Читать книгу: «Wat is het dat eene zondaar zaligmaakt?»
J. C. Philpot
Wat is het dat eene zondaar zaligmaakt?
Zamenspraak tusschen een kappersknecht, Methodisten predikant en den heer Easterman met een antwoord op die gewichtige vraag

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066340230
Inhoudsopgave
VOORWOORD.
I.
VOORREDE
ZAMENSPRAAK.
II.
VOORREDE.
WAT IS HET, DAT EEN ZONDAAR ZALIG MAAKT?
HET ZUGTEN DER WEDERGEBOORNE OVER DE OVERBLIJFSELEN VAN 'T VLEESCH.
BEKENTENIS VAN ZWAKHEID, EN BEGEERTE OM VERSTERKING.
VOORWOORD.
Inhoudsopgave
Sedert het God behaagd heeft, nu ongeveer 1½ jaar geleden, licht in mijne ziel te doen opgaan, om de waarheid te verstaan naar de meening des H. Geestes, sedert ik de kracht der waarheid, die naar de godzaligheid is, in mijn hart heb mogen gevoelen, is het mij zonneklaar geworden, dat men bij eene verstandelijke beschouwing, min of meer letterkennis en toestemming of belijdenis der waarheid, een groot figuur kan maken in de belijdende gemeente en desniettemin ledig kan zijn van alle ware zelf- en Godskennis en met al zijn ingebeeld verstand en zijne gaven, als een zelfbedrieger kan verloren gaan; ja, het werd mij duidelijk, dat men alles wat men heeft, zelfs zijn leven, voor de waarheid kan opofferen, zonder den persoon van Christus deelachtig te zijn, buiten wiens openbaring in de ziel, men geen leven heeft in zichzelf.
Wat mij betreft, ik heb mij moeten verbazen over mijne vroegere blindheid, mij moeten schamen over zooveel ijver zonder verstand, en ook moeten bedroeven over menige vroegere handeling uit al die geestelijke onkunde voortgesproten.—Onder anderen herinner ik mij eenen strijd voor het welmeenend aanbod van genade, de schenking van Christus door het Evangelie enz., weinige jaren geleden gevoerd, in het weekblad de Bazuin.—Ik heb dikwijls gewenscht den indruk te kunnen wegnemen, bij dezen of genen welligt nagelaten, uit hetgeen ik toen in mijnen blinden ijver schreef, daar ik bij latere ervaring heb geleerd dat mijne bewering destijds, strijdt tegen de mij thans dierbaar geworden leer van Gods souverein welbehagen, zich openbarende in de uitverkiezing, roeping, regtvaardigmaking, heiligmaking en verheerlijking des zondaars, door Jezus Christus zijnen eeniggeboren Zoon.
Menigmaal heb ik begeerd te dien einde mijne tegenwoordige overtuiging openlijk uit te spreken;—doch meer dan ooit huiverende om ongeroepen den leerstoel te beklimmen, in gevoel mijner onbekwaamheid, heb ik tevens begrepen dat tot staving eener leer, die van alle eeuwen onder de godsdienstige menigte den meesten tegenstand en de grootste vijandschap ontmoet heeft, zelfs meer dan gewone bekwaamheid noodig is, om niet door misslagen de vijandschap der groote belijdende menigte te stijven en de ellendigen en nooddruftigen te bedroeven.
Dus redenerende ging de tijd heen, tot mij dezer dagen het volgend geschrift ter hand kwam, waarin ik zoo volkomen de in mijne ziel levende overtuiging en bevinding vond uitgesproken, dat ik geen beteren weg wist om aan mijnen reeds lang gekoesterden wensch te voldoen, dan door dit werkje, vooral het gedeelte van mijnen geliefden Philpot, te vertalen en in het licht te geven, met eenige woorden ter inleiding van mijne hand.
Ik meen met de uitgave dezer vertaling meer dan één oogmerk te kunnen bereiken; ten eersten de omverwerping mijner eigene vroeger geuite stellingen; ten tweeden, moge het zijn onder de bedaauwing des H. Geestes, om hier of daar nog een of meer zelfbedriegers te ontdekken, die de gedaante der godzaligheid vertoonen, maar van de kracht derzelve ontbloot zijn; terwijl er overigens stof genoeg in gevonden wordt, ter vertroosting en opbouwing van het door God levend gemaakt geslacht, arm in zichzelf en onder de verbazende en nog steeds toenemende verwaandheid en vermetelheid dezer dagen, hier en daar in de kloven der steenrotsen verborgen; en ten derden tot overtuiging dat de leer van vrije, souvereine genade, geene leer is die leidt tot losbandigheid; maar integendeel, dat ze de eenige leer is die, waar ze door den H. Geest wordt geopenbaard in de ziel, in de wegen des Heeren doet wandelen terwijl de aanklever van die leer zich gaarne getroost voor antinomiaan, dweeper, mystiek en wat niet al, te worden uitgekreten. Inmiddels roep ik allen toe, die voortgaan met deze beschuldigingen op dit volk te werpen: wat ik u raden mag, houdt op met te lasteren wat gij niet verstaat, laadt niet langer schuld op schuld, want de Heere zal den smaad zijner knechten niet ongewroken laten; uwe wijsheid worde dwaasheid en tenzij gij een kindeken wordt aan 's Heeren voeten, gij kunt met al uw pleiten voor Evangelische mildheid, voor regtzinnigheid enz., het koningrijk Gods niet ingaan.
En eindelijk laten toch allen die in het welmeenend aanbod van genade, naauw verwant met de leer der algemeene verzoening, al hun heil en zaligheid zoeken of reeds meenen gevonden te hebben, zich niet zoozeer ophouden met de afgetrokken woorden, (Joh. 1: 12.) „Zoovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij magt gegeven kinderen Gods te worden,” maar dat ook diep in hunne ziel mogt dalen, hetgeen onmiddelijk volgt: „namelijk die in zijnen naam gelooven, welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn,” opdat zij zich niet, met een aangenomen Christus vóór de geboorte uit God, voor de eeuwigheid bedriegen.—Mogten vooral de zoodanigen met aandacht en onbevooroordeeld de volgende twee geschriften onderzoeken en gebiede de Heere daarover zijnen onmisbaren zegen!
DE VERTALER.
I.
Inhoudsopgave
Zamenspraak
OVER DE VRAAG:
Wat is de oorzaak van de
Zaligheid des Menschen?
VOORREDE
Inhoudsopgave
Waarde Vrienden!
Nadat ik de volgende zamenspraak tot behulp van mijn geheugen had opgeteekend, en haar verscheidene malen had overgelezen, kon ik nog niet komen tot het antwoord op de vraag Wat is het dat eene ziel zalig maakt? Ik dacht het daarom goed, haar publiek te maken, hopende het in handen mogt vallen van iemand, die in staat mogt zijn de vraag te beantwoorden, en meer duidelijk en klaar in het licht te stellen, wat eene ziel zaligt, dan én de Methodisten Predikant én de Heer Easterman zulks gedaan hebben.—Indien dit gedaan wordt zal het met dankbaarheid ontvangen en behartigd worden door
Uwen zeer verpligten Dienaar
Een Kappersknecht.
ZAMENSPRAAK.
Inhoudsopgave
De Kappersknecht. Eens op een morgen ging mijn meester voor zijn beroep uit, en liet mij alleen in den winkel.—Spoedig daarop kwam de heer Easterman, een buurman, in; maar mijn meester niet ziende, scheen hij van mij geen notitie te nemen en ging in een hoek zitten om te wachten op mijns meesters terugkomst.—Even daarna kwam een Methodisten predikant binnen, die mij op zijne gewone raillerende wijze, aldus aansprak:
De Predikant. Goeden morgen vriend! Geheel alleen? Wat is de reden dat uw meester uit is? Mij dunkt gij ziet er vandaag wat ernstig en bedrukt uit!
De K. Goeden morgen mijnheer! Ik denk dat mijn meester dezen morgen eenige van zijne buiten-klanten bezoekt, en in mijne eenzaamheid had ik dus gelegenheid om over de godsdienst na te denken; dit is waarschijnlijk de reden, waarom ik naar uw oordeel wat bedrukt zie. Gij weet de godsdienst is een ernstig onderwerp en ik ben zeer verblijd gij zoo juist van pas komt, want ik had reeds van uwe komst in deze streken vernomen; ik heb veel over uw preeken gehoord en men zegt, dat gij zeer bekwaam zijt in het voorstellen en verklaren van gelijkenissen, om daardoor de dwalingen en verkeerde voorstellingen van anderen te wederleggen. Als zoodanig zou ik wel eenig onderwijs van u verlangen, daar wij nu bij afwezigheid van mijn meester geschikte gelegenheid toe hebben. Ik hoop mijnheer! gij er niet op tegen hebt, om mij eenig onderrigt te geven?
De Pred. Ik acht het tot mijn pligt om naar mijne bekwaamheid iedereen onderrigt te geven, die het noodig heeft of verlangt,—maar ik ben eenigsins verwonderd als ik u goed aanzie, dat gij zulk eene gunst verlangt, wanneer ik bedenk hoe menige gelegenheid gij gehad hebt om over meest alle onderwerpen der godsdienst te hooren handelen door zoovele klanten uws meesters, die op dit punt uitgestudeerd zijn en inzonderheid wanneer ik bedenk hoe menige pruik van wijze hoofden op u geweest is, terwijl zij door uwen meester in order gesteld werden. Daarom verwondert het mij dat de eene u niet zooveel onderwijs en de andere zooveel verstand medegedeeld hebben, dat gij wijs genoeg zijt, om van mij onderwijs te behoeven.
De K. Dat is waar, mijnheer! echter weet gij, dat groote mannen niet altijd wijze mannen zijn en dat de ouderdom geen verstand aanbrengt. Het oude spreekwoord blijft waar: „zoo lang wij leven moeten wij leeren”.
De Pred. Gij hebt gelijk;—ik hoop gij zult mij mijne opmerking niet ten kwade duiden, ik bedoelde er geen kwaad mede. Maar wat is het, dat gij in de zaak der godsdienst zoudt willen weten?
De K. Inderdaad vele zaken; maar in het bijzonder dit eene, om kort te zijn: Wat is het, dat een verloren zondaar van het eeuwige verderf bevrijdt?
De Pred. Inderdaad een belangrijke vraag! Zij verdient een naauwgezet onderzoek, daar het van een eeuwigdurend gewigt is. Maar het is niet ééne zaak, waardoor een zondaar verlost wordt, maar het zijn vele zaken, met elkander vereenigd.
De K. Ja, ik oordeel, dat het bestaat uit vele deelen en niet een of twee of meer afzonderlijk of zamengesteld, maar al de deelen vereenigd in één hoofdpunt, dat het gansche werk zamenvat. Mag ik zoo vrij zijn om uw oordeel te vragen over hetgeen ik beschouw de hoofddeelen te zijn.
De Pred. Vraag wat gij voor uzelf noodig acht en ik zal er rondborstig mijne gedachten over zeggen.
De K. Ik zeg u dank voor uw vriendelijk aanbod. Nu dan; stelt gij, dat de souvereine liefde van God tot den zondaar de eenige beweegreden is, van al de zegeningen der verlossing, en dat uit deze oorzaak God den mensch, door of in Christus Jezus, uitverkoor en voorbeschikte ten eeuwigen leven?
De Pred. Dat de liefde Gods de oorzaak der verlossing is, zijnde de bron van alles goeds, daar heb ik niets tegen, ook niets tegen uitverkiezing en voorbeschikking, indien ze wel verstaan worden.—Maar wij moeten de besluiten Gods niet als absoluut of onvoorwaardelijk beschouwen, maar als gegrond op voorwetenschap; want God voorziet alle dingen van den beginne, zoowel kwade als goede en handelt dien overeenkomstig; en schoon er geschreven staat: „als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve,” moet dat niet verstaan worden alsof God niet voorzag, wat zij in den tijd doen zouden en zonder dat, hen verkoos of verwierp. Hij ziet met één blik van eeuwigheid, wie onder het gansche geslacht van Adam de voorwaarden der zaligheid al of niet zal volbrengen en zoo verkiest en verordineert Hij al de gehoorzamen tot de zaligheid, en bestemt de ongehoorzamen tot de verdoemenis.—Dit noemen wij eeuwige verkiezing; en het is het gevoelen van al de groote hoofden der Methodisten zooals de heeren Wesley, Fletcher enz. wier wetenschap in de godsdienst in onze dagen weinig betwist wordt.—Ja zelfs worden hunne leerstellingen beschouwd den onloochenbaren standaard der waarheid te zijn.
De K. Goed, hierin versta ik u zeer wel.—Maar zijn er niet eenigen, die genade ontvangen tot vernieuwing des harten, den H. Geest deelachtig worden geloof en bekeering verkrijgen, enz. die in de liefde Gods zijn en toch weer afvallen en verloren gaan? En handelt God dan op een voorgezigt van den tweederlei staat van de zoodanigen? Hij zag hen de voorwaarden vervullen, zoover als zij genade verkregen.—Hij zag hen later de voorwaarden verwerpen.—Verordineerde Hij hen eerst ten leven en daarna ten verderve, heeft Hij hen te gelijk uitverkoren en verworpen?
De Pred. Ik sta gereedelijk toe, dat wij beide gelooven en prediken, dat er velen in de liefde en gunst Gods staan en den H. Geest deelachtig zijn, benevens al de genaden welke gij vermeldt, die nog alles verliezen en ten laatsten verloren gaan, en ik meen dat de heer Fletcher in zijn „opregt geloof” zegt: dat God de zoodanigen lief heeft, ziende hunne gehoorzaamheid waardoor zij zijne schapen worden, maar daar Hij ook voorziet dat zij weér veranderen zullen en bokken worden, haat Hij hen.—Zoo kan Hij dezelfde persoon verordineeren ten leven en ten doode, volgens zijn volbrengen en niet volbrengen, zoover ik althans zien kan.—Maar dit is niet alles wat tot zaligheid noodig is, daar is verlossing, wedergeboorte enz. vòor wij zalig kunnen gemaakt worden.
De K. Te regt, Mijnheer! Ik wilde juist uwe gedachten vragen, over de verlossing door Jezus Christus wat zegt gij dat het is?
De Pred. Verlossing is een werk door Christus volbragt in zijn leven op aarde, door zijn' dood en opstanding uit het graf en is daarbij de bevrijding des menschen van de zonde.
De K. En waarvan wordt de mensch verlost door Christus, in zijn leven, dood en opstanding?
De Pred. Van den vloek der wet, van zelfbedrog en van alle ongeregtigheid en daarbij wordt hij verlost uit de handen van den boozen, van den dood van alle vijanden, van het verderf en tot God gebragt. „Gij hebt ons Gode gekocht door uw bloed.” Dit is de taal der Schrift over het einde der verlossing.
De K. En inderdaad eene aangename taal; maar hoever strekt zich die verlossing uit? Tot allen of slechts tot een gedeelte van het menschdom?
De Pred. Tot allen en elk individu van het menschelijk geslacht. „Hij gaf zich zelven voor allen,” „was een rantsoen voor allen,” „stierf voor de zonden der geheele wereld,” „smaakte den dood voor alle menschen,” enz. zoo als de Schrift verklaart. Ik ben niet zoo enghartig om te stellen dat Christus alleen stierf voor een gedeelte van het menschelijk geslacht en de overigen liggen liet, maar ik geloof dat Hij voor allen te gelijk stierf.
De K. Ik dank u voor uwe opmerkingen en duidelijke verklaring. Mij dunkt ik kan nu tot de zaak komen, die ik wenschte te weten, en dat is: hoe een zondaar gezaligd wordt? Indien Christus voor allen stierf, hen van den vloek en alle ongerechtigheid verloste, en tot God wederbragt, dan is dit zeker de verlossing door Christus en regtens zullen alle menschen zalig worden.
De Pred. Wacht een weinig! Drijf uwe gevolgtrekkingen niet te ver. Gij schijnt de groote grondstelling van het Evangelie te vergeten, de voorwaarden die door den mensch moeten volbragt worden om de verlossing deelachtig te worden. Het is het werk van Christus en in zijne handen, en de mensch verkrijgt het door volbrenging van hetgeen God eischt. Degenen, die de voorwaarden volbrengen hebben de zaligheid door Christus, die het niet doen, bezitten de zaligheid niet. Vergeet toch vooral de voorwaarden niet, maar houdt ze in het oog en zij zullen u ten gids zijn.
De K. Mijnheer, ik zal er aan denken. Maar indien Christus aannam om de menschen zalig te maken, vooronderstel ik dat niemand zal ontkennen dat Hij voorzag wie de voorwaarden zouden volbrengen en wie niet. Hij mogt zich zijnen doodsangst en bloedig zweet, zijne folteringen aan het kruis en de smarten der hel, die over Hem kwamen, bespaard hebben, voor allen van wie Hij voorzag dat ze niet gehoorzaam zouden zijn, en alleen geleden hebben voor degenen, van wie Hij voorzag dat zij de voorwaarden volbrengen zouden. Ik kan niet zien, van wat nuttigheid het voor Hem kon zijn, te sterven voor hen, die er geen voordeel uit zouden trekken. Heeft Christus dan zoo ver niet te vergeefs geleden?
De Pred. Neen, Hij stierf niet te vergeefs, want indien Hij niet door hunne zaligheid moet worden verheerlijkt, zal Hij het worden, door hunne verdoemenis. Vreeselijk zal het zijn voor hen die besloten zijn, door het bloed van Christus naar de hel te waden, het zal hunne folteringen veelvoudig vermeerderen.
De K. Inderdaad vreeselijk om aan te denken, maar meer nog zulks te ondervinden. Ik heb eenige van mijns meesters klanten hooren zeggen, dat zij de gedachte niet konden verdragen, dat God eenigen zoude voorbijgaan, terwijl Hij anderen uitverkoor, de eersten als wetverbrekers latende lijden, en te gelijkertijd de laatsten zaligende als geheel onwaardigen: dit noemden zij de leer der verwerping van de Calvinisten en noemden het inderdaad zeer wreed. Maar gij moet mij niet ten kwade duiden, ik het nog veel wreeder noem, dat wanneer Christus voorzag dat Hij eenigen door zijn lijden niet kon redden, Hij zich toch zoude laten straffen, opdat de zoodanigen in de eeuwigheid dubbel zouden gestraft worden, waaruit ik zou moeten afleiden, dat indien Christus dood geene zaligheid kan teweeg brengen, hij dan verdoemenis voortbrengt.
De Pred. Ja! en dunkt u niet dat de zoodanigen die als zij de ligte voorwaarden der zaligheid hadden willen volbrengen, hadden kunnen zalig worden, het verdienen, degene namelijk die de roeping Gods niet hebben willen hooren?
De K. Ja, ik stem toe dat gehoorzamen beter is dan offerande, en gij herinnert mij hierdoor aan eene andere zaak, waarover ik gaarne uwe gedachte zou willen hooren en dat is: de roeping Gods.
De Pred. Gij meent de roeping Gods tot boete, geloof en bekeering.
De K. En waardoor roept Hij de menschen daartoe?
De Pred. Door zijn woord en Geest, die Hij aan iedereen op de een of andere wijze geeft om winst mede te doen.
De K. En is deze roeping van zoodanige kracht, dat het alle menschen in staat stelt om de geboden Gods te betrachten?
De Pred. Neen, eenigen wanneer zij het gehoorde ter harte hebben genomen, beginnen zich te bekeeren en in Christus te gelooven, worden gewillig en volbrengen de voorwaarden, door welke zij meer genade ontvangen en zich meer talenten van God verzekeren; andere geroepenen verharden zich en blijven in hunne zonden.
De K. En verkrijgen degenen die gelooven en zich bekeeren, ware genade om hunne zielen te behouden?
De Pred. Ja, zij krijgen een nieuw hart en eenen nieuwen geest, opregt geloof in Christus, bekeering tot God, verlossing en vergeving van alle hunne zonden, regtvaardigmaking door Zijn bloed en al de geestelijke zegeningen waarmede zij in Christus Jezus gezegend worden.
De K. Ik dank u, want dat is het, wat ik juist wenschte te weten, de wijze waarop een zondaar bij God wordt aangenomen.—En indien zij al deze groote dingen ontvangen hebben, zullen zij zalig worden. Deze zijn het waarnaar ik zoeken moet, want indien ik ze gelukkig vind, zal ik zalig worden.
De Pred. Gij hebt het juist uitgedrukt, deze dingen moet gij zoeken deelachtig te worden, daar het inderdaad groote zaken zijn, maar wat het andere deel uwer bemerking betreft, dat gij zalig zult worden indien gij ze hebt, daarin hebt gij ongelijk; want velen hebben ze, maar behouden ze niet, en nadat zij ze voor een tijd gehad hebben, keeren zij er hunne aangezigten en harten af, werpen al die zegeningen de deur uit, keeren weder tot de wereld en de zonde, en gaan ten laatsten verloren.
De K. Ik dank u mijnheer, voor uwe gedachte omtrent deze punten en twijfel niet of gij zijt beide eerlijk en opregt geweest; toch moet ik bekennen en het is zeker mijner domheids schuld, dat ik nog niet zien kan waarin, volgens uwe opgaaf, de wezenlijke oorzaak der zaligheid ligt, Mijnheer Easterman, gij zijt tot hiertoe stil geweest, ongetwijfeld hebt gij echter opgemerkt wat er verhandeld is. Wilt gij zoo goed zijn ons met uwe aanmerkingen te begunstigen?
De heer E. Ja, ik ben stil geweest, en heb wel acht gegeven op uw gesprek, maar kan niet vinden dat de zaligheid ligt in een van die zaken welke de predikant opgegeven en verklaard heeft, niet in de predestinatie of uitverkiezing, want hierin handelt God niet naar zijn eigen wil, maar is afhankelijk van den wil en de handelingen des menschen, want indien God voorziet dat de mensch in der tijd het goede wil en volbrengt, dan wil Hij zijne uitverkiezing ten leven, en als Hij ziet dat hij het goede niet zal volbrengen, dan verordineert Hij hem ten verderve, zoodat de wil des menschen de beweegoorzaak der uitverkiezing is.
De K. Ja, ik moet dat ook uit de gegevene verklaring afleiden, zóó zelfs, dat indien het niet geweest was, dat eenige menschen beter gezind waren dan anderen, God uit gemis van 's menschen gehoorzaamheid, niemand ten eeuwigen leven konde hebben uitverkoren.
De heer E. Neen, niemand uit het geheele menschelijke geslacht, en ik denk dat de zaligheid van zondaren evenmin ligt in de verlossing door Christus als in de uitverkiezing; want onze vriend zegt: dat alle menschen door Christus verlost zijn van zonde, van den satan, van den vloek der wet en van den dood; velen dus verlost, gaan toch eindelijk verloren, en indien de zaligheid des menschen niet in de verlossing ligt, moeten zij op eene andere wijze gezaligd worden, de mensch ontvangt toch naar zijn doen. Indien hij gehoorzaam is, heeft hij het, indien niet, hij mist het.
Бесплатный фрагмент закончился.
