bekoort: onze broeders vechten, en wij? wij zijn er niet bij om ze te helpen. Talana Kop, Elandslaagte, en nu? God! geef onze mannen de zege vandaag! Eenige dames staan er bij een huis dat wij voorbij snellen: heden heeft niemand een oog voor de schoonen, noch lust om met haar een praatje aanteknoopen. Onze broeders vechten ergens naar voren, we weten niet waar—ze roepen ons toe: »komt over en helpt ons.” Onze aangezichten zijn streng en stroef: we hebben geen lachje voor de kinderen op onzen weg. De onzekerheid is te akelig. De twijfel te pijnlijk. Wat gebeurt er toch? Voorwaarts! Spoedt u, eer het te laat is. Onze eer is er mede gemoeid. Er is geen tijd te verliezen.

Iemand zegt: er is een soldaat daar naar voren geschoten. Hij werd door onze verkenners tegen gekomen, de arme drommel.

»Wat is er aan, Dokter?”—vragen wij Dr. Hohls in het voorbijgaan.

»Ja!”—zegt hij, »de arme kerel ligt daar boven in eene hut doodelijk gewond. Ik wilde hem verwijderen, maar hij smeekte mij hem daar te laten. Hij wordt door eenige kaffers verzorgd.” Welk eene gedachte! Zonder vriend of bloedverwant, zonder iemand, die zijne taal kent, ligt er een blanke man langs dezen weg te zieltogen. Zou het waar zijn, wat de dichter Gray zoo schoon zegt?—

On some fond breast the parting soul relies,

Some pions drops the dosing eye requires.

Het gedicht vliegt ons door het geheugen en tegelijkertijd ook het bekende verhaal van den Engelschen Generaal Wolfe, die Gray's »Elegy” (waaruit bovengemelde regels genomen zijn) reciteerde, toen hij den aanval op Quebec leidde, niet wetende dat hij zijn eigen graflied zong. Maar in een oogwenk hebben wij den stervenden vreemdeling en den dichterlijken Generaal vergeten. Wij zijn te bekommerd over de onzen, die daar onder in de vlakte alleen »den wijnpersbak betreden” Haast u! Mannen! Broeders! Haast u! Sneller, steeds sneller! Hoort!—Boem—boem—boem—dreunt het voor ons!

Onze arme dieren kunnen het echter niet veel langer volhouden. De weg is verspoeld, turfachtig, vol modder en vol steenen. Een voor een blijven de zwaar beladen wagens staan. Mijn vier armzalige muilen overwinnen wel alle hinderpalen, maar mijn Jehu's gebruiken de zweep meer dan de leidsels: zij spelen viool op de arme langooren.... op krassende wijze.

Ho Ka! Halt! daar staat de wagen van Advokaat Esselen weêr. Wat is 't? Ach! de moddergaten zijn te veel voor den zwaren ammunitiewagen. En de regen stort geweldig op de arme muilen neder. Zij kunnen niet verder.

»Goeden dag, broers! Tot ziens!” Wij zien elkanders aangezichten niet meer vóór Donderdagmorgen bij Elandslaagte. Zoo ging het op dien zwaren tocht naar Ladysmith. De regen! Foei, dat was het ergste van al. Het water viel ongenadig op ons af dien namiddag. Zonder tent of dak moesten de burgers het stellen. Welk eene toets voor iemands constitutie naar lichaam en ziel tegelijk! Die den onvergetelijken tocht naar Ladysmith met de voorste commando's meêdeed, heeft geen kleinigheid achter den rug. Hij kan met eenig recht zeggen: »ik was ook eens op commando!” Ba! dat was een nacht in het lange, natte gras, langs den weg. Geen vuur mocht aangestoken! Geen koffie gemaakt! Gelukkig hij, die voor zulke gelegenheden een zoopje in zijn veldflesch heeft!

De volgende dag is een van de prominente dagen uit mijn Natalsche herinneringen. Vroeg, heel vroeg natuurlijk, waren wij door de Biggarsbergen gereden en hadden wij ons kamp in de prachtige Zondagsrivier vallei opgeslagen. Het was een dag van zonneschijn in den morgen, met een regenvloed tegen den avond—een type van onze ondervindingen! We vormden een gezelschap van zeven, en meenden naar Ladysmith te kunnen gaan. Het kwam aldus:

Zekere jonge Transvaler wist den Staatsprocureur te verzekeren, dat de Engelschen Ladysmith verlaten hadden. Generaal Erasmus lachte, toen hij dit hoorde, zeggende, dat de man het mis had. De Staatsprocureur hield echter staande, dat zijn informant hem alleszins vertrouwbaar toescheen en wilde in elk geval de reis ondernemen, om informatie in te winnen. Hij was te Marshall's plaats bij ons commando gekomen, en brandde van ongeduld en ergernis over den tragen en tragischen gang van zaken. Hij wist heel goed, hoe noodzakelijk het voor de Republikeinen was, om spoed te gebruiken.

»Wel,” zeide de Generaal, »ga dan maar, als je lust hebt, maar neem een man van ondervinding met je meê. En—neem de stad over in mijn naam!!”

De Heer Tobias Smuts, vroeger Commandant van Ermelo, thans lid van den Eersten Raad, verklaarde zich gereed te gaan. Kapitein Bosman en ik stonden het gesprek aan te hooren, en vol geestdrift sloten ook wij ons bij het gezelschap aan. Ds. van Broekhuizen van Pretoria, een patriot-predikant zooals wij er meer in den oorlog aantroffen, kon niet achterblijven. Met geweer en bandelier gewapend ging hij met ons meê. Hij was vroeger een beroemde voetbalspeler te Stellenbosch—het scheen mij, of de geest van het voetbalveld hem dien dag weêr bezielde. Dan hadden wij ook nog Advocaat J. Roos, Reuter's specialen oorlogscorrespondent aan onzen kant, die door dik en dun met de commando's ging, en de wakkere Kapitein Daniël Theron, vroeger reeds door ons aan den lezer voorgesteld. Wij waren allen te paard en allen gretig, om wat groots te verrichten.

Wat een aardig geval, indien wij de eersten zouden zijn, om Ladysmith binnen te rijden! Voort dus in vollen galop! Wie weet, wat ons voor de deur ligt? Mogelijk wordt deze rit nog geschiedkundig en onsterfelijk! Onze Staatsprocureur heeft een helder hoofd; hij is een geoefend denker; gewoon te wikken en te wegen—koud en scherp als staal, om waarheid van onwaarheid te scheiden. 't Is best mogelijk, dat Ladysmith door Generaal White ontruimd is. Leve de Republiek! Voorwaarts!

Onze ex-Commandant spreekt weinig, maar kijkt veel rond met zijn verrekijker. Hij is verantwoordelijk voor onze veiligheid, en kan dus niet te voorzichtig zijn. Er zijn reeds te veel van onze menschen prisoniers gemaakt, en dat wel hier dichtbij, te Elandslaagte.

Ach! daar zijn de roodbruine heuveltjes links van Elandslaagte-station. Daar staat de groote tentwagen van Generaal Kock nog, wit en blinkend in de middagzon. 't Is een van de ouderwetsche, ruime Voortrekkers wagens, en staat midden in het slagveld van Elandslaagte: plaats van bittere nagedachtenis voor alle ware Republikeinen—een tweede Weenen voor 't Afrikaanderdom. Tot zulk eene vernedering is het met den Voortrekkers wagen gekomen.

Een oogenblik zijn wij in twijfel, of wij het slagveld terstond bezoeken zullen, of niet, maar onze tijd is kort en we hebben nog ver te rijden. We zijn immers op weg naar Ladysmith en 't is reeds één uur.

Bij 't spoorwegstation gekomen, spreken wij met eenige Indische mijnwerkers—er is een groote kolenmijn bij 't station—omtrent de Engelschen, en tot onze verbazing zeggen zij: dat de soldaten daar achter de bergen zijn. Met de hand wijzen zij naar de bergen zuidwest van Elandslaagte en noordoost van Ladysmith. 't Is onmogelijk, denken wij: de coolies bedriegen ons; maar de ex-Commandant wordt onrustig. Wij rijden naar een heuveltje aan onze rechterhand, alwaar wij afzadelen en den horizon met onze veldkijkers onderzoeken.—Neen! er is niets te bespeuren, en toch kan 't best zijn, dat eene patrouille van den vijand ons op dit oogenblik bespiedt en onverwachts mag bekruipen. Een onaangenaam en onzeker gevoel begint in ons op te komen.

»Wacht!” zeide de Commandant, »blijf jullie hier, terwijl ik daar naar die Kafferkraal rijd. Snijdt jullie intusschen den telegraafdraad stuk hier boven ons hoofd. Wij kunnen niet te voorzichtig zijn.” De Staatsprocureur vergezelt hen, en de achterblijvenden pakken den draad aan. Geen kleinigheid, hoor! want de palen zijn zeer primitief, bestaande uit dunne boomstammen, vol knoesten en kwasten en haakplekken voor het achterste gedeelte van de broek, die er op- en afglijdt. Twee van ons die zich aan de onderneming waagden, zijn er ook letterlijk »broekscheur” (zooals de Boer het noemt) van afgekomen. Het moeilijkste is, om aan de ééne hand te blijven hangen, terwijl de andere de dikke draden tracht door te knippen met een soort schaar, die daarvoor gebruikt wordt. Daar de kraal een goed half uur rijdens van ons verwijderd is, hebben wij tijd om intusschen een beetje rond te wandelen, terwijl onze paarden op het schrale gras weiden.

Wij wenden onze schreden naar het station en het duurt niet lang, of wij vinden er verscheidene tastbare herinneringen aan het ongelukkige commando, dat ons zoo ver vooruit was gesneld, om weer gebroken en bebloed terug geslingerd te worden. Ziedaar eenige geweren op den grond, voor de deur van een klein hotel. Het zijn Mausers! Gebroken Mausers! Een duidelijk teeken, dat de onzen er de nederlaag hadden. In een vertrek zien wij bloedvlekken, nagelaten brokjes brood en beschuit en de asch van vroegere vuurtjes. Er waren gewonden in deze kamer, mogelijk ook prisoniers—ook Engelsche gewonden, te oordeelen naar de bebloede khaki-kleedingstukken, die hier rond liggen. Wij loeren door het venster van een andere kamer en worden door een sterke brandewijn-geur getroffen. Ha! daar hebt je een Coolie op zijn rug liggend, dood-dronken, of dood—een walgelijk schouwspel! Laat ons verder gaan.

Wat hebben wij hier? Een massa bottels, overal rond gestrooid, allen ontkurkt en ledig! Wellicht heeft gindsche aanbidder van Buddha de laatste gevulde bottel brandewijn, die hier te vinden was, geledigd; maar wie heeft dit gansch groot geestrijke heir verslonden? Het zijn nog al fijne exemplaren, hoor!—meestal van de aristocratische lang-nekken, die waarin de keurige wijnen van Champagne en den Rijn gedaan worden. Bij Jupiter! die onbekende drinkers hadden een goeden smaak: zij lieten slechts het Natalsche bier onaangetast. Er zijn er niet minder dan twintig groote leggers van dat plebejisch vocht op de trucks, allen onaangeroerd. 't Is heel duidelijk, dat er een trein vol kost en drank, voor de troepen te Dundee bestemd, door Generaal Kock's mannen hier opgehouden werd, en dat onze vrienden zich, als goede officiers, bij de duurste en uitgezochtste dranken bepaalden. Van harte hopen wij slechts, dat geen een van onze arme makkers laatsten Zaterdag hier eerloos in plaats van op het slagveld eervol hors de combat geraakte. Zoo'n gebottelde schare van geesten (»spirits”) is nog al gevaarlijk voor een dorstige menschheid, vooral na een langen en vermoeienden en kouden marsch. Humanum est errare!—Zoo dachten onze Generaals ook, want nog dienzelfden namiddag werden eenige mannen vooruit gezonden, om de gevaarlijke vaten onschadelijk te maken, door het bier op den grond te verspillen. Voor het eerst, en waarschijnlijk voor het laatst in mijn leven, heb ik toen een rivier van louter bier zien vloeien.

Een tijd lang vermaakten wij ons ook met het lezen der jongste Engelsche telegrammen, die wij in het kantoor aantroffen, maar mijn hart was op die treurige bruine heuveltjes, waar de Johannesburgers en Hollanders en Duitschers den laatsten Zaterdag het onderspit moesten delven. De romantische hoop om Ladysmith dien avond te bereiken, scheen mij verijdeld, maar de Kapitein en eenige anderen van ons gezelschap wilden met geweld verder gaan. Toen onze ex-Commandant van de Kafferkraal terugkeerde met een ongunstig rapport, kon ik de verzoeking, hierboven genoemd, niet langer weerstaan; vooral daar Kapitein Bleksley van Johannesburg, mij te kennen gaf, dat hij mij gaarne in die richting vergezellen wilde. De kapitein was reeds ten vorigen dage bij Elandslaagte, op instructies van Generaal Joubert, aangekomen, vertelde hij mij, om te zien, of er niet nog van onze gewonden in de omgeving te vinden waren. Hij verhaalde mij, dat hij er werkelijk eenige gewonden en ook dooden in nabijgelegen kafferhutten had ontdekt, waar de arme drommels dien noodlottigen Zaterdag nacht of daarna een schuilplaats hadden gezocht. Terwijl de meerderheid van ons partijtje dus den weg naar Ladysmith verder volgden en de minderheid naar ons lager terugkeerden, vervoegde ik mij bij Kapitein Bleksley voor den namiddag en den nacht.

Onze bevindingen zullen in een volgend hoofdstuk verschijnen.

Eenige dagen later eerst ontmoette ik mijn vriend Kapitein Bosman. Wij waren weêr op weg naar Ladysmith, maar ditmaal met de eerste batterij en vele duizenden burgers. We gingen toen de Engelschen in de stad vastkeeren en belegeren. Ik vroeg mijn trouwen vriend:

»Wel, hoe is het met jullie dien middag afgeloopen?”

Hij antwoordde:

»Man! wij gingen voor ongeveer een half uur verder op den grooten weg, zonder een sterveling tegen te komen, toen eenige paardenruiters ons tegemoet reden. Ze kwamen van de heuvelen op onze rechterhand. Ze waren Boeren tot onze blijde verbazing! Spoedig bleek het, dat het eene patrouille Vrijstaters waren, die zich zeer verheugden bij het vernemen, dat de Transvalers zoo dichtbij waren. Ze hadden den mond vol van een geduchten aanval, dien zij den dag te voren met succes hadden afgeslagen, maar verlangden zeer naar onze komst. Over het doel van onze romantische expeditie, maakten zij zich erg vroolijk: de Engelschen waren wel degelijk in Ladysmith, zeiden zij, en dat wel te veel en te sterk naar hun smaak. Daarom spoorden zij de Transvalers nog eens aan, om toch met allen spoed voorwaarts te rukken.”

Бесплатный фрагмент закончился.

178,74 ₽
Возрастное ограничение:
0+
Дата выхода на Литрес:
11 октября 2024
Объем:
391 стр. 3 иллюстрации
ISBN:
4064066401146
Издатель:
Правообладатель:
Bookwire
Формат скачивания:

Похожие книги