Читать книгу: «Lord Lister: De speelvorst van Monaco»

Шрифт:

Kurt Matull, Theo von Blankensee

Lord Lister: De speelvorst van Monaco


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066405380

Inhoudsopgave

DE SPEELVORST VAN MONACO.

EERSTE HOOFDSTUK.

EEN OFFER VAN DE SPEELHOLEN.

TWEEDE HOOFDSTUK.

VAN DEN DOOD GERED.

DERDE HOOFDSTUK.

DE LIJDENSGESCHIEDENIS VAN EEN ZELFMOORDENAAR.

VIERDE HOOFDSTUK.

VORST OF OPLICHTER?

VIJFDE HOOFDSTUK.

EEN NOODLOTTIGE BRIEF.

ZESDE HOOFDSTUK.

„DIAMANTEN-BILL”.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

TWEE CONCURRENTEN

ACHTSTE HOOFDSTUK.

EEN GEHEIMZINNIGE KAST.

NEGENDE HOOFDSTUK.

IN HET VIJANDELIJKE KAMP.

TIENDE HOOFDSTUK.

ONGEWENSCHT BEZOEK.

ELFDE HOOFDSTUK.

IN DE MUIZENVAL.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

EEN ONVERWACHTE GEBEURTENIS.


DE SPEELVORST VAN MONACO.
EERSTE HOOFDSTUK.
EEN OFFER VAN DE SPEELHOLEN.

Inhoudsopgave

„Het is toch een wonderlijk plekje gronds, dat Monte-Carlo en terecht een paradijs,” sprak Charly Brand tot zijn vriend en gebieder lord Lister, of, zooals hij werd genoemd, John Raffles. „Het gezicht op de diepblauwe zee met dien eeuwig lachend-blauwen hemel is gewoon weg verrukkelijk.”

„Je hebt gelijk, Charly. Het is heerlijk, hier op het terras van het „Café de Paris” te zitten en onbezorgd zijn sigaret te kunnen rooken.”

Bij deze woorden blies Raffles een aantal van de mooiste kringetjes de lucht in, die vervaagden in de ruimte.

„En toch geldt ook hier het spreekwoord: „men wandelt niet ongestraft onder palmen.”

„Ik zou niet weten welke schaduwzijde er kleeft aan ons verblijf hier!” antwoordde de secretaris, terwijl hij zijn meester vragend aankeek.

„Ons? Hm? Ons bedoelde ik ook niet! Maar denk eens aan al die honderden, die duizenden, die aan den speel duivel zijn overgeleverd en die geen rust hebben, voordat ze heelemaal geruïneerd zijn! De gedachte aan die rampzalige slachtoffers is toch wel in staat een druppel weemoed te werpen in het genot van deze schoone omgeving.”

„Meen je inderdaad, Edward, dat het zóó erg is?”

„Helaas, ja!”

„Er verloopt bijna geen dag zonder dat men hier onder de palmen iemand vindt, die een eind maakte aan zijn verwoest leven.”

„Vreeselijk!”

„Allen verliezen ze hun kapitaal en ze rusten niet, voordat ze hun laatste centime verspeeld hebben!”

„Dat is toch hun eigen schuld!”

„Ja, feitelijk wel! Maar toch zijn ze niet allemaal [2]te veroordeelen. Het spel is een geweldige hartstocht. Slechts weinigen kunnen daaraan weerstand bieden, als—ze eens het genot gesmaakt hebben.”

„Dan zal ik maar liever heelemaal niet ermee beginnen,” antwoordde Brand met schuwen blik naar het Casino, dat, overgoten door zonnegoud, prachtig afstak tegen het azuur van den hemel en het groen der palmen.

„Kijk eens hoe ze stroomen naar de speelzaal, alsof ze niet gauw genoeg hun ongeluk kunnen te gemoet gaan!”

„Ik heb er altijd het land aan gehad, Charly! Kom laat ons een eindje in het park gaan wandelen!”

Raffles betaalde de koffie.

Daarna stond het tweetal op en verliet het terras met zijn gewemel van menschen.

De vrienden wandelden naar stille, bekoorlijke plekjes en Charly wilde reeds weer allerlei uitroepen slaken van bewondering, toen plotseling de hand van den grooten onbekende zwaar drukte op zijn arm.

De secretaris keek zijn vriend verbaasd aan.

Raffles had zijn sigaret uit den mond laten vallen.

Wat zou er gebeurd zijn?

Charly zou niet langer in twijfel blijven verkeeren.

Reeds in het volgende oogenblik snelde lord Lister naar een palmgroep toe.

Verbaasd keek Brand toe naar wat gebeuren ging.

Hij zag, dat Raffles zijn zakmes te voorschijn haalde, het opende en vlug als een kat in den palmboom klom.

In het volgende oogenblik zag Brand een zwarte schaduw door de lucht glijden.

Was het een menschelijk lichaam geweest?

Raffles misschien?

Neen!

Deze sprong van den palmboom af en bukte zich ter aarde.

Brand haastte zich naar de plaats, waar hij den vriend zoo juist had zien verdwijnen achter een groep aloë’s en kaktussen.

Wat hij daar zag, was niet in staat hem te kalmeeren.

Raffles knielde er neer bij het uitgestrekte lichaam van een jongeman, die, naar zijn uiterlijk te oordeelen, tot den voornamen stand moest behooren.

Zijn lang, smal gezicht, de vorm van zijn mond en zijn lichtblond haar teekenden duidelijk den Engelschman.

Het jonge gelaat toonde echter eenige rimpels, die wezen op zware zorgen.

Raffles was bezig den jongeman, die nog niet dood was, in het leven terug te roepen.

Hij had een fleschje te voorschijn gehaald en voorhoofd en slapen van den vreemdeling met den inhoud ervan ingewreven.

Daarna bewerkte hij de borst van den ongelukkige.

„Leeft hij nog?” vroeg Brand.

„Ik hoop het! Zijn lichaam is nog warm. Help mij, Charly, hier, wrijf zijn zijden! Het hart moet weer gaan werken!”

Charly Brand was verbluft.

Maar hij poogde zich zoodra mogelijk weer te herstellen en hij knielde neer bij den ongelukkige, om zoodra mogelijk hulp te verleenen.

„Ik hoop hem nog in het leven te behouden; de arme kerel!” sprak lord Lister.

„Zou het ook alweer een slachtoffer zijn van daarginds, Edward?”

„Natuurlijk! En het zal ook niet het laatste offer zijn. Kijk eens! Zijn borst begint waarachtig weer op en neer te gaan! Masseer hem flink, vooral in de hartstreek, maar voorzichtig, niet drukken!”

Charly deed, wat hem gevraagd was en werkte, alsof hij zijn heele leven masseur was geweest.

Raffles boog het hoofd over het uitgestrekte lichaam.

Aandachtig luisterde hij.

„Hij leeft!” riep hij toen uit met verheugd gelaat, „hij leeft, Charly, ga door met je werk! Wij moeten dien ongelukkigen kerel weer in het leven terugroepen! [3]Hem redden van den dood, die zijn dorre, knokige vingers reeds naar hem had uitgestrekt.”

Lord Lister goot nu een paar druppels Eau de Cologne in den mond van den jongeman, die nog altijd bewusteloos lag uitgestrekt.

Nog eens wreef hij hem voorhoofd en slapen en zag toen met schitterende oogen, dat de kleur terugkeerde op de wangen van den ongelukkige.

„Kijk, Charly, kijk! Hij krijgt een kleur!”

Raffles hielp nu mee masseeren en al spoedig smaakte het tweetal de voldoening, dat de bewustelooze een diepen zucht slaakte.

Zijn borst begon te beven en plotseling sloeg hij de oogen op.

Het waren twee blauwe oogen met een uitdrukking vol droefheid.

Verwonderd keken ze de redders aan.

„Waar ben ik?” fluisterde de vreemde in het Engelsch.

„Onder vrienden,” antwoordde Raffles in dezelfde taal.

De ander zweeg.

Toen, plotseling, werd hij zich van zijn toestand bewust en hij herinnerde zich wat hem in den dood had gedreven.

Hij wierp zich met het gelaat ter aarde en brak los in krampachtig snikken.

„Waarom hebt ge mij niet laten sterven?” riep hij uit in woeste smart.

„Wat moet ik nog op de wereld doen? Ik ben geruïneerd! Laat mij! Laat mij sterven!”

Charly wilde den ongelukkige overeind helpen.

John Raffles echter wenkte hem dit niet te doen.

„Laat hem liggen,” fluisterde hij, „zijn smart moet uitwoeden en eerst als deze heeft uitgeraasd, zullen wij eens verstandig met den jongeling spreken. Doe nu niets, dat hem zou kunnen vertoornen!”

Bedaard ging lord Lister naast den ongelukkige in het gras zitten.

Charly Brand schudde het hoofd.

Hij kon die bedaardheid van zijn vriend en meester niet goed begrijpen.

De ongelukkige Engelschman snikte nog steeds voort met krampachtige schokken en een paar keer wilde hij opspringen om opnieuw zelfmoord te plegen.

Maar Raffles drukte hem dan telkens weer met zacht geweld omlaag en legde zijn koele hand op het brandende voorhoofd van den ongelukkige.

Eindelijk werd deze wat kalmer.

Een verlichtende tranenstroom vloeide hem over de wangen en hij werd zoo zacht en leidzaam als een kind.

Dat was juist de stemming, die de groote onbekende had willen afwachten.

Nu kon hij praten met den ongelukkige, wiens lichamelijke redding hem tenminste reeds gelukt was. [4]

[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK.
VAN DEN DOOD GERED.

Inhoudsopgave

Lord Lister gaf zijn vriend een wenk met de oogen en deze ging aan den anderen kant staan van den ongelukkigen jongeman.

Daarna tilden zij hem op en gingen met hem weg.

De eerste schreden van den jeugdigen zelfmoordenaar waren nog wankel en onzeker.

Maar geleid door zijn beide vrienden wist hij spoedig zich weer te herstellen.

„Kom mee,” sprak Raffles op vriendelijken, zachten toon, „wij zullen met de tandradbaan naar boven rijden, daar hebben we een heerlijk uitzicht over de zee.”

Charly brandde van nieuwsgierigheid om iets naders te vernemen.

Hij kon zijn ongeduld nauwelijks bedwingen en vond, dat zijn meester wel een beetje al te veel notitie nam van den jongeman.

Het was immers niets bijzonders, dat in het park te Monte Carlo iemand zich doodschoot of ophing. Zoo iets kwam bijna elken dag voor, maar men sprak er niet van.

„Wie zijt gij eigenlijk, heeren?” vroeg de jonge Engelschman eindelijk, „ge stelt zooveel belang in mij, die u volkomen vreemd is.”

„Gij zijt een ongelukkig slachtoffer van het speelhol daar beneden”, antwoordde lord Lister, „dat is al voldoende om sympathie voor u te gevoelen. Maar gij zijt buitendien Engelschman evenals wij en nog zoo jong, dat ge onmogelijk met het leven nu reeds kunt hebben afgerekend. Sta mij toe, dat ik ons aan u voorstel. Ik ben lord Lister, deze heer, mijn vriend en secretaris, heet Charly Brand. Wij zijn beiden Londenaars.”

„Londenaars? Maar dat is prettig, dat is heerlijk! Dan zal u ook zeker mijn naam niet onbekend zijn, ik ben de jonge lord Montefiore.”

„Wel, dan behoort ge tot de rijkste Engelsche families!” zei Raffles.

„Ik heb er toe behoord,” sprak lord Montefiore met diepen zucht. „Nog slechts enkele maanden geleden—mijn vader was gestorven,—kon ik, zijn universeel erfgenaam, een vermogen van achttien millioen het mijne noemen. Nu ben ik een bedelaar.”

„En heeft die hel daar beneden alles opgeslokt?” vroeg Raffles.

„Niet alles! Het grootste deel ervan heeft een vorst gewonnen, dien ik in het Casino leerde kennen. Hij heeft zeker tien millioen van mij gewonnen.”

„Tien millioen? Bij het spel?”

De jonge lord keek nadenkend vóór zich.

„Tien millioen!” mompelde hij op doffen toon.

„In hoeveel tijd is dat gebeurd?”

„Ongeveer twee maanden.”

„Niet langer?”

„Neen!”

„Luister eens, lord Montefiore, dat kan geen eerlijk [5]spel geweest zijn! Ik vermoed nu reeds, zonder iets naders te weten, dat die zoogenaamde vorst niets anders is dan een bedrieger, een oplichter, die er zijn werk van maakt om groentjes—excuseer deze uitdrukking, lord—het vel over de ooren te halen.”

De Engelschman schudde het hoofd.

„Ge vergist u toch, lord Lister! Vorst Alex Grigoriew is een man van eer, van top tot teen. Hij heeft mij verscheiden keeren zijn hulp aangeboden. Ik sta zelfs nu nog bij hem in het krijt—dat is dan ook de voornaamste reden, dat ik— —”

„Hij won tien millioen van u en gaf u toen nog geld om verder te spelen?”

„Is dat waar?”

„Volkomen waar, lord Lister!”

„Zoo, zoo!”

„Ge ziet dus, dat ge u vergist, ge doet den vorst onrecht,” verdedigde Montefiore. „Hij is een man van eer, al zal ik niet ontkennen, dat de speelduivel hem heeft aangegrepen. Maar daarvan mag ik hem geen verwijt maken, die zelf het geheele vaderlijke erfdeel heb verspeeld.”

„Ik zie, dat gij een onervaren jong mensch zijt, dat in de handen van een oplichter is gevallen. Gij verdient medelijden en geen verwijten!”

„Ge grieft mij, lord Lister! Vorst Grigoriew heeft zich als een vriend betoond.”

„In welk hotel logeert die „vorst”? Ik zou graag kennis met hem willen maken.”

„Alex Grigoriew woont niet in Monte-Carlo. Hij heeft een villa in Cannes, waar hij op grooten voet leeft!”

Tot nog toe had lord Montefiore kalm naast de beide vrienden gezeten.

Nu, plotseling, sprong hij op in zenuwachtige haast en ijlde naar den kant van het terras.

Het was duidelijk, dat hij opnieuw een poging tot zelfmoord wilde doen, door in de diepte zich neer te storten en te pletter te vallen.

Maar Raffles was in twee sprongen naast hem en hield hem zoo stevig vast, dat er aan ontkomen geen denken was.

„Geen dwaze dingen, jongmensch,” sprak hij op een toon van het strengste verwijt, „zoo lichtvaardig springt men niet om met het leven. Kijk eens naar de blauwe zee, de wuivende palmen en heel de lachende wereld. Men pleegt geen zelfmoord om ingebeelde eereschulden!”

Plotseling rolden den jongeman een paar heete tranen langs de jeugdig-frissche, ietwat bleeke wangen.

Toen keek hij Raffles in het gelaat.

„Ik stel vertrouwen in u, lord Lister, die zulk een buitengewone belangstelling voor mij aan den dag legt. Maar zeg nu zelf eens: hoe moet ik een leven, dat met schande overladen is, verder leiden? Ik heb den vorst mijn eerewoord gegeven en ik ben niet in staat het af te lossen. Ik ben geruïneerd, ik bezit niets meer.”

„En welk bedrag zijt ge dien „vorst” nog schuldig?”

„Achthonderdduizend francs.”

„Dat is inderdaad een aardig sommetje. Tot wanneer hebt ge tijd met de betaling?”

„Tot overmorgen.”

„Hoe laat?”

„’s Avonds zes uur.”

„Mooi, tot overmorgenavond zes uur. Wilt ge mij uw eerewoord geven, dat ge tot zoolang de hand niet aan u zelf zult slaan?”

„Wat wilt ge doen?”

„Ik wil trachten een schurk te ontmaskeren en u te redden.”

„Dat zal u geen van beiden gelukken, lord Lister!”

„Afwachten! Ik verlang van u alleen, dat ge vóór overmorgenavond zes uur geen poging tot zelfmoord meer zult doen!”

Lord Montefiore antwoordde niet dadelijk.

Somber, in gepeins verzonken, keek hij voor zich.

Over het gelaat van Raffles vloog een eigenaardig glimlachje. [6]

„Pardon,” sprak hij met welluidende stem, „ik vergat, dat ge alles verloren hebt, mag ik u met het nietige sommetje van 500 francs uit de verlegenheid helpen?”

Hij bood den jongeman op bescheiden wijze eenige bankbiljetten, die deze niet wilde aannemen.

„Geen valsche schaamte, lord Montefiore! Binnen een paar dagen zult ge de gelegenheid hebben, mij dat sommetje terug te betalen, als namelijk, waaraan ik geen oogenblik twijfel, vorst Grigoriew door mij als een aartsschurk wordt ontmaskerd.”

Lord Montefiore bleef niets anders over dan de bankbiljetten bij zich te steken en den vriendelijken helper warm de hand te drukken.

„Tot uw dienst, lord! Maar vertel mij nu eerst eens uw lijdensgeschiedenis, opdat ik een juist inzicht in de zaak krijg. Vertel mij alles, wat ik moet weten!”

Не доступна
В вашей стране эта книга не продаётся. Если у вас включён VPN, отключите его
Возрастное ограничение:
0+
Дата выхода на Литрес:
18 января 2025
Объем:
61 стр. 3 иллюстрации
ISBN:
4064066405380
Издатель:
Правообладатель:
Bookwire
Формат скачивания:

Похожие книги