Читать книгу: «Het Leven der Dieren: De Wormen»
Alfred Edmund Brehm
Het Leven der Dieren: De Wormen

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066404307
Inhoudsopgave
DE WORMEN.
EERSTE KLASSE.
DE RADERDIEREN (Rotatoria) .
TWEEDE KLASSE.
DE BRUGWORMEN (Gephyrei) .
DERDE KLASSE.
DE KIEUWSPLEETWORMEN (Enteropneusta) .
VIERDE KLASSE.
DE RINGWORMEN (Annelides) .
EERSTE ONDERKLASSE.
DE BORSTELWORMEN (Chaetopoda) .
TWEEDE ONDERKLASSE.
DE BLOEDZUIGERS (Hirudinida) .
VIJFDE KLASSE.
DE RONDWORMEN (Nemathelminthes) .
EERSTE ORDE.
DE HAKENWORMEN (Acanthocephali) .
TWEEDE ORDE.
DE DRAADWORMEN (Nematodes) .
DERDE ORDE.
DE SNAARWORMEN (Gordiacei) .
ZESDE KLASSE.
DE MOSDIEREN (Bryozoa) .
ZEVENDE KLASSE.
DE ARMPOOTIGEN (Brachiopoda) .
ACHTSTE KLASSE.
DE PLATWORMEN (Plathelminthes) .
EERSTE ORDE.
DE LINTWORMEN (Cestodes) .
TWEEDE ORDE.
DE ZUIGWORMEN (Trematodes) .
DERDE ORDE.
DE TRILWORMEN (Turbellarii) .
VIERDE ORDE.
DE SNOERWORMEN (Nemertini) .
NEGENDE KLASSE.
DE TWEEBLADIGEN (Dicyemida) .
DE MANTELDIEREN (Tunicata) .
EERSTE KLASSE.
DE ZAKPIJPEN (Ascidiae) .
TWEEDE KLASSE.
DE GLASPIJPEN OF SALPEN (Thaliacea) .
DE WORMEN.
Inhoudsopgave
Na de Gewervelde en de Gelede Dieren liggen de Wormen aan de beurt. De grenzen van deze hoofdafdeeling hebben belangrijke veranderingen ondergaan sedert den tijd toen Linnaeus het geheele dierenrijk in 6 klassen verdeelde, n.l. in Zoogdieren, Vogels, Amphibiën, Visschen, Insecten en—Wormen. Een aantal diergroepen zijn van de Linnaeaansche klasse der Wormen afgescheiden en tot den rang van hoofdafdeelingen verheven; dit is geschied met de Protozoën of Oerdieren, de Coelenteraten of Holtedieren, de Stekelhuidigen, de Weekdieren en de Salpen met de Ascidiën. Daarentegen heeft men het Lancetvischje, dat vroeger als een Worm werd beschouwd, als het laagst ontwikkelde Gewervelde Dier leeren kennen en zijn de Slijmprikken (Myxinidae) als een merkwaardige groep van Visschen ontmaskerd. Voorts hebben de Raderdieren en de Armpootigen (Brachiopoda), die eeuwen lang onder de Weekdieren werden gerekend, in de hoofdafdeeling der Wormen een plaats gekregen; zelfs heeft men het wenschelijk geacht de Mosdieren (Bryozoa) hierin op te nemen. Ook de Dicyemiden, die Van Beneden als een afzonderlijke hoofdafdeeling op de Protozoën laat volgen, als een overgang van deze tot de hoogere dieren (Metazoa), worden thans Wormen genoemd.
Het ligt in den aard der zaak, dat het uiterst moeilijk, zoo niet onmogelijk is, van deze veelomvattende groep een beknopt algemeen overzicht te geven. De nu volgende inleiding geldt daarom meer bepaaldelijk voor de drie klassen Ring-, Rond- en Platwormen, die de kern van de hoofdafdeeling vormen.—Met het woord Worm verbindt iedereen de voorstelling van een tweezijdig symmetrisch, min of meer langwerpig lichaam, dat soms rolvormig is, als bij den Regenworm, soms duidelijk aan de buikzijde afgeplat, zooals bij den Bloedzuiger, soms ook op den rug plat, zooals de Lintworm-leden. Over ’t algemeen zijn de huidbekleedselen week; zeer dikwijls dragen deze, althans in een bepaald levenstijdperk, op sommige plaatsen van hun oppervlakte trilhaartjes. Het ontbreken van deze microscopisch kleine organen bij alle Insecten, Spinachtigen, Duizendpooten en Schaaldieren, in tegenstelling met de Wormen, die er zoo overvloedig mede bedeeld zijn, is een zeer opmerkelijk feit. Gewoonlijk is een samenhangende laag van spiervezels, die elkander in dwarse en overlangsche richting kruisen, onmiddellijk met de huid verbonden. De samentrekkingen van het lichaam, de slangswijze kronkelingen bij het zwemmen, de verplaatsing van enkele organen, b.v. van de met borstels bezette huidstompjes, worden veroorzaakt door dezen huidspierzak of door zijne deelen. De mogelijkheid van deze bewegingen berust op het week blijven van de huid, welker bekleedselen niet, gelijk bij de Arthropoden tot een skelet verharden. Een belangrijk en algemeen bekend kenmerk van de Wormen is het ontbreken van de pooten; daarom juist kronkelen zij zich. Vele doen dit in horizontale richting, zooals de Slangen; andere, b.v. de Bloedzuigers, bewegen zich voort door vertikale golvingen van het lichaam. Bovendien maken vele Wormen bij het kruipen gebruik van knobbelvormige uitstulpingen van de huid en den huidspierzak, waarin afzonderlijk geplaatste of tot bundels gegroepeerde borstels vastgehecht zijn. Voorts bezitten vele parasiteerende en ook een aantal vrij levende Wormen zuignappen als hulpmiddelen bij de voortbeweging.
Voor zoover aan het lichaam van een Worm geleding valt waar te nemen, onderscheidt deze zich door de gelijkvormigheid der leden belangrijk van die der Arthropoden. Het zenuwstelsel van de hoogst ontwikkelde Wormen (Anneliden) bestaat, evenals dat van vele Arthropoden, uit een hersenknoop, die door den slokdarmring verbonden is met een enkelvoudige buikzenuwstreng, waarvan het aantal gangliën in den regel met dat der segmenten overeenstemt en nooit door samensmelting vermindert, gelijk bij de Krabben, Spinnen, enz., in verband met de samenvoeging der segmenten tot grootere afdeelingen, geschiedt. Bij vele lager ontwikkelde vormen, o.a. bij de Lintwormen, ontbreekt ook dit ganglion en bestaat het geheele zenuwstelsel uit twee bij den rand van het afgeplatte lichaam gelegen zenuwen, die aan het voorste „lid” door een dwarsstreng verbonden zijn. Alleen bij de Dicyemiden ontbreekt het zenuwstelsel geheel. De meerdere of mindere ontwikkeling van de zintuigen staat in verband met de levenswijze; bij de vrij levende Wormen is hun trap van volkomenheid geëvenredigd aan de geschiktheid tot beweging. Om gelijke redenen als die, welke gelden voor de in holen levende Kevers en Schaaldieren, die het gezichtsvermogen verloren hebben, zijn ook bij de Wormen, die door hun verblijf in het lichaam van andere dieren, geen behoefte hebben aan zintuigelijke waarnemingen, de organen hiervoor achterwege gebleven. Slechts bij enkele Ringwormen, Nemertinen en Turbellariën vindt men gehoorblaasjes. Tastorganen komen veelvuldig voor en zijn verschillend van vorm.
Het inwendig maaksel der Wormen biedt zooveel verscheidenheid aan, dat er weinig in ’t algemeen van te zeggen valt. Dit zal het duidelijkst blijken bij het beschouwen van de Platwormen, daar in deze klasse allerlei trappen van ontwikkeling der voedingsorganen voorkomen. De meeste van hare leden (n.l. de Lintwormen of Cestoden, de Zuigwormen of Trematoden en de Eigenlijke Platwormen of Turbellariën) hebben geen opene, doorloopende lichaamsholte: de ruimte in den huidspierzak is, voor zoover zij niet door de ingewanden wordt ingenomen, gevuld met een week weefsel (het zoogenaamde parenchym), op onregelmatige wijze in zeer talrijke, kleine vakjes verdeeld door spierbundels en bindweefselstrengen, die zich van de rugzijde naar de buikzijde uitstrekken. Dikwijls (bij alle Lintwormen) gaat deze inrichting gepaard met het gemis van een darmkanaal, terwijl ook mondopening en aarsopening ontbreken. Het voedsel kan in dit geval alleen in vloeibaren vorm en langs osmotischen weg, door de huid, in het lichaam dringen. Bij enkele Turbellariën ontbreekt wel is waar het darmkanaal, maar is een mondopening aanwezig, waardoor de spijs in het haar verterende parenchym geraakt. Bij de overige Turbellariën volgt op den mond een blind eindigend spijskanaal: bij sommige zakvormig, bij andere boom- of netvormig vertakt. De Trematoden hebben een gaffelvormig spijskanaal en, evenals de meeste Turbellariën, een mond, die tevens als aars dienst doet. Den hoogsten rang in de klasse der Platwormen nemen de Snoerwormen of Nemertinen in, daar zij zoowel een echte lichaamsholte als een spijskanaal met mond en aars bezitten, evenals de Borstelwormen, Brugwormen (Gephyreën), Raderdieren, Mosdieren en Echte Draadwormen (Nematoden). Het spijskanaal is kort en slank bij die, welke hun voedsel snel verwerken: het is voorzien van als voorraadschuren dienende verwijdingen bij de Wormen, die, gelijk de Bloedzuigers, een groote hoeveelheid voedsel te gelijk in hun lichaam opnemen en dit langzaam verteren.
Met de ontwikkeling van het spijskanaal houdt de inrichting van het bloedvatenstelsel gelijken tred. Bij vele Hoogere Wormen kan men het aan het levende dier, tot in kleine bijzonderheden, nauwkeurig nagaan. Met ziet dan het (meestal roodachtige) bloed circuleeren in eenige dikke en vele fijnere bloedvaten, die niet met de lichaamsholte in gemeenschap staan. Het volkomen gesloten zijn van dit bloedvatenstelsel, waarin groote kloppende vaten de rol van „harten” vervullen, is een karakteristieke eigenaardigheid van de Ringwormen.
De ademhaling komt bij sommige Wormen door de geheele oppervlakte van de huid tot stand; bij andere heeft de huid aanhangselen, die als kieuwen dienen; nog andere bezitten vaatrijke, inwendige organen, die tot op zekere hoogte vergeleken kunnen worden met de luchtbuizen der Insecten, daar zij het ademhalingswater diep in het lichaam doen doordringen.
Ook de voortplantingsorganen zijn zeer verschillend van maaksel; bij sommige Wormen, vooral bij laag ontwikkelde, zijn zij zeer samengesteld, bij andere zeer eenvoudig. Alle mogelijke wijzen van voortplanting en ontwikkeling, knopvorming, metamorphose, generatiewisseling, parasitisme van den eitoestand tot aan den dood, parasitisme op lateren leeftijd bij wezens die gedurende hun jeugd vrij leven, parasitisme van jeugdige vormen en vrije beweging bij oudere, het vrij leven in alle tijdperken—al deze gevallen gaan in bonte mengeling ons voorbij bij ’t beschouwen van verschillende groepen der hoofdafdeeling.
Na het zooeven gezegde zal het niemand verwonderen, dat men de Wormen in evenveel klassen heeft verdeeld, als in de beide voorafgaande hoofdafdeelingen van het dierenrijk te zamen voorkomen. Ook zal het blijken, dat deze splitsing niet te ver is gevoerd, daar de uiterste groepen van elk dezer klassen veel meer uiteenloopen dan bij de Gewervelde en de Gelede Dieren gewoonlijk het geval is. De hier aangenomen klassen zijn: 1) Raderdieren (Rotatoria), 2) Brugwormen (Gephyrea), 3) Kieuwspleetwormen (Enteropneusta), 4) Ringwormen (Annelides), 5) Rondwormen (Nemathelmintes), 6) Mosdieren (Bryozoa), 7) Armpootigen (Brachiopoda), 8) Platwormen (Plathelminthes), 9) Tweebladigen (Dicyemidae).
EERSTE KLASSE.
DE RADERDIEREN (Rotatoria).
Inhoudsopgave
De Raderdieren zijn in 1865 door Leeuwenhoek ontdekt, ongeveer in denzelfden tijd als de Infusoriën, die als hunne naaste verwanten werden beschouwd, totdat Ehrenberg de hoogere organisatie van de Raderdieren aantoonde. Hoewel sommige dierkundigen hen tot de Schaaldieren hebben gerekend, waaraan hun uiterlijk eenigszins herinnert, zijn zij het naast aan de Wormen verwant. De grootste soorten bereiken een lengte van 2 mM.; verreweg de meeste zijn echter geen halve mM. lang. Bijna zonder uitzondering is hun lichaam zoo doorzichtig, dat men bij het levende dier zelfs van de binnenste organen het maaksel in alle bijzonderheden door den microscoop kan nagaan. Wegens de stevigheid van de lichaamsbekleedselen levert dit onderzoek geen moeilijkheden op. De meeste Raderdieren verschaffen een zeer merkwaardig schouwspel aan ieder, die ze bij 200- à 300-voudige vergrooting beschouwt. Zij zijn over de geheele aarde verbreid en bijna overal te verkrijgen; zij leven in zoet- en in brak water, enkele ook in de zee; men vindt ze in het mos op de daken en in het stof van dakgoten; dikwijls (vooral in ’t midden van den zomer) is hun aantal zoo groot, dat zij als een melkachtige schimmellaag de waterplanten bedekken. Hoewel de uitwendige gedaante der Raderdieren zeer uiteenloopt, stemmen zij in maaksel zoozeer overeen, dat men ze nagenoeg alle kent, wanneer men er één nauwkeurig heeft nagegaan. Als voorbeeld kiezen wij de Vierhoornige Schilddrager (Noteus quadricornis) van de familie der Schildraderdieren (Loricata), die zich kenmerken door het harde, schildvormige pantser, dat hun van boven naar onderen samengedrukt lichaam omgeeft. Bij onze soort is het van voren op sierlijke wijze uitgesneden en van 4 op hoornen gelijkende uitsteeksels voorzien. Het voorste deel van ’t lichaam is met een weeke huid bedekt en kan geheel onder dit pantser teruggetrokken worden. Bij ’t zwemmen en eten ontplooit het dier zijn raderorgaan; dit bestaat uit twee halfschotelvormige, vleezige lobben, die door spieren teruggetrokken en door het inpersen van bloed uit de lichaamsholte naar buiten gestulpt kunnen worden; haar vrije rand is bezet met een reeks van teere wimpers, die het dier willekeurig in trilling brengt; het geheele toestel maakt dan bij vele Raderdieren den indruk van twee raderen, die snel om hun as draaien. Bij Noteus heeft het raderorgaan tusschen de twee groote lobben een eveneens met trilharen bedekten kegel. Bij andere geslachten is de trilhaarschijf onverdeeld, bij nog andere in meer dan 2 lobben gesplitst, enz. Door de beweging der wimpers zwemt het dier op zeer elegante wijze, terwijl het langzaam om zijn as draait en dus spiraallijnen beschrijft. Tevens wordt hierdoor een maalstroom in ’t water veroorzaakt, die—geholpen door de beweging van de wimpers langs den rand van den trechter, welks diepste deel den mond vormt—de voedseldeeltjes in het spijskanaal voert. Dit geschiedt vooral, nadat het dier als ’t ware voor anker is gaan liggen, hetwelk geschiedt met de tang, waarin de „voet”, het dunnere achterste gedeelte van ’t lichaam, eindigt. In de spitsen van deze tang monden n.l. 2 langwerpige „cement-klieren” uit, die een kleverige stof afscheiden. Wanneer aan den druppel water, waarin het onder den microscoop liggende dier zich bevindt, een fijn verdeelde kleurstof, indigo of karmijn, wordt toegevoegd, kan men den hevigen maalstroom, die de vaste deeltjes naar den mond voert, duidelijk waarnemen.

Vierhoornige Schilddrager (Noteus quadricornis), bij 300-voudige vergrooting.
De Raderdieren zijn met een paar kaken uitgerust. Bij Noteus zijn zij ongeveer handvormig; bij vele andere gelijken zij op een tang met spitsen bek; voor ieder geslacht hebben zij een vasten vorm, die niet minder karakteristiek is dan die van de tanden der Zoogdieren; evenals bij deze, kan men uit den vorm der kaken de levenswijze van het dier afleiden. In de as van het lichaam bevindt zich het bochtige, zeer ruime darmkanaal (a). Men ziet het voedsel in de maag door de werking van de trilharen, die haar wand bekleeden, een ronddraaiende beweging behouden, die tot op zekere hoogte de peristaltische beweging van andere dieren vervangt. De beide vleugelvormige aanhangselen (b) van het bovenste deel van ’t darmkanaal kan men met speekselklieren vergelijken. Een vaatstelsel komt bij de Raderdieren niet voor, evenmin een hart. Het bloed is bevat in de ruimte tusschen het spijskanaal en den lichaamswand en wordt verdund door het willekeurig opnemen van water. Dikwijls ziet men de Raderdieren zich samentrekken en hierdoor den omvang van hun lichaam aanmerkelijk verminderen. Dit kan op geen andere wijze gebeuren dan door het naar buiten persen van een groot deel van het in de lichaamsholte aanwezige vocht; waarvoor, zoodra het lichaam zijn oorspronkelijk volume herkrijgt, door een opening in den nek water uit de omgeving in de plaats komt. Bovendien heeft een geregelde afvoer van stoffen uit het bloed plaats door slangsgewijs gekronkelde kanalen (d), die een aantal knotsvormige „wimperorganen” dragen, ieder met één opening. Deze zoogenaamde watervaten—welke men ook aantreft bij de Draadwormen en Platwormen—monden uit in de blaas (e), die in gemeenschap staat met de kloakopening aan den wortel van den voet, waarin ook het darmkanaal en de eileider eindigen. Onze Noteus heeft een zeer ontwikkelden eierstok (c). De mannetjes zijn zeldzaam, nog zeldzamer dan bij vele van de laagst georganiseerde Schaaldieren; op zeer zonderlinge wijze wijkt hun lichaamsbouw van dien der wijfjes af. Zij zijn veel kleiner; gastronomische genietingen zijn hun ontzegd, wegens het geheel of bijna geheel ontbreken van het spijskanaal; over ’t geheel genomen spelen zij een zeer ondergeschikte rol, worden, naar het schijnt, slechts gedurende korten tijd door de andere sekse geduld en verdwijnen dan van het wereldtooneel.
De familie der Diklijven (Hydatinaea) verschilt van die der Schilddragers door het gemis van een pantser en door de kortheid van den voet. Vooral door het onderzoeken van het algemeen verbreide, 0.5 à 0.6 mM. lange Bultige Diklijf (Hydatina senta)—dat in het stilstaande water van kleine plassen en van buitenshuis geplaatste bakken dikwijls bij millioenen voorkomt—leerde Ehrenberg den samengestelden bouw van de Raderdieren kennen. Evenals bij alle groote Raderdieren, werd bij deze soort in den slokdarmstreek een groote zenuwknoop gevonden, die door zenuwen in gemeenschap staat met de spieren en de zintuigen, n.l. met 1 of 2 oogen en met een tastorgaan. De oogen zijn roode vlekken aan de rugzijde van het vooreinde van ’t lichaam en van een lens voorzien. Het buis- of stijlvormige tastzintuig is aan de rugzijde van het raderorgaan gelegen en draagt aan den top een bundel fijne borstels.—Evenals de Daphniën, brengen ook de meeste soorten van Raderdieren tweeërlei soort van eieren voort: parthenogenetisch gevormde „zomereieren”, waaruit in het gunstigste seizoen alleen wijfjes, in den herfst wijfjes en mannetjes ontstaan, en bevruchte „wintereieren”, die na overwintering uitsluitend wijfjes opleveren. Hoe snel de vermenigvuldiging dezer dieren geschiedt, blijkt uit de mededeelingen van Ehrenberg. Deze zag in een exemplaar 2 à 3 uren na de geboorte de eerste eikiemen te voorschijn komen. In de eerste 24 uur van zijn leven had het vier jongen voortgebracht. Als ieder wijfje 4 eieren per dag legt en hare jongen den volgenden dag hetzelfde doen, zal één individu na 10 dagen ruim 10 millioen nakomelingen hebben en zal dit aantal op den 11en dag tot ruim 50 millioen zijn toegenomen. Hoewel dergelijke berekeningen niet volkomen betrouwbaar zijn, daar een zoo groote vruchtbaarheid bij een en ’t zelfde wezen nooit lang aanhoudt, kunnen zij toch een verklaring leveren van het plotseling verschijnen van een buitengewoon groote menigte dieren van een soort.
Tot de familie der Langlijven (Philodinaea) behooren de Raderdieren, die het meest besproken worden en het algemeenst verbreid zijn; bij hen is de beweging van het raderorgaan het eerst waargenomen en kan dit het gemakkelijkst geschieden. Het Gewone Raderdiertje (Rotifer vulgaris) en zijne naaste verwanten hebben aan het vooreinde, in den nek, een slurfachtig aanhangsel, dat 2 roode oogen draagt. Hun in een gaffel eindigende voet kan, evenals bij alle overige leden der familie, bij wijze van een verrekijker tot een aanmerkelijke lengte uitgerekt en ingekort worden. De eigenlijke verblijfplaats van de dieren dezer soort en van de meeste hunner verwanten is stilstaand water, waarin zij zich tusschen flap en andere algen zoo sterk kunnen ophoopen, dat de plantjes er als beschimmeld uitzien. Vele soorten leven echter in de zee en wel in den regel vrij, aan de oppervlakte van ’t water, soms echter parasitisch, op kleine Schaaldieren, Ringwormen, in huidgroefjes van Synapten, enz. Andere leven wel is waar op vochtige plaatsen, maar toch niet eigenlijk in het water en zijn ook in den regel parasieten. Een soort leeft vastgehecht aan de huid van een kleinen zoetwater-Regenworm, maar kan ook zijn gastheer verlaten, bij wijze van Spanrups wegkruipen of zijn raderorgaan uitsteken en op elegante wijze wegzwemmen. Andere wonen in de lichaamsholte van Regenwormen of Naakte Slakken.
Sommige op vochtige plaatsen groeiende levermossen uit de familie der Jungermanniaceën worden bewoond door talrijke exemplaren van een soort van Raderdieren (Callidina parasitica). De bedoelde mossen komen voor op de schors van eiken of beuken en zijn aan de naar den stam gekeerde zijde voorzien van klokvormige of kapvormige organen, die ieder 1 à 3 Raderdieren bevatten. Bij vochtige weersgesteldheid (ook in heldere nachten ten gevolge van den dauw) zijn de moszoden meestal vochtig genoeg om de Rotatoriën in staat te stellen haar raderorgaan te ontplooien; meestal steken zij dit dan buiten haar woonplaats en raderen ijverig. Wanneer de plant een enkele maal te droog wordt, is dit voor hare bewoners geen onoverkomelijke ramp. Onze Callidina trekt zich dan terug op den bodem van haar huisje, vervalt in een toestand van schijndood en droomt van betere, vochtigere tijden.
De plant verschaft aan het Raderdier niet slechts een woning, maar bovendien nog een ander voordeel; zij geniet hiervoor trouwens een belooning. De levermossen hebben n.l. veel te lijden van parasitische algen; daar deze tot voedsel dienen aan de Raderdieren, bewijzen deze gasten aan hun hospita een belangrijke dienst. Hier hebben wij dus een niet minder sterk sprekend voorbeeld van symbiose dan dat, waarmede wij bij het bespreken van de betrekking tusschen de Snijders en de Zee-anemonen kennis maakten.

Sierlijke Bloempolijp (Floscularia ornata), bij 200-voudige vergrooting.
Men heeft nagegaan in hoe verre de Raderdieren weerstand kunnen bieden aan uitdroging. Deze onderzoekingen hebben geleerd, dat geen enkele van de Rotatoriën, die voortdurend het water bewonen, hare levensverrichtingen hervat, wanneer zij, na uitdroging, opnieuw bevochtigd wordt. Daarentegen zijn de Raderdieren, die in mossen wonen, niet geschikt om in het water te blijven, hoewel zij van nature waterdieren zijn. In den loop der tijden hebben deze soorten zich zoodanig gewijzigd, dat hare leden slechts gedijen, wanneer haar leven uit snel opeenvolgende perioden van vochtigheid en droogte bestaat. Vroeger onderstelde men tot verklaring van de geographische verspreiding der Raderdieren, dat zij, tot een uiterst gering gewicht verdroogd, door den wind overal heen gevoerd zouden worden. Naar het schijnt, geschiedt dit echter alleen met de wintereieren der Raderdieren. Zoo komt het, dat deze bijna overal gevonden worden, waar het hun mogelijk is te leven, zelfs tusschen korstmossen en mossen op daken en in het stof van dakgoten. Ehrenberg vond dezelfde soorten in het mos van Potsdam en Berlijn als in dat van de ceders van den Libanon. Naar het schijnt, treft men in geheel Europa, in Noord-Amerika en op Nieuw-Zeeland dezelfde Callidina-soort aan. Schmarda vond Raderdieren in de geconcentreerde zoutoplossing van het meertje El Kab in Opper-Egypte en op groote hoogten in de Andes van Amerika. Ehrenberg nam ze waar in de sneeuw van de toppen der Alpen, waar zij van eigenaardige algen-soorten leven, en in monsters aarde, die de Gebroeders Schlagintweit in den Himalaja op een hoogte van 18000 voet verzameld hadden. Dr. Joseph ontdekte 9 soorten in de holen van Krain.

Brugwormen: a) Bonellia viridis.—b) Phascolosoma vulgare.—c) Priapulus caudatus.
De afgebeelde Sierlijke Bloempolijp (Floscularia ornata) is een vertegenwoordiger van een laatste groote familie, die men Buisbewoners (Tubicolariae) kan noemen, daar zij, althans voor ’t meerendeel, door een hulsel omgeven zijn. Het opmerkelijkste verschijnsel, dat zij aanbieden, is de zeer sterke wijziging van hun raderorgaan. Op 5 kegelvormige uitsteeksels van den koprand ziet men bundels van lange haren, die den naam van trilharen niet verdienen, daar zij stijf en bijna onbeweeglijk zijn. Nagenoeg in den mondtrechter bevindt zich de krans van trilharen, die voedsel aan het dier toevoert. Dit is omgeven door een fijne, geleiachtige koker, waarin het zich, evenals de leden van verwante geslachten, door het ineenschuiven van den voet kan terugtrekken.
Zeer merkwaardig zijn de Kogeldiertjes (Conochilus), doordat de vrouwelijke in vrij grooten getale een bolvormigen geleiklomp tot gemeenschappelijke woning hebben. Slechts den kop verheffen zij boven de oppervlakte van den bol, die door de gezamenlijke werking van de trilharen dezer dieren een draaiende beweging verkrijgt. De mannetjes daarentegen leven vrij, zonder hulsel.
TWEEDE KLASSE.
DE BRUGWORMEN (Gephyrei).
Inhoudsopgave
Over de plaats, die de Brugwormen of Sterwormen (Gephyrei) in het stelsel behooren in te nemen, heeft een groot verschil van meening geheerscht. Door sommige dierkundigen werden zij tot de Stekelhuidigen, door anderen tot de Wormen gerekend, hetzij tot de Anneliden of tot de Acanthocephalen. Daar zij op zekere hoogte een overgang (een brug) vormen van de Zeerollen (Holothuria) tot de Wormen, noemt men hen Brugwormen. Tegenwoordig telt de meening, dat zij gedegenereerde Ringwormen zijn, vermoedelijk de meeste aanhangers. Zonder nadere beschouwingen over den graad van verwantschap van deze kleine groep van zeedieren met andere groepen, bepalen wij ons tot eenige inlichtingen over de drie afgebeelde vormen.
Bonellia viridis (fig. a), kenbaar aan haar in twee vleugels eindigenden snuit, leeft in de Middellandsche Zee en aan de Canadeesche kust, verborgen tusschen steengruis en in rotsspleten. Een groene kleurstof doordringt zoowel den snuit als het overige lichaam. Dit is met vele wratjes bedekt en kan zich op allerlei wijzen insnoeren en samentrekken. De snuit is, zoo mogelijk, voor nog grootere vormsveranderingen geschikt, daar hij, bij groote exemplaren van ongeveer 8 cM. lichaamslengte, meer dan 50 cM. ver kan worden uitgestoken en in saamgetrokken toestand slechts een paar cM. lang is. De mondopening is een met trilharen bekleede, overlangsche groeve aan den wortel van den snuit. Nu en dan verlaat de Bonellia haar schuilhoek en kruipt over den bodem met behulp van haar snuit, welks voorste hoornen als hechtorganen dienst doen. De groote buigzaamheid van het lichaam stelt haar in staat zeer nauwe rotsspleten tot schuilplaats te bezigen; van het volle daglicht is zij afkeerig, de morgenschemering bevalt haar beter. De mannetjes, die men eerst sinds kort als zoodanig heeft leeren kennen, hebben een geheel ander voorkomen dan de wijfjes, zijn nietig klein en gelijken op Turbellariën.
Tot een over alle zeeën verbreide familie van Brugwormen behoort het geslacht Phascolosoma, welks meeste leden, evenals die van eenige andere geslachten, in steengruis en gesteenten gangen bewonen, die zij zelf geboord hebben. Phascolosoma vulgare, die aan de Europeesche kusten en in de Roode Zee voorkomt, heeft een lichaamslengte van 25 mM.
Voor de rangschikking is, behalve het al of niet aanwezig zijn van een terugtrekbaren snuit, ook de plaatsing van de afvoeropening van het spijskanaal aan den rug, nader bij het voorste dan bij het achterste uiteinde van ’t lichaam, een belangrijk kenmerk. Hiermede gaat bij de Spuitwormen (Sipunculus) een door overlangsche en dwarse ribben netvormige huid gepaard. De Gewone Spuitworm (Sipunculus nudus), die in de Europeesche zeeën, maar ook in die van Oost- en West-Indië, van het strand tot op 2400 M. diepte aangetroffen wordt, kan een lengte van 15 cM. bereiken. Nu en dan vindt men hem ook op ons strand.
De derde van de hier afgebeelde dieren, Priapulus caudatus, verdient reeds door zijn uiterlijk een afzonderlijke plaats. De snuit is zwak knotsvormig verdikt, aan de afgeknotte voorvlakte voorzien van een tamelijk groote mondopening, aan de zijden van 25 overlangsche ribben, die met kleine, scherpe puntjes bezet zijn. Het eigenlijke lichaam is van den snuit door een insnoering gescheiden en vertoont duidelijke, ringvormige groeven. Het eindigt in één voorbij de aarsopening uitstekend aanhangsel, welks oppervlakte met papillen bezet is, die waarschijnlijk als kieuwen dienst doen. (Bij andere soorten komen twee staartaanhangsels voor.) De buikzenuwstreng, die men door de huid heen kan zien, is evenals bij alle Gephyreën, ongeleed, niet in gangliën verdeeld. Deze worm kan 18 cM. lang worden; hij bewoont, naar het schijnt, uitsluitend de noordelijke zeeën van Groenland, IJsland en Noorwegen tot aan de Duitsche kusten; zijn veelvuldigheid neemt naar het noorden toe. De gangen, die hij op verschillende diepten in den kleiachtigen of zandigen bodem graaft, waarschijnlijk door het beurtelings uitsteken en terugtrekken van den snuit, zijn groot genoeg om er het geheele lichaam in te verbergen en verraden haar aanwezigheid door het daarnevens ontstaande aardhoopje.
DERDE KLASSE.
DE KIEUWSPLEETWORMEN (Enteropneusta).
Inhoudsopgave
De 6 soorten van het geslacht Balanoglossus (Eikeltong), die de bovengenoemde klasse vormen, komen in lichaamsbouw het meest met Wormen overeen, maar ontwikkelen zich uit larven, welke op die der Stekelhuidigen gelijken. Door de geheel afwijkende inrichting der ademhalingsorganen herinneren zij aan sommige Manteldieren en zelfs aan de laagst ontwikkelde Visschen, hetgeen een nadere verwantschap van de Balanoglossen tot de Gewervelde Dieren doet vermoeden. Sommige dierkundigen willen daarom aan deze groep den rang van hoofdafdeeling toekennen.

Balanoglossus clavigerus. (Jong exemplaar, sterk vergroot) In volwassen toestand bereikt dit dier een lengte van 20 cM. Het verbreidt, naar men zegt, door phosphorescentie licht.
De hiernevens afgebeelde soort leeft in de Middellandsche Zee op 1 of 2 vademen diepte. De eivormige voorste afdeeling van het langwerpige, cilindervormige, slijmerige lichaam, de eikel, is van den daarop volgenden kraag gescheiden door een diepe insnoering, waarin zich de mondopening bevindt. De eikel, welks groote inwendige holte door twee openingen met water gevuld en geledigd kan worden, verandert hierdoor van vorm en omvang; hij dient, behalve als hechtorgaan bij het kruipen, als boor bij het graven van gangen in den zeebodem, waarin het lichaam gewoonlijk tot aan den mond verborgen is. Het spijskanaal, waarin, behalve voedsel, ook water wordt opgenomen, staat in gemeenschap met twee overlangsche reeksen van kieuwzakken, die in het voorste of kieuwgedeelte van den romp aan de rugzijde liggen. Het water, dat voor de ademhaling heeft gediend, stroomt weg door een reeks van ongeveer 20 fijne spleten aan de buikzijde. De wijdste afdeeling van het spijskanaal bevindt zich in het maaggegedeelte van den romp; zij is steeds gevuld met zand, welks organische bestanddeelen het dier tot voedsel dienen. De staart is ringvormig gegroefd; door de eindstandige aarsopening wordt het zand uitgeworpen, dat naast de opening van de gang, hoopjes vormt.
VIERDE KLASSE.
DE RINGWORMEN (Annelides).
Inhoudsopgave
Het lichaam van de Ringwormen bestaat, zooals hun naam te kennen geeft, uit een reeks van segmenten of ringen, welker grenzen uitwendig door groeven zijn aangeduid. De hier voorkomende dwarsschotten dringen meer of minder diep in de lichaamsholte door. Deze ringen stemmen in maaksel overeen. Het aantal is onbepaald. De mond is altijd achter het eerste of kopsegment aan de buikzijde van het mondsegment gelegen. De meeste Ringwormen kunnen het voorste deel van het spijskanaal naar buiten omstulpen in den vorm van een snuit, die voor ’t graven of voor ’t vangen van dieren geschikt is. Dat de Ringwormen de hoogst ontwikkelde leden van de hoofdafdeeling zijn, blijkt vooral uit den vorm en de ontwikkelingstrap van hun zenuwstelsel, waardoor zij zich bij de Echte Arthropoden aansluiten. In verband hiermede blinken zij door de energie en de menigvuldigheid van hunne levensverrichtingen boven de andere Wormen uit en naderen ook in dit opzicht tot de hooger ontwikkelde Gelede Dieren. De klasse der Ringwormen wordt gesplitst in twee onderklassen, die door de bewegingsorganen van elkander verschillen. Van de eene is de Regenworm, van de andere de Bloedzuiger een algemeen bekende vertegenwoordiger.
EERSTE ONDERKLASSE.
DE BORSTELWORMEN (Chaetopoda).
Inhoudsopgave
De Borstelwormen kenmerken zich vooral door het bezit van borstels, die bij wijze van bundels of kammen aan weerszijden van het lichaam in de huid zijn vastgehecht. De microscoop geeft ons hier een aantal zeer fraaie vormen te aanschouwen. De borstels vertoonen zich als haken, spiesen, pijlen, messen, kammen, gladde en geribde roeiriemen en allerlei andere stekende en snijdende werktuigen in miniatuur. De eenvoudigste van deze organen, die meer bepaaldelijk haken en haarborstels heeten, komen voor bij de bescheiden uitgeruste Weinigborstelige Wormen. Met fijnere toestellen, die eigenaardige spitsen, tanden, tandjes, klingen en scherpe randen vertoonen, zijn de meeste zeebewoners dezer groep, de Veelborsteligen, getooid.

Borstels van Veelborstelige Borstelwormen, bij 100-voudige vergrooting.
Om praktische redenen kennen wij de eereplaats toe aan de orde der Weinigborsteligen (Oligochaeta), die zoomin voetstompjes als kieuwen aan de zijden der ringen en geen aanhangsels aan den kop—zoomin sprieten (aan het kopsegment) als voelers (aan het mondsegment)—bezitten. Hunne eenvoudige borstels staan in geringen getale aan weerszijden van het lichaam op reeksen en zijn ingeplant in kuiltjes van de huid.
De kern van deze groep wordt gevormd door de onderorde der Regenwormachtigen (Terricolae, Lumbricina), welker leden alle behooren tot de familie der Regenwormen, Aardwormen of Pieren (Lumbricidae). Zij kenmerken zich door de talrijkheid en kortheid der segmenten, waarvan het eerste, het kopsegment, als een kegelvormige lip boven den mond uitsteekt, en door de plaatsing der zeer korte, haakvormige borsteltjes op 2, 4 of meer rijen. Behalve inwendige organen, welker verrichting ons onbekend is, aan den rand van het ook wel bovenlip genaamde kopsegment, hebben de Regenwormen geen afzonderlijke zintuigen; meer bepaaldelijk missen zij oogen en gehoororganen, hoewel zij voor lichtprikkels gevoelig zijn. Hoe voorzichtig men hen ook nadert, terwijl zij ’s nachts aan de oppervlakte rondkruipen, het licht van den lantaarn drijft hen steeds in hunne holen terug. Natuurlijk is deze gevoeligheid niet aan het geheele lichaam eigen, maar alleen aan de beide eerste ringen, waarin de zenuwen, die van den slokdarmring uitgaan, zich verspreiden.
De meeste soorten van Regenwormen vullen hun wijd spijskanaal met humusrijke aarde en gebruiken de hierin aanwezige rottende plantaardige en dierlijke stoffen als voedsel. Iedereen weet, dat de stroohalmen, vederen, bladen, papiersnippers, enz., die men ’s morgens in tuinen en op binnenplaatsen in den grond ziet steken, als waren zij hier door kinderen geplant, door de nachtelijke werkzaamheid van Regenwormen in dezen toestand zijn gekomen. Het dier trekt met zoo veel kracht, dat een dikke stroohalm, in ’t midden aangevat, geknakt in zijn gang doordringt; een kippeveer met breede vlag wordt zonder moeite in een nauw gat gesleurd. Darwin, wiens in alle opzichten bewonderenswaardige verhandeling over de Regenwormen hun groote beteekenis voor den mensch en de belangrijke rol, door hen in de geschiedenis der aarde gespeeld, duidelijk doet uitkomen, heeft deze dieren, die zooveel te lijden hebben door vooroordeel en haat, volkomen in hun eer hersteld: „In vele deelen van Engeland,” zegt hij, „bedraagt het gewicht van de aarde, die per jaar en per acre (0.405 H.A.) door hun spijskanaal naar de oppervlakte wordt vervoerd, in drogen toestand meer dan 10 ton (10516 KG.): de geheele bovenste laag teelaarde gaat dus binnen weinige jaren door hun lichaam. Op deze wijze worden steeds nieuwe bestanddeelen van den bouwgrond blootgesteld aan den invloed van ’t koolzuur en van de humuszuren van den bodem; vooral de laatste schijnen een krachtige ontledende werking op de gesteenten uit te oefenen. De Regenwormen brengen de bestanddeelen van de humuslaag, waarmede de bouwgrond bedekt is, in omstandigheden die voor de rotting en de verwering in hooge mate gunstig zijn. De bodem wordt door hen op uitmuntende wijze voorbereid voor den plantengroei en voor de ontkieming van zaden; door hun werkzaamheid komt de bouwgrond herhaaldelijk met de lucht in aanraking en worden zijne bestanddeelen op zulk een wijze gesorteerd, dat er ten slotte geen steentjes in achterblijven, die te groot zijn voor het spijskanaal der Wormen. Zij mengen alles goed dooreen, gelijk een tuinman doet, die fijne aarde gereed maakt voor zijne kostbaarste planten. In dezen toestand is de bodem goed geschikt om vocht terug te houden en alle oplosbare bestanddeelen tot zich te trekken, waardoor ook het proces van de salpetervorming bespoedigd wordt. Tot wonderbaarlijke gevolgtrekkingen leidt het feit, dat de geheele, aan de oppervlakte liggende humusmassa herhaaldelijk door het lichaam van de Regenwormen is heengegaan en binnen luttele jaren opnieuw dezen weg zal nemen. Hoewel de ploeg een van de alleroudste en belangrijkste uitvindingen is, die ooit door den mensch gedaan zijn, werd reeds lang voordat dit werktuig in gebruik kwam, het land geregeld omgeploegd door de Regenwormen, en houden deze zich nog voortdurend met denzelfden arbeid bezig. Het is te betwijfelen, of eenig dier een even belangrijke rol heeft gespeeld in de geschiedenis der aarde als deze laag georganiseerde wezens.”

Gewone Regenworm (Lumbricus agricola). Ware grootte.
Evenals alle overige Oligochaeten, zijn de Regenwormen tweeslachtig. De geslachtsorganen bevinden zich in den regel in het 9e à 15e segment. In deze zelfde lichaamsafdeeling heeft het bij de Lumbriciden met rood bloed gevulde gesloten vaatstelsel, dat soms gedeeltelijk door de huid heenschemert, bijzonder wijde, kloppende ringvaten, die de beide groote bloedvaten boven en onder het spijskanaal verbinden. Iets verder naar achteren, ongeveer op het midden van de voorste lichaamshelft, merkt men in den voortplantingstijd, vooral in het voorjaar, den gordel op (zie de bovenstaande afbeelding onder a). Dit bij de paring noodige orgaan kenmerkt zich door huidklieren, die veel slijm afscheiden en wordt gevormd door zwelling van den rug en de zijden van 6 à 10 ringen; zijn kleur wisselt, al naar de soort, van witachtig of geelachtig tot rood en bruin af. Ook door de plaats die de gordel inneemt, onderscheiden zich de soorten; hij begint tusschen het 20e en het 30e segment. De eieren worden gelegd in een door klieren van den gordel gevormde slijmlaag, die ringvormig het lichaam omgeeft; uit deze slijmlaag ontstaat, nadat de Worm haar van zich afgestroopt heeft, een cocon met hoornachtigen wand, die verscheidene eieren bevat, waarvan echter slechts één uitkomt. Gedaantewisseling komt bij de Oligochaeten niet voor. De grootste en meest verbreide, inheemsche soort is de Akker-aardworm [Lumbricus terrestris (L. agricola)], die soms wel 40 cM. lang wordt en dan uit 200 ringen bestaat; hij houdt zich niet slechts in de bovenste, maar ook in diepere aardlagen op. Even veelvuldig, doch gewoonlijk nader bij de oppervlakte, ontmoet men den meestal veel kleineren Gemeenen Aardworm (Lumbricus communis), kenbaar aan den vorm van het kopsegment, dat van voren een inham en aan de buikzijde een overlangsche groeve vertoont. Eenzaam of tot kluwens vereenigd, slapen onze Aardwormen ’s winters op een diepte van 2 à 3 M. in den grond; zij keeren in de eerste warme lentedagen naar het tooneel hunner werkzaamheid terug, doch komen over dag zelden vrijwillig uit hunne schuilhoeken te voorschijn, daar zij het zonlicht schuwen. Vooral na warme, niet te hevige regenbuien treft men hen in de morgen- en avondschemering tot diep in den nacht buiten hunne gangen aan; zij komen aan de oppervlakte om voedsel op te sporen en om te paren.
De vreedzame, niet veel eischende Regenworm is een van de meest vervolgde dieren. De vijandschap van den mensch drukt zwaar op zijn geslacht. „In bloempotten,” zegt Ritzema Bos, „mag men geen Regenwormen dulden, daar het zuurachtige vocht, ’t welk zij afscheiden, in een zoo enge ruimte voor den groei der planten hinderlijk is. Hiervan kan geen sprake zijn op den akker, waarin zij echter op eene andere wijze nadeelig kunnen worden. Wel is mij herhaaldelijk voorgekomen, dat de tuinlieden hen ten onrechte beschuldigden, jonge, sinds kort ontkiemde plantjes van allerlei soort te hebben vernield, terwijl ’t mij bleek, dat nu eens Emelten, dan weer Ritnaalden, Engerlingen of larven van Rozenkevertjes, bij bieten doorgaans de Bietenkevertjes, de schuldigen waren. Maar toch heb ik vaak genoeg de gelegenheid gehad, mij ervan te overtuigen, dat—vooral op vochtige plekken—de Regenwormen vele kiemplanten en andere jonge planten van allerlei soort in hunne gaten trekken om ze op te eten.” Van de viervoetige dieren maken vooral de Mollen, Egels en Spitsmuizen jacht op hen. Tallooze Vogels, niet slechts die, welker voedsel uitsluitend of voor een groot deel uit levende dieren bestaat, maar ook hunne gewoonlijk zadenetende verwanten, beschouwen den Regenworm als een heerlijke versnapering. Padden, Salamanders en Tritonen loeren ’s nachts bij zijn hol. Voor de Visschen, die alleen zijne in rivier- en zeeslib levende verwanten kunnen belagen, is hij een verleidelijk lokaas. Nog talrijker zijn de Wormen-etende Ongewervelde Dieren. De gewone nachtelijke bezigheid van de groote Loopkevers en Kortschildkevers bestaat in het opzoeken van dezen gemakkelijk te vermeesteren buit, die in nog meerdere mate het aangewezen wild is van hunne larven. De felste vervolging hebben de Aardwormen te verduren van de groote Duizendpooten, die, uit het hol van de voor hen vluchtende prooi komend, dikwijls midden op den dag niet schromen den strijd in het door hen gehate zonlicht voort te zetten.
De Lumbriciden zijn in ruim 100 soorten, die een 20-tal geslachten vormen, over de geheele wereld verbreid; men ontmoet ze nog op de afgelegenste eilanden, voorzoover hier omstandigheden heerschen, die hun het leven mogelijk maken. Zelfs bij den mond van de Lena komen zij voor; verscheidene soorten zijn rondom de pool woonachtig: in Noord-Amerika even overvloedig als in Europa en Siberië. Reusachtige exemplaren worden in de keerkringsgewesten van de Oude en de Nieuwe Wereld aangetroffen: sommige soorten van het geslacht Megacolex bereiken een lengte van ruim 1 M. Andere onderscheiden zich door een zeer in ’t oog vallende kleur, b.v. hemelsblauw.
*
De naaste verwanten van de Aardwormen—een vijftal familiën met ongeveer 120 soorten—worden vooral wegens den afwijkenden bouw der voorttelings- en bloedsomloopsorganen in een afzonderlijke onderorde samengevat onder den naam van Modderwormen (Limicolae), welken zij rechtvaardigen door hun verblijf in zeer vochtigen grond, modderig water of ondiepe plassen en beken. De meeste zijn aanmerkelijk kleiner dan de Aardwormen; exemplaren van 12 cM. lengte zijn zeldzame uitzonderingen.
Bij de Slingerwormen (Tubificidae) zijn de borstels van de bovenste reeks dikwijls verlengd tot haren, die even lang zijn als het lichaam breed is; de kleur dezer diertjes wordt tot rood of bruin verhoogd door het geelroode of roode bloed, dat onder hunne dunne lichaamsbekleedselen circuleert. De slijkerige, vervuilde bodem van slooten en beken is dikwijls rood gekleurd door de aanwezigheid van uiterst talrijke, 1 à 2 cM. lange, dunne, doorzichtige wormpjes. Deze Bonte Slingerwormen (Tubifex rivulorum) houden het voorste deel van ’t lichaam verborgen in de nauwe, door hen gegraven gangen, waarboven het voortdurend heen en weer slingerende, achterste lichaamsdeel uitsteekt. Zij bekommeren zich niet om de nabijheid van den voorzichtig naderenden toeschouwer, maar verdwijnen onmiddellijk alle te gelijk in hunne kwalijk riekende schuilhoeken, wanneer een slag op het water hen verschrikt. Als men ze uit den modder trekt en in schoon water werpt, kronkelen zij zich spiraalsgewijs ineen.
Een geheel andere levenswijze hebben de volkomen doorzichtige, witachtige Waterslangetjes of Naïden (Naïdidae). Wanneer men uit een met eendenkroos begroeiden vijver of sloot in ’t wilde weg een aantal plantjes opschept, zal men, nadat hun thuis de gelegenheid werd gegeven zich over den waterspiegel te verspreiden, ongetwijfeld eenige, zoo niet vele van deze sierlijke wormpjes opmerken; met behulp van haak- en haarborstels weten zij met slangsgewijze kronkelingen hun weg te vinden tusschen de wortels van het eendenkroos en de dooreengewarde draden der conferven (van het flap).
De Snuitdragende Naïs [Naïs (Stylaria) proboscidea], die hoogstens 13 mM. lang wordt en veelvuldig bij ons in slooten, en poelen voorkomt, is kenbaar en dankt haar naam aan het tot een langen, vooruitstekenden draad verlengde kopsegment. Reeds Réaumur heeft opgemerkt, dat na het doormidden snijden van dezen Worm elk stuk zich tot een volkomen dier aanvult. De meest gewone wijze van vermenigvuldiging der Naïden berust op een soortgelijk verschijnsel, dat echter uitsluitend waargenomen wordt bij exemplaren, waarin nog geen geslachtsorganen zichtbaar zijn. Zonder eenige uitwendige aanleiding ontwikkelt het achterste segment zich tot een nieuw individu; het verlengt zich sterk, verkrijgt oogstipjes en later ook ringvormige groeven in de huid, doch blijft nog steeds verbonden met het oude dier, in wiens achterste segment hetzelfde verschijnsel zich herhaalt. Op deze wijze ontstaat gewoonlijk een lange reeks van Naïden, voordat de achterste en oudste zich afscheidt om een zelfstandig leven te gaan leiden; bij deze heeft dan dikwijls reeds de vervorming van het achterste segment tot een nieuw wezen een aanvang genomen. Alle op deze wijze, door knopvorming, ontwikkelde Wormen worden later geslachtsrijp en brengen dan eieren voort.
Veel soortenrijker dan de vorige en nagenoeg geheel tot de zee beperkt, is de orde der Veelborsteligen (Polychaeta). Hunne groote borstels vertoonen zeer verschillende vormen, zijn soms „enkelvoudig”, uit één stuk, soms uit twee beweeglijk verbonden stukken „samengesteld”. In den regel ontspruiten zij in betrekkelijk grooten getale, bundelsgewijs of op een rij naast elkander, op ongelede, knobbel- of kamvormige voetstompjes (parapodiën), die aan weerszijden van ’t lichaam een dubbele reeks kunnen vormen (4 op ieder segment) en dan onderscheiden worden in rug- en buikparapodiën. Deze zijn niet zelden zoo dicht bijeengeplaatst, dat zij één zijwaarts gericht geheel uitmaken, al of niet in twee lobben verdeeld en hierna „tweeriemig” of „éénriemig” genoemd. Aan de voetstompjes komen dikwijls, behalve borstels, ook nog andere aanhangsels voor; deze organen, die den vorm hebben van gladde of in ringen verdeelde draden, kegels, cilinders, bladen, schubben, enz., noemt men ranken of cirren. Gewoonlijk draagt ieder segment er 2 (één rug- en één buikcirre, waarvan de eerste meestal het sterkst ontwikkeld is), zelden meer. Andere aanhangsels van de segmenten zijn de kieuwen, die eveneens een groote verscheidenheid van vorm vertoonen. Soms zijn zij over een groot deel van ’t lichaam verspreid (bij de Rugkieuwigen), soms aan de voorste segmenten of zelfs aan den kop gehecht (bij de Kopkieuwigen). De aanhangsels van den kop heeten, al naar zij aan het eigenlijke kopsegment of aan het mondsegment voorkomen, voeldraden of sprieten (antennen) en voelers of tasters (palpen).—Nagenoeg alle Veelborsteligen zijn éénslachtig; hun ontwikkeling gaat steeds met een (soms zeer samengestelde) gedaantewisseling gepaard.
*
Een aantal familiën kan men onder den naam van Vrijlevende Rugkieuwigen (Dorsibranchiata errantia) in een onderorde samenvatten. Deze hebben een duidelijk begrensden kop en hieraan, in overeenstemming met hun vrije, rondzwervende levenswijze, in den regel goed ontwikkelde oogen en voeldraden. Een deel van het spijskanaal kan door de mondopening naar buiten gestulpt worden en een slurf vormen, die bij de diereneters (en deze vormen de meerderheid) met krachtige (soms kaakvormige), voor ’t grijpen van de prooi dienende tandplaten gewapend is. De voetstompjes zijn goed ontwikkeld, doen als roeiwerktuigen dienst en dragen borstels van zeer verschillenden vorm. Kieuwen zijn meestal aanwezig als kam- of boomvormige aanhangsels aan het ruggedeelte van de voetstompjes. De meeste leden dezer groep prijken met metaalachtige kleuren; hun huid, welker haarvormige aanhangsels alle kleuren van den regenboog weerspiegelen, schittert als een zijden kleed.

Stekelige Hermione (Hermione hystrix). Ware grootte.
Gewoonlijk kent men den voorrang toe aan de familie der Zeerupsen (Aphroditidae), welker rugcirren, meestal om de andere, vervangen zijn door groote schubben, die den rug geheel bedekken. De kop draagt in den regel drie voeldraden: een in ’t midden en twee aan de zijden. Alle hebben 2 of 4 oogen. Bij sommige geslachten vindt men behalve de gewone (enkelvoudige of samengestelde) borstels, ook een kleed van lange haren, die even prachtig iriseeren als de vederen van de fraaiste Vogels der keerkringsgewesten en een vilt vormen, dat de rugschubben bedekt en soms geheel aan ’t oog onttrekt. Dit laatste is het geval bij de Zeemuizen (Aphrodite), waarvan een soort, de Fluweelen Zeemuis (Aphrodite aculeata), die soms wel 15 cM. lang wordt, aan onze kust en in alle overige Europeesche zeeën veelvuldig aangetroffen wordt. Zij gelijkt veel op de Stekelige Hermione (Hermione hystrix), een der algemeenste soorten in de Middellandsche Zee. Deze Wormen hebben een zeer bevallig, glinsterend voorkomen, nadat men ze door herhaald afspoelen bevrijd heeft van het vuil, dat gewoonlijk in groote hoeveelheid hun lichaam bedekt. De doornen van de schoone Hermione zijn echter meer te vreezen dan die van het Stekelvarken (Hystrix), daar weerhaken hen terughouden in de huid, waarmede zij in aanraking komen. Om deze wapens bekommeren de Roofvisschen zich niet veel. In het noorden worden allerlei soorten van Zeerupsen vooral door Kabeljauwen en Schelvisschen, in de Middellandsche Zee door verscheidene kleine Haaien met graagte verslonden.
Hoe fraai de leden van het 50-tal Europeesche soorten dezer familie ook zijn, nog prachtiger vertegenwoordigers heeft zij aan de kusten der keerkringzeeën.
Een typische Roofwormen-familie vormen de Nereïden (Nereidea)—met hun slank, niet afgeplat lichaam, dat uit een groot aantal niet door rugschilden bedekte segmenten bestaat—door de rustelooze bedrijvigheid en de vlugge bewegingen, die hen kenmerken, en door het gebruik, dat zij maken van de beide tangvormige aan bovenkaken van Insecten herinnerende tandplaten, welke na het uitsteken van den schijnbaar tweeledigen slurf vrij naar voren gericht zijn. Zij schitteren met regenboogkleuren; hun eigenlijke kleur is effen blauw-, bruin-, geel- of roodachtig. In alle zeeën maken zij een belangrijk deel van de kust-fauna uit. Een van de meest bekende der bij onze kust voorkomende soorten is de 10 à 20 cM. lange, 7 à 10 mM. breede Zeeduizendpoot (Nereis pelagica).
De tweede onderorde van de Veelborstelige Ringwormen is die der Kokerwormen (Sedentaria of Tubicolae), die men naar de kieuwen in 3 groepen kan verdeelen. Van de Rugkieuwigen (Notobranchiata) is de Zeeworm of Zeepier (Arenicola piscatorum) een der meest bekende vertegenwoordigers. Hij kan een lengte van 22 cM. bereiken en is zeer verschillend van kleur: groenachtige, geelachtige en roodachtige tinten hebben de overhand; sommige exemplaren zijn zeer licht, andere donker, bijna zwart van kleur. Blijkbaar staat dit verschil in verband met de ongelijke gesteldheid van den bodem, daar de lichte variëteit uitsluitend in bijna zuiveren zandgrond, de zwarte in sterk met rottende organische stoffen gemengde, bijna slijkerige aarde voorkomt. De kleine, kegelvormige kop draagt zoo min voelers als oogen. Het voorste deel van ’t spijskanaal kan uitgestulpt worden tot een bekervormigen slurf zonder tandplaten. Aan het lichaam onderscheidt men zeer duidelijk drie groote afdeelingen. Het gezwollen, voorste gedeelte bestaat uit 7 segmenten, waarvan de 6 achterste aan de korte, tweevinnige voetstompjes, die aan de zijden van den rug voorkomen, borstelbundels, doch geen kieuwen dragen. Zonder scherpe scheiding volgt nu het naar achteren allengs dunner wordende, 13-ledige middendeel, aan welks voetstompjes men, behalve borstelbundels, ook bossen van roodachtige, boomvormig vertakte kieuwen opmerkt. Aan de zuiver rolronde, achterste en dunste afdeeling, welks lengte ongeveer ⅓ van de geheele lichaamslengte uitmaakt, bevinden zich geen aanhangselen.
Door aan het voorste deel van ’t lichaam beurtelings den vorm van een spitsen kegel te geven en het tot een cilinder te doen opzwellen, boort deze Worm op ons zeestrand gangen van 3 à 7 dM. diepte in het vochtige zand, met welks organische bestanddeelen hij zich voedt. De kleine, gekronkelde rolletjes, die hij door de aarsopening uitwerpt en, evenals de Aardworm, boven den ingang zijner woning ophoopt, verraden zijn aanwezigheid in den bij eb droog liggenden zeebodem. De gang heeft twee dicht bijeenliggende openingen en is gevoerd met een dun kokertje van zandkorrels, aaneengekleefd door de geelgroene vloeistof, die (ook bij aanraking van het dier) uit de huid te voorschijn komt. De koker, die zich onmiddellijk met helder water vult, is wijd genoeg om aan de kieuwen vrij spel te laten. De Zeepier kruipt bij de geringste schudding van den bodem door een voetstap ten spoedigste zoo ver mogelijk in zijn gang. Om haar te vangen, steekt men tusschen de beide gaten een haak in den grond tot beneden de diepte, waarop men de lusvormige kromming van den koker vermoedt; menigmaal wordt echter de haak vergeefs opgetrokken. Het naar boven gebrachte dier is nog met stukken van zijn koker bedekt.

1) Zeepier (Arenicola piscatorum).—2) Perkamentachtige Borstelvinworm (Chaetopterus pergamentaceus).—Ware grootte.
De Zeepier bewoont nagenoeg alle kusten van Europa en Groenland; zij is bijna de eenige Worm, die handelswaarde heeft, daar men haar als lokaas bij de schelvischvangst gebruikt. Alleen op het eiland Norderney worden ieder jaar 9½ millioen Zandpieren ter waarde van 7000 à 9000 gulden met dit doel verzameld. In de maanden Maart en April vindt men naast de zandhoopjes van de Zandpier een peervormig, met een tamelijk lang steeltje in ’t zand bevestigd geleiklompje, dat de lichtroode, ruim ¼ mM. dikke eieren bevat.
Бесплатный фрагмент закончился.
