Читать книгу: «De Hoovenier»
Rabindranath Tagore
De Hoovenier

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066403706
Inhoudsopgave
I.
II.
III.
IV.
V.
VI.
VII.
VIII.
IX.
X.
XI.
XII.
XIII.
XIV.
XV.
XVI.
XVII.
XVIII.
XIX.
XX.
XXI.
XXII.
XXIII.
XXIV.
XXV.
XXVI.
XXVII.
XXVIII.
XXIX.
XXX.
XXXI.
XXXII.
XXXIII.
XXXIV.
XXXV.
XXXVI.
XXXVII.
XXXVIII.
XXXIX.
XL.
XLI.
XLII.
XLIII.
XLIV.
XLV.
XLVI.
XLVII.
XLVIII.
XLIX.
L.
LI.
LII.
LIII.
LIV.
LV.
LVI.
LVII.
LVIII.
LIX.
LX.
LXI.
LXII.
LXIII.
LXIV.
LXV.
LXVI.
LXVII.
LXVIII.
LXIX.
LXX.
LXXI.
LXXII.
LXXIII.
LXXIV.
LXXV.
LXXVI.
LXXVII.
LXXVIII.
LXXIX.
LXXX.
LXXXI.
LXXXII.
LXXXIII.
LXXXIV.
LXXXV.
I.
Inhoudsopgave
DIENAAR.
Ontferm u oover uw dienstknecht, mijn kooningin!
KOONINGIN.
De raad is uiteengegaan en mijn bedienden zijn allen vertrokken. Waarom komt gij zoo laat?
DIENAAR.
Als gij gedaan hebt met de anderen dan is het mijn tijd.
Ik kom vragen wat er voor uwen laatsten dienstknecht te doen is.
KOONINGIN.
Wat kunt gij verwachten, als het te laat is?
DIENAAR.
Maak mij hoovenier in uwen bloemhof.
KOONINGIN.
Wat beteekent die dwaasheid?
DIENAAR.
Ik zal mijn ander werk opgeeven. Ik zal mijn zwaarden en lansen in het stof werpen. Zend mij niet naar verre hooven; vraag mij niet op nieuwe verooveringen uit te gaan. Maar maak mij hoovenier in uwen bloemhof.
KOONINGIN.
En wat zal dan uw werk zijn?
DIENAAR.
De dienst van uwen leedigen tijd.
Ik zal het grazige pad frisch houden waar gij des morgens wandelt, waar uw voeten loovend gegroet zullen worden bij iederen tred, door de bloemen, die verlangen te sterven.
Ik zal u wiegen in een schommel tusschen de takken van den saptaparna-boom, waar de vroege avondmaan uw kleed zal trachten te kussen door het loover.
Ik zal de lamp, die brandt naast uw bed, met geurige olie vullen, en uw voetbank versieren met sandel- en safraandeeg in wonderbare teekening.
KOONINGIN.
En wat verlangt ge voor uw loon?
DIENAAR.
Verlof om uw kleine vuisten te omvatten als teere lotos-knoppen en bloemenkeetenen om uw polsen te slaan; om de zoolen van uw voetjes met het roode sap van asjoka bloembladen te kleuren, en het plekje stof dat daar nog mocht gebleeven zijn, weg te moogen kussen.
KOONINGIN.
Uw beede is verhoord, mijn dienaar, gij zult de hoovenier zijn in mijn bloemhof.
II.
Inhoudsopgave
O, dichter, de avond valt, uw haar vergraauwt.
Hoort gij, in uw eenzaam gepeins, bericht van het génerzijds?
„Het is avond” zei de dichter „en ik luister of iemand mocht roepen uit het dorp, al is het ook laat.
Ik geef acht, of jonge zwervende harten elkander soms ontmoeten, of twee paar greetige oogen soms muziek verlangen om hun zwijgen te breeken, en om voor hen te spreeken.
Wie zou hun hartstochtelijke zangen vlechten, als ik aan den rand des leevens zat, in beschouwing van den dood en het génerzijds?
De vroege avondster verdwijnt.
De gloed van een dooden-brandstapel sterft langsaam weg bij de stille rivier.
Het koor van jakhalzen schreeuwt van uit den hof van het verlaten huis, in het licht der kwijnende maan.
Als nu een zwerver, na ’t verlaten van zijn huis, hier kwam om acht te geeven op den nacht, en met geboogen hoofd te luisteren naar het murmelen der duisternis, wie zou hem dan de geheimen van het Leeven in ’t oor fluisteren, als ik mijn deuren sloot en mijzelven trachtte te bevrijden uit sterfelijke banden?
Dat mijn haar vergraauwt is een kleinigheid.
Ik ben altijd eeven jong of eeven oud als de jongste en de oudste van dit dorp.
Sommigen hebben lachjes, lief en eenvoudig, sommigen een schalke tinteling in hun oogen.
Sommigen hebben tranen die in het daglicht opwellen, anderen hebben tranen die in ’t duister verborgen blijven.
Zij hebben mij allen noodig, en ik heb geen tijd om oover het hiernamaals te peinzen.
Ik ben van elk een tijdgenoot. Wat maakt het uit dat mijn haar vergraauwt?”
III.
Inhoudsopgave
Des morgens wierp ik mijn net uit in de zee.
Uit de donkere diepte haalde ik dingen op van wonderlijk aanzien en vreemde schoonheid. Sommigen glansden als een glimlach, sommigen blonken als tranen, en anderen bloosden als de wangen eener bruid.
Toen ik huiswaarts keerde met mijn dagelijksche vracht, zat mijn lief in den hof en trok ijdelijk de bladen uit een bloem.
Ik weifelde een oogenblik, legde toen aan haar voeten alles wat ik opgehaald had, en wachtte zwijgend.
Zij oogde er naar, en zeide:
„Wat voor zonderlinge dingen zijn dat? Ik weet niet waarvoor zij dienen.”
Ik boog beschaamd mijn hoofd en dacht: „ik heb er niet voor gevochten, ik kocht ze niet op de markt, dat zijn geen waardige geschenken voor haar.”
En den heelen nacht dóór wierp ik hen één voor één op straat.
Des morgens kwamen reizigers; zij raapten hen op en droegen hen naar verre landen.
IV.
Inhoudsopgave
Helaas, waarom bouwden ze mijn huis aan den weg die naar de marktplaats voert?
Zij meeren hun volle booten digt bij mijn boomen.
Zij koomen en gaan en dwalen naar ’t hun lust.
Ik zijt en let op hen; mijn tijd verstrijkt.
Ik kan hen niet wegjagen. En zoo gaan mijn dagen om.
Nacht en dag klinken hun schreeden bij mijn deur.
Te vergeefs roep ik: „Ik ken u niet.”
Mijn vingers kennen enkelen hunner, mijn neusgaten kennen anderen, het bloed in mijn aderen schijnt hen te kennen, en mijn droomen kennen sommigen.
Hen wegjagen kan ik niet. Ik roep hen en zeg: „Kom in mijn huis wie lust heeft. Komt vrij!”
Des morgens luidt de klok in den tempel.
Zij koomen met hun manden in de hand.
Hun voeten zijn roozerood. Het vroege licht van de dageraad is op hun gelaat.
Wegjagen kan ik hen niet. Ik roep hen en zeg: „Komt in mijn tuin om bloemen te plukken. Komt gerust.”
In den middag klinkt de gong aan de paleis-poort.
Ik weet niet waarom zij hun werk verlaten en treuzelen bij mijn heg.
De bloemen in hun haar zijn bleek en verwelkt; de toonen kwijnen in hun fluiten.
Wegjagen kan ik hen niet. Ik roep hen en zeg: „Onder mijn boomen is de schaduw koel. Komt vrienden!”
Des nachts sirpen de kreekels in het bosch.
Wie komt er langsaam tot mijn deur en klopt zachtkens?
Vaag zie ik een gelaat, geen woord wordt gesprooken, ooveral-om is de stilte van den heemel.
Wegjagen kan ik mijn stille gast niet. Ik zie naar het gelaat in ’t duister en uuren van droomen gaan voorbij.
V.
Inhoudsopgave
Ik ben rusteloos. Mij dorst naar verre dingen.
Mijn ziel gaat uit in verlangen om het kleed aan te raken van de scheemerige verte.
O groot Génerzijds! O dringende roep van uw pijpen.
Ik vergeet, ik vergeet telkens weer, dat ik geen vleugels heb, dat ik voor eeuwig aan deeze plek gebonden ben.
Ik ben greetig en waaksaam, een vreemdeling in een vreemd land.
Uw Adem bereikt mij en fluistert een onmoogelijke verwachting.
Uw spraak wordt door mijn hart gekend als zijn eigene.
O Gij die verre te zoeken zijt, o de dringende roep van uw pijpen.
Ik vergeet, ik vergeet telkens weer, dat ik den weg niet ken, dat ik het gevleugelde paard niet heb.
Ik ben lusteloos, ik ben een zwerver van harte.
In den zonnigen neevel van de kwijnende uuren, welk van uw machtige vizioenen neemt vorm aan in het blaauw des heemels?
O verst verwijderd Eind, o dringende roep van uw pijpen.
Ik vergeet, ik vergeet telkens weer, dat de poorten ooveral geslooten zijn, in het huis waar ik eenzaam woon.
VI.
Inhoudsopgave
De tamme voogel was in een kooi, de vrije voogel was in ’t woud.
Zij ontmoetten elkaar te gezetter tijd, zoo wilde het ’t noodlot.
De vrije voogel roept: „O geliefde, laat ons vluchten naar ’t woud”.
De gevangen voogel fluistert: „Kom hier, laat ons samen woonen in de kooi”.
Zegt de vrije voogel: „Waar is ruimte tusschen de tralies om de wieken uit te slaan?”
„Helaas!” roept de gekooide voogel: „Ik weet niet waar ik zou kunnen neerzitten in den vrijen heemel.”
De vrije voogel roept: „Mijn lieveling, zing het lied der woudstreeken.”
De kooi-voogel zegt: „Zit bij mij neer, ik zal u de taal der wijzen leeren!”
De woudvoogel roept: „O neen! neen! zangen kunnen nooit geleerd worden.”
De kooi-voogel zegt: „Wee mij! ik ken de zangen der woudstreeken niet.”
Hun liefde is heftig van verlangen, maar zij kunnen nooit vliegen wiek aan wiek.
Zij zien door de tralies van de kooi, en te vergeefs is hun wensch om elkander te kennen.
Zij fladderen met hun vleugels in verlangen en zingen: „Kom digterbij, mijn geliefde!”
De vrije voogel roept: „Het gaat niet, ik ben bang voor de geslooten deurtjes van de kooi.”
De kooi-voogel fluistert: „Helaas, mijn wieken zijn machteloos en dood.”
VII.
Inhoudsopgave
O moeder, de jonge Prins zal onze deur voorbij koomen—hoe kan ik dan aan mijn werk blijven van ochtend?
Toon mij hoe ik mijn haar moet vlechten; zeg mij wat kleed ik zal aantrekken.
Waarom zie je zoo verwonderd naar mij, moeder?
Ik weet wel dat hij niet zal opzien naar mijn vensters; ik weet dat hij in een oogwenk uit mijn gezicht zal zijn; alleen de wegstervende zang van de fluit zal klagend tot mij koomen van verre.
Maar de jonge Prins zal onze deur voorbij koomen en ik zal mij voor dat oogenblik op mijn best kleeden.
O moeder, de jonge Prins is onze deur voorbij gekoomen en de morgenzon flikkerde van zijn wagen.
Ik vaagde de sluyer van mijn gelaat weg, ik reet het robijn-snoer van mijn hals en wierp het op zijn pad.
Waarom zie je zoo verwonderd naar mij, moeder?
Ik weet wel dat hij mijn snoer niet opnam; ik weet dat het verbrijzeld werd onder zijn wielen en een roode vlek liet op het stof, en niemand weet wat mijn gave was, noch voor wien.
Maar de jonge Prins is onze deur voorbij gekoomen en ik wierp de juweelen van mijn borst op zijn weg.
VIII.
Inhoudsopgave
Toen de lamp uitdoofde naast mijn bed, ontwaakte ik met de vroege voogels.
Ik zat voor mijn oopen venster, met een versche krans op mijn los haar.
De jonge reiziger kwam den weg af in de roze morgenneevel.
Een paerelsnoer was om zijn hals en de zonnestralen vielen op zijn kruin.
Hij stond stil voor mijn deur en vroeg mij met een greetigen uitroep: „Waar is zij?”
Van louter schaamte kon ik niet zeggen: „Zij is Ik, jonge reiziger, Zij is Ik.”
Het scheemerde en de lamp brandde niet.
Lusteloos vlechtte ik mijn haren.
De jonge reiziger kwam op zijn wagen in den gloed der ondergaande zon.
De paarden schuimbekten en er was stof op zijn gewaad.
Hij stapte uit voor mijn deur en vroeg met vermoeide stem: „Waar is zij?”
Van louter schaamte kon ik niet zeggen: „Zij is Ik, moede reiziger, Zij is Ik.”
Het is een Aprilnacht. De lamp brandt in mijn kamer.
Zachtkens komt de Zuidewind. De praatzieke papagaai slaapt in zijn kooi.
Mijn keurs heeft de kleur van een paauwehals, mijn mantel is groen als jong gras.
Ik zit op den vloer bij ’t venster en let op de verlaten straat.
Door den donkeren nacht blijf ik neurieën: „Zij is Ik, vertwijfelend reiziger, Zij is Ik.”
IX.
Inhoudsopgave
Als ik des nachts alleen naar de samenkomst van minne ga, dan zingen de voogels niet, de wind roert zich niet, stom staan de huizen ter weerszij van de straat.
Het zijn mijn eigen enkel-ringen, die luidruchtig worden bij elken stap, en ik schaam mij.
Als ik op mijn balkon zit en naar zijn voetstap luister, dan ritselen de bladen niet aan de boomen, het water in de rivier is stom als het zwaard op de knieën van een ingeslapen schildwacht.
Het is mijn eigen hart dat wild slaat—ik weet niet hoe ik het zal doen bedaren.
Als mijn geliefde komt en aan mijn zijde zit, als mijn lijf beeft en mijn oogleeden needergaan, dan wordt de nacht donker, de wind blaast de lamp uit, en de wolken trekken sluyers oover de starren.
Het is het juweel op mijn eigen borst dat glans en licht geeft. Ik weet niet hoe ik het moet verbergen.
X.
Inhoudsopgave
Laat uw arbeid staan, bruid. Luister, de gast is gekoomen.
Hoort ge? hij rammelt zachtkens aan de ketting die de deur digt houdt.
Let op dat uw enkelringen geen luid gerucht maken, en dat uw stap niet te haastig is bij het hem tegemoet gaan.
Laat uw arbeid staan, bruid, in den avond is de gast gekoomen.
Neen! het is niet de spookachtige wind, bruid, wees niet verschrikt.
Het is de volle maan in een Aprilnacht; de schaduwen zijn bleek in den binnenhof; de heemel omhoog is helder.
Trek de sluyer oover uw gelaat als het zijn moet, draag uw lamp tot de deur als ge bang zijt.
Neen, het is niet de spook-wind, bruid, wees niet bevreesd.
Spreek niet tot hem, als ge bedeesd zijt; sta terzijde van de deur bij de ontmoeting.
Als hij u vragen vraagt, en ge wenscht het, dan kunt ge uw oogen zwijgend neerslaan.
Laat uw armringen niet rinkelen, als ge hem binnenleidt, met de lamp in uw hand.
Spreek niet tot hem als ge bedeesd zijt.
Is uw arbeid nog niet gedaan, bruid? Luister, de gast is gekoomen.
Hebt ge de lamp in de koestal niet aangestooken?
Hebt ge het offermandje niet gereed voor den avond-dienst?
Hebt ge het roode geluksmerk niet geplaatst bij de scheiding van uw haar, en uw toilet gemaakt voor den nacht?
O Bruid, hoort ge ’t, de gast is gekoomen?
Laat uw arbeid staan.
XI.
Inhoudsopgave
Kom zooals je bent; treuzel niet met je toilet.
Als je gevlochten haar losgegaan is, als je scheiding niet recht is, als de linten van je keursje niet vastgestrikt zijn, let er niet op.
Kom zooals je bent, treuzel niet met je toilet.
Kom, met vlugge stappen oover ’t gras.
Als het roode kleursel door den daauw is afgegaan van je voeten, als de ringen met belletjes van je voeten losgaan, als paerelen uit je snoer vallen, let er niet op.
Kom, met vlugge stappen oover ’t gras.
Zie je hoe de wolken den heemel omhullen?
Vluchten kraanvoogels vliegen op van de ooverkant der rivier, en plotselinge windstooten vliegen oover de heide.
Het angstige vee rent naar zijn stalling in het dorp.
Zie je de wolken die den heemel omhullen?
Te vergeefs steek je je toilet-lamp aan.—Zij flakkert en dooft uit in den wind.
Wie kan weeten dat je oogleeden niet met lamp-zwart zijn bestreeken?
Want je oogen zijn donkerder dan reegenwolken.
Te vergeefs steek je je toilet-lamp aan—ze gaat uit.
Kom zooals je bent; treuzel niet met je toilet.
Al is de krans niet gevlochten, wie geeft er om? Is de armband niet geslooten, laat haar zoo.
De heemel is met wolken ooverdekt. Het is laat.
Kom zooals je bent; treuzel niet met je toilet.
XII.
Inhoudsopgave
Als ge werk wilt doen en uw waterkruik vullen, kom tot mijn Meer, o kom!
Het water zal zich om uw voeten sluiten en zijn geheim uitbabbelen.
De schaduw van den koomenden reegen is op het zand, en de wolken hangen laag op de blaauwe boom-kontoeren, zooals het zware haar booven uw wenkbraauwen.
Ik ken het ritme van uw schreeden wel, zij kloppen in mijn hart.
Kom tot mijn Meer, o kom, als ge uw kruik moet vullen.
Wilt ge leedig zitten en droomen en uw kruik laten drijven op het water, kom tot mijn Meer, o kom!
De grazige oeverglooying is groen, en de wilde bloemen zijn ontelbaar.
Uw gedachten zullen uit uw donkere oogen dwalen als voogels uit hun nest.
Uw sluyer zal aan uw voeten vallen.
Kom tot mijn Meer, o kom! als ge werkeloos zitten wilt.
Wilt ge uw spel laten rusten en duiken in ’t water, kom tot mijn Meer, o kom.
Laat uw blaauwe mantel aan den oever liggen; het blaauwe water zal u kleeden en verbergen.
De golfjes zullen op hun teenen gaan staan om uw hals te kussen en in uw oor te fluisteren.
Kom tot mijn Meer, o kom, als ge in ’t water wilt duiken.
Moet gij razend zijn en in uw dood springen, kom tot mijn Meer, o kom!
Het is koel en grondeloos diep. Het is donker als droomlooze slaap.
In zijn diepten daar is nacht en dag gelijk, en zangen zijn er stilte.
Kom tot mijn Meer, o kom! als ge wilt duiken naar uw dood.
Бесплатный фрагмент закончился.
