Читать книгу: «De Roos van Dekama»
J. van Lennep
De Roos van Dekama

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066078775
Inhoudsopgave
Leiden.—A.W. Sijthoff.
De Roos van Dekama.
Eerste Hoofdstuk.
Tweede Hoofdstuk.
Derde Hoofdstuk.
Vierde Hoofdstuk.
Vijfde Hoofdstuk.
Zesde Hoofdstuk.
Zevende Hoofdstuk.
Achtste Hoofdstuk.
Negende Hoofdstuk.
Tiende Hoofdstuk.
Elfde Hoofdstuk.
Twaalfde Hoofdstuk.
Dertiende Hoofdstuk.
Veertiende Hoofdstuk.
Vijftiende Hoofdstuk.
Zestiende Hoofdstuk.
Zeventiende Hoofdstuk.
Achttiende Hoofdstuk.
Negentiende Hoofdstuk.
Twintigste Hoofdstuk.
Een-en-twintigste Hoofdstuk.
Twee-en-twintigste Hoofdstuk.
Drie-en-twintigste Hoofdstuk.
Vier-en-twintigste Hoofdstuk.
Vijf-en-twintigste Hoofdstuk.
Zes-en-twintigste Hoofdstuk.
Zeven-en-twintigste Hoofdstuk.
Acht-en-twintigste Hoofdstuk.
Negen-en-twintigste Hoofdstuk.
Dertigste Hoofdstuk.
Een-en-dertigste Hoofdstuk.
Twee-en-dertigste Hoofdstuk.
Drie-en-dertigste Hoofdstuk.
Vier-en-dertigste Hoofdstuk.
Vijf-en-dertigste Hoofdstuk.
Zes-en-dertigste Hoofdstuk.
Leiden.—A.W. Sijthoff.
Inhoudsopgave
De Roos van Dekama.
Inhoudsopgave
Het was in den zomer van 18—, dat twee studenten aan de Leidsche Hoogeschool, beiden aan den Uitgever dezes bekend als jongelieden van een uitmuntende inborst en voortreffelijken aanleg, gezamenlijk hun voornemen bewerkstelligden, om de onderscheidene gewesten van Noord-Nederland door een onderzoek uit eigen oogen van nabij te leeren kennen. Beiden waren van gevoelen, dat, al biedt ons vaderland den oppervlakkigen reiziger, die slechts verpoozing en verstrooiing zoekt, noch schitterende natuurtooneelen, noch uitgezochte vermaken aan, gelijk in andere landen en hoofdsteden te vinden zijn, het desniettemin voor de zoodanigen, die eenmaal geroepen kunnen worden om aan dat vaderland van dienst te zijn, belangrijk is, ja zelfs hun eenigermate als plicht kan worden toegerekend, er de onderscheidene deelen van te leeren kennen, alvorens zij een Engelschen wedloop gaan aangapen, eenige goudstukken aan de farotafels der Duitsche badplaatsen wagen, of een sigaar op de bouwvallen van het coliseum rooken:—ja zij vermeenden dat het hun in rijper leeftijd meer nut zoude doen, wanneer zij waar het paste, blijken konden geven, niet onbekend te zijn met de zeden en gewoonten hunner landgenooten; en met den inwendigen toestand onzer gewesten en steden, ten opzichte der bronnen hunner welvaart of der oorzaken van hun verval,—dan wanneer zij nog zoo mooi konden meepraten over de opvoering der Juive te Parijs, of klagen over het hedendaagsche onderscheid der vroeger zoo gulle Zwitsersche herbergiers, of de Engelsche dames beschrijven, die met taffen parasols de Vesuvius beklimmen, of zelfs een steentje uit den zak halen, uit Pompeji medegebracht.
Zij bezochten op hun voetreis (want wie alles goed wil zien, dient zich van een paar waterdichte en gemakkelijke schoenen te voorzien, en zich niet dan uit nood van rijtuigen of trekschuiten te bedienen) ook dat gewest, hetwelk, sedert oude tijden en door alle overheerschingen heen, den naam van Friesland bewaard, en nog het langst zijn oorspronkelijkheid en zelfstandigheid (om het nieuwerwetsche woord eigendommelijkheid niet te bezigen) behouden heeft; ofschoon ook aldaar een nauwere betrekking met andere gewesten en landstreken haar invloed meer en meer begint te doen gevoelen, en de zoogenaamde beschaving er een vroeger ongekende zucht tot navolging heeft ontwikkeld: zoodat men reeds Friesche boerenmeisjes ziet, die wijde mouwen dragen, en Friesche burgervrouwtjes, die (wellicht helaas! ten gevolge van verminderde welvaart) den gouden diadeem voor een nieuwmodisch mutsje verwisselen.
Terwijl de een van onze beide wandelaars, wien wij bij zijn voornaam Gerrit zullen aanduiden, en die een ontluikend staathuishoudkundige was, zich verdiepte in het onderzoek naar de oorzaken, welke die vermindering van nationaliteit teweegbrachten, wendde Willem, zijn makker, die meer bijzonder werk maakte van geschied- en oudheidkundige nasporingen, alle moeite aan, om de overblijfselen der vroegere zeden en gebruiken, voor zooverre die nog bestonden, te leeren kennen: en evenals onze oude kennis Robinson van onder de overblijfselen van der Kannibalen feestmaal de sprankjes vuur zocht op te rakelen, die nog onder de asch mochten smeulen, zoo speurde hij de schemeringen der verouderde gewoonten en overleveringen na, en verheugde zich, zoo vaak het hem gelukken mocht, die op te delven van onder den hoop nieuwigheden, daarover heen gestoven.
Zoo was hij recht in zijn schik geweest, toen hij op een der dorpen een echt Friesche begrafenis in volle tenue naar het kerkhof had zien kuieren. En toen hij, in de herberg gekomen, vernam, dat het harde, in lange sneden gedeelde krentenbrood herkomstig was van de overblijfselen des gehouden lijkmaals, en naar oud gebruik aan de betrekkingen des overledenen was rondgezonden, at hij er, uit louteren eerbied voor de antiquiteit, drie groote sneden van: terwijl Gerrit, die (hoewel slechts uit honger) niet achterbleef in het orberen van zijn aandeel, met den waard over den prijs der granen sprak.—Zoo juichte Willem, toen hij den rijken schat van kunstig gesnedene beeldjes en versierselen bezag, welke de oude banken der kanunniken in de fraaie hoofdkerk te Bolsward opleveren, en schold op de Redactiën onzer penningmagazijnen, die ons nagedrukte afbeeldsels van uitheemsche merkwaardigheden verschaffen, en die geen teekenaar afzenden om al het bijzondere, daar en elders op eigen bodem, af te schetsen, en ter kennisse van onze landgenooten te brengen: ja, toen Gerrit, met hem op straat komende, zijne bevreemding te kennen gaf, dat men in het bestraten te Bolsward nog meer achterlijk was dan te Amsterdam, en er niet eens de verontschuldiging bij kon brengen, dat de gaspijpen de straat bederven, was onze oudheidkenner nog bezig met tegen de kerkvoogden te brommen, dat die sommige zitbankjes hadden laten dichtspijkeren, en daardoor ettelijke beeldjes aan het oog onttrokken, en tegen de vijfennegentigers, die al de wapenen uit de zerken gehakt, en alle tronies van neus beroofd hadden. En, omgekeerd, deelde hij niet in de ergernis van Gerrit, over het afnemen der buitengronden en den slechten toestand van sommige dijken; want het was juist ebbe en zijn geheele ziel was opgelost in verrukking, toen hij door de beschouwing der droge wadden en der kleur van het zeewater boven de banken, zich een duidelijk begrip van de voormalige gedaante der zeekust vormen kon.
Eens, op zekeren avond, nadat zij zich verlustigd hadden met een wandeling over de bekoorlijke heuvelen van het Gaasterland, kwamen zij aan zekere herberg, nabij een binnenwater gelegen, waar zij den nacht hoopten door te brengen. Zij troffen noch den kastelein aan, noch de kasteleinske, die beiden naar eene naburige kermis getrokken waren, en de dienstmaagd durfde het niet op zich te nemen, hun een bijzondere kamer aan te wijzen, gelijk zij verzocht hadden, ten einde aldaar het gedurende den dag opgeteekende in orde te kunnen brengen. Zij zouden zich intusschen spoedig met het denkbeeld getroost hebben, dat zij aan den publieken haard wellicht het een of ander opmerkenswaardigs vernemen zouden, ware niet Gerrit door een aanval van kiespijn geplaagd geweest, waardoor hij zich weinig opgewekt gevoelde tot de genoegens van een gezellig onderhoud.
Zij maakten echter van den nood een deugd, en traden het hun aangewezen benedenvertrek binnen, waar zij een viertal personen gezeten vonden, die zich, voor zooveel de avondschemering toeliet zulks te onderscheiden, met den geur van de Friesche baai en van het bittere vocht in stille bedaardheid verlustigden. Nadat de gewone groete en het hartelijke vaar jou wel? over en weder gewisseld waren, haalde Gerrit zijn zakdoek uit en plaatste zich aan een tafel, in de houding van iemand, die met kiespijn gekweld is: namelijk hij zette een droevig gezicht, legde den elleboog op de tafel, den doek in de linkerhand en de linkerwang op den doek, sloeg de beenen over elkander, en bleef met de rechtervingers krampachtig op de tafel trommelen.
“Komaan!” zeide Willem: “stop een pijp; dat zal u goeddoen: ik zal intusschen een flesch wijn laten aanrukken, en dan zult gij uw kwalen wel vergeten. Is dat niet een tarief van wijnen, daarginds?—Voorwaar! zij schijnen hier wel voorzien te zijn! beter dan men in een landherberg verwachten zoude! Videamus!”
Dit zeggende trad hij naar een groot blad toe, hetwelk in een houten lijst gevat voor den schoorsteen hing, en hetgeen hij voor een wijnkaart had aangezien. Hij bemerkte echter bij ’t naderen dat hij zich vergist had; het opschrift, daarboven geplaatst, luidde als volgt:
Tarief der Galamadammen.
“Gala-Madammen!” riep hij, zich verbaasd omdraaiende: “eilieve Gerrit! Het schijnt, dat er een bijzonder Tarief is voor de dames die hier vertering maken. Maar waar is nu het Tarief voor de Gala-Heeren?”
“Kom! gij zijt een ezelskop!” zeide Gerrit, zonder zich te verwaardigen, slechts even zijn houding te veranderen! “Het is het tarief der Galamadammen, dat zijn: de Dammen van Galama.”
“Hm! zoo!” hernam Willem: “men mag niet eens meer een onnoozele woordspeling maken. Denkt uwe hoogverlichte wijsheid, dat ik dit niet zonder uwe opheldering vatte? Denkje dat ik niet zoo goed en beter dan gij weet, dat zich in deze omstreken de Galamaas ophielden, van den driesten strooper af, die Graaf Floris den Vetten een steek gaf, tot den wakkeren Vetkooper Ige toe?”
“De jongste broeder van Ige was de stamvader van mijn grootmoeder,” zeide met een piepend stemmetje een der aan de tafel gezetene personen.
“In waarheid!” riep Willem, zich verheugd naar den spreker wendende, een klein, schraal, ineengedrongen mannetje, met een half boersch, half steedsch voorkomen: “heb ik waarlijk de eer, mij met een afstammeling der Galamaas in gezelschap te bevinden?—Dan moet er dadelijk licht komen, opdat ik u beschouwen moge, en wijn, opdat ik uw gezondheid drinke.”
“Ja maar! ’t Is alleen van moederszijde,” zeide de Fries. “Mijn naam is Dirk Broddelsma.”
“Om ’t even! Het echte frije Friesche bloed stroomt u toch nog in de aderen, en gij zult dienvolgens al zoomin tegen een glas wijn hebben als uw voorouders:—schoon die meer bier dronken.”
Licht en wijn werden hierop binnengebracht: en Willem, de glazen gevuld hebbende, stelde de gezondheid van den Heer Broddelsma in, die door al de aanwezigen gedronken werd. Alleen Gerrit, die reeds met verdriet voorzag, dat de gulhartigheid van Willem tot een drinkpartij aanleiding zoude kunnen geven, welke hun beiden op hun nachtrust en op een goede som gelds daarenboven zou komen te staan, vergenoegde zich, zijn glas even aan de lippen te brengen en het daarna weder voor zich te plaatsen.
“Hoe is het?” vroeg Willem: “drinkje niet? dan geloof ik waarlijk dat het slecht met u gesteld is.”
“Ik heb mondpijn,” zeide Gerrit, “en geloof dat alle verhitting schadelijk voor mij is.”
“Er is hier een uitmuntende quack1 in de buurt,” zeide een der aanwezigen: “die een kwade kies zal trekken, trots den besten tandmeester.”
“Het is geen kies die het doet,” zeide Gerrit; “het is eerder scheurbuik: mijn tandvleesch is gezwollen.”
Triboulet, de hofnar van François I, merkte eenmaal op, dat er geen beroep was, hetwelk zoo algemeen werd uitgeoefend als dat van geneesheer; de waarheid van deze bewering werd ook nu bevestigd: want elk der aanwezigen gaf dadelijk een geneesmiddel aan de hand: de een prees lepelblad aan: de ander sprak van mastik en wierook: een derde schreef zwavel en magnesia voor: een vierde beweerde, dat een pruim van echte baai alle pijn dadelijk zoude stillen; de meid uit de herberg daarentegen hield vol, dat het beste middel in het water over de deur groeide.
“Laat maar wat harntje rijs plukken,” zeide zij: “dat is, afgekookt, de beste mondspoeling tegen alle scheurbuik.”
“Probatum est!” riep Willem: “dat is de herba brittannica, waar Plinius reeds van spreekt en waaraan hij diezelfde pijnstillende krachten toeschrijft.”
“Ik ’loof ook, dat ik die ’evonden heb in het oude receptenboek, dat ik thuis heb,” zeide de afstammeling der Galamaas.
“Een oud receptenboek?” herhaalde Willem, den spreker met een nieuwsgierigen blik aanziende.
“Ja toch! daar is onze familie raar aan ’ekomen:—door dien zelfden Ige Galama, waar jou van sprak.”
Aandachtig schoof Willem zijn stoel bij, en Gerrit zelf, het hoofd oplichtende, keek den verteller met belangstelling aan.
“Jou moet dan weten,” verhaalde de Heer Broddelsma, “dat er op een dorp hier kort bi, dat Hemelum heet, een klooster bestond, waarbinnen een sterke plaats was, de Spiker genaamd. Nu had de Abt van dat klooster, die Agge geheeten was en een groot Schieringer.... want jou moet weten, dat er twee partieën in Friesland waren, die....”
“Nu ja!” viel Willem in, “haec lippis et tonsoribus nota, ’t geen zooveel zeggen wil als: vertel maar verder.”
“Nu! de Abt lag overhoop met Ige Galama en zijn broers (waarvan de jongste, Douwe, mijn stamvader was), over eenige pondematen lands, daar ze allebei recht op vermeenden te hebben: en het liep zoover, dat de Abt hen in den ban deed: dat was nu zoo de manier in die tiden.”
”’t Mocht wat!” zeide Willem: “de manier was toen, er om te vechten, totdat een van beiden alles inhad.”
“Jawel juust! dat zal jou hooren: Ige en zijn broers lachten wat om dien ban; en met behulp van Juw Jongema, die een wakkere Vetkooper was, en van eenige Hollanders, belegerden zij het klooster en namen den Spiker in. Zij haalden er alles uut wat zij vonden: en Ige behield een grooten buut voor zich; maar mijn stamvader Douwe, die een man van studie was, nam er de perkamenten en papieren uut, waaronder er waren, die, zooals men zeide, herkomstig waren uut Sint-Odulf, dat een klooster was nabi Staveren, maar dat nu onder de zee bedolven ligt.”
“En bestaan die papieren nog?” vroeg Willem, verheugd opspringende.
“Ze zijn zoo langzamerhand verbruukt,” zeide de Heer Broddelsma, zijn pijp omdraaiende: “alleen het receptenboek, dat hebben we nog bewaard, want dat komt nog eens te pas als men veel kinderen heeft en de quack is niet bi huus.”
“Verbruukt!” herhaalde Willem: “verbruukt!
Quis talia fando
Temperet a lachrymis?
’t geen zooveel zeggen wil als: kan men dat receptenboek ook eens te zien krijgen?”
“O ja, waarom niet?” antwoordde de gulhartige Fries: “mijn State is hier kort bi, en zoo jou morgen een pijp bi mi wilt komen rooken en een kommeke koffie gebruken, zal ik jou met vermaak dat stukske wizen.”
Willem haastte zich deze aanbieding met dankbaarheid aan te nemen, zonder acht te geven op de wenken van zijn vriend, die van oordeel was, dat hun dat receptenboek een dag nutteloos zoude doen verliezen. Desniettegenstaande liet zich Gerrit, toen op den volgenden morgen zijn mondpijn grootendeels geweken was, zonder dat hij een der hem aangeprezene middelen had aangewend, overhalen om zijn reisgenoot te vergezellen; echter aan zich houdende om, zoodra hij zich verveelde, te mogen aftrekken en een der andere gasten van den vorigen avond te gaan opzoeken, zijnde een schoolmeester, in wiens heiligdom hij hoopte met den staat van het lager onderwijs daar te lande bekend te worden.
Weldra bereikten zij Broddelsma-state, bestaande uit een nette woning met de daaraan gebouwde ruime voorraadschuur en beestenstal, staande op een werf, met enkele dwergachtige pereboomen beplant en door een sloot omgeven. Daar de in Friesland gewone waarschuwing: wacht u voor den hond! ook hier voor het hek te lezen stond, traden onze beide vrienden ook niet eerder de brug over, die de werf van den landweg scheidde, dan voordat hun geroep eerst een grooten dog en eenige keffertjes, vervolgens een drietal kinderen, daarna een knecht en eindelijk een paar knappe boerendeernen had doen te voorschijn komen, die allen (uitgenomen de blaffende honden) op een afstand bleven staan kijken; totdat ten laatste de eigenaar zelf voor den dag trad en hen wellekom heette. In zijne woning getreden vonden zij de koffiekan, den roompot en de witte klontjes reeds op tafel staan en, nadat men een pijp gestopt en aangestoken had, werd het receptenboek voor den dag gehaald uit een glazen kast, waar het tusschen eenige gouden en zilveren zweepen, hoofdstellen, schenkkannen en andere prijzen, op harddraverijen behaald, lag te rusten.
Met bevende handen en het gemoed van eerbied doordrongen, sloeg Willem den juchtlederen band open. Het was een handschrift op perkament, tot opschrift voerende:
Thesaurus Sanitatis
in usum
Venerandi Monasterii sub patronatu Sancti Odolfi,
collectus ab
Occone Varnesensi,
in eodem monasterio medic. chir. et obstetr. artem excercente.
“Ik denk niet dat de laatstgenoemde kunst den Heer Occo van Warns in een klooster van veel nut zal geweest zijn,” merkte Gerrit aan.
“Zeg dat niet,” zeide Willem: “daar moest gezorgd worden, dat de vrome vaders niet uitstierven; maar bovendien en zonder gekscheren, vermits te dier tijd de kunsten en wetenschappen hier alleen in de kloosters beoefend werden, was het niet meer dan natuurlijk dat elke soort van beroep en kostwinning een vertegenwoordiger moest hebben in gestichten van dien aard, waarheen ieder zich wendde, die eenige hulp, in welk vak of van welken aard ook, voor zich of voor de zijnen van doen had.”
Dit zeggende, bladerde hij het handschrift door, hetwelk in de oude Friesche landtaal met een nette hand geschreven was, en een lijst van recepten bevatte tegen alle soorten van kwalen. Sommige der opgegevene geneesmiddelen waren niet onderscheiden van die, welke ook thans nog in zwang zijn: andere waren van een soort, die sedert in onbruik geraakt is en vereischten een onbepaald geloof aan die wonderbare sympathetische krachten, vroeger toegeschreven aan enkele voortbrengselen uit het plantenrijk en aan de meeste gesteenten en metalen. De juiste ouderdom van het werk viel moeilijk te bepalen, daar het van geen jaartal voorzien was;—maar uit ettelijke kantteekeningen, van een andere, min keurige hand ter neder gesteld en onderschreven: Volcardus Abbas, kon men besluiten dat het werk althans ouder zijn moest dan de eerste helft der Veertiende Eeuw, vermits de Abt Volkert, gelijk ieder weet, in 1340 nog leefde.
”’t Is jammer, dat uw broeder de dokter hier niet is,” zeide Gerrit tot zijn vriend: “die had daar meer aan dan wij.”
“Wel ja!” zeide Willem; “even alsof onze tegenwoordige geneesheeren iets anders dan een blik van verachting zouden schenken aan een werk, waarin de amethysten als een voorbehoedmiddel tegen alle vergiften en de karbonkels als een waarborg tegen verraad worden voorgeschreven.—Maar eilieve! zie eens: hier eindigt het receptenboek en er volgt nog wat anders, dat wellicht merkwaardiger is: hoor eens,” vervolgde hij, overluid lezende:
“Hic incipit narratio victoriae memorabilis quam de Hollandis reportaverunt Frisii, nec non aliorum, sempiterna quae memoria digna sunt, negotiorum.”
En terstond verder lezende, ontdekte hij, dat het vervolg een Latijnsch verhaal bevatte van den slag, bij Sint Odulfs klooster in den jare 1345 gestreden, maar doorvlochten met zoodanige omstandigheden, bijzondere personen en gebeurtenissen betreffende, als welke onze kroniekschrijvers onbekend zijn gebleven, althans niet door hen vermeld worden.
Deze ontdekking scheen onzen jeugdigen oudheidminnaar belangrijk genoeg toe, om wereldkundig gemaakt te worden: en hij wist, ofschoon met moeite, door zijn welbespraaktheid het zooverre te brengen, dat de Heer Broddelsma hem het Handschrift ter leen afstond; want van een verkoop wilde de goede man niets hooren. Bijzondere huiselijke omstandigheden, voor den lezer van geen belang, beletteden echter den jongeling aan zijn plan tot uitgave van het stuk eenig gevolg te geven; maar hij zond het receptenboek aan een geneeskundig tijdschrift, waarin het, zoo wij hopen, eerlang, met ophelderende aanteekeningen verrijkt, aan de aandacht van het publiek zal worden aangeboden: en den schrijver van dit voorbericht werd verzocht de uitgave der kroniek op zich te nemen. Deze had echter niet zoodra de handen aan ’t werk geslagen en tot toelichting van het verhaal de noodige overleveringen, geschiedenissen en localiteiten geraadpleegd, of hij begon te vreezen, dat, bij de uitgave, het werk zelf in de massa der noten en ophelderingen zou verstikt worden, iets, dat thans wat algemeen in zwang is geraakt, maar hetgeen hem altijd denken deed aan die stukjes chocolade of suikergoed onzer hedendaagsche banketbakkers, zoodanig met gesatineerde papiertjes, deviezen, verguldsel en prentwerk omtogen, dat niet alleen de prijs van het geheel aanmerkelijk verhoogd, maar ook het hoofdingrediënt tot een accessorium wordt. Hij besloot uit dien hoofde de bijzonderheden, in het verhaal vermeld, met die, welke hij door eigen onderzoek en nasporing had leeren kennen, tot een geheel te verzamelen en in den vorm eener doorloopende geschiedenis, te boek te stellen:—in hoeverre hij, door dezen arbeid, geslaagd zij aan zijn lezers eenige oogenblikken aangenaam, en (zoo hij hoopt) ook nuttig te laten doorbrengen, zal de toekomst leeren. Wie op de fantastische schildering van exceptioneele personen belust is, zooals de hedendaagsche literatuur onzer naburen die meestal aanbiedt, zal zich bedrogen vinden: hij zal hier slechts menschen aantreffen, zooals zij nog heden ten dage zijn, met hun goede en slechte hoedanigheden, met hun driften en hartstochten,—maar gewijzigd naar de denkbeelden, zeden en gebruiken van den tijd. Maar hij zal, na het ten einde brengen dezer bladeren, de waarheid daarin bevestigd vinden der stelling, dat, zoo niet al het goede op deze wereld zijn loon noch het kwade zijn straf ontmoet, diegene ten minste, die zich laat overmeesteren door eenigen hartstocht, al ware die zelfs uit zijn oorsprong te billijken, altijd zal achterstaan bij hem, die, uit welk beginsel dan ook, de omstandigheden niet vooruitloopt, zijn gemoedskalmte bewaart, en, gelijk de schrijver zich uitdrukt, aan wien wij ons motto ontleenen:
Wacht en stille sitt.
1 Met dezen naam noemt men in Friesland de plattelands-heelmeesters, zonder daaraan echter het denkbeeld van kwakzalverij te hechten.
Eerste Hoofdstuk.
Inhoudsopgave
daer ’t Sticht ter merreckt quam
De Goier, Aemstelaer, de Veene- en Waterlander.
Zy staplen vrucht en vee en zuivel op elckander.
Gevogelte, en gewas, en wat de nooddruft eischt,
Ter liefde van ’t gewin, daer ’t al om draeft, en reist,
En vlet, en vaert, en woelt: terwijl de burgeryen
Van d’ eene aen d’andere weeck, bij deze merckt gedyen,
En kelder en schappra, met opgepropten schoot,
Bezorgen als de mier haer hol, voor hongersnoot.
Vondel. Inwyding van ’t Stadhuis.
Onder die steden, welke vanouds aan de grafelijke kroon van Holland gelijk zoovele edelgesteenten flonkerden, en wier macht en rijkdom tot een hechten steun verstrekten aan des Landheers gezag, was Haarlem, gelijk genoeg bekend is, een der voornaamste. Haar ouderdom verloor zich in den nacht der tijden: ’t zij, dat men haar, met Boxhorn, voor de vroegere verblijfplaats der Herulen houde en den naam Haarlem, als een verbastering van Herulen-heim aanmerke: ’t zij, dat men dien, met Langendijk, van den Noorman Hariald afleide: ’t zij, dat men met de oude landskronieken veronderstelle, dat zekere Koning of Vorst, Lem genaamd, aan de door hem gestichte stad de benaming van Heer Lems stad, naderhand Haarlem, hebbe achtergelaten, of met een lateren taalkenner eenvoudig aanneme, dat het woord harel dezelfde beteekenis hebbe als hard, en door harelheim een harde grond te verstaan zij:—genoeg is het, dat juist de onzekerheid van dien naamsoorsprong de aloudheid der plaats zelve aanduidt.
Aan den oever eener rivier gebouwd, waarvan zij zich als van twee armen bedienen kon, om, aan de eene zijde, het Haarlemmermeer en de daarom gelegen landen, aan de andere, het IJ, en door het IJ, de Zuiderzee te bereiken, had zij van deze gunstige ligging reeds vroeg partij getrokken, om een handel te drijven, die, schoon zich zelden verder uitstrekkende dan de gewesten, welke om die binnenzeeën gelegen waren, haar niettemin gelegenheid gaf, om de voortbrengselen van hare door geheel Europa beroemde lakenweverijen te slijten en daardoor aan hare ingezetenen welvaart en aanzien te verschaffen: terwijl zij in hare bierbrouwerijen, die de bewoners der omliggende landstreken met den toenmaals zoo algemeenen drank voorzagen, een niet min voordeeligen tak van bestaan gevonden had, vooral, sedert door een grafelijk besluit het verkoopen van vreemd bier binnen Holland verboden en aan Haarlem alzoo een soort van alleenhandel in het graafschap vergund was.
De bekoorlijke omtrek, die zich niet alleen door een in Holland zoo zeldzame heuvelachtigheid onderscheidde, maar ook aan den adel de heerlijkste gelegenheid aanbood om in een klein bestek de rijkste genoegens van jacht en visscherij te smaken, had in de nabijheid der stad een immer toenemend aantal van aanzienlijke sloten en jachthuizen doen verrijzen, wier adellijke bewoners in een schier ongestoorde eensgezindheid met de poorters levende, het hunne toebrachten om den bloei der stad te bevorderen. En, opdat geen roem aan Haarlem ontbreken zou, de Graven zelven kwamen meermalen zijn vest bezoeken, waar zij alsdan door hun prachtige hofhouding, door hun milddadigheid, door het vieren van ridderlijke feesten, welvaart en genoegen onder de ingezetenen verspreidden. Het was vooral aan twee der Graven, die den naam van Willem droegen, dat de Sparenstad groote verplichting had. De eerste van die twee, Koning Willem, was binnen haar wal geboren, en beschonk zijn moederstad met ruime voorrechten, terwijl de andere, Willem van Henegouwen, schoon een uitlander, die stad boven andere tot zijn verblijfplaats koos, en aan haar vooral den naam van den Goede verdiende.
Het was onder de regeering des zoons van dezen Vorst, dat de voorvallen plaats vonden, in deze bladeren vervat, en waarvan de bijzonderheden aan de vergetelheid zijn ontrukt geworden op de wijze, aan den lezer medegedeeld.
Het was in het voorjaar 1345, dat een talrijk aantal van naburen en vreemdelingen naar Haarlem was toegestroomd, ter bijwoning van een plechtig feest, hetwelk binnen zijn muren door Graaf Willem den Vierden stond gegeven te worden. Deze Vorst, sedert kort teruggekeerd van een buitenlandschen tocht, waarop hij niet alleen het Heilige Land bezocht, maar zich ook met roem beladen had, door op zijn heenreize de Mooren in Spanje, en bij zijn terugreize de ongeloovige Lithauwers op de Pruisische grenzen te bestrijden, had zijn behoudene wederkomst bij zijn onderzaten, op het voetspoor zijns doorluchtigen vaders, met luisterrijke spelen willen vieren, waarop, als naar gewoonte, niet slechts de adel zijner graafschappen, maar ook die des Duitschen rijks bij rondgaande brieven en openlijke bekendmaking was genoodigd. Een aanzienlijk getal dier Edelen had aan deze oproeping voldaan, met dezelfde graagte, waarmede zich thans nieuwsgierigen en lediggangers naar deze of gene stad begeven, waar het een of ander eeuw- of jubelfeest gevierd wordt: ja zelfs zoude ik durven verzekeren, dat de prikkel, die den adel van vroegere tijden naar hunne feestvermaken dreef, nog meerdere kracht bezat. Eensdeels toch was deze soort van spelen de eenige, in dien tijd bekend of in aanzien, terwijl tegenwoordig ieder inwoner eener groote stad dagelijks uitspanningen genoeg kan vinden, en de eeuwfeesten zoo menigvuldig voorkomen, dat zij al het verrassende der nieuwheid missen: anderdeels bepaalden zich bij die feesten van vroegere dagen de genoodigden niet altijd bij de rol van stilzittende aanschouwers, maar namen er meermalen een bedrijvige op zich, en keken althans nimmer met een onverschillig oog toe: daar het zelden miste, of er was onder hen, die zich door dapperheid of behendigheid bij die feesten onderscheidden, deze of gene, die met hen vermaagschapt was en wiens bijzondere feiten zij tot eer van hun gansch geslacht konden rekenen en derhalve met innige belangstelling gadesloegen.
Er was dan ook geen kasteel noch adellijke huizinge in den omtrek van Haarlem, die niet te dezer gelegenheid aan ettelijke adellijke gastvrienden tot een tijdelijk verblijf verstrekte, geëvenredigd naar ruimte of geschiktheid. Niet slechts schreef de toen in Europa nog algemeen heerschende gastvrijheid het herbergen van vreemdelingen den slotvoogden voor als een plicht, waaraan zij zich niet mochten en ook niet wilden onttrekken; maar ook waren de Hollandsche Edelen, door hun talrijke en hooge betrekkingen met vreemde huizen, aan onderscheidene der Brabantsche, Vlaamsche, Geldersche, Henegouwsche of Hoogduitsche bezoekers door de banden van maag- of vriendschap verknocht, en vergolden zij hun door een ruim onthaal de vroegere, door deze bewezene, diensten.
Ook de poorters van Haarlem en de vrije opgezetenen der omliggende dorpen waren niet achterlijk om het voorbeeld der Edelen te volgen, en geen hunner was er, die niet naarmate hem zulks zijn vermogen toeliet, een of meer vrienden van buiten af gehuisvest had, bij wie het feest niet minder belangstelling wekte dan bij den adel; dewijl er toch, behalve de tornooi- en ridderspelen, waaraan de laatste alleen deelnam, onderscheidene, zoogenaamde mysteriën en volksvermakelijkheden zouden plaats hebben, waarin de goede burgerij de hoofdrol speelde. In onze hedendaagsche eeuw van beschaafdheid en verlichting zou een gelegenheid als deze met gretigheid door de ingezetenen worden te baat genomen, om voordeel te doen met de verlegenheid der vreemdelingen, die huisvesting behoefden: en men zou zich den omslag, voor hun verblijf veroorzaakt, volgaarne getroosten uit aanmerking der hooge huren, die men voor het afstaan zelfs van de kleinste zoldertjes, in logeerkamers herschapen, hun zou afpersen;—doch in die dagen scheen men de waarde van het geld nog niet genoeg op prijs te stellen: en menig burger stond zijn woonvertrekken niet alleen, maar zelfs zijn schuren, bergplaatsen en fabriekzalen, ten behoeve der aangekomene gasten af.
Maar het was niet alleen door wereldlijken, dat de plicht der gastvrijheid werd uitgeoefend. De kloosters, die zoo binnen als buiten de stad waren gelegen, en waarvan ik misschien in de eerste plaats had behooren te spreken, stonden insgelijks voor den bezoeker open; doch hun aantal was te dier tijd in Haarlem nog zeer beperkt: en andere redenen, die later haar plaats in ons verhaal zullen vinden, waren oorzaak, dat zij slechts aan een klein getal der zich aanmeldende vreemdelingen huisvesting konden verschaffen.
Ook de zoodanigen, die zich noch in een geestelijk, noch in een wereldlijk gesticht van een verblijf hadden kunnen voorzien, hadden de noodige voorzorgen genomen, ten einde geen nuttelooze reis te doen: en overal rondom de stad, waar de gelegenheid zich aanbood, hunne tenten nedergeslagen, of brachten, na den geheelen dag in vroolijkheid op de been te zijn geweest, den nacht door in de wagens, karren of vaartuigen, waarmede zij gekomen waren.
Het was in ’t bijzonder het Sparen en zijn oevers, die bedekt waren met een aantal vreemdelingen, die, evenals zoovele zwermen land- en watervogels, aldaar de vleugels, voor zoolang het feest duurde, hadden gestreken. De rivier, die thans Haarlem in twee deelen scheidt, vormde te dier tijd zijn zuidelijke grens, daar het gedeelte der stad, aan den kant van Amsterdam gelegen, toen nog niet was gebouwd. Aan dien zuidelijken oever vertoonde zich, op het tijdstip, waar wij van gewagen, een wijduitgestrekte rij van tenten, verschillende in kleur en vorm en omtrek, die den schijn zou hebben aangeboden van een vliegend leger, dat Haarlem was overvallen, zoo niet de bonte kleeding der talrijke wandelaars, die voor de tenten heen en weer drongen, en niets krijgshaftigs hadden, de stoet van vrouwen en kinderen, die er overal tusschen krioelden, het blijde gezang en gejuich en gedans der menigte, het omzwerven van minnezangers en poetsenmakers, kwakzalvers en goochelaars, in één woord, de vroolijke drukte, die er heerschte, een sprekend bewijs had opgeleverd, dat “de vernielende krijgsgod” niets met dat legertje te maken had. Van afstand tot afstand vertoonde zich een paviljoen, grooter in omvang en rijker in versierselen dan de overige, ja soms een houten loods, van waar de groene krans, boven den ingang opgehangen, den voorbijgangers aankondigde, dat daarbinnen versch bier, blanke melk, zoete meede, ja zelfs, voor de meest bevoorrechten, echte klareyt, zedewaarswijn en malvezij te vinden waren.
De rivier zelve leverde, gelijk ik met een woord heb aangemerkt, geen minder verscheiden tooneel op. Behalve de menigvuldige schuiten en schepen, die tot huisvesting der eigenaars verstrekten, en aan touwen of kettingen vastlagen, zag men tallooze vaartuigen de rivier opvaren en afzakken, beladen met al, wat men kon veronderstellen, dat de stad gedurende het verblijf der vreemdelingen zou noodig hebben. Groote platgeboomde aken brachten ossen en varkens uit Waterland, of vette schapen uit Gooiland, of hooi en gras uit Kennemerland aan: in kleinere schuitjes zag men de met koper beslagene vaten blinken, waarin de room of melk werd toegevoerd: hier zag men een schuitje, dat met warmoes van over het meer aankwam, tegen een Enkhuizer jol stuiten, die pekvaten voerde om tot de vreugdevuren te dienen: of een armen palingvisscher schier overzeild door een Noorsche kof met mastboomhout geladen: wat verder scholden de schippers van een Rijnsche aak, die wijn aan boord had, en een boterhaalder uit Delftland elkander de huid vol en betwistten zich een ligplaats zonder elkander te verstaan, zoowel woordelijk als overdrachtelijk gesproken. In één woord, aan de gansche zuidzijde der stad had een onophoudelijk gegons plaats, dat zich reeds op een geruimen afstand hooren liet, en dat de stedelingen stellig zou belet hebben, een oogenblik rust te genieten, indien zij niet zelven op dien tijd alle gedachten aan rust en stilte uit hun geest hadden verbannen.
Een gelijke, ofschoon kleinere verzameling van tenten was aan de westzijde der stad nedergeslagen op de opene plaatsen, welke haar afscheidden van het bosch, of, om den stijl des tijds te gebruiken, van den Houte, dat toen niet minder dan tegenwoordig den roem waardig was, welken het door geheel Holland verkregen had, wegens de fraaiheid van zijn wandeldreven en zijn statig geboomte, terwijl het bovendien het voorrecht bezat van niet, gelijk heden ten dage, een afgesloten hertenkamp te bezitten, maar een werkelijke wildbaan te zijn, waar deze dieren frank en vrij in ’t rond liepen, totdat het den Grave behaagde er een jachtpartij op te houden, of aan zijn Edelen de vrijheid te geven er een te schieten. Eens in het jaar echter, en wel op den derden Maandag in Augustus, was het aan de poorters van Haarlem vergund, zoowel op deze herten, als op al het wild, dat zich in de grafelijke domeinen bevond, onverhinderd jacht te maken, onder gehoudenheid echter van zich tot deze jacht van geen ander geweer dan van stokken en steenen te bedienen, en onder streng verbod honden met zich te nemen: bepalingen, die natuurlijk de jachtpartij voor het wild minder gevaarlijk maakten: dan stroomde Haarlems bevolking de poorten uit, en bracht den dag door met het najagen der vlugge reebokken, die, voor dergelijke vervolgers weinig bevreesd, slechts zorg droegen zich buiten het bereik der toegeworpen keien te houden, en het overigens beneden zich achtten, zich om een ijdel geraas van hun gewone weiplaats te verwijderen. Dan wreekten de teleurgestelde Haarlemmers zich over het mislukken hunner pogingen op de konijnen, wier zandpaleizen zij opdolven, om de bewoners in zegepraal des avonds te huis te brengen, en met gestoofde peren op te smullen.—De Graven, die deze jachtpartijen toelieten, zijn lang in ’t stof vergaan: geene herten loopen meer vrij in Haarlems omtrek rond, en geene jacht zonder akte van den Opperjagermeester is meer veroorloofd, maar nog altijd verlaten de Haarlemmers op den derden Maandag in Augustus hun bezigheden, en stroomen zij de poorten uit: niet meer om een jachtpartij te houden, maar om aan de Amsterdamsche vaart een onschuldig kopje thee te drinken, om in tentschuitjes naar de Brouwerskolk te varen, om den Blinkert op en af te loopen, om aan de Dreef in den Hout lamme, kreupele of blinde paarden te zien koopen, om eindelijk, ’t geen wel de voornaamste reden is, te gaan waar iedereen gaat en menschen te zien. De uitspanning is zonder doel geworden, het vermaak is denkbeeldig; en echter zou er een wonderwerk noodig zijn om een gebruik te doen vervallen, hetwelk het verloop der tijden en de rampen der omwentelingen heeft doorgestaan. Zoo waar is het, dat geen gezag, geen voorschrift, geene wet, zulk een vermogen heeft, als de heiligheid eener overlevering, die van geslachte tot geslachte bewaard wordt.
De lezer zal mij goedgunstiglijk een uitweiding vergeven, die zich hier als van zelve aanbood, en het mij ten beste houden, zoo ik, om eens adem te halen, het begin van mijn verhaal tot het volgende hoofdstuk uitstelle.
Tweede Hoofdstuk.
Inhoudsopgave
Terwijl ik wandel, door nieuwsgierigheit gedreven,
Zie ik van verre in ’t dorp twee goochelaars verheven
Op hunne ladders staan, die, rustende aan den muur,
Het volk vermaaken by ’t gezwets met kuur op kuur.
De kinkel grijnst en houdt zijn oor en mondt wijt open.
Hy schatert, juicht en zwelt, terwijl zy windt verkoopen.
De tandelooze bes, die lang aan ’t flerezijn
Nog onlangs lag te bedde en kromp van smart en pijn,
Vergeet haar leet. Dit spel kan haaren geest bekooren,
Zy grinnikt in haar vuist en meesmuilt onder ’t hooren.
Zoo werken ijdle klap en potsen in ’t gemeen
Veel meer op ’t hart van ’t volk, dan welgezoute reên
En stichtendt onderhoudt.
Rotgans. De Boerekermis.
Het was in den voormiddag van een der dagen, die den aanvang der plechtige feesten voorafgingen, dat een hoopje burgers en boeren zich op een plein naast den Hout, ongeveer te dier plaatse gelegen, waar thans het Hazepatersveld gevonden wordt, verzameld had om een stellage, van waar een kwakzalver of goochelaar (want beide deze verhevene hoedanigheden waren in zijn persoon vereenigd) hun belangstelling wekte door het ten toon stellen zijner zonderlinge apotheek, of hun verwondering ten top voerde door zijn onbegrijpelijke kunstverrichtingen en behendige streken. Het uiterlijke van dit doorluchtig personage was aan de rol, die hij bekleedde, volkomen geëvenredigd. Zijn hoofd was met een zwarten doek omwonden, die onder de kin was vastgestrikt en bovendien met een kroon van verguld papier versierd. Zijn, insgelijks zwarte tabbaard van saai, met getande roode zoomen en wijde mouwen, welke hem bij zijn kunstgrepen te stade kwamen, was met goudpapieren sterren bezaaid en reikte tot aan de voeten, terwijl zij, van voren open zijnde, het roode onderkleed liet zien, dat om de middel gesloten was door een breeden gordel, waarop de dierenriem was afgebeeld. Om de borst prijkte een vierdubbele, zoo ’t heette, vergulde keten, waaraan een peervormig gesteente hing, hetwelk waarschijnlijk tot een talisman moest dienen. Van de eene zijner dorre, dunne handen naar de andere vloog gestadig de ivoren tooverstaf heen en weder, welk onmisbaar werktuig ongeveer een elleboog lang, en aan het uiteinde met een gouden handje voorzien was.
Het gelaat van dezen goochelaar, of, zooals men toen zeide, kokeler, was, evenals zijn geheele persoon, lang en schraal: langs de verbrande wangen hingen pekzwarte haren, die veel op paardemanen geleken, tot op de schouderen af: een enkele vlok vertoonde zich op het bruingerooste voorhoofd, en reikte, in de gedaante van een omgekeerden kegel, tot aan den langen neus, wiens kromte een brug scheen, waarover men den stekeligen baard bereikte, die, even zwart en lang als het hoofdhaar, tot op den gordel nederdaalde. De oogen van dit geheimzinnig personage schenen in zich zelven gekeerd en nimmer te kunnen worden afgetrokken door hetgeen hem omringde, ’t geen hem het voorrecht verschafte, dat men, bij het staren op zijn kunstverrichtingen, omtrent den weg, dien zijn blikken namen, altijd misleid en door zijn toeren des te eerder verrast was.
Naast den kokeler stond een kast, of soort van vliegende apotheek, in dien opzichte van onze hedendaagsche medicijnkasten verschillende, dat zij, behalve een aanzienlijke hoeveelheid fleschjes, potjes en poeders, ook een menigte voorwerpen bevatte, wier nut en strekking zich bij de beschouwing geenszins raden lieten, maar de verklaring van den verkooper noodig hadden. Voor hem was een tafeltje geplaatst, waarop al hetgeen te dier tijd het vereischte eener goocheltasch uitmaakte, ten toon was gesteld.
Deze merkwaardige duivelskunstenaar, gelijk hem de boeren noemden, bewaarde gewoonlijk een volstrekt stilzwijgen, ’t zij dat hij de Hollandsche, of, als men toen zeide, de Duitsche taal niet genoegzaam machtig was om zich te doen verstaan, ’t zij dat hij vreesde zijner achtbaarheid te kort te zullen doen, indien hij zich vernederde om tot gewone menschen het woord te voeren. Hij liet deze taak over aan zijn metgezel of hansworst, die aan zijn radde tong evenveel beweging, als zijn meester rust aan de zijne gaf.
Deze ambtgenoot of medehelper van den kokeler was, gelijk al de narren vanouds, in een veelkleurig gewaad uitgedost, prijkende hij met een half rood, half geel buis en met groene hozen: een houten sabel of brits, die door zijn lederen gordel gestoken was, duidde zijn hoedanigheid aan, zoowel als de bellen, die aan zijn zotskap en gewaad klingelden. Een roode, naar boven gekrulde neus, die een niet geringe verknochtheid aan het druivennat kenteekende, levendige grijze oogen en een dubbele rij hagelwitte tanden, gaven aan zijn gelaat een vroolijke en onbezorgde uitdrukking, die niet weinig werd verhoogd door de wijnmoer en het meel, waarmede het voorhoofd en de wangen bestreken waren. Op zijn schouder zat een aap, verscheidene der omstanders ergerende door zijn kleeding, die uit een pelgrimsmantel en hoed met schelpen bestond.
De taak van dezen alwillens dwaas, of nar, was, gelijk men lichtelijk begrijpt, om de toekijkers oplettend te maken op de wonderen, die zijn meester òf reeds gewrocht had, òf ten gerieve der vrome burgerij van Haarlem en der geëerde inwoners van het graafschap nog wel zou willen daarstellen: op de merkwaardige genezingen, door den grooten man uitgewerkt of nog uit te werken, en op ongehoorde en schier ongelooflijke kunstverrichtingen, die hij met een alles te boven gaande gemakkelijkheid uitvoerde. Nu eens breidde hij al de verdiensten des kwakzalvers uit in een lang en bloemrijk verhaal, hetwelk hij met vaardigheid doch tevens met gepasten nadruk, waar die behoorde, in vrij verstaanbaar Hollandsch, ofschoon met een eenigszins hoogen tongval, opsneed; dan weer zette hij nog meer kracht en levendigheid aan zijn voorstelling bij door het aanwenden van een plotselinge toespraak, tot dezen of genen der omstanders meer onmiddellijk gericht en daardoor een sterkere, dikwijls onwederstaanbare uitwerking hebbende. Een staaltje zijner welsprekendheid zal hier niet ongepast schijnen, te meer daar het aanleiding geven zal om met sommige personen onzer geschiedenis als van zelf in kennis te geraken.
“Ja! vrome burgers en landlieden!” zeide hij: “hoe zal ik u opsommen en verhalen al de groote en ongelooflijke kuren, die mijn meester Barbanera of ‘met den zwarten baard,’ bijgenaamd l’Incomparabile, ’t welk in ’t Italiaansch zooveel wil beduiden als ‘de onvergelijkelijke,’ al heeft teweeggebracht door zijne kunst. Een wijs man zoude daarmede zeven jaren kunnen zoek brengen: hoe zoudt gij dan van eenen armen nar als mij vergen, dat hij het in een uurtje vertelde. En wat behoef ik u ook veel te vertellen? Is het u niet genoeg, den man slechts aan te zien, om van zijn kunde en bedrevenheid overtuigd te wezen? Maar wat denkt gij, dat gij in hem ziet? Een man van vijftig, zestig jaren? ganschelijk niet. Tweehonderd en tien jaren is hij oud: en zoo hij nog zoo fiksch en wakker daar voor u staat, en zoo zijn haar nog niet grijs is, het is alleen door het vermogen van zijn kunst. Acht gij misschien dat ik u knapuiltjes vertel, burgers en landlieden? koopt het elixir longae vitae en de kraaienmergzalf, en gij zult er u zelf bij uw eigen ondervinding van kunnen overtuigen.” (Hier haalde de kwakzalver een fleschje en een potje uit zijn voorraad voor den dag, en toonde die met uitgestrekte armen aan de schare.) “Gij! vrome pater!” vervolgde de zot, zich tot een Karmelieter monnik wendende, die hem van midden uit den volkshoop met een verachtelijken blik aanstaarde, “gij hebt het nog niet verder kunnen brengen dan het ambt van spijsverzorger in uw konvent waar te nemen: koop het elixir, dat het leven rekt, en gij zult alle uwe oudere broeders overleven en eenmaal tot Proost, tot Abt, ja tot Bisschop verkozen worden: ja zelfs zoude een Kardinaalshoed niet kwalijk passen op uw eerwaardig aangezicht. De heilige Aartsbisschop van Kantelbergh zou zooverre niet gekomen zijn zonder ’t secours van dat middel, maar ware een arme Benediktijner gestorven,—koop het elixir, eerwaarde pater! en gij zult oud genoeg worden, om al de schatten dezer aarde tot u te zien toestroomen.”
“Wij hebben gelofte van armoede gedaan,” zeide de pater: “en begeeren de schatten niet, die uwe duivelskunstenarijen verschaffen.”
“Zeg wat gij wilt, vrome man!” hernam de hansworst: “maar gij zult aan deze goede burgers en landlui niet doen gelooven, dat gij niet liever als een rijke Bisschop uw vazallen, dan als een arme monnik het gevogelte zoudt plukken voor ’s Graven tafel.”
Hier ontstond een algemeen gelach ten koste van den pater; want het was bekend, dat, in tijden van groote drukten, maaltijden en feesten zooals die, welke thans te Haarlem plaats vonden, het plukken van gevogelte evenals het bereiden van sauzen en specerijen voor ’s Graven tafel aan de kloosters werd opgedragen, die zich dan die taak ter wille van den Landheer en voor een klein drinkgeld moesten getroosten. De monnik voelde den steek en verwijderde zich ook terstond, na een toornigen blik op den gek te hebben geslagen, wien hij in zijn hart beloofde deze beschimping betaald te zullen zetten.
“En gij, jonge deerne!” vervolgde de nar, die, zonder zich het gram gelaat des paters aan te trekken, zijn toespraak nu tot een aardig meisje wendde, dat onder de menigte stond, “en gij! wilt gij uwe glimmende zwarte haren behouden? koop de zalf van meester Barbanera, en uw vrijer zal u nooit een grijs haartje verwijten. Maar gij vreest misschien, dat de kleur van uw lieve koontjes met de jaren zal verbleeken en dat uw witte tandjes, die zoo aardig en net als een parelsnoer blinken, wanneer gij lacht evenals nu, eenmaal zoo hot en haar zullen staan als de steenen van het kerkhof der Joden op Bakenes? Neem de reliquie, die mijn meester u toereikt, en die, om uw hals gehangen, u zoo jong en frisch zal doen blijven als gij tegenwoordig zijt. Vrees niets, dat zakje bevat een gedeelte van de asch der heilige Juventa, die op last van den Sultan van Egypte werd verbrand, voor honderd zeven jaren, en waarvan mijn meester een potje vol gegaard heeft, waarvan dit het overschot is; want gij moet weten, dat, al is mijn meester in het vermaarde Keizerrijk van Sina geboren, boven op een porseleinen toren, die tienmalen zoo hoog is als honderd Domtorens van Utrecht op elkaar gezet, hij echter een goed christenmensch is, en omgang heeft gehad met alle vrome kluizenaars in Syrië, Arabië, Indië, Ethiopië en Moorenland.—Kom hier, mijn brave jager! indien uw pijl wel eens mist; ik doe u het onfeilbaar middel aan de hand om alle wild te raken. Deze kleine fiool bevat twee droppelen van het bloed des Heiligen Huybrechts; zoo gij er onder het zeggen van twee aves en drie paters de punt van een nieuwen pijl indoopt, zal u geen haas of reebok meer kunnen ontgaan.”
“Ik geloof, dat een goed oog en een vaste hand meer zullen afdoen dan al uw snuisterijen,” zeide de boschwachter, hem op vrij schamperen toon in de rede vallende: “niettemin, zoo gij mij de proef eens wilt laten nemen van dat fleschje, ik heb hier juist een nieuwen pijl: en er vliegen kraaien genoeg door den Hout, om de kracht van uw middel in ’t werk te stellen.”
De hansworst stond een oogenblik beteuterd van den onvoorzienen voorslag: doch hij herstelde zich terstond.
“De proef nemen! de proef nemen, met een zoo heilige reliquie! Weet gij wel dat dit zooveel als een spotternij met het heilige zou wezen? Neem het fleschje of neem het niet, tot uw dienst; maar weet, dat het u voor ’t oogenblik toch niet zou baten: het kan alleen dienen voor dezulken, die absolutie hebben bekomen: en wanneer ik de karbonkels aanzie, die uw neus omringen, dan houde ik mij overtuigd, dat er menige pekelzonde bij u huist, waar uw biechtvader nog niets van vernomen heeft, en dat uw arme vrouw ondervinding genoeg heeft, dat gij goed weet te raken.”
De omstanders keken lachende den jager aan; te meer daar de nar juist geraden had, en de boschwachter niet slechts bekend stond als een liefhebber van den drank, maar ook zijn vrouw meermalen in dronkenschap mishandelde.—Hij vergenoegde zich echter zijn kodde op een dreigende wijze te schudden en den potsenmaker grimmig aan te zien: toen de kokeler, waarschijnlijk om de toeschouwers den tijd niet te laten van over het gebeurde na te denken, opeens als in verrukking oprees, twee vergulde balletjes voor zich op de tafel nederwierp, en die terstond met twee tinnen bekers overdekte.
“Let op nu, burgers en boeren! let op!” riep de hansworst met luider stemme, zoodra hij de beweging van zijn meester gewaarwerd: “nu eerst zult gij de kunst del maestro incomparabile in haar vollen luister mogen bewonderen. Ja, niet voor niets is hij aan het hof van Egypte geweest, en heeft hij jarenlang bij den Keizer van Ethiopië gewoond, en al de geheimen der tooverkunst aan de magi van die landen afgezien. Let op nu! burgers en boeren! wat er gebeuren zal.”
Een ieder stond met open mond en gespannen aandacht den toovenaar aan te staren, die de ballen beurtelings van onder de bekers deed verdwijnen, en weer te voorschijn komen, en ettelijke andere kunstverrichtingen deed, welke bij ons verlicht hedendaagsch publiek slechts een medelijdend schouderophalen zouden verwekken, doch in die eeuw met verbazing en opgetogenheid werden aanschouwd.
“Maar! wat u nog vreemder zal voorkomen dan al hetgeen gij tot nu toe gezien hebt,” hernam de hansworst, na een korte pauze, “is de heerschappij die mijn meester ook over de wildste en ongezeglijkste dieren uitoefent, en het vernuft, dat hij in de redelooze schepselen weet te ontwikkelen. Gij ziet den aap, die op mijn schouder zit, burgers en boeren? welaan! dit dier was woest en ongetemd toen het nog in de bosschen van Indië rondsprong. Eenige weinige lessen van mijn meester hebben hem niet alleen een trap van behendigheid en kunde doen bereiken, welke men zelden bij gewone menschen aantreft, maar hem ook in staat gesteld, verborgene zaken uit te vorschen, ja het toekomende te voorspellen. Cezar! groet de eerbiedwaardige vergadering.”
De aap sprong van zijn schouder, nam den hoed af en boog zich deemoedig.
“Ga nu aan die waardige lieden vragen, of zij u een kleinigheid willen schenken om met mij op hunne gezondheid te drinken.”
Cezar liet zich langs een touw van de stelling afglijden en hield den omstanders zijn hoed voor.
“Een aalmoes voor den armen pelgrim!” riep de hansworst, naarmate Cezar rondging om giften in te zamelen: “hij komt van verre en heeft het noodig: maar pas op, Cezar! en ontvang geen andere munt dan die van het land.”
“Ga voorbij, onguur beest!” bromde de boschwachter, toen de aap hem den hoed toestak: “indien uw meester zulk een toovenaar is als hij beweert, kan hij zich geld genoeg verschaffen, en behoeft hij het ons niet uit den zak te kloppen.”
De aap liet driemalen de reeds ontvangen specie in den hoed rammelen, en toen, ziende dat de jager aan zijn verzoek geen gehoor gaf, grijnsde hij hem op een kwaadaardige wijze aan, en vervoegde zich bij meer milddadige toeschouwers.
Zijn inzameling gedaan hebbende, keerde hij bij zijn oppasser terug, en na eenige sprongen en kunsten verricht te hebben, beantwoordde hij door middel van den hansworst, die hem tot tolk verstrekte, eenige door de omstanders voorgestelde vragen op dezelfde wijze en met niet minder behendigheid, dan de wijd vermaarde en waarschijnlijk van hem afgestamde aap van meester Pieter, wiens bekwaamheid door Cervantes vereeuwigd is.
Ondertusschen had de beroemde meester Barbanera het niet beneden zijn waardigheid geacht, de ontvangene schatting der nieuwsgierigen na te tellen en te onderzoeken. Bij het verrichten dezer bezigheid had weldra zijn scherpziend oog een koperen geldstuk ontdekt, dat van vreemden oorsprong was, althans niet gangbaar op de plaats, waar zij zich thans bevonden. Hij nam het tusschen duim en voorsten vinger, bezag het een wijl met dezelfde aandacht, waarmede een oudheidkenner een zeldzamen penning zoude beschouwen, en reikte het vervolgens onder een veelbeteekenend hoofdschudden aan zijn medehelper over.
“Gij hebt niet opgepast, meester Cezar!” zeide de hansworst tegen den aap, hem het geldstuk met een bestraffenden blik voorhoudende: “ik had u immers gelast geen andere dan inlandsche munt op te halen, en gij brengt mij een stuk, dat alleen bij heidenen en Turken gangbaar is. Spoedig! breng het terug en verzoek om een ander.”
Cezar nam met een deemoedige houding het geldstuk aan, sprong weder naar beneden en ging den volkshoop, die nieuwsgierig het einde van dit tusschenspel stond af te wachten, met bedaardheid rond, ieder der omstanders en dan zijn meester beurtelings aanziende, totdat hij eindelijk, hetzij uit eigen beweging, hetzij op een geheim teeken van den hansworst, stand hield bij een kloek gebouwden kerel, wien hij het muntstuk voorhield.
“Ei lieve, goede vriend!” zeide de hansworst: “gij ziet, mijn Cezar laat zich niet verschalken. Wees zoo goed, neem uw valsche munt terug, en geef hem een beter stuk geld voor zijn moeite.”
De gezel, tot wien hij deze toespraak richtte, was een stevig jonkman van zes voet hoog, grof gespierd en zwaar van leden; doch wiens heldere blauwe oogen goedhartige welwillendheid teekenden. Zijn kleeding, in vele opzichten verschillend van de Hollandsche volksdracht, duidde een vreemdeling aan. Hij droeg een bruinen rok, van voren open, met een bonten rand voorzien, en gesloten door middel van een zwart lederen gordel, met zilver versierd. Op zijn zilverblonde haren prijkte een bonten muts of pet met vooruitstekende klep en zilveren kwastjes, terwijl een scherp mes met een zilveren heft in zijn gordel blonk, en hem onderscheidde van de overige omstanders, die van stalen of ijzeren wapenen voorzien waren. Aan zijn arm haakte of hing een klein bevallig meisje, wier hoofdhaar geheel verborgen was onder een bontgeruiten doek, wiens tippen zich om hals en kin vereenigden als de sluier eener Tartaarsche vrouw. Haar gewaad was van een zware wollen stoffage, geel van kleur met blauwe strepen, en om het midden door een zilveren gordel vastgehecht. Een soort van borstkuras van hetzelfde metaal, op de schouders met haakjes gesloten en in ’t midden voorzien met een versiersel in den vorm van een omgekeerd schoteltje, gaf aan haren opschik een nog vreemder aanzien. Reeds lang had zij menigen verwonderden blik tot zich getrokken, en door haar zonderlingen tooi den spotlust opgewekt der omstanders, die, gelijk onze natie van oudsher doet en wel altijd doen zal, zich niet konden begrijpen hoe iemand anders kon gekleed gaan, dan op de gewone en bij ons aangenomen wijze. Reeds had men haar verscheidene schimp- en spotwoorden toegevoegd, en haar onder andere boertende gevraagd, of zij niet bijgeval eene weggeloopen non was, dat men haar hoofdhaar niet bespeurde, en onder welken ridder zij als wapenknecht diende, dat zij zoo geharnast verscheen: van al hetwelk zij noch haar geleider gelukkig niet veel verstaan hadden.
Evenmin had deze laatste, zoo ’t scheen, het gebarenspel van den aap, noch de toespraak van diens meester recht begrepen: althans hij draaide het hem gegeven muntstuk herhaalde keeren tusschen de vingers en zag, met eenige verlegenheid, nu eens den hansworst, dan weder zijn gezellin, dan de omstanders aan, welke laatsten eindelijk in een schaterend gelach uitberstten, hetgeen zijn verlegenheid nog vergrootte. Het jonge meisje begreep eerder dan hij de oorzaak van deze algemeene vroolijkheid, en, zich op de teenen verheffende, fluisterde zij hem eenige woorden in, waarvan ook de naastbijstaanden niets verstonden, vermits zij in een vreemde taal gesproken werden. De jongeling scheen echter over de gegeven opheldering weinig tevreden, althans hij schudde het hoofd, mompelde eenige onverstaanbare woorden, haalde een handvol van dezelfde koperen stukken uit zijn tasch, en, die op de breede linkerhand uitspreidende, scheen hij met den rechterwijsvinger aan te duiden, dat zij alle van gelijk gehalte waren en dat hij dus aan het verzoek van den kunstenaar niet kon voldoen.
“Kom goede vriend!” zeide de veldwachter, zich met een hoonenden lach bij hem vervoegende: “geef den baviaan zijn zin en schenk hem een stuk van achten: dan zal hij wel tevreden zijn.”
”’t Zijn al goede muntspeciën in Friesland,” antwoordde de andere, met een sterken Frieschen tongval sprekende.
“Ja maar, wij zijn hier in Holland,” hernam de jager: “en wij kunnen uwe Friesche stukken niet gebruiken: berg ze maar gerust weg, zoowel als uw Friesch mes, eer de dienaars u bij de kladden krijgen als valschen munter en als breker van ’s Graven vrede.”
“Valsche munt!” riep de Fries verbolgen uit: “een valschaard die ’t zeit.”
“Ho! ho!” zeide de jager, spottende: “bak maar spoedig zoete broodjes; gij zijt hier niet in uw frije Friesland, waar men ongestraft op de Hollanders scheldt. Berg dat mes, of er zullen goede stukken van achten uit uw zak moeten komen.”
”’t Is zeker,” zeide een klein, in ’t zwart gekleed mannetje, ’t welk zich den schijn van deftigheid wilde geven en evenals een ekster naar hen toe kwam trippelen, “’t is zeker, dat volgens het Privilege van Koning Willem niemand binnen den banne van Haarlem een mes mag dragen op een boete van tien pond, waarvan de helft aan den....”
“Zoudt ge mij mijn mes willen ontnemen?” riep de Fries, het heft met kracht omvattende.
“Rebellie tegen art. 15 van het Privilege,” kraaide het kleine mannetje, tevens met een ontsteld gelaat achteruitwippende: “al wie het mes trekt binnen de stad Haarlem ofte derzelver....”
“Ik weet van geen Privilege,” riep de Fries, zijn mes half uittrekkende: “hier is mijn Privilege.”
“In den stok met hem!—Te water met den muiter!—Dienaars hier!—’s Graven vrede!” riepen terstond een verwarde menigte stemmen, waaronder die van het zwarte ventje zich onderscheiden liet:—en de zooeven nog rustige en vroolijke kring leverde een tooneel op van onrust en verwarring. De kinderen klommen verschrikt op de stellage en in de boomen of hielden zich aan de moeders vast: de vrouwen drongen zich beangst tegen haar mans, broeders of vrijers aan of poogden zich te verwijderen: de mans hielden zich deels bevreesd op een afstand; deels hieven zij hun stokken of vuisten op om den Fries te lijf te gaan en hem zijn mes te ontweldigen.
Dit was echter geen gemakkelijk werk. Bij de eerste bedreiging had de jongeling zich schrap gesteld, zijn mes met de rechterhand op de hoogte van het aangezicht brengende ten einde allen aanval af te wenden en met de linkerhand het meisje van zich afwerende, dat hem wilde tegenhouden. Niemand der omstanders durfde hem van voren braveeren; doch sommigen poogden hem van achteren te bespringen en zijn arm te grijpen. Zoodra hij dit bespeurde, draaide hij zich om. Sneller dan de gedachte beschreef zijn arm een halven cirkel en gleed zijn mes in ’t voorbijgaan langs de aangezichten en kleederen zijner bespringers, onderweg eenige aan dezen toebehoorende lappen vleesch en laken en een gedeelte des hoeds van het kleine mannetje medenemende. Door deze beweging vond zich de Fries teffens met den rug tegen het theater des kokelers geplaatst, zoodat hij althans naar zijn en elks meening van achteren gedekt stond; doch hij was daardoor ook afgescheiden van zijn gezellin, die in de algemeene verwarring van hem verwijderd werd, zich nu, weerloos klagende, in een bedrukten toestand tusschen vreemdelingen bevond en vergeefs onder angstig gekerm om haren vriend Feiko riep.
Maar Feiko was niet in staat haar te hulp te komen, daar hij genoeg te doen had om zich tegen de volksmassa te beschermen, die hem nu op alle wijze bestoken kwam. Geen van hen dorst hem echter van nabij aanvallen, toen op eens de koddebeier, die de eerste aanleiding tot den twist gegeven had, door de omstanders, die hij rechts en links van zich afstootte, heen drong en zich vlak tegenover den Fries plaatste.
“Hoe!” riep hij, “schaamt gij u niet? honderd tegen eenen en gij zijt den vreemden gauwdief nog niet meester? heeft geen van die lamme poorters een hart in ’t lijf? wacht! ik zal hem alleen wel krijgen.”
Onder het uiten dezer woorden had hij zijn kodde opgeheven met oogmerk om den Fries een geweldigen slag op het hoofd toe te brengen; doch Feiko voorkwam het dreigend gevaar door snel het rechterbeen op te lichten en den jager een trap voor de borst te geven, die hem sprakeloos tegen den grond wierp.
Dan op hetzelfde oogenblik kregen de aanvallers een bondgenoot, dien zij verre waren van te verwachten. De aap namelijk was bij het ontstaan van den twist weder op het theater gevlucht en van daar beschouwde hij op zijn gemak het gevecht. Toen nu de Fries bij de stellage was komen staan, naderde hem het boosaardige dier, en zoodra Feiko zich na den gegeven trap in postuur stelde, rukte de aap hem vlug de muts van ’t hoofd en bracht die grinnekende aan zijn meester.
Feiko, niet wetende wie dien onverhoedschen aanval op zijn hoofddeksel deed, keerde zich onthutst om, ten einde zich daartegen te verdedigen; en deze wending was hem noodlottig: tien der naastbijstaanden maakten van dit oogenblik gebruik: hij werd aangegrepen, en eer hij weerstand kon bieden, lag hij met de helft der aanvallers op den grond te worstelen. Het was echter niet dan met moeite dat men hem meester werd, het mes ontweldigde en met een eind touw, hetwelk aan de bagage des kwakzalvers ontnomen werd, vastknevelde.
“Mijn hemel! Feiko!” riep het arme meisje, dat nu weder door den volkshoop naar voren gedrongen was, “waar brengt men u? Ik wil met u gaan! wat zullen de Olderman en de Jonker wel zeggen als zij het hooren.”
“Sytsken! loop naar den Olderman” brulde Feiko: “en zeg hem, hoe die honden met een vrijen Fries handelen.”
“Wees zoo dwaas niet, zoet zusje!” zeide de koddebeier, die intusschen weer op de been geraakt was, terwijl hij Sytsken bij den arm nam: “laat uw lompen vrijer gerust aan zijn lot: de Schout zal wel weten wat met hem te doen: kom, geef mij een arm: ik zal u brengen waar gij wezen wilt.”
“Blijf van mij af, schurk!” riep de verschrikte Sytsken, vruchteloos pogende zich van de omarming des jagers los te maken: “ik wil niet met u gaan: ik haat u: gij zijt de oorzaak van alles.”
“Laat het meiske gaan, vriend Walger!” zeide het zwarte mannetje: “gij hebt geen recht op haar, en volgens art. 17 van het Privilege van Koning Willem is alle maagdenroof strafbaar met.....”
“Moei u met uwe zaken, meester Claes Gerritsz,” duwde hem Walger toe: “ik ben geen poorter van Haarlem en hoest wat in uwe Privileges. Ik ben ’s Graven koddebeier en zal dit zoete kind brengen waar het wezen wil, zonder iets meer dan een kusje voor mijn loon te vragen.”
En hij wilde zich reeds te voren van dat loon verzekeren, toen Sytsken zich op eens uit zijn armen losrukte en met een kreet van blijdschap naar een jongeling toesnelde, die op eenigen afstand door eene der lanen kwam aangewandeld.
Derde Hoofdstuk.
Inhoudsopgave
Wat dorperheid is dit, onedele gemeente?
Vondel. Palamedes.
“O Jonker Seerp!” riep Sytsken: “spreek een woord voor den armen Feiko, wien men naar de boeien wil brengen.”
De nieuwaangekomene, tot wien zij sprak, was een jonkman van ruim dertig jaren, lang en mager, doch gespierd en forsch. Zijn gelaatstrekken, ofschoon regelmatig, waren te sterk geteekend om innemend te heeten, en de opslag zijner oogen gaf hoogheid en eigendunk te kennen. Zijn kleeding was uitheemsch, evenals die van Feiko; doch van kostbaarder stof. Een geelzijden doek, met zilveren ruiten en franje van dezelfde stoffage, was om zijn hoofd gewonden en hing aan de linkerzijde in breede plooien af, het haar geheel verbergende, hetwelk naar een gewoonte, welke den Frieschen adel van elken anderen onderscheidde, hoog boven de ooren kaalgeschoren was. De zijden bovenrok was geel, met vergulde randen voorzien en met vergulde haakjes gesloten. Een prachtige ponjaard stak in den sierlijken gordel, en een krom gebogen oostersch zwaard, welk wapen den drager voor een man van aanzien kennen deed, hing daarvan af. De gevesten der wapenen zoowel als de versierselen des gordels waren mede zwaar verguld. Een driedubbele gouden keten prijkte om den hals; doch was ten deele door den lichtgroenen overrok verborgen. Enge hozen van groen laken bedekten het been, terwijl de voeten in puntige schoenen staken, rijkelijk met gouden sterren bezaaid.
“Wie vermeet zich zulke buitensporigheden?” vroeg hij op zijn beurt, na de klacht van Sytsken te hebben vernomen, terwijl zijn valkenoog langs den volkshoop rondwaarde.
Een enkele blik was hem genoeg om te ontdekken wat er gaande was. Zonder zich te bedenken, doch ook zonder zijn tred te verhaasten, stapte hij naar de geleiders van Feiko toe, die alle moeite deden om den knaap met zich te sleuren: en zonder een woord te spreken sneed hij met zijn dolk de touwen los, waarmede de gevangene gebonden was en rukte hem uit de macht der knevelaars.
“Nieuwe rebellie!” riep meester Claes Gerritsz: “hei ho! wakkere poorters! laat den gevangene niet ontsnappen.”
“Gij zult mij toch niet willen houden,” riep Feiko, die niets in de wereld boven een Frieschen edelman stelde, “tegen den wil van Jonker Seerp Van Adeelen?”
“Stil Feiko!” zeide deze: “vertel mij wat de reden van dit rumoer is.”
“Wat mocht hij vertellen,” riep Claes Gerritsz: “een vreemdeling mag niet tegen een burger gehoord worden, volgens artikel II van het Pr....”
“Antwoord wanneer men u vragen zal, Haarlemmer mug!” duwde hem Seerp Van Adeelen met bitsheid toe: “of,” vervolgde hij, hem met een donkeren blik aanziende: “kunt gij mij zeggen, wie hier de stoutheid heeft gehad een dienaar van den Olderman te knevelen?”
Claes Gerritsz trad bedremmeld terug, toen hij den norschen oogopslag des Frieschen edelmans ontmoette: maar de boschwachter Walger, die door zijn beroep meer gewoon was, met edellieden evenals met kameraden om te gaan, nam het woord op:
“Deze snaak veroorzaakte hier opschudding: en daar het ongeoorloofd is, messen te dragen, althans te trekken, binnen het rechtsgebied van Haarlem, zoo brachten wij hem naar den Schout: en wij zouden u raden, Jonker! u hier niet tegen te verzetten, of het kon ook met u slecht afloopen.”
“Wij zullen zien,” zeide Adeelen: “wie zich vermeten zal de handen aan hem te slaan nu hij onder mijn bescherming is. Ik ben afgevaardigde van Friesland en heb met uwe zotte bepalingen en Privileges niets van nooden. Volg mij, Feiko.”
Dit gezegd hebbende, wendde hij zich om en wandelde met bedaarde schreden heen, met Feiko en Sytsken achter hem. Zoolang de menigte nog door de verbazing van het oogenblik, de krachtige taal en het forsch gelaat des edelmans in bedwang was gehouden, was zij stil en besluiteloos gebleven, en geen arm was tegen Feiko opgeheven geweest; maar evenals kleine keffers, die beangst wegdruipen wanneer een moedige dog hen aanziet, maar hem nablaffen, zoodra hij zich verwijdert, zoo hief het gepeupel een verward en woest getier aan, zoodra men de zoo gevreesde Friezen niet meer in ’t aangezicht zag. Dan het bleef niet bij de vloeken en verwenschingen, die men hen nazond: ras werden deze opgevolgd door een hagelbui van modder, steenen, kluiten, boomtakken,
en alles wat men reedst kon vinden by der hant,
om met vader Vondel te spreken. Adeelen bleef gedurende eenigen tijd zijn weg voortzetten als trok hij zich die beleedigingen niet aan; maar toen een potscherf hem tegen het hoofd aangonsde en in de plooien zijner muts bleef hangen, kon hij zijn woede niet langer bedwingen; zijn lemmer vloog de scheede uit: als een gewonde tijger keerde hij zich om, sprong op de menigte toe en deed haar in verwarring terugstuiven. Juist op het oogenblik waren eenige dienaars van den Schout, met staven gewapend, op het gerucht komen toeschieten, die, ziende wat er gaande was, ’s Graven vrede uitriepen en de vechters poogden vaneen te scheiden. Doch hier was geen denken meer aan: reeds had het zwaard van Adeelen bloed doen vloeien; en het volk, op dat gezicht verbitterd, had de vrees voor de wraakzucht doen zwijgen: van alle zijden drong men aan op den edelman en op Feiko, die aan Walger zijn kodde had ontrukt en wakker in het rond sloeg:—en beiden waren misschien de slachtoffers van dezen ongelijken strijd geweest, zoo de aankomst van eenige nieuwe personages daaraan geen spoedig einde gemaakt had.
De nieuwaangekomenen waren twee edellieden uit het gevolg van Graaf Willem, met name Reinout en Deodaat van Verona, die met eenige dienaars en stalknechts uit Haarlem kwamen aangereden, alwaar zij een boodschap voor hun Heer hadden volbracht. De plek waar het gevecht voorviel, lag niet volkomen in hun weg; doch zij hadden aan den ingang van den Hout de troostelooze Sytsken ontmoet, die van verre was blijven staan, toen Adeelen en Feiko den strijd begonnen waren, en nu, hun gevaar bespeurende, op het hoefgetrappel was toegesneld, ten einde de hulp der ruiters in te roepen. Beide de edellieden waren jong en minnaars van het avontuurlijke: zij toefden dus niet om aan het verzoek van het bevallige meisje een gunstig oor te verleenen, en togen in vollen ren naar de kampplaats. Hier kwamen zij juist intijds. Adeelen was door middel van een haak omvergerukt, en een uit het volk stond reeds gereed om hem met zijn eigen dolk te doorboren, toen Deodaat, het gevaar ziende, waarin de Fries verkeerde, zoo heftig tegen den poorter aanreed, dat deze achterovertuimelde, terwijl Reinout, zijn paard midden tusschen het volk drijvende, in de stijgbeugels oprees en met kracht uitriep: “pais en vree, gespuis van den Satan! niemand verroere zich, of het zal hier zwaardslagen regenen zoo dicht als hagel! Wat doet gij hier, schelm van een boschwachter?” vervolgde hij, zich tot Walger keerende: “zoo de Graaf verneemt dat gij, in plaats van op boomschenders en stroopers te passen, u hier in twisten steekt tusschen poorters en vreemdelingen, zal het er slecht met u uitzien.”
”’t Is die schoelje, die oorzaak van alles is,” bromde Walger, op Feiko wijzende.
“Is het de wil van den Graaf,” vroeg Adeelen, die opgestaan was en hijgende op zijn zwaard stond te leunen, “dat men Frieslands afgevaardigden en hunnen dienaars smaadheden aandoe?”
“Wanneer Frieslands afgevaardigden rebellie plegen,” balkte Claes Gerritsz, “dient art. 16 van het Privil....”
”’t Is geen schrale marktschrijver die het in allen gevalle ten uitvoer moet leggen,” zeide Reinout, den voorvechter der Privileges in de rede vallende.
“Neen heer Ridder!” riep de Onderschout, die, met een gelaat zoo rood als een kalkoensche haan, zweetende en blazende kwam aangeloopen: “maar wanneer mijne dienaars ’s Graven vrede opleggen, behoort die te worden in acht genomen: en het is mijn plicht hier alle twistzoekers in bewaring te nemen.”
“Neem dan den aap van den kokeler in bewaring,” zeide Feiko, “want die is de oorzaak van al de opschudding.”
“Geloof hem niet,” riep de hansworst, die gedurende het vechten niet van zijn stellage geweken was: “hij is een valsche munter en draagt de tasch vol ongangbaar koper.”
”’t Is goede Ezekermunt,” zeide Feiko, zijn geld toonende, “die elke schipper mij zal inwisselen.”
“Al genoeg!” riep de Onderschout, aan wien Claes Gerritsz een waarachtig verhaal van het voorgevallene had pogen te geven: “de beide Friezen moeten naar de gijzeling, tenware zij borg stellen van op den eerstkomenden rechtsdag te zullen verschijnen.”
“Ik lach met uw rechtsdag en rechtsgebied,” zeide Adeelen: “mijn persoon is heilig en onschendbaar: en wat dezen knaap betreft, alle beleediging hem aangedaan, beschouw ik als tegen mij gericht.”
De twee Ridders hadden zich inmiddels te zamen beraden.
“Heer Onderschout!” zeide eindelijk Deodaat, den ambtenaar ter zijde trekkende, “ik mag u in dezen niets voorschrijven: maar een goeden raad wil ik u geven: bezin eer gij begint. Gij weet welk belang er de Graaf in stelt, de gemoederen in Friesland te winnen. Eene onvoorzichtigheid zoude aanleiding tot nieuwe onlusten en oorlogen kunnen geven.”
“Met dat al....” hernam de Onderschout.
“En u de ongenade des Graven op den hals halen,” vervolgde Deodaat, gevoelende dat deze beweeggrond nog krachtiger zoude werken dan de vorige.
“Dat alles is waar,” hervatte de Onderschout: “maar daar is bloed van onze poorters gestort: daar is schipper Harmen Harmsz., die zijn neus kwijt is, en de bakker aan de Nieuwsteeg, die een houw in ’t been heeft, en anderen meer, die builen en blutsen hebben. Moet onze burgerij zich door vreemdelingen straffeloos laten mishandelen?”
“Schaam u, heer Onderschout!” zeide Deodaat: “zij waren honderd tegen één!”
“Kort en goed,” viel Reinout in: “gij zult uw gijzeling gerust kunnen gesloten houden; want ik joeg u liever allen in ’t Sparen, eer ik het minste leed aan deze wakkere kerels gebeuren zag.”
“Welaan,” zeide de Onderschout, de schouders ophalende: “indien deze edelman en zijn dienaar zich verbinden willen, ’s Graven vrede met de burgerij van Haarlem te houden en den meester te betalen, die de gewonden zal helpen, dan zullen wij de zaak niet verder drijven.”
“Wat meester!” bulkte de hansworst er tusschen in: “komt bij meester Barbanera, die zal u van alle ondergane kwetsuren genezen, binnen den tijd van drie dagen: neemt den echten Sineeschen balsem, die alle wonden heelt: voor den prijs van drie groot hebt gij een potje.”
“Het is veeleer dat gespuis,” zeide Adeelen, “hetwelk zich verbinden moest, geen hoon meer aan te doen aan Frieslands afgevaardigden of hun dienaars; doch wie zoude zich hunne beloften bekreunen? Ik zal hier geen twist beginnen, tenzij mijn eer gekrenkt worde: en wat uw gewonden betreft, laten zij zich doen genezen.”—Onder het uitspreken dezer woorden nam hij een handvol geld uit de tasch en wierp het den Onderschout voor de voeten.
“Wat u betreft,” vervolgde hij, zich tot de Ridders wendende, “grooten dank voor uw tijdige hulp, zonder welke Seerp Van Adeelen Friesland nooit had kunnen teruggezien. Zijt echter zoo goed uw Graaf te zeggen, dat hij zijn onderzaten in toom houde; want een tweede beleediging zoude op een wijze gewroken worden, die hem rouwen mocht.”
“Ik ben niet gewoon dergelijke boodschappen aan uwen en mijnen Heer over te brengen,” antwoordde Deodaat eenigszins geraakt.
“Onze Heer weet beleedigingen te voorkomen,” voegde Reinout er bij: “doch hij weet die ook te wreken, op wie dan ook.”
“Onze Heer!” mompelde Adeelen met bitterheid: “ellendig dienstvolk!”—en zonder verdere groete verwijderde hij zich met Feiko en Sytsken.
“Die onbeschaamde!” riep Reinout uit: “een woord meer en mijn degen had hem geleerd de lompe tong te snoeren.”
“Indien een ezel tegen u balkt, zult gij hem dan het hoofd afslaan?” vroeg Deodaat: “een verachtelijk zwijgen is al wat die ongelikte beren waardig zijn.—Dan wij hebben hier tijds genoeg doorgebracht! Voortgereden! anders komen wij te laat voor het maal.”
De beide Ridders deden hunne rossen de sporen voelen en waren spoedig met hun gevolg door een stofwolk aan elks oog onttogen.
”’t Is de goede tijd niet meer,” zeide Claes Gerritsz, het hoofd schuddende: “het schijnt wel, dat de ingezetenen niets meer hebben in te brengen.”
”’t Is zeker wat erg,” merkte Walger aan, terwijl hij met een frissche teug uit het lederen fleschje, dat aan zijn bandelier hing, zijne door het gevecht verloren krachten poogde te herstellen, “’t is zeker erg dat twee Friezen hier onze landslui komen doodslaan en door twee Italianen aan de straf onttrokken worden. Blieft gij ook gediend?”
“Is ’t een wonder,” zeide de Marktschrijver, na gebruik gemaakt te hebben van Walgers aanbod, “dat men aan vreemdelingen de voorkeur geeft? Dat zoude onder Koning Willem niet gebeurd zijn, die ons het Privilege gaf, noch onder zijn Zoon Floris, wiens ziel bij God is: maar dat waren ook echte Hollanders: en onze tegenwoordige Graaf is zelf een vreemdeling.”
“Stil!” zeide de Onderschout: “het past niet zulke dingen aan te merken in ’t bijzijn van ’s Graven ambtenaar.”
“Ik zeg niets kwaads,” hernam Claes Gerritsz: “de Graaf is een wijs en dapper man, maar dat hij dien sleep van bloedzuigers uit vreemde landen heeft met zich gebracht, dat moge hij voor God verantwoorden.”
Het wijze mannetje voegde hier nog veel bij, doch wij zullen hem voor het tegenwoordige aan zijn aanmerkingen laten, en trachten onze ruiters in te halen, die nog altijd in vollen draf op weg zijn naar ’s Graven jachtslot, de Vogelesang genaamd, een groot uur gaans ten Zuiden van Haarlem gelegen. Waarschijnlijk zullen sommigen onzer lezers nog meer dan Claes Gerritsz verwonderd zijn geweest, twee Italianen te Haarlem en in het gevolg van den Hollandschen Graaf aan te treffen, en deswege eenige opheldering verlangen, welke wij ook gaarne te dezer plaatse geven, daar wij niet tot diegenen behooren, welke, in verhalen van een aard als dit, den lezer gedurende het gansche werk in een pijnlijke onzekerheid laten, ook omtrent die punten, welker verstand noodzakelijk is om den draad van het geheel niet ieder oogenblik te verliezen, en die alle opheldering, ook de meest noodige, tot de laatste bladzijde verschuiven.
Aan hen, die de geschiedenis des Vaderlands beoefend hebben, zal het gewis niet onbekend wezen, dat Jan van Beaumont, ’s Graven oom en een der volmaakste Ridders van zijn tijd, door godsdienstijver gedreven, in den jare 1331 een veldtocht tegen de Saracenen in Spanje deed, alwaar hem vele Hollandsche en Henegouwsche Ridders gevolgd waren. De roem van dapperheid en beleid, welke hem vooruit was gegaan, had ook bij edellieden van vreemde landen den lust opgewekt om zich onder zulk een waardig krijgshoofd in de wapenkunst bekwaam te maken, en lauweren te verwerven, of wel om een reeds verkregen roem te handhaven. Onder deze laatsten onderscheidde zich een edelman uit Opper-Italië, Carlo della Scala geheeten. Twee knapen, der kindsheid nauw ontwassen, waren met hem gekomen, en onder de namen van Rinaldo (of Reinout) en Deodaat van Verona aan Beaumont voorgesteld geworden. Hoe jong nog, reeds vroeg gaven zij blijken van dapperheid, en verworven zich de vriendschap van den Henegouwer. In een der aan de Saracenen geleverde gevechten bekwam Carlo della Scala een doodelijke wonde. Zijn einde voelende naderen, riep hij Beaumont en de beide jongelingen aan het ziekbed, waarop hij lag uitgestrekt, en deelde hun de volgende omstandigheden mede.
Te Verona uit een der aanzienlijkste geslachten geboren, had Carlo della Scala zijn jongelingsjaren door al die genoegens en voorrechten zien opgeluisterd, welke rijkdom en aanzien kunnen verschaffen. Een enkele zaak ontbrak aan zijn geluk, of liever belette hem, een waar geluk te smaken; het was het bezit eener gade, zijner waardig. Vurig beminde hij de schoone Bianca di Salerno; doch hopeloos was zijn liefde: daar niet slechts de vader der Veroneesche schoone zijn aanzoeken had afgeslagen; maar ook zij zelve hem menigmalen betuigd had, dat hij zich met haar vriendschap en achting tevreden moest stellen, daar zij hem nimmer wedermin kon schenken. Troosteloos over haar herhaalde weigering, verliet hij zijn vaderstad om in den krijg zijn liefde te vergeten. Toen hij na drie jaren terugkwam, vond hij den staat van zaken veranderd. Bianca was door den dwang haars vaders de echtgenoote van Carlo’s bloedverwant, Francesco della Scala, en die Francesco de dwingeland zijner geboortestad geworden. Onwillig, om de snoode inzichten en bedoelingen van dezen booswicht door zijn tegenwoordigheid te schragen, of zich in diens paleis te vertoonen, en aldaar het voorwerp zijner liefde onder de heerschappij eens anderen terug te vinden, verkocht Carlo zijn bezittingen in Verona en zette zich in Pisa neder. Slechts weinige maanden had hij in zijn nieuwe woonplaats doorgebracht, toen hem op een morgen twee kinderen van ongeveer twee jaren gebracht werden, welke de hovenier aan den ingang van den hof in een korfje had vinden liggen. Een brief werd bij hen gevonden, waarbij Carlo gebeden werd, in naam van de Moeder Gods en van alle Heiligen, het hem toevertrouwde kind, dat uit Verona en van adellijken huize was, tot zich te nemen, en als het zijne op te brengen.
Het is niet te verwonderen, dat Carlo vreemd opzag, vooreerst om het zonderlinge geschenk, ten tweede omdat er in den brief slechts van één kind melding gemaakt werd, terwijl hij er twee uit het korfje zag kruipen, die bitter schreiden en om hun moeder riepen. Ook kon hij niet begrijpen, aan wien hij een zoo vreemde gift, of wel een zoo groot bewijs van vertrouwen verschuldigd was. Dit merkte hij op, dat de knaapjes waarschijnlijk geen broeders waren: want het eene was blond als een zoon van het Noorden, en het andere had de donkere kleur der Italianen.
Zijn medelijden met de onschuldige, hulpbehoevende wezens en de gedachte, dat wellicht de ouders dier kinderen als slachtoffers der dwingelandij van Francesco gevallen waren en hunne kinderen daaraan hadden wenschen te onttrekken, zegevierden eindelijk over alle bedenkingen: hij besloot aan het in hem gestelde vertrouwen te beantwoorden en de beide knaapjes als de zijne op te voeden. Zij toonden zich de zorg aan hen besteed niet onwaardig. Carlo della Scala hechtte zich gedurig meer aan zijn voedsterlingen, en nam hen, zooras zij in staat waren een zwaard te voeren, als schildknapen met zich naar Spanje, gelijk wij hierboven verhaald hebben.
De edele man overleed na het afleggen dezer verklaring, zijn paarden, krijgstuig en al hetgeen hij verder aan goud en kostbaarheden had met zich gevoerd, aan zijn pleegkinderen nalatende, die zich nu aan Beaumont hechtten, en hem na het einde van den veldtocht naar Henegouwen volgden. Sedert deelden zij in al de krijgsbedrijven, door hem of door zijn neef Grave Willem verricht, volgden dezen laatste op zijn reis naar Palestina, en streden in Pruisen aan zijne zijde. Het was daar, dat Willem, reeds lang door de verdiensten der beide jongelingen getroffen, hen op het slagveld tot Ridders sloeg, ondanks het morrend misnoegen van sommige edellieden, die met leede oogen zagen, dat twee gelukzoekers, die geen bewijs van adeldom, zelfs niet van een vrije geboorte konden aantoonen, een voorrecht genoten, alleen voor den adel weggelegd, en in vele opzichten aan afstammelingen der oude Duitsche geslachten werden voorgetrokken.
Al wie echter billijk dacht, moest de gunst rechtvaardigen, door den Graaf aan de beide jongelingen bewezen. Men zag den mangel aan een erkende afkomst over het hoofd, wanneer men de stoute feiten, door hen bedreven, en de krijgskundige bekwaamheden, die zij bezaten, in aanmerking nam. Bovendien had elk van beiden zijn bijzondere bekwaamheden, waardoor hij zich onderscheiding verwierf, en ontzag of vriendschap inboezemde. Beiden waren schoon en welgemaakt, uitmuntende in alle soorten van spelen en lichaamsoefeningen, en bij het schoone geslacht, dat den palm meestal rechtvaardiglijk uitreikt, welgezien. Rinaldo, of Reinout, gelijk men hem in Holland noemde, had een wel niet rijzige, maar toch in allen deele fraai gevormde gestalte. Ravenzwart haar krulde hem met bevalligheid om de slapen: zijn gelaatstrekken waren fijn en regelmatig, en, schoon van nature bleek en door de zuiderzon en de vermoeienissen des oorlogs met een gele tint overdekt, hoogst bevallig en innemend. Geest en scherpzinnigheid straalden uit zijn gitzwarte oogen, wier levendigheid waarde gaf aan alles wat hij zeide. Wat zijn zielshoedanigheden betrof, hij was onverschrokken, ondernemend en vroolijk van aard; maar tevens wispelturig, oploopend en heerschzuchtig. Aan degenen, die hem onbescheidene vragen of aanmerkingen betreffende zijn geboorte deden, had hij zulks meer dan eens en wel zoo gevoelig doen bekoopen, dat aan anderen de lust vergaan was, hem daarover te onderhouden. Ofschoon hij de min goede zijde van zijn inborst slechts zelden vertoonde, en wanneer het pas gaf met het vernis der hoffelijkheid wist te bedekken, was hij over ’t algemeen meer ontzien en gevreesd, dan bemind.
Anders was het gelegen met Deodaat, wiens goedhartigheid en welwillende aard door ieder erkend werden, en hem de genegenheid van het gansche hof verworven hadden. Wel was hij niet van fierheid ontbloot; doch die hooghartigheid zelve weerhield hem van zich zulke zinspelingen op zijn afkomst aan te trekken, waarop Reinout vlam zoude gevat hebben. Hij begreep te recht, dat driftige woorden en een uitgetogen zwaard wel ontzag konden baren, doch niet genoegzaam waren om een adellijke geboorte te bewijzen, en vermeed derhalve zorgvuldig alle gesprekken, welke tot dusdanige twisten aanleiding geven mochten. Werd de onbescheidenheid echter te grof, dan wist hij die te straffen, zoowel als zijn vriend; maar slechts zelden bevond hij zich in de noodzakelijkheid om tot zoodanige uitersten te komen, daar de meesten hem genegen waren en schroomden, een algemeen beminden Ridder en wel ’s Graven lieveling te beleedigen.
Gewoonlijk opgeruimd en kalm, werden zijn ronde en frissche gelaatstrekken slechts zelden aangedaan door kommer of verdriet. Er waren korte stonden van zwaarmoedigheid, waarin een pijnlijke gedachte aan den geheimzinnigen sluier, die zijn geboorte overdekte, soms toevallig bij hem opgewekt, zijn heldere blauwe oogen met een nevel van droefgeestigheid overdekte, die echter werd opgehelderd, wanneer hij nadacht, dat hij zich in een schooneren maatschappelijken toestand bevond dan hij immer had kunnen hopen of verwachten, en dat hij dien aan zich zelven te danken had.
Gelijk in jaren en omstandigheden en noodlot, wapenbroeders sedert hun prilste jeugd, en op al hun tochten nimmer vaneengescheiden, waren Reinout en Deodaat door de nauwste vriendschapsbanden aan elkander verbonden, ja was het vaak of ééne ziel hun beider lichamen bewoonde. Nooit had de een ééne gedachte voor den ander verborgen gehouden: geen wensch werd door den eenen gekoesterd, geen plan gevormd, waarvan de ander geen kennis droeg, en waren zij eenige dagen vaneengescheiden, dan scheen het elk hunner toe of hij een zijner zintuigen miste. Men moet hier echter geenszins uit opmaken, dat er altijd een volkomen overeenstemming tusschen hun neigingen en begeerten heerschen bleef: integendeel liepen die somtijds uiteen, en gaven aanleiding tot geschillen, waarbij echter de bedenkingen en tegenwerpingen, welke over en weder gemaakt werden, veel hadden van die, welke iemand zich zelven doet, wanneer hij een besluit moet nemen en het voor en tegen in zijn geest overweegt.
Gelijk wij gezegd hebben, de beide Ridders hadden op een snellen draf den weg naar de Vogelesang genomen; weldra bevonden zij zich op een hoek, waar de weg zich in tweeën verdeelde, nabij de plaats, waar, veertig jaren vroeger, de Vlamingen door Witte van Haemstede aan ’t hoofd der Haarlemmer poorters verdreven waren geweest.
Het was nu ongeveer één uur na den middag en de zon was brandend heet. “Wij komen nog tijdig genoeg,” zeide Deodaat; “zouden wij niet wat zachter rijden?”
”’t Is mij wel,” antwoordde Reinout, en zijn paard doende stappen, liet hij de teugels varen en kruiste de armen voor de borst.
“Waaraan denkt gij, dat gij zoo stipt voor u kijkt als een slang op een vogeltje?” vroeg Deodaat in ’t Italiaansch, welke taal zij gewoonlijk te zamen spraken, wanneer zij zich alleen bevonden, of ook wanneer zij door hun knechten verzeld waren, en door dezen niet verlangden verstaan te worden.
“Ik denk aan dien verwaanden Fries,” antwoordde Reinout: “het spijt mij slechts, dat ik hem mijn handschoen niet in ’t gezicht heb gesmeten.”
“Waant gij, dat ik er minder trek toe gevoelde dan gij? Maar wij mochten de belangen van onzen Graaf, die noodzakelijk gevaar loopen bij de minste beleediging, welke dien Friezen wordt aangedaan, niet in de waagschaal stellen.”
“Alles zeer waar: en ik ben niet geneigd tweespalt te verwekken tusschen den Graaf en zijn gehoorzame Friesche onderzaten; maar ik denk de beleefdheid zoover niet uit te strekken om mij straffeloos onbeleefdheden te laten zeggen: en om des lieven vredes wille hoop ik, dat ik vooreerst geen van hen ontmoeten zal.”
“Wat mij betreft,” hernam Deodaat: “ik help het u wenschen. Mits het buiten ons toedoen geschiede, zoude een kleine oorlog met Friesland mij niet mishagen, al ware het slechts om het land eens te zien. Ik ben nooit aan gene zijde van de Zuiderzee geweest.”
“Een fijn vermaak! Wij zouden er veel aan hebben om ons met die lompe boeren te meten, bij wie geen eer noch profijt te halen is. Ik trok even gaarne nogmaals tegen de Lithauwer heidenen te velde.”
“Stel Friesland zoo laag niet: er is buit genoeg te halen. Stavoren moet oudtijds een vrij rijkere stad dan Dordrecht of Haarlem zijn geweest.”
“Geweest is leelijk,” merkte Reinout lachende aan.
“En er is oude adel in Friesland, dapper genoeg om den overwinnaar eer aan te doen.”
“Ik twijfel er niet aan: die Friezen brengen immers hun stamregisters tot aan Alexander den Grooten.”
“En bovendien de schoonste meisjes, welke op de aarde te vinden zijn,” vervolgde Deodaat.
“Zoo hoor ik;—doch al die logge, roodwangige, blauwoogige Noordsche vrouwen doen mij om water-en-melk en zoete koek denken, twee zaken, waar ik een onoverwinnelijken afkeer van heb.”
“Met uw verlof! die kleine deerne, welke ons hulp kwam vragen, deed op mij een geheel andere uitwerking.”
“Inderdaad, zij was niet onaardig.... Zoude zij ook tot het gevolg der afgevaardigden behooren? Zij zijn drie in getale, hoor ik: een zekere Heer van Aylva1, die, zoo men zegt, een stedelijk ambt bekleedt in de stad Leeuwarden.... een fraaie zaak voor een edelman!—dan, die snoever, welken wij uit de handen van ’t gepeupel verlost hebben, en de Abt van Sint-Odulf. Wie van drieën zoude het recht van patronaat over dit meisje uitoefenen?”
“Ik denk geen van drieën, en zou eer gelooven, dat die kloeke gast, die haar in ’t heengaan onder den arm nam, haar onder zijn bijzondere bescherming heeft. Vraag het intusschen eens aan Seerp Van Adeelen, en gij zult zien welk antwoord hij u geven zal, indien hij zich slechts niet te verre boven u verheven acht om u te antwoorden; want hij beschouwt zich, geloof ik, van hooger adel dan onzen Graaf. Hij waant, naar ik hoor, uit dezen of genen ouden Frieschen Koning gesproten te zijn, wiens naam buiten Flie en Lauwers even onverstaanbaar als onbekend is.”
“Een fraai edelman, die met dorpers en boeren gaat bakkeleien!—doch van adel gesproken, de pelgrim, die zich belast had met te Verona onderzoek te doen naar onze geboorte, blijft lang uit.”
“Wat mij betreft,” zeide Deodaat, “ik wensch van harte dat hij nimmer terugkome.”
“Hoe kunt gij zoo onverschillig zijn omtrent een punt, dat ons zoo na aan ’t hart moest liggen.”
“Onverschillig!—Gij weet het, Reinout! dat zulks bij mij het geval niet is. Neen! ik zou onze Lieve Vrouwe met vurigheid danken, indien ik ten gevolge onzer nasporingen het geluk mocht bereiken van een liefhebbenden vader of een teedere moeder terug te vinden; maar gij weet het, ik blijf altijd schrikken tegen het denkbeeld, dat de ontdekking onzer afkomst misschien verwijdering tusschen ons zou kunnen baren. Denk eens na, Reinout! indien het eens uitkwame, dat een van ons de afstammeling van een aanzienlijk geslacht en de ander de zoon van een boerenkinkel ware; zou dan adellijke Ridder zich de vriendschap van zijn wapenbroeder niet schamen?—Zou deze zich even vertrouwelijk en vrij jegens zijn meer verheven vriend gedragen kunnen?—Zou er geen jaloezie in zijn hart ontstaan, wanneer hij zijn voormaligen wapenbroeder door elk geëerd en gevleid, en zich zelf versmaad en veracht zag?—Neen, duizendmaal liever blijf ik in mijn onwetendheid, dan dat ik het gevaar loope van een vriend te missen.”
“Gij hebt gelijk, duizendmaal gelijk,” zeide Reinout, “ofschoon ik niet geloof, dat iets ooit in staat zou wezen onze vriendschap te doen verflauwen;—maar met dat al: ik moet uit dien pijnlijken staat van onzekerheid, die mij ondraaglijk is, verlost worden, wat het ook koste. Wat mijn ouders betreft, die verlang ik niet terug te vinden: daar zij onnatuurlijk genoeg waren, mij te verstooten, hebben zij alle aanspraak op mijn liefde verbeurd; maar ik wil weten wat ik ben: ik wil niet langer blootstaan aan de aanmerkingen dier trotsche hovelingen: zoo ik, gelijk mijn hart het mij voorspelt, uit een aanzienlijk huis geboren ben, dan wil ik hun toonen dat ik met hen op ééne lijn kan staan.”
“En zoo niet?” vroeg Deodaat.
“Zoo niet?—Welnu, dan verlaat ik dit hof en ga elders fortuin zoeken;.... doch het is onmogelijk!—Ware intusschen die pelgrim maar terug! Ik had hem de boodschap niet moeten opdragen, en hem althans dien brief niet moeten vertrouwen, die bijna het eenige bewijsstuk is onzer geboorte. Hij had een fielten-gezicht en heeft ons zeker misleid.”
“Waarom altijd de menschen gewantrouwd? Laat ons eens narekenen. Wanneer is hij van hier vertrokken?”
“In October of daaromtrent.”
“De wegen zijn vrij. Hij kon in December te Verona wezen.”
“Indien hij niet eerst naar Rome en Loretto gegaan is, gelijk ik vermoede.”
“Dan kan hij moeilijk voor Maart in de hofplaats van Can Francesco2 zijn aangekomen; en daar hij lang heeft kunnen rondzoeken, is er niets vreemds aan, dat wij nog geen tijding ontvangen hebben.—Zijn wij zelven, toen wij met den Graaf te Venetië waren, niet naar Verona gereisd, om op te sporen welke kennissen Carlo della Scala daar had gehad, die in staat waren hem een geschenk van twee kinderen te doen? en is onze tocht niet vruchteloos afgeloopen?”
“Een fraaie tocht voorwaar! Twee dagen zijn wij er stil geweest, en toen moesten wij weer vertrekken, omdat de Graaf zijn vertrek naar Cyprus niet uit kon stellen.”
“Wij zouden langer tijd gehad hebben,” zeide Deodaat, “indien gij niet ontijdig twist gezocht hadt met een wapensmid, omdat hij ons voor studenten van Padua aanzag: waarlijk! een fraaie reden.”
“Hoe dit zij, wij hadden den tijd niet om behoorlijke navorschingen te doen;—en wij moesten ons schuil houden voor Can Francesco, die ons als verspieders wilde doen vatten;—maar mij dunkt, dat, wanneer de pelgrim overal rondbazuint, dat de knapen, die bij Carlo della Scala zijn opgebracht, zich thans in hoog aanzien aan het hof des Graven van Holland bevinden, er zich wel iemand zal opdoen, die zich hunner aantrekt.”
Deodaat haalde de schouders op en zweeg: en daar zij zich op dat oogenblik in ’t gezicht van ’s Graven jachtslot bevonden, liep hier hun onderhoud ten einde.
1 Spreek uit: Alua.
2 Can (hond) Francesco della Scala was een dier machtige Hertogen van Verona, wier schepter zich eens uitstrekte tot verre over de grenspalen naar Brescia, Padua, Frioul en tot aan Triëst. Zijne prachtige graftombe is nog in de kerk di S. Maria antica te Verona aanwezig, met het navolgende grafschrift prijkende:
Si canis hic grandis ingentia facta peregit,
Marchia testis adest, quam saevo marte subegit.
Vierde Hoofdstuk.
Inhoudsopgave
Neen neen, Achilles’ ziel kan zulk een hoon niet lijden
En trachten naar geen wraak.
Huydecoper. Achilles.
Nadat Seerp Van Adeelen, van Feiko en Sytsken vergezeld, het tooneel des gevechts verlaten had, trad hij eerst met een bedaarden en langzamen, vervolgens, zoodra hij uit ieders gezicht geweken was, met een meer snellen en verhaasten stap, de lanen en kronkelpaden van het bosch door, totdat hij buiten den Hout gekomen was en op een weide kwam, welke hij dwars overstak en recht op een gebouw afging, hetwelk zich aan de overzijde aan zijn gezicht voordeed, en waar hij door een zijdeurtje, dat door middel eener plank met het weiland gemeenschap had, werd binnengelaten.
Het huis, waarin hij ontvangen werd, beval zich meer door zijn uitgestrektheid en ligging aan, dan wel door eenige fraaiheid van bouworde of sieraden. De voorkant, op den grooten landweg uitziende, van breede steenen te zamen gesteld en onregelmatig opgetrokken, droeg duidelijke blijken van trapsgewijze vergrooting: ’t geen vooral daaruit te zien was, dat de poort of hoofdingang, die van zwaar ijzer was saamgesteld en met ettelijke gewelfde bogen omgeven, zich niet meer, gelijk te voren, in het juiste midden, maar op een derde van den voorgevel bevond. Deze geheele zijde was zonder eenig raam of uitzicht, behalve alleen een vierkant gat naast de poort, hetwelk echter met een verroest traliewerk voorzien was. Boven de deur ontdekte men een nis, welke vroeger met het beeld eens heiligen geprijkt scheen te hebben, en naast de deur was een zitbank tegen den muur gemetseld, bestemd om den vermoeiden voorbijganger, of hem, die aan de poort vertoefde, de gelegenheid te verschaffen om een oogenblik uit te rusten. Aan den linkervleugel van het gebouw paalde een vrij hooge muur, dicht met klimop bewassen, die zich, langs den heirweg, tot op eenige roeden afstand verlengde, en vervolgens, een hoek makende, zich weder aan den achtergevel aansloot en een hof omvatte, gelijk te zien was aan ettelijke hoog opgegroeide vruchtboomen, wier takken, met welig groen en schitterende bloesems voorzien, over den muur afhingen. Aan den kant van het weiland, was de eerste verdieping mede geheel blind, doch de tweede met een aantal kleine venstertjes voorzien, die door deels verroest, deels half vergaan traliewerk gesloten waren. Een zwaarmoedig, hier en daar ingevallen dak van blauwe, grootendeels afgewaaide of gebroken tegels, bedekte het gebouw. Slechts hij, die het op eenigen afstand van over de weide beschouwde, zag een hooger gewelf, in den smaak eener kerk opgetrokken, uit het midden oprijzen.
Dit gebouw, of liever deze gebouwen hadden, gelijk men bij de meest oppervlakkige beschouwing bespeuren kon, in vroeger tijd tot een klooster gediend. Het waren de Sint-Jans heeren, die alhier hunne woning of Commanderij gehad hadden, doch in 1312 waren overgeplaatst naar een nieuw gebouw binnen de stad Haarlem, hetwelk rijkelijk door Graaf Willem den Goeden begiftigd werd en talrijke voorrechten van hem ontving, waarvan geen der minste was, dat aan den Commandeur der orde de bediening van Ontvanger der Graaflijkheid was opgedragen. Ter vergoeding hiervan moest ook de Commanderij altijd voor den Graaf en zijn hofgezin openstaan, en verstrekte hem bij zijne komst in Haarlem ter gewone huisvesting. Het voormalige klooster aan het einde van den Hout had, sedert de Sint-Jans heeren hunne nieuwe woning betrokken, ledig gestaan, en men was reeds dikwijls van meening geweest, het voor afbraak te verkoopen, welk voornemen echter door ontstane hindernissen geen voortgang had gehad. Toen zich nu, bij gelegenheid van het feest te Haarlem, talrijke scharen van vreemdelingen derwaarts begaven, en er, gelijk wij boven gezien hebben, geene genoegzame huisvesting voor allen was, hadden de Sint-Jans heeren begrepen, ook van dit gebouw partij te kunnen trekken. Zij durfden dit echter niet doen zonder voorkennis van hun hoogen beschermheer; maar deze, toen hem dat verzoek werd voorgedragen, nam terstond het besluit om dit gebouw ter bereiking van zijn eigen oogmerken te doen strekken.
Hij was namelijk omtrent dezen tijd niet weinig bezorgd over den staat der gemoederen in Friesland. Dit gewest, hoewel het vaak voor de wapenen der Hollandsche Graven had moeten zwichten, was nooit geheel ten onder gebracht, en haastte zich steeds elke gelegenheid te baat te nemen, om ook het geringe juk, hetwelk op zijn schouders gelegd werd, weder af te schudden. Niettegenstaande het innerlijk verdeeld was door de in de geschiedenis zoo befaamde partijen van Schieringers en Vetkoopers, op wier bloedige twisten wij in den loop van ons verhaal soms terug zullen moeten komen, niettegenstaande zoowel de Graven van Holland en Gelderland, als de Bisschop van Utrecht vaak van die verdeeldheid zochten partij te trekken, om hunne wapenen op Frieschen bodem te brengen, was de zucht naar vrijheid en onafhankelijkheid den Friezen zoodanig ingeschapen, dat zij, bij den geringsten aanval van buiten, hun onderlinge veeten aan een zijde stelden en zich ter afwering des vijands vereenigden.
Met dat al hadden het landschap Westergoo, althans een gedeelte daarvan, en de stad Stavoren, afgemat door langdurige vijandelijkheden, zich aan graaf Willem den Goeden onderworpen, gelijk uit een verdragbrief van 4 Juli 1320 kan blijken; behalve uit nog een stuk van denzelfden tijd, mogelijk een aanhangsel tot dat verdrag, waarin bepaald wordt, op wat wijze de Graven van Holland zich hadden te gedragen, wanneer zij in Friesland kwamen, om aldaar terechtzittingen te houden. Uit dit geschrift blijkt echter dat de onderwerping der Friezen niet onbepaald was, dat zij den Graaf niet anders erkenden dan als een Rechter of Stadhouder van ’s Rijks wege aangesteld, en dat zij alleen den Keizer als hun Opperheer beschouwden: welke afhankelijkheid van den Keizer echter bleek, niet anders dan een voorwendsel te zijn, gelijk aan een schild, waarachter zij schuilden, zoo dikwijls hun onafhankelijkheid door ’s Keizers leenmannen bedreigd werd.
De schijnbare onderwerping was dan ook verre van duurzaam te zijn: het gezag der ambtenaren, in Friesland van ’s Graven wege aangesteld, werd weldra miskend, en zij zelven beleedigd, ja mishandeld: de wijsheid der Friesche regenten, die al het nadeel van een oorlog met hun machtigen nabuur inzagen, had echter een volslagen opstand weten te voorkomen, en den toorn des Graven verzoend; en het was nu een geruimen tijd in Friesland rustig geweest, toen, kort na Willem de Vierdes terugkomst uit Duitschland, een nieuw oproer te Stavoren uitberstte. Het was ter voorkoming eener wraakneming over het gebeurde, dat de Friezen op een te dien einde gehouden Landdag besloten, een gezantschap naar den Graaf te zenden, ten einde de zaak in der minne te schikken, en het bestuur in Friesland op een meer geregelden en vasten voet te brengen, zonder inkorting echter der voorrechten en vrijheden, waarop de Friezen zoo trotsch waren, en welke zij beweerden, van Karel den Grooten te hebben ontvangen. De Graaf, die er veel belang in stelde, om de Friesche aangelegenheden op een vreedzame wijze bij te leggen, begreep, zoodra hij van de voorgenomene bezending kennis bekwam, de afgevaardigden met de meest mogelijke voorkomendheid te moeten behandelen en alle pogingen in ’t werk te stellen, om hen tot het behartigen zijner belangen over te halen. Hij had hen daarom doen uitnoodigen, zich te Haarlem te vervoegen, ten einde aldaar met hem te overleggen, wat er ten nutte van hun gewest te doen stond, en hij vleide zich niet weinig, dat de eer, welke hij voornemens was hun op de te houdene feesten te bewijzen, hun oogen verblinden, en hen tot rekkelijkheid en toegevendheid aansporen zou. Ten einde hen niet vruchteloos naar een herberg te laten zoeken, had hij last gegeven, dat men een geschikt gebouw op zou sporen, om hen gedurende hun verblijf te huisvesten: en zoodra hij het verzoek der Sint Jans heeren vernam, zijn oog doen vallen op het ongebruikte klooster in den Hout. De Ridders merkten den wensch huns beschermers als een bevel aan, en voldeden des te bereidwilliger daaraan, vermits de Graaf op zich nam, het gebouw in staat te stellen gasten te ontvangen en het met de noodige meubelen deed voorzien.
Het was in een lange zaal van dat voormalige klooster, welke vroeger tot refter of eetvertrek der geestelijke Ridders had gestrekt, en van waar men het uitzicht had op den binnenhof en boomgaard, dat drie personen, die allen den middelbaren leeftijd voorbij waren, aan een ronde tafel of schijf, gelijk men ze in dien tijd noemde, waren neergezeten. Het gewaad van twee hunner kondigde den geestelijken stand aan, waartoe zij behoorden; echter bestond het bij den eenen voor dit oogenblik alleen uit een wit linnen kleed; vermits de Abt (want de persoon dien wij bedoelen bezat geen mindere waardigheid), uithoofde der heete luchtsgesteldheid, zich van alle oppergewaden ontdaan had. Alleen de rozenroode halsband, aan wiens einde een gewerkt gouden kruis afhing, gaf zijn rang eenigszins te kennen. Wat zijn persoon betrof, die was geenszins van statelijkheid ontbloot, ofschoon zijn zwaarlijvigheid hem, wanneer hij, zooals nu, niet in pleeggewaad was, wel een eenigszins plomp voorkomen gaf. Zijn gelaatstrekken waren regelmatig, en de vorm van voorhoofd, neus en kin, zoude tot model voor een Griekschen beeldhouwer hebben kunnen verstrekken, zoo zijn hangende wangen en vette hals, beide kenmerken eener bloeiende gezondheid, waaraan de kloosterregels geen nadeel schenen te doen, en zijn groote blauwe oogen, die alle uitdrukking misten, de waardigheid zijns gelaats niet verminderd hadden. Een krans van grijsachtige haren omringde zijn kruin, en de kin was glad geschoren.
Zijn buurman aan tafel, wiens kleeding, schoon in vorm vrij gelijk aan die van Seerp Van Adeelen, hoogst eenvoudig was, had geen uitwendigen tooi noodig, om zich als een edelman te doen kennen. Niettegenstaande de diepe vorens, welke lange en moeizame tochten, maar, meer nog, droeve en hartverscheurende bekommernissen, op zijn gelaat en voorkomen geprent hadden, en het droefgeestige floers, dat zijn oogen benevelde, was echter zulk een majesteit, met zachte welwillendheid getemperd, over al zijn wezenstrekken verspreid, en blonk een zoo ongemeene uitdrukking van scherpzinnigheid op zijn gelaat, dat niemand hem beschouwen kon, zonder met belangstelling en eerbied te worden ingenomen. Al zijn wendingen en manieren waren edel en welgepast: zijn taal was altijd kiesch, ofschoon gepaard met die vrije rondborstigheid, welke bij de meesten zijner landgenooten in boersche plompheid ontaardde: en schoon hij den Frieschen tongval bezigde, kon men aan zijn wijze van zich uit te drukken al ras gewaarworden, dat hij ook andere landen bezocht had, en in hun talen geen vreemdeling was. Zijn buitengewone bekwaamheden hadden hem dan ook sinds lang de achting en het vertrouwen zijner landgenooten doen verwerven; want niet slechts was de Heer van Aylva (dus was zijn naam) geroepen geweest, om de waardigheid van Olderman of eersten ambtenaar in de stad Leeuwarden te bekleeden; maar ook was hij tot lid benoemd van de zending, welke nu Frieslands belangen bij den Graaf kwam behartigen.
De derde persoon was aan het lager einde der tafel geplaatst, niet, gelijk de beide vorigen, in een gemakkelijken leunstoel, maar op een nederig houten schabelletje, en droeg eenvoudig het gewaad der Benedictijners. Zijn magere, door onthouding en studie vervallen en verbleekte gelaatstrekken, duidden schranderheid van geest en vastheid van karakter aan, en zijn daden hadden deze uiterlijke kenteekenen nooit gelogenstraft. Schoon geene waardigheid in de Sint-Odulfsche hiërarchie bekleedende, oefende hij over zijn broeders dat gezag uit, hetwelk de min verhevene zielen onmisbaar onderwerpt aan den invloed van de zoodanigen, die met rijkere vermogens van verstand en geest door het Opperwezen begiftigd zijn:—en geen besluit werd ooit genomen, geene benoeming gedaan, geen brief van eenig aanbelang geschreven, waar broeder Syard niet over geraadpleegd werd. Daar hij zich echter nooit op zijn meerdere bekwaamheid liet voorstaan, en noch eer- noch heerschzucht, maar slechts dienstvaardigheid en ijver voor het belang der orde zijn daden bestuurden, was hij de afgunst en jaloezie zijner broederen ontgaan. De nederige wijze, waarop hij in zijn raadgevingen en hulpbetoon altijd zich zelven op den achtergrond plaatste, en het genomen besluit niet als uit zijn brein gesproten, maar als een gevolg van het algemeene gevoelen der vergadering deed voorkomen, had hem niet slechts de toegenegenheid der broederen, maar ook de gunst van den Abt gewonnen. Deze, vol vertrouwen in zijn eigene kunde en bekwaamheden, en overtuigd, dat een Abt van Sint-Odulf onfeilbaar moest zijn, wist zich zelven altijd op te dringen, dat er nooit een ander besluit werd aangenomen, dan hetgeen hij aan de hand gedaan had, en dat Syard altijd juist den raad gaf, welken hij zelf voornemens was aan te bevelen. Het gevolg hiervan was, dat hij zijn eigen oordeel hoe langer hoe hooger schatte, terwijl hij gewoon was van den monnik te zeggen: “broeder Syard is een vroom en getrouw man, die mijn bedoelingen en inzichten volkomen weet te vatten. Zoo hij wat meer overwicht bij de broeders bezat, zou hij niet ongeschikt zijn, om den ouden broeder Prior te vervangen.”
Het was dan ook geenszins uit gebrek aan zelfvertrouwen, of uit een gevoel van behoefte aan de raadgevingen van broeder Syard, dat de Abt hem met zich genomen had op zijn reis naar Holland: een andere oorzaak had hiertoe aanleiding verschaft.
Reeds sedert een geruimen tijd waren in Friesland de twee partijen ontstaan, van welke ik hierboven heb gewag gemaakt, en welke zich omtrent het jaar 1280, nadat zij lang zonder bepaalde leuzen gewoed hadden, door onderscheidene teekenen, levenswijs, en de benamingen van Schieringer en Vetkooper, van elkander onderscheidden. De Vetkoopers waren, gelijk later de Kabeljauwschen in Holland, de voorstanders der zich langzamerhand ontwikkelende nijverheid, en hun leus werd voornamelijk door de ingezetenen der steden, en door de nieuw opgekomen geslachten gevolgd; terwijl de partij der Schieringers uit den hoogen adel en de aanhangers van het oude bestond.
Dan, het waren niet slechts de edelen en steden, die deel namen in dezen noodlottigen burgertwist: ook de kloosters, die in groot aantal in Friesland bestonden, mengden zich daarin en ontzagen zich niet, somtijds de partij, welke zij aankleefden, gewapenderhand te staven. Zoo bestond er onder anderen een geweldige veete tusschen het klooster van Lidlum en dat van Bloemkamp, welke beide in rijkdom en aanzien wedijverden, en waarvan het eerste de Vetkoopers, het laatste de Schieringers aanhing. Seerp Van Adeelen, wiens goederen aan de abdij van Bloemkamp paalden, had dit gesticht zijn bijstand toegezegd, en Lidlum werd met een vernielingsoorlog bedreigd, toen de Abt van Sint-Odulf aan de twistende partijen zijn bemiddeling in de gerezene geschillen door het orgaan van broeder Syard liet aanbieden, aan welken laatste het werkelijk gelukte, door zijn krachtige vertoogen en de herhaalde gesprekken, welke hij met de beide kloostervoogden en met Adeelen hield, de verzoening tusschen hen te bewerken. De monnik had zich bij die gelegenheid het vertrouwen des onrustigen jongelings verworven, en toen kort daarna deze laatste met den Heer van Aylva en den Abt van Sint-Odulf naar Holland werd afgevaardigd, en deze zijn voornemen te kennen gaf om een der broeders met zich te nemen, om als klerk bij het gezantschap te dienen, was het niet vreemd dat Adeelen hem verzocht zijn keuze te dien einde op broeder Syard te vestigen, hetgeen de Abt gereedelijk toestemde, daarbij tevens aanmerkende, dat broeder Syard wel geen man van hooge vlucht was, maar doorgaans zijne bedoelingen goed begreep en zeer bruikbaar was tot allen zoodanigen arbeid, die ijver en nauwgezetheid vereischte.
Indien er eenig onderhoud tusschen de drie personen, wier aanduiding wij thans gegeven hebben, had plaats gehad, het was, naar het scheen, sedert een geruimen tijd afgebroken. Op het gelaat van den Edelman zoowel als op dat van den Abt was ontevredenheid en bezorgdheid te lezen, uit een gelijke oorzaak gesproten, maar naar het karakter der beide personen verschillend gewijzigd. Het was duidelijk te zien, dat de Heer van Aylva ongerust was over het uitblijven van Seerp, wiens aard hij kende: en de blik, welken hij nu eens naar de deur, en dan weder op den monnik wierp, gaf te kennen, dat hij gaarne gezien zoude hebben, dat deze hun wegblijvenden ambtgenoot eens zou gaan opzoeken. Doch de vrees, dat Adeelen een dusdanige bezorgdheid wellicht ten kwade zou duiden, en opvatten alsof men hem voor een kind aanzag, dat niet op zijn tijd te huis komt, weerhield hem om woorden aan zijn gedachten te geven. Wat den Abt betrof, diens oogen vestigden zich ook menigmalen op de deur, doch meer nog op het tinnen bord, dat voor hem geplaatst was: want het was noen, en de gewone tijd om het middagmaal te gebruiken reeds aangebroken: men wachtte slechts op Adeelen, en de Abt, die in zijn convent niet gewoon was naar iemand te wachten, vond zich hooglijk geraakt en ontevreden, dat er nog met het maal geen aanvang kon gemaakt worden. Maar ook hij weerhield zich lang eer hij zijn gedachten uitte, het onvoegzame beseffende, dat hij, een geestelijke, de eerste zijn zou om te klagen over een vertraging, welke zijn wereldlijke ambtgenoot alsnog met gelatenheid verduurde.
Eindelijk werd de beproeving te sterk voor het geduld des vromen mans: “ik weet niet,” zeide hij, “of de regelmatigheid, aan welke ik in mijn klooster gewend ben, mij heden in de war brengt; maar mij dunkt, onze vriend had reeds te huis moeten zijn. Hij wilde slechts even een wandeling doen door den Hout, om zijn eetlust wat op te wakkeren, die echter geene buitengewone vermoeienissen noodig heeft om goed te zijn: en ziedaar! het is reeds anderhalf uur geleden, dat hij uit is en uitblijft. Het is hem zeker ontschoten, dat de spijze niet deugt, wanneer zij te koud of te gaar is.”
“Wij zouden iemand kunnen uitzenden om hem aan de klok te herinneren,” zeide Aylva: “ik heb Feiko hedenmorgen verlof gegeven, om naar Haarlem te gaan: wellicht heeft hij onzen ambtgenoot ontmoet!”—en een zilveren fluitje, dat om zijn hals hing, aan den mond zettende, blies hij een paar schelle noten.
Een dienaar verscheen.
“Waarom komt Feiko niet, wanneer ik fluit?” vroeg Aylva met eenige ontevredenheid.
“Feiko is hedenmorgen met Sytsken uitgegaan,” was het antwoord: “en geen van beiden is nog terug.”
”’t Is vreemd!” hernam de Olderman: “Feiko is anders niet gewoon, misbruik te maken van mijn goedheid.”
“En is Seerp Van Adeelen ook nog niet terug?” vroeg de Abt haastig: “’t schijnt dat wij vandaag niet zullen eten.”
“Het zou zeker onaangenaam zijn te moeten wachten tot de Jonker van zijn wandeling ware teruggekeerd, maar erger nog ware het, indien wij ons zonder hem naar den Graaf moesten begeven.”
“Erger!” herhaalde de Abt: “ik zie niet, mijn waarde Heer! met welken grond gij dit erger kunt noemen. Het ware gewis te wenschen, indien die woeste knaap, die nimmer gelijk gij of ik in de gelegenheid is geweest met Vorsten en Heeren om te gaan, stil te huis kon gelaten worden en zich nooit behoefde te vertoonen aan dit hof, waar zijn plompheid en woelzucht ons van gedurige schaamte zal doen blozen, zoo zij ons niet in ongeval brengt.”
Vermoeid van dezen langen volzin te hebben uitgesproken, schonk zich de Abt een vollen beker in uit de kan met Rijnwijn, die voor hem stond: en dien aan den mond brengende, lichtte hij hem er niet af dan nadat hij den ganschen inhoud in zijn maag had overgegoten.
”’t Ware toch misschien voorzichtigst,” zeide Aylva, “een paar dienaars uit te zenden, om onzen ambtsbroeder op te sporen: hij kan verdwaald zijn: misschien is hem een ongeluk overkomen.”
“Dienaars uitzenden!” zeide de Abt met een angstig wezen; “wij hebben waarlijk niet te veel knapen in huis: en zoo er hier eens van die rauwe kermisgasten aankwamen om ons arme vreemdelingen te overvallen, waren wij van alle hulp ontbloot.”
Vader Syard rees van zijn zitplaats op.
”’t Is waar,” zeide hij, “dat indien de edele Seerp Van Adeelen in twist geraakt is, het misschien gewaagd zou zijn, dienaars uit te sturen, wier kleedij hen zou doen herkennen en in ’t zelfde leed brengen, zonder dat zij van eenig nut zouden kunnen zijn. Ik bied mij aan, hem te gaan opzoeken. Mijn gewaad zal mij althans overal ter bescherming zijn.”
“Optime! carissime frater,” zeide de Abt: “gij begrijpt mij volkomen: ziedaar juist wat ik u vragen wilde. Tracht eenig naricht in te winnen en breng het verloren schaap, ovem deperditam, weder in de kooi terug. Zeker heeft hij hier of daar weder twist gezocht, gelijk hij zoo dikwijls doet, en waar de monniken van Lidlum van weten te getuigen. Seerp Van Adeelen is ongemakkelijk als hij begint, en hadt gij, broeder Syard, met hem indertijd niet gesproken, gelijk of ik zelf het gedaan had, de zaken waren zoo gemakkelijk niet afgeloopen voor onzen Lidlumschen broeder.”
Nauwelijks had de Abt gedaan met spreken, of de man, die het onderwerp van het gesprek had uitgemaakt, trad met drift de kamer in, smeet de deur achter zich toe en wierp zich zonder een woord te spreken in een armstoel.
“Goede hemel! wat is er gebeurd?” vroeg de Abt, vervaard over zijn uitzicht: “waar hebt gij gezeten? en hoe komt gij aan die geweldige kleur? Gij zult een calmans moeten nemen, waartoe ik kan aanbevelen een gelijkelijk mengsel van salpeter, kreeftsoogen en zout, een middel, waarbij broeder Bonifaas, die wat schrikachtig is, zich bij het laatste oproer zeer wel bevonden heeft.”
Adeelen zweeg; doch toonde door het inzwelgen van een teug wijns, dat hij vooralsnog van het aangeprezen recept geen gebruik dacht te maken.
“In waarheid,” vervolgde de Abt, “zoo ik mij niet bedrieg, uw kleederen zijn bebloed en gescheurd, als waart gij met de Vetkoopers aan den gang geweest.”
“Het verheugt mij u te zien,” zeide Aylva, zijnen ambtgenoot de hand reikende: “ik hoop slechts niet, dat gij u in ongelegenheid hebt bevonden:—hoewel ik vrees dat dit het geval is geweest.”
“Nu geen woord,” riep Adeelen met drift: “aan tafel!—daarna zal ik u alles verhalen:—’t is niet, dat de zaak zelve van belang zij, doch men kan er ten minste uit opmaken, hoe men hier over ons denkt.”
“Ja gewis! aan tafel!” zeide de Abt: “gij zijt lang genoeg uitgebleven om uw honger te scherpen: en den onzen ook, dat beloof ik u.”
Zoodra dit verlangen geüit was, verliet de dienaar, die nog altijd binnengebleven was, het vertrek en keerde spoedig met zijn makkers terug, die het middagmaal aanbrachten.
“Mij dunkt, gij zijt er ook niet zonder kleerscheuren afgekomen,” zeide Aylva met een ontevreden blik tegen Feiko, die zich mede onder de dienaars bevond.
“Ik verzeker UEd.,” zeide Feiko, “dat zonder Jonker Seerp uw trouwe Feiko hier geen schotel zoude binnenbrengen.”
“Ik ben hem dank verschuldigd,” zeide Aylva: “doch hiervan straks nader:—wij moeten het geduld van onzen waardigen Vader Abt niet langer op de proef stellen.”
Het middagmaal werd nu opgedragen, waaraan de monnik en de dienaars, naar het toenmalig gebruik, mede deelnamen, ofschoon aan een bijzondere, langwerpige tafel, terwijl de Afgevaardigden aan de schijf bleven zitten. Een ledige stoel, die zich nog aan deze laatste bevond, werd op last van Aylva weggenomen.
“Hoe!” vroeg Adeelen, zoodra hij dit opmerkte: “krijg ik hedenmiddag mijn gewone buur niet aan tafel?”
“Madzy heeft verkozen, dezen middag haar kamer te houden,” antwoordde Aylva: “zij klaagt over hoofdpijn.”
“Ik hoop, dat die spoedig zal geweken zijn,” zeide de Abt: “maar zou haar in allen gevalle raden eenige druppels vitriool te gebruiken, opgelost in dun bier, welk middel ik last zal geven dat men voor haar bereide.”
“Is ’t mogelijk dat zij ongesteld is?” zeide Adeelen: “na al de bekers, die ik gisteren op haar gezondheid geledigd heb.”
“Ik geloof zelfs dat gij er te veel geledigd hebt,” zeide Aylva, “en dat dit juist de oorzaak is van haar wegblijven. Wie het hart van een vrouw wil winnen,” voegde hij er halfluid bij, “moet beginnen met zich zelven te betoomen: en dat deedt gij gisteren niet.”
“Hoe!” riep Adeelen: “is het nufje verstoord, omdat ik haar een onnoozelen kus heb willen geven naar Friesche wijs, toen de Siward werd opgeroepen.”
“Er werd geen Siward opgeroepen,” zeide de Abt: “ik was het, die Broeder Syard riep en dit hebt gij verkeerd verstaan.”
Ter verklaring van dit gezegde moet ik den lezer het oude gebruik op de Friesche maaltijden herinneren om een opziener, Siward (waarschijnlijk hetzelfde als het Engelsche Stewart) te verkiezen, die zorg moest dragen dat er geene ongeregeldheden geschiedden. Telken reize als de naam Siward gedurende den maaltijd werd opgeroepen, stond het den gasten vrij de naast hen gezeten vrouwen of meisjes te kussen: en Adeelen had den vorigen dag, naar het schijnt, van dit voorrecht, hoewel te onpas, gebruik willen maken.
“Al had ik u verkeerd verstaan,” zeide Adeelen: “dat was geene zaak om daarover alarm te maken, althans daar wij allen meer of min door den wijn verhit waren.”
“Veroorloof mij, u te doen opmerken,” zeide de Abt, “dat noch de edele Olderman, noch ik, noch Broeder Syard eenigszins de grenzen eener betamelijke welvoeglijkheid zijn te buiten gegaan.”
“Broeder Syard!” hernam Adeelen, den monnik van ter zijde aanziende: “ik geloof het waarachtig wel!—de vrome man drinkt nooit iets als water.”
“Broeder Syard handelt wijselijk en wel,” zeide de Abt: “waren alle monniken hem gelijk, mijn vrome broeder de Abt van Lidlum ware niet vermoord geworden door zijn eigen monniken, omdat hij hun het wijndrinken beletten wilde.”
“Voorwaar!” zeide Adeelen, luidkeels lachende: “met uw vriendelijk verlof, dat was ook een gestrengheid, welke niet veel beter verdiende, en welke gij, Heer Abt, wel nooit in ’t werk zult stellen.”
“Een weinig wijns is nuttig,” zeide de Abt: “want wat zegt de apostel: modico vino utere, en ik heb altijd vrede en eensgezindheid onder de kudde van Sint-Odulf weten te bewaren, door den wijn niet geheel te verbieden, doch de onthouding daarvan aan te bevelen: en broeder Syard, die door zijn voorbeeld de matigheid aanprijst, vervult volkomen mijne bedoelingen.”
“Mij dunkt, edele Seerp,” zeide Aylva, na een ruim stilzwijgen, gedurende hetwelk de Abt zich van het langdurig verwijl, en Adeelen van het hem wedervaren ongeval op de voor hen staande spijzen krachtig hadden gewroken, “mij dunkt, hetgeen gij reeds gebruiktet, moet u de verloren krachten eenigszins terug hebben gegeven en u in staat gesteld, onze nieuwsgierigheid te voldoen, door ons een verslag te schenken van uw wedervaren.”
De dienaars rezen op en vertrokken, en vader Syard maakte zich uit bescheidenheid gereed om hun voorbeeld te volgen, toen Adeelen hem verzocht weder te gaan zitten, daar men zijne hulp als klerk van het gezantschap waarschijnlijk behoeven zoude.
Adeelen deed vervolgens zijn verhaal, hetgeen door de aanwezigen met aandacht en belangstelling werd aangehoord. Zoolang het duurde scheen de Abt eenigszins onzeker of hij het gedrag, door den verhaler gehouden, al of niet moest goedkeuren; want ondanks zijn zelfvertrouwen, wanneer hij eenmaal een besluit genomen of een oordeel geveld had, had de goede Abt een bepaalden leiddraad noodig aleer hij zooverre kwam: hij zag dan ook beurtelings den Olderman en vader Syard steelswijze aan: het onverwrikbare gelaat van den monnik gaf hem geene hulp; doch toen op het voorhoofd van Aylva zich eenige rimpels vertoonden, welke ontevredenheid schenen aan te duiden, trok ook de Abt de wenkbrauwen samen en loosde, toen Adeelen zweeg, een diepen zucht. Er was een oogenblik stilte.
“Ik moet erkennen,” zeide eindelijk Aylva, “dat ik aan u verplichting heb voor de edelmoedige wijze, waarop gij mijn dienaar zijt bijgesprongen. Gij hebt u als een waren Fries betoond, zoo niet als iemand, die met een gewichtige zending is belast. Wel is waar, gij hebt een weinig onvoorzichtig gehandeld, door u tegen de overmacht, en, wat meer zegt, tegen de overheid te verzetten, maar wie zou een zoodanige onvoorzichtigheid niet gaarne verschoonen? Bedaardheid en kalm overleg van jeugdig bloed te wachten, ware even ongerijmd als dat men den zoeten smaak van den room in een hoorn vol hoppebier wilde zoeken. Ik ben ook jong geweest en zou waarschijnlijk niet anders hebben gehandeld dan gij.... alleen spijt het mij, dat gij die Ridders, die u ontzet hebben, niet op ons maal genoodigd hebt.”
“Dat zij in Friesland komen!” riep Adeelen uit, met kracht zijn drinkhoorn opvattende: “komen zij als vrienden, Adeelastins1 staat voor hen open: komen zij als vijanden, ik zal hun den trots, die hen bezielt, verleeren.”
“Hoe!” zeide Aylva, hem met verbaasdheid aanziende: “de dienst, dien zij u bewezen, schijnt weinig dankbaarheid bij u te hebben verwekt.”
“Ik haat hen dubbel!” zeide Adeelen, “om dien dienst zelven. Wat kon mij erger overkomen, bij de eeuwige veete, die ik tegen alle Hollanders voede, dan weldaden van hen te genieten?”
“Indien u dusdanige gevoelens bezielen,” zeide Aylva, op een scherpen toon, die hem anders niet eigen was, “dan verwondert het mij, dat gij een zending op u hebt genomen, die geheel van een vredelievenden aard is: althans zoo beschouw ik die en ook, geloof ik, de eerwaarde Vader Volkert.”
“Voorzeker,” zeide de Abt: “onze zending is geheel vredelievend!”
“Het betaamt mij niet, uwe bedoelingen te beoordeelen,” zeide Adeelen: “wat mij betreft, ik weet wat mijn lastgevers van mij verwachten;—maar hoe dit ook zij, ik vertrouw, gij zult nimmer van mij vergen, dat ik het ontzag, aan Afgevaardigden verschuldigd, in mijn persoon zal laten hoonen: en dat een ernstig vertoog, door ons drieën bij den Graaf ingeleverd, mij recht zal verschaffen van de schelmen, die mij zoo onbeschaamd hebben aangerand.”
”’t Is zeker,” merkte vader Volkert aan, “dat onze waardigheid dergelijke onbetamelijkheid niet dulden kan; maar onze zending is vredelievend, gelijk ik gezegd heb: en daar blijf ik bij.”
“Zoudt gij dan begeeren,” vroeg Aylva, zich met eenige bevreemding tot Adeelen wendende, “dat de Graaf om uwentwille die dorpers liet opknoopen? Ware een dergelijke wraak een Edelman als gij zijt niet onwaardig?”
“Gij hebt gelijk,” antwoordde Adeelen: “en ik verlang ook geenszins, dat er om mij te gelieven eenig boer of burger tot spijs der raven verstrekke;—doch het zijn voornamelijk de poorters van Haarlem, die mij beleedigd hebben; en hun stad moet voor hen instaan. Laat een bezending uit de Overheden mij om verschooning komen vragen, en ik zal de zaak als afgedaan beschouwen; doch ontvang ik geen genoegdoening, zoo verklaar ik onze zending afgeloopen, en vertrek morgen weer naar Friesland.”
Niettegenstaande zijn ontevredenheid over den dwazen eisch van Adeelen, kon Aylva den glimlach niet terughouden, welken diens buitensporige taal hem afperste: zijn gelaat nam echter spoedig weder een ernstiger plooi: maar gevoelende, dat hij, door Adeelen tegen te spreken, slechts olie in het vuur zoude gieten, hernam hij op een minzamen toon:
“Ik dacht, gij hadt ons verhaald, dat de zaak door tusschenkomst van ’s Graven edellieden was bijgelegd en dat gij over en weder vrede beloofd hadt.”
“Ik weet wat ik beloofd heb,” zeide Adeelen met trotschheid, “en zal het ook nakomen; maar ik heb niet beloofd, geene genoegdoening te zullen eischen. Gij hebt mij, hoop ik, verstaan, mijne Heeren! en gij ook, Vader Syard! ik zal u verzoeken, een vertoog in den zin als ik het bedoel op het papier te stellen.”
Dit zeggende, keek hij den monnik aan, die hem van zijn kant insgelijks aanstaarde met een strakken blik, die zoowel bevreemding als ongenoegen teekende.
“Hebt gij mij niet begrepen?” hernam Adeelen, bij wien die wijze van aanzien eenigen wrevel verwekte.
“Ik wacht,” antwoordde de monnik, “dat de eerwaarde vader Abt en de Olderman mij mede hun wil doen verstaan.”
“Recht zoo!” zeide vader Volkert: “ziedaar juist wat ik wilde gaan zeggen. Seerp Van Adeelen is niet alléén afgevaardigd, en mij dunkt dat wij, in een zaak van dat gewicht, niet naar zijne pijpen behoeven te dansen, om mij van een wereldsche uitdrukking te bedienen. Wat dunkt er den waardigen Olderman van?”
“Ik heb er niets bij te voegen,” zeide Aylva, “dan alleen dit, dat, zoo Seerp Van Adeelen zich beleedigd acht, niets hem belet, zich bij den Graaf te beklagen, mits hij dit in zijn eigen naam en niet als Afgevaardigde van Friesland doe.”
“En het is op deze wijze,” riep Adeelen uit, terwijl hij de van gramschap vonkelende oogen van den eenen op den anderen liet rondgaan, “dat gij de eer van onzen landaard ophoudt? een landsman, een mede-afgevaardigde laat gij straffeloos hoonen en weigert gij uwe medehulp, wanneer hij vergoeding eischt. Vervloekt zij de dag, toen mijn landsluiden hunne keus op mij lieten vallen! vervloekt het uur, dat ik mij die liet welgevallen! vervloekt de heele zending, waarvan ik mij nooit iets dan rouw voorspeld heb.”
“Bedaar Adeelen!” zeide de Olderman, “en bedenk u tweemalen, eer gij om een bijzondere zaak die van Friesland in de weegschaal stelt. Noch de hoon u aangedaan, noch uwe jonge jaren, zouden u tot verschooning kunnen strekken, indien gij in dit geval meer gehoor gaaft aan uw drift dan aan het belang uwer landslieden.”
“Mijn jonge jaren!” herhaalde Adeelen: “zoo spreekt men altijd!—Men is altijd te jong of te oud. Ik heb toch de drie kruisen achter den rug en ben toch geen kind meer, al hebt gijlieden wat langer in de wereld rondgetuimeld. En gij moest niet vergeten, dat de stem mijner landgenooten mij gelijke rechten heeft toegekend als aan u: en dat, wanneer ik spreek, ik het in hunnen naam doe.”
“En gelooft gij dan,” zeide Aylva, terwijl zijn oogen getuigden van de edele verontwaardiging, die hem bezielde: “gelooft gij, dat ik minder dan gij ons Vaderland en onze eer bemin? Neen, indien ik de dwaasheden wensch te voorkomen, waartoe een kwalijk begrepen eerzucht u aanspoort, het is omdat ik sidder voor de gevolgen, welke zij voor Friesland kunnen teweegbrengen. Ik weet, dat gij er u niet over bekommert, of uw beklag een vredebreuk doet ontstaan: dat gij zelfs niets wenschelijker zoudt achten dan een oorlog tegen den Graaf; doch ik weet tevens, dat het ons niet geoorloofd is, om ter voldoening aan bijzondere wenschen en inzichten de fakkel der verwoesting in ons vaderland te brengen en alle onze landgenooten in een wis verderf te storten.”
“Gij verkiest dus des Graven boeien, welke hij niet eens meer de moeite neemt van te vergulden, boven de vrijheid?” zeide Adeelen.
Aylva haalde zuchtend de schouders op: “ik zie, waarde Seerp!” zeide hij: “dat uw ontmoeting van heden u van alle kalmte en bedaardheid heeft ontbloot: en die zijn echter noodig wanneer men een zoo gewichtig onderwerp bepraat:—wij zullen dus hier liever afbreken. Ik ga mij kleeden, ten einde vaardig te zijn om aan des Graven noodiging te voldoen. Vaarwel!”
Met deze woorden rees de Olderman op en begaf zich uit de kamer: een voorbeeld, dat terstond door den Abt gevolgd werd, die weinig lust gevoelde om den woordenstrijd met zijn halsstarrigen ambtgenoot te vervolgen. Adeelen bleef dus alleen met vader Syard.
Deze stond bedaard, met de armen kruiselings over elkander geslagen, den onstuimigen jongeling aan te zien, die, in zijn leunstoel neergezonken, met de beenen uitgestrekt en de vuisten krampachtig gesloten, scheen te zullen stikken van woede. Eindelijk sprong Adeelen met woestheid op, ging vlak voor den monnik staan en zag hem met fonkelende oogen aan.
“Ik achtte u een echten Fries, monnik!” zeide hij.
“Ik heb niets gedaan, voor zooverre ik weet,” zeide vader Syard, “waarmede ik dezen naam zou verbeurd hebben.”
“Gij,” vervolgde Adeelen, “gij, die mij aanspoordet vrede te maken met den Abt van Lidlum, ten einde de Hollander geen gebruik zou maken van onze verdeeldheden! gij, die mij den raad geeft, mij met de Vetkoopers te verzoenen en de wapens niet te gebruiken dan tegen onzen algemeenen vijand, gij weigert een vertoog voor mij op te stellen, hetwelk niet nalaten kon een gewenschten oorlog teweeg te brengen.”
“Gelooft gij dan,” zeide de monnik, “dat uwe mede-afgevaardigden dat vertoog zouden hebben willen goedkeuren? Zoo gij waant op een dergelijke wijze het doel te bereiken, waar gij naar streeft, bedriegt gij u zelven. Of waant gij in staat te zijn, alleen met uwe bloedvrienden en volgeren, de Hollandsche macht te weerstaan?”
“Gansch Westergoo zal de wapens opvatten, zoodra ik het zwaard ontbloot!”
“Dat valt nog te betwijfelen,” hernam vader Syard: “doch zeker is het, dat noch de Camminga’s, noch de Martena’s, noch de Beyma’s, noch een der vrienden van Aylva de hand zullen verleggen, wanneer zij vernemen, dat het niet de zaak van Friesland, maar den bijzonderen wrok van Seerp Van Adeelen geldt. En wat zal dan het gevolg van uwe oploopendheid wezen? Niets anders, dan dat Graaf Willem u in ketens slaat, uwe goederen verbeurd verklaart, en gelijk Koning Rehabeam weleer, in stede van touwen, schorpioenen gebruikt om er Friesland mede te geeselen.”
“Wij zullen ons in dat geval reeds van nu af aan het juk moeten gewennen; want èn uw nietige Abt, èn de gedienstige Olderman zijn even geneigd, blindelings al de vorderingen des dwingelands toe te staan, mits zij slechts den lieven vrede behouden.”
“Er zal onmisbaar oorlog komen,” zeide de monnik: “doch gij zijt de man niet, die hem verwekken moet. De vreedzame Aylva zelf zal zich eenmaal genoodzaakt zien, zijne landgenooten ten strijde op te roepen. Wees tot zoolang bedaard: een te onberaden driftbetoon van uwe zijde kan alles bederven. Beloof mij, om, eer drie dagen verloopen zijn, niet daaraan toe te geven: alsdan zal ik u mijne inzichten en verwachtingen mededeelen.”
“De inzichten en verwachtingen van vader Syard!” zeide Adeelen, terwijl hij den monnik met een spottenden glimlach van ’t hoofd tot de voeten bekeek.
“Een kleine worm doorknaagt soms een paal, dien een groote stier vergeefs poogt omver te stooten, en de verachte monnik zal wellicht verrichten, wat Seerp Van Adeelen en geheel zijn luisterrijk gezin nimmer kunnen volvoeren. Doch ga en kleed u: men moet geene Graven van Holland laten wachten.”
Dit gezegd hebbende, keerde hij zich om en verliet het vertrek. De Edelman oogde hem een poos vol verbazing na, en begaf zich vervolgens naar zijn kamer, gedurig nadenkende over de vreemde uitdrukking, die de monnik gebezigd had, en over den onverklaarbaren invloed, welken deze over hem uitoefende.
1 Stins, of steenen huis, was de benaming, welke in Friesland aan een slot of sterkte gegeven werd: Adeelastins is dus: het slot van Adeelen.
Vijfde Hoofdstuk.
Inhoudsopgave
De schoon-geveêrde Paauw aanhoorde met begeeren
Het Nachtegaelken in de wilgen quinkeleeren,
En werd byna verlieft op ’t lieffelyck gezanck
En ’t goddelyck musyck, dat uyt de tacken klanck.
Vondel. Warande der dieren.
Ruim een half uur nadat het in het vorige Hoofdstuk vermelde onderhoud was afgeloopen, wekte een herhaald geklop aan de poort de aandacht van Feiko, die zich toevallig op het binnenplein bevond. Hij ging terstond opendoen en herkende de beide Ridders, die hem des morgens uit den nood hadden geholpen:—“Zijt welkom!” riep hij met een verheugde stem. “Ik had niet durven hopen u zoo spoedig terug te zien.”
“Bevinden uw meesters zich nog te huis?” vroeg Deodaat, zonder af te stijgen: “ga hun zeggen, dat wij hier zijn om hen naar ’s Graven jachthuis te geleiden.”
“Ik ga terstond de boodschap doen: hunne Edellieden zullen in een ommezien gereed zijn. Hier, Sikko! Hidde! luiaards! waar zijt gij? Brengt de paarden van die beide Edellieden op stal. Gaat binnen, mijne Heeren! gaat binnen!”
“Wij kunnen evenzoo goed in den boomgaard wachten,” zeide Deodaat, terwijl hij de teugels van zijn ros eenen dienaar in handen gaf; en, den arm van zijn vriend nemende, wandelde hij den hof in.
“Ziedaar ons den geheelen dag in touw, ten gerieve van dat Friesche gespuis,” zeide Reinout op gemelijken toon: “de Graaf had de uitvoering van dezen lastpost ook wel aan anderen kunnen opdragen.”
“Het is niemands schuld dan de uwe,” zeide Deodaat: “wat behoefdet gij onze ontmoeting van hedenmorgen op het jachtslot te verhalen? De Graaf heeft ons gezonden, omdat hij begreep, dat wij, wegens den bewezen dienst, den Friezen de meest welkome geleiders zouden wezen.”
“Vlei u daarmede!—Gij zult zien hoe vriendelijk die Adeelen ons zal aanzien.... ik zou voorwaar lust hebben hem een poets te spelen: ik geloof dat ik den kokeler, dien de Gravin voor hedenavond ontboden heeft, eenige grooten in de hand stop om hem te betrekken.”
“Denk, hoe de Graaf dat op zou nemen; doch van dien kokeler gesproken, ik ben verlangend te weten of hij behendiger zal wezen dan Paolo. Heugt het u, hoe die ons, toen wij kinderen waren, met zijn kunsten wist te vermaken?”
“Wij waren toen kinderen, en met weinig tevreden:—ik hield niet van dien Paolo: hij sloeg mij altijd.”
“Ja, omdat gij hem altijd tot overlast waart;—maar of onze heeren nog niet gereed zijn!”
“Indien zij niet spoedig komen, rijd ik weer heen,” zeide Reinout.
“Dwaas!” zeide Deodaat: “zij wisten immers niet, dat wij komen zouden, en ’t verwondert mij niet, dat zij lang werk hebben, althans Adeelen, wiens gescheurde hozen waarschijnlijk naar den snijder zijn. Intusschen verlang ik naar hun komst; want deze moesbedden zijn spoedig rondgewandeld en uw gezelschap is alles behalve opbeurend, in de aangename stemming, waarin gij u bevindt.”
“Stil!” zeide Reinout, hem haastig in den arm grijpende: “luister!”
“Ik hoor niets,” zeide Deodaat.
“Spreek zacht. Was het geen citer, die daar gestemd werd?”
“Een citer? Zou het lieve meisje van hedenmorgen ons een serenade geven, ten einde ons het wachten wat te verzoeten?”
“Bij onze lieve Vrouwe! men herhaalt het geluid! Dezen hoek om! hier komt het vandaan.”
Deodaat volgde zijn vriend, en, de kerk omloopende, welke midden tusschen de andere gebouwen in den boomgaard vooruitsprong, bevonden zich de beide Ridders voor een klein afzonderlijk huisje, dat met slechts één, vrij hoog geplaatst raam voorzien was, uit welk raam de tonen herklonken, die hun ooren hadden getroffen. Aandachtig luisterden zij; maar hun verwondering klom hooger, toen zij bespeurden, dat die accoorden slechts het voorspel waren van een lied, hetwelk nu door een zuivere, smaakvolle stem werd aangeheven. De woorden waren Friesch en ongeveer van de navolgende beteekenis:
Zegt mij, vriendinnen!
Gij die het weet,
Baart ons het minnen
Blijdschap of leed?
Is liefde aan ons leven
Tot vreugde gegeven,
Of stort ze ons in zorgen en pijnlijk verdriet?—
—Ik weet het niet.
’k Hoor alle dagen,
Vroolijk van zin,
Liesken gewagen
Van ’t heil der min;
“Zij voert ons tot zegen
Langs bloemrijke wegen.
’t Is hemelsche vreugd, die haar goedheid ons biedt.”
—Ik weet het niet.
Foelkjen daartegen
Klaagt zonder end:
“Ik heb dien zegen
Nimmer gekend.
Nooit vond ik die bloemen,
Waar minnaars van roemen.
Ach! dorheid en dorens is al wat men ziet.”—
—Ik weet het niet.
Wat Liesken zeide
Had mij verheugd;
Maar Foelkjen schreide:
Weg was mijn vreugd.
Wat moet ik beginnen?
Hoe zullen mijn zinnen
Den twijfel ontgaan, dien heur rede mij liet?—
—Ik weet het niet.
’k Wil niet verhelen,
Of, naar ik gis,
Beî mijn gespelen
Hebben het mis.
Genoegen en smarte
Schenkt liefde aan het harte;
Maar wat weegt nu zwaarder, de vreugde of ’t verdriet?—
—Ik weet het niet.
Het gezang had reeds een geruimen tijd aangehouden, toen nog de beide vrienden in aandachtige stilte onbeweeglijk stonden te luisteren. Intusschen hadden de betooverende tonen, welke zij gehoord hadden, op beider ziel een verschillenden indruk gemaakt. Het kalm gemoed van Deodaat gevoelde zich in die weldadige stemming gebracht, welke goede muziek altijd teweegbrengt op zielen als de zijne. Hij was met zich zelven en met de wereld tevreden: en hij verlangde, ja, de zangster te leeren kennen, welke zoo bevallig, zoo zuiver had gezongen; doch hij vergat geenszins dat hij in den boomgaard stond van een voormalig klooster, naast een bed, waarop aardbeziën groeiden. De bruisende ziel van Reinout daarentegen, aan wien die hemelsche zang de melodieën van zijn bekoorlijk vaderland herinnerd had, gevoelde zich in een andere wereld overgeplaatst; hij verbeeldde zich weder aan den oever van de Etsch of Anio de zuivere accoorden te hooren, door de welluidende orgelkelen der Italiaansche schoonen met zulk een onwederstaanbaar vermogen voortgebracht:—een brandend, weelderig verlangen bedwelmde zijn zinnen: en hij zou op dat oogenblik de wereld gegeven hebben om die hemelsche zangen, welke hem te meer bekoorden naarmate hij de woorden minder verstond, nogmaals te hooren, en de zangeres, die zijn gloeiende verbeelding met al de bekoorlijkheden van jeugd en schoonheid versierde, aan zijn kloppend hart te drukken of stervend van genot aan haar voeten neder te zinken.
“Waarlijk”—zeide eindelijk Deodaat: “het wachten zou mij nooit vervelen, indien ik altijd op een dergelijke muziek werd onthaald, doch hoe is het met u? droomt gij? of heeft dat lied u in slaap gemaakt? Gij zijt beter kenner dan ik; maar mij is het zeer goed bevallen!”
“Zeer goed!” herhaalde Reinout opstuivende: “en gij durft zeggen: zeer goed!”
“In waarheid,” hernam Deodaat: “voor zooverre mij scheen, was de stem volkomen zuiver en ontbrak het der zangster niet aan gevoel; misschien zult gij zeggen, dat zij nog eenige leiding behoeft, om.....”
“Zeer zuiver!.... geen gebrek aan gevoel!.... Deodaat! gij zijt de armzaligste, smakelooste aller menschen. Zijt gij een zoon van Italië? Ik heb er dikwijls aan getwijfeld; doch nu ben ik zeker van het tegendeel. Kunt gij zoo flauw, zoo afgepast spreken van de goddelijkste accoorden, die ooit menschenooren troffen. Die zangster was geen schepsel van klei en water: het was een engel, een heilige!—Santa Maria!—Zeer zuiver!.... veel gevoel!”
“Nu, wind u zelf maar zoo niet op: ik zal alles gaaf toestemmen, ofschoon het mij spijten zou, indien die lieve stem aan eenig ander dan een menschelijk wezen toebehoorde; want ik zou gaarne kennis maken met de zangster: en met engelen of heiligen ware ik misschien minder op mijn gemak;—doch hoe komt zulk een virtuose in ’t gezelschap dier plompe Friezen?—de nachtegaal bij de kikkers?”
“Spreek mij niet van die Friezen.—Hoe kunt gij mijn zoete droomen door het noemen van zulke onbehaaglijke voorwerpen zoo wreedaardig verstoren?”
“Om u des te beter het dwaze uwer opgetogenheid te doen gevoelen. Wie weet, die zangster is wellicht eene dier logge, rondwangige, flauwoogige, plompe Friesche deernen, waar gij hedenmorgen niets van wildet hooren.”
“Zoo gij een ander waart dan Deodaat,” zeide Reinout, half boos en half lachende, “zou ik u uitdagen tot een gevecht op leven en dood, dat gij zoo kwalijk spreekt van iemand, die ik van heden af voor mijne jonkvrouw verkies.”
“Des te beter,” zeide Deodaat: “want wij zouden ook geen tijd voor een kamp hebben, vermits de Friezen hun middagslaapje schijnen gedaan te hebben; althans daar komt er een naar ons toe. In waarheid! die schijnt iets menschelijks te bezitten! Ik geloof waarachtig, dat hij een beschaafd voorkomen heeft.”
Hij bedroog zich niet; want het was de Heer van Aylva, die, in een donkerkleurig gewaad uitgedost, dat de waardigheid zijner houding nog beter deed uitkomen, naar hen toetrad.
“Het doet mij leed, edele Ridders!” zeide hij: “dat de onwetendheid, waarin wij verkeerden, dat ons verblijf door u met een bezoek zou vereerd worden, oorzaak is geweest dat gij u eenigen tijd zult verveeld hebben.”
“O! wat dat betreft,” zeide Deodaat haastig: “wij hebben ons geen oogenblik verveeld:—gij bezit hier voortreffelijke middelen tot tijdkorting.”—Hier trapte hem Reinout op den voet om hem te doen zwijgen.
“Ik heb,” vervolgde Aylva, “den dienst vernomen, welken gij aan mijn reisgenoot en aan een mijner dienaars bewezen hebt: en ik bid u, de betuiging mijner oprechte dankbaarheid aan te nemen. ’t Is door dergelijke hulpbetooningen, dat de wederzijdsche vriendschap tusschen Hollanders en Friezen meer en meer zal bevestigd worden, en dat onze taak, welke daarheen leiden moet, aangenaam en gemakkelijk worden zal.”
De twee jongelingen zagen elkander aan, als verwonderd over zooveel minzaamheid en beschaafdheid bij een Fries.
“Maar ik mag u niet langer ophouden,” zeide Aylva: “zijt zoo goed mij naar het binnenplein te volgen, waar mijn mede-afgevaardigden u reeds verwachten.”
De Ridders volgden op deze uitnoodiging den Olderman, doch niet zonder meermalen om te zien naar het raam, waaruit het lied zich had doen hooren; evenals scholieren, die een poppenkast niet dan schoorvoetende verlaten, wanneer het uur van schooltijd slaat.
Vergeefs! niets deed zich aldaar bespeuren en zij moesten voor het oogenblik de hoop opgeven, om van haar, wier gezang hen verrukt had, ook het gelaat te leeren kennen.
Op het binnenplein vonden zij den Abt van Sint-Odulf, in een half geestelijk, half wereldsch gewaad, en niet, zooals de kerkvoogden in andere landen, op een muilezel, maar op een zwaar, wel doorvoed Friesch paard gezeten, terwijl Adeelen een prachtigen witten hengst van reusachtige gestalte onder zich deed huppelen, en een zestal dienaars, mede te paard, hem omringden. Adeelen en de beide Ridders groetten elkaar met die gedwongene beleefdheid, welke doorgaans plaats vindt tusschen den verplichte en den verplichter, wanneer zij elkander niet lijden mogen. De Abt was daarentegen recht uitbundig in zijn welkomstgroet: en zich in zegepraal de handen wrijvende, reed hij Aylva, die inmiddels op een klein bruin blesje gestegen was, op zijde: “ik had het wel gedacht,” fluisterde hij hem in: “broeder Syard heeft den wenk begrepen, dien ik hem bij het verlaten der eetzaal gegeven heb: hij is gebleven en heeft Seerp Van Adeelen tot betere gedachten gestemd.”
“Mij dunkt,” zeide Aylva, lachend om zich heen ziende, tegen Adeelen: “dat wij dien sleep van dienaars wel te huis kunnen laten. De weg van hier tot aan de Vogelesang zal, hoop ik, wel veilig zijn: en al ware hij het niet, onder uwe bescherming en die van deze waardige Ridders geloof ik niet, dat wij twee oude lieden iets te vreezen hebben.”
Adeelen was op het punt, hem te antwoorden, dat hij voor zich meer reden tot argwaan dan tot geruststelling zag in het gezelschap van ’s Graven dienaars; hij bedwong zich echter en antwoordde op een koelen toon:
”’t Is zooals het u goeddunkt:—ook dient er wel iemand hier te blijven om te waken voor hetgene wij te huis laten.”
“Gij ziet,” fluisterde Deodaat Reinout in, “met welk een zorg zij hun harem wenschen te bewaren.”
Reinout antwoordde niets; doch, zich op de lippen bijtende, zag hij Adeelen met een verstoorden blik aan.
De dienaars nu, op een viertal na, weggezonden hebbende, begaf de geheele stoet zich op weg.
“Is het ons veroorloofd,” zeide Aylva, onder het voortrijden, “de namen te vragen der edele Ridders, aan wie wij heden dubbel verplicht zijn?”
“Het smart mij,” antwoordde Deodaat, “dat het vermelden daarvan u weinig bevredigen zal, daar onze namen u waarschijnlijk onbekend in de ooren zullen klinken. Mijn vriend heet Reinout, ik Deodaat van Verona.”
“Verona!” herhaalde Aylva, verbleekende en Deodaat met ingespannen verwachting aanstarende: “Zijt gij van Verona geboortig?”
“Wij zijn te Bononië opgevoed bij den edelen Carlo della Scala,” viel Reinout haastig in, een hem altijd onaangenaam onderzoek naar zijn geboorte willende vermijden.
Aylva zweeg, en een sombere droefgeestigheid verspreidde zich over zijn wezen. Hij scheen echter nog een vraag te willen doen; maar Adeelen was hem vooruit.
“Alzoo zijt gij geen Hollanders,” zeide hij, met een opgeruimden blik.
“Wij hebben die eer evenmin als gij,” antwoordde Reinout op een scherpen toon.
“Des te beter,” hervatte Adeelen, zonder de bedoeling des Ridders te bemerken: “dan behoef ik met u niet te veinzen; want ik kom er rond voor uit: ik haat alle Hollanders, en het kost mij moeite, hun eenige vriendschap te bewijzen.”
“Met uw verlof,” zeide Deodaat: “wij hebben in dit land gastvrijheid genoten en mogen in onze tegenwoordigheid geene beschimpingen jegens zijn bewoners dulden.”
“Verschoon mijn vriend,” zeide de Abt, haastig tusschen beiden rijdende, ten einde een twist te voorkomen: “hij heeft de ongelukkige gewoonte der Friezen nog niet kunnen afleeren, van overluid te zeggen wat hij denkt.”
“Ik hoop, Heer Abt!” merkte Reinout aan, die met deze vergoelijking weinig tevreden was, en als ’t ware verlangde om aan alle woorden der Friezen een hatelijke uitlegging te geven, “ik hoop, dat gij van ons het tegendeel niet gelooft.”
“Sono due pazzi1,” fluisterde Deodaat hem in ’t oor; echter zoo zoetjes niet of Aylva had het gehoord.
“E possibile,” zeide deze: “ma hanno tutti due il cor ben posto2.”
“Is uwe Edelheid in ons land geweest?” riep Deodaat, verwonderd van zijn landtaal zoo onverwachts en zoo zuiver te hooren spreken.
“Ik heb er een jaar doorgebracht,” antwoordde Aylva, “het gelukkigste en tevens het rampzaligste mijns levens:—dan, vergeef mij, het voegt mij op mijnen leeftijd niet, in de tegenwoordigheid van hen, die opgeruimd en jong zijn, aan treurige herinneringen plaats te geven. Zoo gij wat gelieft aan te rijden, ben ik daartoe bereid. Het zoude weinig beleefd zijn, te laat op het lustslot te komen.”
Dit voorstel vond algemeene goedkeuring, en men nam nu een vluggen draf aan. “Reinout!” zeide Deodaat in ’t voortrennen tot zijn vriend: “ik wed al wat gij wilt, dat uw schoone zangeres ook in Italië is geweest. Wil ik het hem zoo aanstonds eens vragen?”
“Geen woord van haar tegen die Friezen,” zeide Reinout: “zoo gij mij eenigszins vermaak wilt doen. Ik zal u wel eens nader zeggen waarom.”
Welhaast bevonden zich nu de ruiters in de breede laan, welke recht op ’s Graven jachtslot aanliep. Tot nog toe was het uitzicht meestentijds beperkt geweest door golvende duintjes, deels met eiken kreupelhout beplant, waarvan de dorre takken nog hier en daar voorzien waren met de verschrompelde en saamgetrokken bladeren van een vorig seizoen, deels met berken, wier jeugdig lentegroen het oog verheugde,—deels met enkele popelstruiken, wier aankomend blad in eeuwige onrust op den wind fladderde,—deels alleen overdekt met krakend mos en geurige duinviooltjes: doch overal aan den benedenkant begroeid met welriekend pijpkruid, met donkere netelstruiken en andere ontelbare gewassen, wier verscheidenheid vooral in het eerste lenteseizoen de omstreken van Haarlem in den dos der vreugde kleedt.—Maar nu werd dat uitzicht ruimer: tusschen de kleine dwergeiken door, welke aan weerszijden in de laan stonden, blikte men over een min of meer afhellende vlakte, met een frisch glanzend grastapijt overdekt, op hetwelk duizenden voorjaarsbloemen hare lachende kleuren ten toon spreidden. Op de helft der laan was een plankenbrug, gelegd over een smalle vaart of wetering, die van nabij Haarlem af tot aan Noordwijk liep, en van welke, ofschoon meest verzand, nog de sporen te vinden zijn op de plaats, die wij beschrijven. Deze vaart werd niet verre van daar gevoed door een smalle beek, welke het overtollige duinwater aanvoerde, en, alvorens zij zich ontlastte, om een gedeelte der vlakte heenkronkelde en er een soort van afgezonderd vak van maakte, dat nimmer door eenig vee betreden werd, maar tot een lustperk diende, waar de Graaf zich, benevens zijn hofgezin, met onderscheidene spelen en oefeningen ging vermaken, en ’t welk daarom ’s Gravenmade3 heette, welke naam tot heden nog aan die plek gebleven is.
Ten noorden en ten zuiden paalde deze vlakte aan onafzienbare weiden, waarop vette runderen graasden, of waar men jeugdige veulens in zag dartelen; en ten westen aan een heuvelachtigen grond, met schapen bedekt en door kleine partijen kreupelhout omgeven, terwijl de blanke toppen der zeeduinen zich daarachter verhieven en den gezichteinder sloten. Maar, recht voor zich uit, zagen de ruiters het jachthuis, omringd met eeuwenheugende eiken en beuken, waarvan de eerste door hun talrijkheid, door den rijkdom en de menigte hunner takken en twijgen, bijna even weinig doortocht aan de zonnestralen vergunden, als de breede en dichtgebladerde kruinen der laatstgemelde. Geen oord ter wereld levert in den voorjaarstijd zulk een verscheidenheid en menigte op van lieflijk zingende vogels als Holland, en in Holland is er geene streek, waar zij zich in zulk een aantal ophouden als aan den duinkant: en welke plek ook op aarde schooner en rijker aan prachtige of lieflijke tooneelen wezen moge, geen bestaat er, waar de natuur zich zoo bestendig levendig voordoet. Het was dan ook geen wonder, dat Floris de Vijfde, toen hij het bevalligst en best gelegen hoekje gronds, dat in zijn gebied te vinden ware, had uitgezocht om er een jachtverblijf neer te zetten, geen meer geschikten naam voor het nieuwgebouwde lusthuis wist uit te denken, dan dien, welken het bestendig gezang der vogelen, die den omtrek vervroolijkten, hem als van zelf aan de hand moest doen.
Het jachthuis zelf was eenvoudig en slechts van hout getimmerd, doch bevatte ruimte genoeg om desnoods een tijdelijke huisvesting aan den Graaf en aan zijn meest verheven gasten te verschaffen, terwijl eenige kleinere gebouwen, welke dieper in ’t bosch en minder in ’t gezicht gelegen waren, de jagers van minderen rang konden bergen, en tot stalling dienden voor paarden en honden. Geene gracht noch muur verdedigde het hoofdgebouw, ’t welk dan ook niets aanbood, dat een vijand in de verzoeking had kunnen brengen om er een aanval op te beproeven, daar het, als van den weg af gelegen, geen punt opleverde, dat de moeite waardig was om versterkt te worden, en bovendien geen anderen buit verschaffen kon dan de weinige meubelen, waarmede het voorzien was. Op de gewelfde poort prijkte nog altijd de oude liebaard van Holland: welken de Graven uit het Henegouwsche huis, zoowel uit hoogachting voor de nagedachtenis des stichters, als uit inschikkelijkheid voor de dankbare gevoelens, die de naburige landbewoners jegens hunnen weldoener Floris bleven koesteren, waren blijven eerbiedigen; maar ook hunne leeuwen vertoonden zich op de banier, die, als bewijs van ’s Graven aanwezigheid, uit een der kruisramen stak, hoedanige er drie in den voorgevel waren, om wier bogen kunstig gesnedene bloemfestoenen praalden, en boven welke drie hertenkoppen de bestemming van het gebouw aankondigden. Vier kleine torentjes, den vorm hebbende van peperbossen, staken boven het dak uit, hetwelk eenvoudig met riet gedekt was.
Het was echter niet binnen dit gebouw dat zich de nieuw aankomenden begaven. Links daarvan, op een vrij uitgestrekt plein, hetwelk met fraaie ijpeboomen omgeven en door een gevlochten heining tegen alle inbreuk beveiligd was, oefenden zich eenige wapenknechten, althans dit geleken zij van verre te zijn, in het schieten met den kruisboog. Een verlengde maaltijd had hen naar het scheen in eene vroolijke stemming gebracht, en men kon reeds op zekeren afstand hun uitbundig gelach en juichen vernemen. In weerwil van het spel, dat hen bezig hield, hadden zij de aankomende ruiters van verre bespeurd, en een hunner had uit al zijn macht het perk verlaten, om hen in ’t gemoet te loopen. Hij naderde Deodaat, wisselde zachtjes een paar woorden met hem, en keerde vervolgens naar zijn makkers terug.
“Deze knaap verzocht mij,” zeide Deodaat, zich tot de Friezen wendende, “u uit te noodigen om hier af te stijgen, en u bij het gezelschap te voegen, dat ginds met den boog bezig is; gij kunt u aldaar vermaken, totdat de Graaf van zijn middagslaap ontwaakt en de Gravin van haar rit terug is.”
Tegen dit verzoek was niets in te brengen. De paarden werden aan de dienaars overgelaten, die hen naar de stallingen brachten, en de afgestegen ruiters wandelden naar de boogschutters, die, zonder hun spel voor een oogenblik te staken, zich vergenoegden met den Friezen een nieuwsgierigen blik toe te werpen, en, voor zooverre zij in de nabijheid stonden, hen met een korten, doch wellevenden groet te verwelkomen. Dit onthaal, hoewel zonder plichtpleging, was politiek en door den Graaf voorgeschreven. Men wilde bij de afgevaardigden de overtuiging doen ontstaan, dat zij, als goede vrienden en bekenden, zonder complimenten ontvangen werden, en behandelde hen als zoodanig. Een enkele der aanwezigen, die het ambt van ceremoniemeester scheen waar te nemen, kwam uit den drom te voorschijn, en sprak de afgevaardigden aan: “het heeft den Graaf zeer leed gedaan,” zeide hij, “u hedenmiddag niet ter maaltijd te kunnen hebben; maar het is hier buiten slecht ingericht tot het geven van gastmalen:—in ’t laatst der week hopen wij er hier echter een te geven, waartoe de voorbereidselen gemaakt worden.—Ik zie, geloof ik, hier den edelen Aylva,” (eene buiging) “den waardigen Abt van Sint-Odulf,” (eene buiging) “den doorluchten afstammeling van Frieslands koningen,” (eene buiging). “Zoo gij, mijne Heeren! u, zoolang de Graaf niet hier is, met ons gezelschap wilt vergenoegen, en een glas echten gekruiden wijn met ons drinken, zal het ons tot eer strekken. Wij ontvangen u gul en vrij:—morgen is het de dag der plichtplegingen.”
Hij, die deze woorden sprak, was een man van middelbare gestalte, en naar het scheen tusschen de dertig en veertig jaren oud: zijn houding was edel en vrij: zijn toon was kortaf, als van iemand die gewoon is in ’t veld bevelen te geven: zijn tongval eenigszins uitheemsch. Zijn gelaat, door de zon geroost, kondigde iemand aan, die nimmer tochten of vermoeienissen geschroomd had, en zijn sprekende oogen een fiere hooghartigheid. Wat zijn kleeding betreft, die was hoogst eenvoudig en bestond, evenals die van de meeste aanwezigen, uit een groen buis met mouwen, dat op de dijen afhing, om het midden gesloten en met bonte randen voorzien was: een kleine kalot, van rood of geel laken, met een klep van achteren, en van boven met een topje voorzien, waarvan zij den naam van toppermuts had, bedekte het hoofd tot over de ooren: een vest en hozen van dezelfde kleur en stoffage, benevens zwarte tootschoenen, maakten de verdere dracht uit der aanwezige boogschutters.
“Wij zijn gevoelig aan de beleefdheid, welke men ons bewijst,” zeide Aylva tegen den edelman, die het woord gevoerd had: “een rond en gul onthaal is ons het aangenaamst: en het zou ons spijten, indien iemand om onzentwil plichtplegingen maakte.”
“Bij Sint-Nicolaas!” zeide Adeelen halfluid tegen den Abt: “men had ons toch een betere plaats kunnen geven dan onder stalknechten en jagers, zooals dit volkje schijnt.”
“Wat dat betreft,” zeide lachende de edelman, die deze aanmerking gehoord had, “stel u gerust daaromtrent. Gij ziet hier al wat onze adel luisterrijks bezit: die nu den boog spant is de Heer van Ligny: naast hem, de Heeren van Walcourt en Antogne: Henegouwen bezit geen kloeker ridders dan deze drie Baanrotsen: die jongeling met zijn blonden kroeskop is de Heer van Brederode, en die met hem spreken zijn twee gebroeders uit den huize Teylingen; die met het deftige uitzicht is een Haemstede:—allen zijn aan het voormalige stamhuis vermaagschapt, en getrouwe dienaars van het tegenwoordige.”
“En gij zelf,” zeide Adeelen, terwijl de vreemdeling voortging met de namen der aanwezigen op te noemen: “mag men naar uw naam vragen?”
“Ik ben Heer van Treslong in ’t Henegouwsche,” antwoordde de Ridder, terwijl een vluchtig rood zijn wangen bedekte; “maar komt, mijne Heeren! hoe is het? zult gij niet met ons een kans wagen?—Het smart mij, dat ik op het oogenblik buiten de gelegenheid ben om den waardigen Abt een gezelschap overeenkomstig zijn stand te bezorgen; maar al de geestelijke Heeren zijn met de Gravin uit rijden.”
“Bekommer u deswege niet,” zeide de Abt: “ik zie gaarne een goed schot.”
“Hij zou desnoods nog een boog hanteeren,” zeide Adeelen: “ik verzeker u, Heer van Treslong, naardien dat uw naam is, dat onze Friesche monniken de strijdkolf en den boog meer in de hand hebben dan het getijboek en dat, bijaldien ik geen goed kuras gedragen had, mij een Lidlummer monnik voor mijn tijd naar de eeuwigheid gezonden had.”
“Inderdaad!” zeide Treslong: “en heeft die twist gevolgen gehad?”
“Eenige bebloede koppen.—Wij hebben vrede gemaakt en den zoen met een deftigen maaltijd gevierd, waar wij alle veete hebben af gedronken.”
“Van drinken gesproken.—Ik zou bijna vergeten u het welkom te brengen.—Herman! hier! vul ons een verschen nap.”
De schenker, tot wien dit bevel gericht was, had bij zich op een houten stelling een fiksch vaatje staan met net geschuurde zilveren randen en een kraan van ’t zelfde metaal. Drinkschalen van onderscheiden vorm en soort waren daarnevens: en die gevuld hebbende, bood hij ze Treslong en den Friezen aan.
“Ziethier den echten drank van ’t land,” zeide Treslong, “waarvoor ik hypocras en malvezij laat staan, mits hij slechts naar den eisch bereid worde. Gelooft mij, mijne Heeren! deze is volgens het echte recept: zuivere Lotterwijn, gelijk onze neef.... ik meen gelijk de Graaf.... de Hertog van Gelder, wil ik zeggen, dien niet drinkt.”
Hier zweeg hij, eenigszins verward, terwijl Aylva hem opmerkzaam aanzag.
“Ik heb nooit beter drank geproefd,” zeide de Abt, de drinkschaal met welgevallen ledigende.
”’t Smaakt wel!” zeide Adeelen: “doch ik voor mij zou een teug swietendrank blijven verkiezen.”
De omstanders, voor zooverre zij dit hoorden, zagen Adeelen met verbaasdheid aan, niet wetende wat hij door swietendrank bedoelde: maar de Abt redde hen uit de onzekerheid, door de mededeeling, dat het een Friesche drank was, uit gedroogde rozijnen getrokken; op het vernemen waarvan de meeste edellieden de schouders ophaalden en Adeelen medelijdend aanzagen.
Treslong en de beide Friesche edelen namen nu mede deel aan het spel: Aylva gaf weldra blijk, dat hij de oefeningen zijner jeugd onderhouden, althans niet verleerd had, daar hij de schijf nooit miste. Tot zijn bevreemding zag hij, dat de meesten der aanwezigen vrij slecht schoten en nooit het middelpunt zoo nabij kwamen als de Heer van Treslong.
“Waarachtig!” fluisterde hem Adeelen in: “zoo dat volk niet beter weet te mikken, zal er nooit eer in steken om met hen slaags te raken.”
Meer en meer begonnen de gemoederen door drank en spel verhit te worden, toen er een twijfelachtig schot plaats vond, waardoor de goede harmonie, die tot nog toe geheerscht had, gevaar liep van verbroken te worden. Adeelen had namelijk de schijf herhaalde reizen in de middelste kringen geraakt en dacht reeds zeker van den prijs te zijn, toen de Heer van Treslong zoo juist aanlegde, dat hij zijn pijl volkomen in het middelpunt dreef. Straks ontstond er een uitbundig gejuich, en de Heer van Spangen, die den inzet bewaarde, was reeds gereed dien aan den winnaar ter hand te stellen, toen Adeelen tusschenbeide trad, en beweerde dat het schot niet gelden mocht, aangezien Treslong, toen hij afschoot, niet op den behoorlijken afstand was blijven staan, maar een stap voorwaarts gedaan had. Uit éénen mond spraken de aanwezige edelen den Fries tegen, die, verontwaardigd dat men, zoo hij ’t noemde, de waarheid zoo onbeschaamd dorst loochenen, zijn handschoen uittrok en dien op het zand wierp, tevens zwerende, zijn gezegde te zullen goedmaken tegen al, wie een kamp met hem dorst wagen.
Vlugger dan een patrijshond, die op het gevelde wild aanschiet, was Reinout, die met Deodaat en eenige Ridders van minderen rang op een afstand was blijven staan, dadelijk naar het ridderpand toegesprongen en reeds strekte hij de hand uit om het op te vatten, toen Treslong met een donderende stem uitriep: “terug!”—Terstond trad de jongeling verlegen achteruit en er ontstond een algemeene stilte.
“De Friesche edelman heeft gelijk,” zeide Treslong: “ik ben onwillekeurig een stap vooruitgegaan: ik zou echter de verschooning kunnen bijbrengen, dat hij zijn aanmerking had behooren te doen vóór, of op het oogenblik dat ik mijn pijl afschoot; maar daarvan wil ik geen gebruik maken. Ik sta hem den prijs af.”
“Gij zijt bij God de eenige ronde kerel, dien ik hier ontmoet heb,” zeide Adeelen, naar hem toegaande en hem de hand toestekende, die Treslong al lachende schudde; de overige edellieden, over de uitdrukking van den Fries gebelgd, zagen bleek of rood van gramschap en meer dan een sloeg de hand aan zijn dolk.
“Met uw verlof,” zeide de Heer van Brederode tegen Treslong, “is het uwe bedoeling, dat wij ons hier straffeloos door dien vreemdeling laten beleedigen?”
“Ik ken hier geen vreemdeling, mijn Heer!” zeide Treslong; “ik houde al de aanwezigen voor getrouwe vazallen van Graaf Willem, en het is mijn ernstig verzoek, dat de zaak hierbij blijve en dat alle ongenoegen met den beker worde afgewisseld.”
Aylva zag nogmaals den Heer van Treslong zijdelings aan; maar zijn verwondering over den hoogen toon, welken deze voerde, was geweken. Hij trad een weinig terug, en Adeelen ter zijde trekkende, fluisterde hij hem ongemerkt in ’t oor: “bedwing u zooveel mogelijk: ieder is hier niet wat hij verbeeldt te zijn, of ik bedrieg mij grootelijks.”
Nauwelijks was de eensgezindheid, ten minste schijnbaar, teruggekeerd, of een daverend hoefgetrappel liet zich aan den boschkant hooren en een schitterende stoet van edele Heeren en Vrouwen kwam een der zijlanen uitgereden. Nabij het perk stapten zij af, om zich bij het gezelschap te vervoegen, dat aldaar vereenigd was. Een schoone vrouw, in sierlijk rijgewaad gekleed, en welke men, zoo aan haar uiterlijke, als aan de eer, welke men haar bewees, voor de Gravin van Holland herkende, trad vooruit, aan de hand van een edelman van ruim vijftig jaren, wiens deftig mannelijk voorkomen wel geschikt was om ontzag en eerbied in te boezemen.
Treslong ging hen te gemoet en wisselde eenige woorden met hen, welke door de Gravin met koele deftigheid en door haar geleider met een bedenkelijk hoofdschudden werden aangehoord.
Aylva had insgelijks een schrede vooruit gedaan, toen hij in den nieuw aangekomen edelman den Heer van Beaumont herkende, met welken hij voor vijf en twintig jaren meer dan één wapentocht gedaan had. Hij bleef echter staan, in afwachting of deze hem insgelijks herkennen zoude.
“Gelijk ik u gezegd heb, Mevrouw!” zeide Treslong overluid tot de Gravin: “het is nog onzeker of de Graaf heden wel verschijnen zal, nu hij zoo met die verwenschte schele hoofdpijn geplaagd is. Mag ik intusschen aan u, gelijk aan den Heer van Beaumont, de edele Afgevaardigden van Friesland voorstellen?”
De Gravin beantwoordde met eene koude beleefdheid den groet der Friezen, en had zelfs moeite om eene kleine opwelling van wrevel en ongeduld te bedwingen, toen haar de goede Abt welwillend aanraadde zijn middel van vitriool en dun bier tegen ’s Graven hoofdpijn te beproeven;—maar Beaumont, die Aylva terstond herkende, trad naar hem toe en drukte hem hartelijk de hand.
”’t Is lang geleden, dat wij elkander laatst ontmoet hebben,” zeide hij, “en het verheugt mij hartelijk iemand te vinden, met wien ik nog over den ouden tijd kan praten. Ware ik niet, ten einde mijn reputatie als galant Ridder op te houden, verplicht geweest de dames op haar rijtochtje te vergezellen, ik zoude wel hier gebleven zijn om u vroeger te ontvangen. Ik zie met vreugde, dat gij onze oude krijgstochten nog niet vergeten zijt. Althans de keten, die u mijn broeder vereerde, en waarvan hij mij goedwillig een gelijke aanbood, hangt nog ter herinnering aan uw hals.—Mij dunkt,” vervolgde hij, met een ontevreden blik omziende, en Aylva ter zijde trekkende: “die ontvangst is niet geweest gelijk ze behoorde.”
“Het onthaal was gul en vroolijk,” antwoordde Aylva: “en men moet der jeugd zoowat toegeven;—doch wanneer men denkt een ouden gediende, als ik ben, beet te hebben, bedriegt men zich.”
“De grap was niet oorspronkelijk tegen u gericht,” zeide Beaumont:—“en ik kan u betuigen, dat er geen opzet tot beleedigen bestaat.”
Intusschen hadden de Gravin en hare Edelvrouwen meerendeels op aangebrachte vouwstoelen, schabellen of tuinbanken plaats genomen, en zich met de Edellieden aan onderscheidene in zwang zijnde spelen gezet. Adeelen, die weinig van die spelen verstond, vergenoegde zich met den in zijn oog zoo vreemden en zonderlingen tooi der jonkvrouwen aan te gapen, nu en dan, zonder te wachten tot men hem bediende, zijn beker aan het wijnvaatje te vullen, (een ongemanierdheid, waarover ieder groote oogen opzette, en welke aan verscheidene dames deed vragen, wie toch die kaalgeschoren wildeman ware), en somtijds hard te geeuwen, waaraan niemand zich ergerde. Wat den goeden Abt betrof, hij was wel aan de Aartsbisschoppen van Keulen en van Trier en aan andere hooge prelaten voorgesteld; doch deze machtige rijksvorsten achtten het te veel beneden zich, met den kerkvoogd van Sint-Odulf in gesprek te treden; die zich dan ook genoodzaakt zag, zijne toevlucht te nemen tot het spelen van de rol van opmerker en tot het heerlijke vocht, dat hem echter spaarzamer werd toebedeeld dan hij wel verlangde.
Nadat men eenigen tijd op deze wijze had doorgebracht en zich ondertusschen met kruidkoeken en andere lichte spijzen had verkwikt, wezen plotseling verscheidene vingers onder een vroolijk gelach naar de oprijlaan, waarheen zich dadelijk aller oogen wendden. Niemand was er bijna, die zijn vroolijkheid bedwingen kon bij het zien der twee zonderlinge personen, die van verre kwamen opdagen. De een was niemand anders dan de beroemde meester Barbanera, op een paard gezeten, zoo mager als hij zelf, hetwelk moeite genoeg had om door het zand voort te komen op drie pooten, welke den schijn hadden of zij elk van een afzonderlijk paard genomen waren, zoo weinig evenredigheid hadden zij onderling: terwijl een vierde poot in trage luiheid achteraan sleepte. De andere persoon was de hansworst, die een grauwen ezel bereed, welke, behalve met hem, nog belast was met een houten kast, waarboven Cezar in alle baviaansche deftigheid te pronk zat.
Nauwelijks had de Gravin hen opgemerkt, of de koele onverschilligheid, waarmede zij tot nog toe in spel en onderhoud gedeeld had, maakte plaats voor een schier kinderachtige blijdschap: en terstond gelastte zij, dat men die beide kwanten, tot wier ontbieding zij zelve last had gegeven, in hare tegenwoordigheid zou geleiden.
1 Het zijn twee gekken.
2 ’t Is mogelijk; maar beiden hebben zij het hart welgeplaatst.
3 Made (’t Engelsche meadow) is een groen veld, hiervan zich vermeien, spelemeien, voor: zich op ’t veld vermaken.
Zesde Hoofdstuk.
Inhoudsopgave
Tot u koom ick om hulp, vermits u swarte flessen
Gaen dieper in gespoock als alle toveressen.
Wat ick u bidden magh, laat my door uwe gunst
Eens sien, tot myn gerief, de krachten van de kunst.
Cats. Spoock-liefde.
Het was in den tijd, waarin onze geschiedenis voorviel, ja nog wel later, geene ongewone zaak, dat reizende zangers, vinders, meistreels of potsenmakers ter verkorting der middaguren bij groote Heeren werden ontboden: en noch l’Incomparabile noch zijn hansworst, noch zijn aap, betoonden dus eenige verlegenheid, toen zij zich door een daartoe afgezonden page voor het edel gezelschap op het grasperk gevoerd zagen. De kist, door de kunstenaars medegebracht, werd nu ontpakt: al de aanwezigen plaatsten zich op last der Gravin in een wijden kring en ontvingen stipt bevel, de te verrichten toeren niet te storen, noch den kokeler te nauw op de vingers te kijken en hem zijn geheimen af te neuzen, want de Gravin behoorde tot die lieden, welke, niet vlug zijnde om het fijne van een kunstgreep te vatten, daarom juist niet gaarne zien, dat anderen die beter begrijpen dan zij.
Zoodra de toestel in behoorlijke orde gebracht was, begon de hansworst, na een diepe buiging, een treflijke redevoering, waarin hij de schoone Gravin en haren doorluchtigen Echtgenoot boven alle andere vorsten van Europa verhief, en er breed van opgaf, dat de beroemde Barbanera zich alleen de verre reize naar Holland getroost had, om in de tegenwoordigheid van den Graaf aller Graven en den Veldheer aller soldaten gebracht te worden.
“Een fraaie aanspraak!” zeide de Aartsbisschop van Trier tegen de Gravin, toen de nar algemeen werd toegejuicht: “jammer maar, dat ik die op mijn doorreize woordelijk door den spreker heb hooren opsnijden aan het Hof van Gelder, alleen met verandering van namen en titels.”
“Onze waarde neef van Gelder zal zich toch niet beroemen dat hij nu reeds de Hertog aller Hertogen is, tenzij hij het sedert een paar dagen geworden zij,” antwoordde de Gravin, doelende op de Hertogelijke kroon, welke den Graaf van Gelder geschonken was, en die zij wist, dat door haren gemaal geweigerd zou worden.
Onderscheidene toeren, door de drie kunstenaars met een gelukkig gevolg ten uitvoer gebracht, droegen, meer nog dan de aanspraak, de algemeene goedkeuring weg, welke echter, om een echt grammaticale spreekwijze te bezigen, aan den kwakzalver in den stelligen, aan den alwillensdwaas in den vergelijkenden, en aan den aap in den overtreffenden trap geschonken werd. Alleen het gelaat der Gravin had zijn koele stemming hernomen, welke zelfs, toen de kunstverrichtingen eenigen tijd geduurd hadden, door kennelijke teekenen van weerzin en ongeduld werden vervangen. Om deze verandering in hare gemoedsgesteldheid, welke door een al te haastigen lezer wellicht aan een vrouwelijke gril zoude kunnen worden toegeschreven, te verklaren, dient men te weten, dat de Gravin naar de kunstenaars niet zoozeer verlangd had, om hunne behendigheid in gewone goochelaars-kunsten te bewonderen (ofschoon deze de voorgewende reden ware): als wel omdat zij vernomen had, dat meester Barbanera het in de verborgene wetenschappen tot een hoogte gebracht had, welke de zoodanigen, die er getuigen van geweest waren, met verbazing vervuld had, en dat zij in ’t geheim vurig verlangde, eenige bewijzen zijner bekwaamheid in die vakken te vernemen. De gewone kunsten, hoe vernuftig ook gedacht en hoe behendig ook uitgevoerd, verwekten bij haar dus niets dan verveling, evenals dikwijls een wel uitgevoerd treurspel geen aandacht waardig is bij dezulken, die alleen om het ballet gekomen zijn: zij haakte naar het oogenblik, dat al die bekers en balletjes en kastjes verdwijnen zouden om voor de in haar oog meer belangrijke kunsten plaats te maken; maar, gelijk het doorgaans gaat, zij was beschroomd om daartoe stelligen last te geven, ja zelfs om hare geheime begeerte aan iemand mede te deelen. Eindelijk echter werd zij uit dien staat van ongeduld verlost, door een vraag, welke Treslong aan den hansworst deed, wat of er namelijk in den zak school, dien hij bij zijn komst zoo zorgvuldig onder de tafel geplaatst had.
“Daar in dien zak,” was het antwoord, “zit het wonderbare glas, waarin mijn meester de toekomst leest.”
“Ei! de toekomst!—en kunt gij die ook reeds verklaren, vriendje?”
“Bij Sint-Julfus,” zeide de nar: “ik heb dagwerk om den menschen de dwaasheden te verwijten, die zij gedaan hebben, zonder dat ik er die behoef bij te voegen, welke zij zullen doen.”
“Een goed antwoord,” zeide Treslong; “maar zoo het Mevrouw behaagt, zouden wij de geheimen van dat tooverglas ook wel eens willen kennen.”
“Mijn vermaarde meester,” zeide de hansworst, “zou het uit eigen beweging niet gewaagd hebben, de kennis, welke hem zijn verborgen wetenschap van de bovenzinnelijke en bovennatuurlijke dingen verschaft heeft, op zulk een verheven gezelschap toe te passen: en hij zal daartoe niet overgaan dan op drie voorwaarden, waar de billijkheid aan een iegelijk van zal blijken.”
“Men moet ze echter eerst hooren om ze te kunnen beoordeelen,” zeide de Heer van Teylingen: “welke zijn uw voorwaarden?”
“De eerste is, dat het de uitdrukkelijke begeerte van Mevrouw de Gravin is, dat mijn meester zijn verborgene kennis ten toon spreide.”
“Mevrouw de Gravin hoort wat die nar verlangt,” zeide Treslong lachende: “zal zij zoo goed zijn, een bevel dienovereenkomstig te geven?”
“Het zij zoo!” zeide de Gravin, half tevreden en half wrevelig: tevreden, omdat aan haar wensch voldaan werd; wrevelig, omdat zij zulks bekennen moest.
“Het tweede verzoek mijns meesters is, dat niemand het hem wijte, noch hem op de eene of andere wijze mishandele of benadeele, zoo altemet deze of gene zijner woorden iets bevatten mocht, dat min aangenaam in de ooren klonk.”
Het voorhoofd van den Heer van Treslong fronselde zich en hij zag de Gravin vragende aan.
“Deze bede is hoogst billijk,” zeide de Gravin: “en ik verwacht, dat niemand der aanwezigen zich tegen hare vervulling verzetten zal.”
“Wat de derde betreft,” vervolgde de dwaas, een koddige buiging makende, “zij bestaat alleen daarin, dat het aanzienlijk gezelschap indachtig zij, hoe wetenschap boven vlugheid verheven is en dus op eene hoogere belooning aanspraak mag maken.”
De Gravin knikte goedkeurend met het hoofd en wachtte nu, evenals elk ander, met ingespannen nieuwsgierigheid wat er volgen zou. Met behulp van zijn makker ruimde Barbanera alles wat hem hinderen kon van de tafel, plaatste er vervolgens een glas op van buitengewone grootte, vulde het tot op de helft met een doorschijnend vocht, hetwelk hij uit een lederen flesch schonk, en wierp er onderscheidene poeders in, waarna hij den bokaal weder toedekte. Straks werd men een zonderlinge werking in het glas gewaar: de daarin geworpen stoffen losten zich op en vormden onderscheidene gedaanten, naar ertsen en plantsoorten, ja zelfs naar dieren en menschen zweemende, verschillende van kleur en grootte. Nadat men gedurende eenige oogenblikken dit schouwspel had aangestaard, kondigde de hansworst aan, dat al wie zulks verkoos eenige vragen aan zijn meester kon doen.
Geen mensch deed zich op; want, behalve dat niemand bij zulke gelegenheden gaarne het voorbeeld geeft, dorst men niet beginnen zonder de toestemming der Gravin, op welke alle blikken gevestigd waren.
“Mevrouw!” riep eindelijk Treslong: “indien uwe Genade het voorbeeld niet geeft, zal niemand onzer de vermetelheid hebben het orakel te raadplegen.”
“Wat zou ons lot ons kunnen schelen,” zeide de Aartsbisschop van Keulen, “indien wij niet omtrent dat onzer edele gastvrouw gerustgesteld waren.”
“Hoe, Hoogwaardigste!” zeide zij glimlachende, “gij, die een Prelaat zijt, gij spoort ons aan, een duivelskunstenaar te raadplegen?”
”’t Zijn allemaal fratsen en narrepoetserijen,” hervatte de Dignitaris: “ik heb dat al meer gezien; maar het loopt op dwaasheid uit.”
“Welaan dan,” zeide zij: “hoewel het ons weinig betaamt, zullen wij ons niet aan het algemeene verlangen onttrekken: doch wij begeeren, dat niemand ons volge, uitgenomen Yolente van Dampmartin en Ottilia van Naaldwijk: wij vrouwen,” vervolgde zij met een vroolijken lach, “vertrouwen ongaarne onze geheimen aan de ooren van zooveel bijstanders.”
Men trad eerbiedig op zekeren afstand terug: de Gravin, door de twee jonkvrouwen vergezeld, begaf zich naar den kokeler, wien zij de vraag voorstelde, of zij nog lang met haren echtgenoot gelukkig zoude wezen. Barbanera boog zich eerbiedig, lichtte het deksel van het glas, stak er het eene einde van zijn tooverstaf in, en gaf haar het andere in de hand, terwijl hij zelf met een zilveren pijpje in het vocht blies.
Terwijl zij des meesters voorschrift opvolgde, gaf, ondanks haar voorgewende bedaardheid, het trillen van het glas haar heimelijken angst te kennen: de waarzegger zag haar beurtelings scherp in de oogen en dan weder in het glas. Op eens trok hij de wenkbrauwen saâm; de Gravin ontstelde en zag in het glas: het vocht was op eenmaal zwart geworden, en de zich daarin bewegende gedaanten zwommen als paarlen of tranen heen en weder. Het gelaat der schoone vrouw werd bleek als een doek.
De omstanders, die de vraag niet gehoord, doch wel de kleurverandering der Gravin bespeurd hadden, stonden verbaasd en verstomd. Treslong deed een stap voorwaarts: maar trad weder terug, toen hij bemerkte, dat de zwarte tint na eenige oogenblikken weder verdwenen was en alles zich in het glas voordeed als te voren.
Nu stak Barbanera het hoofd naar de Gravin: en de tooverroede terugnemende, fluisterde hij haar de navolgende voorspelling in ’t oor:
“Sombres jours bientôt viendront:
Haults Seigneurs trépasseront;
Paix et lesse jâ suivront:
Lis et roses fleuriront.”1
Teffens wees hij op het glas, waar de Gravin, òf werkelijk, òf door een spel van hare verbeelding, een bloemkransje op den bodem zag liggen.
“Het slot vergoedt het begin,” zeide zij zuchtend: “ik verlang verder niets te weten. Mejuffers!” vervolgde zij tot de haar omringende dames, zoodra zij naar hare plaats gekeerd was:—“ik raad geene van u allen aan, den meester te gaan raadplegen. Het is een te gevaarlijk spel voor vrouwen.”
“Het zal derhalve onze beurt worden,” zeide ’s Graven vertrouweling, de Heer van Naaldwijk: “wat mij betreft, ik geef er niet om of iemand de vraag en het antwoord hoore. Heksenmeester!” vervolgde hij, “een stuk geld op de tafel werpende: zeg mij slechts of mij een lang leven is toegedacht?”
De waarzegger stelde hem het stokje ter hand: maar nauwelijks stak de Ridder het in ’t water of hij zag de kleur daarvan in die van bloed veranderen, terwijl hem Barbanera toeriep:
“Arc est tendu et flêche preste,
Qui bientot férira ta teste.”2
“Het zij zoo!” hernam Naaldwijk, nadat hem Deodaat, op zijn verzoek, de beteekenis dier woorden had doen kennen: “ik zal dan voor ’t minst een krijgsmansdood sterven.”
“Zal mijn lot even voorspoedig wezen?” vroeg de Heer van Spangen, terwijl hij den wichelaar zijn gift aanbood.
Ook hij zag dezelfde bloedkleur.—“Hou thans uw Fransch maar voor u,” zeide hij: “ik heb aan dat teeken genoeg.”
“Wanneer ik sterven zal, is mij vrij onverschillig,” zeide Walcourt: “zeg mij, zoo gij kunt, wie mij dooden zal,” en, den staf met een vaste hand aangrijpende, stak hij dien in ’t vocht.
Meester Barbanera beschouwde een wijl de zich daarin voordoende gedaanten, en op eene er van wijzende, die naar een dorschvlegel zweemde, zeide hij:
“De vilain ignoble fléau
Vous occira sur le préau.”3
Andere Ridders en Edellieden volgden: en bijna ieder ontving een onheilspellend antwoord. Het was niet onbelangrijk op te merken, hoe elk hunner zich in deze omstandigheid gedroeg. Sommigen lachten overluid: doch hun gedwongen houding toonde genoeg aan, hoe weinig zij innig tot vroolijkheid gestemd waren: anderen zagen den toovenaar met een gramstorigen blik aan: enkelen bleven, in diep gepeins verzonken, zijn voorspelling overdenken.
“En gij, mijn Heer van Beaumont!” riep Naaldwijk dezen Edelman toe, die met Aylva stond te praten: “zijt gij niet nieuwsgierig om uw lot te vernemen?”
“Ik zie niet,” antwoordde Beaumont, “dat de wetenschap, die gij allen hebt opgedaan, u veel profijt heeft bezorgd.”
“Komaan! Komaan! laat u overhalen!” klonken verscheidene stemmen: “het is immers slechts een spel.”
“Indien het u aangenaam kan zijn, welaan dan,” zeide Beaumont: “zeg mij, waarzegger! of ik in het lot van al die brave Heeren deelen zal; want mij dunkt, dat er een groote slachting onder hen zal plaats hebben.”
“En tout temps te gardera Dieu
D’eau, de fer, de bois et de feu.”4
was het antwoord des waarzeggers.
“Waarlijk! gij meent het wel met mij,” zeide Beaumont lachende, “en hebt op eene dubbele belooning recht. Komaan, mijn Heer van Aylva, het is uwe beurt.”
“Kunt gij raden wat ik u vragen wilde?” zeide deze tot den profeet.
Nauwelijks had meester Barbanera hem in de oogen gezien of hij wenkte de omstanders terug te treden.
“Hoe nu!” zeide Aylva, verbaasd het stokje in de hand nemende, “mag niemand het antwoord hooren?”
”Ricordatevi di Bianca di Salerno,”5 fluisterde hem de waarzegger in ’t oor.
“Madre di Dio!” riep Aylva sidderend uit.
Op het hooren van dezen kreet kwamen de omstanders weder naar voren; waarop de kokeler terstond overluid deze regels volgen liet:
“Il cane la brebis mangea,
Mais l’agnel tôt reviendra.”6
“Mensch!” zeide Aylva: “van wien hebt gij deze dingen?”
Doch Adeelen was hem reeds voorgetreden. “Elk zijn beurt, vriend Aylva!” zeide hij: “kom, meld mij eens, kokeler! of Friesland nog lang vrede zal hebben. Maar spreek mij geene vreemde talen, die ik toch niet versta.”
Barbanera bedacht zich een oogenblik, en terwijl het water weder de bloedkleur aannam, zong hij het referein van een Platduitsch liedje:
“Waert up de fruntering!
De Viant ist da.”7
“Men moest een ezel zijn, om dit niet te begrijpen,” zeide Adeelen, terwijl hij vergenoegd aftrok.
“Zal ik goede tijding uit Verona hebben?” vroeg Deodaat, aan wien Reinout deze vraag had geopperd.—Het antwoord was:
“Nouvelles qui vous parviendront,
Joies et douleurs vous causeront.”8
“Men behoeft geen toovenaar te zijn om zulk een antwoord te geven,” zeide Reinout, en zijns makkers plaats innemende, vroeg hij, of hij de schoone zangster zou leeren kennen, wier maatgeluid hem verrukt had, en bekwam het navolgend orakel:
“De Sirènes le chant plaira;
Mais male mort s’en suivera.”9
“En gij, eerwaardige Abt!” vroeg Treslong aan vader Volkert: “wilt gij ook de wijsheid des kunstenaars niet beproeven?”
“Ofschoon ik zijne waarzeggingen voor dwaze en onbeduidende praktijken houde,” antwoordde de Abt, “wil ik echter, uit achting voor het aanzienlijk gezelschap, hem eene vraag voorstellen. Ik begeer geenszins het toekomende uit te vorschen, daar zulks in iemand van mijn karakter hoogst ongepast ware; doch zal hem alleen naar het tegenwoordige vragen. Zeg mij nu, toovenaar! dragen al de Monniken van Sint-Odulf hunnen Abt in hun gemoed de achting toe, die zij hem verschuldigd zijn?”
Een algemeen gelach ontstond toen de waarzegger antwoordde:
“Souvent qui porte mître
d’Abbé n’a que le titre.”10
“Lacht zooveel gij wilt, mijne Heeren!” zeide vader Volkert: “zooals zij dan wezen moge, ruil ik mijne waardigheid tegen geene andere: want in Sint-Odulf heerscht rust en vrede, ’t geen men niet van alle conventen zeggen kan: en ik ben meer heer in mijn klooster dan Jan van Arkel in zijn Bisdom, waar hij van verdriet is uitgeloopen.”
“Kent gij den Bisschop van Utrecht?” vroeg Beaumont.
“Hij is kort na zijn verheffing onze kloosters komen bezoeken.... een schoon jongeling was hij, en wien de mijter wèl stond, dat mag gezegd worden:—hij kwam eerst te Sint-Odulf: en toen gaf ik hem op zijn reis naar de andere kloosters onzen broeder Syard mede, die hem overal heeft rondgeleid en alles verklaard, of ik het gedaan had.... maar nu, gij, mijnheer van Treslong, die mij aangespoord hebt om den kokeler te gaan raadplegen, gij lacht mij uit en zijt zelf nog niet bij hem geweest.”
De Ridder zag hem glimlachende aan, en naar Barbanera gaande, nam hij den tooverstaf uit diens handen. Maar nauwelijks had hij dien in het vocht gestoken, en de vraag gedaan of hij slagen zou in de onderneming, welke hij in den zin had, of de waarzegger zag hem met smeekende oogen aan, wrong de handen en viel op de knieën neder.
“Hoe nu, schurk! wat heeft dat te beduiden?” vroeg Treslong.
“Perdonatemi, illustrissimo Signor conte!” riep Barbanera als in doodsangst uit: “ma non posso dir11....”
“Gij kent mij!” zeide de Graaf; want het was WillemIV zelf, die gewoon was zijn rang af te leggen wanneer hij met zijn hovelingen aan ’t spelen was, en zulks dezen avond langer dan gewoonlijk had volgehouden, eerst om zich met de Friezen te vermaken en vervolgens om den toovenaar te misleiden:—“Welnu! wat zegt uw orakel?”
Barbanera liet het hoofd op de borst vallen, sloeg de oogen neder, kruiste zijn armen en mompelde toen:
“Non vié altro oracolo che quello del conte di Gelria12.”
“Ellendige!” riep de Graaf vertoornd uit en wierp den tooverstaf met geweld van zich af. Ten einde de uitwerking van des waarzeggers woorden te verstaan, dienen mijn lezers zich te herinneren, dat de oude Graaf Reinout van Gelder, toen hij WillemIV als kind ten doop hield, de voorspelling gedaan had, dat zijn petekind eenmaal door het zwaard der Friezen zou omkomen. Hoewel niemand en vooral de Graaf zelf ooit veel gewicht had gehecht aan de taal des ouden mans, dien men als half zinneloos beschouwde, liet de aanhaling daarvan, op zulk een oogenblik en bij een zoo zonderlinge gelegenheid, niet na, een diepen indruk op het gemoed der aanwezigen te maken.
Aylva was de eerste, die de stilte brak, welke dit voorval had doen ontstaan. Eerbiedig naderde hij Willem en, zich ontdekkende: “Heer Graaf!” zeide hij: “vergeef het mij, die u vroeger reeds herkend had, zoo ik u niet eer de hulde heb bewezen, die u toekomt; maar ik had uw verlangen, van onbekend te blijven, geraden en geëerbiedigd. Het voegde mij niet, ongeroepen het woord tot u te voeren; maar de taal, door gindschen bedrieger gesproken, maakt het mij tot een plicht, u te verzekeren, dat, zoolang de Friezen in u een goeden en gunstigen beschermer vinden, gij van Friesche zwaarden niets zult te vreezen hebben.”
“En ik waarborg u,” voegde Beaumont er bij, “dat uwe Genade geen waardiger en getrouwer vriend kunt hebben dan den Heer van Aylva, althans zoo hij nog dezelfde is, die hij voor vijf en twintig jaren was.”
“Wij danken u, waardige Aylva,” zeide de Graaf, hem bewogen de hand toereikende: “wees verzekerd, dat ons het welzijn van een gewest, waarin wij zulke getrouwe vrienden bezitten, op ’t naaste aan ’t harte ligt. Vergeef ons, zoo wij ons niet dadelijk aan u bekend hebben gemaakt; maar wij moesten den dag van morgen aan onze waardigheid geven en daarom wilden wij dien van heden buiten den band der plichtplegingen doorbrengen.”
“De Heer van Aylva had er wel bij mogen voegen, dat hij thans uit zijn eigen naam sprak en niet als afgevaardigde van Friesland,” zeide Adeelen halfluid tegen den Abt.
“Stil! stil!” voegde hem deze zachtjes toe: “onze vriend is een wijs man; maar hij vergeet somtijds dat hij mede-afgevaardigden heeft. Intusschen voegt het ons, insgelijks den Graaf te gaan begroeten.”
“Ik zal wachten, dat hij zelf mij aanspreekt,” hernam Adeelen: “o! dat ik hem eerder gekend hadde, ik had liever deze hand afgekapt dan dat ik ze hem had toegestoken.”
“Gij zijt toch niet verstoord op ons, mijne goede Heeren!” zeide de Graaf, op datzelfde oogenblik minzaam tot hen tredende. “Wij hebben gehoord, dat er hedenmorgen een uwer in den Hout onaangenaamheden heeft gehad. Deze zaak zal onderzocht worden. Reeds hebben wij een der aanstokers van dat geschil, een boschwachter, die in onzen eigen dienst was, zijn afscheid doen geven.”
De Abt boog zich met eerbied. Adeelen maakte een stijve buiging en bleef toen strak voor zich kijken.
“Gij hebt zoo straks uwe hand aan den Heer van Treslong gegeven,” vervolgde Willem: “zult gij die aan den Graaf weigeren?”
Adeelen stond nog roerloos. Beaumont, die een uitbersting vreesde, trad haastig tusschen beiden.
“Het is niet aan den afgevaardigde van Friesland,” zeide hij, “het is aan Jonker Seerp Van Adeelen, dat Willem van Henegouwen de hand biedt.”
“Seerp Van Adeelen heeft vrijwillig de hand aan den heer van Treslong gegeven,” zeide de weerbarstige Fries: “den Grave komt òf de hulde òf den handschoen van Frieslands afgevaardigde toe.”
”’t Is genoeg,” zeide Willem, die zich, zonder naar deze taal te luisteren, reeds had omgewend: “on ne scauroit faire boire un asne s’il n’a soif13.” “Mevrouw de Gravin! zou het uwe goedkeuring wegdragen, indien we de paarden lieten opzadelen?”
De Gravin boog zich toestemmend: en het gezelschap, dezen wenk verstaande, maakte de noodige toebereidselen om te vertrekken.
“Wat belieft uwe genade, dat met deze kokelers gedaan worde?” vroeg Reinout aan den Graaf, terwijl hij op Barbanera wees, die, met behulp van zijn makker, den toestel bereids weer had ingepakt.
“Mij dunkt, zij zouden een groot versiersel zijn voor den kastanjeboom op het achterplein,” zeide Naaldwijk.
“Dat men hen met zweepslagen den Vogelesang afdrijve,” zeide Willem op een gestrengen toon.
“Mijn edele Heer!” riep de Gravin, hem bij de hand nemende: “zij hebben mijn woord in uw bijzijn ontvangen, dat men hun geen leed zou doen.”
De Graaf bedacht zich eenige oogenblikken. “Welaan!” zeide hij vervolgens: “breng hun een paar gulden: en daarbij onzen stelligen wil, dat zij na vier en twintig uren zich niet weder in onze Staten vertoonen, op straffe van aan den Rechter te worden overgeleverd, als schuldig aan duivelskunstenarijen. Gij hebt ons verstaan, Reinout! zorg dat zij het wel begrijpen:—en deel onzen last aan den Schout van Haarlem mede, dat hij voor de uitvoering zorge.—En nu, mijne Heeren! is het tijd van gaan. Wie ons liefheeft, volge ons.”
In weinige oogenblikken was de gansche stoet te paard gezeten en naar Haarlem in aantocht. Alleen Reinout en Deodaat bleven een poos achter, om den kokeler ’s Graven besluit mede te deelen, en volgden toen, ofschoon op eenigen afstand, den trein.
Het was eerst nabij het oude Johanniter-klooster, dat zij dien weder in ’t oog kregen en zagen, dat de Friezen, waarschijnlijk om den Graaf eer aan te doen, niet afstapten, maar mede naar Haarlem reden. “Hou even op,” zeide Reinout: “ik krijg daar een inval.”
“Deze of gene zottigheid?” zeide Deodaat.
“Neen, in ernst!—Wij hebben den avond vrij: laat ons dien besteden om achter het geheim te geraken, dat mij zoo na aan ’t harte ligt.”
“Wat zijn uwe voornemens?”
“Volg mij, en gij zult die vernemen,” antwoordde Reinout, terwijl hij rechtsaf een weg insloeg.
“Gaat gij verre?” vroeg Deodaat: “ik ben vermoeid en verlang hartelijk naar mijn bed.”
“Niet verder dan de hut van Walger den boschwachter, waar wij onze paarden zullen laten,” antwoordde Reinout.
“En dan?”
“En dan!—maar gij bezit niet de minste verbeeldingskracht! Dan sluipen wij naar het klooster, trachten onze schoone zangster te ontdekken....”
“Beklauteren de muren, rooven haar weg, slaan alles dood, en voeren onzen buit naar ons paleis te Verona:—is dat uwe bedoeling niet?”
“Niet volkomen!” antwoordde Reinout, lachende in weerwil van zich zelven: “indien wij haar slechts kunnen zien en hooren, dan ben ik voldaan.”
“Ik beken u van harte, dat ik al zoo lief op mijn bed lag en van daar die hemelsche tonen hoorde:—zoo wij eens betrapt worden, terwijl wij rondom dat klooster dwalen, zal onze ontdekkingsreis stofs genoeg opleveren tot een maand bespotting.”
“Welnu! laat mij dan alleen gaan,” zeide Reinout, wrevelig: “ik geloof inderdaad, dat men alleen beter tot zulk een tocht geschikt is.”
“Reinout!” zeide Deodaat, het hoofd langzaam schuddende: “dat heb ik niet aan u verdiend!—Gelooft gij, dat ik u verlaten zou, hoe zot het avontuur dat gij voorhadt ook wezen mocht?”
“Vergeef mij,” zeide Reinout: “heb slechts de goedheid mij niet weer te kwellen; gij weet, wanneer ik verliefd ben, versta ik geen boert.”
Gedurende deze woordenwisseling waren zij de woning des boschwachters genaderd: deze was tegen een klein duintje gelegen, en van den zijweg, waarop de vrienden zich bevonden, afgescheiden door een scherm elzenhakhout en door twee zware wilde kastanjeboomen, die thans in vollen bloei stonden, en tusschen welke het pad lag, dat dwars door het hakhout naar den ingang der woning geleidde. De Ridders stegen af, en terwijl Reinout de paarden aan den boomstam bond, begaf zich Deodaat naar de hut, om den boschwachter of iemand der zijnen te roepen, ten einde bij de paarden te blijven en die te bewaken, zoolang zij op hunne ontdekkingsreis uit waren.
1
Droeve dagen zullen komen:
Groote heeren zullen sneven;
Vrede en vreugde zullen volgen:
Roos en lelie zullen bloeien.
2
De boog is gespannen, de pijl gereed,
Die ras uw hoofd zal treffen.
3
Eens dorpers onedele vlegel
Zal u op het veld doodslaan.
4
God zal u altijd bewaren
Voor water, staal, hout en vuur.
5 Herinner u Bianca van Salerno.
6
De hond heeft het schaap opgegeten;
Maar het lam zal weldra terugkomen.
7
Waakt op de grenzen!
De vijand is daar.
8
De tijdingen, die u zullen komen,
Zullen u vreugd en leed veroorzaken.
9
Der Sirenen lied zal behagen;
Maar droeve dood er op volgen.
10
Dikwijls heeft hij die een mijter draagt
Alleen den titel van Abt.
11 Vergeef mij, doorluchte Heer Graaf; maar ik kan niet zeggen....
12 Er is geen ander orakel dan dat des Graven van Gelder.
13 Men kan geen ezel doen drinken zoo hij geen dorst heeft.
Zevende Hoofdstuk.
Inhoudsopgave
O hemel! ja! dus was haar spraak, haar tred, haar wezen:
Zij is het.
Alzire.
Daar de deur half aanstond, behoefde Deodaat zijn komst door geen geklop aan te kondigen, maar trad onverhinderd binnen. Het verblijf van Walger bestond uit een vrij ruim vertrek, waarvan een derde was ingenomen of overdekt door den wijd vooruitstekenden schoorsteenmantel, binnen welks omvang een paar zijden spek, eenige gevilde en ruige konijnen en een menigte netten en vischwant hingen te drogen. Een tafel van ruw hout, die nabij het venster stond, een paar zitbankjes en jachtgereedschappen van allerlei vorm en gebruik, maakten de eenige meubelen uit, waarmede overigens dit verblijf was voorzien.
De zon was sedert een geruimen tijd ondergegaan, en de schaduw, welke de breede kruinen der beide kastanjeboomen om zich neerwierpen, had over al de voorwerpen, die zich in de stulp bevonden, een duisternis verspreid, waaraan de oogen van hen die zich binnen bevonden, reeds gewend waren, maar welke Deodaat, die van buiten kwam, belette, den vorm of de kleur van eenig ding duidelijk te onderscheiden. Alleen de smeulende gloed van een paar kluiten afgestoken derrie, die op den haard lagen, wierp een flauwen schemerschijn om zich heen, en deed al de voorwerpen op eene nog ongewisser en fantastischer wijze uitkomen.
Het eerste, wat onze Ridder bij het inkomen bespeurde, was eene aan de tafel zittende gedaante, welke hij voor de vrouw des boschwachters hield, en die een pak, dat naar een kind geleek, op den schoot had. Zonder verder rond te zien naderde hij dit vrouwelijk wezen:
“Vrouwtje!” zeide hij: “kunt gij of uw man even buiten komen om onze paarden vast te houden?”
De gedaante hief het hoofd op met een half versmoorden kreet van schrik (want zij had de komst van Deodaat niet opgemerkt); doch antwoordde, zich terstond herstellende: “ik ben de vrouw van den boschwachter niet; maar ’t zal nu moeilijk schikken u te helpen.”
De stem was zoo zoet en welluidend, en deed zich in zulk een zachten tongval hooren, dat Deodaat een oogenblik verlegen en opgetogen van verwondering bleef staan: “Vergeef mij,” zeide hij vervolgens: “ik heb, geloof ik, een dommen streek begaan; maar de duisternis belet mij te zien tot wie ik spreek, en welk een titel ik moet geven aan haar, die mij de eer aandoet van mij te antwoorden.”
“Aha! zijt gij het?” vroeg een ander lief stemmetje, ’t welk aan een jong meisje toebehoorde, dat van achter de schouwe uit een donkeren hoek kwam opdagen.
“Mijn mooi Friezinnetje van hedenmorgen!” riep Deodaat vroolijk uit, die Sytsken herkende aan haar uitspraak zoowel als aan haar kleine gestalte en vluggen lichaamszwaai.
“Wacht!” hernam Sytsken: “ik zal licht opsteken; want de kat alleen kan in deze duisternis zien. Vrouw! waar bewaart gij de lamp?”
“Achter, op den schoorsteenrand,” antwoordde, uit de in den donkeren hoek aanwezige bedstede, een flauwe stem, welke Deodaat voor die van des boschwachters huisvrouw herkende.
Het kleine Friezinnetje klom op een bank en kreeg niet zonder moeite de lamp van hare plaats, waarna zij gehurkt bij het vuur ging zitten om licht te verschaffen; maar vruchteloos bracht zij het eene aangestokene strootje voor en het andere na bij de pit: het vlammetje was uit eer de olie vuur vatte.
“Ik zal zien of ik u helpen kan,” zeide Deodaat, toen het meisje over haar mislukte pogingen onverduldig werd: “de tocht door dien schoorsteen blaast de vlam uit:” en zich op de eene knie naast haar nederlatende, dekte hij het aangestoken vlammetje met zijn toppermuts tegen de lucht, die van boven kwam, waardoor een herhaalde poging gelukkiger slaagde.
Het licht werd nu op de tafel geplaatst; maar, was de verbazing van Deodaat groot geweest, toen hij de liefelijke stem der onbekende gehoord had, hij stond nu als opgetogen, toen hij haar, die zoo bevallig gesproken had, mocht aanschouwen.
Voor zooveel men, nu zij gezeten was, haar gestalte kon beoordeelen, was zij rijzig van postuur; doch haar fijne leest was gewikkeld in een zwarten zijden mantel, die niets liet bespeuren dan de bevallige ronding van een leliewitten arm, die, tegen de toen algemeen heerschende mode, tot boven den elleboog bloot, en om het lijf van een ziekelijk kind, dat op haar schoot zat, geslagen was. De kap van den mantel bedekte het hoofd, en was onder de kin vastgestrikt, doch liet echter vrijheid om de edelste en tevens innemendste wezenstrekken te beschouwen, welke immer in het hart eens jongelings liefde verwekt hebben. De strenge regelmaat des beloops van neus en voorhoofd, welke aan het profil der Grieksche Juno herinnerden, was getemperd door den zachten, minzamen opslag van twee groote, helder hemelsblauwe oogen, overwelfd door gitzwarte wenkbrauwen, zoo zuiver van omtrek, als waren zij door een penseel gevormd, en door de kuiltjes, welke in de van gezondheid schitterende wangen en in de ronde kin als tot een schuilplaats voor de bevalligheden gevormd waren. Een klein vlekje ter zijde der bovenlip, in stede van het gelaat te ontsieren, stak geestig af tegen de blanke tinten van het fijne, met blauwe adertjes gemarmerde vel, en verhoogde de levendigheid van uitdrukking der wezenstrekken, vooral wanneer zij zich tot een lachje saamtrokken, en de half geopende rozemond de dubbele rij der hagelwitte tandjes ontdekken liet.
“Bij mijn ziel!” dacht Deodaat: “Reinout heeft een heerlijken inval gehad: en ik gun hem zijne zangeres, zoo ik dezen lieven engel op mijn gemak mag blijven beschouwen.—Waarlijk, bevallige Jonkvrouw!” vervolgde hij, overluid: “ik dacht weinig, dat de nederige stulp van Walger met zulke bezoeken vereerd werd. Zij strekte menigmalen tot een verzamelplaats voor de jagers; maar zij zou nimmer ledig zijn, indien men altijd zeker ware, er zulke gasten aan te treffen.”
Nauwelijks had hij dezen volzin geëindigd, of hij werd knorrig op zich zelf en vond de geüite plichtpleging laf, ontijdig en ongepast. Het antwoord der schoone versterkte hem in deze opvatting.
“Ik geloof niet,” zeide zij, op een vriendelijken, maar gevoelvollen toon, “dat de jagers, waar gij van spreekt, veel genoegen zouden vinden in een zoo droevig schouwspel als hetgeen deze plaats thans verschaft,” en zij wees den Ridder naar de bedstede, waar hij nu eindelijk een geestelijke ontdekte, oogenschijnlijk gereed de plichten van zijn heilig ambt waar te nemen bij een vrouw, welke op het leger lag uitgestrekt.
“Is de vrouw van Walger ziek?” vroeg Deodaat.
“Er is een ongeval gebeurd,” antwoordde de onbekende: “zij heeft een wond aan het hoofd bekomen.”
“Ja freule!” voegde Sytsken er bij: “zoo gij dat een ongeval noemt.... alsof het niet de schuld van dien boozen boschwachter ware: dat het een rechte smijtersbaas is, heb ik van morgen al opgemerkt.”
“Ik heb al meer bespeurd,” zeide Deodaat, het hoofd schuddende, “dat Walger de beste man niet was. Wel Elske!” vervolgde hij, naar de bedstede gaande: “hoe staat het er mede?”
“Ik hoop dat het schikken zal, Ridder!” antwoordde Elske, moeite doende om met het hoofd te knikken: “hadden deze brave menschen mij niet geholpen, ik ware er om koud geweest.”
“Stil!” zeide de geestelijke, die onbeweeglijk naast de bedstede zittende, haar polsslag gadesloeg: “gij moet zoo min mogelijk spreken.”
“Corpo di Bacco!” klonk op eens de stem van Reinout, die met vrij wat gedruis binnentrad: “moet ik tot morgen bij de paarden blijven?”
“Bedaar wat,” zeide Deodaat: “hier is een zieke.”
“En gezonden ook, naar ik merk,” hernam zijn vriend, rondziende: “’t verwondert mij niet, dat gij mij in zulk gezelschap vergeet. Zult gij mij het genoegen doen, mij aan deze jonkvrouwen voor te stellen? want zeker hebt gij reeds kennis gemaakt.—Madre di Dio! deze hier heb ik meer gezien.” Dit zeggende pakte hij Sytsken bij den arm, die zich haastig losrukte.
“Jongeling!” zeide vader Syard, (want deze was de monnik, die naast net ziekbed zat) oprijzende, en met een streng gelaat naar hem toetredende: “bewaar uw loszinnigheid voor het hof van Graaf Willem: daar mag zij misschien behagen! hier is zij ongepast.”
“Vergeef mij, Pater!” zeide Reinout, zonder zijn spotachtigen toon te laten varen: “ik had u niet gezien: en ik wist niet, dat deze schoonen zoo gelukkig waren u tot haar beschermheer te hebben;.... maar zoo ik mij wel bezin,” voegde hij er bij, op eens van toon veranderende: “draagt gij niet het ordekleed van Sint-Benedictus?”
De monnik knikte toestemmend.
“En dit meisje was het, dat hedenmorgen onze hulp voor Seerp Van Adeelen inriep?”
“Dat was ik,” zeide Sytsken: “en nogmaals dank voor uw bijstand.”
“En deze daar,” vervolgde Reinout, met klimmende belangstelling, terwijl hij de onbekende met opgetogen verbazing beschouwde: “behoort ze ook bij u?”
“Wij zijn de Jonkvrouw hier gevolgd,” antwoordde vader Syard.
“Ik ben een zot, een ezel!” riep Reinout, zich voor het hoofd slaande, “vergeef mij, schoone Freule, zoo ik eene, eene enkele uitdrukking gebezigd heb, die uw toorn verwekken kon.”
“Er was geen opzet tot beleediging,” zeide de onbekende op een vriendelijken toon: “hoe zou ik dan toornig zijn.”
”’t Is hare stem, bij alle Heiligen!” zeide Reinout: “en gij liet mij buiten staan, Deodaat!”
“Ik zou u juist zijn gaan roepen,” zeide Deodaat.
“Maar, wat zegt gij toch?” zeide de Jonkvrouw, die niets van den uitroep van Reinout begreep, terwijl zij eerst dezen, en vervolgens de overigen verlegen aanzag.
“Waarlijk ja,” zeide Deodaat halfluid tegen zijn vriend: “nu meen ik ook de stem te herkennen.”
“Meenen!—Zoo gij het minste gevoel in uw ziel bezat, zoudt gij er zeker van zijn zoowel als ik,” hernam Reinout opgetogen.
“Ik geloof, dat die Heeren gek zijn,” zeide de onbekende tegen Sytsken, terwijl zij opstond en haar het kind overhandigde: “zij hebben mij nooit hooren spreken.”
“Neen, maar wel zingen,” zeide Reinout: “en de ooren, die eens de melodie uwer stem dronken, zullen haar nimmer meer met een andere verwarren.”
“Hoe!” zeide de Jonkvrouw, sterk blozende: “gij hebt....”
“Vergeef ons, edele Freule!” zeide Deodaat: “wij zijn onbescheiden geweest. Dezen achternoen bevonden wij ons toevallig in den hof van het oude Sint-Jans-klooster.... en het was vergeeflijk, dat wij niet vertrokken, voordat de hemelsche muziek geëindigd was, die ons daar mocht boeien.”
“Ik dacht niet dat iemand mij hoorde buiten Sytsken,” hernam de onbekende: “had ik geweten, dat zulke kenners, die beter zang gewend zijn, naar mij luisterden, ik had wel gezwegen: doch kom! ik verpraat mijn tijd.... en die arme vrouw ligt ondertusschen te steunen. Hoe gaat het nu, vrouwtje?”
Dit zeggende, plaatste zij zich naast het bed.
“En dat meisje, dat niet terugkomt,” zeide Sytsken: “en de Olderman en Seerp Van Adeelen, die misschien al ongerust zijn over uw uitblijven.
“Dat zal zich wel schikken,” hernam de Jonkvrouw: “lang mij even dat kommetje aan: ik moet het linnen nog eens betten.”
Sytsken leide het kind op het bed, en hield een kommetje met azijn en water voor hare schoone meesteres, terwijl deze met den linkerarm het hoofd der lijderes ondersteunde en met de rechterhand het verband der wond bevochtigde. Deodaat nam dadelijk deze gelegenheid waar om nuttig te zijn: en de lamp van de tafel nemende, hield hij het licht bij. In dien tusschentijd verzocht Reinout den monnik, hem te willen verhalen, wat er voorgevallen was, en bood zijn hulp aan, voor zooverre hij van eenigen dienst kon wezen.
“Het is ongeveer twee uren geleden,” zeide vader Syard, “dat een klein meisje, naar ik meen het dochtertje van deze vrouw, aan ons verblijf kwam aankloppen en schreiende aan den dienaar, die haar inliet, verhaalde, dat haar vader hare moeder doodgeslagen had.”
“Dat is niets nieuws,” merkte Reinout aan: “dat doet Walger alle maanden eens; maar ga voort, Pater.”
“De twist scheen daaruit ontstaan te zijn, dat er in de afwezigheid des mans iemand vanwege den Graaf is gekomen met de boodschap, dat men zijne diensten als boschwachter niet meer noodig had, uithoofde hij zich hedenmorgen in den twist met Seerp Van Adeelen gemengd had.”
“Inderdaad, nu herinner ik mij, iets van zulk een bevel gehoord te hebben.”
“De man, die wel beschonken te huis kwam, geraakte op het hooren dezer tijding en van de verwijtingen zijner vrouw bij die gelegenheid zoo in toorn, dat hij haar met het hoofd tegen de steenen smeet:—wanende dat zij dood was, nam hij de vlucht.”
“Laat hij wegblijven: een schurk minder in de buurt.”
“Men kwam mij dit alles boodschappen, terwijl de afgevaardigden, als u bewust is, afwezig waren. Ik bevond mij juist bij de Jonkvrouw, die terstond begeerde het meisje te zien. Na het ongeval uit haar mond vernomen te hebben, besloten wij het kind te volgen, in de hoop, dat zoowel geneeskundige als geestelijke hulp nog tijdig genoeg mocht komen. Wij vonden de vrouw nog altijd bezwijmd, en een kleiner kind kermende op het bed. Met Gods hulp brachten wij haar weder tot haar zelve en de Jonkvrouw verbond de kwetsuur, welke ik mij vlei, dat weldra genezen zal, zoo er geene koorts of ontsteking bij komt.”
“Men beweert,” zeide Deodaat, die mede aandachtig had toegeluisterd, “dat hoofdwonden in dit land nogal niet gevaarlijk zijn.”
“Dit schijnt de ondervinding te bevestigen,” zeide de monnik.
“Er zijn wonden, die even snel geslagen worden en wier genezing onmogelijk is,” zeide Reinout, de Friesche Jonkvrouw met een smachtenden blik aanziende. Zij sloeg echter geen acht op zijn ontijdige liefdesverklaring, daar zij bezig was, het verband, dat losgeraakt was, weer vast te hechten.
“Kunt gij ook iets nader bijlichten?” zeide zij: “het springt gedurig los.... ’t gaat alweer niet,” hervatte zij, een weinig ongeduldig.
“Met uw verlof,” zeide Deodaat; “zoo ik even helpen mag—ik geloof dat ik zie waar het aan hapert.”
“Gij!” zeide de Jonkvrouw, hem eenigszins verwonderd aanziende: “welnu!” vervolgde zij glimlachende: “wijs mij eens te recht.”
“Zie,” zeide Deodaat, de lamp aan Reinout ter hand stellende, die bij zich zelven vloekte: “indien gij het linnen hier dubbel vouwt en er dit end doorhaalt, en voorts kruiselings over het hoofd slaat, kan het verband onmogelijk losgaan.”
Terwijl hij aldus sprak, voegde hij de aanwijzing bij het voorschrift en geleidde de blanke en poezele handjes der schoone over het hoofd van des boschwachters vrouw, niet zonder een zoete en zalige trilling te gevoelen, welke die aanraking in geheel zijn wezen teweegbracht.
“Gij hebt gelijk,” zeide de Friezin, toen zij naar eisch geslaagd was: “en ik dank u voor de hulp.”
“Wie had het ooit gedacht?” voegde Sytsken er bij: “dat een Jonker beter een verband zou leggen dan Freule Madzy, die ik niet dacht dat haars gelijke had.”
“De oorlog maakt ons deze kennis vaak noodzakelijk,” zeide Deodaat: “maar nooit heb ik haar met zooveel genoegen in het werk gesteld als nu.”
Op ditzelfde oogenblik ging de stulpdeur open, en Marretje, des boschwachters dochter, die, nadat haar moeder weer was bijgekomen, door deze was uitgezonden om een buurvrouw te halen, ten einde bij de zieke te waken, kwam springende en in de handen klappende terug, de oude boerin bij de hand geleidende, welke de taak van oppasster zoude waarnemen.—“Goed nieuws!” zeide zij: “ik breng een meester mede, die moeder wel terstond genezen zal.”—Hier zweeg zij plotseling, onthutst op het zien der beide Ridders.
“En wie is de kunstenaar, die dat wonder doen zal?” vroeg Reinout, zich omkeerende: “ei zoo! is het die schurk?”
Het was inderdaad meester Barbanera, die de hut binnentrad, en een diepe buiging voor het aanwezig gezelschap maakte.
“Zijt gij het, ongeluksvogel?” vroeg Deodaat: “gelooft gij, dat een der onderzaten van Graaf Willem nog met uwe hulp gediend zal wezen na al de ellenden, die gij hem en zijn huis voorspeld hebt? Verbeeld u, Pater!” vervolgde hij tot den monnik: “dat deze kwakzalver de stoutheid heeft gehad, hedenavond, ter belooning der gunst, waarmede hij op den Vogelesang ontvangen was, niets dan rampen aan onzen Vorst en het daar tegenwoordig gezelschap te voorspellen.”
Meester Barbanera haalde de schouders op en hief de oogen opwaarts, als wilde hij te kennen geven, dat men alleen het gestarnte en niet hem beschuldigen moest. Vervolgens begaf hij zich naar de bedstede en wilde de hand der lijderes nemen om haar pols te voelen, toen Reinout hem bij den kraag vatte en terugtrok.
“Waag het niet haar aan te raken,” zeide hij op een gramstorigen toon, “zoo gij niet begeert dat wij terstond den eersten last des Graven ten uitvoer brengen en u tot een aas der kraaien maken.”
“Gij zoudt kwalijk doen,” fluisterde de kwakzalver hem in ’t Italiaansch toe: “gij zoudt daardoor den eenigen man wegruimen, die het geheim uwer geboorte kent.”
“Gij!” herhaalde Reinout, in dezelfde taal, terwijl hij de armen vallen liet. “Welnu,” vervolgde hij, hem in een hoek van het vertrek voerende, “morgen te acht uren wacht ik u hier weder. Den brenger van echte tijdingen zal ik rijkelijk beloonen; maar den bedrieger ernstig straffen: wees daarvan zeker.”
“Ik zal komen,” zeide de kwakzalver; “doch onder één beding; gij zegt niets van dit aan uw makker: en gij komt alleen.”
De monnik en Deodaat, bezig met de zieke zijnde, hadden niets van dat gesprek vernomen: “Mij dunkt,” zeide de eerstgemelde, “dat het alleen aan de lijderes staat om te beslissen, of zij van de hulp des vreemdelings al of niet gebruik wil maken.”
“Ik gevoel mij beter,” zeide Elske: “en ik hoop dat het zonder medicijnen wel zal schikken; als buurvrouw Machteld bij mij blijft van nacht; want ik ben doodsbang alleen.”
“In dat geval kunnen wij terugkeeren,” zeide vader Syard tegen zijn twee gezellinnen; “het voegt ons niet, de Heeren aan ’t klooster langer in ongerustheid te laten.”
“Gij zult ons vergunnen u veilig naar huis te geleiden,” zeide Reinout: “het is avond en in de duisternis zoudt gij kunnen verdwalen.”
De monnik nam dit aanbod met een stijve hoofdbuiging aan: Madzy hoorde het niet, of deed althans of zij het niet hoorde en nam afscheid van de gewonde, haar belovende, den volgenden dag naar haar te komen zien: de kwakzalver werd op een zachte wijze de deur uitgeschoven en het gezelschap verliet de hut, Elske aan de zorg van buurvrouw Machteld overlatende.
Het was nu volkomen nacht geworden, en daar de maan nog niet was opgekomen, donker genoeg: zoodat er reeds eenige behoedzaamheid noodig was om den rijweg te bereiken langs het smalle paadje door het kreupelhout, waarop Reinout de anderen voorging, die hem één voor één volgden. Op den rijweg gekomen, begon men min of meer de vormen der dingen te kunnen onderscheiden en Reinout, den kastanjeboom naderende, greep naar den toom van hetgeen hij voor zijn paard hield.
“Dat is mijn paard niet,” zeide hij: “is het uw vos, Deodaat?”
Dit zeggende liet hij den toom in de hand zijns vriends glijden en sloeg zijn arm om den nek van een ander viervoetig dier; dan op hetzelfde oogenblik gaven beiden een kreet van verbazing.
“Wilt gij mij dit paard uit de openbaring voor mijn vos verkoopen?” vroeg Deodaat, de hand strijkende over de uitstekende bouten en knoken van het dier, dat hij vasthield.
“Hier heeft tooverij plaats, bij alle duivels!” vloekte Reinout, die, in de plaats van het spiegelgladde vel van zijn zwarten hengst, de stekelharige vacht van een ezel voelde.
“Wat is u toch overkomen?” vroegen vader Syard en de beide meisjes, als uit eenen mond.
“Hier priester! eene bezwering!—het is de booze zelf, die mij in ’t aangezicht vaart,” brulde Reinout, wien een zwart dier, dat zich van des ezels rug scheen los te maken, in ’t aangezicht was gevlogen.
“Cezar! hier!” riep plotseling de stem van den hansworst, die naast de beide dieren, welke hij bewaken moest, zat te dutten, en nu eensklaps opsprong.
”’t Zijn de beesten van den kwakzalver, die wij voor de onzen aanzagen,” zeide Deodaat, in gelach uitberstende.
“Schurk!” riep Reinout, den hansworst in den hals knijpende, “wat belet mij u op de plaats te doorsteken?” en meteen hief hij zijn dolk op.
“Foei Reinout, schaam u!” zeide Deodaat, hem terughoudende: “een aap en een nar, zijn dat gepaste kampvechters voor u?”
“Gij hebt fraai spreken,” hernam Reinout, zijn dolk weder opstekende, “uw gezicht is niet gelijk het mijne, open gekrabd door dat satansche beest.”
Meester Barbanera, die tot nog toe vol angst in het pad teruggeweken was, kwam bij dit gezegde voor den dag met een zalfpot, dien hij Reinout aanbood, en welken deze terstond over den kastanjeboom heen deed vliegen, zeggende:
“Loop naar den duivel met uw gesnor.—Waar zijn onze paarden?”
“Dat is waar ook,” zeide Deodaat: “met al die gekheid zijn onze paarden nog zoek.”
“Ik heb hier bij onze komst niets gezien dat naar een paard geleek,” zeide de nar.
“Gij hebt ze gestolen, ellendeling!” zeide Reinout: “beken waar zij gebleven zijn, of dit oogenblik is het laatste uws levens.”
“Bij Sint-Momus!” zeide de hansworst, terwijl hij trillende van angst op de knieën viel: “ik zweer u, mijne goede Heeren, dat zoo hier paarden gestaan hebben, de kaboutermannetjes ze hebben weggehaald, of dat zij op de lucht van meester Cezar gevlucht zijn; want ik heb ze niet gezien en de kokeler kan getuigen....”
“Een fraaie getuige!” zeide Reinout, den armen Barbanera aanziende, die trillende en met gevouwen handen tegen den boom stond geleund: “gehangen zult gij worden, paardendieven!”
“Mij dunkt,” zeide Deodaat tegen den kokeler: “gij, die een waarzegger zijt, moest ons kunnen vertellen waar zich onze rossen bevinden!”
”’t Is wel een oogenblik van gekscheren,” bromde Reinout: “zij mogen zweren wat zij willen, ik zweer hun dat zij er niet heelhuids afkomen, zoo zij de waarheid langer durven verzwijgen.”
Hier deed de zachte stem van Madzy zich hooren: “Mijne goede Heeren!” zeide zij: “deze lieden zijn mogelijk onschuldig. Indien zij uwe paarden gestolen hadden, zouden zij er dan niet mede weggevlucht zijn?”
De juistheid dezer aanmerking en meer nog de uitwerking van Madzy’s bevallig stemgeluid deed de gramschap van Reinout bedaren, die eenigszms verlegen terugtrad. “De Jonkvrouw heeft gelijk,” zeide Deodaat: “en wij moesten ons schamen, haar te laten wachten tot wij onze beesten terughebben. Veroorloof mij, Freule! u den weg te wijzen.”
“Gij zijt te goed!” antwoordde Madzy: “zoek eerst de verlorene schapen weer op: wij zullen den weg wel vinden.... maar wacht eens!” hier wendde zij zich tot de buurvrouw, die met Elskes dochtertje op het gerucht was komen aanloopen: “zijn deze vrouwen en dit meisje niet met den meester gekomen.”
“Zeer juist!” merkte de monnik aan: “vrouwtje!” vervolgde hij tot Machteld: “waar hebt gij dien wonderdokter en zijn maat ontmoet?”
“Zij zijn ons op den grooten weg achterop gekomen,” was het antwoord.
“Net zoo,” zeide de nar: “wij kwamen van den Vogelesang.”
“Zwijg!” zeide vader Syard: “het wordt u niet gevraagd,” en, zijn onderzoek voortzettende: “zijt gij met hen tot hier gekomen?”
“Dat bennen wij.”
“Waren er twee paarden aan dezen boom gebonden?”
“Ik heb geen biest gezien? jij al, Marretje?”
“Niets dat naar een paard leek,” zeide deze.
“Dan moeten zij vroeger gestolen zijn,” zeide Reinout: “want ik had ze aan denzelfden boom gebonden, waar nu deze ongelukken van beesten aan zijn vastgemaakt.”
“Gij kunt er nog de hoeven van bespeuren,” zeide Deodaat, “niettegenstaande de duisternis: kom! dat zijn twee zorgen minder op stal. Het spijt mij;.... maar men moet zich de wereldsche zaken kunnen getroosten.”
“Ik heb een erger verlies ondergaan, sedert ik u gezien heb,” zeide Reinout, zich bij Madzy voegende.
“Waarlijk?” zeide deze:—“gij moet wel achteloos zijn, om zoo alles te verliezen.”
“Kom! genoeg gedraald,” zeide Deodaat: “trek in vrede af, meester Barbanera! maar wacht u, hier langer in de buurt te vertoeven.—En wij, gaan wij: de Heer van Aylva zal ongerust zijn: en wie zou het niet wezen, wanneer hij bij zijne tehuiskomst zulk een beminnelijke dochter mist.”
“Ik ben de dochter van den Heer van Aylva niet,” zeide Madzy, terwijl allen zich op weg begaven: “hij is mijn voogd.”
De zoo natuurlijke bescheidenheid, welke ieder jongeling vervult in de tegenwoordigheid van een meisje, dat bij hem een ontkiemend gevoel van liefde verwekt, belette Deodaat verder te vragen. Ook Reinout gevoelde een verlegenheid, welke hij nimmer bespeurd had: het eenvoudig onschuldige van Madzy boezemde hem een eerbied in, welke geen vrouw ter wereld ooit bij hem had doen ontstaan. Men wandelde dus een poos in stilte voorwaarts, zonder dat er een woord gewisseld werd. Eindelijk brak vader Syard het zwijgen, ten einde de Ridders over de voorzeggingen van meester Barbanera te ondervragen. Zij voldeden aan zijne nieuwsgierigheid: Madzy mengde zich weldra in het onderhoud, en men begon over en weder van vervulde en nog te vervullene profetieën te gewagen.
“Men heeft bij u te lande ook nogal vrij wat op met waarzeggingen,” zeide Reinout tegen Madzy: “ten minste, dit is mij wel verhaald.”
“Dat geloof ik!” zeide Madzy, “er wordt bij ons geene stins gebouwd, geen dam gelegd, geen kind geboren, of er is de een of andere monnik, die er het toekomstige lot van voorspelt.”
“Ik herinner mij,” zeide Deodaat peinzende, “dat ik eens bij toeval zulk een Friesche voorspelling gehoord heb. Ik ben die meerendeels vergeten: een paar regels zijn mij lang bijgebleven: laat zien,” vervolgde hij, zich het hoofd krabbende, “of ik mij die nog kan herinneren:
As Dekama sine rose forliest,
In dy for Frieslän dat seawetter kiest....
verder weet ik er niet van.”
“Voorzichtig wat!” zeide Madzy, glimlachende: “het is goed, dat gij het niet verder kent: ik ben een Dekama.”
“Gij zult dan misschien het einde van het rijmpje wel weten,” zeide Deodaat.
“Ik had liever gehad, dat gij mij dat rijmpje niet herinnerd hadt,” zeide Madzy, op eenmaal ernstig wordende: “het is misschien dwaas van mij, maar het doet altijd pijnlijke gedachten bij mij ontstaan....”
“O vergeef mij, Freule!” zeide Deodaat, “maar ik betuig u, het was geheel zonder opzet, dat ik het aanhaalde:—uw naam was mij onbekend; en ik stierf liever dan dat ik u het minste leed veroorzaakte.”
Hier zweeg hij en liet Reinout spreken, die, naijverig op zijn vriend, tusschen beiden trad en het gesprek bracht op het gezang, dat Madzy hun dien achternamiddag had doen hooren. Zij antwoordde zedig en bescheiden: het onderhoud hield aan en werd nu zelfs vroolijk en levendig, zoodat de wandelaars, reeds voordat zij het bemerkt hadden, aan de poort van het voormalige klooster stonden. Hier hadden zij nauwelijks aangeklopt, of de deur werd opengeslagen en zij zagen Aylva, Adeelen en een aantal dienaars met flambouwen, gereed om uit te gaan ten einde de afwezigen te zoeken.
“Daar zijn zij!” riep Aylva verheugd uit: “Madzy! Madzy! is het wèl van u, uwe vrienden zoo in ongerustheid te laten?”
“Ik neem de schuld geheel op mij,” zeide vader Syard: “maar ik kon aan de Jonkvrouw niet weigeren haar een plicht van liefdadigheid te helpen verrichten. Er is hier kortbij een vrouw gekwetst en....”
“Ik hoop dat gij de kruik met olie van Sint-Janskruid1 hebt medegenomen, welke op mijne kamer staat,” zeide de Abt, die op het gerucht was komen aanschommelen en van wonden hoorde spreken.
“En gij ook weer hier, mijne Heeren!” zeide Aylva, eenigszins verwonderd, de beide Ridders te herkennen: “welk een gelukkig toeval verschaft ons opnieuw de eer van uw bezoek?”
“Deze Heeren zijn zoo goed geweest ons den weg te wijzen,” antwoordde vader Syard voor hen,—“maar zij hebben er ongelukkiglijk hun paarden bij ingeschoten.”
“Inderdaad!” zeide Aylva, deze mededeeling slechts half begrijpende: “maar gij zult ons dat beter binnenshuis verhalen. Wat u betreft, mijn kind!” vervolgde hij, Madzy op het voorhoofd kussende: “ik ben recht verheugd u weer te zien:—gij keert nu naar uwe kamer, nietwaar? en dan, vaarwel tot morgen.”
“God zegene u, mijn waarde voogd!” zeide Madzy: “en u, mijne vaders!—mijne Heeren! ik wensch u wel thuis, en grooten dank voor uw geleide—Seerp Van Adeelen! slaap wel: het spijt mij, dat ik u de moeite gegeven heb, nog zoo laat u te wapenen.”
Zij glimlachte bij het uitspreken dezer laatste woorden en wierp een spotachtigen blik op Adeelen, die in ’t borstkuras en met uitgetogen zwaard voor haar stond.
“Indien ik geweten had,” zeide hij, een trotschen blik op de beide Ridders werpende, “dat gij zulke geleiders tot uw dienst hadt, zou ik mij die moeite voorzeker gespaard hebben.”
“Nu, word niet boos, Seerp!” hernam zij: “ik ben de eenige niet, die vandaag later, dan wel behoorde, te huis gekomen ben.”
“Zij heeft gelijk, Adeelen!” zeide Aylva, “en gij hadt er erger kunnen afkomen dan zij.—En gij, edele Ridders! aan wie wij een dubbele verplichting hebben, zult gij ons het genoegen niet doen van bij ons uit te rusten?”
“Wij danken u,” antwoordde Deodaat, na Reinout zijdelings te hebben aangezien: “het is reeds laat en wij moeten naar huis wandelen.”
“Is het anders niet,” hernam Avlva, “wij hebben hier paarden genoeg om u te brengen waar gij zijn wilt.”
“Wij zijn u ten hoogste verplicht,” zeide Reinout, wien het gezelschap der Friezen niets aanlokkelijks bood, nu Madzy zich verwijderd had: “maar ons bijzijn hier ware wellicht ieder niet even aangenaam: (hier gaf hij Adeelen zijn trotschen blik terug) en wij willen u den avond voor het plechtig gehoor niet hinderlijk wezen. Ontvangt onzen groet.”
Bij het uitspreken dezer woorden boog hij zich, en ging met Deodaat de poort uit.
Stilzwijgend en peinzend wandelden de beide jongelingen den heirweg langs naar Haarlem, en voor de eerste maal was het, dat zij elkanderen de geheime gedachten, die hen vervulden, schroomden mede te deelen. Wat Reinout betrof, hij was jaloersch op zijn vriend. Hij meende bespeurd te hebben, dat Madzy dezen meer gunst en vertrouwen betoond had dan aan hem: hij betichtte zelfs Deodaat zich op een listige wijze bij haar ingedrongen en hem de mogelijkheid ontnomen te hebben van zich nuttig en aangenaam te maken. “Waarom,” dacht hij, “moest ik zoolang buiten staan zonder geroepen te worden? Ik had wel tot morgen kunnen wachten, indien ik niet van zelf gekomen ware. Maar mijnheer begreep de kans schooner te hebben in mijne afwezigheid:—en wat behoefde hij de lamp te houden en de wond te verbinden en zich gedienstig te toonen, anders dan om mij een vlieg af te vangen? Vervloekt zij het zotte denkbeeld, dat ik had, van hem mede te nemen.”
“Reinout had liever alleen moeten gaan,” dacht daarentegen Deodaat: “want zoo hij werkelijk op die Friezin verliefd is, vrees ik dat het mij te veel moeite zal kosten, hem in zijn liefde te helpen. Ik gevoel, dat zij een indruk op mij gemaakt heeft, die nooit bij mij door eene vrouw werd verwekt: en zoo ik haar vaak moest zien, zou ik tot de droeve noodzakelijkheid komen van tusschen haar en mijn vriend te moeten kiezen.”
Eindelijk echter kon zijn edelmoedige ziel het denkbeeld niet langer verduren van eenige achterhoudendheid jegens zijn wapenbroeder te voeden: “Reinout!” zeide hij: “denkt gij morgen weer naar de hut van Walger te gaan?”
Deze vraag, hoe eenvoudig ook, was zoozeer in overeenstemming met de gedachten, welke Reinout op die oogenblikken bezig hielden, dat zij hem een trilling door het geheele lichaam verwekte.
“Ik weet het niet,” antwoordde hij, zoo koel als hem mogelijk was: “maar ja,” hernam hij, zich bezinnende: “ik moet er heen: ik moet dien Barbanera spreken, die, zoo hij zegt, van het geheim onzer geboorte onderricht is, en dien ik daar heb bescheiden.”
“En gij zeidet mij niets daarvan,” hernam Deodaat: “was dat broederlijk gehandeld?”
“Gij waart zoo bezig in de hut met uw Friesche schoone, dat ik het te onbescheiden achtte, u te storen:—bovendien moogt gij mijne mededeeling wel op prijs stellen, want Barbanera had mij verzocht, er u niet over te spreken.”
“Waarlijk!—nu dan wil ik ook liever van de geheele zaak niets weten:—òf die kokeler is een bedrieger, wiens eenig doel is, u geld uit de tasch te kloppen:—òf hij staat met den booze in verbond en dan begeer ik met hem in geene betrekking te komen.”
“Zooals gij wilt:—hij heeft bovendien verlangd, dat ik alleen kwame.”
“Inderdaad,” zeide Deodaat, glimlachende: “ik geloof dat gij bij al de bezoeken, die gij voornemens zijt aan dien kant af te leggen, liever van mijn gezelschap ontslagen zijt.”
“Wat meent gij daarmede?” vroeg Reinout met hevigheid.
“Hoor Reinout!” vervolgde Deodaat, terwijl zijn gelaat een ernstiger plooi nam: “gij kunt niet ontkennen, dat de schoone Madzy uw hart heeft getroffen en dat de jaloezie u wantrouwig maakt jegens uw besten vriend.”
“Uw eigen gevoel zal u zeggen of ik daartoe reden heb of niet,” zeide Reinout.
“Ik loochen geenszins dat zij eenigen indruk op mij heeft gemaakt; maar al beminde ik haar met de vurigste liefde, welke ooit een jongeling bezielde, ik zou kracht genoeg bezitten om mijn hartstocht te verwinnen, eer die de minste storing in onze vriendschap teweegbracht.”
“Deodaat!” zeide Reinout, hem getroffen de hand reikende: “gij zijt veel beter dan ik; maar waarom zoudt gij uw liefde tegengaan?—Ik begeer dit offer niet: bemint gij Madzy zooals ik, laat ons dan beiden trachten haar hart te winnen, en elkaar plechtig beloven, dat het geluk van dengene, die slagen mag, geen nijd in het gemoed des anderen verwekken zal.”
“Gij vergt het onmogelijke,” zeide Deodaat: “weet gij dan niet uit alle verhalen der vinders en meistreels, dat de liefde een eeuwigdurende twistappel wordt tusschen de beste vrienden? Ik althans gevoel, dat het mij gemakkelijker zal vallen, thans de schoone Madzy te vergeten, dan zulks wezen zou indien ik haar meer dagelijks zag. Ik wil u in ’t vervolg geen oogenblik meer achterdocht verwekken en zal niet meer bij de Friezen gaan. Schoone meisjes zal ik nog genoeg in Holland vinden, maar wie zou mij een broeder als Reinout teruggeven?”
“Goede Deodaat!” zeide zijn vriend: “uwe grootmoedigheid beschaamt mij; doch ik gevoel dat gij gelijk hebt: ja, ik beken het, reeds het loutere denkbeeld schokt mij, dat gij de genegenheid van Madzy zoudt mogen verwerven, en ik u zou kunnen haten!—neen dat nimmer!”
Eenige oogenblikken stilte volgden op dit gezegde, en weldra bevonden zij zich aan de poort van Haarlem. Eer zij echter zich naar hun nachtverblijf begaven, gingen zij den Schout verwittigen van den diefstal aan hunne paarden gepleegd en met hem de beste middelen beramen om den dader op te sporen. Tevens maakten zij hem ook bekend met het bevel des Graven ten opzichte van Barbanera: eene mededeeling, waartoe Reinout, die den kokeler nog wel eenige dagen in de nabuurschap wilde houden, ten einde achter het verlangde geheim te komen, niet dan schoorvoetende en op aanmaning van Deodaat kon geraken.
1 Hypericum.
Achtste Hoofdstuk.
Inhoudsopgave
Phocas.
Tombai-je dans l’erreur, ou si j’en vai sortir?
Si ce billet est vrai, le reste est vraisemblable.
Exupere.
Mais qui sait si ce reste est faux ou véritable?
Corneille. Héraclius.
Den volgenden morgen was Reinout reeds vroegtijdig, doch thans alleen, op weg naar de woning van Walger. Ongeneigd een bekende te ontmoeten, was hij langs een achterweg den Hout doorgegaan;—dan toen hij zich in de nabijheid van het oude klooster bevond, kon hij de bij een minnaar zoo natuurlijke verzoeking niet weerstaan om het aangebeden voorwerp, al ware het slechts een oogenblik, ongemerkt te aanschouwen. Hij begaf zich derhalve langs een zijpad, dat door het kreupelhout slingerde, naar den achtermuur van het gebouw; weldra echter zag hij, dat er weinig hoop voor hem bestond, om het gewenschte doel te bereiken: want het vertrek, door Madzy betrokken, had geen uitzicht dan op den boomgaard en was zelfs niet zichtbaar voor al wie buiten stond. Hij bleef desniettemin een wijl, den rug tegen een boomstam geleund en de armen over de borst geslagen, in zoete mijmering verzonken, half gelukkig door de gedachte dat zij, die hij beminde, waarschijnlijk alleen door den steilen muur, welken hij voor zich had, van hem gescheiden was. Uit deze liefelijke droomen werd hij gestoord door het geluid van een openspringend slot: en spoedig daarop zag hij een achterdeurtje in den tuinmuur opengaan. Als een dief, die vreest betrapt te worden, school hij onmiddellijk weg achter het geboomte; doch bleef tusschen het loof gluren om te ontdekken wie het wezen kon, die langs dezen ongebruikelijken weg den boomgaard verliet. Alras herkende hij vader Syard, die, na de deur met behoedzaamheid weer achter zich te hebben gesloten, zijn kap over het hoofd sloeg en het bosch intrad. Zonder te weten met wat oogmerk, volgde hij dadelijk de stappen van den monnik, maar op een afstand, ver genoeg om hem, zoo hij zich omkeerde, geen stof tot achterdocht te geven. Vader Syard ging langzaam, doch met vasten tred vooruit, zonder den blik rechts of links te wenden, en sloeg weldra een gul voetpad in, dat tusschen welige berken en dennen liep en naar de gissing van Reinout, op den zijweg, niet verre van de woning des boschwachters, uit moest komen. De monnik scheen echter reeds vroeger de plaats zijner bestemming te hebben bereikt. Links van het pad bleef hij staan bij een klein vervallen schuurtje, dat tegen de helling van een met dennen en mos begroeiden heuvel gebouwd was. Het dak van dit getimmerte (zoo eenige ruw aaneengehechte planken dien naam verdienden) was reeds ten halve weggerot of ingestort, en de houten wanden dreigden eerlang het voorbeeld van het dak te zullen volgen; geen blijk was er aanwezig dat dit verblijf ook zelfs den armoedigsten daglooner tot woning verstrekte of verstrekken kon: en het was dus niet zonder bevreemding, dat Reinout den monnik zag stilstaan en aan het deurtje kloppen, dat, even vervallen als de rest, slechts aan één hengsel meer vasthing.
Onze Ridder had zich intusschen in het kreupelhout verborgen, ten einde te zien wat gebeuren zoude. Verre was hij van te denken, dat het getimmerte eenig menschelijk wezen bevatten zou, en het was voor hem een nieuwe stof tot verbazing, toen hij de deur niet zonder moeite over den zandgrond zag openschuiven en een hoofd zich aan den ingang vertoonen. Maar, wat Reinout het meest van alles verwonderde, was, aan den vooruitspringenden neus en de zwarte haren, in den tijdelijken bewoner van het schuurtje den persoon van meester Barbanera te herkennen. Vader Syard trad nu binnen en de deur werd wederom gesloten.
“Hoe komen die twee aan malkander? en wat kunnen zij te zamen te verhandelen hebben?” waren twee vragen, welke zich zeer natuurlijk aan den geest van Reinout voordeden. Het vermoeden, dat een ontmoeting tusschen een Frieschen monnik en een duivelskunstenaar zeker niets goeds kon beteekenen, gevoegd bij een nieuwsgierigheid, welke èn de betrekking des paters tot Madzy èn de geheimzinnige taal van Barbanera eenigszins verschoonlijk maakten, deed hem een besluit vormen, ’t welk hij zich te voren of in andere omstandigheden zou geschaamd hebben, en ’t geen hem zelfs op dit oogenblik een blos op het aangezicht jaagde:—dat namelijk, van het onderhoud dier beide personen te gaan beluisteren. Met langzame schreden sloop en kroop hij achter struiken en struweelen om, zooveel mogelijk vermijdende, den voet op het krakende mos te zetten, dat zijn tegenwoordigheid zou kunnen verraden, en nu en dan op handen en voeten voortschuivende, totdat hij zich achter het schuurtje bevond. Hier legde hij zich plat op den grond neder, en het hoofd op de hand leunende, keek hij op zijn gemak door eene der menigvuldige spleten naar binnen.
Wederom tot zijn bevreemding zag hij binnen die vier enge wanden een schouwspel, dat hem een oogenblik deed wanen dat zijn eigene oogen hem bedrogen. Barbanera, de kokeler, was zeer op zijn gemak (zooveel namelijk de gelegenheid eenig gemak aanbood) op een houten blok gezeten, het eenig meubel, dat zich in dit berooid verblijf bevond. Een dichte mantel overdekte al zijn ledematen, uitgenomen het rechterbeen, ’t geen beter gemaakt en vaardiger scheen dan Reinout verwachtte, en waarmede hij nu en dan op en neder wipte, of met de punt van den voet in het zand figuren teekende. En voor hem stond de monnik, in dezelfde nederige en deemoedige houding, waarmede hij zijn Abt zou genaderd zijn. Geen van beiden sprak; maar het was duidelijk te zien, dat de geestelijke wachtte, dat het den kokeler behagen zou zijne rede tot hem te richten.
“Welnu!” zeide deze eindelijk, en dat wel in zeer zuiver Nederduitsch: “het is dan heden, dat de Afgevaardigden hun opwachting bij hun wettigen Heer gaan maken?”
Vader Syard boog toestemmend het hoofd.
“En wat zullen zij den doorluchtigen Graaf van Holland en Henegouwen verhalen?—Want ik veronderstel dat het uwe pen is, welke het formulier heeft opgesteld, waarin hun hulde zal vervat zijn.”
“Ik vermeen,” antwoordde de monnik op een eerbiedigen toon, “dat zij zich op dit gehoor zullen bepalen bij het aanhooren van de voorslagen, welke hun vanwege den Graaf zullen gedaan worden. Het belang der Friezen is tijd te winnen en des Graven toorn niet gaande te maken, noch zijn geheele legermacht tegen zich in te halen, eer zij tot bekwamen wederstand vaardig zijn. Maar hoe het ook loope, liever zullen zij een doodelijken oorlog verkiezen dan den Graaf als hun Heer erkennen.”
“Inderdaad!” riep Barbanera: “de personen, die de bezending uitmaken, deden mij vreezen, dat men tot een nederige onderwerping besloten had. Ik meende dat Aylva een Vetkooper ware en tot Holland geneigd.”
“Aylva is een echte Fries,” zeide de monnik: “een man, die zijn land oprecht bemint en geene der beide partijen, welke Friesland beroeren, is toegedaan. Ik beken, hij erkent den Keizer als zijn Heer, en zou daarom niet ongeneigd zijn, den Graaf als beschermer van Friesland aan te nemen, doch zonder hem eenig ander gezag dan dat van bemiddelaar toe te willen kennen. Geloof mij! hij zal het zwaard trekken en de scheede wegwerpen, zoodra de onafhankelijkheid zijner landgenooten bedreigd wordt.”
“En hoe denkt uw vrome Abt er over?” vroeg de kokeler.
“De geestelijkheid is wellicht nog sterker dan de adel tegen alle vreemde heerschappij,” zeide de monnik.
“Toch niet tegen allen invloed van buiten?” hernam de kokeler: “anders zoudt gij mij met een ijdele hoop gestreeld hebben.”
“Ik vlei mij,” zeide vader Syard, “dat na al de twisten en verdeeldheden, welke onze kloosters geschandvlekt hebben, na het volslagen gebrek aan orde en tucht, dat de monniken kenmerkt, zij het belang zullen gevoeld hebben van een gestreng patronaat, hetwelk hen binnen de palen van regelmaat en betamelijkheid wist te houden;—doch dat patronaat zal zich moeten bepalen tot kerkelijke zaken: en ook de Bisschop van Utrecht zou niets dan tegenkanting vinden, bij de minste poging om zijn gezag verder te doen strekken.”
“Ik twijfel, of men de monniken door een bloot geestelijk wanen in toom zal houden,” zeide Barbanera: “indien men een hervorming in de kloosters wil te werk stellen, zal er meer noodig zijn dan ijdele bedreigingen met kerkban en afzetting, waar zij mede lachen. Denk eens ernstig over onze bedoelingen na, broeder! en zoo gij mij van dienst kunt zijn, ik zal mij niet ondankbaar toonen. Het is niet onder die ruwe Friezen, dat een man van oordeel en kennis, als gij, zijn leven verslijten moet. De Proost van Sint-Salvator te Utrecht wordt oud en ik geloof dat zijn vierkante muts u niet kwalijk zou passen.”
“Gij miskent mijne bedoelingen,” zeide de monnik, “zoo gij waant dat ik de uwe in dien opzichte zoude willen bevorderlijk zijn. Ik ben, ja, een geestelijke en wensch den echten vromen zin onzer instelling weder in de kloosters te zien herleven; maar ik ben een Fries boven al en zou mede niet schromen het zwaard te ontblooten, zoodra de vrijheid van mijn land werd bedreigd.”
“Waarlijk!—.... nu, wij zullen hierover nader spreken;—maar zeg mij eens, broeder! hoe is men er toe gekomen, zulk een wildeman als Seerp Van Adeelen aan de bezending toe te voegen?”
“Wat zal men zeggen?” antwoordde vader Syard, de schouders ophalende: “Adeelen is rijk en machtig: hij stamt, althans dit beweert men, van Koning Adegild af: zijn invloed is groot en zal nog aanwassen, indien hij, gelijk eerlang te verwachten is, zich met de erfgename der Dekama’s in den echt verbindt.”
Hier trilde Reinout en maakte een beweging; Barbanera wendde het hoofd om.
”’t Is niets,” vervolgde hij, “er liep zeker een rat langs het dak;—maar zeg mij.... hebt gij iets van den indruk vernomen, dien Barbanera’s voorspellingen gisteren op het gemoed der Hollandsche edelen hebben teweeggebracht?”
“Ik hoor, dat de dappere Graaf sidderde en bleek werd als een riet.”
“En, bij Sint-Maarten! wel mocht hij sidderen! Ha! ik herinner mij hoe dikwijls mijn edele vader mij die profetie van den ouden Graaf van Gelder verhaald heeft. Hij was er bij tegenwoordig, toen deze Willem van Avesnes in de Domkerk met het heilige doopwater besprenkeld werd. De Graaf van Gelder was lang te voren aangezocht geworden om als gevader over het kind te staan: maar sedert een geruimen tijd was de grijsaard tot een staat van kindschheid vervallen: zoodat niemand dacht, dat hij de plechtigheid zou kunnen bijwonen, en elk een vertegenwoordiger in zijne plaats verwachtte. Hij kwam echter, de oude Reinout, verstramd en verbleekt, half gedragen in de armen zijner dienaars en met verwilderde oogen, wier ongestadige blik bij elk der aanwezigen den angst deed ontstaan, dat hij de plechtigheid ontijdig zou storen. Hij bleef echter bedaard en stil nederzitten, zoolang de gebeden en het gezang duurden; maar toen het oogenblik daar was, dat het kind ten doop geheven moest worden, was het, alsof zijn vorige jeugd op eenmaal terugkeerde. Zonder hulp van iemand rees hij van zijn zetel, trad met een vasten stap naar de doopvont en nam net kind uit de armen der ontstelde moeder. Met angst bleven alle oogen op hem gevestigd; want een oogenblik van verzwakking had de hoop van Holland en Henegouwen op het harde vloersteen of in de doopvont doen rollen, tot eeuwige droefheid van dat beminnelijke huis van Avesnes. Alles liep echter buiten, ja boven verwachting gelukkig af. Maar toen het kind gedoopt was en de Bisschop daarover den zegen had uitgesproken, was het of een heilig vuur, een inblazing van boven, op eens den grijsaard bezielde. Hij hief het kind omhoog, kuste het, en sprak toen met luider stem deze merkwaardige woorden uit: “Gelukkig zult gij wezen, mijn zoon! voorspoedig in krijg en vrede, tot u de kodde der Friezen het leven beneemt.”
“En is het deze zelfde voorspelling, welke hem gisteravond in ’t geheugen geroepen werd?” vroeg de monnik.
“Aan hem, en aan al die ellendige landverraders, die niettegenstaande hun Hollandsch, ja Grafelijk bloed in de aderen vloeit, de knieën voor den vreemdeling buigen, en aan al die Vlamingen en Henegouwers, die hier onzen ouden adel verdringen.—Alleen Beaumont is er wel afgekomen:—hij is de eenige, wien ik zijn af komst uit Avesnes vergeven kan: hij was de vriend en wapenbroeder mijns vaders.”
“Ik geloof intusschen niet,” zeide vader Syard, “dat òf de voorspelling van Gelder, òf die van Barbanera den Graaf zouden afschrikken, indien hij het besluit vormde een tocht naar Friesland te wagen.”
“Ik ben van uw gevoelen;—doch ik heb niettemin mijn doel bereikt: ik heb schrik en ontsteltenis onder zijn edelen verspreid: en al achten zij nu die orakels minder zwaar, deze zullen hun in de ooren suizen, wanneer de ure komt des gevaars en dan hun moed wellicht geheel ter neder slaan:—en daarentegen, ik heb de stoutheid aangewakkerd in de harten der Friezen, die op de gesprokene taal moesten juichen, en in hun hart den Graaf verachten, die in hunne tegenwoordigheid om de woorden eens kokelers verbleekte.”
“Erg genoeg!” zeide vader Syard: “Adeelen heeft geen aansporing noodig om een dol stuk te begaan:—en zoo er oorlog komt, moet de aanleiding daarvan niet van zijne zijde komen, maar geheel Friesland opstaan als een enkel man.”
“Die tijd zal komen,” zeide Barbanera; “maar nu tot onze zaak:—ik heb de berichten, welke gij mij omtrent den staat uwer kloosters geeft, wel ontvangen; maar ik wenschte u nog wel over sommige punten te onderhouden, waartoe ons nu de tijd ontbreken zal. Is er geene mogelijkheid om....”
Hier veranderde zijne stem in een zacht gefluister, zoodat Reinout, hoe scherp hij ook toeluisterde, niet meer dan enkele afgebrokene woorden kon te verstaan krijgen; maar hij had reeds genoeg vernomen: en altijd voor ontdekking vreezende, stond hij op, gleed zachtjes den heuvel af en trad weer door het kreupelbosch heen naar het pad, dat naar den binnenweg voerde.
Nog had hij geen besluit genomen, hoe hij handelen zoude ten opzichte van hetgeen hij vernomen had, toen hij zich reeds ten einde van het pad bevond en van verre het rieten dak van Walgers woning boven het elzenhout zag uitsteken. Een groep kinderen, waaronder hij Marretje herkende, zat onder de kastanjeboomen met een mengeling van bewondering en vrees te kijken naar de kunsten, welke de hansworst van Barbanera, op het gras gezeten, aan meester Cezar verrichten liet. Kort bij hen liepen het paard en het grauwtje in goede eendracht naast elkaar en scheerden het jeugdige gras, dat langs den weg groeide.
Het gezicht van des bedriegers handlanger deed de gramschap van Reinout des te feller gloeien. Met fonkelende oogen en verhaasten stap trad hij op hem toe en brak den loop zijner potsen af met de barsche vraag: “Wacht gij hier op uw verdoemden meester, schurk?”
“Ja Heer!” antwoordde de nar, hem met groote oogen aanziende: “en mijn meester wacht binnen op uwe Edelheid.”
“Zoek mij geen logens op de mouw te spelden, ellendeling!” zeide Reinout: “ik behoor niet tot hen, die zich door u laten misleiden. Ik weet zeer wel, dat de waardige Barbanera zich thans niet binnen die hut bevindt.”
“Jawel heerschap!” zeide Marretje, hem toeknikkende: “de meester is al een half uur bij moeder.”
“En gij ook, klein nest! zoekt gij al zoo vroeg te bedriegen? Waar is dan die meester Barbanera?”
Dit zeggende liep hij in drift den elzenscherm door en de hut in; het eerste voorwerp, dat hij aanschouwde, was Barbanera, aan de tafel zittende.
Een soort van duizeling overviel Reinout op het onverwachte schouwspel: hij bleef aan de deur staan alsof hij door den bliksem getroffen was: de verontwaardiging en toorn, welke zijn ziel vervulden, hadden plaats gemaakt voor een verbazing, welke hem het vermogen tot spreken, ja tot denken benam. Hoe was die Barbanera, dien hij slechts weinige oogenblikken geleden binnen de schuur in ’t duin gezien had, door tooverkracht op eens in de woning van Walger overgeplaatst? Ziedaar, wat hij niet beseffen, niet oplossen kon. Zijn verwilderde oogen dwaalden van den duivelskunstenaar naar moeder Elske, die met omwonden hoofd en nog bleek gelaat bij het vuur aan ’t spinnewiel zat, en van deze weder naar den kokeler, zonder dat hij het onverklaarbare van hetgeen hij gezien had en nu zag anders verklaren kon, dan door het aan betoovering of zinsbedrog toe te schrijven.
“Gij ziet, Signor Rinaldo!” zeide Barbanera, in ’t Italiaansch, “dat ik aan onze afspraak getrouw ben.”
Deze weinige woorden verbraken de bezwering en gaven den Ridder al zijn veerkracht terug. Hij wierp de deur achter zich dicht en trad met forschen stap naar de tafel: “bedrieger!” riep hij, “gij zijt het dan, die het verderf van den doorluchtigen Graaf beoogt?”
“Ik versta u niet,” zeide Barbanera, altijd in ’t Italiaansch, en blijkbaar onthutst door de forsche taal van Reinout: “indien uwe Edelheid geliefde Italiaansch te spreken.”
“Veins slechts, mij niet te verstaan!—Heb ik u niet zooeven met dien monnik zuiver Nederduitsch hooren spreken?”
De kokeler haalde zuchtend de schouders op, en Reinout herhaalde zijn gezegde met dubbele kracht in ’t Italiaansch.
“Ik zweer u,” zeide Barbanera: “ik heb geen monnik gezien of gesproken; en wanneer zou dat geschied zijn?”
“Zoo op ’t oogenblik, gelijk gij zoo goed weet als ik: ik kom nu van de schuur in ’t duin; maar hoe gij zoo spoedig hier zijt overgewaaid, verklaar ik niet te beseffen.”
De kokeler peinsde een oogenblik en keerde zich vervolgens naar Elske:
“Vrouke!” zeide hij in gebroken Nederduitsch: “hoe lang ik hier wezen?”
“Ongeveer een goed half uur,” zeide Elske, zonder zich te bedenken.
De kokeler zag den Ridder aan met een zegevierenden blik.
“Vrouw!” riep Reinout: “bezwaar uwe ziel met geen logen. Hoe lang is die schelm hier geweest?”
“Zoowaar ik de eeuwige zaligheid hoop, een goed half uur,” herhaalde zij.
“Dan moet de Booze uw oogen of de mijne verblind hebben!” zeide Reinout: “want er zijn geen tien minuten verloopen, sedert ik hem in het schuurtje in ’t duin met den monnik Syard in gesprek heb gezien.”
“Heilige God! is het mogelijk?” zeide Elske: “en de man is niet van dien stoel geweest. De Friesche juffer zou het hebben kunnen getuigen, die is zooeven hier vandaan gegaan.”
“Welk een kwelgeest schept behagen om mijn brein in de war te brengen?” riep Reinout, die deze woorden op Madzy toepaste, hoewel het slechts Sytsken geweest was, die naar den welstand der zieke was komen vernemen: “Hoe!” vervolgde hij, terwijl hij met groote stappen het vertrek op en neder ging: “zij was hier: ik had haar kunnen spreken, en ik heb mij laten ophouden door de guichelstreken van een bedrieger, die zijne ziel aan Satan verkocht heeft om vrome lieden te verstrikken; maar ik zal hem zijne schelmsche ontwerpen uit de keel halen; en zoo hij mij langer zoekt te blinddoeken zal zijn helsche list hem niet tegen de scherpte van mijn dolk beveiligen.”
Meester Barbanera had, gedurende deze alleenspraak van Reinout, de tegenwoordigheid van geest, die hem bij den eersten schrik verlaten had, teruggeroepen: en, zoo hem een heimelijke bezorgdheid bijbleef omtrent den uitslag van des Ridders overdenkingen, geen trek daarvan vertoonde zich op zijn onbeweegbaar en strak gelaat. Hij legde zelfs geene verlegenheid aan den dag, toen Reinout, zijn besluit genomen hebbende, op eens met een ontblooten dolk naar hem toe kwam en hem bij den kraag vatte.
“Waarom zoudt gij een oud man willen dooden?” vroeg hij, altijd in ’t Italiaansch, den jongeling met zijn knippende, gluipende oogen beschouwende.
“Beken mij zonder omwegen,” zeide Reinout in dezelfde taal, op een straffen toon: “op welke wijze gij mijn oogen hebt misleid: door welke zwarte praktijken gij u tevens hier en bij den monnik in het schuurtje hebt bevonden: beken mij de lagen, welke gij den edelen Graaf legt, of het gaat er door, zoo waar ik leef.”
“Gij zoudt den moed niet hebben van den man te dooden, die zorg droeg voor uw kindsche jaren,” zeide Barbanera.
“Hoe!” riep Reinout, verbaasd zijn dolk latende zakken.
“Gij kunt den dag niet vergeten zijn, toen gij in den vijver gevallen waart en de getrouwe Paolo u met eigen levensgevaar daaruit haalde.”
Reinout sidderde en zag den kokeler sprakeloos aan.
“Deze lange haren en baard hebben mijn gelaat veel veranderd; dan ik dacht niet geheel onkenbaar te wezen voor de oogen mijns voedsterlings.” Dit zeggende nam hij zijn hoofddeksel af en streek zich de haren van ’t voorhoofd.
“Paolo!” riep de jongeling uit: “zijt gij het waarlijk?”
“Wacht!” vervolgde de kwakzalver, zich zoodanig om wendende dat Elske zijn beweging niet zien kon, en meteen den valschen neus, die hem vermomde, even africhtende: “herkent gij mij nu?”
“Ik herken u,” zeide Reinout: “maar nog begrijp ik niet....”
“En gij wildet mij dooden? mij, met wien het geheim uwer geboorte ten grave zou dalen?”
“Maar, waarom hebt gij u niet terstond bij mij aangemeld?”
“Wist ik, of gij den ouden Paolo zoudt willen herkennen? Weet gij, of ik onderricht ware, dat gij u hier bevondt? Zijt gij overtuigd, dat de berichten, die ik breng, u aangenaam zullen wezen?”
Reinout zweeg een oogenblik en zag eenigszins onthutst voor zich neder. “Paolo!” zeide hij eindelijk: “geloof dat elk bericht, van welken aard het ook zij, mij welkom wezen zal, mits het mij slechts uit mijn ondraaglijke onzekerheid redde. Spreek dan, en wees overtuigd, dat, wat gij mij ook melden moogt, gij u aanspraak op mijne dankerkentenis verwerven zult.”—Dit gezegd hebbende nam hij tegenover Barbanera plaats, in de houding van iemand, die een belangrijke mededeeling en een lang verhaal verwacht; namelijk, hij stak de beenen voor zich uit, liet een arm naast zich neerhangen, leide een elleboog op tafel en zijn kin op de opene hand en zag Paolo strak in ’t gelaat.
“Gij weet,” zeide deze: “dat het huis van Salerno sedert de onheuglijkste tijden tot de aanzienlijkste van Verona behoord heeft. Van mijn jeugd af was ik een kliënt van dat huis, en diende, gelijk mijn vader vóór mij deed, den edelen Graaf Luigi, het hoofd van dat geslacht. Hij was een edel Heer, Signor, die zich veel roem had verworven in krijg en onderhandelingen: en gij zult wel op deze of gene wijze van zijne daden gehoord hebben.”
“Ga voort! en verleng uw verhaal niet door onnoodige uitweidingen,” zeide Reinout.
“Nu, deze Graaf Luigi was dikwijls neerslachtig, dat hij geen zoon had, op wien hij zijn naam en bezittingen kon doen overgaan. Vruchteloos had hij kerken begiftigd en aalmoezen uitgereikt. Het huis van Salerno was bestemd in hem te eindigen. Weinige vaders hadden echter zoovele redenen tot troost; want zijn dochter Bianca was van hare kindsheid af beschouwd als het pronkjuweel van Verona. Het was dan ook geen wonder, dat de aanzienlijkste Edelen van Verona om strijd naar hare hand kwamen dingen. Onder deze was er geen, die door den Graaf Luigi met meer onderscheiding behandeld werd dan Francesco della Scala, die zich door zijn geboorte, macht en rijkdommen als het hoofd der vermogendste partij in Verona had doen erkennen. Zijn uiterlijk voorkomen was echter weinig geschikt om liefde in te boezemen, en stak bitter af bij dat van zijnen bloedverwant Carlo, die een volkomen Ridder was én evenzeer zijn best deed om de hand der schoone Bianca te verwerven.—Maar uwe Edelheid weet, dat het hart van een jong meisje een vreemd en onverklaarbaar voorwerp is. Noch de gunst der fortuin, welke Francesco, noch de gaven der jeugd, welke Carlo della Scala versierden, waren in staat haar hart voor een van beiden te winnen. Zij was naar Milaan bij een naastbestaande den zomer gaan doorbrengen, om althans voor eenigen tijd de vervolgingen van Francesco en de vermaningen haars vaders te ontgaan:—daar had zij een Duitschen avonturier leeren kennen en dezen hare liefde geschonken. Graaf Luigi, hiervan onbewust, en zijn dochter weer bij zich willende hebben, om haar door sterkere dwangredenen tot het huwelijk met Francesco over te halen, zond haar bevel tot een onverwijlde terugkomst. Dit maakte haar en haar minnaar wanhopend.—Zij zwoer hem, nooit een anderen dan hem te willen huwen:—hij maakte van een oogenblik van zwakheid gebruik.... in ’t kort, zij verliet Milaan niet eerder dan nadat zij met hem in een geheimen echt was verbonden.”
“En volgde haar die geheime echtgenoot naar Verona?” vroeg Reinout.
“Hij kon zich aldaar niet vertoonen,” zeide Paolo: “want hij had op een steekspel in Duitschland twist gehad met Francesco della Scala, en deze had hem den dood gezworen. Bovendien had hij een gelofte gedaan en moest met andere Duitsche Heeren naar het Heilige Land. Hij had echter aan Bianca beloofd, haar bij zijn terugkomst te zullen opzoeken en haar alsdan door list of geweld als zijn gade met zich te voeren.
“Graaf Luigi liet nu niet na, zijn dochter tot een echtverbintenis aan te sporen met Francesco della Scala, die intusschen de opperheerschappij van Verona verkregen had en wiens verlangen niemand meer dorst wederstreven. Gij kunt beseffen, in welken angst zich de arme Bianca bevond, te meer toen zij gevoelde, dat een pand van des Duitschers liefde haar onder het hart leefde. In deze nijpende verlegenheid moest zij voor alles een poging doen om tijd te winnen en wendde bij haren vader voor, een gelofte te hebben gedaan om eene bedevaart naar O. L. Vrouwe van Loretto te zullen doen, alvorens zich in ’t huwelijk te begeven. Hoe ongaarne ook, gaf Graaf Luigi eindelijk zijne toestemming tot die reis. Zij deed die in ’t gezelschap van mijne vrouw, die haar vertrouwde dienstmaagd was en zich mede zwanger bevond, en van mij. Op den tocht werden beiden voorspoedig, elk van een zoon, verlost: de kraamvrouwen keerden hersteld terug en mijn vrouw ging met de jonggeborenen op het land wonen, waar beiden voor mijn kinderen doorgingen.”
“Madre di Dio!” riep Reinout, wien het klamme zweet uitbrak: “ik weet al genoeg. Zeg mij nu slechts, wie van ons beiden is Bianca’s zoon?”
“Niet zoo haastig, Signore! ziedaar juist wat uitgemaakt moet worden.—De schoone Bianca kwam terug, gelijk ik u zeide: er was nu geen middel voor haar overig om het huwelijk met Francesco te ontwijken:—of zij had haar geheimen echt moeten bekennen:—dan, zij ontving door een vertrouwden vriend de tijding dat haar gemaal gesneuveld was, en toen, hoezeer onder tranen en rouwklachten, gaf zij hare hand aan den dwingeland.
“Zij was ongeveer een jaar met hem gehuwd, toen zijn argwaan werd opgewekt door de bezoeken, welke zij, zoo dikwijls zij daartoe gelegenheid vond, bij mijn vrouw afleidde om haar zoon te zien en te omhelzen. Hij liet haar bespieden: zijn argwaan groeide tot volkomen wantrouwen, en er had een vreeselijk tooneel tusschen hen plaats, waarin hij een verklaring eischte dier bezoeken, welke zij volstandig weigerde hem te geven. Vreezende, dat de ijverzuchtige dwingeland op haar onnoozel kind zoude woeden, achtte zij het van belang, het aan zijn dolk te onttrekken. Zij vormde daartoe een stout, maar welberekend ontwerp: zij kende den edelen aard van Carlo della Scala, die, om den schijn niet te hebben van met zijnen snooden neef te heulen, in Pisa was gaan wonen. Zij schreef aan dezen, en belastte mij, haar zoon tot hem te brengen. Intusschen was mijn vrouw evenzeer bekommerd over haar kind; want, zeide zij, indien dan Francesco moordenaars zendt om het kind der Gravin te dooden, zal men het onze niet sparen:—kortom, gij weet, wat sedert Adams tijd af, een vrouwetong vermag:—ik bracht de beide knaapjes naar Pisa en leide ze in Carlo’s hof te vondeling.”
“Santa Madre!.... maar Carlo vermoedde niet, wie den brief geschreven had: althans op zijn sterfbed gaf hij ons dien, maar meldde ons den naam der schrijfster niet.”
“Hij moet dien vermoed hebben; maar waarschijnlijk heeft hij de rampen der ongelukkige Bianca niet willen verzwaren door een geval ruchtbaar te maken, dat Francesco’s wraakzucht zoude vermeerderd hebben: of mogelijk wilde hij haar geheim eerbiedigen!—Hoe ’t zij, de dwingeland was woedend, toen de kinderen aan zijn macht ontsnapt waren:—hij mishandelde de ongelukkige Bianca, die nu, daar haar vader overleden was, geen steun of hulp meer had, en hield haar in een bangen kerker gevangen.”
“En leeft zij nog?” riep Reinout: “leeft mijne moeder.... leeft Bianca di Salerno nog?”
“Ziedaar wat mij op het oogenblik onbewust is.—Om tot mijn verhaal terug te keeren:—nieuwsgierig om het lot mijns zoons te vernemen, reisde ik na verloop van een paar jaren naar Pisa en wist daar in dienst van Carlo della Scala te komen. Welke zorg ik, zoolang ik bij hem bleef, voor u beiden gedragen heb, is u bekend.”
“En voor het goed van Carlo mede,” zeide Reinout: “want zoo ik mij niet bedrieg, joeg hij u weg omdat hij u van diefstal verdacht hield.”
“Ik werd onschuldig aangeklaagd en ongehoord weggezonden,” zeide Paolo, de schouders ophalende: “mijn vrouw was dood: ik had niemand meer, die zich mijner aantrok: ik bracht sinds mijn leven zwervend door; mij nu met dezen, dan met genen verbindende om de oogen en het brein van het domme, en ook van het meer verlichte gedeelte des menschdoms te verblinden, gelijk u gisteravond gebleken is, toen ik u herkende en mijn toespraak op die herkenning grondde.”
“Maar nu!” zeide Reinout: “verlos mij van mijn onzekerheid:—wie onzer is de zoon van Bianca?.... Of neen!—antwoord mij nog niet!—Ook Deodaat moet van dit alles onderricht zijn! ..... kon ik zoolang mijn edelen vriend vergeten!—In zijn bijzijn alleen moet gij ons het geheele geheim onzer geboorte ontvouwen .... kom! volg mij naar Haarlem.—Ik zal den Graaf smeeken, dat hij zijn besluit weer intrekke.”
Maar het scheen dat Paolo er zijne rekening niet bij vond om ook aan Deodaat mede te deelen, hetgeen hij aan Reinout had verhaald, en weinig genegenheid had, den Ridder naar Haarlem te volgen. Hij zag hem gedurende eenige oogenblikken zijdelings aan, als wilde hij op zijn gelaat lezen in hoeverre hij vatbaar was om tot het doel, dat hij beoogde, te willen medewerken. “Jongeling!” zeide hij eindelijk: “gij hadt mij beloofd niets van ons voorgenomen onderhoud aan uw vriend te openbaren.”
“Ik heb geene geheimen voor Deodaat,” zeide Reinout, haastig.
“Des te erger!—want om gulweg te spreken, ik heb gegronde redenen om te verlangen, dat hij van alles onbewust blijve. Een uwer is de zoon van Bianca, en ik wil mij niet aan den toorn des anderen blootstellen.”
“Paolo! moet ik den zin uwer woorden gunstig opnemen?” riep Reinout vol blijdschap uit, daar hij in de taal des kokelers eene schijnbare bevestiging zijner innige hoop meende te ontdekken.
“Zooals gij wilt: doch hoe dit ook zij:—wat zoudt gij den armen Paolo geven, indien hij u de stukken in handen stelde, welke gij noodig hebt om u voor den zoon eens aanzienlijken edelmans te doen herkennen?”
“Gij kent mijn vader!” riep Reinout: “en zijn naam is....”
“Inderdaad! ik ken hem;—maar zijn naam moet tot nog toe een geheim blijven; het is goud waardig.”
“Geloof, Paolo! dat mijn dankbaarheid.....”
“Dankbaarheid is een woord: ik ben te oud geworden om in uwe handen niet meer te worden dan de citroen, welken men wegwerpt na er het sap van uitgedrukt te hebben. Ik eisch stellige bewijzen, geen ijdele beloften.”
“Gij zijt een ellendig wezen, Paolo!” zeide Reinout, hem met een verachtelijken blik aanziende.
”’t Is mogelijk,” zeide Paolo: “maar toch een wezen, dat u liefheeft en er u blijken van geeft door u alleen deelgenoot mijns geheims te maken.”
“Welaan!—noem uw eisch: en ik zal zien wat ik doen kan.”
“Zoudt gij niet denken, dat driehonderd gulden terstond, en een goede schriftelijke belofte van het dubbele dier som, zoodra ik u in de armen van een rijken, vermogenden vader gevoerd heb, een billijke belooning ware voor hetgeen ik ten uwen gevalle verricht?”
“Ik zal er over denken,” zeide Reinout, wien deze eisch, welke in de tegenwoordige dagen onaanzienlijk zal voorkomen, in een tijd toen het geld nog schaarsch was buitengemeen hoog toescheen: “wie weet bovendien, of uw gansch verhaal geen verdichtsel is, uitgedacht om mij geld uit de tasch te halen. Eerst uwe bewijzen of ik beloof u geen penning.”
Op dit oogenblik ontstond er een verward gedruis van stemmen en voetstappen buiten de hut, en de hansworst kwam met een angstig geschreeuw binnenstuiven.
“Meester Barbanera! meester Barbanera!” riep hij: “daar zijn menschen, die u zoeken.”
”’t Is mij om ’t even!” zeide Reinout: “maar ik laat u niet los, oude! gij zult met mij naar Haarlem.” En, de daad bij de woorden voegende, vatte hij den kokeler bij zijn kleed.
“Ja, pak hem maar frisch bij den kraag, heer Ridder! en zorg dat hij niet ontsnappe,” kraaide met een schorre stem een klein mannetje, in ’t welk Reinout den marktschrijver Claes Gerritsz herkende, die met eenige Grafelijke Ambtsdienaars binnentrad: “Houd hem vast: hij wilde zich wegmaken zonder de marktgelden te voldoen en zonder zijn gelag te betalen, ’t geen eene blijkbare overtreding is van het Privilege van Graaf Willem zaliger gedachtenisse, artikel....”
“Dat u de duivel hale met uwe Privileges, vervloekte muggen!” riep Reinout, den kokeler loslatende: “ik heb wat met dezen man te verhandelen.”
“Indien uwe Edelheid borg voor hem wil stellen,” zeide Claes Gerritsz, “zullen wij dien gaarne aannemen, volgens art. 27 van het Privilege; maar het zal dan noodzakelijk zijn, dat UEd. ons naar Haarlem vergezelt, ten einde aldaar ten overstaan van Schepenen....”
“Welk een gereutel over eenige voddige grooten, die u de man misschien schuldig is,” zeide Reinout: “kunnen wij hier de zaak niet tot effenheid brengen?”
“Veroorloof mij, u te zeggen, Heer Ridder!” zeide de marktschrijver, “dat dit klaarblijkelijk zou aandruisen tegen alle gebruiken en usantie in zoodanig geval; daar de schuld nog moet vereffend worden ten genoegen van beide partijen, en deze man ons derhalve volgen moet naar Haarlem, waar bovendien nog andere zaken tot zijn last zijn, als: dat hij een geneesmiddel verkocht heeft aan Geurt Kneliszen, waar al zijn koeien van gestorven zijn, en een ander aan de vrouw van den rooden slachter, waardoor haar oog gezwollen is als een pad, al ’t welk strafbaar is met gevangenis, ingevolge art....”
“Dat u de heete koorts blakere, eeuwige babbelaar!” riep Reinout: “zorg slechts dat hem geen leed geschiede, of ik rijg u als een leeuwerik aan mijn speer.”
Intusschen hadden zich een paar dienaars meester gemaakt van Barbanera, die door zijn getrouwen hansworst van de toedracht der zaak was onderricht, en, als ware hij over den uitslag der zaak niet bekommerd, zich dadelijk had bereid verklaard mede te trekken en aan te hooren, wat men tegen hem had in te brengen. Ook Reinout begon nu te beseffen, dat hij zich ten onrechte driftig had gemaakt, en dat zijn belang vorderde, dat Paolo, of Barbanera, door wettelijke middelen gedwongen werd naar Haarlem te gaan en aldaar eenigen tijd te vertoeven, waardoor hij, Reinout, in de gelegenheid zou zijn hem nader te spreken, en het zoo verlangde geheim af te persen. Hij verklaarde daarom ook aan de Ambtslieden, dat hij hen zoude vergezellen.
“Wij zullen verheugd zijn, de eer van uw gezelschap te genieten,” zeide de marktschrijver: “en gij, goede vrouw!” vervolgde hij tegen Elske, die gedurende het gansche gesprek van Reinout en Paolo, waar zij geen woord van verstaan had, bedaard was blijven doorspinnen, “hoe gaat het al? Ik heb daar zooeven gehoord, dat uw man u half dood geslagen heeft en van zijn bediening is ontzet.”
“Ach!” zeide Elske: “ik ben een bedurven mensch, en hoe ik het zal redden met mijn twee bloeien van kinderen, weet onze lieve Vrouwe! en mijn man moet zeker denken dat hij mij dood geslagen heeft; want hij is nog niet terug gekomen.”
“Ik denk toch wel dat gij hem het heilig kruis zult hebben nageslagen,” zeide de marktschrijver: “nu vaarwel!—een spoedige genezing.”
Met dit afscheid vertrokken al de aanwezigen, Elske in tranen achterlatende, waaraan wellicht de ongerustheid over het wegblijven van haren man, wien zij nog liefhad in weerwil zijner boosheid, evenveel deel had als het besef van haar hulpeloozen toestand.
Reinout volgde op eenigen afstand den stoet, die meester Barbanera en zijn hansworst naar Haarlem geleidde, daar hij weinig trek gevoelde de eer van zijn gezelschap aan den marktschrijver te schenken. Het was langs den gewonen heirweg, dat men huiswaarts ging, en reeds was men de stad genaderd, toen Reinout uit een dikke stofwolk een aanzienlijk gezelschap te paard zag te voorschijn komen, in hetwelk hij weldra den Heer van Aylva en Madzy herkende, die met eenig gevolg van een morgenrit huiswaarts keerden. Verheugd naderde hij, in de hoop van ten minste een blik van zijn geliefde te erlangen; maar wie schildert de verontwaardiging, welke hem beving, toen hij aan de slinkerhand van Madzy en in een druk gesprek met haar gewikkeld, iemand gewaarwerd, wien hij verre was van aldaar te verwachten, te weten zijn wapenbroeder Deodaat. Hij bleef staan, sloeg stilzwijgend de armen over elkander en zag met een somber oog de vroolijke ruiters voorbij draven. Geen der Friezen scheen hem op te merken, maar Deodaat had zijn vriend herkend en een vluchtig rood bedekte zijn gelaat. Reinout oogde hem na: hij zag hem de hand van Madzy aanraken als om haar aandacht op den armen voetganger te vestigen. En inderdaad, zij wendde het hoofd om, zag Reinout aan met een spotachtigen blik, keerde zich vervolgens lachende weder naar Deodaat, en verdween met hem achter de stofwolk, die hen omhulde.
“En ziedaar dan den vriend, die om mijnentwille van de schoone Madzy wilde afzien,” zeide de verbolgen Reinout tot zich zelven: “den vriend, die mijner liefde geene hindernis wilde aanbrengen! hoe listig wist hij mij te verwijderen om de gelegenheid voor zich zelven te behouden;—want ik twijfel er niet aan, die ontmoeting is gisteravond reeds voorbereid geweest! Deodaat! Deodaat! is het mogelijk, dat een paar schoone oogen u een vriendschap van zoovele jaren verraden doet!”
Vervuld van deze sombere gedachten kwam hij binnen de stad aan, en begaf zich naar de gijzeling, waar men Barbanera gevoerd had. Hier verzocht men hem echter tegen den middag terug te komen, daar het verhoor niet voor dien tijd zoude kunnen plaats hebben, uithoofde van de hooge plechtigheid, waarbij de Schepenen moesten tegenwoordig zijn. Dit antwoord herinnerde Reinout aan zijn eigene verplichting om aanwezig te zijn bij het gehoor, dat de Graaf stond te geven; en daar de tijd reeds naderde, haastte hij zich naar de cel, welke hij in het Sint-Jans-klooster te Haarlem betrokken had.
Negende Hoofdstuk.
Inhoudsopgave
Ziet toe, gy terght een volck, in veenen en in moeren,
Als vorschen, tot den hals gedoken en gewoon,
Te huppelen op ’t lant en over groene zoôn.
Dit gaat dan onder, en dan boven water heenen;
De grooten worden oock gebeten van de kleenen.
Vondel. Batavische Gebroeders.
Wellicht zullen reeds velen mijner lezers, evenals Reinout, Deodaat van trouweloosheid jegens zijn vriend en van dubbelzinnigheid beschuldigd hebben. Het is onze plicht, als die van een waarheidlievenden schrijver, hem zoo spoedig mogelijk van dezen onverdienden blaam te zuiveren.
Eenigen tijd nadat Reinout dien morgen tot zijn voorgenomene wandeling vertrokken was, liet Deodaat een paard zadelen, met oogmerk om een morgenrit te doen. Om bij zijn vriend geen schijn van vermoeden te wekken, alsof hij het gezelschap der Friezen zocht, reed hij met opzet den weg naar Velzen, dus in een geheel tegenovergestelde richting uit, en keerde langs den duinkant terug door die liefelijke streek, welke sedert door Hertog Aelbrecht tot lustverblijf gekozen en misschien naar hem Aelbrechtsberg genoemd, in ’t vervolg het lievelingsoord werd van zoovelen, die de muffe stad voor de vroolijke buitenlucht wenschten te verwisselen. De weg, welken Deodaat volgde, bracht hem toevallig op een dier bevallige plekjes, welke nog heden met onverflauwde belangstelling door den minnaar eener stille, eenvoudig schoone natuur bezocht worden, maar in de oogen van Deodaat had het landschap, dat zich hier aan hem voordeed, een meer bijzondere waarde; want, al ware de nevelachtige lucht van Holland niet bij het donkerblauwe of gloeiende zwerk van Italië te vergelijken, en al mochten de zandduinen, die hij voor zich had, niet meer dan molshoopen zijn in vergelijking der Apenijnen, er was toch veel in het tafereel, dat hij beschouwde, hetwelk hem herinnerde aan het land van zijne geboorte. Hetgeen hij zag was slechts eene duinvallei, maar eene vroolijk lachende vallei, versierd met al den tooi, welken de aard van den grond en der luchtsgesteldheid in staat waren op te leveren. Aan de westzijde was zij door de hier in evenredigheid hooge en steile duinen als door een muur van zand besloten; maar tegen dien muur van zand staken de berken met hunne rozenkleurige stammen en frisch gebladerte en de groene struiken en struweelen, die de hoogten tot op de helft bemantelden, des te bevalliger af. Een bosch, rijk in alle soorten van geboomte, wier voorjaarsdos al de onderscheidene tinten van groen, van de blonde kleur der wilgen af tot aan de bruine verf der sparren vertoonde, stuitte aan weerszijden tegen den duinkant en vereenigde zich daar tegenover, de daar tusschen gelegen vlakte alzoo in de gedaante eener halve maan omsluitende. En dan, als had de natuur, in een blijde luim dat vroolijke tafereel willen verdubbelen, die golvende heuvelen en dat lachend geboomte en de zonnige lucht daarboven werden teruggekaatst in een tweetal heldere meertjes, wier boorden als met een bruidskrans van schitterende veld- en waterbloemen omzoomd waren.
Een nieuwerwetsche bezoeker had zich bij het aanschouwen van dit tooneel wellicht in een onderzoek verdiept, of die meertjes werkelijk, zooals sommigen beweren, de overblijfselen zijn van een voormaligen arm des Rijns, die hier vroeger een uitweg zoude hebben gehad, later door het duinzand overdolven: Deodaat, die zich nooit, gelijk te denken is, aan de natuurlijke geschiedenis van Holland had laten gelegen liggen, vergenoegde zich met de oogen in ’t rond te laten weiden, en met te luisteren naar den zang der nachtegalen, die in de toppen der linden orgelden; en met den verkwikkende geur in te ademen, welke uit meidoorn en seringen opsteeg.—Men was in die eeuw nog verre van toe te geven aan den invloed van het gevoel: en men wist zelfs bij name niet van sentimenteelheid of romantisme; maar toch waren in dit oogenblik de zinnen van Deodaat zoo liefelijk aangedaan, toch ontwaarde hij een stemming, zoo zacht en weldadig, dat hij, zonder zich rekenschap te kunnen geven van de reden waarom, van zijn paard steeg, en, het aan een boom vastbindende, zich op de groene zoden nederzette. Een zoete mijmerij beving hem: vreemde droombeelden en fantasieën verdrongen zich voor zijn geest, en midden daar tusschen zweefde het aanvallige beeld der bekoorlijke Friezin. Somtijds echter kwam er een denkbeeld bij hem op van verwondering over de vreemde gemoedsgesteldheid, waarin hij zich bevond, en vroeg hij zich af, hoe hij er toch op eens toe kwam, om op deze wijze de dolende Ridders na te volgen, van wier liefdegepeinzen in de schaduw van ’t geboomte hij meer dan eens de meistreels had hooren zingen; en niettegenstaande hij dan een oogenblik over zijne dwaasheid lachte, was hij toch niet in staat, zich aan de zoete begoocheling, die hem bevangen had, te onttrekken, en Italiaan genoeg om een wellustig genot in dat dolce far niente1 te scheppen. En wat was ook natuurlijker?—hij beminde, zonder het nog zelf te weten: en wie, die eenmaal bemind heeft, weet niet hoe zoet, hoe bedwelmend dat eenzaam mijmeren is, als men, alleen met de schoone natuur, de gansche wereld vergeet: als een onbestemd verlangen het hart doet zwoegen, als een te voren ongekende wellust elken vezel ontspant en met verkwikkende warmte door alle poriën dringt: en de ziel, met zich zelve en met de schepping in vrede, zich in droomen en gedachten verliest, welke geene dorre wezenlijkheid in staat is terug te geven.
Zoodanig was ook de gesteldheid van Deodaat, toen hij, toevallig den blik opwaarts slaande, iets boven den hoogsten top van het voor hem liggend duin zag bewegen, dat zijn aandacht tot zich trok. Hij kon niet terstond beseffen, wat het zijn mocht, maar weldra bespeurde hij dat het een vrouwelijke gedaante was, welke aan de tegenovergestelde zijde het duin beklom; want hij zag eerst een hoofd en vervolgens de overige ledematen zich, evenals de goden op het Romeinsche valgordijn afgebeeld, boven het duin verheffen: tot eindelijk het jonge meisje (want die fijne leest kon slechts aan een jong meisje behooren) geheel op de kruin te voorschijn kwam en daar, met al de levendigheid der jeugd, driewerf opsprong, in de handen klapte, naar alle kanten rondzag als om het omgelegen landschap te beschouwen en toen met eenige drift iemand wenkte, die met een minderen spoed over den rug der hoogte naar haar toekwam.
Onze Ridder bleef eenige oogenblikken onbeweeglijk zitten, in die stomme verbazing, welke de plotselinge verschijning van een onverwacht voorwerp veroorzaakte; want hij had in die beide duinbeklimmers de schoone Madzy en haar voogd herkend. Zij van haren kant scheen hem niet te bespeuren; althans zij toonde wel den Olderman, toen deze aan hare zijde gekomen was, de omliggende landgezichten aan, welke blijkbaar geheel nieuw en verrassend voor haar waren; maar haar oog rustte niet eenmaal op de plaats, waar Deodaat zich bevond. Deze bleef nog eenigen tijd stilzitten; hij voelde wel, dat zijn hart onrustig klopte en dat een sterke stem in zijn binnenste hem aanspoorde, de schoone Jonkvrouw tegemoet te gaan: maar de gedachte aan zijn vriend, aan Reinout, weerhield hem. “Arme Reinout!” dacht hij: “het gaat met u als met den man, van wien Jasper De Vinder sprak, die de fortuin overal ging opzoeken: terwijl zijn buurman stil op zijn bed bleef liggen en haar ongeroepen bij hem zag binnenkomen. Gij loopt naar het Sint-Jans-klooster, en vindt niemand, terwijl ik, hier stilzittende, uwe schoone zie genaken:—maar ik zal, om uwentwil, van deze ontmoeting geen gebruik maken.”
De goede Deodaat dacht weinig, dat hij op hetzelfde oogenblik, waarin hij dit manmoedig besluit gevormd had, er weder stond af te wijken: maar een onvoorziene omstandigheid noodzaakte hem daartoe, en op eens met een schreeuw opspringende, liep hij gezwind als een hert tusschen de meertjes door naar den duinkant toe. Hij had namelijk gezien, dat Madzy, zonder twijfel bezield met die kinderlijke vroolijkheid, welke het genot der vrije natuur in een onschuldig hart doet ontstaan, na zich genoeg vergast te hebben aan het aanschouwen der omliggende streken, op eenmaal, als om haar voogd te plagen, gelijk haar gebaren en hoorbaar gelach aantoonden, trek had gevoeld om van het duin naar beneden te loopen: iets dat misschien op geene andere plaats, dan alleen op die, welke zij daartoe had uitgekozen, gevaarlijk zijn kon. Het duin toch, dat eerst golvend en glooiend afliep, was ongeveer tien voet boven den grond afgezand geworden en vormde aldaar een steilte, welke van iemand, die boven stond, niet gezien kon worden: maar welke Deodaat van zijne plaats duidelijk bemerkte:—en niet ten onrechte had hem de vrees bevangen, dat Madzy, wanneer zij van de hoogte kwam aangeloopen, de snelheid van haar vaart niet zou kunnen bedwingen en van de steilte nedervallen:—en het was om haar tegen dit gevaar te waarschuwen of zoo mogelijk haar in den val te weerhouden, dat hij eerst dien schreeuw gaf, die, door de vallei weergalmende, een koppel wilde eenden van uit het riet opvliegen en den wildzang zwijgen deed; en dat hij vervolgens de onvoorzichtige maagd te gemoet ijlde. Madzy had dien kreet van waarschuwing gehoord, juist toen zij die steilte op een korten afstand genaderd was: door een onwillekeurige beweging van schrik poogde zij haar vaart te stuiten; maar de beweging zelve deed haar wankelen, en op dat oogenblik Deodaat gewaarwordende, en waarschijnlijk niet voor zijn oog willende vallen, vervolgde zij haar loop; maar nu door de wending, welke zij gemaakt had, in een meer zijdelingsche richting, en kwam hierdoor wel aan den rand der steilte, maar op een plaats, waar die ongelijk minder hoog was, zoodat zij, daar zijnde, zonder zich te bedenken naar beneden sprong en ongedeerd naast den toegesnelden Ridder op het zand stond.
“Gij hebt mij voor u doen beven, Freule!” zeide Deodaat, half buiten adem en bleek als een doek.
“Ik beken u, ik heb ook een oogenblik van schrik gehad,” zeide Madzy: “maar het is voorbij. ’t Is goed dat gij geschreeuwd hebt,” voegde zij er met een betooverenden glimlach bij: “ik had vast een kluchtige figuur gemaakt, wanneer ik van dien steilen kant was komen rollen; maar ik ben toch maar blijde dat ik op vasten grond sta! Kom maar hier, mijn Heer van Aylva! ik ben al beneden! maar neem niet denzelfden weg.”
“Voorwaar! indien mijn beenen twintig jaren jonger waren geweest, zouden zij u niet vooruit hebben laten gaan,” zeide Aylva, die nu langs een meer gemakkelijk pad uit een boschje te voorschijn kwam: “maar wat zie ik?—Hebt gij hier op eens gezelschap gevonden?”
Hier bemerkten Deodaat en Madzy eerst, dat zij elkander bij de hand hielden: hij had haar de zijne, op het oogenblik dat zij afgesprongen was, toegereikt: zij had die onwillekeurig aangenomen: en geen van beiden had nog gedacht om de zijne terug te trekken. De vraag van Aylva joeg hun een gloeienden blos op de kaken: zij lieten elkander los en zagen beiden als overtuigde schuldigen onbeweeglijk en zwijgend voor zich.
“Van waar komt gij dus op eens uit de lucht vallen?” vroeg Aylva eenigszins verwonderd aan den jongeling.
“Wel, mijn waarde voogd,” antwoordde Madzy, hare vroolijkheid bij het hooren dezer vraag op eens terugkrijgende: “ik was het, die bijkans uit de lucht was komen vallen en de Ridder kwam mij helpen.”
Бесплатный фрагмент закончился.
