Читать книгу: «Door het land der Skipetaren»

Шрифт:

Karl May

Door het land der Skipetaren


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066312015

Inhoudsopgave

Eerste hoofdstuk.

Ontmaskerd.

Tweede hoofdstuk.

Een nachtelijke tocht.

Derde hoofdstuk.

Ontvlucht!

Vierde hoofdstuk.

Het onderzoek.

Vijfde hoofdstuk.

In de apotheek.

Zesde hoofdstuk.

Kogelvrij!

Zevende hoofdstuk.

De twee Aladschy’s.

Achtste hoofdstuk.

Een Hekim.

Negende hoofdstuk.

In de rotsholte.

Tiende hoofdstuk.

De Miridiet.

Elfde hoofdstuk.

In den toren der oude moeder.

Twaalfde hoofdstuk.

Op verdrinken af.

Eerste hoofdstuk.
Ontmaskerd.

Inhoudsopgave

De Turksche rechtpleging, heeft, zooals bekend is, haar eigenaardigheden, men zou zelfs kunnen zeggen haar schaduwzijden, die te meer uitkomen naarmate de streek waarvan sprake is, meer afgelegen is.

Onder de heerschende omstandigheden is het dus niet te verwonderen dat daar, waar de verschillende bandelooze stammen der Arnauten, die voortdurend met elkaar in oorlog leven, gevestigd zijn, van “recht” eigenlijk geen sprake wezen kan.

Bij Ostromdscha begint het gebied der Skipetaren, die maar één wet kennen, nl. dat de zwakkere voor den sterkere moet wijken. Toen dan ook ons optreden tegenover den Mubarek,1 ons met het “gerecht” in aanraking bracht, begrepen wij, dat, wilden wij niet aan het kortste eind trekken, ook wij die wet moesten toepassen. Wij hadden dit reeds in den namiddag gedaan, en wel met goed gevolg, en waren van plan, op de zitting waar wij thans werden gewacht, eveneens op krachtige wijze op te treden.

Toen wij ons naar het “gerechtsgebouw” begaven, begon de avond reeds te vallen. Wij zagen onderweg verscheidene menschen die op de binnenplaats geen plekje meer hadden kunnen vinden en zich nu langs den weg hadden opgesteld, om ons ten minste te zien voorbijkomen.

Nadat wij op de binnenplaats waren aangekomen, werd de poort achter ons gesloten, wat voor ons geen goed teeken was. De Mubarek had al zijn invloed doen gelden, en naar het scheen met goed gevolg.

Wij baanden ons een weg door de menschen, tot aan de plek waar het verhoor zou plaats vinden. Behalve een stoel stond er een lange bank en waren alle benoodigdheden voor de bastonnade voorhanden.

Men had olie in de bakken gedaan en het werk aangestoken, wat over den geheelen omtrek een fantastisch licht verspreidde.

De heeren van het gerecht waren in het huis. Men verwittigde hen van onze komst. De Khawassen stelden zich rondom ons op, zoodat de weg naar de poort voor ons was afgesneden. Daar deze gesloten was, scheen ons het optreden van de politiemannen dubbel bedenkelijk.

Doodsche stilte heerschte rondom. Nu verschenen de vijf heeren en de Khawassen presenteerden de blanke sabel.

—O, Allah!—zeide Halef spottend. Wat zal ons gebeuren, Sihdi! Ik sidder van angst.

—Ik ook!

—Zal ik die domme menschen, die zich verbeelden dat zij ons met hun sabels vrees kunnen aanjagen, eens kennis laten maken met mijn zweep?

—Geen dwaasheden! Gij hebt vandaag reeds eenmaal ondoordacht gehandeld en zijt daardoor grootendeels schuld dat wij ons hier bevinden.

De vijf rechters hadden plaats genomen.

De Kodscha Bascha op den stoel, de anderen op de bank. Een vrouw drong door de menigte heen en nam plaats achter den plaatsvervanger. Ik herkende dadelijk Nohuda, die haar schoonheid door ’t gebruik van oker trachtte te verbergen. De plaatsvervanger scheen dus wel haar gelukkige echtgenoot te zijn. Hij had een onbeduidend gelaat.

Naast den Kodscha Bascha zat de Mubarek. Hij had een papier op de knieën, terwijl tusschen hem en zijn buurman een klein potje stond. Daar er een veerenpen in stak, vermoedde ik dat het inkt bevatte.

De Kodscha Bascha schudde het hoofd en schraapte zich de keel. Dat was het teeken dat de zitting een aanvang nemen zou. Met kraaiende stem, die tot op grooten afstand verstaanbaar was, begon hij:

—In den naam van den Profeet, en in naam van den Padischa, wien Allah een lang leven schenke, wij hebben deze Kasa bijeengeroepen om te oordeelen over twee misdaden, die heden in onze stad en in de nabijheid daarvan, hebben plaats gevonden. Selim kom naar voren. Gij zijt de aanklager. Vertel nu, wat er met u is gebeurd.

De Khawas trad nader en begon zijn verhaal. Wat wij te hooren kregen was inderdaad belachelijk. Hij was ingespannen bezig met ambtelijk werk, toen hij door ons, met moorddadige bedoelingen, werd overvallen. Alleen door zijn tegenwoordigheid van geest en zijn dapper verweer, was hij er in geslaagd zijn leven te redden.

Toen hij uitgesproken had, vroeg de Kodscha:

—En wie heeft u geslagen?

—Deze!—antwoordde hij op Halef wijzende.

—Wij weten nu, wie het is en wat hij heeft misdreven, en zullen dus beraadslagen wat ons in deze te doen staat.

Hij fluisterde een poos met zijn mederechters en zeide toen met luider stemme:

—De Kasa heeft besloten, dat den misdadiger op iedere voetzool veertig zweepslagen zullen worden toegediend, waarna hij veertig dagen zal worden gevangen gezet. Aldus geschiede in naam van den Padischa, wien Allah zegene!

Halef greep naar zijn zweep, en ik had groote moeite om niet in lachen uit te barsten.

—En nu is het tweede vergrijp aan de orde!—verkondigde de ambtenaar.—Manuwadschi kom naar voren en spreek!

De man deed wat hem gezegd werd. Hij scheen angstiger te zijn dan ik. Maar toen hij zijn verhaal wilde beginnen, wendde ik mij op zeer beleefden toon tot den Kodscha Bascha, met de woorden:

—Zoudt gij zoo beleefd willen zijn om op te staan! Hij rees, niets vermoedende, van zijn zitplaats op, waarna ik hem op zij schoof en zelf zitten ging.

—Ik dank u!—zeide ik.—Het past den mindere den meerdere eer te bewijzen. Gij hebt u zeer goed gedragen.

Het is dood jammer, dat het niet mogelijk is een juiste beschrijving te geven van zijn gezicht. Hij begon vervaarlijk te knikkebollen, wilde spreken, maar kon van louter schrik geen woord over de lippen krijgen. Om nu ten minste toch uitdrukking te geven aan zijn ontsteltenis, al was het dan ook alleen door gebaren, strekte hij zijn armen uit en sloeg de handen boven zijn knikkend hoofd ineen.

Niemand sprak een woord. Geen Khawas verroerde zich. Men wachtte blijkbaar op een uitbarsting van woede van den gebieder. Deze kwam eindelijk weer eenigermate tot zichzelf, deed allerlei uitroepen en schreeuwde mij ten slotte toe:

—Wat verzint gij? Hoe kunt gij zoo ontzettend onbeschaamd zijn, en—

—Hadschi Halef Omar! viel ik hem op luiden toon in de rede. Neem uw zweep en den eerste den beste die het waagt mij nog één onvertogen, onbeleefd woord toe te voegen, geeft gij een pak slaag dat de stukken er af vliegen, onverschillig wie het zijn moge!

De kleine Hadschi stond dadelijk klaar met zijn zweep.

—Emir, ik gehoorzaam!—zeide hij op vasten toon. Gij hebt mij maar een wenk te geven.

Het was jammer dat de verlichting veel te wenschen overliet, anders had men heel wat verbaasde gezichten kunnen zien. De Kodscha Bascha was blijkbaar met zijn houding verlegen. Toen fluisterde de Mubarek hem een paar woorden in het oor, waarna hij de Khawassen beval:

—Neemt hem gevangen en sluit hem in den kelder!

Hij wees daarbij naar mij.

De politiedienaren traden nader, met de blanke sabel in de hand.

—Terug!—riep ik hun toe.—Wie ’t waagt mij aan te raken, schiet ik neer.

Ik hield hun de beide revolvers voor, en in het volgende oogenblik zag ik geen Khawas meer. Zij waren onder de menigte verdwenen.

—Wat is de aanleiding tot uw toorn?—vroeg ik den Kodscha. Waarom staat gij? Laat den Mubarek opstaan en zet gij u op zijn plaats.

Nu ging er een luid gemompel door de menigte. Dat ik den Kodscha durfde beleedigen, was nog denkbaar, maar dat ik nu ook den Heilige aanviel, dat werd hun toch wat te erg. Men begon te morren.

Dat gaf den Kodscha moed. Hij riep mij toornig toe:

—Mensch, gij moogt zijn wie gij wilt, maar voor zooveel onbeschaamdheid zal ik u ten strengste straffen. De Mubarek is een Heilige, een uitverkorene van Allah, een wonderdoener. Wanneer hij wil, kan hij het vuur uit den Hemel op uw hoofd doen nederdalen!

—Zwijg, Kodscha Bascha! En als gij spreken wilt, spreek dan verstandig. De Mubarek is geen Heilige en evenmin een wonderdoener. Hij is een misdadiger, een woekeraar, een booswicht!

Kreten van afkeuring gingen nu uit de menigte op, maar boven alles uit, klonk de stem van den Mubarek. Hij was opgestaan en strekte de hand naar mij uit.

—Hij is een Giaur, een ongeloovige hond. Ik vervloek hem. Moge de hel zich voor hem openen en hem verslinden. De booze geesten zullen...

Verder kwam hij niet, want mijn kleine Hadschi had hem zulk een zweepslag toegediend, dat de oude zondaar in zijn woorden bleef steken en een geweldigen luchtsprong maakte.

Dat was een waagstuk, zooals dan trouwens ook al heel spoedig bleek. Na een oogenblik van volkomen stilte, vernam men aan alle kanten dreigende kreten uit de menigte. Er ontstond gedrang. Ik ging vlug naast den Mubarek staan.

—Rahat-Süküt! Weest rustig en stil! Ik zal u bewijzen dat ik gelijk heb. Halef, breng het licht eens naderbij.—En nu, menschen, ziet, wie de Mubarek is en hoe hij u bedriegt. Ziet gij deze krukken? Ik pakte den schurk met de rechterhand in den nek, en kneep zijn mageren hals haast fijn. Met de linkerhand rukte ik zijn kaftan open. Juist, aan iedren kant hing een kruk. Beide waren van scharnieren voorzien en konden dubbel geslagen worden.

Bij die gelegenheid zag ik dat de binnenkant van zijn kaftan anders was gekleurd dan de buitenkant. Er waren verscheidene zakken in het kleedingstuk. Ik tastte in den eerste den beste en haalde een harig voorwerp te voorschijn. Het was een pruik, juist het vale verwarde haar, dat ik bij den bedelaar had opgemerkt.

De kerel was zoo verschrikt, dat hij vergat eenigen tegenstand te bieden. Nu echter schreeuwde hij om hulp en sloeg de armen om zich heen.

—Osko, Omar! houdt hem vast. En stevig! Of het hem pijn doet, hindert niets!

De beide aangesprokenen grepen hem, zoodat ik nu mijn handen vrij had. Daar Halef een der olievaten weer in de nabijheid had gezet, werd de groep helder verlicht en konden de aanwezigen duidelijk alles zien. Zij bleven rustig.

—Deze man,—ging ik voort,—dien gij allen voor een heilige houdt, is een bondgenoot van den duivel, of misschien wel de duivel zelf. Zijn woning is een verblijfplaats van dieven en moordenaars, zooals ik u later zal bewijzen. In allerlei vermommingen trekt hij het land door, om gelegenheden tot misdaden op te zoeken. Hij en de bedelaar Sakat, zijn een en dezelfde persoon. Hier onder de oksels bindt hij de krukken. En daar zij onder het loopen tegen elkander slaan, hebt gij dat gehouden voor het rammelen van zijn knokken. Hier is de pruik, die hij als kreupele draagt!

Ik leegde zijn zakken een voor één, bekeek de voorwerpen en verklaarde hun doel en gebruik.

—Hier is een busje met meel, dat dienen moet om hem een andere gelaatskleur te geven. Daar is de lap waarmee hij het weer gauw kan afvegen. Hier is een fleschje water, wat zeker dienen moest om zich behoorlijk te kunnen afwasschen op plaatsen waar geen water bij de hand was. En wat ziet gij hier? Ja, wat zou dat wel wezen? Twee gummi balletjes, die hij gebruikte om zich wangen te maken als hij den bedelaar wilde voorstellen. Zijn gelaat was dan voller. Ziet gij de verschillende kleuren van den kaftan. Als bedelaar keerde hij den donkeren kant naar buiten en bond zich dien om het middel vast. Dan zag het kleed er oud en afgedragen uit. Hebt gij ooit den bedelaar en den Mubarek tegelijk gezien? Zeker niet, want dat was ook niet mogelijk, daar het een en dezelfde persoon was. En heeft de Mubarek zich niet het eerst vertoond, toen ook de bedelaar in den omtrek kwam?

Deze laatste argumenten schenen wel het meest overtuigend te zijn, want van alle kanten hoorde men goedkeurende en toestemmende uitroepen.

Nu nam ik een klein pakje uit een der zakken. Ik wikkelde de lompen, waarin het gewikkeld was, los en haalde een armband van oude Venetiaansche goudstukken te voorschijn. Bij eenige munten was de stempel nog zeer duidelijk zichtbaar. Bij het licht der vlammen zag ik, op een der keerzijden, duidelijk het beeld van den heiligen Markus, die den Doge het kruisvaandel overreikt, en aan de andere zijde het beeld van een anderen mij onbekenden heilige, omgeven door sterren en de woorden: Sit tibi, Christe, datus, quem tu regis, iste ducatus.

—Hier is een Bilezik van twaalf gouden munten, in een lap gewikkeld,—ging ik voort,—wie weet waar hij die gestolen heeft! Wanneer gij navraagt, zal de eigenares vermoedelijk wel te vinden zijn.

—On iki zikkeler, twaalf muntstukken!—riep een vrouwenstem achter mij.—Laat eens zien! De vorige week is mij zulk een armband ontstolen.

Het was Nohuda, de Erwt; zij kwam nu naderbij, nam mij den armband uit de hand, bekeek dien en riep uit:

—Allah! het is de mijne. Het is een erfstuk van een mijner vrouwelijke voorouders. Bekijk hem en overtuig u dat hij inderdaad mij toebehoort.

Zij reikte hem haar man.

—Bij Allah, het is de uwe!—erkende hij.

—Bedenk u dus eens, Nohuda, of de Mubarek omstreeks dien tijd bij u is geweest,—zeide ik.

—De Mubarek niet, maar de kreupele. Hij werd binnengeroepen om wat eten in ontvangst te nemen. Ik had mijn sierraden op de tafel liggen en bergde die in een kastje weg. Dat heeft hij gezien. En toen ik een paar dagen later er naar keek, was de armband verdwenen.

—Nu, nu kent gij den dief!

—Ja hij is het! Hij had hem! Het is bewezen. O schavuit, die gij zijt! Ik zal u de oogen uitkrabben. Ik zal———

—Zwijg nu!—viel ik haar in de rede, bevreesd dat als de stroom harer welbespraaktheid eenmaal was losgebroken, die niet zoo spoedig weer tot staan zou zijn gebracht.

—Neem den armband terug en laat den dief straffen. Gij ziet nu eens, welk een mensch gij allen hebt vereerd. En die roover is nog wel tot Basch Kiatib benoemd en heeft over anderen recht gesproken. Mij heeft hij reeds naar de hel gevloekt, en het heeft niet veel gescheeld of hij had de hier verzamelde menigte tegen mij in het harnas gejaagd. Ik eisch dat hij op een veilige plaats wordt opgesloten, vanwaar ontkomen niet mogelijk is, en dat de Makredsch van Saloniki onmiddellijk met het gebeurde in kennis wordt gesteld.

Men was het niet alleen volkomen met mij eens, maar riep van alle kanten:

—Laat hem eerst afranselen! Geef hem een bastonnade! Slaat hem de voetzolen stuk!

—Sapijtijn iz ona bojunu!—Draait hem den hals om!—krijschte Nohuda, die woedend was over den gepleegden diefstal.

De Mubarek had tot nu toe gezwegen. Maar nu schreeuwde hij:

—Gelooft hem niet! Hij is een Giaur. Hij is de dief en heeft mij den armband eerst zooeven in mijn zak gestopt. Hij—Aï, Aï!—

Hij viel zichzelf met dien uitroep van pijn in de rede, omdat Halefs zweep onzacht op zijn rug neerkwam.

—Wacht schurk! riep de Hadschi.—Ik zal op uw rug schrijven dat wij eerst heden hier in de buurt zijn gekomen. Hoe kan de Emir dan den armband hebben gestolen? En buitendien, zulk een beroemde Effendi is geen dief. Daar hebt gij uw loon!

Hij diende hem nog een paar zweepslagen toe, waardoor de oude schavuit brulde van pijn.

—Aferim! Aferim! Bravo! Bravo! riepen de lieden die een oogenblik van te voren ons gevaarlijk dreigden te worden. De Kodscha Bascha wist niet wat hij doen of zeggen moest. Hij liet mij mijn gang gaan, maar had toch gauw van de gelegenheid gebruik gemaakt om weder op zijn stoel te gaan zitten. Zoo was dan toch tenminste zijn eer gered. Zijn medeaanzittenden zwegen. Zij schenen het ietwat benauwd te hebben. De Khawassen bemerkende dat mijn papieren begonnen te stijgen, en aannemende dat ik daardoor goed gehumeurd en niet meer gevaarlijk voor hen wezen zou, kwamen, de een vóór, de ander na, weer naderbij.

—Bindt den kerel!—riep ik hun toe. Boeit hem!

Zij gehoorzaamden onmiddellijk, en geen der aanwezige rechterlijke ambtenaren verzette zich tegen mijn eigenmachtig optreden.

De Mubarek bemerkte zeer goed, dat het voor hem het verstandigste was zich in zijn lot te schikken. Hij liet zich binden zonder den minsten tegenstand te bieden en ging toen weer op zijn plaats zitten, waar hij ineen zonk. De anderen stonden onmiddellijk op. Zij wilden de bank niet met een misdadiger deelen.—En nu zullen wij op de rechtspraak terug komen!—zei ik tegen den Kodscha Bascha.

—Kent gij de wetten van uw land?

—Natuurlijk moet ik die kennen!—antwoordde hij—ik heb immers aan de hoogeschool gestudeerd.

—Dat geloof ik niet!

—Waarom niet?—vroeg hij beleedigd.—Ik ken het geheele geestelijk recht dat op den Koran berust, op de Sunna en de uitspraken van de eerste vier Khalifen.

—Kent gij dan ook het Mülteka el buher, wat uw burgerlijk en strafrechterlijk wetboek is?

—Ook dat ken ik. Scheik Ibrahim Halebi heeft het vervaardigd.

—Wanneer gij die bepalingen inderdaad kent, waarom handelt gij dan niet dienovereenkomstig.

—Ik heb mij steeds en ook heden stipt daaraan gehouden.

—Dat is niet waar. Er staat geschreven, dat de rechter ook zelfs den grootsten misdadiger, alvorens hem te veroordeelen, gelegenheid geven moet tot verdediging. Gij hebt nu mijn vriend en metgezel veroordeeld, zonder hem ook maar een enkel oogenblik aan het woord te laten. Uw vonnis is dus niet rechtmatig. Ook moeten bij de behandeling alle aangeklaagden en alle getuigen tegenwoordig zijn, en dat was hier niet het geval.

—Ze zijn er immers allen!

—Neen. Ibarek de herbergier ontbreekt. Waar is hij?

De rechter schudde verlegen met het hoofd, stond op en antwoordde:—Ik zal hem laten halen!

Hij wilde weggaan, maar ik vermoedde wat met Ibarek was gebeurd, en hield den Kodscha Bascha tegen, terwijl ik de Khawassen gelastte:

—Ga Ibarek halen, maar gij brengt hem hier, precies in denzelfden toestand waarin gij hem vindt!

Twee hunner gingen heen en keerden weldra met den waard terug. Men had hem de handen op den rug gebonden.

—Wat is dat? Wat heeft de man gedaan dat men hem heeft gebonden?—vroeg ik.—Wie heeft daartoe het bevel gegeven?

—De Bascha schudde vervaarlijk met het hoofd en zeide:

—De Mubarek wilde het zóó!

—Dus moet de Kodscha Bascha doen, wat de Basch Kiatib beveelt? En gij zegt nog wel, dat gij de wetten hebt bestudeerd! Dan is het inderdaad geen wonder, dat in uw gebied een spitsboef voor een Heilige wordt gehouden.

—Ik was in mijn recht!—verdedigde hij flauwtjes.

—Dat kunt gij mij niet bewijzen!

—O zeker! Ik heb u niet laten gevangen nemen, omdat gij vreemdeling zijt. De herbergier echter is een inwoner des lands en staat onder mijn macht!

—En gij meent dat gij die macht moogt misbruiken! Daar staan nog eenige honderden uwer ondergeschikten. Meent gij, dat gij maar met hen doen kunt wat u goeddunkt! Misschien hebt gij dat tot nu toe wel gedaan, maar zij zullen, wat heden is voorgevallen, wel ter harte nemen en voortaan gerechtigheid verlangen. Ibarek is bestolen geworden. Hij kwam tot u om hulp en inplaats daarvan hebt gij hem laten boeien en opsluiten. Hoe zult gij die onrechtvaardigheid verantwoorden? Ik verlang dat gij hem onmiddellijk losbindt!

—Dat moeten de Khawassen doen!

—Neen, gij zelf zult het doen, tot boete voor uw groote onrechtvaardigheid.

Dat was hem toch te veel. Toornig sprong hij op.

—Wie zijt gij eigenlijk, dat gij hier een toon aanslaat als waart gij de Makredsch of Bilad i Kamse Mollatari in persoon.

—Hier zijn mijn papieren!

Ik gaf hem mijn drie passen. Toen hij het Teskereh, het Buyuruldi en zelfs den Ferman zag, kneep hij verschrikt zijn kleine waterige oogen dicht en zijn hoofd knikte heen en weer als het Metronoom van den beroemden Regensburger Johann Nepomuk Mälyz.

—Heer, gij staat onder bescherming van den Grooten Heer! riep hij uit.

—Zorg dan, dat ik een deel dier bescherming over u kan uitstrekken.

—Ik zal doen wat gij verlangt.

Hij trad op Ibarek toe en maakte hem de banden los.

—Zijt gij nu tevreden? vroeg hij.

—Ten deele. Er wordt nog meer van u verlangd. Uw Khawas Selim heeft een valsche getuigenis afgelegd. De zaak heeft zich heel anders toegedragen, dan hij heeft verteld. De Mubarek zal hem wel hebben voorgezegd, wat hij zeggen moest om ons het meeste kwaad te doen.

—Dat geloof ik niet!

—Maar ik geloof het wel, want hij heeft ook den overman verleid om omtrent mij een onware getuigenis af te leggen.

—Is dat waar?

Deze vraag was gericht tot den overman, die nu van meening was, dat de Mubarek hem geen kwaad meer kon doen en dus vrijuit vertelde, dat deze hem de les had voorgezegd.

—Gij ziet,—aldus wendde ik mij tot den Bascha,—dat ik dezen man geenszins naar het leven heb gestaan. Ik bemerkte dat hij de compagnon van dien oude was, en nam hem met mij mede om daarvan wat naders te weten te komen. Dat is alles, en indien gij mij daarvoor wilt straffen, ben ik bereid mij te verdedigen!

—Heer, er kan geen sprake zijn van u te bestraffen, want gij hebt geen kwaad gedaan!

—Dan kan ook mijn metgezel niet worden gestraft wegens zijn optreden tegenover den Khawas, want niet hij, maar heel iemand anders is daar de schuld van!

—En wie is die andere?

—Gij zelf!

—Ik?—Hoezoo?

—Toen Ibarek bestolen was geworden, kwam hij tot u om ’t aan te geven. En wat hebt gij gedaan om uw plicht te vervullen?

—Alles wat ik kon!

—Zoo! En dat was?

—Ik heb Selim opgedragen om na te denken over hetgeen in deze kon worden gedaan!

—En de andere Khawassen hadt gij daarmede niet belast!

—Neen, dat was niet noodig, die hadden toch niets gevonden!

—Dan moeten uw politiedienaren wel zeer groote domkoppen zijn, als gij reeds vooruit weet dat zij geen succes zullen hebben. De misdaad heeft hier plaats gehad. En waarom dan de zaak juist opgedragen aan Selim, die eerst sedert kort hier is gevestigd?

—Omdat hij de knapste is!

—Ik vermoed, dat gij daarvoor een heel andere reden hadt.

—Heer, welke reden zou ik daarvoor hebben?

—Een goed ambtenaar spant alle krachten in om de bedrijvers van dergelijke misdaden te vinden. Maar gij hebt gezwegen en den eene wien gij er mede in kennis steldet, een geheele week tijd gegeven om over de zaak na te denken. Het had er alles van, alsof gij de dieven gelegenheid wildet geven om weg te komen.

—Effendi, wat denkt gij wel van mij!

—Mijn oordeel over u is het gevolg van uw manier van handelen. Niets lag meer voor de hand, dan dat gij hier in Ostromdscha naar de misdadigers liet zoeken.

—Zij zijn immers naar Doiran gereden!

—Om dát te gelooven, moet men al heel onnoozel zijn. Geen dief zal ooit zeggen, waar hij van plan is heen te gaan. Dat moest gij als oud jurist toch weten. En wat nu, als ik tot de ontdekking kom dat gij een vriend van die misdadigers zijt?

Hij begon van louter schrik weer met het hoofd te knikken.

—Ik weet niet wat ik daarop moet antwoorden, riep hij uit.

—Zeg maar liever niets, want mijn meening blijft toch dezelfde. Wanneer gij u in deze zaak hadt gedragen, zooals uw plicht u dat gebood, waren de dieven al lang ontdekt!

—Gelooft gij dan dat zij vrijwillig bij mij zouden zijn gekomen om zich aan te geven?

—Neen, maar ik geloof dat zij hier in Ostromdscha zijn!

—Onmogelijk; in geen enkelen Konak zijn die reizigers afgestegen.

—Dat zullen zij wel laten. Zoo dicht bij de plaats van de misdaad zullen zij zich niet openlijk vertoonen. Zij hebben zich verborgen.

—En moet ik dan weten bij wien?

—Waarom niet? Ik ben een vreemde en weet het toch!

—Wat? Weet gij het?

—Ja, en heel nauwkeurig zelfs!

—Dan moet gij alwetend zijn!

—Neen, maar ik heb geleerd na te denken. Zulke schurken verbergen zich natuurlijk alleen bij iemand, die even slecht is als zij. Wie is nu het slechtste schepsel in Ostromdscha?

—Meent gij den Mubarek?

—Geraden!

—En bij hem zouden zij zijn?

—Precies!

—Gij vergist u.

—Ik vergis me zoo weinig, dat ik bereid ben met u een weddenschap aan te gaan. Wanneer gij de dieven gevangen wilt nemen hebt gij maar naar boven op den berg te gaan.

Hij keek den Mubarek aan, en deze beantwoordde dien blik. Het scheen mij alsof die twee het met elkander eens waren.

—Die tocht zou tevergeefs zijn, Heer!—zeide hij.

—Ik ben van het tegendeel overtuigd, en ik zeg u dat wij niet alleen de dieven maar ook de gestolen voorwerpen zouden vinden. En daarom gelast ik u mij met de Khawassen te volgen!

—Gij schertst toch zeker!

—Neen, het is mij volle ernst!

—In deze duisternis?

—Zijt gij bang?

—Neen, maar zulke menschen zijn gevaarlijk. Indien zij inderdaad daarboven zijn, zullen zij zich verdedigen. Wacht liever tot morgen als de dag is aangebroken.

—Vóór dien tijd zouden zij kunnen ontsnappen. Het heeft er trouwens wel iets van of hier menschen zijn, die de dieven zouden waarschuwen.

—Dat zal niemand doen. Ik zelf zou er voor zorgen, dat niemand naar de ruïne kon gaan.

—Zorg liever dat wij spoedig kunnen opbreken, en gelast dat er lantaarns worden mede genomen!

—Maar, Heer, laat dat voornemen toch varen!

—Neen, wanneer gij uw plicht niet wilt doen, kunt gij thuis blijven. Ik zal wel menschen vinden, die het ambt van Kodscha Bascha meer waard zijn dan gij!

Dát hielp. Hij schudde nog wel hoogst bedenkelijk met het hoofd, maar zeide toch:

—Gij moet mijn bedoeling niet miskennen. Ik ben slechts op uw eigen welzijn bedacht, en verlang niet dat gij u in gevaar begeeft!

—Bekommer u daar maar niet over. Ik zal wel voor mijzelf zorgen.

—Gaat de Mubarek meê?

—Ja, hij moet ons den weg wijzen!

—Dan zal ik voor verlichting en voor wapens zorgen!—zeide hij, en ging in huis om, zooals ik vermoedde, een en ander in orde te maken.

1 Zie “de Schuilhoeken van den Balkan”.

Tweede hoofdstuk.
Een nachtelijke tocht.

Inhoudsopgave

De Kodscha Bascha keerde weldra terug met eenige oude lantarens, fakkels en een aantal spanen, waarna wij ons op weg begaven waarbij velen der omstanders zich bij ons aansloten.

Een nachtelijke tocht naar de ruïne om dieven op te vangen, dát was nog nooit alhier vertoond en was een heel vermaak voor de bevolking; daarom gingen ook nagenoeg alle bewoners van de plaats met ons mede.

Voorop gingen eenige Khawassen, dan volgde de Bascha met de overige rechters, daar achter de Mubarek tusschen Osko en Omar, wie ik zijn bewaking had opgedragen; vervolgens kwam ik met Halef en de beide zwagers, de herbergiers, terwijl daar achter alle bewoners van Ostromdscha, mannen en vrouwen, oud en jong volgden.

Luid pratende, werd de tocht begonnen, maar hoe dichter wij bij de ruïne kwamen, hoe stiller de menschen werden. Zij begonnen in te zien, dat men voorzichtig zijn moet om dieven te vangen.

Eindelijk bij den rand van het bosch, bleven velen achter. Dat waren de vreesachtigen. Zij bezwoeren bij hoog en laag, dat zij hier alleen post vatten, opdat de dieven langs dezen weg niet zouden kunnen ontkomen.

Toen wij eindelijk op de open plek waren aangekomen, heerschte daar een stilte als van het graf. De helden kregen het benauwd. De spitsboeven konden ieder oogenblik te voorschijn komen, of zich achter een boom hebben verborgen. Men ging zoo zachtjes voorwaarts, om hen niet op te jagen, en om geen kans te loopen dat deze of gene met hen handgemeen werd, want er waren vrouwen ook bij.

De Mubarek stond met Osko en Omar voor de deur van de ruïne. Hij verlangde dat wij hem zouden binnen laten. Daar hij zich met chemie bezighield en allerlei zoogenaamde tooverkunsten kende, vertrouwde ik hem niet best. Hij kon wel het een of ander hebben in orde gemaakt, voor het geval van een plotselinge gevangenneming.

—Wat moet gij daar binnen doen?—vroeg ik. Hij antwoordde niet. De goede man scheen niets meer van mij te willen weten.

—Wanneer gij geen antwoord geeft, kunt gij ook niet verwachten, dat aan uw verzoek wordt voldaan.

Nu antwoordde hij.

—Ik heb daar dieren, die gevoederd moeten worden.

—Dat zal ik zelf morgen wel doen. Uw tehuis is voortaan de gevangenis, maar toch zal ik doen wat gij verlangt, indien gij mij naar waarheid antwoordt op eenige vragen die ik u zal stellen.

—Vraag maar op!

—Hebt gij bezoek?

—Neen.

—Er woont dus niemand in uw hut dan gij alleen, en gij weet ook niet of het mogelijk is dat een ander zich in de hut ophoudt.

—Er is niemand, anders moest ik het weten.

—Kent gij ook twee personen, met name Manach el Barscha en Barud el Amasat?

—Ik ken noch den een noch den ander.

—En toch beweren zij, u zeer goed te kennen.

—Dat is niet waar.

—Zij zeggen ook, dat gij hen heden met mijn komst in kennis hebt gesteld.

—Dat is niet waar!

—En dat gij er voor zorgen zoudt, dat ik in de gevangenis werd gezet, waarna gij zoudt komen en mij vermoorden!

Hij antwoordde niet dadelijk. ’t Kwam hem ongehoord voor, dat ik alles weten zou.

Eindelijk antwoordde hij.

—Heer, ik begrijp niet waarover gij spreekt en ken geen der mannen wier namen gij hebt genoemd!

—Gij zijt zóó onwetend dat ik inderdaad medelijden met u heb, en uit medelijden zal ik u nu eens laten zien, welke gevaarlijke menschen hier in de nabijheid zijn!

Met deze woorden pakte ik hem bij den arm en nam hem mede. Halef ging met een fakkel vooruit, de heeren van het gerecht, Osko en Omar, benevens de beide herbergiers volgden, terwijl de anderen achter moesten blijven, omdat het binnenste gedeelte der ruïne geen ruimte bood voor zoovele personen.—Toen Halef de klimop op zijde schoof, hoorde ik dat de oude een vloek uitstiet.

—Wat? Paarden? vroeg de Kodscha Bascha, toen wij in de afdeeling kwamen die voor stal werd gebruikt.

—Waar paarden zijn, moeten ook menschen wezen, wie zij toebehooren!—merkte Halef op. Laten wij eens verder kijken!

De drie schelmen die Halef en ik, bij ons vorig bezoek aan de hut, hadden geboeid,1 lagen nog juist zooals wij hen hadden verlaten.

Niemand sprak een woord. Met Halef’s hulp maakte ik hun touwen en banden los, althans voor zoover dit noodig was om hun gelegenheid te geven om op te staan en hun voeten te gebruiken.

—Manach el Barscha, kent gij dezen man?—vroeg ik, naar den Mubarek wijzende.

—Allah vervloeke u!—antwoordde hij.

—Barud el Amasat, kent gij hem?

—Stort van de brug des Doods in de eeuwige verdoemenis!—riep hij.

Nu wendde ik mij tot den opzichter der gevangenis.

—Uw eenige misdaad is, dat gij den gevangene hebt bevrijd. Deze beiden zullen streng worden gestraft, doch uw straf zal lichter uitvallen, wanneer gij toont geen halsstarrig zondaar te zijn. Zeg de waarheid! Kent gij dezen man?

—Ja,—antwoordde hij, na zich een oogenblik te hebben bedacht.

—Wie is hij?

—De oude Mubarek!

—Kent gij ook zijn werkelijken naam?

—Neen!

—Hij en uw beide kameraden kennen elkander ook?

—Ja, Manach el Barscha is zeer dikwijls bij hem geweest.

—En ik zou te Menlik vermoord worden?

—Ja!—

—En vandaag werd dat plan wederom opgevat. Men wilde mij nu in de gevangenis dooden.

—Zoo is het!

—En nu nog iets. Terwijl gij met Ibarek en zijn vrienden kaart speeldet, hebben de beide anderen hem bestolen.

—Dat heb niet ik, maar dat hebben zij gedaan!

—Nu, het is wel. Ge zijt er dan toch bij betrokken, en hebt met uw kunstgrepen den diefstal mogelijk gemaakt. Ik heb genoeg gehoord!—En mij tot den Kodscha Bascha wendende ging ik voort:

—Nu, heb ik gelijk gehad? Zijn de dieven niet in de ruïne!

—Gij had hen reeds gevonden, toen gij mij over hen spraakt.

—Juist, maar dat ik hen zoo te juister tijd en zoo gauw gevonden heb, is een bewijs te meer hoe gemakkelijk het voor u zou zijn geweest om uw plicht te doen. Deze drie personen moeten onmiddellijk naar de gevangenis worden overgebracht, en morgen brengt gij rapport uit bij den Makredsch, waar ik mijn schrijven zal bijvoegen. Hij zal dan beslissen wat gebeuren moet. Hier Ibarek, ik geloof dat daar op den grond alle voorwerpen liggen die men u heeft ontstolen.

Ibarek was verbazend in zijn schik, zijn bezittingen terug te zien, en wilde alles weder bij zich steken, waartegen de Kodscha Bascha zich echter verzette, bewerende een en ander als bewijsstukken bij de behandeling der zaak te moeten overleggen.

Ik begreep zijn bedoeling, en twijfelde er aan of Ibarek dan ooit iets van het zijne zou terug zien. Ik antwoordde daarom, dat dit niet noodig was en ik een lijst zou opstellen, vermeldende alle aanwezige voorwerpen naar hun waarde geschat, die volkomen denzelfden dienst zou kunnen doen, en in weerwil van het tegenstribbelen van den Kodscha werd alles door mijn kleinen Hadschi in minder dan geen tijd bij elkaar gepakt en in diens zakken gestoken.

—Dieven!—mompelde de Mubarek.

Halef’s zweep gaf hem op die opmerking een duidelijk en goed voelbaar antwoord. De gevangenen werden nu uit de ruïne, naar de open plek gebracht, waar het nieuwsgierige publiek zich om hen verdrong, en weldra zette de stoet zich in beweging. De Khawassen namen de vier gevangenen in hun midden, en de heeren van het gerecht volgden.

Op een wenk van Halef bleef ik met hem achter.

Toen de anderen verdwenen waren, maakten wij de deur der hut open en staken, met behulp van vuursteen, een stuk papier aan waarmede wij een fakkel ontbrandden. Het eerste vertrek dat wij binnen traden, was nagenoeg geheel leeg, maar toen wij het tweede wilden binnen gaan, zag ik verscheidene draden die boven, onder en midden langs den ingang liepen. Ik raakte een daarvan voorzichtig met het handvat van mijn zweep aan en dadelijk daarop weerklonk een schot, wat ons deed besluiten heen te gaan en onze onderzoekingstocht uit te stellen tot den volgenden morgen. Juist toen wij den terugweg wilden aanvaarden, kwam een vrouwelijke gedaante op ons toeloopen. Ik kon haar gelaat niet onderscheiden. Zij greep echter mijn hand en drukte, vóór ik het kon verhinderen, er haar lippen op.

—Ik zag bij het schijnsel van de fakkel, dat gij het waart, Effendi en ik kom u nogmaals mijn dank betuigen.

Het was Nebatja, de kruidenzoekster.

—Wat doet gij hierboven? vroeg ik haar.—Waart gij reeds hier toen wij de gevangenen kwamen halen?

—Neen! Het is voor mij geen vreugde des harten zulke ongelukkige menschen te zien. Maar ik was op de binnenplaats van den Kodscha Bascha, toen gij veroordeeld worden zoudt. Heer, gij zijt dapper geweest, maar gij hebt u een bitteren vijand gemaakt!

—Wie dan? De Mubarek?

—Neen, dien meen ik niet, ofschoon ook hij u haat! Ik meen den Kodscha Bascha.

—Ja, ik wil wel gelooven, dat hij niet bijzonder op mij zal gesteld zijn, maar als vijand behoef ik hem niet te vreezen.

—Maar toch vraag ik u, wees voorzichtig!

—Is hij zoo slecht?

—Ja, hij is overheidspersoon, maar beschermt in ’t geheim alle dieven, schelmen en moordenaars van de bende van den Shoet.

—Hoe weet gij dat?

—Omdat hij dikwijls des nachts hierboven bij den Mubarek kwam.

—Zijt gij dan dikwijls hier geweest?

—O ja! Ofschoon de Mubarek het mij verboden had. Er zijn echter planten die men alleen des nachts kan zoeken. Dit werd mij in den laatsten tijd dikwijls zeer moeilijk gemaakt. Maar heden hebt gij mijn vijand ontmaskerd en hem onschadelijk gemaakt. Hij is nu gevangen en daarom ben ik dadelijk hierheen gegaan om na middernacht een koning te zoeken.

—Een koning? Is dat ook een plant?

—Ja, kent gij die niet.

—Neen! Hoe is de naam van die plant?

—Het is de Hadsch Marrjam. Hoe jammer, dat gij die niet kent.

—Ja, die ken ik wel, maar ik wist niet dat die een koning had.

—Slechts weinige menschen weten dat, en dan is nog maar zelden iemand zoo gelukkig om een koning te vinden. Het is vandaag de eerste zondag na Nieuwe Maan en dan heeft men het meeste kans een koning te vinden. Wanneer gij tijd hebt, kunt gij hem zien schitteren.

—Ik zou gaarne met u meegaan, want ik stel levendig belang in zulke natuurgeheimen, maar ik moet, helaas, naar de stad terug.

—Dan zal ik u hem morgen avond brengen, dan is de glans nog niet gedoofd.

—Ik weet niet of ik dan nog in Ostromdscha wezen zal.

—Heer, wilt gij reeds zoo spoedig weer vertrekken.

—Ja, ik kwam niet hier met het voornemen hier lang te vertoeven. Ik heb maar weinig tijd te missen. Maar vertel mij eens, welke kracht schrijft gij aan den distelkoning toe?

—De gewone Hadsch Marrjam geneest, als thee gedronken, de longtering, wanneer deze tenminste niet te zeer verouderd is. De distel bevat eene stof die de kleine ziektekiemen, die zich in de longen bevinden, doodt. Van den koning vertelt men echter, dat hij longlijders nog van den rand van het graf redt.

—Hebt gij het wel eens beproefd?

—Neen, maar ik geloof dat de Schepper alles kan wat hij wil en ook het kleinste plantje de grootste geneeskracht geven kan.

—Kom dan morgen bij mij en laat mij den koning zien, wanneer ik er nog ben. Weet gij waar ik woon?

—Ja, dat heb ik gehoord. Rust wel, Effendi!

—Veel succes met den koning, Nebatja!—En zij ging heen.

Weinig vermoedde ik, dat ik den distelkoning weldra mijn leven zou hebben te danken, en ’t zou mijn geluk zijn dat de kruidenzoekster dien avond naar de ruïne was gegaan om hem te zoeken.

1 Zie “de Schuilhoeken van den Balkan”.

Derde hoofdstuk.
Ontvlucht!

Inhoudsopgave

Toen wij weder in het plaatsje kwamen, gingen wij dadelijk naar den Kodscha Bascha, waar ik mijn verklaring opstelde. Zijn kleine oogen fonkelden, toen wij den inhoud van de drie geldzakken uittelden.

Hij vroeg nogmaals of ik de overzending niet aan hem wilde overlaten, maar ik bleef er op staan, daar zelf voor te zorgen. Weldra zou het blijken dat ik daar goed aan had gedaan. Om mij te ergeren bleef hij er echter op aandringen, dat zij dan tenminste met zijn zegel zouden worden voorzien, waartegen ik mij natuurlijk geen oogenblik verzette.

Daarna begaf ik mij naar de gevangenen. Zij waren in een kelder opgesloten en geboeid. Ik vroeg hem, of dat geen onnoodig kwellen was: hij was echter van meening dat men tegen zulke perceelen niet streng genoeg kon optreden, hij was zelfs van plan om gedurende den nacht een zijner ondergeschikten bij de deur op wacht te zetten.

Ik voelde mij dus, wat de gevangenen betrof, volkomen gerustgesteld, en dacht inderdaad niet, dat men hen alleen geboeid had, omdat men verwachtte dat ik naar hen zou komen kijken.

Van hier begaf ik mij naar den Konak waar wij ons eindelijk aan den avondmaaltijd zetten. Wij zaten weer in hetzelfde vertrek als dien middag, bijeen. Het ging er recht opgewekt toe, want de gebeurtenissen van dien dag gaven stof te over tot een levendige gedachtenwisseling, en zoo werd het lang na middernacht, vóór wij ons ter ruste begaven.

Mij werd de mooiste kamer aangewezen, die ik langs een trap bereikte. Daar er twee bedden stonden, nam ik den kleinen Hadschi bij mij. Ik wist dat zulk een bewijs van vriendschap hem zeer aangenaam was.

Mijn horloge wees even over tweeën toen wij ons gereed maakten ons van onze kleederen te ontdoen. Daar werd aan de gegrendelde voordeur geklopt. Ik deed het blind open en keek naar buiten. Er stond iemand voor de deur, maar ik kon niet onderscheiden wie het was.

—Kim dir?—wie is daar? vroeg ik.

—O, dat is uw stem!—klonk een vrouwenstem.—Niet waar, gij zijt de vreemde Effendi?

—Ja, en gij zijt de plantenzoekster!

—Ja, Heer, kom naar beneden; ik heb u wat te zeggen!

—Is het noodzakelijk?

—Zeker!

—En kan ik daarna weer gaan slapen?

—Nu, dat zal wel niet zoo heel gauw zijn!

—Wacht, ik kom!

Eenige oogenblikken later was ik beneden bij haar.

—Effendi, er is iets heel ergs gebeurd. De gevangenen zijn ontvlucht.

—Wat zegt ge! Is het werkelijk waar?

—Ja, zij zijn gevlucht.

—Hoe weet gij dat?

—Ik heb het gezien, en zelfs gehoord wat zij spraken.

—Hoezoo?

—Daar boven op den berg, bij de hut van den Mubarek.

—Sihdi;—zeide Halef.—Wij moeten weg, onmiddellijk weg, den berg op; neerschieten moeten wij hen, anders wagen wij ons leven!

—Wacht, eerst moeten wij alles weten. Nebatja, vertel ons eens hoeveel er waren.

—De drie vreemdelingen, de Mubarek en de Kodscha Bascha.

—Wat nu! Was de Kodscha Bascha er ook bij?

—Ja, hij heeft hen zelf losgelaten en daarvoor van den Mubarek vijfduizend piasters gekregen.

—Weet gij dat zeker?

—Ik heb het duidelijk gehoord.

—Vertel ons dan alles. Maar kort, want wij hebben geen tijd te verliezen.

—Ik had dan den distelkoning gehaald en wilde naar de open plek op den berg terugkeeren. Toen zag ik vier mannen komen uit de richting van de stad. Ik wilde mij niet laten zien en kroop weg in den hoek, die gevormd wordt door de hut en den muur die er tegen aan staat. De vier mannen wilden de hut binnen gaan waarvan de deur echter gesloten was. Drie hunner kende ik niet, de vierde echter was de Mubarek. Zij spraken er over dat de rechter hen nu vrij had gelaten, en weldra zou komen om daarvoor vijfduizend piasters in ontvangst te nemen. Wanneer zij hem betaald hadden, wilden zij weg, maar zij moesten zich toch op u wreken. Die een zeide, dat gij in ieder geval naar Radowitsch en Istib zoudt gaan. En onderweg zouden de Aladschy’s u dan aanvallen.

—Wie zijn de Aladschy’s?

—Dat weet ik niet. Toen kwam de Kodscha Bascha, en daar niemand een sleutel had, trapten zij de deur in. Er werd licht gemaakt en juist daar, waar ik stond, een raam geopend. Daaruit kwamen vogels, vleermuizen en andere dieren, wie de Mubarek de vrijheid gaf. Toen werd ik bang en vluchtte zoo gauw mijn voeten mij dragen konden, naar de stad, naar u toe. En dat is het wat ik u had te zeggen.

—Ik dank u Nebatja! Morgen zult gij uw belooning ontvangen. Ga nu naar huis. Ik heb geen tijd meer te missen!

Nu ging ik weer naar binnen. Ik behoefde niemand te wekken, want het feit dat ik was opgeklopt geworden, was een zeker teeken geweest, dat er iets bijzonders aan de hand was en men was dus reeds opgestaan. Twee minuten later waren wij allen gewapend en onderweg. Halef, Osko, Omar en ik. De beide herbergiers hadden de stad willen alarmeeren, maar ik had hun dat verboden, want de vluchtelingen zouden het leven hooren en daardoor gewaarschuwd zijn geworden. Ik droeg den beiden zwagers op, nog eenige wakkere mannen bijeen te roepen en met hen den straatweg naar Radowitsch te bezetten. Zóó moesten de vluchtelingen ons in ieder geval in de handen vallen, wanneer het ons tenminste niet eerder gelukte hen onschadelijk te maken.

Wij vieren gingen den berg op, zoo gauw wij konden, maar toen wij bij het bosch kwamen, waren wij wel genoodzaakt, om, wilden wij niet vallen, onzen gang te matigen.

Plotseling was het mij alsof dichtbij iemand een korte hooge “I” uitstiet, als door plotselingen schrik bevangen. Toen was het alsof ik iemand hoorde vallen.

—Halt!—fluisterde ik de anderen toe. Er is daar iemand vóór ons. Blijft staan en houdt u kalm en rustig.

Na eenige oogenblikken naderde iemand langzaam. Het waren onregelmatige stappen en het scheen wel alsof de eene voet langzamer en ook zachter dan de andere werd neergezet. Hij hinkte. Misschien had hij zich bij een val gekwetst.

Nu was hij vlak bij mij. Het was geen heldere nacht, en tusschen de plaats waar ik stond en de boomen, was het pikdonker. Daarom onderscheidde ik meer door mijn instinct dan door mijn oogen geleid, een lange magere gestalte, die veel op die van den Kodscha Bascha geleek.

Ik pakte hem bij de borst.

—Dur we sus,—Sta stil en zwijg!—gebood ik hem op gedempten toon.

—Ia Allah!—riep hij verschrikt.

—Wees stil, of ik sla u dood!

—Wie zijt gij?—vroeg hij.

—Kent gij mij niet?

—Ah! gij zijt de vreemdeling! Wat wilt gij hier?

Misschien hoorde hij het aan mijn stem. Misschien ook was mijn gestalte beter te herkennen dan de zijne. Hij wist tenminste wien hij voor zich had.

—En gij! Wie zijt gij!—vroeg ik. Misschien de Kodscha Bascha, die de gevangenen heeft losgelaten.

—Ej Müdschizat! O wonder!—schreeuwde hij.—Hij weet het!

Hij maakte een zijsprong om zich los te rukken. Ik hield hem stevig vast, daar ik wel had vermoed, dat hij zou trachten te vluchten, maar zijn oude kaftan was niet zoo stevig als mijn greep. Eén ruk zijnerzijds en ik hield een stuk van het vod in mijn hand, en de man verdween tusschen de boomen, waar het natuurlijk vruchteloos zou zijn geweest om hem te vervolgen.

Buitendien schreeuwde hij zoo hard hij kon:

—Hajde, sa-usch kulibeden choriadscha tschapuk—Weg, weg uit de hut, zoo gauw ge kunt!

—O Sihdi! wat zijt gij dom geweest!—riep Halef uit. Gij hadt den kerel beet en laat hem weer ontkomen. Dat had ik eens moeten doen!

—Stil!—viel ik hem in de rede. Wij hebben nu geen tijd tot verwijten. Wij moeten, zoo gauw wij kunnen, naar de hut, want zijn geschreeuw bewijst dat zij dáár zijn.

Toen klonk van boven de vraag:

—Nitschün, ne deji, Waarom, om welke reden?

—Jabandschylar, edschnebiler! Katschyn, koschyn, sytschryn,—De vreemdelingen, de vreemdelingen. Vlucht, loopt, springt!—luidde het antwoord.

Wij haastten ons nu natuurlijk zooveel mogelijk; maar de hobbelige weg bemoeilijkte ons natuurlijk zeer. Wij waren pas enkele passen vooruit gekomen, toen wij een knal hoorden en een vuurstraal naar boven zagen schieten, het volgende oogenblik was alles weer donker.

—Sihdi, bir top fisckenkler ile.—Heer, dat was een kanon met raketten!—merkte Halef op, die achter mij aan klauterde. O, Allah, het brandt!

—Wij zagen nu door de boomen heen, een vuurgloed, en toen wij op de open plek waren aangekomen, stond de hut aan alle kanten in lichte laaie. Een stem klonk ons tegemoet:

—Daar komen zij! Ziet gij hen? Geeft vuur!

Wij werden door den gloed der vlammen helder verlicht en boden dus een zeker mikpunt.

—Terug!—riep ik en nam tegelijkertijd een sprong, waarmede ik achter een naastbijstaanden boom terecht kwam.

De andere volgden onmiddellijk mijn voorbeeld en juist nog te rechter tijd, want even daarna knalden drie schoten, die gelukkig geen van alle raak waren.

In den sprong had ik mijn geweer nog juist kunnen opvatten. De vonk van de schoten had mij de plek verraden, waar de schurken zich bevonden. Een oogenblik later haalde ik over en moest er een getroffen hebben, want een stem riep:

—Ej Selaket, bre ha! Jaralanmyschim!—O ongeluk! Help! help! ik ben getroffen!

—En nu vooruit!—riep de kleine dappere Hadschi Halef Omar en sprong van achter zijn boom te voorschijn.

—Halt!—waarschuwde ik, terwijl ik hem bij den arm pakte. Het is mogelijk dat zij twee loopen op hun geweren hebben!

—Al hebben zij er honderd! Ik sla hen neer, die schurken en schavuiten!

Hij rukte zich los, keerde zijn geweer om, en sprong over de hel verlichte open ruimte. Nu bleef ons niets anders over dan hem te volgen. Het was zeer gevaarlijk, doch gelukkig had men daarboven geen enkel tweeloopsgeweer, terwijl ook de tijd, om opnieuw te laden had ontbroken. Wij kwamen heelhuids tot aan de rots, vanwaar men op ons had geschoten, doch dit was ook het eenige voordeel wat die onvoorzichtige bestorming ons opleverde. Er was niemand meer.

—Sihdi! waar zouden zij gebleven zijn?—vroeg Halef. Hebt gij er een vermoeden van?

—Neen, waar zij zijn, dat weet ik niet, maar wel wat zij zijn!

—Nu wat dan?

—Slimmer dan wij, en in alle gevallen slimmer dan gij.

—Begint gij mij weer te beknorren.

—Gij verdient niet beter. Wij hadden hen zeker gepakt, als gij niet in eens vooruitgesprongen waart.

—Hoe dan?

—Wij hadden dan, beschut door de boomen, ongemerkt voorbij de open plek kunnen komen en zóó tot in hun onmiddellijke nabijheid!

—Dan waren zij toch al weg geweest.

—Dat is nog de vraag. Zij hebben natuurlijk een openlijken aanval vermeden, maar het was ons misschien wel gelukt hen te vangen, wanneer wij hen voorzichtig omsingeld hadden, vooral wanneer een uwer hier was achtergebleven en een loos schot had gelost. Dan hadden zij gemeend dat wij allen nog hier waren!

—En gelooft gij, dat wij hen nu niet meer kunnen inhalen.

—Zij zijn in ieder geval nog in de nabijheid; maar ga in zulk een duisternis nu maar eens zoeken! Het schijnsel van het vuur verlicht alleen deze open plek. En zelfs al wisten wij precies waar zij zaten, zouden wij hen nog met rust moeten laten, want zij zouden ons hooren komen, en wat dan het gevolg zou zijn, laat zich gemakkelijk raden.

—Ja zij zouden ons met kogels ontvangen en ik heb wel eens hooren vertellen dat de meeste menschen daar niet tegen bestand zijn. Maar wat zullen wij nu doen?

—Luisteren!

Deze korte gedachtenwisseling was natuurlijk op gedempten toon gevoerd. Het was waarschijnlijk dat de vier mannen niet ver weg waren en wij mochten hen, door luid spreken, niet in onze nabijheid lokken.

Buitendien hadden wij ons zóó opgesteld, dat wij geheel in de schaduw stonden.

Wij luisterden een oogenblik, maar het geknetter van de brandende hut hinderde ons. Toen mijn oor er echter aan gewend was, hoorde ik duidelijk het ritselen van takken. Ook Osko had het vernomen en vroeg:

—Hoort gij wel, Effendi, hoe zij zich daarginds een weg banen?

—Naar het geluid te oordeelen, zijn zij hier hoogstens een honderd pas vandaan, en daar wij wel kunnen aannemen dat onder de boomen geen struikgewas is, kan de cirkel die de boomen rondom den bergtop beschrijven, niet zoo groot zijn. Dat hebben zij wel geweten en zijn daarom dien kant uit gevlucht!

—Hoe kunnen zij dat weten? Gij zijt hier toch zelf vreemd.

—Manach el Barscha is reeds vaak hier geweest en bovendien de oude Mubarek is immers bij hen!

Ik ging nu naar de hut en rukte een der dakstangen, die brandend naar beneden hing, geheel los. Daar het hout zeer harsachtig was, brandde die als een fakkel. Hiermede volgde ik de richting, die de vluchtelingen schenen te hebben ingeslagen.

Mijn drie metgezellen sloten zich bij mij aan, terwijl zij hun geweren gereed hielden om te schieten.

Het knetteren van het vuur had mij toch op een dwaalspoor gebracht. De breedte van den boschrand was hier niet zoo groot als ik gedacht had. Al zeer spoedig hadden wij den uitersten rand bereikt en zagen nu duidelijk de plaats waar de vluchtelingen zich een weg hadden gebaand. Wij volgden niet, en stonden een oogenblik later weder op de vlakte, toen mijn fakkel uitdoofde. Toen hoorden wij onder ons een paard hinneken, en dadelijk daarop weerklonk paardengetrappel door de nachtelijke stilte.

—Odschurola, chowardalar! Vaarwel schurken! riep men ons met luider stem toe.—Kyzartfiz jarijn dejil o bir gun dschehennemde!—Overmorgen braadt gij in de hel!

Dat was duidelijk genoeg. En wanneer ik nog niet geweten had dat men voornemens was ons op te wachten, dan had ik het nu gemakkelijk kunnen raden. Zoo heel slim was dat volkje dus nog niet.

—Nu zijn zij weg! Wat nu te doen?

—Op het oogenblik niets. Wij zijn nu weer juist evenver als voor onze aankomst hier in Ostromdscha. Onze vijanden zijn ons voor. Zij zijn vrij en zelfs nog één man sterker. Nu kan de jacht weer op nieuw beginnen, en wie weet of wij ooit weer zulk een goede gelegenheid zullen hebben om hen te vangen als hier!

—Zeg dat wel, Sihdi. Die Kodscha Bascha moest gehangen worden.

—Hij heeft hen niet alleen vrij gelaten, maar hun ook hun paarden teruggegeven.

—Gelooft gij dat?

—Natuurlijk. Gij hebt immers gehoord, dat zij paarden hadden. Die hebben voor hen gereed gestaan.

—Dat zal hij natuurlijk ontkennen.

—Zijn leugens helpen hem niets. Ik heb een stuk uit zijn kaftan gescheurd, dat ik in mijn zak gestoken heb.

—Maar hoe wilt gij het met hem aanleggen! Hebt gij eenige macht over hem?

—Helaas, neen!

—Dan zal ik de zaak terhand nemen.

—Wat wilt gij doen!

—Dat komt vanzelf!

—Geen nieuwe dwaasheid, Halef!

—Wees maar niet bang, Sihdi. Ik zal niet overijld handelen maar de zaak met de grootste kalmte en het meeste overleg behandelen. Moeten wij niet eerst weer naar de hut terug gaan?

—Ja. Misschien valt er nog iets te redden.

Wij vonden, in weerwil van de duisternis gemakkelijk den weg terug, dien wij nu kenden. De woning van den Mubarek scheen veel brandbare stoffen te hebben bevat, want nog altijd sloegen de vlammen hoog op. De brand, die van verre zichtbaar was had inmiddels vele menschen naar boven gelokt.

Juist toen wij van onder de boomen te voorschijn traden, kwam de Kodscha Bascha aanloopen, die, toen hij ons gewaar werd, met de armen in de lucht zwaaiende op ons wees en riep:

—Grijpt hen! Vat hen! Pakt hen! Zij zijn de brandstichters!

Ik was over zooveel brutaliteit meer verbaasd dan vertoornd. Die man bezat een groote dosis onbeschaamdheid. De aanwezigen, die allen wisten hoe ik hem dien dag reeds had behandeld, haastten zich natuurlijk niet om zijn bevel ten uitvoer te brengen.

Nu gebeurde er echter iets, waarop hij zeer zeker niet had gerekend.

De kleine Halef trad namelijk op hem toe en vroeg:

—Ne mi iz sewgülüm—Wat zijn wij, lieveling?

—Harakadschilarfiz! Brandstichters, zijt gij!—antwoordde hij.

—Gij vergist u, Kodscha Bascha. Wij zijn heel wat anders. Leerlooiers zijn wij, en om u dat eens duidelijk te maken, zullen wij uw vel eens in behandeling nemen. Niet uw geheele huid, want daarvoor hebben wij geen tijd, maar alleen het deel dat wel goed stevig wezen mag, daar gij er op zitten moet! Osko en Omar helpt eens een handje!

Dat lieten die beiden zich geen tweemaal zeggen, en tot groote voldoening van de meesten der aanwezigen, kreeg de schurk een pak zooals nog nimmer aan eenig overheidspersoon was uitgedeeld.

Toen Halef eindelijk zijn zweep weer in den gordel stak, gaf hij den afgestrafte den volgenden goeden raad:

—En nu geef ik u in overweging, in de eerste dagen niet op iets hards te gaan zitten, want dat zou u wel eens minder goed kunnen bekomen en afbreuk doen aan de schoonheid van uw aangezicht en de harmonie uwer gelaatstrekken. Gij moet onze edele daad geheel laten uitwerken, en tot in lengte van dagen zult gij de vreemdelingen zegenen wier komst voor u zoo heilzaam is geweest. Wij hopen dat gij ieder jaar dezen dag feestelijk zult herdenken en ons in vriendelijk aandenken houden. Sta nu op en betuig mij, met een kus uw hartelijken dank, zooals het betaamt!

Een luid gelach volgde op deze, op plechtigen toon uitgesproken rede.

De Kodscha Bascha, wien Omar en Osko nu losgelaten hadden stond langzaam op, en legde zijn beide handen op de door Halef reeds nader beschreven plaats. Toen de kleine man in zijn nabijheid kwam, riep hij hem woedend toe:

—Schurk! Hondsvot! Wat hebt gij gedaan! Het lichaam van een overheidspersoon ontheiligd. Ik zal u en uw genooten in de boeien laten sluiten!

—Houd u bedaard! viel Halef hem in de rede. Indien gij het een ontheiliging noemt, dat gij maar twintig zweepslagen hebt ontvangen, dan zijn wij gaarne bereid die fout onmiddellijk te herstellen. Leg hem maar weer in positie!

—Neen! neen!—schreeuwde de oude schavuit angstig. Ik ga al! Ik ga al!

Hij wilde zich haastig verwijderen, doch ik greep hem bij den arm en ondervroeg hem op barschen toon, wat hij met de gevangenen had uitgevoerd. Hardnekkig bleef hij ontkennen, dat hij hun de vrijheid gegeven en daarvoor van den Mubarek een ruime belooning ontvangen zou hebben. Toen ik hem dit laatste voor de voeten wierp sloeg hij de handen in elkaar en riep uit:

—Wat zegt gij! Waarvan durft gij mij beschuldigen! Wie zijt gij, dat gij het durft wagen een Kodscha Bascha voor een misdadiger uit te maken! Geld zou ik hebben ontvangen! De gevangenen vrij hebben gelaten? Ik zal u gevangen laten nemen en de wet in al haar strengheid op u toepassen——neen, neen, ga heen, laat mij voorbij!

De laatste woorden golden Halef, die hem bij den arm greep, de zweep ophief en dreigend uitriep:

—Moet ik ook nog andere plaatsen raken? Weet gij nu nog niet dat dit geen manier is om ons te behandelen. Wanneer gij het waagt nog één onaangenaam woord te zeggen, zult ge andermaal kennis maken met mijn zweep.

Ik wendde mij nu tot de omstanders en deelde hun mede wat ik van Nebatja had vernomen; echter zonder haar naam te noemen. Ik voegde er bij, dat wij toen den Kodscha Bascha hadden ontmoet, die de misdadigers had gewaarschuwd.

Toen trad een hunner naar voren, in wien ik onmiddellijk een der bijzittende rechters herkende.

—Effendi, wat gij ons hier mededeelt, doet me verbaasd staan. Wij hebben u veel te danken, want gij hebt een der grootste misdadigers ontmaskerd, dien wij ooit hebben ontmoet. Indien hij en zijn spitsbroeders werkelijk zijn ontvlucht, moet degeen die hen daarbij behulpzaam geweest is, ten strengste worden gestraft. Ik heb u heden gezien en gehoord, en geloof niet dat gij iets zult zeggen zonder zeker te zijn van uw zaak. Gij moet dus wel geldige redenen hebben om den Kodscha Bascha hier aan te klagen, en daar ik nu in rang op hem volg, ben ik verplicht in zijn plaats op te treden, wanneer het blijkt dat hij niet waardig is zijn ambt te bekleeden. Gij hebt u dus, van nu af aan, tot mij te wenden.

De man was in elk geval eerlijk, al scheen het mij ook toe dat hij niet zeer beslist zou durven optreden.

Zonder mij lang te bedenken antwoordde ik hem:

—Het verheugt mij in u een man te leeren kennen, wien het wel en wee der burgers ter harte gaat, en ik hoop dat gij onpartijdig en zonder vrees zult kunnen en durven optreden.

—Dat zal ik doen, maar dan moet gij mij van de waarheid uwer beweringen overtuigen.

—Natuurlijk!

—Gij zult mij dus dienen te zeggen, hoe gij weet, dat Kodscha Bascha hier boven is geweest en van den Mubarek geld ontvangen heeft.

—Neen, dat zeg ik niet!

—Waarom niet!

—Omdat ik de persoon, die mij een en ander heeft medegedeeld, niet in moeilijkheden brengen wil.

—Dat zal niet gebeuren!

—Veroorloof mij, daaraan te twijfelen. Gij zijt een braaf man wat echter niet van alle beambten kan worden gezegd. Ik ken u voldoende om te weten dat, wanneer ik weg ben, de Kodscha Bascha weer zal doen en laten wat hem goeddunkt, en de persoon van wien ik alles vernomen heb, zou het dan hard hebben te verantwoorden. Het is dus beter dat ik geen namen noem.

—Maar hoe kunt gij dan de bewijzen leveren?

—O, dat gaat wel. Het geld dat de Kodscha Bascha ontvangen heeft moet òf in zijn zakken òf in zijn huis zijn, en dat hij hier boven was en zich van mij heeft losgerukt, is eveneens zeer gemakkelijk te bewijzen want ik hield een stuk van zijn kaftan in de hand.

—Dat is niet waar,—riep de beklaagde. Kijk maar of hier een stuk uit is!

Hij wees met zijn beide handen naar de plaats, waar ik hem had vastgegrepen. De kaftan was ongeschonden.

—Gij moet u vergist hebben!—zeide de plaatsvervangende rechter.

—En gij schertst!—hernam ik lachend.

—Hoezoo? vroeg hij verbaasd.

—Wanneer ik u aanzie, lijkt gij mij verstandig en slim genoeg, om te hebben opgemerkt dat de Kodscha Bascha, zich reeds heeft verraden.

—Verraden?

—Ja, hebt gij niet gezien, waar hij heen wees, toen hij onze aandacht op zijn kaftan vestigde?

—Ja zeker!

—Nu, waarheen dan?

—Boven aan de borst, links.

—Heb ik u echter verteld, waar ik het stuk heb uitgescheurd?

—Neen, Effendi.

—Nu, precies op dezelfde plaats die hij heeft aangewezen. Hoe weet hij dat?

De man keek mij verbaasd aan, en vroeg:

—Effendi, zijt gij misschien een hoofd van de politie?

—Waarom vraagt gij dat?

—Omdat alleen zulk een hooggeplaatst beambte zulke scherpzinnige gedachten hebben kan.

—Gij vergist u. Ik woon niet in het land van den Padischah, maar in Nemtsche memlekedi, waar de burgers zoo volkomen volgens de wet handelen, dat ieder kind de onvoorzichtigheid van den Kodscha Bascha zou hebben opgemerkt en begrepen.

—Dan heeft Allah uw land met meer verstand gezegend dan het onze.

—Maar gij ziet toch wel in, dat ik gelijk heb?

—Ja, ja, wanneer hij naar die plek wijst, moet hij weten dat de kaftan daar is gescheurd. Wat hebt gij daartegen in te brengen Kodscha Bascha?

—Ik zeg niets!—antwoordde de aangesprokene. Ik ben te trotsch om langer met een Nemtsche te verkeeren.

—Uw houding is echter geenszins waardig. Waarom houdt ge uw handen zoo voortdurend achter u? vroeg ik lachend.

—Zwijg!—riep hij toornig uit. Gij zult nog wel worden gestraft voor uw onbeschaamdheid. Ziet gij dan niet, dat mijn kaftan in het geheel niet gescheurd is.

—Zeker zie ik dat, maar ik zie ook dat dit een andere kaftan is. Degeen die gij van morgen aanhadt, was ouder dan deze!

—Ik bezit er slechts één.

—Dat zullen wij zien!

—Ja, de Kodscha Bascha bezit slechts dezen éénen kaftan!—bevestigde de knecht.

—Gij hebt slechts te spreken als u iets wordt gevraagd,—voegde ik hem toe, en mij daarna tot den plaatsvervangenden rechter wendende vroeg ik dezen:

—Weet gij ook hoeveel kaftans de Kodscha Bascha heeft?

—Neen, Effendi! Wat raken mij de kleederen van een ander!

—Maar gij weet mij wel te vertellen, waar hij de paarden der misdadigers heeft gelaten!

—Ja, in zijn stal.

—Heeft hijzelf ook paarden?

—Ja!

—Hoeveel?

—Vier!

—Welke kleur hebben die?

—Die zijn zwart. Hij heeft een voorliefde voor donkere beesten, niet waar Bascha?

—Wat kunnen mij de paarden van die menschen schelen?—antwoordde de gevraagde. En aangezien met hem niets was aan te vangen, de verbrande hut van den Mubarek geen verdere bewijsstukken kon opleveren en wij hier niets meer vonden wat ons op den weg kon helpen de vluchtelingen te vinden, of de schuld van den Kodscha Bascha te bewijzen, stelde ik voor naar het gerechtsgebouw te gaan, om ons te overtuigen dat de gevangenen werkelijk waren ontvlucht.

Juist toen wij op het punt stonden aan dit voornemen gevolg te geven, zag ik den Hadschi haastig op zijde springen en even daarop klonk het dreigend uit zijn mond:

—Halt! Gij blijft hier, of ik steek u mijn mes tusschen de ribben!

—Laat me los!—riep een andere stem. Ik heb niets met u te maken!

—Maar ik des te meer met u. Gij zijt gevangen!

—Oho!

—Ja, en als ge niet heel gauw goedschiks medegaat, dan heb ik hier een zweep waarmede dan de knecht ook eens kennis kan maken, nadat ik er zijn meester mede heb geliefkoosd!

De knecht had zich willen haasten om voor ons de woning van den Kodscha Bascha te bereiken en zijn familie te waarschuwen. Hij werd nu met zijn meester in het midden genomen.

Vierde hoofdstuk.
Het onderzoek.

Inhoudsopgave

En ten tweedemale ging een zonderlinge stoet bergaf. Eenige mannen droegen fakkels om den weg te verlichten. Alle bewoners van de plaats waren gealarmeerd en toen wij de binnenplaats bereikten, was het even vol als des avonds.

De gevangenis was natuurlijk ledig. De paarden der boeven stonden in de oude bouwvallige stal, maar die van den Kodscha Bascha waren verdwenen.

De beide knechts beweerden, dat die op een even onverklaarbare wijze als de vier dieven, waren verdwenen.

—Nu zullen wij eens zien of wij het geld en den kaftan van den Kodscha Bascha ook kunnen vinden!—zeide ik tot den rechter.

—Waar wilt gij dat zoeken?

—Bij zijn vrouw.

—Die zal ontkennen en liegen.

—Dat zullen wij afwachten. Het komt zeer veel aan op den toon, waarop men spreekt. Ga maar mede naar binnen.

Wij traden nu het huis binnen, waartoe wij niemand anders verlof gaven, den eigenaar natuurlijk het allerminst. De rechter was met de plaatselijke inrichting bekend.

Hij ging in het donker vooruit en deed toen een deur open. Deze kwam uit in een kleine kamer waar een tafel en een paar houten stoelen stonden; langs den muur lag een lang kussen dat dienen moest voor personen die op oostersche wijze wenschten plaats te nemen.

Op de tafel stond een steenen lamp en daarbij zat een oude vrouw.

—Dat is de vrouw!—zeide mijn metgezel.

Zij keek ons angstig aan. Ik stapte op haar toe, liet de kolf van mijn geweer dreunend op den grond neerkomen en zeide op mijn meest barschen toon:

—Jaschly kaftani senin kodschanun werde?—Waar is de oude kaftan van uw man?

Indien zij van plan was geweest te liegen, werd zij door mijn toon zoo overbluft dat zij antwoordde, terwijl zij op een tweede deur wees:

—Sandykda!—In de kist!

—Onu getir!—Haal dien.

Zij ging de deur uit. Ik hoorde een houten deksel openen en weer dicht doen, waarna zij met het verlangde kleedingstuk terug keerde. Ik nam het haar uit de hand en vouwde het open. Een deel van den linkerborstkant ontbrak, en toen ik het afgescheurde stuk uit mijn zak te voorschijn haalde en in het gat paste, kwam dat precies uit. De vrouw sloeg angstig al onze bewegingen gade. Zij was zeker volkomen van alles op de hoogte.

—Getir Aktsheji.—Breng het geld,—beval ik haar op denzelfden barschen toon.

—Ne asl aktscha, welk geld?—vroeg zij aarzelend.

—Dat wat uw man van den Mubarek heeft gekregen. Waar is het? Gauw wat!—hernam de rechter.

Hij deed daarbij moeite, om een even barschen toon, als ik aan te slaan. Zij werd inderdaad zoo verlegen dat zij bevende bekende:

—Ook in de kist!

—Voor den dag er mede!

Zij ging weder in de donkere kamer, maar ditmaal duurde het wat langer voor zij terug kwam. Het geld was zeker onder in de kist gestopt. Men had het in een ouden, versleten tulband gewikkeld. De rechter telde het, en het kwam volkomen overeen met de som die de kruidenzoekster mij had genoemd.

—Wat moet daarmee gebeuren?—vroeg hij mij.

—Dat moet gij weten!—luidde mijn antwoord.

—Dan wordt het verbeurd verklaard.

—Natuurlijk. Gij moet het aan den opperrechter inzenden.

—Natuurlijk, en dat zal gebeuren zoodra de dag is aangebroken. Gaan wij nu weer heen?

—Neen, ik heb eerst nog een paar woorden met deze vrouw te spreken, en het zal haar danig berouwen, als zij mij niet geheel naar waarheid antwoordt. Voor een vrouw van haar leeftijd is de bastonnade levensgevaarlijk.

Toen viel zij op de knieën en hief smeekend de handen op.

—Geen bastonnade, geen bastonnade, groote beroemde, genadige Effendi! Ik bemerk zeer goed dat alles is verraden en ik zal geen enkele onwaarheid zeggen.

—Sta dan op. Gij moogt alleen voor Allah knielen. Uw man heeft de vier mannen laten ontvluchten, niet waar?

—Zoo is het!

—En toen heeft hij hun vier paarden gegeven.

—Ja, alle vier.

—En waar zijn zij heengegaan?

—Naar——naar——Radowitsch.

Daar zij aarzelde, vermoedde ik dat zij nu slechts gedeeltelijk de waarheid zeide. Daarom gelaste ik haar:

—Zeg alles! Waarom verzwijgt gij de andere plaatsen? Wanneer gij niet oprecht zijt, zal ik genoodzaakt wezen om u naar de bank te laten brengen en door meisjes te laten geeselen!

—Heer, ik zal het zeggen. Zij zijn naar Radowitsch gegaan en wilden dan verder trekken naar Sbiganzy.

—Waarschijnlijk naar den slager Tschurak, die daar woont?

—Juist!

—En dan naar de hut in de rotskloof?

—Heer, hoe weet gij dat?

—Antwoordt!

—Ja, daar wilden zij heengaan.

—En dan verder?

—Dat weet ik niet.

—Wat willen zij daar uitvoeren?

—Dat heb ik niet gehoord; mijn man vertelt mij zulke dingen niet.

—Maar hij kent den Shoet?

—Misschien wel, dat weet ik niet.

—Hij heeft ook allerlei geheimzinnigs met den Mubarek gehad?

—Wat zij met elkander verhandeld hebben, weet ik niet; maar hij is dikwijls naar boven op den berg bij den Mubarek geweest en die kwam des nachts vaak bij ons.

—Hebt gij de gevangenen vandaag gadegeslagen?

—Ik heb hen gezien.

—Kent gij hen?

—Slechts een hunner, die vroeger wel af en toe hier kwam.

—Welken? Wellicht Manach el Barscha.

—Ik weet zijn naam niet. Hij is ontvanger van de Charadsch-belasting in Usküb geweest.

—Dan was hij het! En wat weet gij nu nog meer van deze zaak?

—Niets, totaal niets, Effendi! Ik heb u alles gezegd wat ik zelf weet.

—Ik zie aan u dat gij de waarheid spreekt, en daarom zal ik u niet langer kwellen. Maar misschien hebt gij den naam Aladschy wel eens gehoord?

—Ook niet!

—Effendi!—vroeg de rechter—wat is daar mede aan de hand?

—Kent gij die?

—Neen, maar ik hoorde wel over die twee spreken.

—Het zijn er dus twee? Wat weet gij van hen?

—Het zijn de verschrikkelijkste Skipetaren, die er bestaan. Twee broeders van reusachtige gestalte, wier kogels nooit missen en wier messen steeds de plaats treffen waarvoor zij bestemd zijn. Hun bijlen moeten eveneens zeer te vreezen wapens zijn. Zij slingeren die zoo ver als een kogel vliegt, en treffen daarmede vast en zeker den nek van dengeen op wien zij het gemunt hebben. Ook in het gebruik van den slinger kennen zij hun weerga niet.

—Waar houden zij zich op?

—Overal waar een moord of ander misdrijf valt te begaan.

—Zijn zij ook al eens hier geweest?

—In Ostromdscha zelf nog niet, maar wel in den omtrek. Eerst kort geleden zijn zij in de buurt van Kodschana gezien.

—Dat is niet ver hier vandaan. Ik geloof dat men dat plaatsje te paard in ongeveer vijf uur kan bereiken.

—Het schijnt dat gij hier den omtrek goed kent!

—Och neen, ik schat zoo maar ongeveer. Gij weet niet, waar die beide broeders vandaan komen?

—Men zegt dat zij van boven uit Kakandelen afkomstig zijn, uit de bergen van de Schar Dogh, waar de oorspronkelijke Skipetaren wonen.

—En waarom worden zij dan de Aladschy genoemd?

—Omdat zij rijden op twee paarden, die evenals hun meester den duivel in hun lijf schijnen te hebben. Zij moeten geboren zijn op den dertienden van de maand Moharram, dat is de dag waarop de duivel uit den hemel is verstooten. Hun meesters geven hun iederen dag een volgeschreven blad uit den Koran te eten. Daarom zijn zij onkwetsbaar, zoo vlug als de bliksem, gewaarborgd tegen iedere ziekte, en stappen nooit mis.

—O wee! dan is het slecht met mij gesteld!

—Waarom?

—Mubarek heeft deze Aladschy’s te hulp geroepen om op mij te loeren en mij te dooden.

—Hoe weet gij dat?

—Van denzelfden persoon, die boven bij de hut alles heeft afgeluisterd en ook dit heeft vernomen!

—En gelooft gij het?

—Volkomen!

—Het kan waar zijn, daar de beide booswichten hier in den omtrek gezien zijn geworden. Effendi, neem u in acht. Dertig mannen als gij zijt, vermogen niets tegen twee van zulke Skipetaren. Wanneer zij u te pakken krijgen, zijt gij verloren. Ik meen het goed met u.

—Ik ben u dankbaar voor uw goede zorgen en bedoelingen, maar ik vrees hen niet!

—Heer, overschat uw krachten niet!

—Neen, dat doe ik zeker niet, maar ik heb een beschermer bij mij, op wien ik mij kan verlaten!

—En dat is?

—De kleine Hadschi, dien gij gezien hebt.

De man trok een lang gezicht, fronste de wenkbrauwen en zeide:

—Die! Die dwerg?

—Ja, maar gij kent hem niet.

—Met de zweep kan hij goed omgaan, dat is zeker, maar wat doet men met een karwats tegenover zulke groote helden!

—O, ik maak mij daarover niet bevreesd. Want gij moet weten dat de Hadschi dagelijks niet alleen een blad, maar een heele Sure uit den Koran opeet. En daarom hebben zelfs de kanonskogels geen vat op hem!

—Heer, ik begrijp er werkelijk niets van, maar de Profeet is in den zevenden Hemel en bij hem is alles mogelijk. Ik zal dien wonder-Hadschi toch eens wat nauwkeuriger opnemen.

—Doe dat. Ik ben overtuigd dat hij zelfs niet bang is voor honderd Skipetaren.

—Mag ik het eens probeeren?

—Wat wilt gij doen?

—Zachtjes van achter hem komen aanloopen en trachten om hem, met mijn pistool, stilletjes een kogel in zijn hoofd te schieten.

—Ga uw gang!—antwoordde ik even ernstig als hij zijn vraag had gemeend.

—En denkt gij, dat hij het in het geheel niet zal merken?

—Neen, merken zal hij het wel, want zoo stilletjes gaat dat nu niet in zijn werk. Wanneer de kogel ook al tegen het hoofd afstuit, voelt hij het daarom toch wel, zooals gij wel kunt begrijpen.

—Ja zeker!

—En dan ben ik bang, dat het u niet goed zou bekomen!

—Hoe zoo?

—Wel de teruggekaatste kogel zou waarschijnlijk u verwonden.

—Ja, dat zou mogelijk zijn.

—En zelfs indien dit niet het geval mocht wezen, kunt gij er bijna zeker van zijn, dat de vertoornde Hadschi u ergens, waar gij het niet te best hebben kunt, zijn mes in het lichaam stoot.

—Waar zou hij dan zoo boos om worden?

—Over uw ongeloof. Hij heeft buitendien niet gaarne dat men zonder zijn bepaalde vergunning dergelijke proeven met hem neemt.

—Zou ik hem dan liever permissie vragen?

—Doe dat!

—En gelooft gij dat hij mij zijn toestemming zal geven?

—Ten minste als ik een goed woordje voor u doe!

—Doe dat dan!

—Ik beloof het u. Maar voor het oogenblik hebben wij gewichtiger dingen te behandelen. Zijt gij nu van de schuld van den Kodscha Bascha overtuigd?

—Volkomen!

—Dan laat ik hem aan u over. Ook zijn beide bedienden moet gij gevangen nemen, want zij hebben hem geholpen. Wat mij betreft, ik wil liever met de geheele zaak niets meer te maken hebben.

—Heer, hoe zal ik het zonder u klaar spelen!

—Dat moet gij zelf weten. Gij zijt toch Kasa Mufti. Toen de Padischa u dat gewichtig ambt opdroeg, deed hij dat toch zeker in het vertrouwen dat gij daartoe de noodige bekwaamheid zoudt bezitten, en ik veronderstel dat gij dat vertrouwen niet zult willen beschamen!

—O, neen, zeker niet. Ik zal een streng en rechtvaardig rechter zijn. Zou ik zijn vrouw ook arresteeren?

—Neen. Zij heeft haar man moeten gehoorzamen.

Wij gingen nu weer naar buiten, waar wij door de anderen, waaronder ook Halef, werden opgewacht.

De Kasa Mufti stootte mij aan en vroeg:

—Effendi is het nu niet een geschikt oogenblik.

—Waarvoor?

—Om een goed woordje voor mij bij den Hadschi te doen. Of zijt gij niet voornemens uw belofte na te komen?

Zou ik lachen of boos worden? De goede “rechter” interesseerde zich meer voor de onkwetsbaarheid van den Hadschi dan voor de aan hem toevertrouwde rechtszaak.

—Morgen als wij eerst geslapen hebben!—antwoordde ik hem. Nu niet! Nu moet gij uw plicht doen!

—Hoe zoo?

—Daar staat de Kodscha Bascha, en over uw arm hebt gij den kaftan.

—Moet ik hem dien laten kijken?

—Natuurlijk! En ook het geld hebt gij. Deze menschen verwachten allen dat hij door u overtuigd zal worden en zijn schuld bekennen, en nog aarzelt gij! Het schijnt mij toe dat het u weinig toelacht, uw plicht te doen!

—O zeker, Effendi! Gij zult dadelijk ondervinden welk een ernstig en streng rechter ik ben.

—Ik hoop het.

Nadat eenige der vuren weder waren aangestoken, was het pleintje ten minste weer zoo verlicht, dat men de menschen kon onderscheiden.

De rechter trad nu naar voren, en begon zijn toespraak, waarbij hij de schuld van den Kodscha Bascha duidelijk in het licht stelde, maar toch eindigde met de woorden:—En nu vraag ik u, Effendi! hoeveel gij voor het scheuren van den kaftan betalen wilt?

—Allah Akbar!—God is groot! riep Halef, die naast mij stond uit.

Ik was niet minder verbaasd, want ik had, als natuurlijk gevolg van zijn betoog, verwacht dat de Kodscha Bascha gevangen zou zijn genomen, en in plaats daarvan werd van mij geëischt dat ik den kaftan zou vergoeden. Ik antwoordde luid, zoodat iedereen mij kon verstaan:

—Tot mijn groote vreugde hoor ik, o Kasa Mufti, dat uw rechtvaardigheid even groot is als uw scherpzinnigheid, en daarom vraag ik u, wie eigenlijk den kaftan heeft gescheurd?

Het duurde geruimen tijd eer hij zich liet overtuigen dat niet ik doch alleen de Kodscha Bascha zelf daaraan schuld was, daar ik hem alleen vastgehouden, doch hij zich losgerukt en daardoor den kaftan gescheurd had.

Eindelijk keek hij nadenkend naar den grond en riep luide uit:

—Luistert, inwoners van Ostromdscha! Gij zult ondervinden, welk een rechtvaardig man uw rechter is.

—Ik oordeel volgens de wet, die in den Koran is vervat, dat de kaftan van het stuk losgerukt is geworden. Zijt gij dit met mij eens?

Een veelstemmig “ja” was daarop het antwoord.

—En nu moet gij, Effendi, mij nog één vraag beantwoorden. Gij hadt den kaftan moeten betalen, omdat wij meenden, dat gij hem had gescheurd. Zijt gij niet van oordeel, dat degeen die hem scheurde, hem betalen moet?

—Zeer zeker,—antwoordde ik, verheugd over die plotselinge wending der zaak, want ik begreep waar hij heen wilde.

—Wie heeft hem nu gescheurd?

—De Kodscha Bascha.

—Dus dan moet die hem betalen; en daar ik hem buitendien er een ernstig verwijt van maak, dat hij, die zulk een hoog en waardig ambt bekleedt, zulk een oud, vies, vuil kleedingstuk durft dragen, veroordeel ik hem tot betaling van een nieuwen in den prijs van vijfhonderd piasters. Wanneer hij zooveel geld niet daar heeft liggen, zal ik het hem op zijn eigendommen voorschieten en van zijn traktement afhouden. Zoo luidt mijn oordeel, dat berust op den heiligen Koran, die het richtsnoer is van ons denken en handelen. En nu moeten ook de Kodscha Bascha en zijn beide bedienden gevangen genomen worden. Zij zullen de wet in al haar strengheid gevoelen!

De Kodscha Bascha had daartegen zeer veel in te brengen, maar ik had er nu meer dan genoeg van en wilde van de zaak liefst niets meer hooren. Ik ging dus met Halef heen, gevolgd door de beide broeders, de herbergiers. Buiten bij de poort stond een vrouw, die zoodra zij mij gewaar werd, naar mij toekwam. Het was Nebatja.

—Heer,—zeide zij, ik heb op u gewacht, want ik was zeer angstig!

—Waarvoor, vreesdet gij voor mij?

—O neen, ik geloof niet dat u iets slechts kan wedervaren, maar ik was bang voor de heeren van het gerecht. Hebt gij verteld dat ik u van alles op de hoogte had gebracht?

—Neen, geen woord!

—Ik dank u. Nu kan ik gerust wezen?

—Zoo gerust mogelijk, en ik zal ook nog op andere wijze aan uw moeilijkheden een einde maken. Zoodra de dag is aangebroken, kom ik u bezoeken.

—Effendi, gij zult mij welkom wezen, want uw verschijnen is voor mij het opgaan der zon geweest. Allah schenke u een rustigen slaap en aangename droomen.

Toen ging zij heen. Ik dacht aan iets, wat mij daarboven op den berg, in de gedachte was gekomen. Ik riep haar terug en vroeg:

—Kent gij die plant, die Hadat (boksdistel) wordt genoemd?

—O, zeer goed. Het is een doornige plant met bittere bessen, die er als pepertjes uitzien.

—Groeit die hier?

—Niet hier in den omtrek, maar in de buurt van Banja.

—Dat is jammer, want ik heb de bladeren van deze plant noodig.

—Die kunt gij wel krijgen.

—Waar dan?

—Bij den Apotheker, voor wien ik boksdistel heb moeten zoeken.

—Tegen welke kwalen wordt die alzoo gebruikt?

—O, tegen velerlei.

—Dank u, ik zal me er wat van halen.

—Zal ik het u brengen, Effendi?

—Neen, dat zal ik zelf doen!

De plant had een eigenaardige uitwerking, waarvan ik gebruik wenschte te maken. Ik was alleen niet zeker of men daarop staat kon maken.

Wij keerden nu naar huis terug en in de herberg aangekomen begaven Halef en ik ons dadelijk naar ons kamertje, maar het was ons niet mogelijk onmiddellijk in te slapen. De dag die achter ons lag was zóó rijk aan gebeurtenissen geweest, dat wij moeilijk tot rust konden komen.

Nog geruimen tijd praatte ik met Halef en deelde hem mede wat ik van den Kasa Mufti omtrent de Aladschy’s had vernomen. Ook vertelde ik hem dat de bijgeloovige man zich had laten wijs maken, dat hij niet door kogels was te dooden.

—Sihdi!—merkte hij op,—dat kan gevaarlijk voor mij worden.

—O neen!

—Zeker! want verbeeld u, dat die man mij bij wijze van proef een kogel door den kop jaagt!

—Dat zal hij wel laten, want hij is veel te bang voor uw mes.

—Dat is waar! En bovendien zullen wij hier wel niet zoo heel lang meer blijven, terwijl ik mij zooveel mogelijk in acht zal nemen. Maar ik zou het toch wel eens grappig vinden, als wij hem eens voor den gek konden houden.

—Daar heb ik ook al aan gedacht. Dit zou ons bovendien van groot voordeel kunnen wezen.

—Gelooft gij dat?

—Ja, onze vijanden zullen ons wel laten gadeslaan en het zou dan van groot gewicht voor ons wezen als ten minste twee of drie van ons werden beschouwd als zijnde onkwetsbaar door middel van kogels.

—Is daar iets op te vinden, Effendi?

Die gedachte had mijn goeden Hadschi dermate geëlectriseerd dat hij opeens recht overeind in zijn bed zat.

—Hm! Misschien!—antwoordde ik.

—Zeg nu maar niet “misschien”, want ik ken u. Wanneer gij op dien toon spreekt, hebt gij reeds lang een vast plan in het hoofd, en reeds een besluit genomen. Is hier niet een goocheltoer in toepassing te brengen?

—O, verscheidene zelfs!

—Vertel mij die eens.

—Men zou bijvoorbeeld het geweer kunnen laden met speciaal daarvoor vervaardigde patronen, maar dat deugt niet, want dat zou achterdocht opwekken.

—Nu verder!

—Men laadt het geweer en laat eerst den kogel kijken. Terwijl men dien inwikkelt, laat men den kogel in de mouw glijden en stopt alleen het vetlapje in den loop. Maar de kogel kan al heel licht op zij vallen en dan komt het bedrog aan het licht.

—Dat gaat dus ook niet. Degeen die op zich laat schieten mag niet zelf laden. De ongeloovige moet laden. Hij en alle anderen moeten overtuigd zijn, dat er werkelijk een kogel in den loop wordt gedaan en die moet daar ook inderdaad in zijn.

—Misschien!

—Men zou een pantser moeten hebben!

—Dan zou de klank dat verraden. En dan moest zulk een pantser eens niet goed zijn gemaakt!

—O, Allah! dan was het met uw armen goeden Halef gedaan, Sihdi!

—Ja, en natuurlijk dat mag niet.

—En toch weet ik dat gij nog een ander kunstje kent. Ik zie het aan uw gezicht!

—Ja, dat is ook zoo, maar ik geloof niet dat ik hier zal kunnen krijgen wat ik er voor noodig heb.

—Wat is dat dan?

—Er bestaan twee metalen die, wanneer zij in de juiste hoeveelheid worden vermengd, een vasten harden kogel opleveren die er volkomen als een looden kogel uitziet en ook ongeveer even zwaar is. Bij het schieten echter spat het mengsel, ongeveer twee voet voor de monding van het geweer, uiteen en wel in onzichtbare deeltjes.

—En welke metalen zijn dat?

—Kwikzilver en bismuth. Dit laatste kent gij niet? Het is zeer duur en zal hier wel niet te krijgen zijn.

—En waar moet men dat halen?

—In een apotheek. Zoodra wij morgen wakker zijn, zal ik er eens heengaan.

—En zijt gij er heel zeker van, dat de kogel uit elkander vliegt? Want anders was het toch met uw armen Hadschi gedaan!

—Wees maar niet bang, want ik zou toch eerst een proef nemen. Ik heb het kunststuk in een tooverboek gelezen en het toen dadelijk geprobeerd. Het gelukt uitstekend!

—Maar zijn dan de stukjes metaal niet te zien?

—Neen. Het metaal vervliegt in zeer kleine, nagenoeg onzichtbare deeltjes. Het kunststuk zou nog meer effect maken, wanneer gij een werkelijken looden kogel in de hand hieldt. Bij het afgaan van het schot zou men dan moeten doen, alsof men den kogel uit de monding wilde opvangen en inplaats daarvan toont men dan natuurlijk den anderen, dien men op den grond werpt.

—Dat zullen wij doen, Sihdi!

—Ja, wanneer ik ten minste bismuth kan krijgen; anders is het natuurlijk onmogelijk.

—Denkt gij dat de Skipetaren het te weten zullen komen, dat kogels mij niet kunnen treffen?

—Ik geloof dat zij hier bepaald iemand hebben die hen van een en ander op de hoogte houdt.

—Dan zou het goed zijn, indien zij dachten dat ook gij tegen kogels bestand waart.

—Dat kon waar zijn!

—Laat dus ook eens op u schieten!

—Dat zal er van afhangen hoeveel munitie wij kunnen krijgen. Overigens moeten wij tegenover die listige menschen bijzonder op onze hoede zijn. Ik zal hen morgen, wat mij betreft, op een dwaalspoor brengen.

—Hoe zoo, Sihdi?

—Morgen zal ik een blonden baard en blond haar hebben.

—Hoe zult ge dat aanleggen?

—Er bestaat een plant die, in loog gekookt, aan het donkerste haar een tijd lang een lichte kleur geeft. De bladeren zijn in de apotheek hier te krijgen.

—O, dat is dus de plant waarover gij met Nebatja hebt gesproken!

—Juist, en zoo zullen wij hen op een dwaalspoor brengen. Buitendien zal ik vooruitrijden om den weg te verkennen.

—Maar zij zullen u toch herkennen, want men zal hun wel vertellen dat gij rijdt op een echten Arabischen hengst met roode neusgaten!

—Maar ik zal hem niet berijden!

—Hoe zoo?

—Omdat ik uw paard neem, en gij den hengst berijden zult.

Nauwelijks had ik die woorden gezegd of Halef was met éen sprong zijn bed uit en zat op den rand van het mijne, terwijl hij buiten zichzelf was van vreugde over het feit dat ik eenigen tijd het mooie edele dier aan zijn zorgen toevertrouwde. Als hij had kunnen vermoeden dat ik plan had om, bij onze scheiding, hem het paard ten geschenke te geven, zou hij zeker nog opgewondener zijn geworden.

Na eenige oogenblikken keerde hij weer naar zijn eigen slaapplaats terug en ging op den rand van zijn bed zitten.

—Maar waarom moet ik zóo lang op den hengst rijden. Zult gij dan niet bij ons zijn?

—Op die vraag kan ik u nu nog geen antwoord geven, omdat ik zelf nog niet weet wat er gebeuren zal. Ik zal mijn best doen, mijn uiterlijk zooveel mogelijk te veranderen en dan....

—O, men zal u toch wel herkennen.

—Dat betwijfel ik, want de Aladschy’s hebben mij nog nooit gezien en kennen mij alleen uit de beschrijving.

—Dan is het mogelijk dat gij er in slaagt hen te misleiden, maar zouden zij niet zelf naar Ostromdscha komen?

—Dat is niet waarschijnlijk.

—Waarom niet? Denkt gij dat hun veiligheid hier gevaar loopt?

—Dat niet. Zooals men hen mij beschreven heeft, zouden zij eerder in staat zijn de heele laffe bevolking hier vrees in te boezemen. Maar zij durven zich hier niet aan mij vertoonen en zullen ons daarom langs den weg opwachten. Dat is zeker! Ik neem zelfs mijn geweren niet mede en laat die bij u achter. Ik rijd geheel alleen, en doe alsof ik een inwoner van dit land ben. In ieder geval krijg ik hen te zien.

—En wanneer zij zich verborgen hebben?

—Ook dan. Wanneer ik aan een plaats kom, die mij geschikt lijkt voor een overval, dan zal ik naar sporen zoeken en hen zeker vinden. En wat dan gebeuren zal, kan ik nu inderdaad nog niet zeggen.

—Maar wij moeten toch weten, wat wij doen moeten.

—Natuurlijk. Gij rijdt doodkalm en in matigen draf den weg naar Radowitsch langs. Na twee uur gaans, moet gij de rivier over, en dan nog hoogstens drie uur en gij zijt te Radowitsch. Is er onder weg niets gebeurd en hebt gij niets bijzonders gezien, dan neemt gij uw intrek in de eerste herberg, aan uw rechterhand. Er kunnen zich drie gevallen voordoen. Ten eerste ben ik er misschien nog.

—Dan is alles in orde, Sihdi!

—Misschien ben ik reeds weer weg.

—En dan hebt gij een boodschap voor ons achter gelaten.

—Of ik ben er nog niet en dan wacht gij op mij.

—Maar wanneer gij nu niet komt?

—Ik kom zeker.

—Gij zijt een mensch en kunt u vergissen. Er kan u iets overkomen, waardoor gij onze hulp zoudt behoeven!

—Dan rijdt gij terug, maar gij alleen én eerst den volgenden dag, doch niet vóór den middag en niet op den hengst. Deze moet dan in de herberg blijven bij Osko en Omar. Hen wil ik niet aan eenig gevaar blootstellen. Op dien terugweg zult gij wel eenig teeken van mij vinden. Dat is hetgeen, wat wij vooruit moeten afspreken. Iets naders valt echter niet vast te stellen. Maar nu zullen wij ons gesprek eindigen, want wij hebben rust noodig en zullen trachten ons door den slaap te verkwikken.

—Maar ik kan niet slapen. Ik zal te veel denken aan de vertooning met de kogels en het feit dat ik den hengst berijden mag. Goeden nacht, Sihdi!

—Goeden nacht!

Ik geloof gaarne dat de goede kerel niet slapen zou, want hij was uitermate opgewonden. Er waren drie schepsels in de wereld aan wie hij met zijn geheele hart hing, en dat ik daarin de eerste plaats bekleedde, wist ik wel zeker. Dan kwam Hanneh “het sieraad aller vrouwen en meisjes” en eindelijk Rih, de hengst. Dat hij dien zou berijden, was voor hem zulk een groote vreugde, dat ik overtuigd was dat hij den slaap niet zou kunnen vatten.

Ook ik lag nog geruimen tijd wakker, peinzend over den zonderlingen samenloop der omstandigheden, tot dat ik eindelijk insluimerde.

Vijfde hoofdstuk.
In de apotheek.

Inhoudsopgave

Toen ik den volgenden morgen wakker werd en de luiken open deed was het reeds helder dag. Mijn horloge zeide mij dat ik twee en een half uur had geslapen. Halef was reeds opgestaan. Ik vond hem beneden in den stal, waar hij bezig was den hengst te poetsen en te borstelen. Hij was daarmee zoo druk bezig, dat hij mijn komst niet bemerkte. Toen hij mij eindelijk gewaar werd, zeide hij:

—Zoo, ook reeds op! In huis is alles nog in diepe rust. Maar het is goed dat gij vroeg bij de hand zijt, want er is veel te doen.

—Zoo? Wat dan?—vroeg ik, ofschoon ik zeer goed begreep wat hij bedoelde.

—Gij moet naar de apotheek.

—Dat heeft den tijd nog.

—Neen, Sihdi. Want het duurt geruimen tijd voordat zulke kogels gereed zijn.

—Hoe weet ge dat?

—O, ik ben niet zoo dom als gij wel denkt, Sihdi!

—Nu, misschien hebt gij wel gelijk, daar ik de bladeren ook nog moet koken, maar ik weet in het geheel niet waar de apotheek is en in de geheele stad zal nog wel niemand op zijn, die mij het huis kan wijzen.

—Maar iemand als gij, kan toch de apotheek wel vinden!

—Ik zal het beproeven!

En daarna deed ik de poort open en ging naar buiten. Ik had reeds bij mij zelf overlegd, dat de apotheek natuurlijk niet in een achterbuurt maar in een hoofdstraat, in het hart van het plaatsje moest zijn te vinden, en daar was ik.

Toen ik de huizen stuk voor stuk eens goed opnam, viel mijn oog op een oud, bouwvallig krot, dat den naam van huis nagenoeg niet meer verdiende. Aan twee, ook al niet zeer stevig bevestigde haken, wiegelde een houten bord heen en weer, waarop gelukkig nog vrij duidelijk te lezen stond.

“Hadschi Omrak Doktor hakemi we bazar bahari.”

Dit was met witte letters op groenen achtergrond geschilderd en beteekent zooveel als: “De Mekka pelgrim Omrak, doktor in de medicijnen en handel in geneesmiddelen.” Deze Hadschi was dus een arts, die zich den doctorstitel aanmatigde of daarop misschien inderdaad recht had.

De deur was gesloten maar met een stevigen duw verschafte ik mij toegang. Een bel was nergens te zien, maar aan de beide uiteinden van een touw waren twee planken bevestigd, juist zoo hoog dat een volwassen persoon er bij kon. In de veronderstelling dat dit als klopper moest dienst doen, sloeg ik de plankjes op elkaar, wat een geluid maakte, wel in staat om slapenden te doen ontwaken.

Ik moest dit echter verscheiden malen herhalen voor ik gehoor kreeg, maar eindelijk verscheen eerst een kale knikker, waskleurig met een uit louter rimpels bestaand voorhoofd, twee kleine slaperig knippende oogjes, een neus die veel overeenkomst had met de tuit van een grooten bruinen aarden koffiepot, zooals men ze nog wel in de dorpen aantreft, een breede mond met dunne kleurlooze lippen, een gebogen kin, lang zoo breed niet als de neus, en eindelijk klonk het:

—Krui dir?—Wie is daar?

—Een patiënt,—antwoordde ik.

—Waaraan lijdt gij?

—Ik heb mijn maag gebroken,—antwoordde ik zonder aarzelen.

—Schimdi, tez!—Dadelijk, dadelijk!—schreeuwde de “dokter” met een stem, die mij deed vermoeden dat zulk een interessant geval nog nimmer bij hem voorgekomen was.

Het hoofd verdween en eenige oogenblikken later vernam ik, van achter een deur, een lawaai alsof een aardbeving in aantocht was. Eenige katten miauwden, een hond blafte, vaatwerk werd omvergeworpen en toen vloog iets, misschien wel de dokter in hoogst eigen persoon, tegen de deur, die open ging, waarna de geleerde heer met een diepe, zeer diepe buiging nader kwam.

Wat een rare persoonlijkheid vertoonde zich daar aan mijn oog. Hij zou inderdaad als vogelverschrikker een uitstekend figuur hebben gemaakt en alle velden en boomgaarden uitstekend voor ongewenschte gasten hebben gevrijwaard.

Van dichtbij bekeken, was zijn gezicht nog leelijker. Het was vol naden en rimpels, er was geen glad plekje te bekennen. Zijn morgentoilet bestond uit een kleedingstuk dat veel overeenkomst had met een hemd. Het reikte wel is waar van den hals tot aan de enkels maar zat vol scheuren en gaten. Aan den eenen voet droeg hij een platgetrapte rood lederen pantoffel, en aan den anderen een reislaars van zwart vilt. Maar ook deze vertoonden luchtgaatjes en de teenen staken er door. Op zijn kalen schedel droeg hij een vrouwen-nachtmuts, die tengevolge van de haast, waarmede hij mij en mijn gebroken maag te hulp wilde komen, het achterste vóór op zijn hoofd terecht was gekomen.

—Heer, treed nader! Mijn geheele armzalige apotheek is tot uw dienst!

Hij boog zóó diep, dat hij met zijn hoofd bijna op den grond terecht kwam en trad in die houding eenige passen achteruit.

—O jazik—o wee! Kojun, basar sen nassirlarmüz üzeri—Schaapskop, ge trapt op mijn eksteroogen!

Hij ging op zij, en nu kreeg ik het beminnelijke wezen te zien, dat deze vriendelijke woorden had gelispeld.

Dit schepsel scheen te bestaan uit een hoofd, een stuk oud tapijt en twee bloote, ontzettend vuile voeten. Toch waren die voeten nog te verkiezen boven het gezicht. De eigenaar van de apotheek was een nog veel aantrekkelijker persoonlijkheid dan zijn vrouwtje. Liefst zwijg ik maar over haar bekoorlijkheden.

Zij kwam naderbij en boog even diep als haar heer gemaal.

—Chosch geldiniz Sultanum!—Wees gegroet, edele heer!—aldus begroette zij mij.—Wij zijn gelukkig uw aangezicht te aanschouwen. De stroomen onzer gehoorzaamheid zullen voor u vloeien!

—Sen güzel tscha ilahessi bunum hejranli tschaghlagnün!—En gij zijt de schoonste nymph dezer wateren!—antwoordde ik beleefd terwijl ik mij ook voor haar boog.

Zij liet een goedkeurend gemompel hooren, knikte heur heer gemaal toe, hief vermanend de rechterhand op en zeide, terwijl zij hem met den wijsvinger op het voorhoofd tikte:

—Luister eens! Hij noemt mij schoon! Zijn smaak is beter dan de uwe!

En zich daarna weder tot mij wendende zeide zij, op haar vriendelijksten en meest onderdanigen toon:

—Uw mond kan aangename dingen zeggen, én gij zijt niet blind voor de bekoorlijkheden uwer medemenschen. Dat kon ik van u ook wel denken!

—Hoe zoo? Kent gij mij dan?

—Zeer goed. Gij hebt gesproken met Nohuda, mijn boezemvriendin en met Nebatja, die ons kruiden brengt, en zij hebben ons veel van u verteld. Daarna hebben wij u bij den Bascha gezien. De wereld is vol van uw lof en ons hart slaat u tegen. Wij weenen bittere tranen, dat ziekte u tot ons voert, maar wij hebben alle iki bin bir iladschlar, (alle tienduizend en één artsenijen) bestudeerd en zullen u van uw lijden verlossen. Er is nog niemand van hier gegaan, zonder hulp of genezing te hebben gevonden. Daarom kunt gij u gerust aan ons toevertrouwen!

Dat beloofde veel. Zij zag er juist uit, alsof zij de tienduizend en één artsenijen niet alleen bestudeerd maar ook ingenomen had en nog aan de werking daarvan leed. En aan die beide menschen had ik mij nu ingeval van ziekte moeten toevertrouwen!

Daarom zeide ik:

—Vergeef mij, O Gunesch esche schifa (Zon der geneeskunst) wanneer ik van uw vriendelijke hulp geen gebruik maak. Ik ben zelf een Hekim Bascha (een eerste dokter) in mijn vaderland, en ik ken mijn lichaam. Daarvoor zijn andere middelen noodig dan voor de inwoners dezer landen. Ik ben alleen gekomen om de middelen te halen, die ik voor mijn genezing noodig heb.

—Jazyk adschynadschak.—Dat is jammer, zeer jammer!—riep zij uit.—Wij zouden de wond in uw maag nauwkeurig hebben onderzocht en opgemeten. Wij bezitten een Mide-melhemi (maagpleister), die wij voor u op een stuk doek van een tulband zouden hebben uitgestreken. Indien gij er die dan op had gelegd, zou de wond in een paar uren geheeld zijn geweest.

—Misschien is uw pleister wel volkomen gelijk aan de mijne, want die werkt even snel. Maar veroorloof mij die zelf gereed te maken.

—Uw wil is de onze. Kom dus binnen, ga in de kamer der wonderzalven en zoek uit wat uw hart begeert.

Zij deed een zijdeur open en ging mij voor. Ik volgde haar en achter mij kwam de gelukkige eigenaar der apotheek en de benijdenswaardige echtgenoot der schoone nymph.

Wat ik zag, deed mij de gewaarwording gevoelen, die men gewoonlijk bestempelt met den naam van onpasselijk.

Ik bevond me in een vertrek dat beter voor hoenderstal dan voor apotheek kon dienen. Ik stootte mijn hoofd aan de zoldering, en de bodem bestond uit lieve moeder aarde, terwijl de wanden waren saamgesteld uit planken, die men niet eens van de schors had ontdaan. Aan spijkers hingen een aantal kleine linnen zakjes, en in het midden van het vertrek hing aan een touw een reusachtige klisteerspuit. Op een blad lagen verschillende scharen van de meest wonderlijke vormen, gereedschap om koppen te zetten, barbiers bekkens, en tangen, lomp en grof voor het trekken van tanden. Op den grond stonden allerlei potjes en pannetjes, meest geschonden en gebroken, terwijl het geheele vertrek vervuld was van een onbeschrijfelijken geur.

—Hier—zei zij,—is onze patiëntenkeuken. Zeg ons nu maar, uit welke middelen de pleister voor uw maag moet worden samengesteld. De apotheker kwam dicht bij mij staan en keek mij vol verwachting en nieuwsgierigheid aan. Hij verheugde er zich blijkbaar op, het recept af te luisteren.

—Hebt gij daar ook Sadar in een van die zakjes?—vroeg ik.

—Daar is Sadar!—antwoordde de schoone, naar een zakje aan den muur wijzende.

—Sadar?—merkte haar man op.—Ilmm lotos komar, de wetenschap noemt het lotos.

Deze dokter en Hekim wilde mij eens toonen, dat hij den latijnschen naam van de plant kende. Deze was echter verouderd en daarom hernam ik:

—Tanam ilm celtis australis komar,—de werkelijke wetenschap noemt het celtis australis.

Hij spreidde den mond open en keek mij aan.

—Zijn er dan nog verschillende soorten van wetenschap?

—O, meer dan honderd!

—Allah! en ik ken er maar één. En hoeveel Sadar verlangt gij, Heer?

—Een groote handvol!

—Goed, ik zal het in een zakje doen. Wat wenscht gij nog meer?

Op den grond lag een papier, en ik had er wel vijfhonderd piasters onder willen verwedden dat dit van de straat was opgeraapt. Zij nam het op, draaide het in elkaar, ging met haar tong langs den rand om het op elkaar te plakken en deed er een hand-vol celtis australis in. Daar ik het middel alleen uitwendig wilde aanwenden, maakte ik geen aanmerking op de handelwijze der apothekeres.

—Hebt gij ook alkali?—vroeg ik.

Zij keek mij verbaasd aan, ofschoon het woord zuiver Arabisch is. Hij vertrok zijn mond tot een breeden zelfbewusten glimlach en vroeg mij gewichtig:

—Welke wenscht gij?

—Dat is mij hetzelfde.

—Heer, ik heb vernomen, dat uw vaderland in het westen ligt. Ik bezit zeer goede alkali dat vandaar komt. Die kunt gij dus krijgen, indien gij verkiest.

—Hoe noemt gij die?

—Schawell, suju.

—Laat eens kijken!

Hij bracht nu werkelijk, evenals ik vermoedde, een fleschje te voorschijn, waarop te lezen stond, ”Eau de Javelle, fabrique de Charles Gautier, Paris.”

—Hoe komt gij aan dat alkali?—vroeg ik.

—Ik kocht eens eenige fleschjes van een reiziger, die bij mij kwam. Hij kwam uit Praga, de hoofdstad van Fransa.

—Gij vergist u. Praag is de hoofdstad van Bohemen. De hoofdstad van Fransa heet Parijs.

—Effendi, hoe weet gij dat alles?

Zijn vrouw viel hem nu heftig in de rede:

—Sus,—zwijg! Dat wist ik al lang, maar gij zijt een domkop, in plaats van dokter en apotheker. Heer, wat verlangt gij nog meer?

—Hebt gij kwikzilver?

—Ja, dat hebben wij noodig voor het vullen van de barometers en thermometers die wij maken!

—Hé, maakt gij die zelf?

—Ja, vertrouwt gij ons dat niet toe?

—O zeker; die in de medicijnen heeft gestudeerd kan alles!

—Niet waar? Gij zijt een verstandig en hoogst beschaafd man. Wij hebben juist nieuwen voorraad uit Saloniki ontvangen. Maar wanneer wij soms geen kwikzilver hebben, doen wij geitenmelk in de buizen; die ziet ook wit en geeft het weder nog nauwkeuriger aan dan kwikzilver!

—Is u dat ernst?

—Zeker, dat wist gij toch zeker ook wel?

—Neen, mijn waarde!

—Daar hebt gij nu het bewijs, dat wij hier veel verstandiger zijn dan in de westersche landen. De geiten weten zeer nauwkeurig welk weder het worden zal. Wanneer het zal regenen, maken zij dat zij naar den stal komen. Dus moet de melk wel een goed vulsel voor de buizen zijn!

—Gij zijt een verstandige vrouw, dat heb ik wel dadelijk opgemerkt.

—En hoeveel kwikzilver verlangt gij, Effendi?

—Ongeveer 500 gram. Hebt gij zooveel?

—O, nog wel meer!

—Wacht dan nog even. Ik moet eerst weten of gij nog een andere stof hebt, die ik daarbij noodig heb.

—Wat meent gij?

—Kül kurschuni! (bismuth). Dat is een zeer zeldzaam artikel. Zoudt gij dat hebben?

—Kül kurschuni hebben wij niet, wel Kül kalaji (ook bismuth) dat wij gebruiken om er mooie witte zalf uit te bereiden.

—Dat kan ook. Wanneer gij mij daarvan één vikiey kunt geven moet ik twee vikiey kwikzilver hebben.

—Zal ik dat ook maar in het zakje doen?

—Neen, zeker niet, want het kwikzilver zou dadelijk wegloopen!

—Daar hebt gij gelijk in, evenals de liefde van de mannen dadelijk verdwijnt, wanneer.... wanneer....

—Men die in zulk een zakje doet?

—Ja, maar het zakje is het hart, dat niet in staat is, de liefde te bewaren. O die liefde, die liefde! Die heeft al menige vrouw ongelukkig gemaakt.

Zij wierp daarbij een woedenden blik op haar echtvriend, rukte hem de muts van het hoofd en zette die zelf op, zeggende:

—Mensch, hoe kunt gij u met een Zinet müenneslükün (sieraad der vrouwen) tooien! Wilt gij de ziel uwer vrouw ontheiligen?

Hij greep met beide handen naar zijn kalen bol, en riep:

—Vrouw! gij vergrijpt u aan de waardigheid des mans! Weet gij niet, dat het ons verboden is met ongedekten hoofde te gaan?

Maar de slimme echtgenoote wist raad.

—Bunda, jokary kaldyr hasz kutuju.—Daar, zet dan dien meelzak op! En tegelijkertijd greep zij naar een zak, waarin nog een restantje meel was, en keerde dien, zonder op het meel te letten, op het hoofd van haar echtvriend om. Zijn geheele gezicht was gepoederd maar hij waagde het toch niet een woord tegen te spreken, en hield de cotillonmuts bedaard op. Als een streng muzelman, die zijn hoofd niet mag ontblooten, was hij al heel blij, weer een hoofddeksel te hebben. Welken indruk dat tooisel op mij maakte, scheen hem totaal onverschillig te zijn. Hij knielde op den grond en scharrelde in alle potjes en pannetjes.

—Wat zoekt gij toch?—vroeg zijn schoone wederhelft.

—Een flesch om het kwikzilver voor den Effendi in te doen. Hier is er een!

Hij stond op en reikte zijne vrouw de flesch toe. Die was zóó groot, dat die zijn geheelen voorraad kwikzilver wel had kunnen bevatten, en misschien nog veel meer.

De vrouw hield haar tegen het licht en bekeek den inhoud.

—Daar is nog oude vernis in.

—Nu, wat hindert dat!

—Zeer veel! Neem water en spoel de flesch uit.

Hij ging zeer gehoorzaam en gedwee met de flesch heen.

Na een poosje, waarin ik met de geleerde vrouw een gesprek had gevoerd, kwam hij terug, zijn gezicht rood en warm van inspanning en zeide op wanhopigen toon:

—Ik kan de flesch niet schoon krijgen! Probeer het zelf!

—Gij zijt een uilskuiken!—hernam zij. Gij mannen zijt verbazend onhandig.

Zij ging met de flesch heen en ik liet haar begaan zonder een woord te spreken.

Hij vertelde mij in dien tijd staaltjes van zijn echtelijk geluk totdat zij eindelijk terug kwam, nog rooder dan haar echtvriend eenige oogenblikken van te voren!

—Effendi!—klaagde zij. De flesch is betooverd! Het vernis wil er niet uit.

—Dat wist ik!

—Hoe zoo? Inderdaad?

—Ja dat gaat niet met water, maar moet met terpentijn geschieden. Vernis neemt geen water aan.

—Dat hadt gij ons toch wel kunnen zeggen!

—Neen, zeker niet, dan zou ik u hebben beleedigd.

—Waarom?

—Een apotheker moet dat weten. En buitendien weet iedereen dat ook, al heeft men nu niet juist chemie gestudeerd. Wanneer ik u dus daarop opmerkzaam had gemaakt, zou dat zeer onbeleefd zijn geweest en den schijn hebben gehad dat ik niet geloofde dat gij in de medicijnen hadt gestudeerd.

—Gij hebt gelijk. Gij zijt een beleefd en wel opgevoed mensch. Daarom krijgt gij nu het vernis voor niets. Ik zal er het kwikzilver op gieten. Waar is de schaal, man?

—Buiten. Ik heb er gisteren het konijntje op gewogen, dat wij vandaag zouden eten.

O wee! Een apothekers weegschaal, waarop het gewicht van een geslacht konijn kon worden bepaald. Toen het ding te voorschijn kwam, zag ik dat hij die zelf in elkaar had gemaakt en uit hout gesneden. De tong was een stuk ijzerdraad, dat zich tusschen de twee tanden van een vork bewoog. De schalen bestonden uit een houten doos en het deksel daarvan. Toch was het wonderlijke instrument nog vrij goed in evenwicht gebracht.

Met deze weegschaal werd het verlangde nu voor mij afgewogen, en ik was zeer tevreden met den prijs, die de apothekeres er voor bedong, te meer daar de kwaliteit van het bismuth niets te wenschen overliet.

Nadat ik ook nog lood had gekocht, verliet ik den vreemdsoortigen winkel, en kreeg de beste wenschen mede voor mijn spoedig herstel en verder welzijn.

Zesde hoofdstuk.
Kogelvrij!

Inhoudsopgave

Van de Apotheek ging ik naar de goede Nebatja, die ook reeds op was en mij met de grootste vreugde ontving. Zij liet mij haar distelkoning zien, dien ik nu bij daglicht nader bekeek, en wilde mij dien ten geschenke geven, maar ik nam hem niet aan. Natuurlijk bedankte ik haar voor haar waarschuwing en vertelde haar hoe gewichtig die voor mij was. Toen ik haar zeide dat zij daardoor mijn leven redde, was zij buiten zichzelve van vreugde. De brave vrouw boezemde mij de levendigste belangstelling in. Reeds gisteren had ik er over gedacht, hoe gemakkelijk ik haar toekomst minder duister maken kon, en nu voerde ik maar dadelijk dat voornemen uit.

Ik bezat het geld dat bij hun gevangenneming op Manach el Barscha en Barud el Amasat was gevonden. Eigenlijk moest ik dat weer afgeven! Maar aan wien? Aan de eerlijke overheidspersonen van Ostromdscha? Pah! Aan de hoogere regeering? Dat kon ik persoonlijk niet doen, daar mij daartoe de tijd ontbrak. En een bode zenden? De man zou wel in zijn vuistje hebben gelachen! Buitendien waren de drie mannen, wien wij het hadden afgenomen gevlucht. En hun het geld terug te geven, zou krankzinnig zijn geweest. Ik kon daarom niets beters doen, dan het gebruiken voor arme behoeftige menschen. En daartoe behoorde Nebatja in de eerste plaats.

Maar ik moest haar niet vertellen hoe ik er aan kwam, want dan zou zij maar bang zijn geweest. De geheele som wilde ik haar ook niet geven, want ik kon er zeker van zijn, dat ik nog wel meer armen en behoeftigen zou ontmoeten en ik wist dat het deel dat ik voor haar had bestemd, voldoende wezen zou om haar voor kommer en nood te bewaren.

Zij was stom van vroolijke verbazing, toen ik haar onder vier oogen het geld ter hand stelde. Zij kon maar niet gelooven, dat die som, die in haar oogen een schat was, nu werkelijk haar toebehoorde. De tranen rolden haar over de wangen.

Het meest verheugde het haar nog, dat zij nu een werkelijken dokter bij haar jongen nemen kon. Met geweld moest ik mij aan haar dankbetuigingen onttrekken.

Halef had inmiddels met ongeduld op mij gewacht. Hij stond bij de poort en riep mij reeds van verre toe:

—Eindelijk, eindelijk, Sihdi! Wij hebben het zoo druk en nu blijft gij zoo lang weg. Hoe staat het met het kunststuk?

—Zeer goed! Is de waard reeds op?

—Allen zijn reeds bij de hand!

—Dan ga ik naar den haard, want ik moet koken en smelten.

—Ik moet er bij zijn, en gij moet mij alles uitleggen, zoodat ik het kan nadoen!

—Neen, van nadoen komt niets in. Er behoort eenige kennis toe, die gij niet bezit, en zelfs hij, met wien dit wel het geval is, kan door een kleine onoplettendheid een fout maken, die hem of een ander het leven kan kosten. Daarom zal ik nooit aan iemand alle vier de bestanddeelen noemen of hem zeggen hoe zij moeten worden vermengd. Osko moet mij zijn kogelvorm even brengen, want die is van het kaliber der hier in gebruik zijnde geweren.

Onze voorbereidingen namen ons langer dan een half uur in beslag. De sadarbladeren werden in verdund Eau de Javelle gekookt, en het aftreksel door een linnen lapje gegoten. Uit den voorraad metaal konden acht kogels worden gemaakt, die er volkomen als looden kogels uitzagen.

Buitendien werden nog eenige echte kogels gegoten, die wij met de punt van een mes teekenden. Toen ging ik met Osko’s geweer achter het huis, waarbij niemand mij mocht vergezellen. Ik laadde het geweer met een kwikzilverkogel, hield den mond op een afstand van anderhalven voet voor een plank en haalde over. Het schot kraakte als gewoonlijk, maar de plank was volkomen ongeschonden. Ook op den grond was geen spoor van den uiteengespatten kogel te zien.

Deze proef was noodzakelijk geweest, want nu wist ik zeker dat er geen ongelukken konden gebeuren. Verraad had ik niet te vreezen daar alleen Halef, Osko en Omar waren ingewijd, en van de stilzwijgendheid van deze drie was ik voldoende overtuigd.

Alles was juist op tijd geschied, want toen ik terugkeerde, kwamen de Kasa Mufti met den Naïb en den Ajak-naïb aan. Er waren ook nog anderen bij. Toen de eerste mij bemerkte, kwam hij naar mij toe, trok mij op zij en zeide:

—Effendi, gij begrijpt wel waarom ik ben gekomen?

—Gij wilt mij zeker mededeelen, hoe het met den Kodscha Bascha gesteld is.

—O neen, neen! Ik wilde u vragen, of gij van uw kleinen Hadschi reeds verlof gekregen hebt om hem, door den een of ander, een kogel door den kop te laten schieten.

—Zijt gij daar zóó bijzonder op gesteld?

—Ja, want dat is zeer wonderlijk. Heeft hij vandaag zijn Koranbladen reeds opgegeten?

—Vraag het hem zelf!

—Dat doe ik liever niet, want hij moest het mij eens kwalijk nemen. En gij weet——zijn mes——! Hij kan ook al zoo goed met de zweep omgaan!

—Ja, hij is een dappere kleine kerel!

—Dus, vertel eens! Hebt gij het hem gevraagd?

—Ja, nog vóór wij gingen slapen!

—En wat heeft hij u geantwoord!

—Nu, hij scheen er wel ooren naar te hebben!

—Dat zou prachtig zijn! En wanneer kan de geschiedenis nu beginnen?

—Geduld! Dat gaat maar niet zoo gauw, als gij wel zoudt wenschen. Mijn beschermer heeft zijn eigenaardigheden. Overigens heb ik u gisteren nog niet alles gezegd.—Wij allen namelijk, mijn drie reisgezellen en ik, hebben allen dezelfde eigenschappen. Niemand onzer heeft voor een kogel te vreezen!

—Wat?—Gij ook al?

—Zooals ik u zeg!

—Gij eet dus ook koranbladen?

—Gij moet niet te veel vragen, want dergelijke geheimen verraadt men natuurlijk zeer ongaarne!

—Wij kunnen dus naar hartelust op u schieten.

—Ja, wanneer gij tenminste zelf uw leven moede zijt.

—Hoezoo? Ik begrijp daar niets van.

—Wel, gij moet oppassen; want men schiet maar niet op een onzer, zonder vooraf vergunning te hebben gevraagd.

—Waarom niet, Effendi?

—Wanneer wij er verlof toe geven, kan het zonder eenig gevaar geschieden. Wie het echter tersluiks doet, wordt zelf door den kogel getroffen en wel juist dáár, waar hij bij ons op heeft gemikt.

—Wanneer ik dus mik op het hoofd van den Hadschi of op het uwe, zou het mijne getroffen worden?

—Zeer zeker! Wilt gij het soms eens probeeren?

—Neen, Effendi, dank u. Maar waarom hebt gij dat zóó en niet anders ingericht?

—Dat kan uw eigen verstand u wel zeggen. Natuurlijk met het oog op mogelijke vijanden, en om die te straffen is het natuurlijk niet voldoende dat de kogels geen doel treffen, maar moeten zij zelf met evenveel juistheid worden getroffen als zij op ons hebben gemikt. Dat is de oude wet van gerechte en juiste wedervergelding!

—Ewwet, göz itchün göz, asch itschün asch. Ja, oog om oog en tand om tand! Ik zou liever niet uw vijand zijn. Wanneer vertrekt gij weder van hier?

—Gij verheugt u zeker zeer op ons vertrek?

—Neen, ik zou liever willen dat gij maar altijd hier bleeft. Gij hebt hier groote veranderingen teweeg gebracht.

—Maar dan toch ten goede!

—Ja, en daarom zijn wij u dankbaar, ofschoon men de zaken toch liever moet laten zooals Allah die heeft geregeld.

—Zou het dan de wil van Allah zijn geweest, dat de Mubarek u bedroog en de Kodscha Bascha de gevangenen bevrijdde?

—Neen, dat nu wel niet!

—Hoe gaat het met den Kodscha Bascha.

—Hij is opgesloten!

—Gij zult natuurlijk niets ondernemen, waardoor hij aan zijn gerechte straf ontkomen kan?

—Wat denkt gij wel van mij! Ik ben een rechtvaardig dienaar van den Padischa en doe stevig mijn plicht. Maar daarvoor kunt gij mij nu wel een genoegen doen, en mijn voorspraak bij den Hadschi zijn.

—Goed, ik zal er hem nog eens over spreken!

—En mag ik er dan nog wat menschen bij halen?

—Daar heb ik niets tegen.

—Goed, ik kom spoedig terug. Ik moet dat aan den goeden Toma vertellen, die het gaarne zou bijwonen.

—Wie is die Toma?

—Hij is iemand die boodschappen doet, zooveel als bode tusschen hier en Radowitsch.

—Een brave man?

—Zeer braaf. Toen gij gisteren weg waart, prees hij u zeer. Ik vertelde hem, dat uw Hadschi koranbladen eet en daardoor kogelvrij is. Hij wilde dat ook gaarne zien en verheugt zich in het welzijn van u en uw vriend. Mag ik hem halen?

—Zeker, breng hem maar mede!

En haastig ging hij heen.

Deze menschen waren toch zoo gemakkelijk te doorzien! Ik vermoedde dat aan dezen Toma door de beide Aladschy’s was opgedragen ons gade te slaan en hun zijn ervaringen mede te deelen.—Weldra bemerkten wij de gevolgen van de verhalen van den Kasa Mufti. Er kwamen verscheiden menschen, en ik onttrok mij aan hun nieuwsgierige blikken, door binnen te gaan in de kamer waar de “rechter” mij kwam opzoeken.

Hij was vergezeld van een man met kromme beenen, dien hij aan mij voorstelde met de woorden:

—Effendi, dat is nu de bode over wien ik u heb gesproken.

Ik keek den man doordringend aan en zeide:

—Gij gaat dus heen en weer tusschen hier en Radowitsch?

—Ja, Heer, maar ik loop niet, ik rijd.

—En wanneer gaat gij nu de eerstvolgende maal.

—Overmorgen!

—Eerder niet?

Hij antwoordde ontkennend, waarop ik hernam:—Dat is gelukkig voor u!

—Waarom?

—Omdat die weg vandaag gevaarlijk voor u zijn kon.

—En op welken grond, Effendi?

—Dat doet minder ter zake. Maar indien gij vandaag vertrokken waart, had ik u willen waarschuwen!

—En gij vertrekt zelf toch?

Zoo eerlijk en oprecht als hij mij tot nu toe had aangekeken, zoo doordringend en onderzoekend was thans zijn blik op mij gericht.

—Zeer zeker!—antwoordde ik onbevangen.

—En wanneer, Effendi?

—Tegen den middag.

—Dat is geen goede tijd, men moet zoo ongeveer opbreken tegen den tijd van het middaggebed, twee uur voor zonsondergang.

—Dat doet men in de woestijn. Maar hier rijdt men niet graag bij nacht door onbekende bosschen, en vooral niet als de Aladschy’s in de nabijheid zijn!

—Die?—vroeg hij met goed geveinsde verbazing.

—Kent gij hen?—hernam ik.

Hij ontkende kortweg.

—Maar gij hebt toch wel eens van hen gehoord?—vroeg ik verder.

—Slechts weinig. De Kasa Mufti vertelde mij, dat zij u wilden overvallen.

—Dat heb ik vernomen.

—Van wien?

—Van een goed vriend. Maar als zij verstandig zijn, laten zij mij met rust, want ik laat niet met mij dollen!

—Dat heb ik gehoord!—hernam hij, veelbeteekenend glimlachende. U en de uwen kan geen kogel treffen.

—Dat is nog niet alles.

—Ja, en de kogels kaatsten terug op dengene die ze heeft afgeschoten.

Daarbij keek hij mij aan met een blik alsof hij wilde zeggen: Ik ben ook niet van vandaag of gisteren, evenmin als gij, dus mij zult gij niet voor den gek houden. Hij was in elk geval slimmer dan de rechter van dezen Kasa. Deze laatste scheen den glimlach te hebben gezien en de bedoeling begrepen, althans hij zeide:

—En dat wilt gij niet gelooven, Toma?

—Ja, wanneer de Effendi het zelf zegt, dan moet men toch wel aannemen dat het waar is.

—Dat zou ik u raden. Indien gij het tegendeel deedt, zou dat een beleediging wezen, en gij hebt steeds bekend gestaan als een beleefd man.

—Ja, daarvan is Allah getuige. Maar ik denk, dat deze Effendi wel zoo vriendelijk zal zijn om ons te overtuigen dat hij kogelvrij is.

Halef had hem en mij gadegeslagen. Het was zijn gewoonte om, wanneer wij vreemde menschen ontmoetten, op mijn gezicht te lezen wat ik over hen dacht. In ieder geval scheen hij aan mij te merken dat ik dezen bode geenszins vriendschappelijk gezind was, want hij legde de hand op het handvat van zijn zweep en zeide:

—Man, wilt gij onzen Effendi soms beleefdheid leeren? Wanneer gij den moed hebt dat te doen, dan ben ik bereid om u alle lessen van de beleefdheidsleer met mijn zweep op uw rug te schrijven. Door een kikvorsch als gij, laten wij ons niet aankwaken.

Hij was opgestaan en trad in dreigende houding naar den man toe. Deze trok zich snel naar de deur terug en riep:

—O Hadschi, blijf staan! blijf staan! Ik heb er zelfs niet aan gedacht u iets voor te schrijven. Laat uw zweep maar in den gordel. Ik gevoel niet den minsten lust daarmede kennis te maken!

—Gedraag u dan zoo, dat wij vrede met u kunnen hebben. Wij zijn de kinderen van den eenigen Profeet, en zonen van den Padischa, en laten ons maar niet alles welgevallen van een man die Toma heet. Want zoo kan alleen een ongeloovige heeten, die van de water-meloenen van den Moslem alleen de schillen eten mag. Verder zullen wij u bewijzen, dat wij u geen leugen hebben verteld, maar wij zullen teekenen en wonderen doen, waarvan gij verbaasd zult staan. Effendi, zullen wij het doen?

—Ja Halef, wanneer gij wilt?

—Ik wil wel. Laten wij dus naar buiten gaan!

Degenen die wij voorbij kwamen, staarden ons met groote oogen aan, en die het verst af stonden, rekten hun halzen uit om ieder onzer bewegingen te kunnen volgen.

De kleine Hadschi nam zijn zweep en baande zich, rechts en links daarmede slaande, een weg naar het kleine pleintje.

—Sihdi, geeft gij mij de kogels?—vroeg hij.

—Neen, ik wil geheel zeker zijn van de zaak, om ongelukken te voorkomen. Eerst zullen wij een echten looden kogel nemen. Spreek gij de menschen toe, uw redenaarstalent is grooter dan het mijne.

Hij was door dien lof zeer gestreeld. Hij rekte zich en weldra klonk het uit zijn mond:

—Gij, mannen en vrouwen van Ostromdscha, zult het onverdiende geluk hebben vier dappere mannen te zien, op wier lichaam geen kogel vat heeft. Opent uw oogen en scherpt uw verstand, opdat niets van het wonder aan uw aandacht ontsnappe en gij er van kunt verhalen aan uw kindskinderen, achterkleinkinderen en alle nakomelingen in het verste geslacht, wanneer gij ten minste zoolang in het leven blijft. Maakt geen leven, maar houdt u rustig en zendt mij nu den man, die bij u bekend staat als de beste schutter, met een geweer!

Er ontstond een gemompel. Men zocht een man, en eindelijk trad er een naar voren met het geweer in de hand.

—Is uw geweer geladen?—vroeg ik hem hard op.

—Ja, Effendi!—antwoordde hij.

—Hebt gij nog meer kogels bij u?

—Neen, Heer!

—Dat doet er niet toe. Ik zal u dan de mijne geven. Maar eerst moet gij ons bewijzen, dat gij een goed schutter zijt. Ziet gij die nieuwe plank daar in het schuurtje? Daar is een kwast in. Tracht dien eens te raken!

De man ging een paar pas achteruit, mikte en schoot. Alle aanwezigen kwamen naderbij en zagen dat hij het doel had gemist, en ongeveer anderhalven duim er naast getroffen had.

—Dat is niet best gelukt!—zeide ik. Probeer het nog eens.

Ik gaf hem een der pas gegoten looden kogels, dien Osko aangaf. Het tweede schot gelukte beter. De man had nu beter aangelegd. Ik gaf hem drie andere kogels, maar nam tevens een looden kogel in de hand en zeide:

—Probeer nu eens of gij kunt schieten in het gat, dat gij daar even in de plank geschoten hebt. Maar laat de menschen eerst de kogels zien ter overtuiging dat uw geweer goed geladen is.

De kogels gingen van hand tot hand, wat eenigen tijd in beslag nam, daar iedereen ze wilde zien en betasten. Toen hij ze terug gekregen had, laadde hij zijn geweer.

—Kom nader!—zeide ik, terwijl ik hem dichter naar zijn doelwit duwde. Nu kunt gij schieten.

Bij deze woorden ging ik bij de plank staan. Hij liet het geweer weder zakken.

—Heer, zoo kan ik immers de plank niet raken!

—Waarom niet?

—Gij staat mij in den weg.

—Dat hindert niet!

—Gij hebt juist uw borst op de plaats waar ik mikken moet!

—Dan schiet gij daar maar doorheen!

—Maar Effendi, dan zijt gij dood!

—Neen, ik wilde u immers laten zien dat een kogel mij niet kan treffen.

Hij greep met de hand naar zijn hoofd en krabde zich achter het oor.

—Ja, dat is het juist!—zeide hij. Dan is de zaak gevaarlijk voor mij.

—Hoe zoo?

—Omdat de kogel op u afstuit en mij in de borst dringen zal.

—Wees maar niet bang. Ik zal dien met de hand opvangen en vast houden.


Ik zal dien met de hand opvangen en vasthouden. (Bladz. 64).

Een gemompel van verbazing ging door de omstanders.

—Is dat werkelijk waar, Effendi? Want ik ben de kostwinner van een huisgezin. En als ik sterf, kan alleen Allah voor hen zorgen.

—Gij zult niet sterven, dat beloof ik u bij den baard van den Profeet!

—Dan zal ik doen wat gij zegt en het beproeven, Effendi!

—O, schiet gerust!

Ik sloeg Toma den bode oplettend gade. Hij kwam nu dichter bij en had geen oog van mij af. De schutter legde op mij aan. Hij stond slechts op tien of elf pas afstand. Maar hij liet het geweer nogmaals zakken en zeide:

—Ik heb nog nooit op een mensch gemikt. Gij vergeeft het mij toch wel, wanneer ik u tref?

—Ik zal u niets te vergeven hebben, want gij treft mij niet!

—Maar als het nu toch eens gebeurde?

—Dan hebt gij u niets te verwijten, want ik heb het u immers bevolen.

Ik hief de rechterhand op en liet daarbij den looden kogel in mijn mouw rollen, toonde toen mijn ledige hand, en zeide:

—Met deze hand zal ik den kogel opvangen. Ik tel dus. Bij drie kunt gij vuren.

Ik liet mijn arm weer zakken en ving daarbij den kogel weer in het holle van de hand op. Er was geen oog, dat niet op mij gevestigd was.

—Een—twee—drie!

Het schot kraakte. Ik greep met mijn hand naar voren, in de richting der geweermonding, alsof ik den kogel wilde opvangen, en nam een looden kogel tusschen duim en wijsvinger.—Hier hebt gij hem. Bekijk hem maar goed, Toma, en zie maar of het niet dezelfde is die in den loop gestoken werd.

Natuurlijk zag hij er volkomen gelijk uit. De bode stond er met open mond bij en staarde mij aan alsof ik een spook was. De uitwerking, die het op de andere menschen had, was niet zoo sterk. Men had wel tot op het laatste oogenblik getwijfeld, maar nu het vermeende wonder dan toch met eigen oogen gezien. De kogel werd rond gegeven. Toen de schutter hem terug kreeg, zeide ik, laad nu nog eens en mik op de plank.

Hij deed het en schoot. De kogel sloeg natuurlijk een gat in het hout.

—Ziet ge? En juist zulk een gat zou ik nu in mijn borst hebben als ik niet kogelvrij was. Nu moogt gij tevens op mijn drie metgezellen schieten.

Dat de kogel de tweede maal de gewone uitwerking had gehad, terwijl ik daarvóór niet getroffen was geworden maar hem opgevangen had, bracht die eenvoudige menschen totaal in de war. Zij kwamen dichterbij om mijn handen te bekijken, en konden geen woorden genoeg vinden om hun verbazing lucht te geven dat ik niet het minste letsel bekomen had.

—Allah onun ile! Allah is met hem!—hoorde ik eenigen zeggen.

—Sheitan sahibi! Hij heult met den duivel,—was de meening van anderen.

—Hoe kan de duivel met hem zijn, daar hij den Koran opeet? Neen, Allah is groot!

Zoo gaf ieder zijn meening te kennen, terwijl ik den schutter drie andere kogels gaf, en Halef, Osko en Omar zich beurtelings voor de plank posteerden.

Misschien hadden die drie de zaak eerst nog niet best vertrouwd maar toen ik niet gedeerd was geworden, lieten zij ook zonder eenige vrees op zich schieten. Alleen het opvangen van de kogels werd achterwege gelaten, daar dit hun misschien niet zou zijn gelukt. Dat wilde ik liever zelf doen. Ik ging dus naast hen staan en ving zoogenaamd den kogel op, waarmede dan in de plank geschoten werd. Toen nu ook mijn metgezellen hadden bewezen dat zij kogelvrij waren, ging er een gejuich op, waaraan geen eind scheen te komen en dat alle beschrijving te boven ging.

De menschen kwamen naar ons toe om ons te bekijken, te betasten en allerlei vragen te doen. Het zou ons dagen hebben gekost als wij alle inlichtingen, die ons werden gevraagd, hadden willen beantwoorden. Om ons aan een en ander te onttrekken, gingen wij naar onze kamer en sloegen van daaruit den bode gade. Toma was volkomen van zijn ongeloof genezen; dat was duidelijk merkbaar aan de zeer levendige gebaren waarmede hij anderen, die veraf hadden gestaan, trachtte duidelijk te maken wat er gebeurd was. Ik wenkte den Hadschi, wees hem den bode en zeide:

—Verlies hem niet uit het oog, en wanneer hij weggaat volg hem dan om te weten waarheen hij zich begeeft!

—Waarom, Sihdi?

—Omdat ik hem verdenk door de Aladschy’s belast te zijn om ons gade te slaan.

—Daarom bekeekt gij hem zoo aandachtig. Ik merkte dadelijk dat gij hem niet vertrouwdet. Maar wat kan hij ons voor kwaad doen?

—Hij zal den beiden Skipetaren gaan vertellen, dat wij tegen den middag vertrekken.

—Hij zeide toch, dat hij niet vertrok.

—Hij heeft gelogen, daar kunt gij zeker van zijn; wanneer hij nu naar huis gaat, dan gaat gij buiten de stad en verstopt u hier of aan den weg die naar Radowitsch voert. En wanneer hij voorbij komt, deelt gij mij dat mede.

—En als hij niet komt?

—Dan komt gij over een uur of twee terug; men kan dan aannemen dat hij inderdaad niet weggaat.

Zevende hoofdstuk.
De twee Aladschy’s.

Inhoudsopgave

Mijn eerste werk was nu, een adres te vragen van een kapper- en barbierswinkel, en toen ging ik daarheen om mij haar en baard te laten knippen. De eigenaar van den winkel was mede getuige geweest van onze vertooning. In het oosten zijn de salons van de barbiers de geliefkoosde verzamelplaats voor alle nieuwtjesjagers, en daarom verbaasde het mij geenszins die vol menschen te vinden.

Deze goede luidjes sloegen al mijn bewegingen gade en hielden zich, zoolang de barbier met mij bezig was, zeer rustig.

Een hunner, die achter mij zat, bukte telkens om een der lokken die op den grond vielen, op te rapen, totdat de barbier, die dit met woedende blikken had aangezien, hem een vrij krachtigen trap gaf en uitriep:

—Dief! Wat hier afvalt, is mijn eigendom. Besteel mij niet!

Op den terugweg ging ik een kousenwinkel binnen en ook bij een brillenkoopman. Bij den eerste kocht ik een paar lange kousen die tot boven de knie reikten, bij den laatste een bril met blauwe glazen.

In een derden winkel kocht ik een groenen tulbanddoek, zooals alleen de afstammelingen van den profeet die mogen dragen, en daarmeê had ik alles wat ik noodig had. Ik was ongeveer een uur weg geweest en toen ik terug kwam, was Halef reeds weder thuis.

—Sihdi!—deelde hij mij mede.—Gij hadt gelijk, de kerel is weg!

—Wanneer gegaan?

—Slechts eenige oogenblikken nadat hij thuis was gekomen.

—Dus had hij zich vooruit reeds reisvaardig gemaakt?

—Ja natuurlijk, want anders had hij toch eerst de dieren nog moeten zadelen!

—Welke dieren had hij bij zich?

—Hij reed op een muildier en voerde nog vier beladen ezels mede waarvan de tweede aan den staart van den eerste en zoo vervolgens, was gebonden, terwijl de eerste aan den staart van het muildier gebonden was.

—Reed hij langzaam?

—Neen, het had er alles van of hij groote haast had.

—Hij wil zich zeker gaarne zoo gauw mogelijk van zijn boodschap kwijten. Nu, dat hindert niet. Ik rijd nu verder en gij anderen verlaat Ostromdscha tegen den middag?

—En blijft het dan bij hetgeen gij gisteren, voor het slapen-gaan hebt gezegd?

—Natuurlijk!

—En ik rijd Rih?

—Ja, en ik neem uw paard. Zadel dat en ga dan weer de stad in, maar neem uw gebedspantoffels mede.

—Waarom, Sihdi?

—Die moet gij mij leenen, omdat ik mijn hooge laarzen moet achterlaten.

—Moet ik die soms aantrekken?

—Neen kleintje, want daar zoudt gij geheel in verdwijnen. Nu zal ik u eerst alles geven wat gij te bewaren hebt; vooral de geweren. En dan ga ik afscheid nemen.

Dit laatste werd mij moeilijker gemaakt dan ik gedacht had. De herbergier Ibarek, die nu ook naar huis wilde terugkeeren, beloofde mij den beiden broeders, die zich bij hem hadden genesteld, een behoorlijk pak slaag te zullen geven, maar ik geloof nooit dat de man er den moed toe heeft gehad.

Eindelijk, eindelijk kon ik dan te paard stijgen.

De beide herbergiers waren zeer verbaasd dat ik den hengst niet bereed, maar ik vond het voorzichtiger hun mijn beweegreden daartoe niet mede te deelen.

Even buiten de stad stond Halef en naast hem—Nebatja.

—Heer!—zeide zij,—ik hoorde dat gij ons gaat verlaten en daarom ben ik gekomen om u nog eenmaal de hand te drukken, hier waar niemand het kan zien. Ik zal steeds aan u denken en u nooit vergeten.

Ik drukte haar de hand en reed toen spoedig door. Ik kon haar vochtige oogen niet best zien.

Halef volgde mij nog een eindje tot wij aan een boschje kwamen. Daar steeg ik af en ging de struiken in.

De kleine Hadschi had den pot mede moeten nemen waarin de Sadar-absud was gekookt. Met behulp van een lapje, dat ik tot dit doel had meegenomen, moest hij voorzichtig met dit vocht over mijn haar en baard strijken.

—Sihdi, waarom laat gij u het hoofd met dat kooksel bevochtigen.

—Dat zult gij gauw genoeg zien!

—Zou uw haar er inderdaad door veranderen?

—Ik denk dat gij over de uitwerking verbaasd zult staan.

—Ik ben er zeer nieuwsgierig naar! Maar wat hebt gij daar voor eeuwig lange kousen. Gaat gij die misschien aantrekken?

—Ja, en dan gaan de gebedspantoffels er over heen.

De kleine Hadschi had dit schoeisel altijd bij zich, om het steeds bij de hand te hebben als hij een moskee bezocht, daar hij dan zijn gewone schoenen moest uittrekken. Toen hij met de “zalving” van mijn hoofd gereed was, trok hij mij de rijlaarzen uit, en deed ik in plaats daarvan de kousen aan. Die pantoffels waren mij iets te klein, maar het ging toch. Toen hij daarna weer naar mijn hoofd keek, sloeg hij verbaasd de handen inéén en riep uit:

—O, Allah! wat een wonder! Uw haar begint inderdaad lichtblond te worden.

—Werkelijk? begint het kookseltje reeds te werken?

—Op sommige plaatsen ten minste.

—Dan moeten wij de donkere plaatsen bijwerken. Hier hebt gij een kam om het vocht te verdeelen!

Hij zette zijn aangevangen werk voort, en toen ik mij eenige oogenblikken later in een zakspiegeltje bekeek, was ik inderdaad hoogblond. Toen zette ik de fez op en Halef moest het tulbandddoek er om winden, zóó dat aan den rechterkant de franje afhing.

—Sihdi! daarmede bega ik een groote zonde!—zeide hij verlegen. Alleen de rechte afstammelingen van den Profeet mogen deze onderscheiding dragen. Maar gij zijt nu eenmaal geen aanhanger van den Koran maar van den Kitab el mukaddas (het heilige boek, den bijbel). Zal ik deze ontwijding kunnen verantwoorden, wanneer ik eenmaal over de smalle brug des doods moet gaan?

—Zeker!

—Maar ik twijfel er aan.

—Wees onbezorgd! Een mohammedaan zou daarmede zondigen tegen de nakomelingschap van den Profeet, wanneer hij diens onderscheiding droeg. Maar een christen heeft zich daaraan niet te storen. Een aanhanger van den Bijbel kan zich kleeden zooals hij verkiest.

—Dan hebt gij het aangenamer en gemakkelijker dan wij. Maar een zonde bega ik, dat is zeker. Wanneer gij zelf het doek er om legt, behoeft gij uw geweten niet bezwaard te gevoelen, maar als ik het doe, een geloovig zoon van den Profeet, dan zal ik wel strafbaar zijn.

—Wees onbezorgd! Ik zal die zonde wel op mijn geweten nemen.

—En in mijn plaats branden in de hel?

—Ja.

—Neen, Sihdi, dat wil ik niet, daarvoor heb ik u te lief. Dan brand ik toch maar liever zelf, want ik geloof dat ik er beter tegen kan dan gij.

—Schrijft gij uzelf meer kracht toe dan mij?

—Neen maar ik ben veel kleiner dan gij en kan misschien wel een plaatsje vinden om mij tusschen de vlammen in te vlijen dat zij mij geen pijn doen!

De schalk meende het met zijn bezwaren lang zoo ernstig niet, want ik wist heel goed dat hij in zijn hart reeds lang een christen was geworden. Om de vermomming te voltooien, zette ik nu den bril op, en sloeg de reisdeken om de schouders, zoo ongeveer als een Mexicaan zijn Serape draagt.

—Müdschüzat allahi! Wonder Gods!—riep Halef uit.—Sihdi, gij zijt geheel en al veranderd!

—Inderdaad?

—Ja, ik weet niet of ik u herkennen zou, wanneer gij mij voorbijreedt. Ik geloof dat ik het alleen aan uw houding zou zien, dat gij het waart.

—O, maar die wordt ook anders. Maar dat is feitelijk niet eens noodig, want de Aladschy’s hebben mij nog nooit gezien. Zij kennen mij alleen door de beschrijvingen, en dus is het gemakkelijk genoeg hen te misleiden.

—Maar de bode kent u!

—Dien zal ik wel niet meer aantreffen!

—Ik denk toch, dat hij wel bij hen wezen zal.

—Dat is moeilijk aan te nemen. Zij willen ons tusschen hier en Radowitsch opwachten, en hij heeft de ezels bij zich met de goederen die hij daarginds moet afleveren. Hij was van plan om naar Radowitsch te rijden. Het is dus aan te nemen, dat hij hun bericht zal brengen en dan verder gaan.

—En gelooft gij werkelijk, dat gij het alleen met hen zult klaarspelen?

—Ja zeker!

—Maar de Aladschy’s zijn berucht. Misschien was het beter als ik met u medeging. Ik ben immers uw vriend en beschermer?

—Maar nu moet gij Osko en Omar beschermen. Deze beiden vertrouw ik aan uw zorgen toe.

Dat troostte hem en deed hem goed. Hij hernam dan ook dadelijk:

—Gij hebt volkomen gelijk, Sihdi! Wat zouden die twee moeten beginnen zonder uw kleinen dapperen Hadschi Halef Omar? Niets—totaal niets! Overigens heb ik ook nog voor Rih te zorgen! Gij vertrouwt mij zeer veel toe, Sihdi!

—Maak u dat vertrouwen waardig. Weet gij nog alles, wat wij hebben afgesproken?

—Alles. Mijn geheugen is als de muil van een leeuw, die alles vasthoudt wat eenmaal daar binnen is.

—Dan zullen wij nu afscheid nemen. Vaarwel en doe geen dwaasheden!

—Sihdi, krenk mij niet met dergelijke vermaningen. Ik ben een man, een held, en weet wat ik te doen heb.

Hij wierp den pot, dien wij nu niet meer noodig hadden, tusschen de struiken, hing mijn hooge laarzen over zijn schouder en ging naar de stad terug. Ik echter reed naar het Noordwesten, een gevaarvolle en misschien noodlottige samenkomst tegemoet.

Ik had echter voorloopig geen gevaar te duchten, wanneer de Aladschy’s mij kenden en gewaar werden, zou allicht een kogel uit een hinderlaag mij hebben kunnen treffen. Maar zooals de zaken stonden, had ik hoogstens een openlijken aanval van roovers te wachten waaraan ook iedere andere reiziger bloot staat. En daarbij kwam nog dat ik er op het oogenblik geenszins aanlokkend uitzag.

Ik had in mijn uiterlijk alles van een armen afstammeling van Mohammed, bij wien niet veel was te halen, en al had ik ook mijn geweren achtergelaten, mijn revolvers had ik bij mij en deze waren ruim voldoende om mij ook nog meer dan twee aanranders van het lijf te houden. Dezen konden alleen mijn mes zien en moesten dus wel aannemen, dat ik verder ongewapend was. Dat zou hen in ieder geval hebben verleid tot een zorgeloosheid die gevaarlijk voor hen kon worden.

Op mijn weg ontmoette ik niemand, en eerst na verloop van een uur kwam ik een Bulgaar tegen, die bleef staan en boog, om mij eerbiedig te laten voorbij gaan. Ook de rijkste moslem eert den armsten en meest armoedigen Scheriff. Hij vereert in hem den afstammeling van den Profeet, wien het gedurende zijn leven vergund was een blik in Allah’s hemel te slaan.

Ik hield mijn paard in, beantwoordde zijn eerbiedigen groet en zeide:

—Allah zegene uw reis, broeder! Van waar komt gij?

—Ik kom van Radowitsch!

—En waar gaat gij heen?

—Naar Ostromdscha, waar ik gelukkig zal aankomen, wanneer uw zegen op mij rust.

—Die begeleide u op uw wegen! Zijt gij geen andere reizigers tegen gekomen?

—Neen, de weg was zoo eenzaam en verlaten, dat ik rustig heb kunnen nadenken over Allah’s zegeningen.

—Hebt gij dus niemand gezien?

—Op den straatweg slechts één mensch, namelijk den bode Toma uit Ostromdscha.

—Kent gij dien man?

—Iedereen in Radowitsch kent hem, daar hij boodschappen doet tusschen deze beide plaatsen.

—Hebt gij hem gesproken!

—Ik wisselde enkele woorden met hem. Hij was in het kleine gehucht, dat gij spoedig zien zult, dáár waar uw weg over de rivier leidt.

—Hebt gij daar ook vertoefd?

—Daar had ik geen tijd voor.

—Weet gij misschien ook waar de bode verblijft, wanneer hij naar Radowitsch gaat?

—Wenscht gij hem te treffen?

—Misschien.

—Hij vertoeft, zooals gij wel denken kunt, nooit in een herberg, maar bij vrienden en verwanten. Al zeide ik u hun namen ook, toch zoudt gij hen zonder hulp niet kunnen vinden, daar ik u de straten niet zoo nauwkeurig beschrijven kan. Daarom zou ik u aanraden in Radowitsch nog maar eens na te vragen.

—Ik dank u. Allah zij met u!

—En u opene hij zijn hemel!

Hij ging verder, en ook ik vervolgde mijn weg even kalm als te voren.

Nu kon ik mij voorstellen hoe de zaken stonden. In Radowitsch hielden de beide Aladschy’s zich niet op, daar dit gevaarlijk voor hen zou zijn geweest. Zij hadden dus den bode in het gehucht opgewacht, en wat zij verder zouden doen, hing af van hetgeen hij hun zou mededeelen. Zij schenen in elk geval geen lust te hebben in een openlijken aanval, en dat zij mij onverhoeds met kogels zouden begroeten, was niet wel aan te nemen daar zij ons voor kogelvrij hielden.

Het was nog geen middag, en ik vermoedde dus dat ik hen nog wel in het gehuchtje zou aantreffen. De bode had hun zeker medegedeeld, dat wij eerst tegen dien tijd zouden opbreken. En dus hadden zij nog tijd genoeg om een schuilhoek op te zoeken. Ik verheugde er mij natuurlijk op, hen snip te doen vangen en voorbij te komen, zonder door hen te worden lastig gevallen.

Ongeveer na verloop van een half uur bereikte ik het gehucht dat slechts uit enkele huizen bestond. De weg maakte hier een rechten hoek naar de brug toe, en ik kreeg daardoor vrij uitzicht op den achterkant van een huis dat in de onmiddellijke nabijheid van de brug stond. Daar weidden twee koeien, eenige schapen en ook drie paarden waarvan twee gezadeld waren en—-wit en donkerbruin gevlekt.

Ik zag dadelijk dat de dieren halfbloed waren en waarschijnlijk afkomstig uit een Mescherdi-stoeterij.

Zouden dat de twee paarden der Aladschy’s zijn; en zouden die twee zich ophouden in het huis, dat ik wel voorbij moest.

Het was voor mij van veel belang met hen te spreken, maar dat moest zooveel mogelijk gebeuren zonder dat het opviel en daardoor hun argwaan werd opgewekt.

Toen ik de kromming voorbij was, kon ik ook den voorkant van het huis zien. Daar was een afdak dat op vier houten palen rustte en waaronder ruw houten tafels en banken stonden. Die waren leeg op één na, waarop twee mannen zaten. Zij zagen mij aankomen. Zij schenen zorgvuldig en oplettend naar alle kanten te hebben rondgekeken, want menschen van hun slag moeten steeds op hun hoede zijn.

Ik zag met welke wantrouwende en scherpe blikken zij mij gadesloegen en deed alsof ik voorbij wilde rijden. Toen stonden zij op en bleven een paar pas voor mij staan.

—Dür—halt!—begon de een, terwijl hij gebiedend de hand ophief. Wilt gij niet een glaasje Raki met ons drinken?

Ik was overtuigd dat ik de gezochten voor mij had. Zij moesten bepaald broers zijn en leken op elkaar als twee druppels water. Beiden waren flink en breed gebouwd, en langer en sterker dan ik. Hun dichte lange baarden en door weer en wind gebruinde gezichten gaven aan hun uiterlijk iets zeer krijgshaftigs. Hun geweren stonden tegen de tafel. In hun gordels glinsterden messen en pistolen en aan den linkerkant had ieder hunner, bij wijze van sabel, een hakbijl hangen.

Ik zette mijn bril recht op den neus en keek hen aan als een schoolmeester een ondeugenden brutalen jongen, en vroeg:

—Wie zijt gij eigenlijk, dat gij het durft wagen een nakomeling van den Profeet in zijn vrome overpeinzingen te storen?

—Wij zijn even als gij vrome zonen van den Profeet en wilden u eer bewijzen door u een verfrissching aan te bieden.

—Raki! Noemt gij dat een verfrissching? Kent gij dan het woord van den Koran niet, dat het gebruik van Raki verbiedt.

—Daar weet ik niets van!

—Ga dan naar een uitlegger der heilige boeken en laat hij u onderwijzen.

—Daar hebben wij geen tijd voor. Maar wilt gij het niet liever zelf doen?

—Wanneer gij het verlangt, ben ik er gaarne toe bereid, want de Profeet zegt: wie een ziel verlost uit de hel, komt bij zijn dood dadelijk in den derden Hemel, maar wie twee zielen redt, krijgt dadelijk een plaats in den vijfden.

—Verdien dan uw plaats in den vijfden. Wij zijn bereid u er in te helpen. Stijg dus af, o heilige man, en maak ons even vroom als gij zijt!

Hij hield mij den stijgbeugel vast, en de ander pakte mij bij den arm en trok mij naar beneden om verdere weigering te voorkomen. Toen ik uit den zadel was, hinkte ik plechtstatig naar de tafel waaraan zij hadden gezeten en ook nu weder plaats namen.

—Uw eene been sleept achter u aan!—merkte de een op.—Hebt gij u bezeerd?

—Neen! Het is mijn kismet!—antwoordde ik kortaf.

—Dus gij zijt lam geboren. Dan heeft Allah het goed met u voor gehad, want wie hij liefheeft bezoekt hij. Wilt gij ons onwaardige zondaars ook uw heiligen naam zeggen?

—Wanneer gij de tabellen der Nakyb-el-Eschraf, die in iedere stad worden bijgehouden, naslaat, zult gij hem daarin vinden.

—Dat willen wij gaarne gelooven, maar daar wij die tabellen hier niet hebben, zult gij zeker wel zoo goed willen zijn ons uw naam te zeggen.

—Jawel. Ik ben Scheriff Hadschi Schehab Eddin Abd el Khadar Ben Hadschi Gazali al Farabi Hu Tabit Mereman Abel Achmed Abu Baschar Chatid esch Schonahar!

De beide spitsboeven hielden zich de handen voor de ooren en barstten in een luid gelach uit. Zij schenen niet den minsten zin te hebben zich ook maar eenigermate door mijn waardigheid van Scheriff te laten imponeeren. Indien zij Grieksch-katholieke Skipetaren geweest waren, had mij dit in het minst niet verwonderd maar daar ik uit hun kleeding moest opmaken dat zij Mohammedanen waren, was het vrij wel aan te nemen, dat zij zich om de leer en de voorschriften van den Profeet al heel weinig bekommerden.

—Waar komt gij dan wel van daan met uw ellenlangen naam, dien niemand kan onthouden?—vroeg de een verder.

Ik keek hem over mijn bril heen, lang en ernstig, zelfs eenigszins verwijtend aan en antwoordde:

—Dien niemand onthouden kan?!—Heb ik u dan zooeven mijn naam niet genoemd?

—Zeker!

—Dus moet ik hem toch weten en kunnen onthouden.

Beiden begonnen weer te lachen.

—Ja gij! Het zou toch ook al te gek zijn, als gij uw eigen naam niet meer wist. Maar gij zult ook wel de eenige zijn, die hem kan onthouden.

—Hij kan nooit worden vergeten, daar hij is ingeschreven in het boek des levens!

—Ah zoo! Gij zijt Scheriff en geen uwer komt ooit in de hel terecht. Maar daar wildet gij ons ook voor behoeden, en ons uitleggen dat de Raki verboden is.

—Dat is ook zoo, en zelfs streng verboden!

—En dat staat in den Koran?

—Wis en zeker!

—Bestond er dan reeds Raki, toen de Profeet zijn voorschriften gaf en openbaringen deed?

—Neen, daarvan staat in geen enkele natuur- of wereldgeschiedenis iets te lezen!

—En dus kan die ook niet verboden zijn!

—O zeker wel! Het bewuste woord luidt: Kullu muskürüm haram!—alles wat dronken maakt is verboden, is vervloekt! En dus is ook de Raki vervloekt.

—Maar die maakt ons niet dronken!

—Nu, dan is die u ook niet verboden!

—En ook wijn is voor ons niet gevaarlijk!

—Geniet dien dan met verstand en met mate!

—Dat is goed! Zoo mag ik het hooren. Gij lijkt mij geen kwaad uitlegger, wordt gij dan dronken van Raki?

—Wanneer ik hier slechts weinig van drink, niet!

—En wat noemt gij weinig?

—Een vingerhoed vol, verdund met zulk een flesch water,—antwoordde ik naar de groote dikke borrelflesch wijzende die vóór hen op tafel stond.

—Ja, dan kunt gij in ieder geval niet beschonken worden. Ik zal water halen, dan kunt gij tenminste met ons meêdrinken, zonder u aan de voorschriften van den Koran te bezondigen. Allah zegene uw leven!

Hij zette nu de flesch aan den mond en nam er een lange teug uit, waarna hij haar aan zijn broeder toereikte, die zich op dezelfde wijze bediende. Ik raakte het glas even met mijn lippen aan.

Terwijl de een zwijgend bleef toekijken, nam de ander telkens het woord en vroeg al heel spoedig:

—Dus, waar komt gij vandaan?

—Eigenlijk van Avret Hissar.

—En waar wilt gij heen?

—Naar Skopia, om de geloovigen dáár te onderrichten in de wetten en regels van den Koran.

—In Skopia? Daar zult ge niet veel vreugde van beleven!

—Waarom?—vroeg ik in onnoozele verbazing.

—Weet gij dan niet, dat men dáár met alle vroomheid den draak steekt.

—Ik heb dat vernomen en juist daarom wil ik er heen gaan.

—Dan kunt gij uw longen stuk praten en u de tering op den hals halen, maar iemand bekeeren, dat niet!

—Wat geschieden moet, zal geschieden. Het is in het boek des levens opgeteekend.

—Gij schijnt dit boek zeer nauwkeurig te kennen.

—Allah alleen kent het en leest het. Ik hoop, dat ik daarin ook eenige bewoners van Skopia vind opgeteekend.

—Dat betwijfel ik zeer. Er moeten daar vele Skipetaren wonen en die deugen niet.

—Dat heb ik helaas ook gehoord!

—Dat de Skipetaren niet deugen?

—Ja!

—Hoe zoo?

—De duivel is vaardig over hen. Ik ken hen niet, maar zij moeten dieven, roovers en moordenaars zijn. De hel moet zelfs nog te goed voor hen wezen.

—Hebt gij dan nog nooit een der Skipetaren gezien?

—Ik heb nog nooit het ongeluk gehad een dergelijk zondaar te ontmoeten,—antwoordde ik met een zucht en zette daarbij het onnoozelste gezicht der wereld. Zij stootten elkander onder de tafel met den voet aan, en schenen zich bijzonder met mijn dwaasheid te vermaken.

—Maar zijt gij dan niet bang voor hen?—vroeg hij verder.

—Waarom zou ik bang voor hen zijn? Zouden zij mij iets anders kunnen doen, dat wat over mij beslist geworden is.

—Hm! Gij reist naar het land der Skipetaren; indien gij nu onderweg eens door een dier roovers werd overvallen?

—Dat zou jammer zijn van zijn moeite, want dit is mijn heele vermogen!

Ik wierp zes piasters op de tafel, en had daarmede ook waarheid gesproken, daar ik al mijn geld aan den kleinen Halef te bewaren had gegeven.

—Dan valt er voor hen bij u niet veel te halen. Maar gij moet toch reisgeld hebben?

—Geld? Waarvoor?

—Wel om te kunnen leven.

—Daarvoor heb ik niets noodig! Heeft de Profeet niet geboden gastvrij te zijn?

—Dus gij bedelt!

—Bedelen, wilt gij een Scheriff beleedigen? Eten, drinken en een nachtverblijf krijg ik overal.

—Waar hebt gij dan den laatsten nacht geslapen?

—In Ostromdscha!

—O daar! Daar stellen wij zeer veel belang in.

Beiden wisselden een blik van verstandhouding en meenden dat ik dien niet bemerkte.

—Waarom? Hoort gij daar soms thuis?

—Dat niet, maar wij hoorden dat daar den vorigen nacht zulk een hevige brand heeft gewoed.

—Hevig? Volstrekt niet.

—De halve stad moet afgebrand zijn.

—Die u dat verteld heeft, is een groote leugenaar. Er is brand geweest, dat is waar, maar volstrekt niet hevig en niet in de stad.

—Waar dan?

—Boven op den berg.

—Maar daar staat toch geen huis?

—Neen, wel een hut.

—Misschien die van den ouden Mubarek?

—Juist.

—Kent men den brandstichter?

—Dat is de Mubarek zelf geweest.

—Dat geloof ik niet; zulk een vroom man kan geen brandstichter wezen.

—Maar hij was ook volstrekt zoo vroom niet als hij zich voordeed!

—Dus was het toch waar, wat wij gehoord hebben!

—Wat hebt gij dan gehoord?

—Dat hij een groote deugniet, niet veel beter dan een misdadiger was.

—Dan heeft men u, wat dát betreft, de waarheid gezegd.

—Weet gij dat zeker?

—Ja want ik was er bij toen hij gevangen werd genomen. Ik was ook bij den brand en overal.

—Dan hebt gij misschien ook de vier vreemdelingen gezien, die dat alles hebben veroorzaakt?

—Ik heb zelfs met hen in dezelfde herberg vertoefd en geslapen.

—Werkelijk? En hebt gij misschien ook wel met hen gesproken?

—Met alle vier.

—Zoudt gij hen weder herkennen, als gij hen ontmoetet?

—Op staanden voet!

—Dat is goed, zeer goed! Wij wachten namelijk op hen, en moeten het een en ander met hen bespreken. Daar wij hen echter nog niet hebben gezien, zouden wij ons licht kunnen vergissen. Wilt gij ons dan waarschuwen, wanneer zij komen?

—Zeer gaarne, wanneer ik ten minste niet te lang behoef te wachten.

—Gij hebt toch den tijd?

—Neen, want ik moet overmorgen in Skopia zijn.

—Gij behoeft nog maar ongeveer drie uur te wachten.

—Dat is mij veel te lang.

—Wij zullen er u voor betalen.

—Betalen! Ja, ziet ge, dat verandert de zaak. En hoeveel wilt gij wel uitleggen.

—Vijf piasters, totdat zij komen.

—Wanneer zij tenminste maar niet zóó laat komen dat ik niet verder meer kan rijden, omdat het donker is.

—Dan betalen wij ook uw logies en uw eten.

—Dan blijf ik, maar de vijf piasters moet gij mij onmiddellijk uitbetalen.

—Scheriff, denkt gij misschien dat wij geen geld hebben!

—Neen, maar ik weet dat ik het niet heb, en graag iets op zak zou hebben.

Nu, die kleinigheid kunnen wij u wel uitbetalen.

Hij wierp mij tien piasters toe, en toen ik hem verbaasd aankeek, zeide hij:

—Nu, strijk maar op. Wij zijn rijk genoeg!

Zij waren in elk geval goed bij kas, want hun geldtasch was groot en daarin was goudklank. Nu werd ik over mijzelf ondervraagd. Ik moest een nauwkeurige beschrijving geven van mijn persoon en van mijn reisgenooten, en toen ook vertellen of ik had gezien dat de kogels ons niet hadden getroffen.

Ik deelde alles mede wat was gebeurd, waarna de Skipetaar vroeg:

—En hebt gij niet gehoord, wanneer deze vier mannen wilden opbreken?

—Ik was er bij, toen een hunner het voornemen te kennen gaf om tegen den middag weer op weg te gaan.

—Dat hebben wij ook gehoord, maar wij vermoeden dat zij niet zullen komen.

—Waarom niet?

—Omdat zij bang zullen zijn.

—Die vreemdelingen zien er anders niet naar uit of zij bang zijn. En voor wie zouden zij dan moeten vreezen?

—Voor de Skipetaren.

—Dat geloof ik niet! Want ik ben zelfs niet bang voor hen. En dan die vier! Ge moet de wapens van den een maar eens zien.

—Daar heb ik van gehoord. Men moet hem toch verteld hebben, dat hij door de Skipetaren zal worden opgewacht.

—Daar weet ik niets van. Wel heb ik van de twee roovers hooren spreken.

—Dus toch! En wat was daarmede aan de hand?

—De oude Mubarek heeft twee roovers omgekocht, om de vier vreemdelingen onder weg te vermoorden!

—Hoe wist men dat?

—Uit een gesprek, dat werd afgeluisterd.

—Drommels, hoe onvoorzichtig! En wist men de namen der roovers?

—Neen, ik geloof niet dat men die weet.

—En wat zeiden de vier vreemdelingen daar wel van?

—Zij lachten!

—Allah w’ Allah! Zij lachten!—stoof hij op.—Zij lachten om degenen door wie zij zouden worden overvallen.

—Ja, over wie anders!

—Nu, ik geloof dat, als er inderdaad sprake is van echte Skipetaren, het lachen die heeren wel zal vergaan.

—Dat geloof ik niet.

—Wat? Gelooft gij dat niet? Meent gij dan dat de Skipetaren kwajongens zijn?

—Zij mogen zoo sterk zijn als zij willen. Tegen deze vier mannen vermogen zij niets, omdat die kogelvrij zijn!

—Kogelvrij! Wel vervloekt! Ik heb daar nooit aan geloofd en het altijd voor een sprookje gehouden, dat iemand zich kogelvrij kon maken. Hebt gij het goed gezien?

—Zeer goed, want ik stond er vlak bij.

—En de kogels troffen niet? En die man ving ze zelfs op in zijn hand?

—Met zijn hand! En wanneer dan ten tweede male met denzelfden kogel werd geschoten, doorboorde die de plank.

—Het is bijna niet te gelooven.

—Er waren echter meer dan vijfhonderd menschen bij, die het geweer en de kogels betast hebben.

—Dan moet men het toch wel voor waar aannemen. Als ik dat kunstje ook kon leeren, wilde ik wel iederen dag een geheelen Koran opeten.

—Dat zal het wel niet alleen zijn, maar ik vermoed dat er nog wel meer geheimen aan zijn verbonden.

—Ja, dat zal wel waar zijn. Het zou mij heel wat waard zijn om dat geheim te weten te komen.

—Dat zal natuurlijk niemand verraden.

—Nu misschien toch wel!

—Dat geloof ik niet.

—En toch weet ik twee menschen, die het misschien te weten kunnen komen.

—En dat zijn?

—De twee roovers, die op hen loeren!

—Die natuurlijk het allerminst.

—Dat begrijpt gij zoo niet, ofschoon gij een Scheriff zijt. Ik wil aannemen dat de Skipetaren die vreemdelingen het leven sparen, maar alleen onder voorwaarde dat zij hun het geheim mededeelen.

—Maar dan vergeet gij toch de hoofdzaak!—merkte ik op.

—En dat is?—vroeg hij haastig.

—Dat die mannen de Skipetaren niet behoeven te vreezen, daar zij kogelvrij zijn, wat gij nu toch zelf voor waar hebt moeten aannemen.

—Dat hebben wij moeten aannemen, want wij hadden dat ook reeds vroeger uit vertrouwbare bron vernomen. Maar zijn zij ook bestand tegen mes en dolksteken?

—Hm! dat weet ik niet.

—Dat zal wel niet zoo wezen, want dan hadden zij zich ook daar wel op beroemd. Men kan hen dus in ieder geval toch nog te lijf gaan, of meent gij soms, dat als wij de Skipetaren waren, wij bang voor die mannen zouden zijn, of voor dien vreemdeling die op een Arabischen hengst rijdt?

—Bij het worstelen geenszins!

—Dus zijn zij nog zoo veilig niet. Maar ik ben overtuigd dat hun niets zal overkomen daar wij hen zullen bijstaan.

—Zoudt gij dat werkelijk doen?—vroeg ik.

—Waarom twijfelt gij daaraan? Wij zijn hen van Radowitsch af tegemoet gereden en zullen hen ontvangen en verrassen. Zij zullen namelijk bij ons een onderkomen vinden. Wij zullen hun gastheeren zijn, en wee degeen die hen een haar durft krenken.

—Hm! dat geloof ik wel, maar zij zouden kunnen worden overvallen, voor zij hier zijn.

—O neen, daarvoor is geen enkele geschikte plaats!

—Weet gij dat zoo precies?—vroeg ik terwijl ik zoo onnoozel mogelijk trachtte te kijken.

—Ja, want ik ben soldaat geweest. Verderop naar Radowitsch is een geschikte plaats, daar waar de weg door het bosch voert. Daar zijn geweldige rotsblokken aan weerszijden van den weg, terwijl het kreupelhout er zoo dicht is, dat men naar links noch naar rechts vluchten kan. Wanneer zij dáár worden aangevallen zijn zij reddeloos verloren.

Gedurende eenige oogenblikken heerschte er een diep stilzwijgen, en terwijl hij nadenkend voor zich keek, hoorde ik een klagelijk gesteun, dat uit het huis tot ons doordrong. Ik had dat reeds vroeger, hoewel niet zoo duidelijk vernomen. Het scheen een kinderstem te zijn. Die zaak kwam mij eerst bedenkelijk voor, maar toch scheen het mij vrij wel onmogelijk dat de Skipetaren hier een misdaad zouden hebben gedaan en dan zoo rustig zouden zijn blijven zitten.

—Wie kreunt daar zoo?—vroeg ik.

—Dat weten wij niet.

—Is dit huis een logement?

—Alleen een kleine herberg.

—Waar is de waard?

—Daar in de kamer!

—Dan zal ik eens gaan kijken!—zeide ik, opstaande, en ging naar de deur.

—Halt!—waar gaat ge heen? vroeg de een.

—Naar binnen, naar den waard.

—Ga dan naar het raam.

Ik begreep dadelijk dat hij mij niet alleen met den waard wilde laten spreken. Hij kende hen en zij waren bevreesd dat hij hen zou verraden. Ik hinkte dus naar het open venster, stak het hoofd naar binnen en riep:

—Konakdschy ... waard!

—Hier!—antwoordde een mannelijke stem.

—Wie kreunt daar binnen zoo?

—Mijn dochtertje.

—Waarom?

—Zij heeft kiespijn.

—Hoe oud is zij?

—Twaalf jaar.

—Zijt gij al eens met haar naar den dokter geweest?

—Neen daar ben ik te arm voor.

—Dan zal ik haar helpen. Ik kom binnen!

De beide Aladschy’s hadden ieder woord verstaan, en toen ik mij nu gereed maakte om binnen te gaan, stonden zij op en volgden mij.

De kamer zag er, zelfs volgens de daar heerschende begrippen, zeer armoedig uit. Er was niemand dan de waard en de kleine patiënte die maar steeds doorkreunde.

De man zat op een bankje, de ellebogen op de knieën en het hoofd in de handen gesteund, en keek ons in ’t geheel niet aan.

—Dus zijt gij de waard?—vroeg ik hem.—En waar is de waardin?

—Dood,—antwoordde hij zonder op te kijken.

—Dan zijt gij wel te beklagen. Hebt gij nog andere kinderen?

—Ja, nog drie kleinere.

—Waar zijn die?

—Buiten aan de rivier.

—Hoe onvoorzichtig! Men moet kinderen niet zonder toezicht bij water laten!

Nu hief hij het hoofd op en keek mij verwonderd aan. Het scheen dat hij zooveel deelname niet had verwacht.

—Waarom haalt gij hen niet hierheen?—vroeg ik verder.

—Ik kan niet.

—Waarom niet?

—Ik mag niet naar buiten!

—Wie zal u dat beletten?

Hij wierp een somberen blik op de Aladschy’s, en dadelijk bemerkte ik dat een hunner hem met den vinger dreigde. Ik deed alsof ik het niet had gezien en ging naar den hoek, zeide eenige vriendelijke woorden tot de kleine en nam haar mede naar het open raam.

—Kom eens hier!—zei ik vriendelijk om haar vertrouwen te winnen.—Ik zal die pijn dadelijk wegnemen. Doe den mond maar eens open en laat mij den tand maar eens zien.

Zij voldeed zonder aarzelen aan mijn verlangen. Aan den tand was niets te zien en het leek mij dat het een rheumatische aandoening was. Daar was geen middel tegen te vinden. Maar ik wist uit ervaring van hoeveel invloed, vooral bij kinderen, de verbeelding is. Voor alles moest er een eind komen aan het schreien.

—Doe nu den mond maar weer dicht, en antwoord me maar met knikjes,—zeide ik.

—Hebt gij nog pijn?

Zij knikte toestemmend.

—Let dan goed op. Ik zal mijn hand een poosje tegen uw wang leggen en dan is de pijn weg.

Ik trok het hoofdje van de kleine patiënte naar mij toe en legde den binnenkant van mijn hand tegen de bewuste wang, en wreef die zachtkens. Van magnetisme heb ik weliswaar in het geheel geen verstand, maar ik vertrouwde op de verbeelding van het kind en op het weldadige gevoel, wanneer een vriendelijke warme hand een pijnlijke plaats zachtkens streelt.

—En nu is de pijn weg?—vroeg ik na eenige oogenblikken.

Wederom knikte ze toestemmend.

—Heelemaal weg?

—Ja, heelemaal!—antwoordde ze blij glimlachend en mij vriendelijk dankbaar aankijkende.

—Praat dan niet, en haal een poosje door je neus adem, dan komt de pijn niet terug.

Dat was alles zoo doodeenvoudig, zooals van zelf sprekend, en toch trad, toen ik weer naar buiten wilde gaan, de man op mij toe, vatte mijn hand en zei:

—Heer, zij heeft al van gisteren af, voortdurend geschreid; het was niet om uit te houden en daarom heb ik de andere kinderen weggestuurd. Gij kunt wonderen doen!

—Neen, ’t is volstrekt geen wonder. Het is een zeer eenvoudig middel, dat ik heb aangewend en het zal zeker helpen wanneer gij uw dochtertje vandaag nog in de kamer houdt. Uw andere kinderen zal ik gaan halen.

—Gij, Heer, gij?—vroeg hij.

—Natuurlijk, want gij kunt het niet doen!

De beide Aladschy’s wierpen hem woedende blikken toe. Hij bukte zich echter, alsof hij iets wilde oprapen, kwam daardoor wat dichter bij mij en fluisterde mij, terwijl hij zich weder oprichtte, toe:

—Neem u in acht, het zijn de Aladschy’s.

—Wat was dat daar?—schreeuwde een hunner, die wellicht het gefluister had vernomen.—Wat hebt ge daar gezegd?

—Ik? Niets!—antwoordde de man zoo onbevangen mogelijk.

—Ik heb het toch gehoord!

—Dan vergist ge u!

—Hond, lieg niet of ik sla je dood!

De Skipetaar hief de vuist op maar ik pakte zijn arm beet en zeide:

—Vriend! wat doet ge? Weet ge dan niet dat de Profeet den geloovige verboden heeft zich door drift te laten medeslepen?

—Wat gaat mij uw profeet aan!

—Ik begrijp u niet. Gij stelt u aan als een woesteling, en ge wilt de vriend zijn van die vier vreemden, die geen worm leed doen!

Hij liet den arm zinken, keek den waard dreigend aan en antwoordde mij:

—Ge hebt gelijk, Scheriff. Maar ik heb de waarheid lief en haat den leugen. Daarom werd ik zoo boos. Kom weer buiten!

Ik volgde hem, en buiten deed ik alsof het van zelf sprak dat ik mij vrij bewoog, en hinkte naar de rivier. Er viel niet aan te twijfelen of de Aladschy’s beschouwden mij zoo half en half als hun gevangene. Achter zich konden ze mij niet laten, en ook niet vooruit laten gaan, omdat ik hen dan licht zou kunnen verraden, zelfs al kende ik hen in ’t geheel niet en al lag geenerlei verraad in mijn bedoeling. Daarom moesten ze mij in het oog houden. Een eind verder dicht bij het water, zaten drie kinderen, welke ik voor die van den waard hield. Ik zei hun dat ze weer bij hun vader konden komen, daar hun zusje weer geheel beter was. Juichend sprongen ze op, klauterden tegen den kant naar boven en liepen het huis in. Toen ik nu weer aan de tafel ging zitten, zag ik het de Aladschy’s aan, dat zij een besluit hadden genomen.

Hier waren ze niet geheel veilig voor gevaarlijke ontmoetingen en ook naderde de tijd waarop wij hier verwacht konden worden. Daarom vermoedde ik, dat zij waren overeen gekomen om op te breken. En inderdaad al heel gauw begon degeen die het meeste had gesproken:

—Ik heb u reeds meegedeeld, dat er maar één enkele plaats is waar die vreemdelingen kunnen worden overvallen. Zeg ons nu eens eerlijk en oprecht, hoe gij hun gezind zijt! Vijandig?

—Waarom zou ik vijandig tegenover die menschen staan! Ze hebben mij immers niets gedaan!

—Dus vriendschappelijk?

—Ja.

—Dat doet me genoegen, want nu kunt ge ons behulpzaam zijn in het zorgen voor hun veiligheid en tegelijkertijd die van u zelf in het oog houden.

—Dat zal me aangenaam zijn, ofschoon ik niet zou weten, wie de moeite nemen zou mijn veiligheid te bedreigen. Zeg me maar wat ik doen moet.

—Gij gelooft misschien ook wel dat die vreemdelingen zullen worden overvallen?

—Ik heb het althans voor zeker hooren vertellen!

—Dan kunnen de Skipetaren zich alleen schuil houden op de plaats die ik op het oog had. Mijn broeder meent, en ik ben het volkomen met hem eens, dat het zeer goed zou wezen, wanneer wij ons daar ook verborgen. Dan kunnen wij de aangevallenen ter hulp komen. Zijt gij daartoe bereid?

—Hm! Ik heb eigenlijk met de geheele zaak niets te maken.

—Wel zeker! Wanneer de Skipetaren daar op den loer liggen, zullen ze ook u aanvallen, zoodra gij verder rijdt. Bovendien willen we u eens een echt Skipetarenstukje laten zien, waarvan ge dan kunt verhalen, als ge te Skopia komt.

—Ge maakt me inderdaad nieuwsgierig, ik rijd mee!

—Stijg dan op!

—Hebt ge den Raki betaald?

—Neen, dien heeft de waard ons voor niets gegeven!

Voor niets moeten geven! Dát was de waarheid. Ik ging naar het venster en wierp mijn weinige piasters naar binnen. Natuurlijk werd ik door beiden uitgelachen. De een ging achter het huis, om de paarden te halen en de ander bleef bij mij, opdat ik hun niet zou ontsnappen. Toen we over de brug reden, keek ik nog eens om en zag den waard in de deur staan, die waarschuwend de hand ophief. Ik dacht niet dat ik hem zou weerzien.

Aan gene zijde van de brug, voerde de weg eerst midden door velden, daarna kwamen weiden, vervolgens kreupelhout en eindelijk reden wij een dicht bosch in.

Er werd geen woord gesproken.

De Skipetaren hielden mij klaarblijkelijk voor een weinig ontwikkeld persoon met zeer weinig oordeel en opmerkingsgave, want alles wat ze deden en zeiden was voortdurend met elkaar in tegenspraak, wat zelfs den meest eenvoudigen mensch moest opvallen.

Indien werkelijk vijanden in het bosch waren verborgen, was het toch een groote domheid geweest, dat wij de bedreigden wilden redden door ons zelf eveneens te verstoppen, om eerst op het oogenblik dat de strijd begon, te voorschijn te komen. We zouden dan natuurlijk beter hebben gedaan, de roovers in hun schuilplaats te overvallen en zoo de bedreigden te redden. Misschien was het hun dan mogelijk geweest de gevaarlijke plek te mijden, en indien dit door de dichtheid van het bosch al ondoenlijk mocht zijn, konden wij te voet er vereenigd de Skipetaren in den rug aanvallen en een machtige nederlaag doen lijden.

Midden in het bosch liep de weg naar beneden en maakte tevens een scherpe bocht. Rechts en links waren rotsblokken, waar achter men zich kon verbergen en dan van boven af den hollen weg beschieten. Dat was een plekje als geschapen voor een overval, en beiden hielden hier dan ook werkelijk halt.

—Hier is ’t!—zeide de een.—Hier moeten we ons verbergen. Laten we links rijden in de richting van dat boschje!

Hij sprak zachtjes om mij te doen gelooven, dat hij werkelijk meende, dat hier ergens Skipetaren waren verborgen. Dan moesten zij ons immers hooren en zien, en niet wij hen. Ik kwam tot de overtuiging dat moeder Natuur mij met geen bijzonder snugger gezicht had begiftigd, want in de kunst van veinzen, had ik het niet zoover gebracht dat ik mij zoo van den domme kon houden, en dom moest men zijn, om die mannen niet onmiddellijk te doorzien.

Daar boven aan den rand van den weg stonden op deze plaats de boomen minder dicht op elkaar, zoodat wij nog een eindje konden rijden; toen moesten we de paarden echter bij den teugel leiden.

Toen werd halt gehouden. De paarden zouden bij elkander worden vastgebonden. Dit beviel me niet, want het lag in mijn voornemen om mij later ongemerkt te verwijderen. Daarom moest mijn paard een eind van de anderen afstaan, zoodat de Skipetaren het niet konden zien. Ik had een grooten, en aan de eene zijde tamelijk spitsen boordenknoop in mijn zak. Dezen haalde ik ongemerkt te voorschijn. Toen deed ik alsof ik den zadelriem van mijn paard, dat bij de hunne aan een boom stond vastgebonden, wat losser wilde maken om het paard wat meer op zijn gemak te brengen, doch haalde dien integendeel zoo stevig aan als ik maar kon, nadat ik er den knoop tusschen had gelegd, zoodat de spitse zijde tegen het lichaam van het paard drukte. Die knoop moest het dier pijn doen en het overige moest ik nu afwachten.

Intusschen hadden de Aladschy’s een geschikt plekje opgezocht, van waar zij een deel van den straatweg, die achter ons lag, konden overzien, zonder zelf gezien te worden. Hun geweren lagen naast hen en ze gespten nu ook hun werpbijlen los.

Ik begreep wat zij van plan waren. Zij meenden dat zij ons met hun kogels niet zouden kunnen treffen en wilden ons nu met hun bijlen dooden.

Deze menschen zijn bijzonder handig in het werpen met deze wapens, en toch geloofde ik, ofschoon ik er nog nooit een in handen had gehad, het hen dadelijk te kunnen nadoen, daar ik een tamelijke vaardigheid bezat in het werpen met den tomahawk.

Ik ging bij hen zitten en het gesprek werd nu op gedempten toon gevoerd. Zij hielden zich, alsof zij bereid waren den strijd te aanvaarden om de vreemdelingen, dus ons, van de Skipetaren te bevrijden. Het Skipetarenstukje dat zij mij wilden laten zien, bestond natuurlijk alleen daarin dat zij zich van mijn medewerking hadden verzekerd, ofschoon zij zelf de moordenaars waren. Op het oogenblik dat de overval plaats greep, moest ik daarover zeer ontsteld zijn, en kon daarvan dan verhalen en mij om mijn domheid laten uitlachen.

Mijn knoop had reeds lang gewerkt. Het paard van Halef begon onrustig te worden, het snoof en sloeg om zich heen.

—Wat heeft uw paard?—vroegen ze mij.

—O niets!—antwoordde ik kalm.

—Noemt ge dat niets! Het zou ons kunnen verraden!

—Hoezoo?

—Wanneer het voort gaat te doen zooals nu, dan kunt ge bijna zeker zijn dat de hier verborgen Skipetaren het leven hooren, en dan zijn wij verloren.

Hij meende echter, dat de vreemdelingen die zij verwachtten het leven hooren en daardoor tot voorzichtigheid zouden kunnen worden aangespoord.

—O, dat zal nog wel erger worden!—zeide ik.

—Waarom?

—Mijn paard kan er niet tegen, om vlak bij andere paarden vastgebonden te staan. Dat is een kuur, die ik het maar niet kan afleeren. Ik moet hem altijd een heel eind uit de buurt van andere zetten!

—Breng hem dan weg!

Ik stond op.

—Halt! wacht wat! laat uw mantel, uw lange mes en uw tulband hier!

—Waarom?

—Opdat wij er zeker van zouden zijn, dat gij terugkomt. Zet uw tulband af!

Dat zou wat moois zijn geweest! Dan zouden zij hebben gezien dat ik al mijn haar had en dus geen goed muzelman, nog veel minder een Scheriff wezen kon. Daarom antwoordde ik met voorgewende kalmte:

—Hoe komt ge er bij! Kan een Scheriff ooit het hoofd ontblooten. Ik ken de Mukteka el Ebhur en de Mischkat al Masabih1 en de beroemde Fetavi van Alem Gtoiri en van Hamadan2 op mijn duimpje. Ik weet heel goed wat den geloovigen verboden is, en nu zal ik mijn ziel overgeven aan het spel der winden, zoodat de storm haar zou verdrijven?

—Laat ’t dan blijven bij den mantel en het mes! Ga nu!

Ik maakte het paard los en voerde het een eind weg. Ik bond het eerst losjes vast, en rende toen in groote haast weg, door struiken en langs boomen, half springend half kruipend, tot ik de kromming van den weg had bereikt waar we langs waren gereden en waar ik nu op den straatweg kon gaan zonder door de roovers te worden gezien. Daar scheurde ik een blad uit mijn notitieboekje en schreef daarop:

—Ajry ajry harzyrlamyn. Osko, Omar jawaschly, Halef böjück dört nal gitir, ileri icki bin ademler tahminen—Rijdt een voor een voorbij, Osko en Omar langzaam. Halef in gestrekten draf ongeveer duizend pas ver.

Dit briefje bevestigde ik met een houten klammer, dien ik sneed, aan den tak van een dicht aan den weg staanden boom, zoodat het bepaald gezien moest worden. Er konden wel is waar ook nog andere menschen langs den weg komen, doch daaraan was niets te doen, misschien lieten zij het briefje wel hangen, en daarenboven kon Halefs komst ieder oogenblik worden tegemoet gezien.

Dat had nauwelijks twee minuten geduurd, en ik rende weer even spoedig naar mijn paard terug om het wat steviger vast te binden en van den knoop te bevrijden. Ik was daarmede nog niet geheel gereed, toen ik reeds voetstappen hoorde. Het was een der Skipetaren die mij kwam zoeken.

—Waar blijft ge zoo lang?—vroeg hij op barschen toon.

—Hier bij het paard!—antwoordde ik terwijl ik hem uiterst verbaasd aankeek.

—Dat zie ik, maar moet dat zoo lang duren!

—Wel, ben ik dan niet mijn eigen baas!

—Neen, niet meer! Ge behoort nu bij ons en hebt u naar ons te schikken!

—Hebt ge mij dan soms gezegd, hoe lang ik mocht wegblijven?

—Doe toch niet zulke dwaze vragen, ezel! Vooruit, maakt dat ge komt, waar wij zitten.

—Als ik er zin in heb!—hernam ik, want in weerwil van mijn rol als Scheriff, begon zijn manier van doen me toch zeer te vervelen.

—Ge behoeft nergens zin in te hebben, begrepen? Wanneer ge niet oogenblikkelijk maakt dat ge weg komt, zal ik je een handje helpen!

Ik trad op hem toe, en zeide:

—Hoor eens, nu maakt ge het toch wat al te bont; gij noemt mij een ezel! Wanneer gij geen eerbied hebt voor de afkomst van een Scheriff, dan verlang ik dien toch tenminste voor mijn persoon. Wanneer gij mij dien weigert, dat zal ik mij dien wel weten te verschaffen.

Dat had hij niet van mij verwacht.

—Welk een brutaliteit!—riep hij uit.—Mensch, wat verbeeldt ge je wel. Ik heb maar naar je te wijzen en je valt om van den schrik.

Hij pakte mij bij mijn linkerarm en drukte dien met zooveel kracht, dat een minder flink persoon dan ik, het zou hebben uitgeschreeuwd van de pijn. Ik lachte hem echter in zijn gezicht uit en antwoordde!—Gij moet mij anders beet pakken, zoo. Ik legde mijn hand zoo op zijn linkerschouder dat de duim op het sleutelbeen terecht kwam, terwijl ik met de vier andere vingers dat deel van het schouderblad beet pakte, dat met den bovenarm in verbinding staat. Wie dien greep kent en hem weet toe te passen, kan den sterksten man met één hand op den grond drukken. Ik drukte mijn hand flink samen. Hij gilde het uit van de pijn en wilde zich los rukken, maar kon niet. Hij voelde de pijn door zijn geheele lichaam, zoodat hij zich machteloos op den grond het vallen.

Op dien schreeuw kwam zijn broer naar ons toe.

—Wat is er gebeurd, Sandar?

—Taury hakky—Bij God, dat begrijp ik niet!—antwoordde hij terwijl hij opstond. Die man heeft mij met één hand op den grond geworpen. Ik geloof waarachtig dat ik mijn schouder heb gebroken.

—Heb jelui dan gevochten en waarom dat?

—Omdat ik hem een standje maakte wegens zijn lang wegblijven.

—Alle duivels, kerel, wat denkt ge wel! Zal ik je eens fijn knijpen?

Hij pakte mij bij mijn borst, met het voornemen mij eens flink door elkaar te schudden. Tegenweer paste niet in mijn rol van Scheriff, maar ’t was toch ook niet naar mijn smaak om mij als een kleinen jongen door elkaar te laten schudden. Ik pakte hem dus ook bij zijn borst, trok hem eerst naar mij toe, en stootte hem toen op armslengte van mij af, zoodat hij mij los moest laten. Toen bukte ik mij een weinig, hief den kerel in de hoogte en wierp hem op den grond.

Een seconde bleef hij liggen van louter verbazing, toen sprong hij op en balde beide vuisten tegen mij.

—Nog eens?—vroeg ik hem terwijl ik een stap achteruit deed.

Ik was boos geworden en misschien hadden mijn oogen nu ook een andere uitdrukking dan wel paste voor een Scheriff, want de Aladschy deed een stap achteruit, staarde mij aan en riep uit:

—Mensch, gij zijt een reus!

Ik boog deemoedig het hoofd en zeide:

—Dat staat dan zeker wel in het boek des levens geschreven.

Beiden barstten in lachen uit.

—Zeg eens Bibar, de kerel weet zelf niet hoe sterk hij is,—zeide Sandar.

Deze keek mij echter wantrouwend van het hoofd tot de voeten aan en hernam:

—Dat is niet alleen reuzenkracht, maar ook oefening. Deze greep doet men hem slechts na langdurige oefening na. Scheriff, waar hebt gij dien geleerd?

—Bij de huilende Derwischen in Stamboel. In onzen vrijen tijd worstelden wij wel.

—Zoo, zoo! Ik dacht al dat gij een heel ander persoon waart dan gij voorgeeft te zijn. Dat is je geluk, want als gij getracht hadt, ons om den tuin te leiden, gaf ik niet veel meer voor je leven. Nu moet ge echter niet meer naast, maar tusschen ons zitten. Wij moeten voorzichtig met je zijn.

Wij gingen weer naar onze vorige plaats terug en ze namen mij in hun midden. Hun wantrouwen was wakker gemaakt. Mijn toestand was er niet beter op geworden, maar toch was ik niet bevreesd daar ik met de revolvers hen in elk geval toch nog de baas was.

Er werd in het geheel niet meer gesproken. De twee deugnieten schenen van meening te zijn, dat in de gegeven omstandigheden zwijgen het raadzaamste was. Mij was het ook zeer welkom. Wanneer ik ook al eenige vrees koesterde, dan was dat niet voor mij maar voor mijn vrienden. Misschien hadden zij mijn briefje niet gezien of was dit op de een of andere manier verloren gegaan. Mij bleef niet veel anders over dan geduldig af te wachten. Wij hadden reeds geruimen tijd zoo gezeten en ik begon al vrijwel mijn geduld te verliezen, toen wij aan den rechterkant eenig geruisch vernamen.

—Luister, daar komt iemand,—zei Sandar, en greep naar zijn bijl. Misschien zijn zij het wel!

—Neen,—antwoordde zijn broeder. Het is maar een enkele ruiter. Kijk, daar komt hij den hoek om.

Ik keek om en zag mijn vriend Omar aankomen en wel geheel alleen. Zij hadden mijn briefje dus gezien en gelezen. Hij naderde zeer langzaam, het hoofd voorover, als in gedachten verzonken. Hij keek nog rechts noch links.

—Zullen wij?—vroeg Bibar, terwijl hij naar zijn geweer wees.

—Neen,—antwoordde Sandar. Die kerel heeft niets, dat kan men zoo wel zien.

Zij geneerden zich volstrekt niet meer om in mijn tegenwoordigheid over hun eigenlijk handwerk te spreken.

Omar reed voorbij zonder op te kijken, hij had begrepen dat dit het allerbeste was.

Na verloop van eenigen tijd zei Sandar:

—Daar komt er weer een.

—Alweer zoo’n kale jakhals!

—Maar moeten wij ze allemaal maar voorbij laten rijden?

—Ja, want ge moet bedenken dat onze schoten gehoord kunnen worden.

—Natuurlijk door de Skipetaren die hier verborgen zijn,—merkte ik onnoozel op. Die merken dan dat wij hier zijn en van plan om hen in de uitoefening van hun bedrijf te storen.

—Domkop,—grijnsde Sandar mij aan.

Nu naderde Osko. Ook hij nam het air aan van een zorgloos onbevangen mensch.

Hij zag er niet uit als een rijkaard, en hij kwam ook zonder ongelukken voorbij.

Nu moest Halef komen. Voor hem had ik alle reden tot bezorgdheid. Het was zeer wel mogelijk, dat zij zouden trachten hem uit den zadel te schieten om zich van het prachtige paard meester te Diaken. Wel is waar, zou ik het daartoe niet hebben laten komen en had ik hun beiden dan liever een kogel gegeven, maar het was toch beter dit te vermijden. Daarom moest ik trachten hun aandacht af te leiden. Ik keek tersluiks doch scherp naar den hoek vanwaar hij komen moest. Nu kwam hij in ’t zicht. De twee schelmen bemerkten hem nog niet—ik stond op.

—Waar gaat ge heen? vroeg Sandar ruw.

—Naar mijn paard, hoort gij niet dat het weer onrustig wordt?

—Loop naar den duivel met je paard. Je blijft hier!

—Ge hebt mij niets te bevelen,—antwoordde ik barsch en deed alsof ik weg wilde gaan. Toen sprong hij op en greep mij bij den arm.

—Blijf of ik geef je....

Een uitroep van Bybar deed hem verstommen. Deze had eerst naar ons gekeken, doch werd nu Halef gewaar.

—Stil, een vierde ruiter!—riep bij uit.

Sandar keek naar den straatweg,

—Júk gúrúltú—Duizend donders!—riep hij uit. Wat een prachtig paard! Dat is de vreemdeling, dat moet hij zijn!

—Neen, de ruiter is te klein!

—Maar het paard is een volbloed Arabier. Echt onvervalscht ras. O Allah! Hij vliegt als de wind.

Hij had woordelijk gelijk. De naam van mijn paard was Rih, en dit woord beteekent wind. Honderden malen had ik op zijn rug een wedstrijd gehouden met den wind, maar nooit gezien welk een prachtig gezicht het was, hem zoo in vollen ren gade te slaan.

Zijn lichaam raakte den grond bijna niet. Men zag geen beenen. De manen vlogen den ruiter om het gelaat, en zijn staart lag als een roer lang en recht achteruit. En toch zag ik dat dit voor Rih nog maar spel was. Wanneer ik in den zadel had gezeten, zou hij nog wel anders hebben gerend, wanneer ik namelijk had gebruik gemaakt van zijn geheim om hem tot uitersten spoed aan te zetten.

Mijn kleine dappere stond in de stijgbeugels geheel voorover. Zijn geweer en ook mijn beide vuurwapenen hingen hem over den schouder. Achter het zadel had hij den kaftan en mijn beide hooge rijlaarzen gebonden. Zijn eigen kaftan woei achter hem aan, gedragen door den luchtstroom die door de buitengewone snelheid van het paard ontstond. Hij reed prachtig, onberispelijk. De met groote en kleine steenen bezaaide weg leverde voor zulk een woesten rit tallooze moeilijkheden op. Een enkele misstap, en ruiter en paard braken den hals. Maar mijn Rih had nog nooit zulk een misstap gemaakt. Zijn scherpe blik, zijn elasticiteit, zijn buitengewone lenigheid kwamen ook nu weer op het voordeeligst uit. Wanneer de directeur van een vorstelijke stoeterij aanwezig was geweest, wie weet welk een hooge som hij mij voor den onberispelijken hengst had geboden.

En hoe lang duurde het, voor het paard met den berijder, van den hoek tot bij ons, waren gekomen? Het ging zoo verbazend snel dat men bijna geen tijd had om aan oogenblikken of seconden te denken. Nauwelijks had ik Halef gezien en die weinige woorden met Sandar gewisseld, of hij was al bij ons en vloog, als een pijl, door den hollen weg.

—Houdt hem! Schiet hem van zijn paard! Gauw, gauw!—riep Sander, terwijl bij naar zijn geweer greep.

Ook Bybar richtte het zijne, trachtte althans het te doen, want de snelheid waarmee het paard voorbij reed, liet er hem geen tijd toe. Ik had ook geen gelegenheid om het schieten te voorkomen. Er werd gevuurd voor ik het kon verhinderen, maar de kogels kwamen, wie weet hoever, achter Halef terecht.

—Hem achterna!—riep Sandar, die buiten zichzelf was bij de gedachte dat het kostbare beest hem zou ontgaan.—Daar ginds houdt het bosch op, en kunnen wij beter mikken!

Hij sprong van de steilte naar beneden en zijn broeder volgde hem, even opgewonden als hij; aan mij dachten zij niet meer. Nu zou ik tijd en gelegenheid hebben gehad om mij uit de voeten te maken. Maar dat mocht niet. Over Halef maakte ik mij niet bevreesd en toch ook wel weer over hem. Ik kon wel denken dat die drie op ongeveer tweeduizend pas niet zouden stilhouden maar in draf verder zouden rijden, en dan konden de Skipetaren hen ongemerkt inhalen en van hun paarden schieten. Wel is waar hadden de struikroovers geen schot meer op hun geweer, maar zij konden snel weer laden. Dus het eenige wat mij te doen stond was, hen te beletten weg te rijden.

Met één flinken sprong was ik bij hun paarden, en in minder dan geen tijd had ik deze losgebonden. Ik nam de zweep uit mijn gordel en sloeg naar hen. Eerst steigerden zij, en renden toen in volle vaart het bosch in, waar zij echter niet verder konden komen daar zij aan hun teugels moesten blijven hangen.

Nu kwam ik weer te voorschijn en riep den beiden Skipetaren toe: Sandar, Bybar, halt! De paarden hebben zich losgerukt!

Dat hielp, zij bleven staan. Zij wilden hun voortreffelijke paarden niet in den steek laten.

—Bindt ze dan weer vast!—riep Sandar terug.

—Maar ze zijn weggeloopen!

—Hel en duivel, waarheen dan?

—Weet ik het, vraag het ze zelf!

—O jou domkop!

Zij renden terug. In hun plaats had ik zulk een haast niet gemaakt, maar mij toch van het paard meester gemaakt.

Zij gingen het boschje in, op mij razend en scheldend. Sandar kwam het eerste boven. Met een enkelen blik overtuigde hij zich dat de paarden inderdaad weg waren. Toen viel hij tegen mij uit en brulde:

—Hond, waarom heb je ze niet vastgehouden?

—Ik heb, evenals gij, niet naar de paarden, maar naar den ruiter gekeken!

—Je hadt toch wel beter kunnen oppassen!

—Ze zijn door uw schoten verschrikt geworden. Waarom schiet gij ook op menschen die u geen stroobreed in den weg leggen! En bovendien, ’t waren niet mijn, maar ’t waren uw paarden. Ik ben uw knecht niet en behoef er niet op te passen!

—Durft ge dat te zeggen! Daar, dat hebt ge ervoor!

Hij had zijn geweer in de rechterhand genomen en de linker tot een vuist gebald, waarmede hij mij dreigde te slaan. Ik hief den arm op om te pareeren, maar had een steen die achter mij lag niet gemerkt en viel daardoor op den grond.

Nu hief hij de kolf van zijn geweer op en gaf mij een stoot op de borst dien ik slechts half kon afweren. Die stoot benam mij den adem; maar in het volgend oogenblik sprong ik op, pakte hem met beide handen in den gordel, hief hem in de hoogte en smakte hem tegen den stam van een boom, die op grooten afstand stond, waar hij bewusteloos bleef liggen.

Toen werd ik van achteren beetgepakt.

—Schoft! daar zult ge voor boeten!—riep Sandar die intusschen naderbij gekomen was. Hij had mij om het middel gepakt en wilde me optillen. Dat was nog nooit iemand gelukt. Ik zette mijn beenen ver van elkaar, trok de schouders in en haalde diep adem om me zwaar te maken. Ik voelde echter in het gewricht van mijn linkervoet een stekende pijn. De voet weigerde mij den dienst—ik had dien bij mijn val zeker bezeerd.

De Skipetaar, die achter mij stond, spande al zijn krachten in om mij op te tillen. Hij hijgde van woede en opgewondenheid. Zijn broeder lag bewusteloos onder den boom. Wellicht meende hij dat hij dood was en had het daarom op mijn leven gemunt. Ik voelde dat ik niet langer, door louter volhardingsvermogen, weerstand bieden kon. Het was dus noodzakelijk mij uit zijn greep te bevrijden. Daarom trok ik een mes en gaf mijn tegenstander een steek in de hand.

Hij liet los, brulde van woede en pijn, en gilde knarsetandend:

—Zoo, steek je, dan zal ik schieten!

Natuurlijk had ik mij gauw omgedraaid. Ik zag dat hij de pistolen uit zijn gordel nam. Beide hanen werden overgetrokken. Nog kon ik hem met den revolver voorkomen, maar ik wilde hem immers niet dooden. Hij hief het wapen op. Ik sloeg er tegen, juist toen hij op het punt stond te vuren. Het schot miste. Bliksemsnel gaf ik hem een tweeden vuistslag en wel precies op zijn neus, zoodat zijn hoofd achterover vloog. Met één greep had ik me meester gemaakt van het pistool, dat ik wegwierp.

Hij hield een oogenblik zijn handen voor zijn mond en zijn neus, die beide verwond waren. Toen uitte hij een schellen kreet en wilde op mij toespringen. Maar ik bukte me en pakte hem bij zijn dijbeenen, zoo stevig dat ik geloof dat mijn nagels hem in het vleesch drongen, en wierp hem achter mij neer. Ik keerde mij snel om en gaf hem nog een flinken slag tegen den slaap, zoodat hij met een langen, wegstervenden zucht het bewustzijn verloor.

Ik had inderdaad niet gedacht dat ik de beide Aladschy’s de baas zou blijven. Toen ik die reuzenlichamen daar voor mij zag uitgestrekt, kon ik mijn eigen oogen haast niet gelooven. Want zij waren vrij zeker beiden sterker dan ik, maar ik was vlugger geweest dan zij—ik was zeker van mijn greep, dien ik heusch niet bij de Derwischen had geleerd.

Ik onderzocht beiden. Dood waren ze niet—ze zouden weldra weer tot bewustzijn komen, en daarom was het raadzaam, te maken dat ik wegkwam. Om hen echter nog voor eenigen tijd onschadelijk te maken, nam ik hun de kruittasch af, die zij aan hun gordel hadden hangen, en sloeg hun geweren stuk.

Bij die gelegenheid gevoelde ik duidelijk, dat ik mijn voet had bezeerd. Had ik mij eerst mank gehouden, nu moest ik werkelijk hinkend naar mijn paard loopen, nadat ik eerst de gebedspantoffels van den kleinen Hadschi, die mij van de voeten waren gegleden, had opgeraapt en weer aangetrokken. Ik maakte het paard los, en bracht het naar een plek, waar ik gemakkelijk kon opstijgen. De pijn was door het loopen aanmerkelijk verergerd.

Nu mijn paard zich in beweging zette, haalde ik verruimd adem. Ik was met mijn reisgenooten aan een groot gevaar ontkomen en dankte dat de goede Nebatja. Wanneer ik haar een vertrouwden bode had kunnen zenden, dan had ik zeer zeker den Aladschy het haar afgestolen geld afgenomen en het aan haar teruggezonden. Nu moest ik het hun wel laten. Er bestond geen andere meer rechtmatige bezitter. En het aan de overheid overgeven? Daarvan had ik te Ostromdscha geen al te aangename ervaringen opgedaan. Met een zeker genoegen dacht ik er aan, wat de Skipetaren wel zouden zeggen, wanneer zij te weten kwamen, wie eigenlijk de domme Scheriff was geweest.

Nadat ik een poosje had gereden, hield het bosch op. De weg liep nu langs de bedding der rivier, deze laatste links latende liggen. Op niet al te grooten afstand zag ik Halef, Osko en Omar stil houden. Zij hadden mij dadelijk herkend en uitten luide vreugdekreten. Ik gaf mijn paard niet de sporen maar de pantoffels, en galoppeerde naar hen toe.

—O, Sihdi! wat hebben we om u in angst gezeten!—riep Halef mij al uit de verte toe.—Waar hebt ge toch gezeten?

—Daar ginder in het bosch, zooals ge nu hebt kunnen zien, want ik kom er uit.

—Dat dachten wij al dadelijk toen wij uw briefje lazen.

—Gij hebt dat toch weggenomen?

—Ja, maar ook weer op z’n plaats gestoken!

—Waarom?

—Uit plaagzucht! Wij dachten, of liever ik dacht, dat de schurken zich zouden ergeren als zij later bemerkten hoe wij het hadden aangelegd om hun een kool te stoven. Had ik daar geen gelijk in?

—Een fout is het niet, in elk geval vinden zij het briefje en zullen zich duchtig ergeren, te meer wanneer zij uit den inhoud opmaken, dat ik, op wien het eigenlijk gemunt was, gedurende verscheidene uren bij hen was.

—Wat! Zijt gij bij hen geweest!

—Ik heb met hen gesproken, gedronken en zelfs gevochten! En nu liggen zij bewusteloos in het bosch.

—Sihdi, dan moeten we toch heel gauw weer naar hen toegaan opdat ik ook een woordje met hen spreken kan.

—Dat is niet noodig, ze hebben van mij al meer dan genoeg gehoord. Ik heb door mijn vuist met hen gesproken!

—Toe, vertel ons dat dan toch!

—Ja, dadelijk, maar we kunnen inmiddels wel doorrijden.

—Kom, rijdt gij dan nu verder Rih!

—Neen, ik blijf in den zadel. En gij zult Rih berijden tot Radowitsch, als belooning dat gij hem zoo prachtig gereden hebt!

—Hebt gij mij dan gezien?

—Zeer goed zelfs! Gij zijt dicht langs ons heen gereden!

—En zat ik goed in den zadel?

—Prachtig, nog beter dan ik!

—Neen Sihdi, dat is spotternij! Gij moogt mij niet voor den gek houden!

—Nu dan zal ik alleen maar zeggen, dat ik u met groot genoegen heb gadegeslagen. Maar hebt gij ook gehoord dat men op u heeft geschoten?

—Neen, daarvan had ik geen flauw vermoeden.

—Alleen de vlugheid van uw paard heeft u gered. De beide Aladschy’s hebben op u geschoten. Zij wilden u van het paard schieten om dit te kunnen bemachtigen!

Hij hield zijn paard in en riep:

—Maar dan moeten wij noodzakelijk naar het bosch terugkeeren, opdat ik die twee schavuiten voor hun kogels kan bedanken. Maar ik zal hen met mijn zweep zoo toetakelen, dat zij er uitzien als een paar oude vaandels, die honderd veldslagen hebben meegemaakt.

—Bah! kom, kleintje! Die Aladschy’s zijn geen personen om mee te spotten. ’t Zijn ware reuzen en kunnen je met twee vingers wurgen.

—Dat zou ik dan toch wel eens willen zien! Maar wanneer gij denkt dat het beter is hen niet op te zoeken, dan gehoorzaam ik u. Misschien ontmoet ik hen nog wel eens op mijn weg, en dan zal ik hun eens toonen hoe wij met dergelijke lui omspringen.

Terwijl wij verder reden, vertelde ik mijn reisgenooten mijn ontmoeting met de Skipetaren. Zij luisterden natuurlijk aandachtig toe. Toen ik zweeg, zeide Halef:

—En gelooft ge, Heer, dat die lieve beste Bakadschi Toma zich nog daarginds te Radowitsch bevindt.

—Natuurlijk, anders waren wij hem stellig tegengekomen.

—Zullen wij hem niet eens opzoeken? Ik zou hem zoo gaarne mijn dank betuigen voor zijn gedrag. Men moet toch niet van mij kunnen zeggen, dat ik niet weet, hoe het hoort!

—Dat verwijt zal u niet treffen. Ik kan u de verzekering geven dat gij in veel andere gevallen, zeer beleefd zijt geweest, onder andere tegenover de Khawassen te Selim en tegen den Kodscha Bascha te Ostromdscha, die op zeer aangename manier kennis hebben gemaakt met uw zweep!

—Dus gaan wij hem niet opzoeken, Sihdi?

—Neen, maar wanneer wij hem toevallig tegen komen, doen wij juist alsof we hem niet kennen.

—Sihdi, dat strijdt eigenlijk tegen mijn gemoed. Zeg me tenminste, hoe lang wij te Radowitsch zullen blijven!

—Dat weet ik helaas nog niet precies! ’t Was in ieder geval het allerbeste dat wij, zonder er ons op te houden door het stadje konden rijden, maar ik moet eerst mijn voet onderzoeken. Misschien moet die worden behandeld en moet ik daarvoor blijven. Ik denk dat ik hem bij mijn val heb verstuikt en dat hij zal moeten worden verbonden.

—Als dat zoo is, Sihdi, moet die beste brave kerel maken dat hij niet onder mijn handen komt, want anders leg ik hem een verband om zijn rug, dat hem zijn leven lang zal heugen. Trouwens er waren daar in Ostromdscha wel al menschen, die ik graag zoo iets had toegediend!

—Wie waren dat dan?

—De beide broeders die ons vervolgden en onze aankomst boven bij de ruïne zouden melden!

—Die bij den herbergier Ibarek waren ingekwartierd?

—Ja. Zij moeten echter hun roes eerder hebben uitgeslapen dan wij dachten, want gij waart nauwelijks weg toen zij kwamen.

—Waar hebt gij hen gezien?

—Daar in denzelfden Konak waar wij zijn gebleven. Zij hadden geen flauw vermoeden van hetgeen er gebeurd was en zijn dadelijk naar boven gereden. Nadat zij daar niets dan puinhoopen hadden gevonden, kwamen zij in den Konak terug om berichten in te winnen. Gij kunt u voorstellen welke gezichten zij trokken, toen zij vernamen, wat er was geschied?

—Hebt gij met hen gesproken?

—Neen, zij hadden hun paarden in den stal gezet en waren toen verdwenen. Ze kwamen ook niet, voor ons vertrek, terug!

—Hm! Zij zullen inlichtingen hebben ingewonnen, misschien zien wij hen weer terug!

1 Beide beroemde rechtsgeleerde werken.

2 Een theologisch kommentaar in 24 deelen.

Achtste hoofdstuk.
Een Hekim.

Inhoudsopgave

De voet, dien ik in den strijd met de Aladschy’s had bezeerd, begon mij pijn te doen. Het was zeer noodzakelijk dien te onderzoeken. Daarom liet ik de paarden in galop zetten, om zoo spoedig mogelijk het doel van de reis te bereiken. Toen wij dicht bij Radowitsch weer vlak langs de rivier reden, zag ik een klein onooglijk huisje, en daarvoor zat een oude man die ons op opvallende wijze aankeek. Hij had iets aarzelends in zijn manier van doen.

Zonder er eigenlijk een bepaalde reden voor te hebben, hield ik mijn paard in en groette hem. Hij stond op en dankte mij eerbiedig, vermoedelijk ter wille van mijn groenen tulband.

—Kent gij ons misschien, vadertje?—vroeg ik hem.

—O neen, ik heb u nog nooit gezien!—antwoordde hij.

—Gij kijkt ons zoo vreemd aan! Hebt ge daar wellicht reden voor?

—Ik hield u voor booze, slechte Skipetaren.

—Zien wij er dan als Skipetaren uit?

—Zeker niet! Maar dat zwarte paard heeft mij in de war gebracht. Wanneer de ruiter die het berijdt, wat grooter van gestalte was, zou ik, ofschoon hij niet zoo gekleed is, toch denken dat ik de Skipetaren voor mij had.

—Welke meent gij dan?

—Och Heer, neem mij niet kwalijk, maar daar mag ik niet over spreken.

—Zoo, zoo! Maar ik verzeker je dat het geen enkel braaf mensch zal schaden als gij het ons zegt.

—Misschien toch wel! Want wanneer gij het verder vertelt, zou het den Skipetaren ter oore kunnen komen, en zouden deze die brave menschen nog maar vervolgen!

—Ik zal het aan niemand zeggen! Halef, geef dien ouden man een Bakschisch.

De Hadschi haalde de beurs te voorschijn en wierp den ouden man wat in den schoot.

De oude streek zich nadenkend over het gelaat en zeide toen beslist:

—Heer, gij zijt een afstammeling van den Profeet; ik zou u gaarne van dienst zijn, maar ik mag niet. Mijn geweten verbiedt het mij, want ik heb beloofd te zwijgen. Neem uw geld weer terug.

—Gij kunt dat gerust behouden, want ik zie dat gij arm zijt. Gij hebt naar het schijnt Skipetaren verwacht, die hier langs zouden komen?

—Zoo is het, Heer!

—En hoeveel Skipetaren zouden er komen?

—Vier. Een hunner die hooge laarzen draagt en een grooten zwarten baard heeft, zou op een Arabisch paard rijden. Is deze hengst ook niet een Arabier?

—Jawel!

—Dat dacht ik al, en daarom heb ik u voor die moordenaars aangezien!

—Maar wie heeft u dan gezegd, dat die Skipetaren zouden komen?

—Hm! dat mag ik niet verraden!

—Gij zijt een zeer stilzwijgend mensch!

—Ik zou misschien niet zwijgen, maar gij hebt iets bij u, wat mij zeer verdacht voorkomt.

—Zoo, en wat is dat dan?

—Die beide hooge laarzen, die daar achter aan den zadel zijn gebonden. Het paard is er en de laarzen zie ik ook. Nu ontbreekt alleen degeen die de laarzen dragen en het paard berijden zou. Wanneer gij geen gezegende afstammeling van den Profeet waart, dan——O, daar komt hij weer!

Een jonge man kwam aan en trad op het huisje toe.

—Wie is dat? vroeg ik.

—Mijn zoon, die den gids——O, maar daarover zou ik niet spreken!

Ik begon langzamerhand te begrijpen wat er aan de hand was.

In ieder geval had de Mubarek met zijn drie metgezellen hier halt gehouden, om den jongen man mee te nemen als gids, naar een plaats waarheen zij den weg niet nauwkeurig kenden. Daar zij meenden te mogen aannemen dat wij hier langs zouden komen en inlichtingen zouden inwinnen, wanneer het ons gelukte aan de Aladschy’s te ontkomen, hadden zij èn vader èn zoon wat wijs gemaakt, en ons waarschijnlijk als Skipetaren aangeduid. Ik hoopte dat de zoon wat spraakzamer zou zijn dan de vader.

Toen hij dichter bij kwam, zag ik dat hij een zeer verdrietig gezicht trok. Hij groette nauwelijks en wilde de hut binnengaan. De oude greep hem bij zijn kleeren en zeide:

—Waarom zegt ge niets? Hebt ge geen goede fooi gekregen?

—Wat fooi! Ik heb heel wat anders gekregen, maar geen fooi,—antwoordde de zoon die zeer ontstemd scheen. De menschen worden hoe langer hoe slechter! Zelfs heiligen kan men niet meer vertrouwen!

—Gij meent waarschijnlijk den ouden Mubarek?—vroeg ik hem.

—Hoe komt gij daarbij! Zijt gij misschien een goede kennis van hem?

—O neen, het tegendeel! Wij zijn de Skipetaren, voor wie hij u heeft gewaarschuwd.

—Allah, Allah,—riep de oude verschrikt uit. Dan was mijn vermoeden toch juist! Heer, ik hoop dat gij ons zult sparen, wij zijn doodarme menschen. Mijn zoon is mandenmaker, hij vlecht het riet, dat mijn kleinzoons daarginds aan de rivier snijden. Ik ben echter nergens meer toe nut, ik kan niet eens de teenen schillen, want zooals gij zien kunt, mijn handen zijn krom van de jicht.

Hij toonde mij zijn handen.

—Wees maar gerust!—antwoordde ik. Hebt gij ooit Skipetaren gezien, die den tulband van den Profeet dragen?

—Neen, nooit!

—Onder de Skipetaren is geen enkele, die van den Profeet afstamt, en ik kan dus geen roover zijn!

—Maar gij zeidet daareven toch, dat gij een der Skipetaren waart waarvoor men ons heeft gewaarschuwd.

—Dat zijn we, maar dat we Skipetaren zijn, is een grove leugen!

—Waar is dan de ruiter die op het paard hoort?

—Dat ben ik. Wij hebben de paarden verwisseld en ik trok andere kleeren aan, om door die menschen, die ik gevangen nemen wil, niet dadelijk te worden herkend! Gij schijnt echter geen aangename ervaringen van den Mubarek te hebben opgedaan.

De zoon tot wien deze vraag was gericht, antwoordde, maar zich tot zijn vader wendende:

—Ja, dat is zoo, maar niet alleen ik, ook mijn zwager. Hebt gij hun paarden gezien?

—Hoe kon ik dat? Ik sliep nog, want ’t was nog niet eens dag! De hut was nog geheel in ochtendnevelen gehuld. Wat is er echter met mijn schoonzoon gebeurd?

—Ze hebben hem bestolen!

—Allah, die arme stakker! Die bovendien nog pas kort geleden zijn vrouw, uw zuster en mijn dochter, heeft verloren. Wat hebben ze hem ontstolen?

—Het beste van zijn twee paarden!

—O hemel, ze hadden wel een rijker man zijn paard kunnen afnemen, dat zou Allah welgevalliger zijn geweest. En was er de Mubarek bij? Sedert wanneer zijn heiligen paardendieven geworden?

—Er zijn geen heiligen meer, zooals vroeger. Het is alles list en bedrog! Ik vertrouw niemand meer! Zelfs den vroomsten marabout of den voornaamsten Scheriff niet!

Bij het woord Scheriff wierp hij op mij een onderzoekenden wantrouwenden blik. Ik wist nu wat hij had ondervonden, en kon zoo denken wat er gesproken was geworden. Daarom zei ik tot hem:

—Gij hebt gelijk, er is veel list en bedrog in de wereld. Ik zal echter eerlijk en oprecht met u zijn. Ik ben geen Skipetaar en ook geen Scheriff, maar een Frank, die volstrekt geen recht heeft den tulband te dragen. Zie maar!

Ik nam den tulband af en liet hun mijn haar zien.

—Maar Heer!—riep hij verschrikt uit,—wat zijt gij onvoorzichtig. Gij waagt immers uw leven!

—O, zoo erg is het niet! In Mekka zou het gevaarlijker zijn dan hier, waar zooveel Christenen zijn!

—Gij zijt dus in het geheel geen Muzelman maar een Christen?

—Ik ben een Christen!

—En gij draagt het Hamaïl om den hals, dat men alleen in Mekka kan krijgen?

—Daar heb ik het ook vandaan!

—En toch zijt ge een Christen; dat kan ik haast niet gelooven!

—En toch zal ik het u dadelijk bewijzen, door u te zeggen dat uw Mohammed ver beneden onzen Christus, den Zoon van God, staat en knielen moet om dien te aanbidden. Zou een Muzelman zoo iets zeggen?

—Neen, nooit! Want gij hebt ons geloof aangetast, maar daarmede bewezen dat gij een Christen, een Frank zijt. Misschien zijt gij het wel die Manach el Barsha in den arm heeft geschoten!

—Wanneer moet dat gebeurd zijn?

—Gisteren avond bij de hut van den Mubarek!

—Daar ben ik ten minste geweest. Dus dezen man heb ik getroffen? Het was donker en ik kon de personen niet onderscheiden. Dus ook daarvan zijt ge op de hoogte?

—Zij spraken er voortdurend over! Gij zijt dus waarschijnlijk de vreemdelingen die den Mubarek en die drie anderen hebben gevangen genomen!

—Ja, dat zijn wij!

—Heer, neem mij dan niet kwalijk dat ik u beleedigde. Ik heb wel is waar niets dan kwaad over u hooren spreken, maar het kwaad dat slechte menschen over anderen spreken, zet zich gewoonlijk om in alles goeds. Gij zijt de vijanden van die dieven en bedriegers, en daarom zijt ge goede menschen.

—En stelt gij nu vertrouwen in ons?

—Ja, Heer!

—Vertel ons dan eens, hoe gij met die menschen in aanraking zijt gekomen.

—Gaarne, Heer. Stijg af en zet u neer op die bank. Vader zal wel plaats voor u maken en ik zal u vertellen.

—Dank u! Laat hem maar stil blijven zitten. Zijn haar is grijs en ik ben nog jong. Ook heb ik een pijnlijken voet, zoodat ik liever in den zadel blijf zitten. Vertel nu maar!

—Het was van morgen nog zeer vroeg, ik was juist opgestaan om mijn dagwerk te beginnen. De nevel hing nog dik en zwaar zoodat men nog bijna geen hand voor oogen zien kon. Daar hoorde ik ruiters aankomen, die voor mijn hut stil hielden en mij riepen.

—Kenden zij u dan?

—De Mubarek kende mij. Toen ik buiten kwam, zag ik vier ruiters die een met pakken beladen paard bij zich hadden. De een was de Mubarek en in een der anderen herkende ik, toen het wat lichter was geworden en wij reeds op weg waren, Manach el Barscha, de vroegere ontvanger der belastingen te Uskub. Zij wilden naar Taschköj en vroegen mij of ik den weg daarheen kende. Ik antwoordde toestemmend, en nu verzochten zij mij hen daarheen te brengen en beloofden mij een goede belooning van tenminste 30 piasters. Heer, ik ben een arm man en verdien anders nog geen 30 piasters in een heele maand. Ook kende ik den ouden Mubarek en hield hem voor een heilige. Daarom was ik gaarne bereid hen tot gids te dienen.

—Zeiden zij niet waarom zij naar Taschköj wilden?

—Neen, maar zij zeiden dat zij door vier Skipetaren werden achtervolgd, die natuurlijk niet mochten weten waarheen ik hen had gebracht.

—Dat was een leugen!

—Dat heb ik later ook gemerkt.

—En waar ligt dat Taschköj?

De naam beduidt rots- of steendorp, en daarom vermoedde ik dat dit plaatsje wel boven in de bergen zou liggen. De mandenmaker antwoordde:

—Het ligt bijna juist ten noorden van hier. Er is zelfs geen weg van Radowitsch daarheen, en men moet al heel goed bekend zijn in het bosch en in de bergen, om niet te verdwalen. Het dorp is klein en arm, en ligt ongeveer in de richting van Sbiganzy.

Sbiganzy! Dat was immers de plaats die ik noordwaarts van Radowitsch nog wilde bezoeken, om bij den vleeschhouwer Tschurak naar Derekuliba te vragen en nog iets naders omtrent den Shoet1 te vernemen. Zou de Mubarek daar wellicht ook heen willen? Misschien vonden wij daar het geheele nobele gezelschap bij elkaar!

—En hebben zij, voor ge hier vandaan gingt, u niet gezegd dat gij hen niet mocht verraden?

—Ja, de Mubarek vertelde mij dat hij onderweg door vier Skipetaren was overvallen, maar dat hij hun had weten te ontkomen. Zij hadden een bloedwraak tegenover hem en zijn begeleiders, en zouden hem waarschijnlijk wel volgen. Hij moest naar het Noorden, maar niet over Radowitsch, omdat hij daar niet wilde gezien worden daar de Skipetaren daar dan inlichtingen zouden kunnen inwinnen omtrent de richting waarin hij zijn weg had voortgezet. Hij beschreef u zeer nauwkeurig, zooals ik nu zie, ofschoon gij andere kleederen aan hebt en ook den hengst niet rijdt; wanneer gij hier langs mocht komen en naar hen vragen, moesten wij u geen aanwijzingen doen. Voor dit stilzwijgen gaf hij ons zijn zegen. Daarna braken wij op. Toen het wat lichter was geworden, zag ik dat het met pakken beladen paard, het paard van mijn zwager was, maar ik kon me vergissen en daarom zeide ik niets!

—Zagen de paarden van die menschen er niet ontzettend afgemat uit?

—Of ze! Toen zij hier voor de deur stil hielden, zweetten zij en stond hun het schuim op den bek!

—Dat kan ik denken, wanneer zij hier reeds zoo vroeg zijn aangekomen, moeten zij hard hebben gereden, wat bij nacht en langs een weg als dezen, vrij wat inspanning vordert! Maar ga verder!

—Zij reden allen. Ik alleen was te voet. Toch bleef ik hun altijd voor. Ik hoorde een groot gedeelte van het gesprek, dat zij op fluisterenden toon voerden. Eerst vernam ik dat zij slechts vier paarden hadden gehad. Ieder had een pak bij zich genomen. Toen zij echter waren aangeland bij de plek waar de weg over den brug gaat, zooals gij weet, hadden zij twee ruiters ontmoet, die hadden hun verteld dat mijn zwager twee paarden achter zijn huis had staan en onder den luifel voor het huis een pakzadel hing.

Ik begon te vermoeden, wie die zwager was en zeide:

—Ik ben daar ook langs gekomen en heb daar maar één huis met een luifel gezien. Als ik mij nog goed herinner, hing daaronder een rijzadel. Het was een soort herberg en lag rechts van de brug.

—Dat is het! Dat is ’t!

—Dus die waard is uw zwager.

—Ja, het is de man van mijn zuster, die kort geleden gestorven is.

—Dan ben ik bij hem geweest.

—Gij hebt hem dus gezien en gesproken!

—En dien armen man hebben zij bestolen? Toen ik er was stond er, voor zoover ik zien kon, maar één paard achter het huis.

—Dat is het andere. Hij had er twee. Ook had hij twee zadels een rij- en een pakzadel.

—Hebben zij niets van de twee ruiters gezegd, die zij ontmoet hadden?

—Ja, maar daar kon ik niet uit wijs worden. Zij spraken altijd van twee beesten! En dat zijn toch geen menschen, maar paarden.

—In dit geval waren èn menschen èn paarden bedoeld!

—Die beesten zouden iemand overvallen en dooden!

—Namelijk ons!

—U Heer, en waarom?

—Uit wraak! Die twee zijn namelijk beruchte Skipetaren, die alleen van roof leven!

—Zoo, zoo! En die Skipetaren hebben op u geloerd!

—Ja zeker!

—En toch zijt gij hier! Hoe zijt gij hun ontkomen?

—Door list. Doordien ik mij namelijk verkleed had. Ik ontmoette hen bij uw broeder en ben een paar uur met hen samen geweest. Nu echter zullen zij wel al weten, dat wij hen voor den gek hebben gehouden, en naar ons zoeken.

—Misschien komen zij ook hierheen!

—Best mogelijk!

—En als zij naar u vragen, wat moet ik hun dan antwoorden?

—Ik wil u niet tot leugen verleiden. Als zij hier komen, zeg hun dan dat wij hier zijn geweest en naar Radowitsch zijn gereden. Maar van alles wat wij nu bespreken, behoeft gij hun niets te zeggen.

—Neen Heer, daarvan vertel ik hun geen woord!

—Ga nu verder!

—Ik hoorde dus, dat zij mijn broer het paard en zadel afgenomen hadden en daarop hun bagage geladen hadden. Bijzonderheden verstond ik niet, daarvoor spraken zij te zacht, en er waren zelfs oogenblikken dat ik in het geheel niets kon verstaan. Maar toch hoorde ik genoeg om daaruit te besluiten dat de Mubarek een groote dief en roover moet zijn geweest. Het beste van hetgeen hij door roof had bemachtigd, was op het paard geladen, alles wat minder waarde had en veel plaats innam, had hij met zijn hut verbrand. Het meest verheugden zij er zich echter over, dat zij die beide andere schurken zoo te juister tijd hadden ontmoet. Zij beschouwen hun vervolgers, dus u, zooals ik nu weet verloren!

—Dan vergissen zij zich gelukkig geducht! Zij zullen ons niet ontkomen, want wij volgen hen op de hielen!

—O, als u dat eens mocht gelukken!

—Waarom?—vroeg ik.

—Omdat zij mijn broeder bestolen en mij mijn fooi hebben onthouden!

—Dat is sterk! Zijt gij tot Taschköj met hen medegegaan?

—O, nog een heel eind verder.

—Hoe ver is het daarheen?

—Wij hebben er vijf volle uren over gedaan!

—En waar zijn zij toen heengegaan?

—Zij wilden naar het dal der Bregalnitza, verder heb ik niet vernomen.

—Dan kan ik me voorstellen, waarheen zij wilden gaan! En hebt gij er niet op aangedrongen om uw loon te ontvangen?

—Natuurlijk! Zij waren zoo slim geweest om mij verder dan Taschköj mee te nemen. Dáár zou ik wel hulp hebben gevonden en hen hebben gedwongen mij te betalen. Maar ze hielden midden in het bosch stil, om mij te vertellen dat zij mij niet meer noodig hadden. Ik vroeg hen om mijn loon, maar zij lachten mij uit. Ik werd boos en vroeg het paard van mijn broeder terug. Toen sprongen zij van hun paarden, twee wierpen zich op mij en hielden mij vast, en de derde sloeg mij met zijn zweep. Ik moest het dulden, want ik kon tegen die drie niet op. Heer, nog nooit had iemand mij geslagen! Nu heb ik twaalf uur ingespannen geloopen. Mijn rug is stuk van de slagen. Ik heb een geheelen dag arbeid verzuimd, mijn tong kleeft aan mijn verhemelte van den dorst, ik heb ergen honger. In plaats van dertig piasters meê naar huis te brengen, heb ik geen duit meer. Wat moet ik eten en wat moet ik vader en de kinderen geven, als ik niets heb! Was ik thuis gebleven, dan had ik naar Radowitsch kunnen gaan om een paar manden te verkoopen. Daarvan hadden we dan tenminste voedsel kunnen koopen!

—Troost u!—zeide zijn vader.—Ik heb van dezen Scheriff, die helaas geen Scheriff is, vijf piasters gekregen. Gij kunt naar Radowitsch gaan, en brood koopen.

—Heer, ik dank u!—zei de mandenmaker.—Ik heb u voor een slecht mensch gehouden, maar gij doet ons niets dan goed. Ik zou u gaarne een dienst bewijzen!

Voor ik nog iets kon antwoorden, nam Halef het woord. Hij had zich in den zadel omgedraaid en was nu bezig aan mijn hooge laarzen die er zoo glad en rond uitzagen, alsof mijn beenen er in zaten.

Onder ons gesprek waren de kinderen van den mandenmaker terug gekomen, beladen met de teenen die zij hadden gesneden.

—Hebt gij honger, klein volkje?—vroeg hij.

De grooteren knikten, de kleinste begon echter te schreien. Dat gaat in Turkije al precies als bij ons. Wanneer men zoo’n kindje van twee jaar naar zijn eetlust vraagt, komen er dadelijk waterlanders.

—Nu, haal dan maar eens een mand!—beval de kleine Hadschi aan den vader van deze hongerige schaar.—Maar hij moet niet al te klein zijn!

—Waarvoor?—vroeg de man.

—Ik wil deze laarzen gaarne uitschudden.

De mandenmaker haalde een mand waaraan hij bezig was, en die reeds het een en ander kon bevatten. Hij hield dien in de hoogte. Nu schudde de Hadschi uit een der laarzen vruchten, vleesch en gebak in den korf, zoodat deze nagenoeg geheel gevuld was.

—Zoo!—zeide hij.—Geef nu uw kinderen te eten en dat Allah u zegene!

—Maar Heer!—riep de man uit, terwijl hij hem de hand kuste.—Is dat alles voor ons?

—Ja, zeker!

—Maar daar kunnen wij wel meer dan een week van eten!

—Nu, niemand zegt immers dat ge dat niet doen moogt. Bewaar het maar goed en eet, als ’t je blieft, de mand niet mee op.

—Heer, ik dank u! Uw hart is vol goedertierenheid en uw mond vloeit over van lieflijkheid.

—Dat wil ik nu niet bepaald zeggen. Al te vroolijk ben ik niet gestemd, maar mijn hart bloedt, als ik deze ledige laarzen aanschouw. In ieder daarvan was een gebraden hoen, zóó bruin en malsch als ze slechts in het Paradijs worden gebraden. Mijn geheele ziel hangt aan zulke hoenders, en dat ik van hen moet scheiden, vervult mijn ziel met treurigheid en mijn oogen met tranen. Daar deze hoenders nu toch eenmaal hun leven hebben moeten laten om opgegeten te worden, is het op stuk van zaken toch volkomen gelijk in wiens maag zij terecht komen. Proef ze dus met aandacht en eet ze met smaak, en bewaar de beentjes tot ik weer terug kom.

Hij sprak zoo ernstig en vol waardigheid dat wij in lachen uitbarstten.

—Maar Halef, hoe kwaamt ge er toch bij, zóóveel proviand mee te nemen en mijn laarzen voor voorraadschuur te gebruiken?

—Ik ben niet zelf op die kostelijke gedachte gekomen. Toen ik den waard wilde betalen, zooals gij mij hadt opgedragen, zeide hij dat hij ons schuldig was en wij niet hem. Voor den dienst namelijk dien wij zijn broeder Ibarek hadden bewezen. Hier blijkt alweer dat Allah iedere goede daad dubbel beloont, want ook bij Ibarek hebben wij niets mogen betalen!

—Ga verder!

—Ja, verder! Voorzichtigheidshalve had ik me zoo laten ontvallen dat gebraden hoenders mijn lievelingskostje waren....

—O jou ondeugd!

—Neem mij niet kwalijk, Sihdi! Men heeft den mond niet gekregen om te zwijgen maar om te spreken. De waard had een open oor gehad en het gebraden hoen in zijn gedachte opgeschreven. Toen ik nu ons goed bij elkaar pakte, bracht hij de beide hoenders met den wensch dat ik ze in welstand zou nuttigen. Toen zeide ik hem dat het iemand nog veel beter zou bekomen, wanneer hij bij het hoen nog andere spijzen gebruikte.

—Maar Halef, als dat toch waar is, verdient ge een pak slaag!

—Ik verdien uw dank, Sihdi, verder niets. Wanneer gij mij dien geeft, ben ik even tevreden, als ik het was toen de waard mij al de toespijzen bracht, die gij hier in dezen mand, in roerende eendracht, ziet bijeengevoegd.

—Gij hadt niets mogen aannemen!

—Neem mij niet kwalijk, Sihdi! maar als ik niets had aangenomen, hadden wij nu ook niets kunnen geven.

—Wij hadden toch wel wat kunnen geven!

—Maar niet iets wat den honger van deze kleinen dadelijk stillen kan. Overigens heb ik geweigerd, totdat ik er bijna mijn leven bij inschoot. Ik zeide hem dat ik daartoe uw vergunning noodig had en niets kon aannemen, omdat gij er niet meer waart. Ik maakte alle tegenwerpingen, die alle kaliffen bij elkaar maar kunnen uitdenken, maar de waard wilde zijn wil doordrijven. Hij verklaarde dat hij ’t niet mij, maar u ten geschenke gaf. Dat roerde mijn gevoelig hart, en ik gaf toe. Maar om me er nu volkomen buiten te houden, ging ik een eind weg. De goede gaven waren voor u bestemd, en daar de waard ze u niet zelf kon overhandigen, stelde ik hem, als uw plaatsvervanger en vertegenwoordiger uw laarzen ter hand en ging heen. Toen ik ze daarna tot mijn vreugde weer zag, waren ze dik en vet geworden, door allerlei heerlijke voortbrengselen uit de dieren- en plantenwereld. Ik betuigde den waard namens u, mijn dank in een welsprekende rede, stopte de laarzen van boven dicht en bond ze achter aan het zadel. Wanneer ik kwaad gedaan heb, verzoek ik u mij dit genadiglijk te willen vergeven!

Men kon niet boos worden op den goeden kleine. Ik was overtuigd, dat hij door geen enkel woord den waard tot het schenken van dit alles had bewogen, daartoe was Halef niet in staat, en daarvoor was zijn eergevoel te sterk ontwikkeld. Maar hij kibbelde graag een beetje met mij, en als ik daarop, inging, deed ik hem bijzonder veel genoegen.

—Ik zal je later wel zeggen, welke straf ik je er voor heb toegedacht,—dreigde ik hem. Ge zult u tenminste langen tijd moeten spenen van je lievelingsgerecht, want om uwentwil zal voorloopig geen hen van haar lieve kiekens worden van daan gehaald.

—O, ik wil ook wel met jonge haantjes tevreden zijn, Sihdi, en die zullen mij even goed smaken als dezen kleinen de appels!

De kinderen waren rondom de mand gaan zitten en hadden het allereerst naar de appels gegrepen. Het was een lust om te zien met welk een graagte zij toetastten. Den ouden man stonden van louter vreugde de tranen in de oogen. Zijn zoon had hem een stuk vleesch in de hand gedrukt, maar hij at niet. Hij vergat zichzelf uit louter vreugde dat zijn kleinkinderen zoo smulden, en zich te goed deden.

De mandenmaker gaf ons ieder de hand en zeide:

—Heer ik herhaal het, dat het mij hoogst aangenaam wezen zou, als ik u een dienst bewijzen kon. Is dat niet mogelijk?

—Ja, ik zou u zelfs wel gaarne om een dienst willen verzoeken.

—En dat is?

—Mij naar Taschköj te brengen!

—Gaarne! zeer gaarne! Wanneer, Heer?

—Dat weet ik nog niet. Kom morgen vroeg naar Radowitsch, dáár zal ik ’t u zeggen!

—Waar kan ik u vinden?

—Och, dat weet ik nog niet. Kunt gij mij geen konak zeggen waar men goed verblijven kan?

—Het beste zult u terecht kunnen komen in de herberg, “de Hooge poort”. Ik ken den waard en zal er u heenbrengen.

—Dat mag ik niet toestaan. Gij zijt vermoeid.

—O naar Radowitsch kan ik nog gemakkelijk gaan. In een kwartiertje zijn we er. Ik moet u bij den waard aanbevelen. Ik werk er soms en hij houdt van mij, ofschoon ik maar een arm man ben. Morgen vroeg zal ik dan bij u komen om te vernemen, wanneer gij naar Taschköj wilt gaan.

—Dat zal van mijn voet afhangen, dien ik bezeerd heb. Is er in de stad niet een goede dokter, dien men vertrouwen kan?

—Wanneer gij een chirurgijn meent, dan is er een die wijd en zijd beroemd is en alle verwondingen van menschen en dieren heelt. Hij kent zelfs het inenten tegen de pokken, wat verder niemand kent.

—Dat is zeer zeker een wonderdokter! Maar nu moeten wij nog afspreken, hoeveel gij verdienen moet.

—Waarmede, Heer?

—Met ons naar Taschköj te brengen.

—Heer, daarvoor wil ik niets hebben!

—En ik wil het niet voor niets hebben.

—Gij hebt mij reeds zooveel gegeven!

—Dat was een geschenk. Maar het andere moet gij verdienen. Ge moet het een niet met het ander verwisselen.

—Maar ik kan toch geen geld van u vragen! Ik zou mij dood schamen.

—Nu goed, dan zal ’t geen loon, maar alleen een fooi zijn. Ik zal het aan uw vader geven.—Ik wenkte Halef mij mijn brieventasch en mijn beurs te geven, en verzocht den ouden man naderbij te komen. Toen hij vijftig piasters in zijn gekromde vingers zag, was hij buiten zichzelf van vreugde, en wilde mij het grootste deel van ’t geld terug geven.

—Ik wil geen piaster terug hebben!—zeide ik beslist.

—Dan weet ik niet, hoe ik u danken zal!—antwoordde hij. Moge het den dokter gelukken, uw voet spoedig te genezen!

—Dat willen we hopen! Maar zeg eens, Küfedschi, hoe heet die beroemde dokter?

—Zijn naam is Tschefatasch.

—O hemel, wanneer zijn kennis verband houdt met zijn naam, dan dank ik voor zijn hulp!

Tschefatasch beduidt namelijk, Steen der martelaren!

—Gij behoeft niet bevreesd te zijn!—troostte mij de mandenmaker. Hij zal u namelijk toch niet zijn naam, maar wel een pleister op den voet leggen. En die kunst verstaat hij bij uitstek.

—Kom, wanneer gij dan met ons mee wilt gaan, laten we dan op weg gaan!

Hij stak wat eten bij zich om dat onderweg te verorberen, en wij braken op. In een kwartier hadden wij de stad bereikt en onze gids bracht ons in een eenvoudige maar zindelijke herberg, waarvan de eigenaar mij met veel verontschuldigingen en plichtplegingen mededeelde, dat hij maar één klein vertrekje, dat aan de gelagkamer grensde, te mijner beschikking had. Het kwam in deze streken, maar zoo hoogst zelden voor, dat een reiziger een afzonderlijk vertrek verlangde. Men kon dat in de geheele stad niet vinden, en ook zijn kamertje moest eerst schoongemaakt en opgeknapt worden, waarom hij mij verzocht in de gelagkamer te willen blijven.

Ik was daarmede zeer tevreden en steeg af. O wee! mijn voet was opgezwollen. Ik kon er niet zonder hevige pijn op staan en moest me stevig aan Osko vasthouden.

Toen wij de gelagkamer binnentraden was daar niemand. Ik zette mij achterin in een hoek, dicht bij de deur die naar het voor mij bestemde vertrekje leidde. Halef, Osko en Omar gingen naar buiten, om voor de paarden te zorgen. Ik had er onderweg niet aan gedacht mijn vermomming af te leggen. Bij een fanatieke bevolking zou dat zeer gevaarlijk zijn geweest, hier echter had het niet veel te beduiden.

De mandenmaker bood aan, den dokter te gaan halen, wat ik gaarne aannam. Hij was juist de deur uitgegaan toen een gast binnentrad.

Ik zat met den rug naar de deur en keerde mij half om, om naar den man te zien. Het was niemand anders dan.... de Bokadschi Toma, de boodschapper die ons aan de beide schavuiten had verraden.

—Nu, pas maar op dat de Hadschi je niet te zien krijgt, dacht ik en keerde mij weer om, daar ik niets met hem te maken wilde hebben. Hij dacht er echter niet zoo over. Misschien had hij zin in een praatje. Ik was de eenige dien hij vond, en daarom bleef hij na eenig aarzelen op zij van mij staan en vroeg:

—Zijt gij hier vreemd?

Ik deed alsof ik de vraag niet had gehoord.

—Zijt gij hier vreemd?—herhaalde hij luider.

—Ja,—antwoordde ik nu.

—Slaapt gij hier?

—Dat weet ik nog niet!

—Waar komt gij vandaan?

—Uit Stamboel!

—O, uit de hoofdstad, het afschijnsel van alle heerlijkheden der aarde! Gij zijt wel een gelukkig mensch, zoo in de nabijheid van den Padischa te wonen.

—Zijn nabijheid maakte alleen goede menschen gelukkig.

—Meent gij dat daarginds veel slechte menschen zijn?

—Evenals overal!

—Wat zijt gij dan?

—Een schrijver!

—Dus een geleerde. Met zulke menschen spreek ik gaarne!

—Maar ik niet met anderen.

—Allah! wat zijt gij terugstootend. Ik wilde u al vragen of het vergund was bij u te gaan zitten!

—Vergund is het wel, maar het zal u niet aangenaam zijn.

—Waarom niet?

—Mijn gezicht bevalt niet aan iedereen.

—Dan zal ik eens zien of het mij bevalt.

Hij zette zich aan de tafel op de bank tegenover mij.

Het gezicht dat hij trok is niet te beschrijven. Ik had den tulband nog op het hoofd en den bril nog op den neus; dat bracht hem in de war, ofschoon mijn gezicht in het geheel niet veranderd was. Hij sperde zijn mond open, trok de wenkbrauwen saam en zijn oogen rustten op mij met een uitdrukking, zoo allervermakelijkst, dat ik moeite had om niet in lachen uit te barsten.

—Heer,—Effendi,—wie—zijt gij?—vroeg hij.

—Dat heb ik u reeds gezegd.

—Hebt gij de waarheid gezegd?

—Durft gij mij van liegen te verdenken?

—Neen, om Allah’s wil, neen, want ik weet dat—dat gij—Hij kon niet verder komen van angst en twijfel.

—Wat is er dan? Wat weet gij van mij?

—Niets, niets! Heelemaal niets, dan dat gij een schrijver zijt en in Stamboel woont.

—Wat praat ge dan voor dwaasheid?

—Dwaasheid? Ach Heer, maar dat is toch heelemaal geen wonder, want gij schijnt degeen te zijn, waarvan ik denk dat hij degeen is, van wien—O Allah, gij hebt groot gelijk. Ik ben heelemaal in de war, maar die gelijkenis is dan ook al te groot.

—Op wien gelijk ik dan zoo?

—Op een dooden Effendi!

—Zoo, en wanneer is die gestorven?

—Vandaag... onderweg.

—Dat is zeer treurig, wanneer een geloovige onderweg komt te sterven. Dan kunnen de zijnen in de ure des doods niet eens voor hem bidden. Waaraan is hij gestorven?

—Hij is vermoord geworden!

—Verschrikkelijk! Hebt gij zijn lijk gezien?

—Neen, Heer!

—Dus heeft men u alleen verteld dat hij dood is?

—Zoo is het!

—En wie heeft hem vermoord?

—Dat weet men niet. Hij lag midden in het bosch, tusschen hier en Ostromdscha.

—Ik ben door dat bosch gekomen. Hoe komt het dat ik dan niets van dien moord heb vernomen? Heeft men hem willen berooven?

—Neen, het moet uit wraak zijn gebeurd!

—Misschien een bloedwraak?

—Een andere. Deze onvoorzichtige man heeft in Ostromdscha een formeelen opstand in het leven geroepen, de menschen tegen elkander opgestookt en ’s nachts zelfs de hut van een vromen man in brand gestoken.

—Dat is zeer zeker een misdaad, die Allah nooit zal vergeven!

—O, die man gelooft niet aan Allah. Het was een Giaur, een Christen die varkensvleesch eet.

—Dan wacht hem de hel.

—Uit wraak heeft men op hem geloerd en hem vermoord.

—Was hij alleen?

—Neen, er waren er nog drie bij hem.

—En waar zijn die dan gebleven?

—Verdwenen! Men vermoedt dat zij eveneens zijn vermoord.

—En waar heeft men zijn lijk gelaten?

—Dat weet ik niet!

—Zonderling, en op dien ongelukkige gelijk ik?

—Gij lijkt sprekend op hem, zoowel wat de houding als gezicht betreft, alleen is uw haar en baard veel korter en lichter!

—Dus bestaat er tusschen hem, den Giaur, en mij, den Scheriff, althans een onderscheid waarover ik mij van harte verheug. Maar wie zijt gij eindelijk?

—Een Bokadschi uit Ostromdscha!

—Gij moet dus alles vrij nauwkeurig weten. Maar—hm, ik hoorde vandaag onderweg, dat er twee Skipetaren zijn, die berucht zijn in den omtrek. Hebt ge daar wel eens van gehoord?

—Ja, want wij boden hooren van alles!

—En kent gij ze?

—Neen, Heer! Hoe kan een eerlijk man roovers kennen? Wat is er met hem aan de hand?

—Zij zijn van morgen gezien geworden in de nabijheid van Ostromdscha!

—Dan zij Allah deze streek genadig!

—Er was ook een Bokadschi bij hen. Ik meen dat hij Toma heet.

De bode sidderde van schrik; ik vroeg echter kalm:

—Kent gij dien misschien?

—Zeer goed. Hij is,—een kameraad van mij!

—Dan moogt ge hem wel waarschuwen, als gij hem ontmoet, want de politie zoekt dien man.

—Allah, w’ Allah! en waarom dat?

—Omdat hij medeplichtig is aan den moord, want hij heeft dien Christen verraden—aan de beide Aladschy’s, de moordenaars. Hij heeft hun den tijd gezegd, waarop de vreemdelingen Ostromdscha wilden verlaten.

—Is——is dat waar? stotterde hij

—De vermoorde heeft het zelf gezegd.

—Kan een doode dan spreken?

—Hij is niet dood, hij is niet vermoord. Niemand weet zelfs dat hij vermoord zou worden, dan gij alleen, Toma!

De bode sprong van schrik op.

—Gij kent mij dus?—riep hij ontsteld.

—Ja, wel zeker, en die dáár kennen u ook!

Ik zette den tulband en den bril af, en wees naar de deur waardoor Osko, Omar en Halef juist binnen kwamen. De man stond een oogenblik als versteend van schrik, want nu herkende hij mij.

—Ik moet weg! Spoedig weg. Ik heb nog zeer dringende zaken te doen.

Hij sprong naar de deur, maar Halef had hem al bij den kraag gepakt.

—Waarom wilt gij ons zoo spoedig verlaten, waarde vriend?—vroeg hij op vriendelijken toon.

—Omdat ik nog zooveel te doen heb!

—Ik dacht dat gij alleen boodschappen meenaamt naar hier. Dus gij belast u ook met opdrachten van hier naar Ostromdscha?

—Jawel! Maar houdt me nu niet langer op!

—Ge zoudt ook wel iets voor mij kunnen meenemen!

—Naar wien?

—Dat zal ik wel voor je opschrijven.

—Wat is het?

—Een groet, alleen een groet!

—Daarmede zal ik me gaarne belasten, maar laat me dan nu heengaan!

—Maar dat gaat niet. Ge moet toch wachten tot ik den groet heb opgeschreven en het adres daaraan heb toegevoegd.

—Duurt het lang?

—Volstrekt niet. Ik maak bij zulke vriendschaps-betuigingen nooit heel veel complimenten. Ik heb ook geen papier of inkt noodig, want ik schrijf op onbereid perkament. Het bodenloon voeg ik er dadelijk bij. Het potlood heb ik in den stal. Dus zult gij de moeite moeten nemen om met mij daarheen te gaan, mijn waarde Toma. Kom!

De bode keek den kleinen man onderzoekend aan. Hij vertrouwde hem blijkbaar niet best, maar Halef sprak zoo buitengewoon vriendelijk! Hij volgde hem dus naar buiten, en Omar en Osko gingen glimlachend met hen mede.

Ik kon van mijn plaats, door het open venster waarin geen ruiten waren, nagenoeg de geheele binnenplaats overzien. Ik zag hen met hun vieren daarover heen gaan, en achter een deur, waarschijnlijk de staldeur, verdwijnen, die daarna werd gesloten.

Na eenige oogenblikken hoorde ik in de verte de geluiden, die men heden ten dage alleen nog in China en Turkije te hooren krijgt, die onbeschrijfelijke tonen, die worden voortgebracht, wanneer een zweep in aanraking komt met de menschelijke huid.

Toen ging de deur weer open en de bode trad naar buiten. Zijn houding was niet zeer imponeerend, zijn gang leek op dien van een oerang oetang, die zonder stok op de beenen moet blijven, de knieën naar voren gebogen, de borst kromgedrukt en het hoofd daarover heen hangend.

Hij was blijkbaar niet erg nieuwsgierig, welken indruk deze dramatische uittocht maakte, want hij keek in ’t geheel niet om, maar ging stil zijns weegs.

De drie wrekers kwamen dadelijk weer bij mij.

—Het noodlot heeft hem hierheen gevoerd!—zei Halef, terwijl hij zich over zijn baard streek en tevreden glimlachte.—Wat zei de kerel wel, Sihdi, toen hij u zag?

Ik vertelde het.

—Zoó’n brutale kerel! Nu mag hij de dertig groetenissen, die ik hem heb opgedragen mee te nemen naar Ostromdscha, daar uitdeelen aan wien hij wil.

—Verweerde hij zich niet?

—Hij had daar wel eenigen lust in, maar ik zeide hem heel vriendelijk en deelnemend, dat hij, wanneer hij tegenspartelde, er vijftig kreeg; ging hij gewillig op den grond liggen, dan kreeg hij er maar dertig. Hij was zoo wijs het laatste te kiezen. Maar ik heb er voor gezorgd dat die dertig groetenissen minstens evengoed in zijn geheugen zullen zijn geprent als vijftig. Zijt gij ’t met mij eens, Effendi?

—Ditmaal, ja!

—Ik wilde dat het noodlot mij eens meer zoo gunstig was, als het zulke schelmen betreft. Er zijn er nog verscheidene anderen, die ik ook nog wel gaarne eens de keus tusschen dertig of vijftig zou willen laten. Ik wil hopen, dat ik te gelegener tijd nog eens den een of ander ontmoet. Maar hoe is het met uw voet, Sihdi?

—Niet al te best. Omar moet maar eens gaan zien of hier ergens in de stad ook gips te krijgen is en dan ongeveer vijf liter daarvan meebrengen. Haal gij in dien tijd een emmer met water waar ik mijn voet in kan zetten, en trek dan mijn buis uit.

Nu kwam de mandenmaker terug, die mij mededeelde dat hij lang had moeten zoeken vóór hij dokter “Martelsteen” had gevonden. Dit heerschap had het erg druk, maar zou dadelijk komen.

Ik dankte hem voor zijn moeite, gaf hem nog wat tabak en liet hem toen naar huis gaan.

Halef bracht me het water. Toen ik nu den gezwollen voet onderzocht, bemerkte ik dat ik dien, hoewel gelukkig niet ernstig, had verstuikt. Ik had het gewricht wel weer zelf op de rechte plaats kunnen brengen, maar wilde er toch maar liever een dokter bij hebben. Een kleine misgreep kon me misschien noodzaken langeren tijd hier te blijven. Ik zette intusschen mijn voet in het koude water.

Eindelijk kwam de dokter. Maar ik had hem eerder voor een Chineeschen brievenbesteller dan voor een Europeesch geneesheer gehouden.

Hij was klein van gestalte en tamelijk dik. Hij had wangen blozend als appeltjes, zijn kleine eenigszins scheef liggende oogen, wezen er op, dat de bakermat van zijn geslacht had gehangen aan den stang van een Mongoolsche tent. Op zijn glad geschoren hoofd droeg hij, ver naar achteren geschoven, zoodat zijn geheele voorhoofd bloot kwam, een oude versleten Fez, die in plaats van een kwast met een bundel roode, blauwe en gele sigarenbandjes was versierd. Zijn korte kaftan reikte hem slechts tot aan de knieën en scheen uit één grooten zak te bestaan, want hij stond naar alle kanten, van boven en van onderen, links en rechts, van voren en van achteren, wijd uit. Deze bevatte de wandelende apotheek van den dokter.

Ten overvloede hing een tamelijk groote verbandmand aan riemen over zijn schouder en bevatte zijn kostbare instrumenten.

Hij droeg dikke wollen kousen, met dubbele vilten zolen, en daaroverheen pantoffels, die men veilig de zevenmijls pantoffels had kunnen noemen.

Toen hij binnen kwam, deed hij deze laatste uit en trad op zijn kousen op mij toe.

Daar ik met mijn voet in ’t water zat, begreep hij natuurlijk dadelijk dat ik degeen was die zijn hulp behoefde. Hij maakte een buiging en ik beantwoordde zijn groet, zoo goed en kwaad als dat ging. Hij maakte de mand los, zette die op den grond en vroeg:

—Spreekt gij gaarne veel?

—Neen!—antwoordde ik kortaf.

—Ik ook niet! Dus korte vragen en korte antwoorden. Dan zijn we spoedig klaar!

Zooveel energie had ik bij den kleinen dikkert niet gezocht. Hij keek me van onder tot boven aan, en begon toen:

—Gij zijt toch den man niet met een voet?

—Neen, met twee voeten.

—Wat! Alle twee gebroken?

Hij had mijn grap niet begrepen.

—Neen, een, den linker.

—Dubbel gebroken?

O wee! Hij sprak van een saamgestelde breuk! Waarom niet een tiendeelige! Dat was echter zijn zaak. Hij kon moeilijk van mij verlangen dat ik op de hoogte der verwonding wezen zou.

—Alleen verstuiking,—antwoordde ik.

—Steek uw tong uit!

Dat was nu nog mooier! Maar ik deed wat hij vroeg en stak mijn tong uit. Hij bekeek en betastte dien, schoof hem naar links en naar rechts, en merkte toen hoofschuddend op:

—Een gevaarlijke verstuiking!

—Neen, slechts een lichte!

—Stil! Ik zie het aan de tong. Wanneer is het gebeurd?

—Drie, hoogstens vier uur geleden!

—Dat is al veel te lang geleden! Daar kan heel licht bloedvergiftiging bij komen!

Ik had hem bijna in zijn gezicht uitgelachen, maar ik bedwong me en verwonderde er mij alleen over, dat het woord bloedvergiftiging, ook al in het Turksch, burgerrecht verkregen had.

—Hebt gij pijn?—vroeg hij.

—O, dat is wel uit te houden.

—En eetlust?

—Een uitstekende, dat verzeker ik u.

—Goed, goed. Dan komt gij het wel te boven, maar laat nu uw voet zien.

Hij ging op zijn hurken zitten, maar daar hem dit niet heel gemakkelijk viel, zette hij zich naast den emmer op den grond, en ik legde heel vertrouwelijk mijn voet in zijn schoot.

Hij betastte dien eerst zacht, daarna al harder en harder met de vingertoppen, knikte en vroeg mij:

—Schreeuwt gij gauw?

—Neen.

—Des te beter.

Een vlugge greep, een krachtige ruk, een licht knersen der botten—toen keek hij mij glimlachend aan en vroeg:

—Nu, hoe was dat?

—Heerlijk.

—Nu, dan zijn wij klaar!

—Heelemaal?

—Neen, nu nog verbinden.

Als chirurg was hij zeer zeker een flink kereltje. Wie weet hoe een ander mij zou hebben geplaagd en gemarteld, alleen om de zaak ernstiger te doen schijnen en daardoor een grooter honorarium te kunnen bedingen.

—Waarmee verbinden?

—Met planken. Waar is hout?

—Daar houd ik niet van.

—Waarom niet?

—Dat deugt niet.

—Wat deugt niet, wilt ge soms planken met goud en briljanten?

—Neen, ik wil een gipsverband.

—Gips, gips. Ben je nu heelemaal gek, gips smeert men op muren, maar niet op een been.

Dit was zijn zwakke zijde, maar ik was in Turkije.

—En met gips maakt men ook prachtige verbanden.

—Dat zou ik wel eens willen zien.

—Dat kan gebeuren, ik heb gips laten halen.

—En hoe zult gij dat aanleggen?

—Heb nu maar geduld, dan kunt gij het zien.

—En als ge nu geen gips kunt krijgen?

—Dan maak ik een verband uit klei.

—Klei!—riep hij uit. Nu wilt ge mij toch wat wijs maken.

—Volstrekt niet.

—Denk ook maar niet, dat dit u mogelijk zou zijn.

—Als ik maar wilde!—riep ik lachend uit.

—Wat denkt ge wel, ik ben een geleerde.

—Ik ook.

—Waarin hebt gij gestudeerd?

—In alles,—antwoordde ik kortaf.

—En ik zeker nog driemaal meer, ik ken het geheele Dispensatorium van Sabur Ibu Saheli.

—En ik ken het geheele geneeskundige boek van Abd al Meschid uit het hoofd.

—Ik ken het niet alleen uit het hoofd, maar het zit mij in vleesch en bloed. Een verband van gips of klei! Gips is meel en klei is week en vloeibaar. Een verband moet vast en stevig zijn.

—Maar gips en klei worden vast en stevig. Gij zult er verbaasd over staan; trouwens een verband mag nog niet worden aangelegd, eerst moet ik natte omslagen hebben, totdat de zwelling heeft opgehouden en de pijn minder is geworden. Begrijpt gij?

—Allah, gij spreekt als een geneesheer!

—Dat weet ik wel, ik versta de kunst ook.

—Breng dan uw voet zelf weer in orde, als gij dien hebt verstuikt. Waarom hebt gij mij dan laten roepen?

—Om u mijn tong te laten zien.

—Dan is een rundertong nog wel zoo groot en belangrijk. Maar bedenk wel, dat mijn bezoek tien piasters kost. Gij zijt een vreemdeling en betaalt dus dubbel. Begrepen?

—Hier hebt gij twintig piasters, maar doe mij nu het genoegen en kom niet weer terug.

—Ik denk er niet aan. Ik heb aan deze eene keer meer dan genoeg!

Hij wierp het geld in een sleuf van zijn kaftan, hing de mand weer over den schouder en ging naar de deur. Daar deed hij zijn pantoffels weer aan, en wilde juist heengaan zonder groeten, toen Omar binnenkwam met een emmer in de hand.

De dokter bleef stilstaan, keek naar den inhoud van den emmer en vroeg:

—Wat hebt gij daar?

—Altschy—gips.

—Dat is dus de gips, waarvan de planken gemaakt moeten worden? Wat een dwaasheid, wat een onzin! Dat is toch de grootste nonsens, die men bedenken kan! Zoo iets kan alleen in het brein van een gek opkomen!

Nog hield Omar de deur, in wier opening hij stond, open. Nu deed hij die achter zich dicht, zoodat de dokter er niet uit kon, zette den emmer neer en pakte den geneesheer bij de armen zeggende:

—Wel dikkert, wie zijt gij nu eigenlijk?

—Ik ben de dokter! Begrepen?

—Nu, ge zijt misschien een zeer bekwame kwakzalver. Maar wat hadt ge nu eigenlijk te vertellen van dwaasheid, onzin en nonsens? Onze Effendi verlangde die gips, en weet altijd opperbest wat hij doet. Duizend van die kwasten als gij zijt, hebben niet zooveel verstand, in al hun leege hoofden samen, als hij in één enkel haar! Wanneer gij hem zulke woorden durft toevoegen, zoudt gij nog wel terecht kunnen komen, waar gij liever niet wilt wezen! Men ziet dadelijk dat ge o, zoo dom zijt!

Dat werd den man der wetenschap toch te veel. Hij rukte zich los van Omar, deed een paar passen achteruit, haalde diep adem, en barstte los, alsof zijn longen met kruit waren geladen:

—Wat—, wat—moet ik je doen, met mijn muts je den mond stoppen?—Daar dan, zoon van een aap, kleinkind en achterkleinkind van een baviaan!

Hij rukte zich de muts van het hoofd en wierp dien Omar in het gelaat. Deze raapte hem op, greep met de andere hand den emmer en vulde de muts met aangemengd gips.

—Daar heb je het bedeksel van je ongelukkige verstand weer terug!


Daar heb je het bedeksel van je ongelukkig verstand weer terug. (Bladz. 125).

En hij wierp hem het met gips gevulde hoofddeksel in het aangezicht, dat rood was van toorn. De gips vloog uit de Fez, en in het volgend oogenblik zag de dokter er uit, als een uit peperkoek gekneed kerstmannetje. De gips was ook op zijn oogen terecht gekomen. Hij veegde en veegde, stampte met de voeten, verloor zijn pantoffels en schreeuwde of hij vermoord werd, trok, toen hij eindelijk weer kon zien, de riemen van zijn mand en wilde Omar daarmede naar het hoofd gooien. Deze was daarop echter voorbereid en ving de mand op. Daarbij ging het deksel open en de geheele inhoud: tangen, scharen, pincetten, zwachtels, doozen en allerlei voorwerpen, rolden op den grond, natuurlijk ook het voornaamste instrument dat een oostersch geneesheer gebruikt, de klisteerspuit niet te vergeten.

De vlugge Arabier bukte handig en begon den dokter met al deze voorwerpen te bombardeeren. Deze wist in zijn woede niet anders te doen dan de wet der wedervergelding in praktijk te brengen. Hij nam eenige dezer voorwerpen, die tegen zijn lichaam terecht waren gekomen, weer op en wierp ze met geweld naar Omar terug, onder het uiten van allerlei vloeken en scheldwoorden, waarin hij het bijzonder ver scheen te hebben gebracht, maar die nagenoeg niet zijn weer te geven.

Gips droogt, zooals bekend is, zeer snel. Reeds na verloop van een paar minuten was het een steenharde massa. Hier ging dit natuurlijk nog eens zoo gauw, daar al het vocht in zijn kleeren trok. Toen zijn bovenkleeren geheel wit waren geworden, staakte Omar het bombardement.

—Zie zoo! nu hebt ge genoeg gehad. Raap nu je rommeltje maar netjes bij elkaar. De kuur is geëindigd. Sta maar op!

De dikke wilde van den stoel opstaan, maar zijn kleederen die geheel stijf geworden waren, belemmerden hem daarbij. Dat was ook de reden waarom ik niet tusschenbeiden was gekomen. De mogelijkheid om van gips een verband te maken, was hem nu proefondervindelijk bewezen.

—Ik kan niet opstaan! Ik kan niet opstaan!—riep hij uit, zijn tien vingers, wijd uitgespreidende.—Mijn kaftan is van glas! Mijn kaftan breekt!

Halef nam de fez bij de sigarenlintjes beet, en hield hem die voor.

—Kijk eens hoe mooi je hoofddeksel is geworden! Wat zegt ge daar nu van!

De Fez was bikkelhard geworden; ’t was grappig om te zien!

—Mijn muts! mijn muts!—schreeuwde de dikke. Ik heb die van jongs af gedragen en nu wordt hij door zoo’n ongeluk van een mensch ontheiligd! Geef hier!

Hij wilde er naar grijpen, maar toen hij zijn arm ophief brak de gips.

—Hebt gij ’t gezien? Hebt gij ’t gehoord. Mijn lichaam brokkelt af. Ik voel dat ik ook innerlijk in stukken breek. Gij hebt mij tot een voorwerp van afschuw en spot gemaakt. Ik ben een verloren man en gij kunt me wel dadelijk laten brengen naar het kerkhof waar de cypressen over mij zullen treuren! O Allah, Allah, Allah!

Zijn toorn was in weemoed overgegaan. Het verlies zijner sierlijkheid en lenigheid van gestalte ging hem zeer ter harte. Reeds stonden allen op ’t punt zijn weemoedige ontboezeming met een hartelijk gelach te beantwoorden, toen ik met een handbeweging stilte gebood en hem antwoordde:

—Jammer en treur niet, Hekim. Uw verdriet zal zich omzetten in vreugde, wanneer gij beseft welk een gewichtige ontdekking gij hebt gedaan en welke nuttige ondervinding gij hebt opgedaan!

—Ja, ik heb wel ondervinding opgedaan, maar voor mij van weinig gewicht. Ik heb geleerd, dat men zich niet moet afgeven met menschen zonder eenige beschaving!

—Meent gij dan misschien, Hekim, dat men die bij u vinden kan?

—Ja, want ik ben de man die kranken geneest en vermoeiden weer doet opstaan. Dat is de ware beschaving.

—Gij zijt de man die van een patiënt durft zeggen, dat zijn tong niet zoo groot en niet zoo belangrijk is als een rundertong. Wanneer gij u verbeeldt, dat dit van beschaving getuigt, dan hebt gij ’t nog niet ver gebracht. Hoe ge overigens uit mijn tong wilt zien, hoe ’t met de verstuiking van mijn voet is gesteld, is en blijft me een raadsel.

—Dat zal u in uw leven wel meer zijn voorgekomen, dat gij iets niet kondet begrijpen. Dat kan men wel aan u zien. Gij begrijpt natuurlijk ook niet, dat gij mij in een toestand hebt gebracht die mijn eer en goeden naam benadeelt.

—Neen, dat begrijp ik zeer zeker niet!

—Dan gaat uw wijsheid niet heel ver!

—En toch trekt gij den neus voor mij op en kijkt me aan met een gezicht, en spreekt woorden, alsof gij de meest geleerde professor ter wereld zijt.

—Tegenover u ben ik ook professor geweest, want ik heb u practisch onderricht in de verbandleer gegeven.

—Daar heb ik geen woord van gehoord!

—Ik sprak ook van practisch onderricht, en daar behoeft niet bij gesproken te worden. Wat gij nu hebt geleerd, kan u maken tot den meest beroemden van alle doktoren, die wonen in de landen die onder het beheer van den Padischa staan!

—Wilt gij mij nu nog bespotten ook? Wanneer gij inderdaad zoo knap zijt als gij beweert, geef mij dan liever goeden raad hoe ik weer uit die huid van gips moet komen!

—Daarover zullen wij het later wel hebben. Gij hebt mij uitgelachen en beweerd dat uit gips geen verband te maken was, en toch is dit het allerbeste wat er bestaat. Gij liet mij niet aan het woord komen, en daarom hebt gij nu uit ervaring moeten leeren. Pak uw kaftan beet. Die was eerst zacht, en is nu zoo hard als een steen, zoo hard als een verband moet wezen om aan een lichaamsdeel stevigheid te geven. Merkt gij nog niets?

Hij trok de wenkbrauwen samen en keek mij nadenkend aan.

Ik ging voort:

—Wanneer gij een gebroken been tusschen planken bindt, dan zullen deze voor dat lichaamsdeel zeer lastig zijn, omdat zij niet den vorm van het been aannemen, zich niet daar naar voegen. Zulk een verband deugt niet.

—Maar er bestaat geen ander verband. De grootste en voornaamste doctoren in het land hebben zich er tevergeefs het hoofd over gebroken, om een verband uit te denken dat stevig is en zich voegt naar den vorm van het lichaam. Ik zelf heb een boek waarvan de titel is: Schifa kernik kyryklarin. (Over de genezing van beenbreuken). Daarin staat te lezen dat men breuken met planken kan behandelen.

—En wie heeft dat boek geschreven?

—De beroemde dokter Kari, Asfar Zulaphar!

—Nu, die heeft ongeveer twee honderd jaar geleden geleefd. ’t Is best mogelijk dat men toen niet beter wist, maar nu zou men je uitlachen.

—Ja, maar ik lach er niet om!

—Daarom passen zijn redeneeringen en beschouwingen alleen voor dien tijd en niet voor den tegenwoordigen. Er zijn nog meer andere verbanden. Hebt gij de fez wel eens goed bekeken, die gij op uw hoofd hebt gehad?

—Hoe zou ik die niet hebben bekeken! Die kleine padde heeft hem mij bitterlijk onder den neus geduwd.

—Vertel me dan eens, welken vorm hij heeft aangenomen?

—Dien van mijn hoofd!

—En wel volkomen; juist zoo gaat het met ieder ander lichaamsdeel. Wanneer ik een arm, heb gebroken, laat ik dien eerst in ’t lid zetten, en wikkel hem dan in dunne zwachtels. Deze bevochtig ik dan met gips, dat ik in water heb opgelost, en zwachtel verder, telkens de verbandstof in het gips doopende wanneer dit droog en hard is geworden. Zoo krijg ik een stevig verband dat volkomen op den arm past!

—Ah—Oh—Aah!—riep hij uit en keek daarbij eerst mij en daarna Halef aan, terwijl hij dezen toeriep:—Geef mij eens gauw mijn muts aan!

De Hadschi deed wat hij hem vroeg, en hield die voor hem, terwijl hij ze naar alle kanten ronddraaide.

—Nog beter is het,—ging ik voort,—wanneer men de stof eerst in het vochtige gips drenkt, en daarna om het lichaamsdeel windt. En opdat het, droog geworden, het zieke lid geen pijn zou veroorzaken, legt men daar eerst een laag watten op. Dan rust het lichaamsdeel in een zacht maar stevig en nauwsluitend verband.

Hij keek me weer aan en riep toen plotseling uit:

—Allah! Allah! Nazich idschad bulma, azametti keschf! Allah! Allah! Welk een heerlijke ontdekking, welk een prachtige uitvinding! Ik haast me, ik wil het opschrijven!

Zonder zich te bekommeren om de stijfheid van zijn kaftan sprong hij op en ging haastig naar de deur.

—Wacht eventjes! Neem meteen uw mand met instrumenten mee!—riep Halef. En zet eerst je muts weer op.

De dokter bleef stilstaan. ’t Was kluchtig om hem te zien. De gips brak aan alle kanten en brokkelde af. De kaftan bleef in de vouwen en plooien en ook in den stand, waarin hij gebogen was bij het zitten van den geneesheer. Het onderste achterdeel stak vooruit en hinderde hem in het loopen. Toen keerde de kleine dikke man den Hadschi zijn rug toe, stak zijn armen achteruit en zeide:

—Trek aan de mouwen! ik moet er uit!

Halef pakte hem beet en hield hem vast. De Aesculaap trok en trok, en wrong zich eindelijk met zooveel geweld uit zijn gips-omhulsel los, dat hij tegen de deur aan vloog; en daar hij die reeds had opengedaan, zoodat zij alleen maar aan stond, kwam hij op de binnenplaats te recht.

—Tekrar gelirim, tekrar gelirim, schimdi tekrar gelirim! Ik kom terug, ik kom terug, ik kom dadelijk terug!—riep hij terwijl hij haastig opstond en wegliep.

Hij was van het verband in vuur geraakt en moest naar huis, om op te schrijven wat ik hem had gezegd. Dat hij zijn pantoffels, zijn kaftan, de fez en de mand met instrumenten had achtergelaten en nu blootshoofds over straat liep, daarvan scheen hij zich niet veel aan te trekken. Hij was met hart en ziel bij zijn beroep, maar had jammer genoeg, niet meer geleerd dan wat anderen hem konden leeren die zelf niets wisten.

Nu moest het vertrek worden schoongemaakt. De stijve kaftan werd over een paar stoelen gehangen en de instrumenten bij elkaar gezocht. Toen werd mijn kamer voor mij gereed gemaakt. Osko had mij reeds lang weer water gebracht, en ik bemerkte tot mijn groote vreugde dat de zwelling minderde. Pijn had ik in ’t geheel niet meer. Later liet ik mij naar mijn kamer dragen en neerleggen op het bed dat inmiddels voor mij in gereedheid was gebracht. Ik maakte telkens frissche omslagen en was voornemens tegen den avond een verband te leggen. Daarvoor moesten watten, gaas en een nieuwe voorraad gips worden gehaald.

Toen ik ongeveer drie uur had gelegen, hoorde ik de stem van den dokter aan de deur.

—Waar is de Effendi?

—Daar in die kleine kamer!—was Halefs antwoord.

—Dien me aan.

Halef deed de deur open en de dokter stapte naar binnen. Maar hoe!

Hij was gekleed als een bruidegom! Een blauw-zijden kaftan hing neer tot op zijn voeten, die hij in fijne safraan lederen pantoffels had gestoken, en op het hoofd droeg hij een blauw en wit gestreepten tulband waaraan een granaten agraffe glinsterde. Hij zag er inderdaad feestelijk uit en had iets plechtigs over zich. Bij de deur bleef hij staan, kruiste de armen over de borst, maakte een diepe buiging en zeide:

—Effendim, japarim ziaret schúkúrüm ittibarún, mijn geëerde Effendi, ik kom u mijn dank betuigen en de verzekering geven van mijn hoogachting! Girisch bana ruchsat wer! Veroorloof mij binnen te komen.

Ik boog plechtig het hoofd en antwoordde:

—Jaklaschdyr, chosch sen.—Treed nader, gij zijt welkom!

Hij deed drie stappen, kuchte en begon:

—Effendim, uw hoofd is de bakermat van het verstand der menschen en uw hersenen bevatten de kennis en wetenschap van alle volkeren. Uw geest is scherp als de scherpte van een scheermes, uw oordeel is puntig als de naald waarmede men booze zweren open maakt. Daarom is het uw kismet geweest, de groote vraag tot oplossing te brengen, hoe men breuken, verstuiking, verrekkingen en kneuzingen behandelen moet. Uw genie heeft alle sferen der wetenschap doorloopen, heeft gevorscht op elk gebied, totdat gij terecht zijt gekomen bij de zwavelzure kalk, die de onwetende Barbaren met den naam gips bestempelen. Daar hebt gij water bij gedaan en het daarna omgeroerd, waardoor men het op linnen kan uitstrijken, waarmede men dan de gewrichten, botten en pijpen omwikkelt, om dezen de stevigheid te geven die zij noodig hebben. Daardoor zult gij in den loop der tijden millioenen armen en beenen voor verkromming en vergroeiïng bewaren, en de professoren der toekomst zullen inzamelingen houden om voor u een monument op te richten, waarop uw hoofd in steen zal zijn uitgehouwen op uw gestalte. Op den steen zal uw naam in gouden letters worden gegraveerd. Tot zoolang zal ik hem in mijn notitieboekje opschrijven, en ik verzoek u mij dien naam te noemen.

Hij had deze woorden op plechtigen toon gesproken, alsof hij sprak uit naam eener deputatie, die echter alleen uit zijn persoon bestond.

—Ik dank u!—antwoordde ik,—de waarheid echter gebiedt mij te bekennen, dat ik het niet geweest ben, die deze groote uitvinding heb gedaan. In mijn vaderland is zij overbekend, zoowel bij doktoren als bij leeken.

Wanneer gij echter den naam van den uitvinder wilt weten, zal ik u dien noemen. De geleerde man, aan wien zoovele menschen hun rechte ledematen te danken hebben, heet Mathijsen en was een beroemd heelkundige in het land dat Holland wordt genoemd. Ik heb uw dank niet verdiend, maar het verheugt mij zeer, dat de uitvinding uw goedkeuring wegdraagt, en ik hoop dat gij die veelvuldig in praktijk zult brengen!

—Dat ik vast besloten ben, die geneeswijze toe te passen, zal ik u bewijzen. Maar den dank moogt gij niet afwijzen. Al zijt gij dan ook de uitvinder niet, gij hebt die weldaad dan toch hier ingevoerd. Ik zal den dag van heden niet vergeten, en heb tot mijn groote vreugde gezien dat mijn kaftan nog in wezen is. Die zal nu mijn uithangbord wezen. Ik zal die voor de deur van mijn huis ophangen, zoodat een ieder die het een of ander lichaamsdeel heeft gebroken, zien kan, dat ik hem in zwavelzure kalk wikkel. Ik heb reeds geprobeerd hoe die moet worden gemaakt, en verzoek u vriendelijk mijn werk in oogenschouw te nemen, en mij uw oordeel te zeggen. Wilt gij dat?

—Zeer gaarne!—antwoordde ik.

Hij ging naar het venster en klapte in de handen. De deur die naar de groote kamer leidde, werd opengedaan en ik hoorde zware voetstappen.

—Hierheen!—beval hij.

Dadelijk daarop verschenen twee mannen die een groote tobbe droegen, die tot aan den rand met vloeibare gips was gevuld. De een droeg buitendien een voorraad watten, voldoende om tien personen in te wikkelen, terwijl de andere een pak katoen in de hand hield. Zij zetten hun last neer en gingen heen.

Toen er daardoor wat plaats was gekomen, kwamen twee mannen binnen die een baar droegen. Daarop lag een man met grooten baard, die tot aan den hals was toegedekt. Zij zetten de baar neer en gingen toen weder de kamer uit.

—Hier zult gij nu het eerste verband zien, dat door mij werd aangelegd!—begon de dokter. Ik heb me de noodige grondstoffen aangeschaft en dezen arbeider laten komen om mij als model te dienen. Hij krijgt iederen dag tien piasters en den kost. Veroorloof mij dat ik het laken wegneem en u den patiënt toon.

Hij nam het laken weg, en toen ik het model zag, moest ik mij geweld aandoen, om niet in lachen uit te barsten. De dikke had allerlei breuken en kneuzingen bedacht en den armen man dienovereenkomstig met gips verbonden. Maar hoe!

De schouders, de boven- en onderarmen, zelfs de heupen waren in gips-zwachtels gewikkeld, die alle wel een handbreed dik waren. Ook de borstkas was van zulk een pantser voorzien, zoodat een kogel er zeker niet zou zijn doorgedrongen.

De man leek inderdaad een werkelijke patiënt, die den dood nabij was. Hij kon zich niet bewegen, ja zelfs nauwelijks ademhalen. En dat alles voor een gulden twintig per dag. Per dag! Dat was het vermakelijkste van de geschiedenis. Hij moest dus dagenlang in die verbanden liggen en waarvoor?

—Hoe lang wilt gij die proef dan laten duren?—vroeg ik.

—Zoolang als hij het kan uithouden. Ik wil de uitwerking bestudeeren die de zwavelzure kalk op de verschillende lichaamsdeelen heeft.

—Op een gezonde? De eenige uitwerking die ’t op hem zal hebben, is dat hij het niet meer kan uithouden. Wat is er met zijn borst gebeurd?

—Hij heeft vijf ribben gebroken, twee rechts en drie links.

—En met de schouders?

—De beide sleutelbeenderen zijn gebroken.

—En hoe staat het met de heupgewrichten?

—Die zijn beide uit de kom geschoten. Maar nu heeft hij nog iets: de onderkaak is ontwricht en nu heeft hij de klem gekregen. Hoe men dát nu met gips moet verbinden, is mij niet recht duidelijk en ik zou gaarne hebben dat gij mij dit eens vóórdeelt!

—Maar Hekim, dat wordt immers nooit verbonden.

—Niet?... en waarom niet?

—Wanneer men de onderkaak weer op zijn plaats brengt, wijkt de klem van zelf en is daar geen gipsverband meer bij noodig.

—Goed, dan zullen we aannemen dat zijn mond weer geheel in orde is.

—Maar wees nu zoo goed en maak ook zijn ribben vrij. De man snakt naar lucht!

—Zooals ge wilt. Ik zal gereedschap gaan vragen bij den waard.

Ik was zeer benieuwd wat hij zou meebrengen. Bij zijn binnentreden was ik juist bezig een verschen omslag om mijn voet te doen en ik keek eerst op, toen ik hamerslagen hoorde.

—Om Godswil! Wat doet ge daar? Wat hebt ge daar in uw handen?

Ik kon dat namelijk niet zien, omdat hij met den rug naar mij toestond.

—Tshekidsch ile kalemkiarlyk! hamer en beitel!—antwoordde hij doodbedaard.

—Dan zult ge hem de ribben inderdaad nog stuk slaan of hem den beitel in de borst stooten.

—Ja, maar hoe moet men dan doen?

—Met een schaar, een mes, of een daartoe geschikte zaag, al naar de plaats, waar het verband is aangebracht, en de dikte er van.

—Een beenderenzaag is in mijn mand, ik zal die gaan halen.

—Breng dan meteen mijn kleinen reisgenoot mede, die kan u helpen, want ik ben er niet toe in staat!

Toen Halef binnenkwam, gaf ik hem eenige wenken en hij begon het gipsverband los te maken, hoezeer de dokter daar ook tegen protesteerde. Het was zwaar werk en het duurde geruimen tijd voor en aleer het model van al zijn verbanden was bevrijd. Er moest licht bij worden aangestoken, want de avond was inmiddels gevallen.

De arme kerel, bij wien, behalve de leelijke beenbreuken en kneuzingen, de dokter ook nog mondklem had willen constateeren, had geen enkel woord gesproken. Maar toen hij van het laatste verband was bevrijd, zeide hij tot mij:

—Ik dank u, Heer!

Met één sprong was hij buiten.

—Halt!—riep de dikke hem na. Ik heb je nog noodig, want nu beginnen wij weer van voren af aan!

Maar al zijn roepen was tevergeefs.

—Daar loopt hij me weg! Wat moet ik nu beginnen met al mijn mooie gips, watten en zwachtels?

—Laat hem loopen!—antwoordde ik. Wat hadt gij dan gedacht? Met dien voorraad gips kunt gij wel twee huizen bedekken. Ik kan er wel wat van gebruiken, want ik geloof dat het nu tijd wordt om mij te verbinden!

—Uitstekend, Effendi! Uitstekend! Ik zal dadelijk beginnen!

—Langzaam, langzaam! En doe nu precies wat ik u zal zeggen.

De man was geheel in vuur en deed mij onder het aanleggen van het verband, allerlei verhalen van kunststukken, die hij reeds had verricht. Toen wij gereed waren, zeide hij:

—Ja, dat is heel wat anders. Ik zal meteen mijn proef-patiënt weer laten komen, en hem morgen weer hier heen laten brengen!

—En wanneer wilt ge hem dan verbinden?

—Van avond nog!

—Allah! dan moet hij dus tot morgen zóó blijven liggen! Gij zult hem nog vermoorden. Wanneer ge u op hem wilt oefenen, moogt gij niet al zijn ledematen tegelijkertijd verbinden, maar slechts een tegelijk, en ook moet ge ieder verband dadelijk weer afnemen wanneer het stijf geworden is. Dan moet ge ook onthouden, dat men in de verbanden openingen kan snijden om zich van den toestand van bijzondere plekken op de hoogte te stellen. Gij hebt niemand die u daarin kan onderrichten en ook geen boek om in te studeeren. Gij moet dus zelf nadenken en proeven nemen!

—Effendi! Blijf toch hier en onderricht mij. Alle Hekims uit den omtrek zullen gaarne uw lessen volgen!

—Ja, en dan moesten wij als modellen dienen!—voegde Halef er aan toe. Dat ontbreekt er nog aan! Gij hebt nu van middag genoeg geleerd, en moet nu maar zien, u zelf verder te helpen!

—Wanneer gij er geen tijd voor hebt, moet ik van zelf wel van dat onderwijs afzien. Het is waar, ik heb van middag veel geleerd en weet eigenlijk niet hoe ik u mijn dankbaarheid zal toonen. Geld zoudt gij toch niet aannemen. En daarom zal ik een aandenken geven, Effendi, dat u inderdaad genoegen zal doen!

—En dat is?

—Verscheidene flesschen met spiritus en verschillende soorten lint- en dauwwormen, waaraan ik zeer veel aardigheid heb. Maar ik gun ze u van harte!

—Ik moet u daarvoor danken, want die flesschen zouden mij op reis veel te lastig zijn.

—Dat spijt me, maar ik wil u toch toonen dat ik niet ondankbaar ben. Ik zal u het liefste geven, wat ik bezit: een skelet. Ik heb de beenderen zelf afgeschrapt, gekookt, gespoeld en gebleekt.

—Ook daarvoor moet ik u danken.

—Wilt gij mij beleedigen?

—Volstrekt niet, maar ge begrijpt toch wel dat ik op mijn paard geen skelet kan meenemen.

—Dat is waar! Maar veroorloof me dan tenminste dat ik u hartelijk de hand druk.

De Hekim was, als de meeste dikke menschen, in den grond een zeer goedig manneke. Hij was zeer leergierig en dankbaar, en was sedert den namiddag zeer veel veranderd. Hij was overgelukkig toen ik hem uitnoodigde deel te nemen aan ons avondmaal, en toen hij daarna afscheid van ons nam, scheidden wij als goede oude vrienden.

Zijn dragers hadden zoo lang moeten wachten, en sleepten nu hun lasten weer mee. In plaats van het model lag nu de mand met instrumenten en de stijve kaftan, die als uithangbord dienst moest doen, op de baar.

Het overige gedeelte van den avond brachten wij door, met te overleggen wat wij den volgenden dag zouden beginnen. Ik was vast besloten om, in weerwil van mijn voet, de reis voort te zetten want wij mochten den vier mannen die wij vervolgden, niet zulk een belangrijken voorsprong geven dat wij hun spoor konden verliezen.

Op het briefje, dat Hamb el Amasat had geschreven en dat mij te Edreneh in handen gekomen was, stond te lezen:

—In pripeh beste la karanorman chan ali sa panajir menelikde—zeer spoedig bericht in Karanorman-khan, maar na de jaarmarkt te Menelik.2

Menelik lag nu achter ons en wij waren den broeder van Hamb el Amasat tot hiertoe gevolgd, zonder ook maar een flauw vermoeden te hebben waar dit Karanorman eigenlijk lag. In ieder geval was deze plaats het doel van zijn tocht en zouden wij hoogst waarschijnlijk beiden daar aantreffen. Zij hadden iets zeer slechts in den zin, wat wij wilden voorkomen. Daarom hadden wij dezen tocht ondernomen en wanneer wij hun een grooteren voorsprong gaven, was het zeer waarschijnlijk dat wij ons doel niet zouden bereiken. Daarom moesten wij beslist den volgenden dag verder gaan.

Halef beschouwde mij als patiënt en verlangde dat ik me zou ontzien. Osko en Omar waren het echter volkomen met mij eens. De laatste liet zelfs de spreuk der wrake der woestijn hooren:

—Ed dem b’ed dem! Bloed voor Bloed! Ik heb gezworen den dood mijns vaders te wreken, en ik moet mijn woord houden. Wanneer gij morgen niet meegaat, dan vertrek ik alleen. Ik heb geen rust voor ik den moordenaar mijn mes in het hart heb gestooten!

Dat klonk woest en onmenschelijk. Als Christen hing ik aan de leer “Hebt uwe vijanden lief!” maar toen ik mij het oogenblik herinnerde dat zijn vader, onze gids, zoo jammerlijk was omgekomen, gevoelde ik toch dat die dood moest worden gewroken. Of dit nu juist moest geschieden op de wijze die Omar voorstelde, daarover was ik het op dat oogenblik nog niet met mijzelf eens. In ieder geval was ik vast besloten, geen doodgewonen barbaarschen moord te dulden.

Wanneer ik niet gewekt geworden was, had ik zeer zeker een gat in den dag geslapen. De mandenmaker stond buiten en wenschte mij te spreken. Ik ontving hem, vrijwel ontstemd door de stoornis, maar toen ik achter hem zijn zwager, den waard zag binnenkomen, begreep ik dat er gewichtige redenen voor moesten bestaan om mij uit den slaap te halen en zette ik een vriendschappelijker gezicht.

—Heer,—zeide de waard. Ik dacht niet dat ik u zoo spoedig zou weerzien. Neem mij niet kwalijk, dat wij u in uw rust komen storen, maar er staat veel op het spel. Het geldt uw leven!

—Alweer! Maar we willen hopen dat het niet zoo ernstig is als gij u voorstelt.

—Het zou zeer ernstig zijn, wanneer ik u niet had kunnen waarschuwen. De beide Aladschy’s zijn hier bij mijn broeder geweest!

—Ah! wanneer?

—Bij het aanbreken van den dag!—antwoordde de mandenmaker tot wien ik deze laatste vraag had gericht. Wij waren al vroeg wakker, want de vreugde over uw geschenken hield ons uit den slaap. Zelfs de kinderen waren reeds opgestaan. Ik was naar de rivier gegaan, om naar de netten te zien, die ik gisteren avond nog had uitgezet. Toen ik terugkwam, hielden juist twee ruiters voor de deur stil, waar zij met de kinderen spraken. Vader lag nog te bed. Toen zij mij zagen aankomen, vroegen zij of hier gisteren niet vier ruiters waren voorbij gekomen, waarvan een, een Scherif-tulband droeg, en een gekleurden bril op had. Een der paarden was een zwarte Arabische hengst.

—En wat hebt gij geantwoord?—vroeg ik in spanning.

—Wel, ik dacht dadelijk dat dit wel de Aladschy’s zouden zijn waarover gij ons hadt gesproken, en verzweeg de waarheid.

—Hm! dat zal je wel slecht zijn bekomen.

—Begrijpt gij dat al?

—Uw kinderen hadden het zeker reeds verraden!

—Zoo is het. Zij sloegen mij met hun zweepen en dreigden mij te dooden, als ik hun niet de waarheid zeide.

—Het is heel goed, dat gij hun de waarheid hebt verteld.

—Weet ge dan, dat ik dat heb gedaan?

—Ik merk het aan uw schuwen blik. Gij vreest dat ge iets verkeerds hebt gedaan en hebt daardoor geen rustig geweten.

—Effendi, gij hebt het bij het rechte eind. Ik had me wel uit de voeten kunnen maken, maar dan hadden zij dat zeer zeker op mijn vader en de kinderen gewroken. En daar deze laatsten toch al hadden gebabbeld, zei ik dat gij inderdaad voorbij waart gereden.

—Maar toch verder niets?

—Ik wilde dat alleen zeggen, maar zij hadden de kinderen reeds volkomen uitgehoord en van hen vernomen dat gij uw laarzen geledigd en aan vader geld gegeven had en dat ik u vandaag naar Taschköj zou brengen, waar ik ook reeds met de booze mannen was geweest.

—Dan hebt gij ’t wel moeten bekennen!

—Ja, ik kon niet anders, en ik hoop dat u er niet boos om zult wezen.

—Ik kan er u niet om beknorren. Ik had voorzichtiger moeten zijn en er niet over spreken in tegenwoordigheid der kinderen. Hadden de roovers geweren?

—Ja, en zij zagen er uit alsof zij ’t hard hadden te verantwoorden gehad. De een had een pleister op de bovenlip, en zijn neus had de kleur van een blauwe pruim.

—Dat is Bybar geweest, dien ik met een houw de bovenlip had opgescheurd. Maar hij droeg toch een baard?

—Dan heeft hij dien afgeknipt om een pleister op de scheur te kunnen leggen; mijn broer zal dat wel weten. Hij sprak in het geheel niet. Zijn broer deed het woord. Deze zat zoo slecht in den zadel alsof hij zijn ribben had gebroken.

—Ik smakte hem tegen een boom en daarvan zal hij de gevolgen nog voelen. Wat deden zij toen?

—Zij gaven mij nog een paar stompen, en reden toen in de richting van Radowitsch weg.

—Dat geloof ik niet. Ik denk dat zij naar het bosch zijn gereden, waar gij ons doorheen moet brengen. Zij zullen ons dáár willen overvallen. Zij kennen ongetwijfeld den omtrek!

—Gij hebt goed geraden, Effendi. Ik dacht hetzelfde en ben hen daarom achterna geslopen. Al heel gauw sloegen zij rechts af, de bergen in.

—En nu hebben zij zich daar verborgen en wachten ons op. Voor alles moet ik weten, hoeveel en wat gij hun hebt verteld. Gij hebt dus bekend dat ik te Radowitsch ben. Gij hebt misschien ook wel gesproken over mijn gewonden voet die me waarschijnlijk zal noodzaken te Radowitsch te blijven?

—Neen, geen woord!

—Dan verwachten zij ons heden. Hebben zij niet gevraagd, wanneer wij voornemens waren te vertrekken?

—Ja, en ik zeide dat ik dat nog moest vernemen. Toen zwoeren zij, mij te vermoorden en mijn hut af te branden, wanneer ik hen zou verraden. Daarbij vertelden zij mij dat zij de Aladschy’s waren, van wie ik zeker wel zou hebben gehoord en die hun bedreiging altijd uitvoerden.

—En toch komt gij het mij vertellen!

—Dat is mijn plicht en ook de dankbaarheid gebiedt het mij. Misschien kunt gij het wel zoo inrichten, dat ik toch heb gezwegen!

—Dat gaat misschien gemakkelijk genoeg. Natuurlijk ben ik u dankbaar voor uw waarschuwing, zonder welke ’t mij slecht had kunnen vergaan.

—Ja, Heer, gij zoudt verloren zijn geweest!—viel zijn broer hem in de rede. Ik heb het met mijn eigen ooren gehoord.

—Ze zijn dus weer naar u toegekomen?

—Natuurlijk. Maar ik was er geenszins mede in mijn schik, want ik had genoeg aan hun eerste bezoek.

—Dat was gisteren namiddag! Of hebt gij hen reeds vroeger gezien?

—Gehoord had ik wel van hen, maar ik had ze nog nooit gezien. Zij kwamen ’s morgens bij mij en vroegen Raki, en gingen aan de tafel voor het huis zitten, nadat zij de paarden naar achteren hadden gebracht.

—En vermoeddet gij wie zij waren?

—Ja hun paarden en hun reuzen-gestalten pasten volkomen bij de beschrijving die men van hen had gegeven. Ik was zeer op hen gebeten, omdat ik hen hield voor de dieven van mijn paard en mijn pakzadel.

—Gij weet dus reeds dat beide verdwenen waren?

—Natuurlijk, dat zag ik zoodra ik was opgestaan.

—En was het dan niet mogelijk dat uw paard was weggeloopen?

—O, dat was nog nooit gebeurd en dan had het zadel er toch moeten wezen.

—Dat is volkomen waar, het zadel loopt niet met het paard weg.

—Ik vertelde hun van den diefstal, en zij schenen te merken dat ik er hen van verdacht, want ze werden boos tegen mij en dwongen mij eindelijk in de kamer te blijven.

—En liet gij u dat maar welgevallen?

—Wat kon ik er tegen doen?

—De hulp van uw buren inroepen.

—Ik kon toch niet weg om die te halen, en zelfs indien dit mogelijk was geweest, had ik het toch niet gedaan. Wanneer de Aladschy’s bij iemand komen, doet men maar het beste hun te gehoorzamen, want wanneer men ook al eenig oogenblikkelijk voordeel op hen behaalde, zouden zij dit later toch wreken. Ik bleef dus rustig in de kamer. Ik mocht niet eens de kinderen halen, wat gij later toch hebt gedaan, Effendi!

—Kwam er in dien tijd niemand bij u binnen?

—Gij dacht dat de komst van een gast hen misschien zou hebben verjaagd!

—Zijn zij dan bij uw komst vertrokken?

—Neen, daar hebt gij gelijk in!

—Er ging niemand voorbij, er kwam slechts een persoon en dat was——

—De Bakadschi Toma van Ostromdscha!—viel ik hem in de rede. Die wist dat de Aladschy’s op hem wachtten. Buitendien waren zij den vorigen nacht in de nabijheid geweest en wisten ook dat gij twee paarden bezat. Zij zijn de eigenlijke oorzaak van den diefstal!

—Dat heb ik nu van mijn broeder gehoord.

—En bleef die Toma maar kort bij u?

—O neen, hij steeg van zijn muildier, ging bij hen zitten en vertoefde wel een uur bij hen.

—En kondet gij niet hooren wat zij zeiden?

—Van de kamer uit niet, ik hield hen echter voor de dieven van mijn paarden, en daar ik vermoedde dat zij erger in den zin hadden omdat ik de kamer niet mocht verlaten, nam ik mij voor te luisteren. Gij zult wel hebben gezien dat in mijn kamer een ladder staat, waarmede men op den zolder kan komen waar het stroo ligt. Ik klom naar boven en vandaar uit kon ik zachtjes door het luik op het uitstek komen. Ik hoorde ieder woord en vernam wat in Ostromdscha was geschied. De bode vertelde dat uitvoerig, en zeide dat gij tegen den middag zoudt opbreken en dus ongeveer twee uur later langs mijn huis zoudt komen. Verder hoorde ik, dat hij reeds den vorigen avond met hen had gesproken.

—Aha!—riep ik uit—nu begrijp ik hoe het mogelijk was, dat de Mubarek de Aladschy’s zoo gauw vinden en tegen mij opzetten kon.

—Het schijnt dat hij hen reeds vóór uw aankomst had besteld om den een of anderen gemeenen streek uit te voeren. Gij hebt hem daarin gestoord, en daarom heeft hij van bun aanwezigheid gebruik willen maken om zich op u te wreken.

—Wat hoordet gij nog meer?

—Dat de Mubarek met nog drie anderen was ontkomen, en dat gij sterven moest. Hij duidde zelfs de plaats aan, waar gij zoudt worden overvallen, namelijk niet ver van de scherpe bocht die de weg in het bosch maakt.

—Daar heeft in elk geval de strijd tusschen hen en mij plaats gehad!

—En gij hebt hen overwonnen, zooals mijn broer mij heeft verteld. Effendi, Allah is met u geweest, anders hadt gij het onderspit moeten delven.

—Zeer zeker! Maar ga voort.

—De bode zeide hun, dat zij niet op hun geweren en pistolen moesten rekenen, want dat gij kogelvrij waart. Toen lachten zij hem in zijn gezicht uit. Toen hij hun echter precies vertelde wat er gebeurd was, werden zij bedaarder en geloofden eindelijk dat gij inderdaad kogelvrij zijt!

—Nu, en wat denkt gij daarvan? vroeg ik.

—Effendi, er bestaat tweeërlei tooverij. Bij de een is de hulp van Allah noodig, en bij de andere de hulp van den duivel. Gij hebt ook tooveren geleerd, maar Allah helpt u.

Ik antwoordde hem:

—Meent gij inderdaad dat de Almachtige door enkele woorden, teekenen of ceremonieën van een zijner zwakke schepsels, gedwongen zou kunnen worden, hem ter wille te zijn?

—Hm! Neen, want dan was die mensch nog machtiger dan Allah zelf. Maar gij doet mij schrikken! Toovert gij dan met behulp van den duivel?

—O neen, wij tooveren in het geheel niet, en kunnen niet meer dan andere menschen.

—Maar gij zijt toch kogelvrij!

—Wij zouden wat blij zijn, als dat inderdaad het geval was. Maar jammer genoeg, zou een kogel in onze huid, een even groot gat maken, als in die van ieder mensch.

—Dat kan ik niet gelooven. Gij hebt immers de kogels met de hand opgevangen.

—Dat leek maar zoo. Ik heb mezelf reeds verweten dat ik de menschen in hun bijgeloof heb versterkt, maar misschien kan ik dat door u weer goed maken. Wanneer gij weer te Ostromdscha komt, zult gij daar wel over ons hooren spreken. Vertel de menschen hoe het gegaan is. Ik had gehoord, dat wij zouden worden overvallen, of van uit een hinderlaag doodgeschoten, en toen kwam ik op het denkbeeld, om de menschen in den waan te brengen dat wij kogelvrij waren, omdat men dan hoogst waarschijnlijk niet op ons schieten zou. Ik zal u vertellen hoe ik dat heb aangelegd.

En nu legde ik hem alles uit. Zijn gezicht werd al langer. Toen bekwam hij langzamerhand van zijn verbazing, hoorde mij ten einde toe aan, en zeide lachend:

—Het verheugt mij buitengewoon, Heer, dat gij mij die geschiedenis hebt verteld. Ik zal te Ostromdscha een groote rol spelen, wanneer ik de menschen uitlach en hun vertel, hoe de zaak in elkaar zit. Ik wilde dat ik het hun kon laten zien.

—Dat kunt gij. Ik heb nog meer kogels, en wanneer gij mij belooft voorzichtig te zijn en ze niet met andere te verwisselen, dan wil ik u die geven.

—Ja, geef ze mij. Ik ben o zoo blij dat gij dit wilt doen. Maar weet gij, dat ik nu nog meer eerbied voor u heb dan te voren.

—Waarom?

—Omdat het nog veel meer zegt, zich door wijsheid en slimheid ergens doorheen te slaan dan door tooverij. En nu geloof ik ook dat de goochelkunst uit niets anders dan zulke kunstgrepen bestaat. Gij hebt echter uw doel bereikt, want de Aladschy’s besloten in ’t geheel niet op u te schieten, maar u met bijlen en messen af te maken. De bode beschreef u zoo nauwkeurig, dat geen vergissing haast mogelijk was en ging toen heen. Geen kwartier later kwaamt gij.

—En wien meendet gij te zien?

—Een Scheriff. Ik kon niet vermoeden dat gij de vreemde Effendi waart, die zou worden vermoord.

—En hebt gij ook ons gesprek beluisterd?

—Neen, want uw persoon leek mij niet van voldoende gewicht. Toen kwaamt gij binnen en waart vriendelijk tegen mij en de kinderen. Gij genaast zelfs mijn dochtertje van haar tandpijn. Ik wist wel is waar niet, wat zij met u voorhadden, maar gij waart vriendelijk tegen ons geweest en daarom waarschuwde ik u.

—Met gevaar voor u zelf.

—Dat was zoo groot niet. Ik waagde er alleen een paar zweepslagen aan. Toen zij met u waren weggereden, maakte ik mij ongerust over u, want zij hadden elkander zulke vreemde blikken toegeworpen. Daarom wenkte ik u nog eens, toen gij op de brug omkeekt.

—Ik begreep dat gij mij tot voorzichtigheid wildet aanmanen. En wat deedt gij daarna?

—Ik ging naar mijn buren, vertelde hun wat er was voorgevallen en riep hen op, om met mij het bosch in te gaan en u uit de handen der roovers te bevrijden en ook de vier vreemdelingen te redden, die zouden worden overvallen.

—Maar daarvoor waren ze niet te vinden!—vervolgde ik zijn verhaal. Ze waren natuurlijk bang voor de wraak der Aladschy’s en verscholen zich veilig achter hun vier muren. Dat kan ik me voorstellen. De vrees is de grootste vijandin dergenen die vreesachtig zijn. Ergens anders waren de Aladschy’s nooit zoo ver gekomen; men zou hen heel gauw onschadelijk hebben gemaakt.

—Meent gij, in uw vaderland?

—Ja zeker!

—Is daar dan iedereen een held?

—Neen, maar daar is het onmogelijk dat een Skipetaar de menschen zooveel vrees aanjaagt. Wij hebben geen strengere maar wel veel zachtere wetten dan gij, maar ze worden gehandhaafd. Daarom vreest ook niemand de wraak van een mensch, want de politie is sterk genoeg om de zwakkeren en goeden en eerlijken te beschermen. Maar wie beschermt u?

—Niemand, Heer. De vrees alleen. Wie het bijvoorbeeld zou wagen om zich tegen de Aladschy’s te verzetten en hun bevelen niet uit voeren, zou alles van hun toorn hebben te vreezen, en er is geen overheid die hem daarvoor kan vrijwaren. Daarom moet het u niet verwonderen, dat mijn buren niets met de zaak te doen wilden hebben.

—Maar gij zijt ook niet groot in getal!

—Ook dat, en buitendien is men vrij algemeen de meening toegedaan dat twee van die Aladschy’s allicht tien man kunnen staan!

—Hm! Dan kan ik er wel twintig voor mijn rekening nemen, want ik ben hun de baas af!

—Maar alleen met Allah’s hulp, Effendi. Die roovers zijn verschrikkelijk. Toch nam ik mij voor, de vreemdelingen te waarschuwen. Daarom zette ik mij op de bank voor mijn huis neer en wachtte hen op.

—Hebt ge ze gezien?

—Neen, mijn kinderen waren aan het kibbelen geraakt, zij huilden en ik ging naar binnen om den strijd te beslechten. En in dien tijd moeten de vreemdelingen voorbij gekomen zijn. Ik ben er slecht afgekomen, maar wat mij uit hun gesprek bleek, deed me veel genoegen. Ik hoorde namelijk dat de bewuste Scheriff hen had overwonnen!

—En gij vermoeddet dus niet dat de Scheriff de aanvoerder was dergenen die zij wilden opwachten?

—Die gedachte is niet in mij opgekomen. Maar later, toen zij wat kalmer waren geworden en bij de Raki zaten, haalde de een een briefje voor den dag, dat zij lazen. Ik hoorde dat gij dat aan een boom hadt gestoken. Zij konden er echter niet uit wijs worden en wisten alleen dat er drie ruiters voorbij waren gekomen, die zich precies aan dit briefje hadden gehouden.

—En hielden zij die voor de verwachten?

—Neen, want de hoofdpersoon ontbrak immers. Zij meenden dat gij nog voorbij moest komen. Ofschoon de bode hun had meegedeeld, dat gij gewaarschuwd waart geworden, wilden zij het toch met u opnemen. Zij waren zoo ontzettend woedend, dat zij al hun kalmte verloren hadden en ook niet meer nadachten. Hun geweren waren gebroken. Zij hadden de stukken bij zich. Ik heb die alle op mijn rug gevoeld. De kinderen begonnen daarover te huilen en kregen ook schoppen en slagen. De een kon niet rechtop staan, dien hadt gij tegen een boomstam gegooid. Hij kleedde zich uit en ik moest hem zeker wel een paar uur den rug wrijven met raki en boter. De andere bloedde voortdurend. Gij hadt hem van onderenop een por gegeven en daarbij zijn bovenlip verwond, naar hij zeide met de duimen van uw vuist. Zijn neus was bont en blauw en dik en gezwollen. Hij wreef dien met raki. Later toen de twee anderen kwamen, knipte een hunner hem den baard af en ging in het naburige bosch hars halen, en maakte daarvan, met boter, een pleister die op de lip werd gelegd.

—De twee anderen kwamen? Wie waren dat?

—O, dat waren eerst een paar echte galgentronies. Die moest gij eens gezien hebben. Zij hadden den vorigen nacht bij Ibarek in Dabila geslapen, en—

—O, die ken ik. Het waren broeders. Hebt gij dat niet gemerkt?

—Ja, ik hoorde al heel gauw dat zij, evenals de Aladschy’s, broeders waren. Zij kenden dezen en ook u!

—En wisten zij dat zij de Aladschy’s zouden aantreffen?

—Neen, de twee paren broeders waren zeer verwonderd over deze toevallige ontmoeting, maar hun vreugde was toch nog grooter dan hun verbazing, toen zij hoorden dat hetzelfde doel hen had hiergebracht, nl. wraak te nemen op u!

—Dat geloof ik, dan zullen ze elkaar heel wat te vertellen hebben gehad!

—Veel, zeer veel, van Edreneh en Menelik, waar gij zoo vlug waart ontkomen, ofschoon gij reeds dáár onschadelijk hadt moeten worden gemaakt. Gij waart hen daarom dubbel gevaarlijk omdat gij van uit het duivenslag3 het geheele gesprek hadt afgeluisterd. Want toen wist gij dat degenen, die u vervolgden, in de ruïne van Ostromdscha waren te vinden. En nog gevaarlijker was het, dat de broeder van den waard Ismilan u voor de rechtmatige bezitters der Koptscha gehouden en daarom gezegd had dat gij naar Sbiganzy gaan moest.

—Ja, dat is zeker heel dom van hem geweest. Maar het zal ons nu wel zeer moeilijk vallen, zoo al niet onmogelijk zijn, om van dit voordeel gebruik te maken.

—Dat is waar. Toen de Aladschy’s hoorden dat gij van de Derekulibe bij Sbiganzy afwist, waren zij buiten zichzelf en zeiden dat dit, ’t kostte wat ’t wilde, moest worden voorkomen, en besloten zij u hier op de openbaren weg aan te vallen!

—Ze waren dus nog steeds van meening, dat wij nog niet voorbij gekomen waren.

—Ja, ze waren zoo gaan zitten, dat er niemand voorbij kon komen, zonder door hen te worden gezien. De beide anderen zouden hen daarbij behulpzaam zijn. Ze waren nu vier tegen vier, en de beide Aladschy’s verklaarden nu, zoo moedig te zijn, dat zij ’t tegen een geheel leger durfden opnemen. Dat duurde echter slechts zoo lang tot Toma, de bode, uit Radowitsch terug kwam.

—Die heeft hen dus van de staar gelicht!

—Zij riepen hem binnen. Toen hij hen zag, schreeuwde hij moord en brand over het uitzicht van den een. Zij zeiden hem, dat de vier personen nog niet waren voorbij gekomen; maar hij antwoordde, dat hij u reeds te Radowitsch had gezien en de noodige zweepslagen had ontvangen. Groot was nu hun verbazing. Zij begrepen hem en hij begreep hen niet. Eindelijk vroeg hij, of zij dan geen Scheriff hadden gezien, die eveneens paard reed. Dat waart gij geweest, want ge hadt u verkleed.

—Jammer dat ik daar niet bij geweest ben. Ik had die gezichten wel eens willen zien!

—Ja Effendi, het was grappig, maar toch ook verschrikkelijk. Zulk vloeken en razen had ik nog van mijn leven niet gehoord. Alles wat niet spijkervast was in de kamer, werd stuk geslagen. Ze gingen te keer als van den duivel bezetenen; zooiets was hun nog nooit overkomen. Zij hadden den Scheriff een poets willen bakken en nu waren zij door hem bij den neus genomen. Zij konden bijna niet tot bedaren komen en leken wel woedende stieren, voor wie niets helpt dan de vlucht.

—Dat geloof ik graag. En wat deed de bode?

—Hij was doodsbenauwd. Hij zelf had u verteld dat gij vermoord waart geworden, en zich daardoor verraden. Buitendien wist gij toch reeds dat hij met de Aladschy’s heulde, en vreesde nu dat gij naar Ostromdscha zoudt terugkeeren en hem bij het gerecht aanklagen.

—Wat dat betreft, kan hij gerust zijn. Ik zal hem aan zijn eigen kwaad geweten overlaten.

—O, dat kwelt hem niet erg. Het veroorzaakt hem in ieder geval minder pijn dan de zweepslagen die hij heeft ontvangen.

—Vertelde hij dat?

—Ja, en hij was woedend over den kleinen Hadschi. Het ergerde hem bijzonder dat hij voor zich de dertig slagen had moeten kiezen, want ze waren even goed aangekomen als anders honderd. Zijn kleeren kleefden op zijn gewonden rug, en hij smeekte de Aladschy’s u toch te dooden, eendeels uit wraak en anderdeels opdat gij hem niet zoudt kunnen aanklagen.

—En beloofden zij hem dat?

—Zij zwoeren ’t hem, en wilden dadelijk weg gaan naar Radowitsch, maar hij zeide hun, dat gij voornemens waart daar te overnachten zoodat zij den tijd hadden tot den volgenden morgen. Zij konden dus slapen en uitrusten, om ’s morgens weer frisch te zijn. Daarbij maakte hij hen opmerkzaam, dat zij bij mijn broer misschien wel meer te weten zouden kunnen komen, want hij had toevallig te Radowitsch gehoord dat hij de vier vreemdelingen naar de Locanda babi hamajuni had gebracht.

—Aan dit voorstel gaven zij natuurlijk gevolg?

—Ja. Ik vond dat vrij onaangenaam, want ik vond het vooruitzicht alles behalve plezierig, dat zij bij mij zouden overnachten en ik zoolang een gevangene zou zijn in mijn eigen huis. Zij vertrouwden mij niet en ik mocht niet eens aan de deur komen. De Aladschy’s hadden den laatsten nacht niet geslapen en zouden nu uitrusten, terwijl de beide anderen om beurten de wacht zouden houden!

—En Toma de bode?

—Hij reed naar huis, maar is voornemens reeds morgen vroeg weer naar Radowitsch te gaan, om te hooren of zij u hebben ingehaald en vermoord!

—En waar en bij wien, wil hij dat te weten komen?

—Dat weet ik niet. Zij noemden den naam, terwijl zij de hoofden bij elkaar staken, zoo zachtjes dat ik dien niet kon verstaan. Toen de bode weg was kochten de Aladschy’s den anderen hun geweren en munitie af. Gij hadt de hunne gebroken en ook hun kruit meegenomen. Maar hoe woedend ze ook op u waren, moesten ze er toch om lachen, dat gij hen hun geld had laten behouden.

—Ik ben te eerlijk geweest, maar als ze weer in mijn handen vallen, dan zal ik mij niet voor de tweede maal laten uitlachen. Maar wat wilden de beide anderen doen. Die zijn vandaag toch niet mee gereden?

—Die gaan naar Menelik terug en hebben hun opdracht aan de Aladschy’s overgedragen. Zij moeten namelijk aan een zekeren Barud el—el—el, och hoe heet hij nu ook weer!

—Barud el Amasat!

—Ja, ja, zoo is ’t! Dezen moeten ze dan mededeelen dat zijn zoon gestorven is: verder dat gij de Koptscha bij u hebt, en eindelijk dat het zeer wel mogelijk is, dat gij bij een vleeschhouwer in Sbiganzy inlichtingen omtrent de Derekulibe gaat inwinnen.

—Nu, misschien lukt het ons den bode voor te zijn.

—Effendi! Wees voorzichtig. Zij rijden ook naar Sbiganzy en kennen den mooisten weg daarheen over Taschköj zeer goed. Wanneer gij hen voor wilt komen, moet gij ook dezen weg inslaan en in het bosch om hen heen rijden. Gij weet echter niet waar zij zijn. Integendeel, zij zullen op u loeren en u overvallen.

—Daar zijn wij op voorbereid. Wanneer men het gevaar kent is het niet half zoo groot. Wanneer ik mijn voet niet had verwond, zou ik ook dien weg inslaan. Ik zou hun spoor volgen en steeds nauwkeurig weten waar ik aan toe was. Maar daarom is het noodig dat ik af en toe afstijg en dat kan ik nu niet. Om diezelfde reden mag ik het ook niet op een strijd laten aankomen. In het bosch vecht men niet te paard, en te voet zou ik een allertreurigst figuur maken. Wij moeten dus een anderen weg kiezen.

—Die echter ook veel langer is.

—Dat doet er niet toe.

—Gij zult hen niet vooruit komen, Effendi!

—Misschien toch wel. Wij zullen van hier naar Karbinzy rijden en van daar misschien direct, misschien ook over Warzy, naar Sbiganzy, al naar omstandigheden.

—Dat is echter een moeilijke weg, Heer!

—Eigenlijk niet. Wanneer wij van hier naar Istib en vandaar over Karaorman naar Warzy rijden, hebben wij steeds een straatweg; maar daar moeten wij een hoek maken, die tijd kost. Liever rijd ik dadelijk naar Karbinzy, ofschoon dat een moeielijke rit zal wezen, want ik geloof niet dat dit een gebaande weg is.

—Neen, alleen zoo af en toe,—bevestigde de mandenmaker,—maar als ik u tot gids mag strekken, beloof ik u, u den weg zoo gemakkelijk mogelijk te maken.

—Kent gij den omtrek hier?

—Zeer nauwkeurig. Ik zal u nu toch tot gids dienen, en dan is het mij volkomen hetzelfde of wij naar Taschköj of naar Karbinzy gaan. De afstand is vrijwel dezelfde. Ik kan het wel zoo inrichten dat wij den ongebaanden weg kunnen mijden en meest over open vlakten gaan. ’t Zal echter wel voortdurend bergop, bergaf gaan.

—Nu, dat is wel te doen!

—Wanneer wenscht gij te vertrekken, Effendi? Kan ik eerst nog weer naar huis gaan?

—Ja maar binnen een half uur moet gij weer hier zijn. Kunt gij misschien niet een paard leenen?

—O, de waard hier zal daartoe wel dadelijk bereid zijn!

—Nu, spreek dan maar met hem af. Ik betaal het.

—Gij kunt ook het mijne krijgen dat buiten staat,—zeide zijn broeder.

—Neen, dat hebt gij zelf noodig, want ’t is een heel eind van hier naar uw huis.

—Ja, en ik weet ook niet of dat wel vlug zou gaan, want ’t is een oud beest. Maar die schoften hebben mij mijn goed paard afgenomen. Ik zal dat wel nooit meer zien, en ik heb ook geen geld genoeg om een ander te koopen, ofschoon ik het hard noodig heb.

—Hoeveel was het waard? vroeg ik hem.

—Onder broeders, honderdvijftig piasters.

—Dan zal ik het van u koopen!

—Van mij koopen?—vroeg hij verwonderd. Effendi is dat u ernst?

—Waarom dan niet?

—Omdat ik het paard niet heb!

—Dat doet er niet toe! Ik zal het zelf wel halen!

—Waar dan?

—Bij de dieven. Wanneer ik hen achterhaal, zal ik hun meteen uw paard afnemen.

—Maar als dat u nu eens niet gelukt!

—Dat is mijn zaak. Kort en goed, ik koop het van je, wanneer gij tenminste bereid zijt den koop te sluiten.

—Met groot genoegen, want ik zal het dier toch nooit terug krijgen. Maar Effendi, neem mij niet kwalijk, gij betaalt toch zeker eerst, als gij het paard in uw bezit hebt.

—O neen! Wie weet hoe lang ik die schurken nog moet nazitten en waar ik hen dan zal vinden. Hoe moest ik u dan het geld doen toekomen? Ik zal u die tweehonderd piasters dadelijk geven.

—Honderd vijftig heb ik gezegd.

—Neen, tweehonderd!

—Dan hebt gij mij verkeerd verstaan!

—Dat is mijn schuld! Ik heb gemeend twee honderd piasters en heb verklaard dat ik het daarvoor kocht. Wilt ge?

—En voor uw kinderen geef ik dan nog een fooi van vijftig piasters. Hier hebt gij dus twee honderd vijftig piasters.

Dat was dus nauwelijks dertig gulden voor het beste paard van dien man. Maar in gindsche streken betaalt men voor een gewoon slag paarden heel andere prijzen als bij ons. Buiten heeft zelfs iedere arme man een paard, want goedkoope, soms zelfs kostelooze weiden vindt men overal. Dat de mandenmaker geen paard had, was wel een bewijs dat hij zeer, zeer arm was.

In weerwil van de kleine som, bereidde ik daarmede den man groote vreugde. Het verlies dat de brave man geleden had, was daarmede ruimschoots vergoed en mij maakte het niet armer, want ik betaalde met het geld dergenen die het paard hadden gestolen. Nu speet het mij, dat ik ook het geld der beide Aladschy’s niet bij mij had gestoken. Ik had daarmede brave en eerlijke menschen kunnen weldoen.

Wij ontbeten, en maakten ons toen gereed om te vertrekken. Daarbij bracht mijn voet mij in groote verlegenheid. Wat zou ik aantrekken?

Juist toen ik hierover nadacht kwam de dokter binnen.

—Effendi!—zei hij,—ik kom u mijn morgenbezoek brengen en u vragen hoe gij hebt gerust!

Hij was geheel gekleed, zooals den vorigen avond, en had een pakje in de hand.

—Ik dank u!—antwoordde ik. Ik heb heerlijk gerust en ik hoop dat dit ook met u het geval zal zijn geweest.

—Allah heeft dezen uw wensch niet vervuld, want ik heb den geheelen nacht geen oogenblik geslapen. Ik had het hoofd zóó vol van zwavelzure kalk, dat het mij onmogelijk was een oog dicht te doen en toen ik eindelijk in slaap viel, droomde ik dat de zee van kalk en water was en de hemel van katoen, en onophoudelijk in de zee werd gedoopt en dan om mij heen geslagen. Dit vreeselijke verband begon mij eindelijk zoo te drukken, dat ik geen adem meer kon halen. Ik gilde van angst en.... toen werd ik wakker. Maar ik had mij zoo verzet tegen het verband leggen, dat ik uit mijn bed tot midden op den vloer was gerold!

—Dan kunt ge u nu zoo ’n klein beetje voorstellen hoe het uw “model”, gisteren te moede moest zijn geweest.

—Heel aangenaam zal hij het wel niet hebben gevonden, maar toch ligt hij alweer een uur bij mij. Hij heeft den linkerenkel en twee vingers van de rechterhand gebroken. Hij is prachtig verbonden en rookt tabak en drinkt daarbij limonade en eet sinaasappels.

—En is hij geheel vrijwillig gekomen?

—Neen, ik heb hem zelf moeten halen!

—En hoe staat het met uw gipskaftan?

—Die hangt reeds, aan een ijzeren stang, voor mijn deur, en een massa menschen staan er naar te kijken! Ik heb er een jongen bijgezet, die aan het publiek moet uitleggen, wat die kaftan beduidt en dan mag iedereen vrij binnen komen om het vinger- en enkelverband van mijn model te bekijken. Het zal niet lang meer duren of ik ben een beroemd man, en dat heb ik aan u te danken. Hoe gaat het met uw voet?

—Zeer goed.

—Dan beveel ik u, als lijfarts, de grootste, meest volkomen rust voor dit lichaamsdeel aan. Men is buiten bezig paarden te zadelen! Gij zijt toch niet voornemens te vertrekken?

—Dat ben ik van plan.

—Hm! dat is onvoorzichtig!

—Ik weet dat ik het kan wagen.

—Ja, gij waart reeds gisteren avond van plan, om heden uw reis voort te zetten. Maar wat zult gij gedurende de reis om uw voet doen?

—Daar heb ik ook al over gedacht.

—En ik heb er den geheelen nacht over gedacht, en toen is mij iets goeds ingevallen. Ik heb op het land een rijken patiënt, die door jicht wordt geplaagd. Zijn voeten zijn gezwollen, en het steekt en trekt hem in al zijn teenen. Ik heb hem, hier in de stad, een paar mooie zachte jichtlaarzen laten maken, die ik aan hem wilde sturen. Ik kan gemakkelijk voor hem een paar andere bestellen. Gij hebt de lintwormen en het skelet niet van mij willen aannemen, en ik hoop dat gij mij nu niet met beschaamde kaken zult laten staan, maar mij zult veroorloven, u deze laarzen als bewijs van mijn hoogachting en dankbaarheid aan te bieden.

Hij maakte nu het pak open, en haalde de laarzen tevoorschijn, zij waren uit stevige stof gemaakt, met flinke zolen en rondom met leer bezet.

—Doe mij het genoegen, Effendi, en pas de linkerlaars eens aan!—vroeg hij.

Ik voldeed gaarne aan zijn verzoek. De laarzen pasten en ik zeide hem, dat ik het geschenk gaarne zou aanvaarden. Hij was daarover zeer verheugd, en bedankte mij recht hartelijk. Toen ik hem duidelijk wilde maken dat ik hem, niet hij mij dank verschuldigd was, liep hij de deur uit, en wenschte mij, vóór hij die sloot, een recht gelukkige reis.

Toen de mandenmaker weer terug kwam, zouden we opbreken, en ik vroeg den waard naar het bedrag onzer rekening.

—Gij zijt mij niets meer schuldig, Effendi!—antwoordde hij.

—Maar wij moeten u toch betalen!

—Er is reeds betaald.

—Door wien?

—Door den Hekim. Gij hebt hem iets geleerd, waarmede hij zeer veel geld zal verdienen. Hij laat u nogmaals alleronderdanigst groeten en wenscht u gelukkige aankomst in uw vaderland!

—Sihdi!—fluisterde Halef mij toe—verzet u er niet tegen, maar neem het aan. Die Hekim is een verstandiger en netter mensch dan ik dacht. Hij weet de gastvrijheid op prijs te stellen, en in het boek des levens, zal hem daarvoor een zachten dood worden toegedacht.

Met groote moeite kwam ik op de binnenplaats en werd daar te paard geholpen. Eenmaal in den zadel gezeten, ging alles goed. Wij reden weg, andermaal, zonder betaald te hebben.

In een nauwe straat, waar wij doorreden, zag ik een menigte menschen staan. Uit het huis, waarvoor zij stilstonden, hing een wit voorwerp. Toen wij dichterbij kwamen, herkende ik den kaftan, en daarboven de fez met de sigarenlintjes. De Hekim had het dus niet alleen voor de grap gezegd. Daar hing de kaftan inderdaad, een prachtig voorbeeld van Turksche reclame.

Mij kwam een en ander volstrekt niet belachelijk voor, en ook de menschen die zich er omheen verdrongen, keken hoogst ernstig. Ik hield stil en stuurde den mandenmaker naar binnen om te vragen of de heer des huizes thuis was. Hij kwam met een ontkennend antwoord terug. De vrouw van den dokter konden wij toch onmogelijk een afscheidsbezoek brengen.

Toen wij de nauwe straten met de talrijke kleine winkeltjes achter ons hadden, sloegen wij de straat in, die naar Skopia voert. De afstand daarheen is nagenoeg even groot als van Ostromdscha naar Radowitsch. Wij volgden die straat echter maar voor een klein gedeelte. Zoolang wij op den straatweg waren, ging het in galop. Toen sloeg onze gids rechts af, tusschen twee met boomen begroeide hoogten die een dal vormden, waardoor een beekje stroomde.

Dit dal liep al heel gauw tamelijk steil naar boven, en toen zagen wij al heel gauw een kalen bergrug waar geen boom te bekennen was en die zich naar het noorden uitstrekte. Dien reden wij in draf langs.

Wat zal ik van die streek zeggen? Men herinnert zich natuurlijk die plekjes het best, waar men iets heeft ondervonden of beleefd, en dat was hier niet het geval. De mandenmaker voerde ons door onbegroeide streken, die niet de minste landelijke bekoorlijkheid hadden.

In Karbinzy, een dorp op den linkeroever der Bregalnitza, hielden wij halt, en namen afscheid van hem. Hij kreeg een extra belooning, waarmede hij zeer in zijn schik was. Daarna reden wij de rivier over, om te Warzy te komen, dat op den rechteroever ligt. Door dit dorp loopt een reeds oudtijds bekende en druk gebruikte rijweg, die de zuidelijk van Istib gelegen hoofdplaatsen, met Karatowa Kostendil, Dubnitza, Radomir en eindelijk met Sophia verbindt. Wij trokken nog over de kleine Sletowska, en bevonden ons toen in het dorp Sbiganzy, voor het oogenblik het doel van onzen rit.

Ongeveer ’s morgens om negen uur, naar onzen tijd gerekend, hadden wij Radowitsch verlaten en te drie uur kwamen wij aan. Wanneer wij met gewone snelheid hadden gereden, zouden wij het dorp niet voor den nacht hebben bereikt.

1 Zie “De Karanirwan Khan in Albanië”.

2 Zie Karl May’s “In de Schuilhoeken van den Balkan”.

3 Zie Karl May’s “Schuilhoeken van den Balkan”.

Negende hoofdstuk.
In de rotsholte.

Inhoudsopgave

Het dorp Sbiganzy is geen onaanzienlijke plaats; het verdient echter meer een marktvlek te heeten, omdat er een bazar is. Midden tusschen de Bregalnitza en de Sletowska gelegen, is het land zeer waterrijk en vruchtbaar. En van andere plaatsen, waar wij door waren gekomen, onderscheidde zich Sbiganzy, door den bouw der huizen, die welvarendheid der inwoners verried.

Natuurlijk lieten wij ons terstond een Khan aanwijzen. Deze bestond uit vele gebouwen, die een zeer groote binnenplaats omsloten. De geheele inrichting bewees dat de eigenaar een Bulgaar moest zijn.

En dat was ook zoo.

Hij ontving ons bijzonder vriendelijk, gaf mij de voornaamste titels, omdat hij een paardenkenner was en mijn Rih bewonderde, en noodigde ons uit, bij hem binnen te komen.

De man had twee vertrekken, een voor de gewone reizigers en een beter voor de gasten die hij voor aanzienlijker hield en als zoodanig wilde ontvangen.

Twee knechten moesten mij van ’t paard tillen en in het mooie vertrek binnen dragen, waar, tot mijn verwondering, een ligstoel stond, waarop een lange breede zachte matras lag. Men had dit meubel bijna een canapé kunnen noemen.

Toen hij zag met wat verwondering ik naar dat meubel, waar men mij op lag, keek, zeide hij, met zelfvoldoening glimlachende:

—Gij verwondert u, Heer, deze sofa hier te vinden? Ze is in Sophia gemaakt en op een wagen hier gebracht. Gij zult een Rahat Otturmak (woordelijk: rust der ledematen) gewoon zijn, waarop men met kruiselings over elkaar geslagen beenen zit, want ik zie dat gij een Muzelman en Hadschi zijt, maar ik ben een Christen en mag met uitgestrekte beenen zitten. Daar de uwe gezwollen zijn, zult gij dezen ligstoel zeer gemakkelijk vinden.

—Ik ben deze manier van zitten van mijn jeugd af gewoon,—luidde mijn antwoord. Ik ben geen Muzelman.

—En gij draagt het Hamaïl, het teeken der Mekka-bezoekers!

—Is dat verboden?

—Ja, zeer streng.

—Door wien?

—Door de Khalifen.

—Christen zijnde, heb ik met hen niets te maken. Ik heb er ook niets tegen, wanneer een Muzelman onzen Bijbel mocht dragen.

—Wanneer gij een Christen zijt en van jongsaf gewoon aan een sofa, dan hoort gij wel ver van hier thuis?

—Ik ben uit Alemania.

—O, dat ken ik heel goed!

—Werkelijk? Dat verheugt mij zeer.

—Ja, het ligt naast Baweria (Beieren), waar de Wolga is, en naast Iswitschera (Zwitserland), waar de Tuna (Donau) in den Ak Deniz Adalary (Middellandschen archipel) mondt.

—Ik hoor met genoegen, dat gij de grenzen van mijn vaderland kent. Menschen, die zoo op de hoogte zijn, vindt men hier niet veel.

—Omdat zij niets willen leeren en te dom zijn om iets op te merken,—antwoordde hij met innig welbehagen. Maar ik houd oogen en ooren open en wat ik eenmaal weet, dat houd ik in mijn hoofd. Ik weet nog meer, nog veel meer van uw vaderland.

—Van iemand zoo als gij, verwondert mij dat niet.

—Uw Sultan heet Gillem musafer (Willem de overwinnaar), maar toch ook Gillem baryschdyrydschy (Willem de vredevorst). Zijn grootvizier is Ismark bilasatschly (Bismark zonder haar), en uw geweren heeten Jakma ijneleri (zundnagels). Uw hoofdstad is Munik, waar het beste Arpa suju (bier) gebrouwen wordt, waarvan gij bij mij drinken kunt, zooveel gij maar wilt.

—Arpa suju hebt gij?—viel ik in. Dat brouwt gij zelf?

Ik begreep, dat mijn goede Beier hier geweest zou zijn, om voor zijn bierrecept vrije vertering te krijgen.

—Ja,—antwoordde hij. Ik maak het zelf, en het wordt veel gedronken, vooral in den zomer.

—En waar maakt gij het uit?

—Heer, dat moet gij mij niet vragen.

—Waarom niet?

—Het is een groot geheim.

—O, in Baweria kent ieder kind dat geheim. Ik ken allerlei bier-geheimen en weet, hoe men donker en lichtkleurig bier maakt, het zware en het dunne, ook het heldere, dat men Ak arpa (eiwitbier) noemt.

—Heer, dan zijt gij een nog veel knapper brouwer, dan de man, die het mij heeft geleerd.

—Van waar was die man?

—Uit Stambul.

Aha! ’t moest mijn Beier zijn.

—En waar wilde hij heen?

—Naar zijn geboorteland.

—Maar van hier uit, langs welken weg?

—Naar de Tuna.

Naar de Donau, dus noordwaarts. En ik wilde naar het Westen. Ik kon den ijverigen zendeling van Cambrinus dus onmogelijk inhalen. Ik zou gaarne zijn spoor gevolgd en hem getroffen hebben, om hem te doen blozen over zijn leerling, bij wien ik kort geleden een Turksch preparaat van zijn Duitsch recept had gedronken.

—Ik heb al van hem gehoord en ook van zijn bier gedronken,—zei ik.

—Hoe was het, Heer?

—Zeer..... warm!

—Maar dan moet men er koud bronwater bij gieten. Zal ik voor u er een kruik van halen?

—Zeer zeker.

—Een groote kruik?

—Geef mij eerst een kleine, om te zien, hoe het smaakt.

Hij ging, juist toen mijn vrienden aankwamen. Zij hadden hun paarden in een achter de huizinge liggende weide gebracht en onder bewaking van een knecht gesteld. Toen ik hun zei, dat zij bier kregen, was de vreugde algemeen. Toch meende ik op te merken, dat hun vreugde-betoon meer uit beleefdheid voor mij, dan uit blijdschap over het beloofde bier, voorkwam. Mijn vaderlandschen drank moesten zij natuurlijk met gejuich begroeten.

De herbergier bracht een kruik, die ongeveer anderhalf liter inhield. Dapper opende ik de sluisdeuren van mijn mond, en zette er de kruik aan. Werkelijk, ik voelde zoo iets van koolzuur in mijn neus prikkelen.

—Waarin bewaart gij deze Arpa suju?—vroeg ik.

—In groote kruiken, die ik goed dicht maak.

—Waarom sluit gij ze?

—Omdat dan in de Arpa suju een gisting ontstaat, waardoor het lekkerder gaat smaken. Er stijgen dan blaasjes en pareltjes op.

—Wie heeft u dat gewezen?

—De Bawerialy, die mij het koken van de Arpa suju geleerd heeft. Proef het gerust!

—Ik proefde niet, maar ik dronk, want het brouwsel was werkelijk niet slecht. Mijn vrienden deden eveneens. Daarom bestelde ik nu een veel grootere kruik, waardoor ik terstond het hart van den Bulgaar won.

Hij bracht nu een kruik, waaraan wij tot den laten avond genoeg zouden hebben, en hij vroeg, of wij er ook iets bij te eten wilden hebben.

—Later, nu nog niet!—antwoordde ik. Wij moeten eerst nog een onderhoud hebben met iemand die hier woont. Kent gij al de menschen hier?

—Allen.

—Ook den slager Tschurak?

—Ook hem ken ik. Hij was slager, maar is nu veehandelaar, en reist overal heen.

Ik was het liefst naar Tschurak gegaan, om hem in zijn huis te bezoeken. Daar leert men de menschen kennen en juister beoordeelen. Tot mijn spijt kon ik echter niet loopen. En er heen rijden en mij laten dragen, dat zou even ongemakkelijk als belachelijk geweest zijn.

—In wat omstandigheden bevindt zich die man?

—In zeer goede. Vroeger was hij arm, maar de handel schijnt hem veel op te leveren, want Tschurak behoort nu tot de rijksten uit den omtrek.

—Dan staat hij zeker ook goed aangeschreven?

—Best! Hij is een zeer rechtschapen mensch, ingetogen, weldadig en hooggeacht. Als gij zaken met hem te doen hebt, zult gij hem als een eerlijk man leeren kennen.

—Dat verblijdt mij inderdaad, want ik heb met hem iets te verhandelen.

—Is het nog al van belang?

—Ja.

—Dan zijt gij maar voor een oogenblik bij mij afgestegen en zult bij hem uw intrek nemen?

—Neen, ik blijf bij u. Ik heb mij op Sbiganzy verheugd, want de omgeving is mij als zeer mooi beschreven.

—Dat is ze ook, ja, dat is ze, Heer! De ligging tusschen twee rivieren, reeds dat is iets bijzonders. En dan die prachtige bergen, die zich verder op, tot voorbij Sletowo uitstrekken. Waar gij ook komt, het is overal even heerlijk om er te wandelen.

—Dat heeft men mij gezegd. Bijzonder romantisch moet de weg naar de Derekulibe zijn.

Ik had met opzet het gesprek op de rotsholte gebracht. Ik wilde uit den mond van dezen onpartijdigen man hooren, wat dat eigenlijk was.

—Naar de Derekulibe?—vroeg hij. Die ken ik nog in ’t geheel niet.

—Het is dus geen algemeen bekende plek?

—Ik heb er nog nooit van gehoord.

—Maar er moet toch hier in den omtrek iets bestaan, dat dien naam draagt.

—Dat kan ik moeilijk gelooven. Ik ben hier geboren en heb altijd in Sbiganzy gewoond. Zoo iemand, dan zou ik die bergwoning kennen.

—Hm! Dan heeft hij, die mij er over sprak, dien naam aan die plaats gegeven.

—Dat moet dan wel zoo zijn.

—Maar al is dat het geval, dan moet er toch zoo iets van dien aard hier zijn. Naar den naam te oordeelen is het een woning, die in een berg uitgehold is. Is u misschien zooiets bekend?

—Woont daar iemand?

—Dat weet ik niet.

—Als er niemand woont, dan weet ik het. Er is werkelijk ginds in het bosch een kloof, waarvan mijn vader een schuur heeft gemaakt, zóó dat het geheel op een kloofhut gelijkt. Hij kon dat gemakkelijk doen, want al het hout, daar in de buurt, was van hem. Voor ongeveer acht jaar heeft de slager dat gedoe van mij gekocht.

Dit feit was mij een bewijs, dat deze zoogenaamde bergholte bedoeld was. Daarom vroeg ik verder:

—Met welk doel heeft uw vader dat daar gemaakt?

—Om zijn gereedschap er in te bergen: harken, schoffels, spaden en andere dingen.

—En waartoe gebruikt de slager de bergplaats nu?

—Dat weet ik niet. Ik geloof, dat hij die in ’t geheel niet gebruikt, ofschoon hij er banken in heeft laten maken, die er vroeger niet waren.

—Is dat gebouw gesloten?

—Ja. Het bestaat uit twee afdeelingen. Heel achter in de kloof is, in den berg zelf, een groeve, die mijn vader inbouwde. Waarom vraagt gij zoo bijzonder naar die hut?

—Omdat men mij er van gesproken heeft en verteld dat de weg er naar toe een zeer romantische was.

—Dan heeft men u bedrogen. Gij komt eerst door kale velden, en dan in een zoo dicht begroeid bosch, dat men er geen enkel vergezicht heeft. De wanden van het dal komen steeds dichter tot elkaar, en waar zij ineen loopen, daar is het bosch ondoordringbaar, en daar is de zoogenaamde kloofhut, bij een bron, die uit het gebergte ontspringt. Mooi kan men het daar in ’t geheel niet noemen.

Toen maakte Halef de opmerking:

—Sihdi, wij zoeken een plaats, die wij niet kunnen vinden, en van morgen hebt gij een gelijkluidenden naam genoemd. Hebt gij niet gesproken van een plaats, welker naam overeenstemt met die op het papiertje van Hamd el Amasat staat? Gij zeidet, dat de weg, dien wij gingen er ons misschien door zou brengen.

—Meent gij Karaorman?

—Ja, dat was de naam.

—Wij zoeken Karanorman en ik noemde Karaorman, wat iets anders is.

—Karanorman en Karaorman, dat scheelt maar een letter. Het is wellicht een schrijffout.

—Misschien.—Zijt gij in Karaorman bekend?—vroeg ik onzen waard.

—Ja, antwoordde hij. Ik ben menigmaal in dat dorp geweest, want onze weg naar Istib gaat er doorheen.

—En is daar een groote Khan?1

—Neen, er is in ’t geheel geen herberg. Het ligt zoo dicht bij Istib, dat de reizigers zich liever dien korten afstand naar Istib getroosten, dan in dat dorp te vertoeven.

—Het is ons om een plaats of gebouw te doen, dat Karanorman-Khan moet heeten.

—Dat is mij volkomen onbekend. Hier in de nabijheid zoekt gij het tevergeefs.

—Dat heb ik ook al gedacht. Maar wie is hier in het dorp Sbiganzy met het oppergezag bekleed?

—Dat ben ik. Voor mij was mijn vader het.

—Gij spreekt hier dus recht en vonnist?

—Ja, Effendi. Ik heb echter, wat dat betreft, hier weinig te doen. Hier is de bevolking rustig en goed. Valt er iets voor, dan zijn het altijd vreemdelingen, die het ons lastig maken. Jammer dat de macht van een Kiaja zoo weinig beteekent. Het komt voor, dat schurken ons in het gezicht uitlachen, omdat zij weten, dat zij bij de hoogere Overheid meer steun vinden dan wij.

—Dat is treurig genoeg. In zulke gevallen moet gij gestreng te werk gaan om uw ambt te doen eerbiedigen.

—Dat doe ik ook, maar vertrouw dan meer op mijzelf dan op de hooge Overheid. De schavuiten, die voor niets respect hebben, maken toch liever geen kennis met een paar stevige vuisten, en—die heb ik. Ik ga daarbij kort en bondig te werk. Het gebeurt somwijlen dat ik de partijen afransel; maar dat is niet altijd ongevaarlijk. Eenige weken geleden had het mij bijna het leven gekost.

—Hoe zoo?

—Hebt gij wel eens van de twee Aladschy’s gehoord?

—Zeker.

—Dat zijn de brutaalste en gevaarlijkste schurken, die er op de wereld zijn, echte Skipetaren, onvervaard tot vermetelheid toe, sluw als de wilde katten, gruwzaam als verscheurend gedierte. Denk eens, de een, die Bybar heet, terwijl zijn broer zich Sandar noemt, komt op een avond hier de plaats oprijden, stijgt af, loopt in de kamer heen en weer, zonder zich om de aanwezigen te bekommeren, en eischt lood en kruit van mij.

—Van u, den Kiaja? Dat is sterk!

—Brutaler kon het niet. Had ik hem gegeven wat hij vorderde, dan had ik er mijn goeden naam bij ingeboet. Ik weigerde dus. Terstond vloog hij op mij aan, en er begon een ernstige strijd.

—De overwinning bleef natuurlijk aan uw kant, want er waren menschen, die u moesten helpen.

—O, niet één verroerde een vinger, want allen waren bang voor de wraak der Aladschy’s. Ik ben ook niet van papier, maar tegen dien ijzersterken kerel was ik niet opgewassen. Hij kreeg er mij onder, en sloeg er zoo op los, dat het mij het leven zou gekost hebben, als niet twee mijner knechten toegeschoten waren. Wij kregen hem nu met z’n drieën te pakken en gooiden hem de deur uit.

—Een mooie vertooning. Het hoofd van de politie, die den struikroover gevangen moet nemen, gooit hem goedig de deur uit!

—Lach maar! Ik was blij, dat ik den kerel kwijt was. Wat zou ik met hem beginnen?

—Hem gevangen nemen en naar Uskub opzenden, dat de hoofdplaats van uw Vilajet is.

—Ja, dat was mijn plicht geweest; maar hoe het te doen? Waar zou ik hem op kunnen sluiten?

—In de dorpsgevangenis.

—Maar die hebben wij hier niet.

—Maar dan hebt gij toch in uw huis nog wel een kelder, die daar voor dienen kan.

—Dien heb ik, en menigeen heb ik daarin reeds opgesloten. Maar met den Aladschy was dat een ander geval. Om hem in den kelder te krijgen, had ik meer dan tien mannen noodig gehad. Hij zou zeker zijn wapens gebruikt hebben om zich te verweren, en zeker hadden eenigen van ons er het leven bij ingeschoten. En zelfs als het mij gelukt was hem gevangen te nemen, hoe zou ik hem dan naar Uskub krijgen?

—Gebonden op een wagen.

—Dat had gekund, ja; maar dan leefde ik nu niet meer. Toen hij wegreed, braakte hij de heftigste bedreigingen tegen mij uit. Den volgenden dag ging ik op de groote weide. Er viel een schot uit een boschje, waar ik voorbij moest. Hij had niet goed gemikt, want de kogel ging tusschen mijn arm en mijn lichaam door. Twee duim meer naar rechts en ik was in het hart getroffen geweest.

—En wat deedt gij toen?

—Ik sprong terstond achter een dikken boom en trok mijn pistolen. Toen kwam die Bybar uit het boschje te voorschijn. Hij zat op zijn muisvaal paard, en riep mij onder hoongelach toe, dat hij nu getoond had, wat mij te wachten stond; later zou hij beter raken. Daarna reed hij weg.

—En hebt gij hem nog weer ontmoet?

—Neen. Maar ik ga nu zonder mijn geweer niet meer van huis, want als ik hem ontmoet, dan sterft een van ons: hij of ik.

—Wees dan op uw hoede! Vandaag zult gij hem waarschijnlijk nog wel zien.

—Wat? Vandaag nog?

—Ik weet dat de beide Aladschy’s heden of op zijn laatst morgen naar Sbiganzy zullen komen.

—Heilige Moeder Gods! Dan kan ik er mij op voorbereiden! Hoe weet gij dat?

Ik vertelde hem mijn ontmoeting en mijn strijd met hen.

—En gij zijt er levend afgekomen!—riep hij, ten hoogste verbaasd. Dat is een wonder, een mirakel!

—Maar ik ben er niet zoo goed afgekomen als gij. Ik heb bij dat gevecht mijn voet verzwikt; daarom ziet gij mij nu in deze laarzen voor u zitten.

—Den voet verzwikt! En gij zijt hun toch ontkomen?

—Zoo als gij ziet. Maar zij hebben bij die gelegenheid vernomen, dat ik naar Sbiganzy wil gaan, en nu komen zij mij achterna om zich te wreken.

—O wee! Gij brengt ons alzoo die bandieten op den hals!

—Wilt gij me daar een verwijt van maken?

—O neen! Mijn plicht is, u te beschermen. Maar hoe leg ik dat aan? Het kan mij misschien zelf het leven kosten.

—Uw bescherming heb ik niet noodig; maar lastig zal ik u toch zijn, want gij moet iemand, die hier woont, gevangen nemen.

—Wie kan dat zijn?

—De slager Tschurak.

—Heer, dat is niet mogelijk!

—Misschien toch wel. Zie nu eerst dezen pas eens in. Daaruit zult gij zien dat ik uw hulp mag verlangen, als ik meen ze te behoeven.

Toen hij mijn legitimatie-bewijs had gezien, gaf hij het, met een diepe buiging terug en zei:

—Effendi, mijn vermoeden is bewaarheid, gij moet een voornaam man zijn, want gij staat onder de onmiddellijke bescherming van den Grooten Heer. Maar dat maakt de zaak voor mij des te moeilijker, want ik moet u in alles ter wille zijn en kan de noodige hulp van de Overheid niet krijgen. Blijf ik in gebreke u bij te staan, dan dient gij een klacht over mij in, en heb ik het ergste te wachten. Help ik u echter wel, en komen mijn superieuren daardoor in moeite, dan kom ik er niet veel beter af. Wat ik dus doe, ik ben altijd de lijdende partij.

—Wees niet bezorgd. Ik zal zoo trachten te handelen, dat gij u niet zult te beklagen hebben. Hebt gij wel eens van den Shoet gehoord?

—Zeker. Hij is de hoofdman van een bende bandieten, die in deze streek overal haar vertakkingen heeft. Men kent hem niet, men weet niet, wie hij is en waar hij woont, maar zijn manschappen zijn overal.

—Ik zoek hem.

—Gij? Ach, dan zijt gij een hoofd der politie en reist als geheim-agent in deze streek?

—Neen, ik ben geen Rijksambtenaar. Ik heb voor mijn eigen verantwoording een woordje met den Shoet te spreken.

—Maar gij vindt hem nooit uit.

—Ik ben hem al op het spoor.. Er woont hier in Sbiganzy een vertrouwde van hem.

—Dat kan niet waar zijn, Heer!

—Toch is het zoo!

—Hier wonen alleen eerlijke menschen.

—Waarschijnlijk vergist gij u.

—Wie zou die vertrouwde dan moeten zijn?

—Wel, niemand anders dan Tschurak.

—Heer, ik wil alles gelooven, wat gij mij zegt, maar dit niet!

—Die slager schijnt een doortrapte huichelaar te zijn.

—Neen, hij is een best mensch, hij is zelfs mijn vriend.

—Dan zijt gij in de keus uwer vrienden niet zeer voorzichtig geweest.

—Geef me bewijzen, Effendi!

—Dat zal ik. Maar ik moet van u de strengste geheimhouding vorderen. Tschurak mag zelfs niet vermoeden dat ik met u over hem heb gesproken.

—Ik zal zwijgen.

—Dan wil ik u voorloopig iets zeggen. Hebt gij wel eens hooren spreken over den ouden Mubarek van Ostromdscha?

—Ja. Hij heeft den naam een heilige te zijn en moet zelfs wonderen kunnen doen.

—Gelooft gij dat?

—Neen, want ik ben geen Moslem.

—Die heilige is een hoogst gevaarlijke booswicht. Hij schijnt een onderaanvoerder van den Shoet te zijn.

—Heer, gij deelt mij dingen mede, die mij verbazen.

—O, ik heb dien Mubarek ontmaskerd, en de Kiaja van Ostromdscha heeft, op grond van mijn bewijzen, hem gevangen genomen. Hij is echter ontvlucht en is nu met drie andere schurken en de twee Aladschy’s, die zijn makkers zijn, op weg naar hier.

—Dan behoede ons God!

—Zij willen den slager Tschurak bezoeken.

—Gij blijft er dus bij, dat hij ook tot de bende behoort?

—Ja. Voor het oogenblik wil ik niets van u, dan dat gij mij niets in den weg legt.

—Natuurlijk niet. Ik ben in allen opzichte tot uw dienst.

—Het is bijna onmogelijk dat de genoemde personen reeds hier zouden zijn, maar toch zou ik het zeker willen weten.

—Ze zijn nog niet hier. Indien zij aangekomen waren, dan had ik ze moeten zien. De slager woont tegenover mij, in het huis, dat gij door het zonneblind zien kunt. Tschurak zelf was ook niet in huis, hij kwam eerst een uur geleden thuis.

—Zoudt gij hem willen laten zeggen of hij zich de moeite wil geven om bij mij te komen, want dat ik iets met hem te bespreken heb?

—Het zal terstond gebeuren. Moet ik bij uw gesprek tegenwoordig zijn?

—Neen. Alleen verlang ik, dat gij hem niets zult laten merken; wees zoo vriendelijk tegen hem als altijd.

Hij ging de kamer uit, om den bode te zenden, dien ik bij den slager zag binnen gaan. Ik was zeer benieuwd Tschurak te zien. Ik stelde mij voor, een kruiperig beleefd man te zullen zien. Ik dacht, dat hij de heler der bende zou zijn en niet zoozeer een daadwerkelijk medelid.

Ik haalde de Koptscha te voorschijn, die ik den Ismilaner waard Deselim afgenomen had, en stak dat herkenningsteeken op mijn fez. Halef deed met het zijne evenzo. Men bedenke, dat ik den groenen tulbanddoek niet meer droeg.

Deze Koptscha moest mij bij den slager als lid der bende legitimeeren. Was Mubarek met zijn gezellen nog niet aangekomen, dan kon ik hopen, nu achter het zoo lang gezochte geheim te zullen komen. Natuurlijk scherpte ik het mijn vrienden in, om vriendelijk tegen Tschurak te zijn, om alles te vermijden, wat zijn argwaan opwekken kon. Al spoedig zag ik hem met den bode aankomen. Ik had mij vergist. Hij was een gansch andere persoonlijkheid dan ik mij voorgesteld had. Hij droeg een fez, een wijde lange roode broek, een blauw vest met zilveren tressen versierd, en een rood met goud geborduurd jacket met wijde mouwen. Een geelzijden chale, die om zijn heupen geslingerd was, dekte den Handschar en twee pistolen. Aan zijn voeten had hij glimmende laarzen, die tot aan zijn knieën reikten, waar de schachten de broekspijpen omsloten.

Buiten op de binnenplaats wisselde hij eenige woorden met onzen waard; daarna kwam hij naar binnen. Zijn donkere oogen namen ons met een scherpen blik op, die een oogenblik langer op mij gevestigd bleef. Die oogen maakten een eigenaardigen indruk op mij. Zij waren koud, harteloos en onmeedoogend. Het leek alsof zij nooit vriendelijk konden kijken. Een oogenblik lang trokken zij samen, zoodat zich aan de hoeken kleine plooitjes vormden. Daarna keken zij onverschillig rond.

Hij groette en boog als iemand die beleefd wil zijn, maar allerminst zijn besef van hoogheid prijs wil geven, en vroeg:

—Zijt gij de Effendi, die mij wenschte te spreken?

—Ja. Neem mij niet kwalijk, dat ik u stoor, en ga zitten.

—Neem mij niet kwalijk, dat ik blijf staan. Ik heb niet veel tijd.

—Misschien zal ik u langer ophouden, dan gij denkt. Of hebt ge soms daarom zoo’n haast, omdat gij gasten hebt?

—Ik heb geen gasten.

—En gij verwacht er ook geen?

—Neen,—antwoordde hij kortaf.

—Dan verzoek ik u te gaan zitten. Ik heb een verzwikten voet ik kan niet staan, en zou mij schamen te moeten zitten, terwijl gij zoo beleefd zijt tot mij te komen.

Nu zette hij zich. Hoe scherp ik hem ook opnam, ik kon toch niets ontdekken, wat aanleiding gaf om mijn argwaan op te wekken. Hij was geheel de zelfbewuste Skipetaar, die bij een vreemde geroepen is en nu verwacht, dat hij de reden zal hooren, waarom hij verzocht werd te komen. Hij maakte allerminst den indruk van een huichelaar, van een arglistig mensch of van een geheimen heler.

—Kent gij dit?—vroeg ik, op de Koptscha wijzende.

—Neen,—antwoordde hij.

Dat had ik verwacht. Hij kon zich aan een hem onbekende, zoo als ik, toch niet op de eerste de beste vraag blootgeven.

—Bezie dit teeken eens nauwkeurig!

Hij bekeek het met een onverschilligen blik en zeide toen:

—Pah, een knoop! Hebt gij mij daarvoor laten roepen?

—Ja,—zeide ik kortaf.

—Ik drijf handel in paarden en rundvee, maar niet in knoopen,—luidde zijn wederwoord.

—Dat weet ik wel. In dit soort knoopen wordt trouwens geen handel gedreven. Ik ben gekomen, om u een groet over te brengen.

—Van wien?—vroeg hij koel.

—Van Deselim, den waard te Ismilan, en van zijn broeder.

Op deze woorden kregen zijn oogen een vriendelijker uitdrukking, en werd zijn gezicht minder ernstig.

—Kent gij ze allebei?—vroeg hij nu.

—Zeer goed. Natuurlijk moet ik hen kennen.

—Natuurlijk? Hoezoo?

—Omdat wij broeders zijn.

—Van waar komt gij?

—Uit Stambul. Ik ben een afgezant van den Usta, van wien gij gehoord zult hebben.

—Tot wien heeft hij u gezonden?

—Tot den Shoet.

—Zult gij dien kunnen vinden?

—Dat geloof ik wel.

—Hm! Dat is niet gemakkelijk.

—Voor mij zal het dat wel zijn, want gij zult mij inlichten.

—Ik? Wat weet ik van den Shoet! Houdt gij mij voor een bandiet?

—Neen, maar voor een dapperen Skipetaar, die de beteekenis van deze Koptscha kent en dienovereenkomstig handelen zult.

—Heer, ik weet zeer goed, wat ik te doen heb. De Koptscha, die gij draagt is die van een aanvoerder; maar wij hebben dit teeken afgeschaft. Het heeft geen waarde meer, want er is te veel misbruik van gemaakt. Er zijn thans gansch andere teekens.

—Welke?—vroeg ik bedaard.

—Gij zult begrijpen, dat ik u dat niet kan zeggen, want gij moet u daarmede legitimeeren.

—Bedoelt gij de woorden?

—Ja. Het eerste woord is de naam van een plaats. Waar zoekt gij den Shoet?

—In Derekulibe.

—Heer, dat klopt. Ik weet nu dat gij werkelijk bij ons behoort. Maar het andere herkenningsteeken? Kent gij dat ook?

Ik had helaas geen aanleiding om te vermoeden, welk woord het zou zijn. Op eens dacht ik aan den veerman te Ostromdscha, en hoe die zich bij den ouden Mubarek legitimeeren moest. ’Bir Syrdasch’—een vertrouwde—had hij voor de deur moeten roepen. Zou dat ook hier het teeken zijn? Ik waagde het er op en antwoordde:

—Natuurlijk moet ik het kennen, want ik ben immers een bir syrdasch—een vertrouwde.

Nu knikte hij mij vriendelijk toe, reikte mij de hand en zeide op een bijna hartelijken toon:

—Ook dat woord is het juiste. Gij zijt een van de onzen. Ik mag u vertrouwen en heet u welkom. Wilt gij niet liever dit huis verlaten en mijn gast zijn?

—Ik dank u. Gij begrijpt zelf, dat het beter is, dat ik hier blijf.

—Gij zijt een verstandig en bedachtzaam man; dat verblijdt mij en verhoogt mijn vertrouwen. Welke boodschap hebt gij ons te brengen?

—Dat mag ik alleen aan den Shoet zeggen.

—Gij hebt dus ook leeren zwijgen. Hm! Wat zal ik doen?

Hij stond op, en bij zichzelf nadenkende, liep hij het vertrek op en neer. Eindelijk vroeg hij:

—Betreft uw boodschap een persoon of een zaak?

—Een zaak, die zeer veel opbrengen zal.

Zijn oogen fonkelden van geldgierigheid.

—En wat verlangt gij van mij?

—Dat gij mij naar de Derekulibe brengt.

—Denkt gij den Shoet daar te zullen vinden?

—Ik wil het hopen.

—Welnu, in vertrouwen kan ik u zeggen, dat hij u daar verwachten zal, wanneer ik hem bericht zend. Daar zal een klein uur mee verloopen. Hebt gij zoo lang geduld?

—Als het zijn moet, zal ik wachten, ofschoon ik haast heb.

Er lag mij natuurlijk veel aan gelegen, om Mubarek voor te zijn. Kwam deze binnen het uur hier aan, dan was mijn kans verkeken.

—Ik zal mij haasten, beloofde hij mij nogmaals. En nu een onderzoekenden blik op mijn vrienden slaande, vroeg hij:

—Wie zijn die mannen?

—Mijn vrienden en mijn metgezel.

—Komen zij voor dezelfde zaak?

Ik zeide van ja, en hij vroeg verder:

—Willen ook zij den Shoet zien?

—Dat is niet bepaald noodzakelijk. Het is voldoende wanneer ik alleen met hem spreek.

Er gleed een nauwlijks merkbaar en niet te beschrijven lachje over zijn gezicht. Hij draaide de punten van zijn lange snorren op, keek de drie mannen nogmaals onderzoekend aan en antwoordde:

—Zij moeten ook meekomen. De Shoet zal ben ook willen zien, omdat zij met u hier gekomen zijn.

—Ook dat is mij goed.

—Maar, Heer, ik zie dat gij laarzen aanhebt, als iemand die lijdt. Wat hebt gij aan uw beenen?

—Bij het rijden heb ik mijn voet verzwikt; ik kan dus niet loopen.

—Maar hoe wilt gij dan naar de Derekulibe komen?

—Te paard.

—Dat bewijst onbekendheid met den weg. Te paard kunt gij onmogelijk door het struikhout komen.

—Zou misschien de Shoet zich de moeite willen geven om bij mij te komen?

—Wat denkt gij wel! Al verzocht de Padischa zelf het hem, hij deed het niet.

—Dat wil ik best gelooven!

—Overigens laat hij zijn gezicht nooit zien. Hij maakt het altijd zwart. En zoo zou hij toch niet hier kunnen komen!

—Neen, dat begrijp ik. Maar hoe zal ik dan naar hem toe komen?

—Daar is maar één middel op: Gij moet u laten dragen.

—Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. De dragers zouden het niet volhouden.

—Geen nood! Zij moeten u ook niet op hun armen dragen; men neemt eenvoudig een draagstoel. Die zal ik u bezorgen. Mijn moeder is zoo oud en zwak, dat zij niet meer loopen kan. Ik heb daarom een draagstoel voor haar laten maken, opdat zij bezoeken zou kunnen afleggen, zonder te veel van haar voeten te moeten vergen.

—Daarmee zult gij mij zeer verplichten. Zoudt gij ook dragers willen bestellen?

—Hoe krijgt gij dat in uw hoofd! Dragers! Kunnen wij vreemden dat laten doen? Dan bleef onze schuilplaats niet lang geheim. Uw eigen mannen moeten uw dragen.

—Goed; laten zij den draagstoel dan halen.

—Dat kan zoo terstond maar niet. Ik moet den Shoet eerst waarschuwen. En dan moet gij den waard zeggen, dat gij een vriend van mij zijt en hij alles moet doen, wat ik hem zeg.

—Waarom?

—Omdat ik niet weet, wat gij den Shoet te zeggen hebt en wat het gevolg van uw onderhoud zal zijn. Het is mogelijk, dat ik als bode naar het dorp terug moet. Misschien noodigt de Shoet u uit om zijn gast te zijn, of wie weet wat verder besloten zal worden. Ik moet dan toch bij den waard als uw gemachtigde kunnen optreden.

—Ook daartoe ben ik bereid,—zeide ik.

—Welnu dan: over een uur kunt gij den draagstoel laten halen en gaat gij er het dorp mee uit. Ik wacht u daar buiten, want het is beter dat men ons niet samen ziet.

Hij ging naar het zonneblind, dat op de binnenplaats uitzicht gaf en riep den waard, wien hij zeide:

—Ik heb met dezen Effendi zaken. Over een uur zal hij van hier gaan, en u misschien door mij een boodschap zenden. Daarom laat hij u zeggen, dat gij alles doen moet, wat ik u namens hem opdraag. Vraag het hem zelf.

De waard keek mij vragend aan, en ik bevestigde wat gezegd was. Daarna ging de slager weg. Ik zag, dat hij zijn huis inging en het een oogenblik later weer verliet.

—Heer, ik begrijp u niet,—begon nu de waard, die was blijven staan. Ik weet, gij houdt den vleeschhouwer voor een slecht mensch, en toch geeft gij hem zulk een volmacht. Als hij hier komt, moet ik dan doen wat hij zegt?

—Volstrekt niet. Ik deed het maar voor den schijn en trek nu mijn volmacht weer in. Het kan zijn, dat ik hem zend, maar dan geef ik hem een blaadje uit mijn opschrijfboekje mee, waarop alleen het woord “Allah” zal staan. Toont hij u dat, dan doet gij wat hij wil; heeft hij zoo’n blaadje, met dat woord er op, niet, dan weigert gij hem alles.

—Dan zal hij boos worden.

—Dat is voor u niet zoo erg, als dat ik boos op u wordt. Hij kon het misschien op onze wapens en op mijn paard verzien hebben. Hebt gij een stal, die afgesloten kan worden?

—Ja, Heer.

—Laat dan onze paarden daarin brengen, en ze door twee man bewaken; ik zal die menschen betalen. Alleen aan ons geeft gij de paarden af. Begrepen?

—Zeer goed. Gij brengt mij echter in een toestand, die minder aangenaam is.

—Ik zie daar niets onaangenaams in. Gij hebt de dieren voor ons te stallen en te zorgen dat ze niet gestolen worden. Dat is alles. Gij zoudt ons de schade moeten vergoeden.

—In ’s hemels naam dan! Als ik uw paarden moest betalen, zou ik mijn huis er voor moeten verkoopen! Ik zal mee de wacht houden.

—Doe dat, en breng ons nu iets te eten.

Wij aten, en een uur later haalden Osko en Omar den draagstoel uit het huis van den slager. Ik zette mij er op, en scherpte het den waard nog eens in, hoe hij te handelen had, en ging toen op weg.

De twee genoemden droegen den stoel. Hun geweer hadden zij over hun schouder hangen. Halef liep vooruit en droeg drie geweren: het zijne en de twee van mij, waar op den stoel geen plaats voor was. Toen wij het dorp achter ons hadden, zagen wij den slager. Hij zag ons komen en liep nu een goed eind voor ons uit. Eerst toen wij het bosch bereikt hadden, waar men ons van uit de verte niet kon zien, bleef hij staan en wachtte ons op.

Met verwondering, bijna toornig zag hij ons aan en zeide:

—Hoe nu, gewapend, alsof wij ten strijde gingen!

—De wapenen teekenen den vrijen man, antwoordde ik.

—Maar hier hebt gij ze niet noodig!

—Wij zijn gewoon er ons nooit van te scheiden.

—Dat zult gij nu toch moeten doen, anders krijgt gij den Shoet niet te spreken. Hij duldt niet dat men gewapend voor hem verschijnt. Wanneer gij uw wapenen bij den ingang van zijn verblijf neerlegt, dan zijn ze goed bewaard, want ik zelf zal er bij blijven.

—Ik geef mijn wapens niet af,—zei ik met beslistheid,—en als de Shoet dan niet met ons wil spreken, dan wil ik u niet verder lastig vallen.

Dat gezegd hebbende, gaf ik terstond bevel tot omkeeren. Ons troepje wendde zich naar het dorp toe. De slager liet een half onderdrukten vloek hooren en zeide:

—Halt! Dat kan zoo maar niet! Ik heb den Shoet laten waarschuwen, en ik zou van een slechte reis komen, als ik u niet bij hem bracht.

—Zorg dan, dat hij ons zulke onzinnige voorwaarden niet stelt!

—Iets onzinnigs doet de Shoet nooit. Ik wil zien, of ik voor u verlof kan krijgen, uw wapenen bij u te houden. Het zou mij echter verwonderen, als hij met u een uitzondering maakte.

Echt boos liep hij weer voort, en wij volgden hem.

Het beviel mij in ’t geheel niet, dat hij er zoo op stond, ons wapenloos te maken. Zou Mubarek toch reeds gekomen zijn? Werden wij nu in een val gelokt, waaruit niet te ontkomen was? Welnu, zoolang wij gewapend waren, hadden wij niet te vreezen. Maar als wij nu onderweg overvallen werden! Ik was weerloos. De draagstoel bestond uit een draagbaar met een verdek van houten traliewerk. Ik moest met gekruiste beenen zitten, wat mij met mijn verzwikten voet zeer moeilijk viel, en ik kon mij bijna niet bewegen. Eer ik de kapdeur opengestooten had en er uit was gesprongen, had ik bij een overrompeling een kogel beet. En er uit springen kon ik in ’t geheel niet van wege mijn voet. Een schot van uit een boschje zou Halef, ondanks zijn drie geweren, ook hulpeloos maken. Osko en Omar droegen den stoel; zich terstond verweren, konden zij evenmin. Wij bevonden ons in een hoogst gevaarlijken toestand.

Het bosch was niet zoo dicht, als de slager mij het voorgesteld had. Wij hadden zeer goed onder en tusschen de boomen door kunnen rijden. Ook deze onware voorstelling verminderde mijn wantrouwen niet. Ik schoof de deurtjes van de kapdekking een weinig open en hield mijn revolver gereed.

Wij bevonden ons in een dal, welks wanden elkaar steeds meer nabij kwamen. Waar zij zich aaneen sloten, werd halt gehouden. Wij hadden ongeveer een half uur gebruikt om hier te komen.

—Hier zijn wij er,—zeide de slager, toen de beide dragers den stoel neerzetten. Kom van den draagstoel af, Heer!

Ik schoof de deuren geheel open en keek naar buiten. De rotswanden stegen loodrecht omhoog, en hadden op het punt, waar zij samen liepen, een vrij ondiepe insnijding, een kloof, die volkomen kaal was; want in het veldspaath, waaruit de rots bestond, was geen uitstekend stuk en geen scheur, waar eenige plant had kunnen wortelen.

Tegen de kloof aan stond de uit knuppelhout opgetrokken schuur. Het dak was uit hetzelfde materiaal gemaakt en met boomschors gedekt. De deur scheen slechts aan te staan.

—Dien mij aan, voor ik van mijn stoel kom,—antwoordde ik.

Hij ging naar binnen en liet de deur open. Ik zag dat langs de kanten, voorwereldlijke banken aangebracht waren.

Tegenover den ingang, was een tweede deur, die eveneens open stond. Deze was zeer smal en laag, ging naar binnen open en was voorzien van een ijzeren kram, waar een lange grendel door kon gestoken worden, die nu er bij, op den grond lag.

Dat was blijkbaar de achterafdeeling, waarvan de waard mij gesproken had. Ik meende op te merken, dat er licht ontstoken was.

Het viel mij op, dat van uit het dak een heiningachtige rij knuppelstokken het onderste deel der kloof nagenoeg onzichtbaar maakte. Men kon er niet doorheen zien. Daar achter konden gemakkelijk tal van personen verborgen zijn.

De slager kwam bij ons terug en zeide:

—Heer, de Shoet verlangt, dat gij de wapens zult achterlaten.

—Dat doen wij niet.

—Maar waarom niet? De Shoet is geheel alleen.

—O, bang zijn wij allerminst; wij geven onze wapenen niet af, omdat wij dat niet gewoon zijn.

—Maar de Shoet wil nu eenmaal niet, dat een gewapende voor hem zal staan.

—Werkelijk niet?

—Neen, nooit!

—En toch zijt gij nu bij hem geweest, met een mes en twee pistolen in uw gordel!

Die opmerking bracht hem in verlegenheid, hij antwoordde echter:

—Met mij is dat heel iets anders. Ik ben zijn innigste vertrouweling.

—Dan geven wij het op,—zei ik vast besloten. Halef, wij keeren terug.

Reeds grepen Omar en Osko toe, toen de slager ze ophield, zeggende:

—Heer, gij zijt voor geen rede vatbaar, ik wil nog eens voor u vragen, of de Shoet toegeven kan.

Hij ging andermaal binnen en kwam ditmaal terug met de boodschap, dat wij, zooals wij waren, mochten komen. Ik ging niet uit mijn stoel, maar liet mij naar binnen dragen. Halef moest door de tweede deur kijken en fluisterde mij in:

—Er is maar een enkele ongewapende man binnen, met een zwart gemaakt gezicht!

—Zijn er deuren daarbinnen?

—Geen enkele.

Hoe smal en laag deze tweede deuropening ook was, toch kregen mijn dragers er den stoel doorheen. Bij het schijnsel eener lantaren zag ik, dat deze holvormige ruimte driehoekig was. De grondlijn van dezen scherphoekigen driehoek werd gevormd door de voorzijde met de deur. Langer waren de beide zijden, die uit de gladde rotswanden bestonden. Geheel achter in den hoek stond de dievenlantaren, waarnaast de Shoet zat. Hij droeg een zwart talaarachtig gewaad en had zijn gezicht met roet zwart gemaakt. En daardoor, en doordien hij niet in de belichting van de lantaarn zat, waren de trekken van zijn gelaat niet op te nemen. Ook kon ik niet goed zien, waar de zoldering van deze rotsholte uit bestond. Wij bevonden ons in de kloof. Boven ons was het goed dicht gemaakt, want anders zou het daglicht van boven ingekomen zijn. Osko en Omar hadden den draagstoel zoodanig neergezet, dat de schuifdeuren van de kap naar den Shoet gericht waren. Deze gaf aan de lantaren een dusdanige richting, dat het volle licht mij bescheen. Bij den ingang stond de slager. Dit alles had een avontuurlijke tint, maar spelde geen gevaar.

De Shoet begon:

—Gij hebt mij willen spreken. Wat wilt gij van mij?

Zijn stem klonk gedempt en hol, alles behalve natuurlijk. Was dat een gevolg van de slechte akoustiek der ruimte, of veranderde hij opzettelijk zijn stemgeluid, om later er niet aan herkend te worden?

Hij had nog maar deze weinige woorden geuit, en toch was het mij of ik die stem meer had gehoord. Het was niet de toon noch de nuance er van, maar het was de uitspraak der enkele woorden, die mij op deze gedachte bracht.

—Zijt gij de Shoet?—vroeg ik.

—Ja,—antwoordde hij langzaam.

—Dan heb ik u groeten over te brengen.

—Van wien?

—Allereerst van den Usta in Stambul.

—Maar die leeft niet meer!

—Wat zegt gij?

—Hij is dood. Men heeft hem van de gaanderij van den toren te Galata afgeworpen.

—Scheitan!—ontviel Omar, die er hem afgegooid had.

Hoe kon de Shoet dat weten? Geen bode had zoo snel kunnen reizen als wij.

—Weet gij het nog niet?—vroeg hij.

—Ik weet het,—antwoordde ik.

—En toch brengt gij mij zijn groet, den groet van een doode?

—Gij wilt toch niet beweren, dat hij mij dien niet vóór zijn dood kan opgedragen hebben?

—Dat zou kunnen zijn. Maar de moordenaar zal zijn straf niet ontkomen. Langzaam en ellendig zal hij den hongerdood sterven, zonder eenige lafenis tegen den brandenden dorst. Hebt gij ook nog andere groeten te brengen?

—Ja, van Deselim uit Ismilan.

—Ook die is dood. Hij heeft zijn nek gebroken, en men heeft zijn Koptscha gestolen. Ook zijn moordenaar zal sterven, zooals die van den Usta. Verder!

—Verder breng ik u de groeten van den ouden Mubarek en van de beide Aladschy’s.

—Deze drie zijn mij reeds zelf komen groeten. Dit hadt gij dus niet meer te doen.

—Ah! Zijn zij hier?

—Ja, zij zijn hier. En weet gij, wie ik ben?

—Ja, de Shoet.

—Neen, ik ben de Shoet niet, en dien zult ge ook niet zien. Neen, nimmer zult gij weer iemand zien, dien gij zoudt kunnen roepen. Ik ben....

Op dat oogenblik viel er een geweldige slag achter ons. De slager was verdwenen, hij had de deur achter zich dichtgetrokken. Wij hoorden, dat hij den sterken grendel er voorgeschoven had.

De lantaarn was uit.

—Ik ben.... de oude Mubarek zelf,—klonk het boven ons. Gij blijft hier om van honger en dorst te verrekken en elkaar bij levenden lijve te verslinden!

Een hoonende lach begeleidde deze woorden; boven ons werd een opening zichtbaar. Wij zagen een dubbele strik, waarin de oude Mubarek hing en omhoog werd getrokken. Hij verdween door het luik, dat achter hem dichtviel. Wij bevonden ons in volslagen duisternis.

Dat alles was zóó vlug gedaan, dat wij het onmogelijk hadden kunnen verhinderen. Had ik niet in den draagstoel gezeten en geen verzwikten voet gehad, dan zou het den schurken misschien niet zoo gemakkelijk gevallen zijn, om ons in deze val op te sluiten.

—Allah!—riep Halef. Daar is die oude bedrieger ons boven uit ontsnapt, en wij hebben hem laten gaan, zonder hem een kogel na te zenden, en we hadden er toch tijd genoeg voor!

—Dat is zoo, Heer! Wat zijn we dom geweest!—zeide Osko.

—Ja,—viel Halef in. Tot nog toe waren slechts enkelen van ons zoo dom, maar ditmaal houdt de Sihdi ons gezelschap.

—Wel, Halef, gij hebt volkomen gelijk,—stemde ik toe. Maar hoor eens!

Wij hoorden een woest gebrul voor de deur. In krankzinnige opgewondenheid beukte men er op, en noemde een ieder zijn naam en knoopte aan zijn voorstelling de afschuwelijkste vervloekingen vast. In satanischen wellust beschreven ze, wat ellendige dood ons te wachten stond. Er viel niet aan te twijfelen, wij waren hier opgesloten, om den hongerdood te sterven.

—Sihdi, niet een ontbreekt er: ze zijn er allemaal!—verzekerde Halef.

—Allah! Wanneer ik hier uit kon komen wat zou ik ze toetakelen met mijn zweep!

—Laat uw zweep maar rusten, die kan ons niet helpen.

—Wij moeten dus verhongeren! Meent gij dat wij dit zullen doen?

—Ik wil hopen van niet. Wij willen nu eerst deze ruimte eens onderzoeken. De beide rotsmuren bieden ons geen kans. Wij moeten door de deur of boven uit.

—Heer, hebt gij uw lantarentje niet bij u, dat kleine fleschje, waarin olie is, met phosphor?—vroeg Halef.

—Ja, dat heb ik altijd bij mij. Hier hebt gij het.

Wanneer men een stukje phosphor in een fleschje met olie doet, dan straalt de phosphor licht uit, zoodra men de stop er af doet, omdat dan zuurstof er bij kan komen. Dan krijgt men, naar de grootte van het fleschje en de reinheid van het glas, een meer of minder helderen glans.

Ik heb altijd zulk een fleschje bij mij, ook wanneer ik niet op reis ben. Het bewijst, bij het trappenklimmen in ons onbekende woningen, en bij donkere, ons vreemde stegen en straten, zeer goede diensten. Geslepen glas is natuurlijk het beste.

Halef nam het kleine lantaarntje, liet er lucht in stroomen en kon de deur voldoende belichten. Deze was van binnen met sterk plaatijzer beslagen, dat er op geklonken was, en de scharnieren waren in de steenen kozijnen met lood vastgegoten. Misschien zouden wij die ingegoten scharnieren los kunnen krijgen, maar verstandiger was het, eerst een anderen uitgang te zoeken.

En dat begonnen wij nu te doen. De bodem van onze driehoekige gevangenis was even als de twee zijwanden, rotsgrond. De voormuur was uit veldspaath opgetrokken en zoo sterk gevoegd dat er geen doorkomen aan was. En daar het plaatijzer op de deur geklonken was met dikkoppen, konden wij met onze messen niets uitrichten. Maar boven door de zoldering, door het luik, dat zich achter Mubarek gesloten had? Omar klom op Osko’s schouders en kon zelfs met de toppen van zijn vingers er niet bijkomen. Wij moesten vooreerst ook van dezen uitweg afzien. Het lag voor de hand, dat wij de scharnieren trachtten los te krijgen en mijn drie gezellen gingen moedig aan den arbeid. Hun messen knarsten en knetterden, en hun eenig succes was..... spotgelach van die ons hadden gevangen!

Inderdaad was dan ook ons plan, om langs dezen weg uit te breken, geen bewijs van rijp overleg. Want al gelukte het ons al, om de deur open te krijgen, dan—en dit hadden wij moeten bedenken—dan zouden wij, van ter zijde af, neergeschoten zijn, voor wij zelf nog een schot hadden kunnen lossen. Toch hielden wij vol. Uren verliepen, maar het werk vorderde niet. Osko’s mes brak, en ik gaf hem mijn deugdelijk Amerikaansch bowiemes.

Ik kon niet meewerken. De tijd begon mij lang te vallen, daarom kroop ik op mijn knieën naar de deur, om te zien hoever men in al die uren gevorderd was. Helaas, geen halven duim! Ik greep nu zelf mijn mes en begon te boren, maar met zoo weinig succes dat ik na een kwartier weer ophield. Het was jammer van de krachten die wij nutteloos uitgeput hadden, en—ook Omar’s mes brak.

—Laten wij zoo niet voortgaan, zeide ik.—Wij zullen onze krachten nog wel beter kunnen gebruiken. Misschien komt onze waard ons opzoeken, als wij niet terugkeeren. Ik heb hem gezegd, dat de slager tot de bende behoort. Als wij wegblijven, zal hij zich ongerust maken en naar hier komen, want hij kent deze plaats, die vroeger zijn eigendom was. Hij weet dat wij met den slager op iets uit zijn gegaan.

—Maar hij weet niet waarheen!—viel Halef in.

—Ik heb, helaas! vergeten het hem te zeggen; maar wij hebben over deze rotsholte gesproken, en hij zal ons zeker hier komen zoeken.

—Dat geloof ik niet, want hij is bang voor de Aladschy’s. Als hij die hier ziet, loopt hij weg.

—Het is de vraag, of die dan nog hier zullen zijn!

—Dat zullen zij zeker, want men zal ons hier niet onbewaakt achterlaten.

—Wij willen vooreerst uitrusten en wachten. Dat wij nu nog bewaakt worden, is zeker. Als wij eenigen tijd niets doen, dan hooren zij ook niets en denken, dat wij ons in ons lot schikken. Dan zullen zij de bewaking ook wel opgeven.

Wij hielden ons rustig en wanhoopten niet. Maar dat lijdelijk wachten viel mijn vrienden eindelijk te zwaar. Zij hielden bij mij aan, om een of ander te beproeven, en wel zoo sterk, dat ik ten leste toegaf.

—Komaan, dan willen wij de zoldering met het luik nader onderzoeken,—zeide ik. Het zou kunnen zijn, dat ze het luik niet hadden gesloten.

—Maar, daar kunnen wij niet bij! Toen Omar op mijn schouders stond, ging het nog niet,—bracht Osko tegen mijn voorstel in.

—Dan maken wij de pyramide nog hooger. Laat Halef op Omar’s schouders gaan zitten. Misschien komen wij er dan. Gij zijt sterk genoeg, om ze allebei te houden.

Halef nam het lantaarntje, stak het bij zich, en klom op Omar’s schouders, waarop hij ging zitten. Omar aldus met Halef verlengd, stapte nu op Osko’s rug en hield zich aan de rotswanden in evenwicht. Osko zelf, die als een viervoeter, met voeten en handen op den grond had gestaan, richtte zich langzaam en onwankelbaar op. De piramide stond. Halef strekte de armen uit en gaf te kennen:

—Sihdi, ik voel de zoldering!

—Spreek zachter! Er kon iemand bij staan. Neem nu de lantaarn!

Ik zag boven in den hoek, waar Mubarek verdwenen was, het licht-fleschje schemeren. Halef hield het in zijn linkerhand, terwijl hij met zijn rechter de zoldering onderzocht.

—Zij bestaat uit sterke boomstammen,—fluisterde hij. Het valluik is van planken gemaakt.

—Dat is best, dan is de zoldering op dat punt niet dik. Klop er eens tegen, om uit den klank te weten,’ hoe dik dat luik is.

—Maar dan hoort men mij!

—Het zou zeer zeker te wenschen zijn, dat men ons niet hoorde; maar voor ons is het echter nuttig, te weten of er boven ons wacht wordt, gehouden.

Hij klopte, en terstond hoorden wij boven ons hardop lachen en uitroepen:

—Hoort, ze zijn daarbinnen bij het valluik!

Buiten bij de deur klonk de vraag:

—Zit de grendel er goed op?

—Natuurlijk!

—Dan kunnen zij het luik ook niet open krijgen. Zij zullen op elkaars schouders geklommen zijn.

—Ja, zij vertoonen hun kunststukken. Nu, als de honger begint te knagen, zullen zij nog wel andere sprongen maken. Ik zou wel zin hebben om het luik open te doen.

—In geen geval!

—Maar dan kon ik ze met de kolf van mijn geweer op den kop tikken.

—Dat kunnen wij altijd nog doen. Laat ze kloppen!

—Hebt gij het gehoord, Sihdi?—vroeg Halef. Zullen wij ons met hun kolven laten doodslaan?

—Neen. Wij zullen die heeren verzoeken van het luik weg te gaan.

—En gelooft gij werkelijk dat zij dat zullen doen?

—Ik zal het hen zóó verzoeken, dat zij zich zullen haasten er aan te voldoen. Klim af, Halef, ik ga uw plaats innemen.

Osko bukte weer langzaam tot op den grond. Omar steeg van zijn rug af en daarna sprong Halef van Omar’s schouders.

—Rust nu eerst wat uit,—zeide ik,—want een inspanning is het toch altijd geweest. Ik ben zwaarder dan Halef en zal langer op u moeten blijven staan, dan hij.

Wij wachtten eenige minuten; toen nam Omar mij op zijn schouders.

—Past nu dubbel op, dat wij niet vallen,—waarschuwde ik.—Met mijn verzwikten voet zou een val voor mij dubbel gevaarlijk zijn.

—Weest maar niet bang, Heer,—antwoordde Osko. Ik zal staan, als een boom. De rotskloof is hier zóó eng, dat ik met beide ellebogen er tegen steunen kan. Vaster kan men niet staan.

Nu steeg Omar op de aangegeven manier op de schouders van Osko. Ik was langer dan de kleine Hadschi en behoefde mijn armen zelfs niet uit te strekken, om bij het luik te komen. Ik stootte er met mijn hoofd bijna tegen aan. Ik had het phosphor-fleschje bij mij en belichtte de planken. Aan de eene zijde van het luik was een ijzeren duim, waar de grendel door werd geschoven. De beide punten van den duim waren door het hout geslagen en van binnen haaksgewijze weer in het hout gedreven.

Ik tikte met den knokkel van mijn wijsvinger, en naar den klank te oordeelen, konden de planken hoogstens anderhalven duim dik zijn. Op mijn getik volgde ook nu een beantwoording:

—Hoort gij het? Ze zijn weer aan den gang. Nu, zij zouden mij mee moeten optillen, als zij het luik al openbraken.

Daar ik nu dichter bij den sprekende was, herkende ik duidelijk de stem van den slager. De plek, vanwaar de stem kwam èn de woorden verrieden dat hij op het luik zat. Dat was een onvoorzichtigheid, die men van een bandiet niet zou verwacht hebben.

Hij lachte hoonend. Een tweede lach beantwoordde den zijne. Daarna hoorde ik de woorden:

—Deze muizen kunnen niet ontkomen, want de katten zitten voor de val.—Deze stem herkende ik niet; maar toch hoorde ik dat de spreker naast het luik zat, juist boven mijn hoofd.

—Hoort gij wel?—vroeg Halef. Ze zijn er nog, nu kunt gij hen verzoeken om weg te gaan. Ik zou wel eens willen weten, hoe gij dat zult aanleggen.

—Dat zult gij terstond hooren. Reik mij mijn geweer toe, Osko en Omar moeten onbeweeglijk blijven staan.

—Ah, nu begrijp ik het. Welk geweer?

—Den berendooder.

Ik had dit, zooals van zelf spreekt, zeer zachtjes gezegd, opdat het door de twee boven mij, niet zou worden gehoord. Halef gaf het geweer aan Osko, die het Omar toereikte.

—Let nu goed op,—Omar! fluisterde ik. Ik heb hier in de hoogte geen ruimte om mijn geweer aan te leggen; ik kan alleen den loop vasthouden, en daarheen richten waar de kogels moeten treffen. Ik zeg ’een’ en ’twee’. Gij neemt den kolf in beide handen. Bij ’een’ schiet gij den rechterloop af, en daarna, als ik weer gemikt heb, dus bij twee, den linker. Begrepen?

—Ja, Heer!

Ik had mijn tweeloops-geweer in de hand en richtte het op het midden van het luik, waar de slager moest zitten.

—Nu!—Eén!

Het schot knalde. Boven ons klonk een kreet van schrik en een gil.

—Allah! Zij schieten!

Dat was niet de stem van den slager, maar die van den andere. Deze laatste zat op dat gedeelte van de zoldering, dat uit boomstammen was gemaakt. Ik richtte nu den linker loop op een plek, waar twee stammen tegen elkaar lagen, en de kogel dus niet een stam, maar slechts de basten had te doorboren.

—Twee!

Het tweede schot van mijn berendooder dreunde in de enge ruimte bijna als een kanonschot.

—O Allah, Allah!—kermde de getroffene. Ik ben getroffen! Ik ben dood!

De slager had geen geluid gegeven. Wel had ik zijn gil gehoord, maar verder niets. Luid gekerm weerklonk.

—Osko, worden wij u te zwaar?—vroeg ik.

—Zoo langzamerhand, ja.

—Dan willen wij wat uitrusten; wij hebben geen haast.

Toen ik weer op den grond zat en de anderen bij mij stonden, zeide Halef:

—Ja, Sihdi, zulke verzoeken kan men niet afslaan. Hebt gij raak geschoten?

—Tweemaal. De slager schijnt dood te zijn. De kogel is waarschijnlijk door de edele deelen van zijn zitvlak in zijn lichaam gedrongen. De andere is maar alleen gewond.

—Wie kan dat zijn?

—Waarschijnlijk de gevangenbewaarder. Was het een ander geweest, ik zou hem aan zijn stem herkend hebben. Dien heb ik zóó weinig hooren spreken, dat ik mij zijn stem niet herinneren kan.

—Gij houdt het er dus ook voor, dat geen andere zich weer op de zoldering zal wagen?

—Die domheid zal geen derde begaan, want het is duidelijk dat het hem het leven kan kosten.

—Maar hoe krijgen wij het luik open? Dat is de hoofdzaak!

—Ik zal de ijzeren kram uit het luik wegschieten. Een paar goede schoten op de spijkerpunten, waarmee ze in de planken vastzit, zullen wel genoeg zijn. Ik laad twee kogels op ieder schot, dan moeten ze er uit.

—Ah, als u dat gelukte!

—Dat gelukt zeker.

—Dan vlug naar boven en weg uit dit hok!

—Oho! Dat gaat maar zoo gauw niet. Hoe zult gij er uit komen?

—Wij klimmen op de schouders van Omar.

—En hoe komen Osko en Omar er uit?

—Wel, wij trekken ze omhoog er uit.

—Ja, als Omar ook op de schouders van Osko gaat staan, kunnen wij hem optrekken, maar dan kunnen wij niet bij Osko komen.

—Dat is geen bezwaar. Als wij er uit zijn, dan gaan wij van het dak af, en doen de deur open, waardoor wij binnen zijn gekomen.

—Alsof men ons dat zoo ongehinderd zou laten doen! En ook voor mij zal dat bezwaarlijk gaan. Gij vergeet mijn verzwikten voet.

—Nu, op de een of andere manier moet dat toch mogelijk te maken zijn.

—Dat spreekt van zelf! Ik hoop, dat wij het touw, waarmede Mubarek opgetrokken is, nog wel zullen vinden. Dan zouden wij ons daarmee kunnen laten afzakken; maar wij moeten eerst nog op veel bedacht zijn. Wij zullen natuurlijk, zoodra wij daar boven uit komen, met de noodige kogels begroet worden.

—Ik geloof niet dat er hier boven nog iemand zal zijn.—zei Halef.

—Hier op de zoldering, neen, dat geloof ik ook niet, maar op het dak hier nevens, zullen er des te meer zijn. Die kunnen uit hun verdekte positie veilig op ons schieten.

—O wee! Dan kunnen wij er toch nog niet uit?

—Wij zullen het toch beproeven. Ik ga voorop.

—Neen, Sihdi, ik! Zouden wij u laten doodschieten?

—Wij u soms?

—Wat is er aan mij verbeurd!—antwoordde de trouwe Hadschi.

—Zeer veel! Denk aan uw Hannah, de lieflijkste aller vrouwen en meisjes. Ik heb geen Hannah, die op mij wacht.

—Maar gij zijt, ook zonder een Hannah, meer waard, dan ik met de tien mooiste rozen uit den harem van het Paradijs.

—Laten wij daar niet over twisten! De hoofdzaak is, zooals ik u eerlijk moet zeggen, deze, dat ik meer op mijzelf vertrouw dan op u. Ik ga voorop, gij moogt de tweede zijn. Maar gij moogt niet komen, voor ik u roep.

Ik nam mijn groen-zijden tulbanddoek uit mijn zak en wond dien om mijn fez. Halef zag het bij het schijnsel van het lichtfleschje en vroeg:

—Waarom doet gij dat? Wilt gij u ten doode wijden?

—Neen, ik zal den tulband op den loop van mijn geweer steken en dien door het luik omhoog houden. Naar zich denken laat, zullen zij het er voor houden, dat er iemand uit wil komen, en zij zullen schieten. Dan moeten zij laden, voor zij weer kunnen schieten, want zij hebben geen twee-loops geweren, en vóór zij daarmee klaar zijn, overval ik hen met mijn Henribuks, waarop ik vier en twintig schoten heb.

—Mooi! Prachtig! Schiet goed raak en laat er geen een ontsnappen!

—Hoe zou ik zeker zijn van mijn schot, nu het donker is?

—Donker?

—Natuurlijk! Gij vergeet dat wij hier al heel lang opgesloten zijn geweest. De zon moet al onder zijn. Maar mij dunkt, wij hebben lang genoeg gerust en kunnen beginnen. Denkt er aan: als ik er uit ben, mag Halef tot aan het luik komen; maar eerst dan er door klimmen, als ik het zeg.

Ik hing mijn Henri aan mijn schouder en hield mijn berendooder, welks beide loopen ik met twee kogels geladen had, in de hand. Daarna nam Omar mij weer op zijn schouders en klom op die van Osko. Ik moest mij haasten, om de beide genoemden niet te veel te vermoeien.

—Wij schieten weer zooals we straks deden, Omar,—fluisterde ik hem toe. Eerst schiet gij den rechterloop af, daarna den linker. Ik leg op de krampunten aan. Vooruit!—Een!—Twee!

De schoten knalden, en de kogels vlogen door alles heen, want ik kon door de beide gaten heenzien, daar er een vuur brandde.

—Zij hebben voor de deur een vuur aangelegd,—zeide ik. Dat is voor ons zoowel goed als kwaad. Want nu kunnen wij hen wel zien, maar zij insgelijks ons.

—Hoe staat het met de kram?—vroeg Halef.

—Dat willen wij zien.

Ik stootte tegen het luik, en dat gaf mee. De zware berendooder had zijn plicht gedaan.

—Geef het geweer nu aan Osko, Omar, want het luik gaat open. Opgepast allebei! Ik moet op Omar’s schouders knielen.

Niet zonder moeite kwam ik in die houding, moest echter bukken, want ik stootte met mijn hoofd. Ik wierp nu het luik omhoog en—het sloeg om. Met mijn Henrigeweer, schietvaardig, wachtte ik eenige oogenblikken. Er bewoog zich niets. Toch moest men het luik hebben hooren openslaan. Ook moesten zij dat gezien hebben, want het was helder licht, door het vuur dat voor de deur brandde en tegen de rotswanden opflikkerde.

Ik stak nu mijn tulband op den loop van mijn geweer, dat ik langzaam omhoog hief, daarbij zuchtende als iemand die zich moeilijk naar boven werkte.


Ik stak nu mijn tulband op den loop van mijn geweer, dat ik langzaam omhoog hief. (Bladz. 183).

Mijn list had het gewenschte gevolg: er vielen twee schoten. Een kogel had den loop van mijn geweer even geraakt, zoodat het mij bijna uit de handen vloog.

In minder dan geen tijd was ik nu met mijn bovenlijf door de opening van het luik. Ik zag het vuur. Op het dak van het voorvertrek lag een mensch—het lijk van den slager, zooals ik terstond zag. Ook stonden daar de twee mannen, die van achter het hekwerk, dat ons scheidde, op mijn tulband hadden geschoten.

Die onvoorzichtigen hadden een voornaam iets niet bedacht, namelijk, dat ik hen beter kon zien dan zij mij, omdat zij in het licht stonden, dat achter hen brandde. Een van hen was bezig op nieuw te laden, en de ander hief zijn geweer op om op mij te schieten.

Terstond legde ik op hem aan. Hij was aan mijn genade overgeleverd, maar ik wilde hem niet dooden en mikte dus op zijn linker-elleboog, dien hij mij voorhield. Ik trok af. Hij liet zijn geweer vallen, gaf een gil en viel van het dak naar omlaag. De ander wendde zich oogenblikkelijk om, sprong zijn gewonden makker achterna en vluchtte naar het vuur. Het was Bybar, de Skipetaar. Bij het vuur zaten zijn broeder, Manach el Barscha en Barud el Amasat.

—Zij komen, zij komen! Ga weg van het vuur!—brulde hij. Gij zit in het licht, zij schieten u neer!

Het drietal sprong op en alle vier vluchtten naar het bosch. Hij, wiens elleboog ik stuk geschoten had, moest dus de oude Mubarek zijn. En nu herinnerde ik mij, dat zijn arm buitengewoon dik was geweest. Onder zijn mouw zat nog het verband van het schot, dat hij bij de ruïne van Ostromdscha gekregen had.

Ik kroop tot aan den rand van het platform. Juist! Beneden op den grond zes el of iets lager onder mij, lag de oude schelm, bewegingloos. Toen zij nog op het dak waren, had ik ze niet herkend, verdekt opgesteld als zij waren. Hier aan de zijzijde van het voorvertrek, waar ik over den rand hen bespiedde, drong het licht niet door. Het was er tamelijk donker. Indien het mij mogelijk was aan dien zijkant naar omlaag te komen, dan kon ik door de in het bosch verscholenen niet gezien worden.

Daarover denkende, hoorde ik achter mij:

—Sihdi, ik ben het! Mag ik er uit komen?

—Ja, Halef; maar ga niet rechtop staan, anders zien zij u en schieten.

—O, wij zijn kogelvrij.

—Geen gekheid! Kom!

Hij kroop door de opening.

—Oho, wie ligt hier?

—De slager. Mijn kogel heeft hem gedood, zooals ik wel dacht.

—Dan heeft hij zijn verdiende loon al gauw gekregen. Allah zij hem genadig!

Scherper rondziende, zag ik een ijzeren ring in den rotswand vast gemaakt. Door dezen ring liep een touw, aan welks einde twee lussen waren, wat wij al gezien hadden, toen Mubarek opgehaald werd.

—Sihdi, aan dat touw zal de gevangenbewaarder zich afgelaten hebben.

—Waarschijnlijk wel, Halef. Deze machinerie is met opzet hier aangebracht. Zou het spelletje, dat ze met ons vertoond hebben, ook al met anderen gespeeld zijn?

—Ach Effendi, misschien zijn al heel wat menschen hier in die rotsholte van dorst omgekomen!

—Van deze schurken kan men zoo iets verwachten; zij waren het tenminste wel degelijk van plan. Als wij nu dit touw naar binnen laten zakken, dat kunnen Osko en Omar gemakkelijk bij ons komen.

Zoo gezegd, zoo gedaan. Al gauw zaten die twee bij ons. Wij tuurden wat wij konden, maar trachtten te vergeefs een der in het bosch gevluchten te ontdekken.

Ik haalde het touw naar ons toe en sloot het luik weer dicht.

—Zoudt gij denken, Sihdi, dat wij nu, zonder opgemerkt te worden, ons met dat touw naar omlaag kunnen laten zakken?—vroeg Halef.

—Ja,—zeide ik,—want het is hier donker. Trouwens, wij zullen het wagen. Wij kunnen de proef nemen met den slager. Een kogel meer, zal hem niet hinderen. Schieten ze op hem, welnu ik heb mijn geweer tot antwoorden gereed. Zie ik hun schot flikkeren, dan heb ik een mooi mikpunt.

Het lijk werd neergelaten, langzaam aan, om onze vijanden tot schieten te verleiden. Niets bewoog zich.

—Ik ga nu het eerst naar omlaag,—zeide ik. Ik kruip terstond tusschen het struikhout en dan verder het bosch in. Als zij nog hier zijn, moet ik ze daar zien. Maar er is ook een bron; bij gevolg zullen er ook padden en kikkers zijn. Het geluid van die dieren valt dus niet op. Gij blijft hier, tot gij mij een van die dieren hoort nadoen. Hoort gij een pad, dan blijft gij hier tot het vuur uit is. Kwekt een kikvorsch, eens en diep uit de borst, dan komt gij langs het touw omlaag, maar blijft staan tot ik kom.

—Dat is te gevaarlijk voor u, Sihdi!

—Pah! Als de oude Mubarek, die hier ligt, ons maar geen kwaad brouwt en zich bewusteloos houdt. Ook de gevangenbewaarder moet ergens zitten. Neem u in allen gevalle goed in acht. Ik ga.

De berendooder lag in de rotsholte. Mijn Henrigeweer hing ik om, greep het touw en daalde in allerijl omlaag. Daar lag het lijk en er naast Mubarek, onbeweeglijk, als was hij dood.

Het touw was veel langer dan noodig. Ik sneed er een duchtig stuk af en knevelde er den ouden schurk mee. Zijn arm bloedde, en het bleek mij, dat ik zijn elleboog verbrijzeld had. Misschien was hij bij zijn val op zijn hoofd neergekomen en bewusteloos geworden.

Nu kroop ik verder, altijd langs de rots, door varens en struiken gedekt. Tevens was mijn oog aldoor gevestigd op de plek waar het vuur brandde. Zoo kon mij niets ontgaan, wat er tusschen het vuur en mij mocht wezen.

Ik voelde mij volkomen veilig. Wat wisten die menschen van het besluipen, zooals ik dat bij de Indianen geleerd had! Zij dachten niet anders, of wij waren nog op het dak, en zij keken, indien ze er nog waren, natuurlijk daarheen en niet naar wat achter hen gebeurde. Ook al ontdekten zij waar ik was, dan behoefde ik hen nog niet te vreezen. Met de vele schoten, die ik op mijn geweer had, was ik ze dan toch nog de baas. Ik kon rustig blijven zitten, en ze alle vier neerschieten.

Ik zal ongeveer vijftig passen ver gekomen zijn, toen ik paarden rook. Ik sloop verder en hoorde stemmen. Weldra zag ik paarden en menschen. De dieren waren aan de boomen gebonden, de mannen stonden bij elkaar, zacht sprekende.

De paarden stonden niet onbeweeglijk stil. Zij hadden zich tegen nacht-insekten te verweren, ze stampten met hun hoeven en sloegen met hun staart om zich heen. Dit maakte zooveel leven, dat zelfs een ongeoefende hen benaderen kon.

Eindelijk had ik ze bereikt. Ik kroop tusschen twee paarden en lag daar, in lang rietachtig gras verborgen. De mannen stonden niet verder dan drie pas van mij af.

—Mubarek is er geweest,—hoorde ik Manach el Barscha zeggen. De oude was een ezel om daar te gaan staan.

—Dan was ik er ook een?—vroeg de Aladschy.

—Gij waart voorzichtiger en hebt u niet laten treffen.

—Hij zou ook mij neergeschoten hebben, als ik het niet op een loopen had gezet.

—Maar wie heeft geschoten?

—Wie? Moet gij dat nog vragen! Natuurlijk hij, de Effendi genoemd.

—Hij, met den verzwikten voet, hij zou door het luik gekropen zijn?

—Zeker. Had hij maar zijn nek gebroken, in plaats van zijn voet! Dan zou ik Allah nog eens bedankt hebben. Maar men ziet toch, dat hij wel degelijk kwetsbaar is.

—Pah! Dat hij kogelvrij zou zijn, heb ik nooit geloofd. Dat is een leugen.

—Een leugen? Hoor eens, ik geloof het nu nog meer dan ooit. Mubarek had hem op de korrel, toen hij het hoofd door het luik stak. Ik mag vervloekt zijn, als ik hem niet getroffen heb. Ik kan hem niet gemist hebben. De monding van mijn geweer was geen twee armlengten van zijn hoofd af, dat wij duidelijk zagen. Wij hebben allebei hem getroffen. Ik zag, dat zijn hoofd terug sloeg, want zoo’n kogel heeft een vreeselijke kracht, als hij aanslaat; maar op hetzelfde oogenblik, dat wij hem raakten, hoorde ik onze kogels tegen de rots slaan. Ze moeten van zijn hoofd afgesprongen zijn, en ze zouden, bij terugkaatsing, ons getroffen hebben, als wij niet verdekt opgesteld geweest waren. En ook te zelfder tijd had de kerel op Mubarek aangelegd en hem neergelegd. Hij moet hem het hoofd doorschoten hebben, want de oude gaf maar een enkelen gil en viel dood naar omlaag. Het zou mij eveneens vergaan zijn, als ik niet terstond op de vlucht was gegaan.

—Wonderlijk! Om bang van te worden!

—Ja. Gij weet, dat ik zelfs voor den Scheïtan niet uit den weg ga, maar voor deze kerel ben ik angstig bang. Men kan hem alleen met het mes of met een heidukkenbijl aan het lijf komen, en dat zullen wij van daag hebben.

—Maar weet gij zeker, dat ge uw geweer geladen hadt?—vroeg Manach el Barscha.

—Volkomen zeker. Ik had met opzet een dubbele prop op den kogel gedaan. Verbeeld u, vier voet van af zijn hoofd, brandde ik los!

—Hm! Kreeg ik maar eens de gelegenheid, om op hem te schieten! Ik zou er de proef wel eens van willen nemen.

—Waag het niet! het zou u het leven kosten, want hij kaatst den kogel terug. Hadt mijn raad maar gevolgd, en den kerel overvallen, toen hij onder weg in den draagstoel zat! Toen was hij in onze macht.

—Mubarek verbood het ons.

—Dat was dom van hem.

—Ja, maar wie kon vermoeden, dat het zoo zou loopen! En het was een prachtige gedachte, die honden daar binnen van honger te laten verrekken. Maar de duivel heeft ze in zijn bizondere bescherming genomen. Ik wil hopen, dat hij zich nu eindelijk eens neutraal houdt.

—Het is toch al te dol, den slager door het luik heen, dood te schieten en het been van den ander te vermorzelen! De arme jongen heeft een ellendigen dood gehad.

—Om zijn dood zal ik niet treuren,—zei Barud el Amasat. Hij stond mij al lang in den weg, en wij hadden niets dan last van hem. Men kon geen vertrouwelijk woord samen spreken. Daarom heb ik hem, toen hij binnen gedragen was, nog een kolfslag gegeven.

Afschuwelijk! De gevangenbewaarder was, door dengene, dien hij bevrijd had, vermoord! Hij betaalde die misdaad wel duur. De vier schurken waren toch echte galgebrokken.—Laten we nu een besluit nemen, voor de tijd verloopt!—stelde Sandar voor. Zullen wij ze aanpakken, waar zij nu nog zijn?

—Neen,—antwoordde Manach el Barscha. Daar is het te licht. Zij zien ons daar, en dan zijn wij verloren, omdat zij kunnen schieten en onze kogels hen niet kunnen schaden. Wij moeten hen in ’t donker overvallen, zonder dat zij het vermoeden. Vier houwen of steken, en zij zijn er geweest.

—Daar ben ik het mee eens; maar waar zal het gebeuren?

—Natuurlijk in het bosch.

—Neen, hoog opgaand hout deugt voor onzen aanval niet. Bij den uitgang van het bosch zijn wij zekerder, vooral van onze worpen. Daar geven de sterren genoeg licht, om ons niet te vergissen. Zij zullen denzelfden weg volgen, waarlangs zij gekomen zijn; want een anderen kennen zij niet. Zij moeten dus in onze handen vallen. Het beste is, dat wij hen opwachten in het struikhout, waar het vrije veld begint.

—Goed zoo,—stemde Bybar in, wiens klankgeluid verried dat zijn mond en neus gewond waren. Wij zijn met ons vieren, en zij ook. Ieder van ons neemt er dus een voor zijn rekening. Ik kies voor mij den Effendi: gij zorgt voor de dragers en den kleine. Hij heeft mij het gezicht kapot geslagen, ik wil hem het licht uitblazen.

—Maar hij zal in den draagstoel zitten, want hij kan, met zijn voet, niet loopen. Hoe zult gij hem dan te pakken krijgen? Voor gij de schuifdeuren open hebt, heeft hij, met zijn pistool u gegroet, zoo dat gij geen vin meer verroert.

—Denkt gij dat ik hem die kans nog zal geven, of mij om dien stoel iets bekommer? Ik zal het kort met hem maken. Met mijn Czakan sla ik de kap te morzelen, met dien eenen slag raak ik den kerel zoo geducht, dat hij naar geen tweede zal vragen, maar voor altijd genoeg heeft.

—En als u dat niet gelukt?

—Het zal, het moet gelukken!

—Denk aan wat gebeurd is! Overal en altijd hebben wij gedacht, dat ons plan gelukken moest, en toch zijn die Satanskinderen er altijd beter afgekomen dan wij. Men moet steeds op alles bedacht zijn. Wij kunnen gestoord worden, wat dan?

—Hm! Als wij te weten konden komen, wanneer zij van Sbiganzy vertrekken!

—Toch zeker morgen! Zij zullen denken, dat wij vluchten, en daarom niet talmen met ons te volgen.

—Welnu, dan voeren wij het plan uit, dat wij dezen namiddag bespraken: wij zenden hun onzen Suef op den hals, die zal ze aan onze genade overleveren. Hij is de slimste vogel, dien ik ooit gezien heb, en hij kent het terrein tusschen hier en Prisrendi zoo precies als ik mijn zak. De keus van de plek, waar wij zullen aanvallen, kunnen wij gerust aan hem overlaten.

—Dan stel ik voor, nu op weg te gaan. Wij weten niet, wanneer die kerels zullen opbreken. Het zou verdrietig zijn, als ze eerder weggingen, dan wij.

Langer kon ik niet wachten en kroop als een kreeft, terug tot aan de rots, en toen verder naar mijn metgezellen. Toch bleef ik, goed verscholen, op eenigen afstand uitzien, of onze vijanden werkelijk vertrokken.

Nog een kort eind kroop ik voort, maar toen richtte ik mij op en ging met mijn hand tegen de rots leunende, strompelend verder. Het optrekken van mijn linkerbeen, bij het kruipen noodig, was inderdaad een te groote inspanning geweest, maar zoo leunende kon ik, op mijn rechtervoet alleen, wel vooruit komen. Ik zag er van af om het gekwek van een kikvorsch na te bootsen, want ik was al gauw onder de belichting van het vuur, en daar ik rechtop stond, zagen de vrienden mij.

—Komt maar hier! riep ik ze toe.

Ze lieten zich zakken, en toen was ik zóó moe, dat ik moest gaan zitten.

—Laten wij die twee snaken eens visiteeren, zeide Halef. Misschien hebben zij een en ander bij zich, dat ons van nut kan zijn.

—Van den slager neemt gij niets,—gebood ik. Wat er in zijn zakken is, komt ons niet toe. Daarover beschikke de Kiaja. Maar wat Mubarek bij zich heeft, dat nemen wij.

Hij had een mes en een paar oude pistolen bij zich. Zijn geweer lag op het dak; wij hadden het niet noodig. Maar twee buidels, groote volle buidels, haalde mijn kleine Hadschi uit zijn zak.

—Hamdullillah! riep hij uit. Hier heb ik de Kahlifen en de geleerdheid van den Koran! Sihdi, dat is goud, goud, goud!

—Ja, die den Kodscha Bascha zóóveel voor zijn vrijlating kon geven, moest wel goud hebben. Wij kunnen het hem afnemen, zonder te moeten vreezen, onrecht te doen.

—Natuurlijk nemen wij het!

—Maar wie zal het hebben? Zullen wij het deelen, Halef?

—Effendi, wilt gij mij iets schandelijks laten doen? Houdt gij uw Halef voor een dief? Ik neem het hem af, om het aan behoeftigen te geven. Herinner u eens, hoe de waard in dat kleine dorpje was, en hoe gelukkig die Nebatja, en ook die arme mandenmaker! Met dit geld kunnen wij aan heel wat honger en kommer een einde maken, en voor ons Allah’s zegen verkrijgen.

—Dat antwoord had ik van u gewacht!

—Sihdi, steek dat geld bij u!

—Neen gij steekt het bij u; gij zult onze aalmoezenier zijn beste Halef!

—Dat ambt neem ik dankbaar aan! Ik zal het eerlijk en trouw waarnemen. Laten wij nu het geld natellen.

—Daar hebben wij nu geen tijd voor; wij moeten weg! Breng nu die twee mannen in de rotsholte. De doode gevangenbewaarder ligt er reeds in.

—Dus hebt gij hem ook doodgeschoten?

—Neen, slechts gewond, en Barud el Amasat heeft hem met de kolf van zijn geweer de hersens ingeslagen, omdat de man hem hinderlijk was.

—Wat een schoft! Laat hij eens in mijn handen vallen!—Pak aan, gij beiden! Eerst dragen wij den Effendi voor in de hut.

Toen zij mij in het voorvertrek neergezet hadden en zich verwijderden om het lijk van den slager en Mubarek te halen, hoorde ik erbarmelijk steunen. De bewaarder was dus nog niet dood. Halef moest toen hij terugkwam, een stuk glimmend hout halen. Bij het schijnsel zagen wij de lantaarn van den oude. Dat ding stond op de bank, en wij staken het aan.

Nu konden wij den kermende beter zien. Hij zag er verschrikkelijk uit. Mijn kogel had zijn dijbeen verbrijzeld en tengevolge van den kolfslag, gaapte zijn hersenpan. Hij was reddeloos verloren en staarde ons met starre oogen aan.

—Hier hebt gij mijn fez, Halef; breng water!

Deze hoofddekking wordt zoo fijn geweven, dat men er water in kan doen. Wij gaven den stervende eenige lafenis en goten hem aanhoudend water over het hoofd. Dit scheen hem goed te doen. Zijn oogen kregen weer eenigen glans. Hij zag ons aan, alsof hij weer begon te denken.

—Kent gij ons?—vroeg ik.

Hij maakte een toestemmende beweging.

—Gij zult binnen weinige oogenblikken voor den eeuwigen Rechter staan. Weet gij wie u de hersens ingeslagen heeft?

—Barud el Amasat,—fluisterde hij.

—Aan wien gij een weldaad hebt bewezen. Gij zijt verleid. Allah zal u vergiffenis schenken, wanneer gij berouwvol sterft. Zeg mij: is de oude Murabek de Shoet?

—Neen.

—Wie is dan de Shoet!

—Ik weet het niet.

—Weet gij ook niet, waar hij is?

—Zij gaan naar hem toe en zullen hem in Karanorman-Khan2 ontmoeten.

—En waar ligt dat plaatsje?

—In den Schar Dagh, dicht bij een dorp, dat Weicza heet.

—Achter Kakandelen?

Hij maakte een toestemmende beweging, want spreken kon hij niet meer. Alle antwoorden had hij trouwens zoo fluisterend gegeven, dat ik mijn oor bij zijn mond had moeten brengen om hem te verstaan.

—Sihdi, hij sterft!—zei Halef medelijdend.

—Haal water!

Hij ging; zijn hulpbetoon was niet meer noodig. De man stierf onder onze handen, zonder nog een enkel woord te zeggen.

—Wij willen de lijken, en ook den Mubarek, in de rotsholte brengen—zeide ik. De Kiaja moge ze weghalen.

—Heer, de oude doet zijn oogen open. Hij is niet bewusteloos meer,—zeide Osko,—terwijl hij Mubarek met de lantaarn belichtte.

Terstond bukte zich Halef over hem heen, om te zien, of het waar was. De oude schurk was werkelijk weer bijgekomen. Hij was weliswaar voorzichtig genoeg om niet te spreken, maar zijn oogen verrieden dat hij bij kennis was. Er sprak uit de blikken, die hij op ons wierp, zulk een woeste haat, als ik nog nooit in iemands oogen gelezen had.

—Leeft ge nog, oude skelet?—vroeg Halef hem. Het zou ook doodjammer zijn, wanneer de kogel je gedood had; want dat zou te gemakkelijk voor je geweest zijn. Van pijn en ellende moet je heel, heel langzaam sterven, om een voorsmaak te hebben van het pleizier, dat een hellekind wacht.

—Hond!—siste de oude booswicht.

—Schoft. Verhongeren en verdorsten moesten wij? Dacht gij dan, dat gij zulke beroemde helden, als wij zijn, zoudt kunnen opsluiten? Wij dringen door muren heen en springen door ijzer en staal. Maar gij zult in uw eigen val versmachten, want daar sluiten wij je op.

Natuurlijk was dat maar een dreigement. Toch werd hij in de rotsholte gebracht en tusschen de beide lijken neergelegd. Een beetje doodsangst verdiende het ongedierte wel en kon hem geen kwaad.

Toen ik den draagstoel nader bekeek, bleek mij dat de kap er afgenomen kon worden. Ik liet dat doen, want daardoor had ik onderweg de vrije beweging van mijn armen, tegen wie mij zou willen overvallen. Ik nam nu mijn twee geweren bij mij, en wij vingen den terugweg aan, nadat wij het vuur hadden uitgedaan.

Eerst nog hadden wij Mubarek los gemaakt, die nu, bevrijd van het touw waarmede ik hem had gebonden, op kon staan en in de rotsholte heen en weer kon gaan. Naar boven klimmen was voor hem onmogelijk, en de met ijzer beslagen deur hadden wij ter dege gegrendeld. Wij lieten hem in den angst, dat hij hier zou blijven, zonder hulp te vinden.

Bij nacht in een bosch zonder gebaande wegen gedragen te worden, is een onzekere wandeling. Toch bleven wij in de goede richting. Mijn metgezellen liepen zoo voorzichtig mogelijk voort. Halef hield zijn pistolen en ik mijn revolver in de hand, vaardig om terstond vuur te geven. Wij konden niet te voorzichtig zijn.

Toen het bosch achter ons lag, sloegen wij rechtsaf, naar de grasvelden van de Sletowska, waar het terrein open en vlak was. Dit was wel een omweg, maar wij ontgingen aldus een strijd, waarin wij, zoo al niet gedood, dan toch gewond konden worden.

Zonder eenig ongeval kwamen wij in onze herberg aan, waar ik, door het voorvertrek dat heel wat gasten bevatte, naar de mooie kamer gedragen werd.

Daar zat de waard. Vol verbazing sprong hij op, zoodra hij ons zag.

—Wat, gij, Heer!—riep hij uit. En ge waart vertrokken!

—En dat waarheen?

—Naar Karatowa.

—Wie heeft dat gezegd?

—De slager.

—Hij is dus hier geweest?

—Ja, en hij wilde uw paarden hebben en was bitter boos, toen ik hem zeide, dat ik ze hem niet kon geven, want dat gij uw volmacht ingetrokken hadt. Hij verzekerde mij dat gij gruwelijk kwaad op mij zoudt zijn, want gij werd naar Karatowa gedragen en wildet daar uw paarden vinden bij uw aankomst.

—Als ik het niet gedacht had! Hij wilde zich van mijn hengst meester maken, en mij vermoorden bovendien.

—Vermoorden!

—Ja, wij hebben u veel te vertellen. De slager is dood.

—Heeft hij een ongeluk gehad?

—Ja, wanneer gij het ten minste een ongeluk noemt, dat ik hem doodgeschoten heb.

—Doodgeschoten!—riep hij verschrikt. Gij! Zeker is dat een ongeluk, niet alleen voor hem en zijn gezin maar ook voor u.

—In hoeverre voor mij?

—Hebt gij het met opzet gedaan?

—Wel, doodschieten wilde ik hem niet, maar wel dat mijn kogel hem zou raken!

—Gij hebt dus met voorbedachten rade geschoten, dan moet ik u als zijn moordenaar gevangen nemen.

—Daartegen protesteer ik ernstig.

—Dat zal u niet veel helpen!

—Toch wel, want ik moet u dan ook vertellen, hoe het gekomen is. En al had ik hem niet uit noodweer gedood, dan zou ik mij maar niet lijdelijk gevangen laten nemen. Hebt gij niet zelf erkend, dat de Aladschy’s struikroovers en moordenaars waren?

—Ja, want dat weet toch iedereen.

—En toch hebt gij Bybar niet gevangen genomen, toen hij in uw macht was! En mij, een man, van wiens verleden gij niet het minste kwaad weet, mij wilt gij zoo maar terstond in de gevangenis laten zetten! Hoe rijmt zich dat?

—Heer, het is mijn plicht,—antwoordde hij verlegen.

—Ja, dat weet ik wel. Maar den Aladschy liet gij loopen, omdat gij de wraak van zijn broer, van zijn bende en ook zijn eigen overmoed vreesdet. En van mij denkt gij, dat ik mij niet verweren zal en ook als vreemdeling niemand heb, die u met een kogel tot rede zal brengen.

—Oho!—riep Halef. Wie de hand uitsteekt naar mijn Effendi, dien jaag ik een kogel door het hoofd! Probeer het eens!

Hoe klein hij ook was, zijn houding was energisch en overtuigend. Men zag het hem aan, dat hij zijn woord gestand zou doen. De waard en Kiaja van het dorp had kennelijk ontzag voor hem gekregen.

—Dank, Halef, voor dat woord,—zeide ik. Wij vertrouwen dat uw tusschenkomst niet noodig zal zijn. Deze goede Kiaja zal inzien, dat ik uit noodweer den slager heb moeten dooden.

En mij tot den waard wendende, zeide ik:

—Hebt gij mij niet gezegd, dat de slager een Skipetaar was?

—Ja. Hij is zelfs een Miridiet.

—Dus hoort hij hier in ’t geheel niet thuis?

—Neen. Toen zijn vader zich in Sbiganzy vestigde, kwam hij uit Oroschi, de hoofdplaats der Miridieten.

—Welnu, wat gaat u dan zijn dood aan? Staan de Miridieten onder toezicht van den Padischa?

—Neen, het zijn vrije Arnauten.

—Weet gij ook dat zij zich alleen aan hun onderlinge rechtspraak onderwerpen, die zich grondt op de oude wetten van Lek Dukadschinit?

—Stellig weet ik dat.

—Gij hebt u dus in ’t geheel niet met den dood van den slager te bemoeien. Ik heb hem gedood, te recht of ten onrechte, dat is bij die menschen hetzelfde; op mij is de bloedwraak toepasselijk en de bloedverwanten moeten zijn dood op mij wreken. Gij hebt daar niets mee te maken.

—Ah!—zeide hij met een zucht van verlichting. Dat is juist wat ik wenschte!

—Wij zijn het dus eens. Maar er is nog een doode.

—Wie?

—Een gevangenbewaarder uit Edreneh, die een gevangene heeft laten ontsnappen en met dezen vluchtte. Hij, dien hij liet ontsnappen heeft hem gedood. Bij die twee dooden zult gij ook den ouden Mubarek vinden, wiens elleboog ik met een kogel verbrijzeld heb.

—Ook hem? Heer gij zijt toch een hoogst gevaarlijk mensch!

—Ik ben integendeel een zeer goedaardig mensch; maar zooals de zaken stonden, kon ik niet anders handelen.

—Wat was er dan gebeurd?

—Kom hier bij ons zitten, en ik zal het u vertellen.

Hij zette zich, en ik begon te verhalen. Wij hadden den tijd. Daarom was ik zoo uitvoerig mogelijk. Ik vertelde hem ook, waarom wij Barud el Amasat vervolgden. Hij begon onze bedoeling goed te doorzien, en dat maakte het hem gemakkelijk, te begrijpen met wat schurken wij te doen hadden. Toen ik eindelijk zweeg, was hij heelemaal van zijn stuk.

—Zou men zoo iets voor mogelijk houden!—zeide hij. Gij zijt inderdaad menschen, zooals de gepantserden van Kalif Harun al Raschid, die zijn gebied doorreisden, om de slechte menschen te straffen en de goeden te beloonen.

—O, wij zijn geenszins zulke aanzienlijke personen, als die gij daar noemt. Die wij vervolgen hebben of onze vrienden of ons kwaad gedaan; zij hebben nu nog andere booze plannen en wij volgen hun spoor om die te verhinderen. Wat zult gij nu doen?

Hij krabde met beide handen zijn hoofd en antwoordde ten laatste:

—Geef mij een goeden raad.

—Gij zijt ambtenaar en moet zeer goed weten, wat uw plicht is. Mijn raad hebt gij niet noodig.

—Ik zou wel weten, wat te doen, als gij niet een groote domheid hadt begaan. Waarom hebt gij den ouden Mubarek maar in den arm geschoten? Kondt gij niet op zijn hoofd of borst mikken? Dan waren wij voor goed van hem af geweest.

—Dat zegt gij, gij die Kiaja zijt!

—Neen, dat zeg ik niet als Kiaja, maar als gewoon mensch. Was de oude ook dood, dan liet ik ze alle drie begraven, en er werd geen woord meer over gesproken. Nu moet ik den oude gevangen nemen en hem aan de rechtbank overleveren. Dat is een moeilijk geval.

—Het moeielijke daarvan zie ik niet in. Gij zult u daardoor verdienstelijk maken. Hij is uit de gevangenis te Ostromdscha ontvlucht. Gij pakt hem en zendt hem naar Uskub; dan hebt gij uw plicht volbracht.

—Maar dan moet ik er ook heen, om inlichtingen te geven. En gij moet ook mee—als getuige en aanklager.

—Dat doen wij gaarne.

—Ja, dat wil ik gelooven. Gij verlaat dan deze streken; maar de vrienden van den oude zullen mij er om koud maken.

—Dan beginnen zij toch zeker met u het vuur aan de schenen te leggen, en dat was misschien nog zoo kwaad niet.

—Spot maar! Gij weet niet, hoe slim het mij vergaan kan. Ik blijf er bij: hadt gij den schurk dood geschoten, dan had ik met de heele zaak niet te maken en was er niet aansprakelijk voor. Maar nu, als gij van uit Uskud opgeroepen wordt om te getuigen, kunt gij er zeker van zijn dat gij voor dien tijd doodgeschoten wordt, en dan moet ik ook dat nog verantwoorden!

—Heeft de slager nog weerbare bloedverwanten hier?

—Ja, een broer, en die moet u dooden.

—Weet gij niet, of hij nu thuis is?

—Ja, hij is er, want mijn knecht heeft mijn boodschap aan hem gedaan en niet aan Tschurak zelf.

—Hm! Dat is inderdaad een kwaad geval. Als hij is, zooals zijn broer, dan mag ik wel voor hem oppassen.

—Dat is hij, en zeker nog erger. Ik heb hem nooit voor zoo goed als zijn broer gehouden. En nu Tschurak een schurk was, zal de broer nog wel veel erger zijn. Gij zijt geen oogenblik van uw leven zeker, zoo lang gij hier zijt. Daarom wil ik u een goeden raad geven: stijg onmiddellijk te paard en rijd naar Karatowa. Ik zal u een goeden gids meegeven.

—Daar willen wij volstrekt niet heen.

—De slager zei het toch!

—Dat was een leugen. Wij willen naar Uskub, en dat treft goed. Wij nemen uw verdediging op ons, wanneer gij den ouden Mubarek daarheen vervoert.

—God beware mij! Men schiet ons onderweg dood!

—Dan zouden wij het al heel dom moeten aanleggen.

—Ik hoor, dat gij geen flauw begrip van de toestanden hier hebt. Gij en uw vrienden zijt hier aldoor in levensgevaar, en geen haar op uw hoofd is veilig. Rijdt liever terstond weg! Dat is voor u werkelijk het beste.

—En ook het beste voor u, niet waar?

Die vraag bracht hem in groote verlegenheid. Hij had zóó sterk bij mij aangedrongen, dat hij begreep, verraden te hebben, hoe hij eigenlijk voor zich zelf pleitte. Hij was een goedig man en ik kon het hem nu niet zoo kwalijk nemen dat hij den onzekeren rechtstoestand in aanmerking nam en op zijn eigen veiligheid bedacht was.

—In hoe verre voor mij?—vroeg hij.

—Gij zoudt, als wij weg waren, den ouden Mubarek eenvoudig laten loopen; dan hadt gij geen wraakneming te vreezen, maar dank te verwachten.

Hij kreeg een kleur van schaamte; ik had zijn voornemen geraden. Hij zeide evenwel:

—Denk dat van mij niet! Ik zou zeer streng volgens mijn plicht handelen; maar ik wenschte u in veiligheid te zien.

—Daarover behoeft gij u niet ongerust te maken. Wij hebben u reeds getoond, dat wij geen hulp van anderen behoeven. Eigenlijk had ik mij heden tot u moeten wenden om ons te beschermen tegen onze vijanden; ik heb het niet gedaan om u niet lastig te vallen, en omdat ik wist, dat wij ons zelf wel konden helpen. En zoo hebben wij ook verder geen raad of ondersteuning noodig. Eigenlijk zijt gij de oorzaak, dat wij zoo in gevaar zijn geweest.

—Hoe zoo?—vroeg hij.

—Omdat gij ons verzekerd hadt, dat geen vreemden bij den slager konden aangekomen zijn, en toch waren zij er reeds voor ons geweest.

—Dat wist ik niet, want in het dorp zijn zij niet gekomen. Tschurak zal hen er buiten ontmoet hebben. Ik zeide u dat hij te paard was thuis gekomen. Hij moet hen toen ontmoet en gesproken hebben.

—Dat laat zich hooren. Alzoo ik verlaat vandaag Sbiganzy niet en blijf bij u overnachten. Wat denkt gij nu met de drie te doen, die door ons achter slot zijn gezet?

Weder krabde hij zich achter de ooren.

—Heer, laat mij buiten die geschiedenis blijven!

—Dat gaat eenvoudig weg niet. Zij mogen daar toch niet blijven. Ik verlang, dat gij u van avond nog van den ouden Mubarek zult meester maken. De beide lijken mogen, wat mij aangaat, blijven liggen.

—Maar wat moet ik met hem beginnen?

—Hem hier opsluiten, tot wij hem morgen naar Uskub transporteeren.

—Bij alle heiligen! Dan bestormen de Aladschy’s van nacht mijn huis!

—Wij helpen u het te verdedigen.

—Dan treft mij later hun wraak!

—Hoe laf!

—Gemakkelijk gezegd! Gij behoeft voor hen niet bang te zijn. Gij rijdt weg en komt nooit weer hier. Maar dan breekt de storm boven mij los.

—De Aladschy’s kunnen u niets doen, want wij leveren hen morgen ook te Uskub uit, met Manach en Hamd el Amasat erbij.

—Hebt gij ze dan?

—Neen, maar wij halen hen terstond.

—Hoe wilt gij dat doen?

—Met de inwoners van Sbiganzy, die wij laten oproepen om tegen hen op te trekken.

—Die zullen u lekker danken!

—Zij moeten opkomen! Hebt gij niet gelezen, dat ik onder bescherming van den Grooten Heer sta?

—Ja, dat is, helaas! waar.

—Gij hebt dus te voldoen aan wat ik van u vorder. Weigert gij het, dan dien ik morgen te Uskub een klacht tegen u in.

—Heer, wilt gij mij ongelukkig maken?

—Neen, ik wil u gelegenheid geven uw plicht te doen. Deze vier roovers bevinden zich ginds aan den zoom van het bosch. Niets is gemakkelijker dan ze in te sluiten en gevangen te nemen.

—Neen, daarin vergist gij u. Zij zullen zich verschrikkelijk verweren.

—Wat zou dat?

Hij zette zulke groote oogen op, dat Halef hardop begon te lachen.

—Wat dat zou, vraagt gij? Zeker niets?—riep de Kiaja uit. Als zij ons doodschieten, is dat zeker niets? Ik ben integendeel van oordeel, dat er geen grooter schade is, dan dat men het leven er bij inschiet.

—Dat ben ik tamelijk wel met u eens. Maar gij moet het zoo aanleggen, dat zij er niet toe komen om zich te verweren.

—Maar, hoe dat te doen?

—Dat zal ik den menschen zeggen, als zij hier bijeen zijn.

—Maar er komt niemand, wanneer ik bekend maak, wat zij zullen moeten doen.

—Juist; en daarom zult gij dat ook niet bekend maken. Maar gij erkent toch dat gij volgens de wet, het recht hebt en verplicht zijt om, in dergelijke omstandigheden als waarin gij nu verkeert, alle strijdbare mannen op te roepen?

—Ja, het recht heb ik.

—En zij moeten u gehoorzamen?

—Dat zal waar zijn!

—Welnu, roep ze dan op, met bevel dat zij ten spoedigste met hun wapens, zich hier in uw voorvertrek moeten bevinden. Als zij hier zijn, zal ik hun zelf zeggen, wat wij van hen verlangen. Ik zal zoo tot hen spreken, dat zij er trotsch op zullen zijn, tegen deze bandieten uit te trekken.

—Dat doen zij nooit!

—Ik ben er zeker van dat zij het wel zullen doen.

Hij opperde nog allerlei bedenkingen, maar ik bleef bij mijn verlangen, zoodat hij eindelijk zei:

—Welnu, daar gij het zoo beslist wilt en u op den Padischa beroepen kunt, zal ik mijn politie-agent halen en hem in uw tegenwoordigheid gelasten, wat hij te doen heeft.

Toen hij zich verwijderde, zeide Halef:

—Ik begrijp u niet, Sihdi. Denkt gij werkelijk, dat deze prachtige onderdanen van den Sultan ook maar een vlieg zullen vangen?

—Neen; maar ik heb behoefte aan een vroolijke afleiding die ons tevens te beter met den aard van dit volk zal bekend maken. Wij reizen immers om landen en volken te leeren kennen. Welnu ik wilde de bevolking van hier eens bij elkaar zien, om te weten wat geest hen onderling beheerscht en hoe zij zich amuseeren. Wij hebben heden ernstige en gevaarlijke uren doorleefd en mogen ons wel een afleiding veroorloven.

Allen waren het er mee eens; zij waren benieuwd den gewapenden landstorm, die zou opkomen, te zien.

Na eenige oogenblikken kwam de waard terug en bracht den politie-agent mee. Deze maakte een weinig martialen indruk. Wel had hij een verbazenden volbaard, maar zijn verdere persoonlijkheid stemde daar niet mee overeen. Hij droeg den stempel van een echten hongerlijder, en zijn kleedij bestond uit een tot aan de knieën reikende broek en een oud gescheurd van voren dichtgemaakt wambuis. Zijn onderbeenen hadden kousen noch schoenen. Om zijn hoofd had hij een katoenen doek gedraaid, van het soort dat op de kermis voor een dubbeltje te koop is. In zijn hand had hij een olijven-stok, ter dikte van een kinderbeen. In plaats van een handvat was er een soort sikkel aan. Waartoe? Tot wapen? Dan was ’t een hoogst gevaarlijk ding.

—Heer, hier is mijn politie-agent,—zei de Kiaja. Wilt gij hem zeggen, wat hij te doen heeft?

—Neen, doe gij dat! Gij zijt de magistraat en hebt te bevelen.

Geheel in mijn geest beval hij hem alle weerbare mannen saam te roepen. Daarna vroeg ik naar zijn bier-voorraad.

—Ik heb juist gisteren een nieuwen voorraad gekookt,—antwoordde hij. Gij zult met uw drie vrienden er wel een week lang, genoeg aan hebben.

—Wilt gij mij uw geheelen voorraad verkoopen?

—Ja. Maar waartoe wilt gij die massa gebruiken?

—De politie-agent mag aan de landstormers zeggen, dat zij al het voorradige Arpa suju krijgen en ook nog Raki, als zij goed doen, wat van hen verlangd wordt.

Toen hief de politie-agent-zijn stok omhoog, als tot een eed en zeide:

—Effendi, uw goedheid gaat het al te boven; maar bij Allah en den Profeet, wij zullen vechten en strijden, als trokken wij tegen de ongeloovigen op.

—Gij weet dus wat wij gaan doen?

—Ja, de Kiaja, mijn Heer en Gebieder, heeft mij zijn vertrouwen waardig geacht en het mij gezegd.

—Maar wat u in vertrouwen is medegedeeld, moogt gij aan de anderen niet oververtellen!

—Geen woord! Mijn mond zal zijn als het boek met zeven zegelen, waarin niet gelezen kan worden, en als een ijzeren kist, waarvan de sleutel verloren is.

—Dat raad ik u ook aan. En nu haast u!

—Ik zal vliegen, als de gedachte eens menschen, die in een seconde om de aarde loopt!

Hij wendde zich om en ging met opgeheven hoofd en deftigen gang de deur uit.

—Dat is nog nooit gebeurd,—zei de waard. Geen mensch zal alle mannen van het dorp onthalen, en een vreemdeling allerminst. Heer, men zal u prijzen nog jaren lang en uw naam gedenken tot in de verste geslachten!

—Wat moet het bier kosten?

—Vijftig piasters.

Dat was zooveel als zes gulden.

—En hoeveel mannen zullen er komen?

—Misschien wel twintig.

—En wat kost hier een vette hamel?

—O, die is hier veel goedkooper dan in Stambul of Edreneh, van waar gij komt. Voor vijftien piasters hebt gij er een.

—Zeg dan aan de landstormers, dat zij voor zich, als zij dapper optreden, twee hamels op uw binnenplaats aan het spit mogen braden.

—Heer, heel het dorp zal u zegenen voor uw mildheid. De menschen zullen——

—Nu ja,—viel ik hem in de rede,—maar gij zelf hebt vette hamels. Zoek er twee uit en zorg dat ook wij een flink avondeten krijgen.

—Gij zult er over tevreden zijn. Ik zal voor u zorgen, alsof de Khalif zelf bij mij te gast was!

Hij spoedde zich weg.

—Nu is hij in zijn schik!—zei Osko en lachte hartelijk.

—Ja, maar die blijheid bevalt mij minder. Bezorgd, dat de mannen hun leven er bij kunnen inschieten, is hij in ’t geheel niet meer. Dat komt mij verdacht voor.

—Hij zal maatregelen genomen, hebben, die hem zeker doen zijn, dat zij geen gevaar loopen.

—Hij zal er ons toch niet laten inloopen?

—Dat is onmogelijk. Hij zorgt, dat onze vijanden weggaan. Dat is het eenige wat hij zal doen.

Het duurde lang, zeer lang, voor de eerste der strijdbare helden verscheen.

Toen deze aankwam, deed de waard de deur onzer kamer open en berichtte:

—Effendi, zij beginnen reeds te komen. Zal ik al Arpa suju brengen?

—Neen, eerst moeten zij toonen, dat zij dapper zijn.

Stuk voor stuk kwamen nu ook de anderen. Ieder kwam bij onze deur, die open stond, en maakte een diepe buiging, ons tevens nieuwsgierig opnemende. Maar de blikken, die zij op ons wierpen, verrieden nog iets anders dan loutere nieuwsgierigheid of blijdschap over de smulpartij, die hen wachtte. In hun oogen blonk echte guitigheid. Zij hadden een geheim, waarover zij zich vroolijk maakten. Gewapend waren ze allemaal; met geweren, pistolen, sabels, bijlen, messen, sikkels en dergelijke werktuigen.

Een poos later hoorden wij een luid Hallo! van deze dapperen. Wij zagen den politie-agent binnenkomen en achter hem aan, nog meer mannen. Ook dezen waren gewapend, maar bovendien had ieder van hen nog een muziekinstrument bij zich.

Stram en stijf kwam hij bij ons binnen, de anderen volgden hem.

—Heer, meldde hij,—deze strijdvaardige mannen zijn present en wachten op uw bevelen.

—Goed! Maar wat moeten de mannen, waar gij mee binnen gekomen zijt?

—Dat zijn de Tschalgydschylar (muzikanten), die eerst de Tschenk makami (krijgsmuziek) en daarna de Makam er raks en nagmeh (dans- en zangmuziek) zullen maken. Zij zullen de troepen tot de grootste dapperheid opwinden.

—Ah, gij wilt dus met muziek tegen de vijanden oprukken?

—Natuurlijk! Dat is zoo het gebruik in ieder leger. Bij stormloopen wordt getrompet.

Dit was allercurieust. De vier schurken moesten in alle stilte omsingeld en gevangen genomen worden, en deze politie-man wilde met muziek tegen hen optrekken. Dat hij van stormloopen en krijgsmuziek sprak, bewees dat hij aan de mannen reeds gezegd had, met welk doel zij geroepen waren. Hij had dus mijn gebod overtreden, maar ik zweeg er over. Trouwens, hij liet mij niet aan het woord komen, want hij pakte den man, die zoo iets als een trommel aangegespt en twee stokken in de handen had, bij de borst, plaatste hem voor mij en zeide:—Deze slaat de Dawul (trommel). Hij is meester op dit instrument.

Den trommelslager op zij schuivende, trok hij een ander vooruit die een hoepel droeg, waarover een vel was gespannen.

—Deze laat de Dawuldschuk (tamboerijn) rinkelen en die daar blaast op de Düdük (fluit).

Na deze voorstelling duwde hij er een, die een lange fluit had, op de plaats voor zijn voorganger, maar slingerde hem weer weg, om twee anderen voor te brengen, die snareninstrumenten schenen te hebben. Deze tokkelt de Kytarn (gitaar), en gene zaagt op de Keman (viool). Maar nu komt het voornaamste, Effendi! Hier deze laatste heeft het eigenlijke krijgsinstrument. Hij laat heldentonen hooren. Hij geeft de maat aan en blaast de vijanden omver, wanneer hij wil. Hij blaast de Zurna (bazuin), waaraan niemand weerstand kan bieden. Gij zult over onze muziek tevreden zijn.

Ik twijfelde er zeer aan. De zoogenaamde gitaar, bestond uit een plank waar een hals aan gelijmd was. Twee van de snaren zouden gewiegeld hebben, wanneer de avondwind hier in de kamer was gekomen. De viool bestond uit een hals met iets als een kropgezwel er aan. Over den kam liepen drie snaren, zóó dik dat misschien een vioolbas ze had kunnen gebruiken. De strijkstok bestond uit een kromme lat, die krom gehouden werd door een sterk snoer. Een groot stuk pek, dat de man in zijn hand had, moest de hars vervangen!

Maar nu de bazuin! Ja, het was inderdaad een schuifbazuin in levenden lijve. Hoe zou die man er aan gekomen zijn? Maar hoe zag het ding er uit! Het was zoo vol blutsen, deuken en knepen, alsof Simson er eenige honderden Filistijnen mee verslagen had. In den loop der jaren was de bazuin totaal van gedaante veranderd. Ze scheen het haar plicht geacht te hebben, meer een spiraalvorm aan te nemen, en toen ik dat capricieuse ding in handen nam om te onderzoeken of het nog uitschuifbaar was, bevond ik dat de tegenwoordige formatie zich beslist daar tegen verzette, ja! vastgeroest was.

De gelukkige bezitter van dit instrument scheen aan mijn gezicht te zien, dat zijn bazuin nu niet juist mijn volle vertrouwen had, want hij haastte zich mij te verzekeren:

—Heer, wees gerust! Deze bazuin doet haar plicht.

—Dat wil ik hopen.

—Nu gij bij de Arpa suju ook Raki geeft, sla ik met mijn bazuin de beide Aladschy’s dood!

—Ezel!—beet hem die politie-agent toe. Dat mocht gij nog niet weten!

—Ach zoo!—zei de bazuinheld. Nu, dan neem ik mijn woorden terug!

—Maar gehoord heb ik ze toch,—zei ik lachende. Dus gij weet al, wat wij gaan doen?

—Heer, zij lieten mij niet met rust, voor ik het hun zei,—verontschuldigde zich de agent. Hun dapperheid werd zoo groot, dat het mij het leven gekost zou hebben, als ik nog langer gezwegen had.

—Het is begrijpelijk, dat gij uw leven gered hebt. Ik behoef dus aan deze wakkere mannen niet meer uit te leggen wat van hen verlangd wordt.

—Neen, maar een toespraak wilt gij toch zeker wel houden, om ze meer aan te vuren, want dan worden zij onoverwinbaar.

—Die aanspraak zal ik houden. Is ’t niet, Sihdi?—stelde Halef voor.

Daar ik zijn redenaarstalent kende, knikte ik hem bewilligend toe, en vroeg:

—Maar wie zal het krijgsvolk aanvoeren?

De politie-man antwoordde:

—Natuurlijk ben ik in mijn kwaliteit van handhaver der orde en veiligheid, de Muschir (veldmaarschalk) van deze legermacht. Ik zal zeer strategisch te werk gaan. Ik deel mijn leger in twee helften, die ieder door een divisie-generaal gecommandeerd worden. Daarmee zullen wij den vijand heimelijk omsingelen en gevangen nemen. Ontsnappen kan hij niet, daar wij van twee kanten aankomen.

—Mooi! En dan gebeurt alles onder begeleiding van muziek?

—Ja, want daarmee jagen wij, bij onze nadering, den vijand den schrik op het lijf. Wij leggen de boosdoeners gebonden aan uw voeten. Maar nu gij ziet hoe dapper en vermetel wij zijn zullen, behoeft gij met de hamels niet te wachten, tot wij als overwinnaars terug komen. Gij kunt ze nu wel laten braden. Ik heb eenige vrouwen mee gebracht, die dat werk uitstekend verstaan; zij zijn reeds op de binnenplaats en maken er alles voor gereed. De staartstukken die de beste en meest malsche zijn, worden u opgedischt want wij weten zeer goed wat de beleefdheid vordert.

—Er zijn dus ook vrouwen opgekomen?

—O, nog anderen ook. Zie maar eens op de plaats, daar zijn ook zonen en dochters van de vrouwen.

—Welnu, laat dan de Kiaja zijn knecht bevelen, niet twee, maar vier hamels te slachten en aan de vrouwen te geven.

—Heer, gij zijt overvloeiende van weldadigheid! Maar laat ons de hoofdzaak niet vergeten: wie krijgt de vier huiden?

—Die zullen onder de vier dappersten verdeeld worden.

—Dan ben ik zeker er een van te zullen krijgen. Maar laat nu uw metgezel de toespraak houden, want de ijver van mijn volk is bijna niet meer in toom te houden.

Hij ging met zijn muzikanten naar het voorvertrek. Halef posteerde zich in de opening van de verbindingsdeur en hield zijn aanspraak. Deze was een klein rhetorisch meesterstuk. Hij was alles behalve bang, om zijn toehoorders te veel in de hoogte te steken, want hij noemde hen helden, onoverwinlijken, voortreffelijken, en doorspekte zijn aanspraak met allerlei sarcasmen, die wij alleen begrepen.

Toen hij uitgesproken had, weerklonk er plotseling een geluid, dat mij zoo deed schrikken, dat ik van mijn stoel opvloog. Het was alsof een half dozijn Amerikaansche buffels levend aan het braadspit gestoken en gebraden werden. Op mijn vraag, wat dat brullend gekrijsch mocht zijn, antwoordde de waard:

—Dat was de bazuin, zij gaf het signaal tot opbreken.

De voorkamer liep nu leeg. Buiten voor de deur klonk de stem van den maarschalk. Hij verdeelde zijn leger in twee divisies, en toen zetten de helden zich in beweging. Eenige krachtige dondertonen leidden den stormpas in. De fluit deed, alsof ze een triller wilde laten hooren, bleef echter steken en verliep in een woedend gefluit. De trom begon zich te roeren, de tamboerijn viel in, van de viool en de gitaar werd niets gehoord. De zachte teedere tonen dier beiden werden totaal overstemd door het geluid der andere krijgsinstrumenten.

Langzamerhand werden de harmonieën zwakker, al naar het leger verder oprukte. De muziek klonk nog slechts als een stormwind, die om een hoek huilt, verliep in een wegstervend piepen, als van een orgel dat zijn voorradige lucht uitlaat.

Wij lieten het helden-leger nu zijn gang gaan en haalden onze Dschibuks te voorschijn. Op de binnenplaats glommen eenige vuren, waarop de hamels zouden gebraden worden. Zij kostten ons iets meer dan een daalder per stuk. Voor een enkelen keer mochten wij ons zulk een weelde wel veroorloven.

De waard had niets te doen. Hij kwam bij ons zitten en verdiepte zich in de mogelijkheid, dat er één zou gevangen worden of alle vier, of wel niet een.

Er lag daarbij een trek op zijn gezicht, die het vermoeden bij mij opwekte dat hij niet geheel oprecht tegenover ons was. Hij was een eerlijk mensch, dat geloofde ik gaarne; maar nu verborg hij iets voor ons, dat in verband stond met onzen mooien veldtocht.

—Maar als zij nu geen geluk hebben,—zeide hij,—wat dan?

—Dan brengen zij ons de schurken niet.

—Ik bedoelde, wat er dan met het bier zou gebeuren.

—Dat wordt dan toch opgedronken.

—En de hamels?

—Die worden toch opgegeten.

—Uw woorden zijn vol wijsheid, Heer; want als de Aladschy’s weg zijn, dan baat alle dapperheid onze mannen niet.

—De maarschalk zal er wel voor zorgen, dat zij weg zijn. Zijn muziek noodigt hen er toe uit. Of zou hij ze al van te voren gewaarschuwd hebben?

—Gewaarschuwd? Wat meent ge daarmee?

—Wel, hij kan naar ze toegeloopen zijn, om hun in alle gemoedelijkheid te vertellen dat zij tevergeefs op ons loeren, omdat wij reeds hier bij u zijn.

Hij keek mij onderzoekend aan, om te zien of ik dat in vollen ernst meende.

—Effendi, wat denkt gij toch!

—Iets, dat zeer goed mogelijk, ja zelfs zeer waarschijnlijk is. En bij die gelegenheid heeft hij hun ook gezegd, dat zij een weinig op zijde moesten gaan, want dat hij nu verplicht was om, tot hun vervolging, de dappere bevolking op te roepen.

—Dat zal hij toch niet gedaan hebben. Dat zou heelemaal in strijd met zijn plicht zijn!

—Maar als gij het hem nu bevolen hadt?

Hij kreeg een kleur, keek bezijden af en antwoordde op weifelenden toon:

—En dat kunt gij van mij gelooven!

—Gij ziet er mij zoo buitengewoon slim uit. De groote zorg voor uw dappere helden is zoo geheel en al verdwenen en de eerste dier helden kwam zóó laat, dat ik werkelijk geloof dat uw veldmaarschalk een kleine wandeling naar de boschjes heeft gedaan. Maar ik neem u uw bezorgdheid voor uw dorpsgenooten in ’t geheel niet kwalijk. Ik hoop maar dat er niet veel sneuvelen zullen.

Ik zeide dit op schertsenden toon. Hij antwoordde half daarop ingaande:

—Zij zullen strijden als leeuwen. Zulke wapenen als gij, hebben zij wel niet, maar de hunne weten zij te gebruiken. Met onze geweren kan men geen kram uit een luik wegschieten. Ik heb ook nog nooit zulk een kaliber gezien.

Hij nam mijn berendooder, die tegen den muur stond, in de hand, en woog het.

—Wordt gij niet moe, als gij het lang moet dragen?

—Neen, ik ben er aan gewoon.

—Maar waarom maakt men bij u zulke zware geweren? Alleen het aanleggen is reeds een pijnlijke inspanning.

—Men maakt tegenwoordig ook geen geweren meer van dat kaliber. Dit geweer is van een zeer oude constructie. Men noemt ze berendooders, omdat men ze op die jacht gebruikt. Er zijn ginds in Amerika beren, die een grauwen pels hebben. Dat soort is zoo sterk, dat het een os meesleept. Geen der vroegere kogels doodde zulk een grauwen beer. Alleen met zeer zware geweren, zooals dit er een is, legde men hem neer zoodat hij het opstaan vergat.

—Hebt gij ook zulke grauwe beren geschoten?

—Ja. Waarom zou ik anders zoo’n geweer hebben?

—Maar waarom sleept gij het hier mee, terwijl er geen beren zijn?

—Omdat ik op mijn reizen in streken zou komen, waar wel geen beren, maar ander even sterk wild was. Ik heb er leeuwen en den zwarten panther mee geschoten. Bovendien is men met dit soort geweren, juist omdat ze zoo zwaar zijn, altijd zeker van zijn schot. En dat ze ook voor andere dingen van nut kunnen zijn, heeft de ondervinding vandaag nog bewezen.

—Is het nu geladen?

—Ja. Zoodra ik het afgeschoten heb, laad ik het terstond weer. Dat is jagers-gewoonte.

—Dan zet ik het liever weer weg. Maar van wat bijzonder makelij is dat andere geweer van u?

Ik moet mijn lezers doen opmerken, dat wij aan een tafel zaten, die bij het open raam stond. Ik zat met mijn gezicht naar het raam en Halef met den rug er naar toe. Rechts van mij zat de waard, links Omar, en achter mij stond Osko, die juist zijn pijp gestopt had en opgestaan was, om die aan de lamp op te steken. Hij was achter mij blijven staan, om op den waard te letten, die mijn berendooder opgenomen en nu zóó op de tafel gelegd had, dat deze, toevallig en gelukkig, zoo door mij gegrepen en afgevuurd kon worden. Niet dat Osko den waard van iets kwaads verdacht, maar deze had nu mijn Henri-geweer genomen. De waard vroeg mij naar de constructie er van, en ik legde hem uit, hoe ik vijfentwintig schoten kon doen, zonder op nieuw te herladen. In deze verklaring werd ik gestoord door een uitroep van Osko, die mij schrikken deed.

—Effendi! Om Allah’s wil! Help!—riep hij met grooten schrik.

Ik keek naar hem om. Hij wees naar het venster. Zijn oogen waren wijd open en op zijn gelaat lag een doodelijke bleekheid. Hij was werkelijk verlamd van den schrik.

Toen ik de richting van zijn arm volgde, zag ik den loop van een geweer, dat op mij gericht was. Die loop rustte op het vensterkozijn. De schutter stond buiten op straat en had zijn geweer op het kozijn gelegd, om te zekerder mij te treffen. Dat het op mij gemunt was, begreep ik terstond.

Er komen toestanden voor waarin, binnen een ondenkbaar kort oogenblik, onze geest waarneemt, gevolgtrekkingen maakt, besluit wat te doen, en het genomen besluit uitvoert. Men meent dan instinctief te handelen: maar inderdaad heeft onze geest dan in een halve seconde afgewerkt, waartoe in gewone omstandigheden minstens vele minuten noodig zijn.

Het geweer was zóó volkomen juist op mijn voorhoofd gericht, dat ik niet den loop, maar alleen de tromp als een ring kon zien. Had de schrik mij, ook maar het honderdste deel eener seconde geparalyseerd, het had mij het leven gekost. Bliksemsnel moesten denken en handelen samen vloeien. Wat te doen? Boog ik mijn hoofd zijwaarts en ging het schot af, dan zou niet ik, maar de achter mij staande Osko getroffen worden. Om dezen te redden, mocht ik mijn hoofd, het mikpunt van den moordenaar, niet wegtrekken; maar ik bewoog het zóó snel heen en weer, dat de moordenaar geen zeker schot had. Dit doende greep ik den berendooder.

Natuurlijk kan dit niet zoo vlug verteld of gelezen worden, als het geschiedde. De in aanslag liggende moordenaar kon niet zien, dat ik het geweer van de tafel greep. Zonder aan te leggen, want dat zou hij bemerkt hebben, strekte ik het uit, hield de beide trompen tegen de mij bedreigende monding en trok beide schoten bijna tegelijk af.

Tusschen Osko’s geroep en het losbranden van mijn geweer, was zoo weinig tijd verloopen, als zich niet denken laat. Nauwlijks had hij geluid gegeven, of er knalden ook twee, of juister gezegd, drie schoten, want hij die buiten stond had ook geschoten, gelukkig, één tiende seconde na mij.

Op de losbranding volgde onmiddellijk een jammerkreet, die van buiten kwam.

Halef had Osko’s waarschuwing gehoord en zich naar het venster omgewend, maar mijn geweer was iets vlugger geweest dan zijn blik. Hij had de verraderlijke tromp niet gezien. Daarom sprong hij, bij het schieten, van zijn stoel op, en riep:

—Wat is er, Sihdi? Gij schiet!

—Een moordenaar, een moordenaar!—stamelde Osko, nog altijd stijf van den schrik en met gestrekten arm staande, terwijl ik opsprong, den berendooder neerwierp en het revolvergeweer uit de handen van den waard rukte.

Ik kon niet zien, wie buiten stond; bevond de schurk zich nog daar, dan was hij verloren, want ter zijde van het venster staande, waar ik geen juist mikpunt voor een buitenstaande aanbood, vuurde ik zes zeven schoten zoo snel achter elkaar af, dat ze wel een eenig schot leken.

Halef had terstond begrepen, wat er gaande was.

—Houd op met schieten!—riep hij mij toe.

Oogenblikkelijk was hij in het open venster en wilde er uit.

—Halef, zijt ge dol!—riep ik, hem bij de beenen terug houdende.

—Ik moet er uit!—schreeuwde hij, wrong zich los en sprong.

Ik had met mijn gezonden voet een wijden vluggen sprong gedaan, die mij aan het raam bracht. Ik stak er eerst mijn geweer door, daarna mijn hoofd en linkerarm. Verder ging niet. Het raam was te smal. Ik zag Halef loopen, rechtsaf, waar de breede plaatsdeur open stond en het schijnsel van het flikkerende vuur de straat goed belichtte.

Tezelfder tijd kwam van af de donkere deur van het tegenover liggende huis van den slager, een persoon, die Halef achterna liep.

Was dat een vijand? Ik legde mijn geweer aan. Daar kwam iemand voorbij de plaatsdeur vluchten. Hij was bij het schijnsel duidelijk te herkennen.

—Manach el Barscha!—brulde Halef hem achterna. Ook ik had hem herkend en zag nu Halef de groote deur voorbij stuiven. Ik mikte op de smalle streep, die verlicht was en waarover de derde moest gaan, die Halef achtervolgde. Daar kwam hij, juist zoo gekleed als de slager geweest was. Hij kwam in mijn lijn en ik schoot. Maar ik zag, dat ik hem miste. Alleen mijn linkerarm buiten het raam hebbende, moest ik links mikken. Wie kan nu, bij nacht, in mijn ongemakkelijke, gedwongen houding en door het flikkerende vuur gehinderd, het geweer aan de linkerwang leggen, het rechteroog sluiten en van een treffer zeker zijn! Dat was bijna onmogelijk.

Natuurlijk trok ik mij uit het raam terug, de kamer in, en beval Osko en Omar:

—Vlug, door de voorkamer, en de binnenplaats over, rechts de straat op! Halef bevindt zich tusschen twee vijanden in.

Op dat oogenblik vielen er verscheidene schoten. Het waren pistolen, die ik hoorde knallen. De twee genoemden grepen naar hun geweren.

—Geen geweren! Daar helpt alleen mes en pistool. Voort, maakt voort, vlug!

Zij snelden de deur uit. Ik kon, helaas! niet volgen. In mijn hulpeloozen toestand was ik tot blijven gedwongen.

De waard zat nog altijd verstijfd van schrik op zijn stoel. Zooals ik hem het geweer uit zijn hand had getrokken, zoo hield hij die nog. Hij had sedert Osko’s angstkreet zich nog niet bewogen en nog geen geluid gegeven.

—Ef—ef—effen—fendi! stamelde hij nu. Wat was er toch?

—Dat hebt gij toch gezien en gehoord.

—Men heeft ge—ge—geschoten!

Ik greep hem bij zijn schouder en schudde hem.

—Man, kom toch tot bezinning. Gij zijt suf van den angst!

—Wilde men mij dooden?

—Neen, mij.

—Ik dacht, omdat—omdat ik u geholpen had, wilde men mij doodschieten.

—Neen, uw lieve leven werd niet bedreigd, maar het mijne. Sluit nu het luik: wij willen niemand gelegenheid geven, om weer op ons te mikken.

Hij waggelde, toen hij mijn aanwijzing volgde. Hij was in ’t geheel geen lafaard; maar het onverhoedsche en de geweldige snelheid der opvolgende handelingen hadden hem heelemaal in de war gebracht. Nadat hij het luik had gesloten, zonk hij weer op zijn stoel, en stak ik mijn pijp op nieuw aan.

—Rookt gij, Effendi?—vroeg hij verwonderd. En buiten vechten ze!

—Kan ik hen bijstaan? Als gij een kloeke kerel waart, dan zoudt gij u haasten om ze bij te springen!

—Dank u wel! Het gaat mij niet aan.

—Rook dan ook!

—Ik beef nog aan al mijn leden. Dat oude geweer van u gaf een slag als een kanon!

—Ja, mijn oudje heeft nog al een krachtige basstem. Ik wil terstond weer laden. Gij hebt nu gezien, hoe goed dat is. Was de oude niet geladen geweest, dan zag het er nu slecht met mij uit.

—Gij had toch uw lichtere geweer nog.

—Dat hadt gij in uw hand, maar de zware buks lag voor het grijpen. Ook weet ik niet of een minder zwaar schot wel dezelfde uitwerking zou gehad hebben.

—Gij hebt toch op den moordenaar geschoten!

—Neen. Ik kon niets van hem zien. Ik zag alleen de tromp van zijn geweer. Hij mikte precies op mijn voorhoofd. Mij bleef niets anders over, dan zóó te schieten, dat mijn kogel den op mij gerichten loop omhoog sloeg, en dat is mij gelukt.

Onder de vrouwen en kinderen op de binnenplaats was het onrustig geworden. Zij hadden natuurlijk de schoten ook gehoord en daarna de mannen ook zien loopen. Ook wisten zij, dat de Aladschy’s in de buurt waren en dat maakte ze dubbel zenuwachtig.

Het begon nu echter stil te worden, en de deur van het voorvertrek ging open. Osko, Omar en Halef kwamen terug. De laatste zag er erg toegetakeld uit. Zijn kleeren zaten vol vuil en waren niet weinig gehavend; van zijn voorhoofd liep het bloed over zijn gezicht.

—Gij zijt gewond?—vroeg ik verschrikt. Is het gevaarlijk?

—Ik weet het niet, Sihdi. Wilt gij het eens onderzoeken?

—Terstond water hier!

Daar dit niet zoo gauw bij de hand was, doopte ik mijn zakdoek in het bier en waschte daarmede het gezicht van mijn dapperen kleine af.

—God zij dank! Een onbeduidend schampschot,—troostte ik. Binnen twee weken is de krabbel genezen.

—Dat valt mee!—lachte Halef. Maar het was anders bedoeld. De kerel wilde mij het licht uitblazen.

—Wie heeft op u geschoten? Manach el Barscha?

—Neen, de andere.

—Kent gij hem?

—Neen. Het was zoo donker, dat ik zijn gezicht niet herkennen kon, ofschoon onze baarden zoo dicht bij elkaar waren, dat wij ons over en weer hadden kunnen kussen.

—Ik vermoed dat het de broer van den slager geweest is.

—Best mogelijk, want juist als een slager greep hij toe.

—Vertel nu hoe het gegaan is. Omar kan intusschen het verbandlinnen uit mijn zadeltasch halen.

—Wel, alles ging nog al gauw in zijn werk. Toen ik mijn hoofd uit het venster stak, zag ik een man er onder liggen. Ik wilde boven op hem springen, maar gij hieldt mij van achteren vast. Ik wrong mij los, maar toen ik mijn beenen naar buiten stak, sprong de kerel op en liep weg.

—Dat moet Manach el Barscha geweest zijn. Hij zeide heden, toen ik hem beluisterde, tegen de drie anderen, dat hij heel graag eens op mij zou willen schieten. Dat heeft hij gedaan. Het is dus blijkbaar een gevaarlijke aardigheid zich voor kogelvrij uit te geven.

—O, het was in allen ernst op ons gemunt. Zooals gij daar zat, waart gij zoo’n mooi mikpunt. De schurken zagen het en besloten u weg te blazen. Daar Manach nu gaarne weten wilde, of uw hoofd werkelijk harder was dan zijn kogel, zoo droegen zij hem op op u te schieten. Het was in allen gevalle hun plan u te vermoorden; dat staat vast!

—Dat laat zich hooren.

—Juist. Maar nu verder! Ik sprong naar omlaag, en kwam op een lang smal ding terecht, zoodat ik viel. Het moet een geweer wezen, dat er nog liggen zal.

—Dat zal ik hem uit zijn handen geschoten hebben. Hij moet een stoot of slag gekregen hebben, waardoor hij neersloeg.

—Hij moet in allen gevalle, hoe kort dan ook, niet bij zijn zinnen geweest zijn, want anders was hij niet blijven liggen tot ik kwam. Ik krabbelde terstond weer op en sprong hem achterna. Toen hij voorbij de slagdeuren liep, herkende ik hem terstond en riep het u toe.

—Ik heb hem ook herkend.

—Hij liep als een haas, maar ik zat hem op de hielen. Plotseling struikelde hij en viel. Ik was zóó dicht achter hem, dat ik niet tijdig genoeg kon stoppen en over hem heen vloog. Daar maakte hij gebruik van, om op te springen en door te loopen.

—Dat was dom. Hij had zich boven op u moeten werpen.

—Zeker. Maar de schurken hebben geen geluk.

—Wie schoot toen?

—Ik. Terwijl ik opsprong, trok ik mijn pistolen uit mijn gordel en brandde op hem los. Maar ook ik was dom, want ik schoot al loopende. Was ik blijven staan, om rustig te mikken, dan had ik hem stellig geraakt, want mijn pistolen dragen ver. Dat zal mij ook geen tweede keer gebeuren.

Toen Halef zoover was met zijn verhaal, kwam Omar met de verbandmiddelen.

—Buiten onder het venster ligt Manach’s geweer,—zeide Halef tegen hem. Haal het hier.

—Maar ik wil uw verhaal ook hooren.

—Ik zal op u wachten.

Toen Omar het geweer bracht, bleek het dat Manach een geduchte oorvijg moest gekregen hebben, want de kolf was gespleten. Men kon aan de tromp zien, waar mijn kogels getroffen hadden.

—Maar het geweer is niet geladen,—merkte Halef op, terwijl hij dapper bezig was, het bloed uit zijn gezicht weg te wasschen. Dus heeft hij toch geschoten!

—Natuurlijk! Bijna tegelijk met mij.

—Dan hebben uw kogels zijn geweerloop naar omhoog geslagen, en moeten zijn kogels ginds in den muur of hier in de zoldering zitten.

Osko nam de lamp en vond al gauw het gat, waarin de kogel zat.

—Daar is ie,—zeide hij. Die zat nu in uw hoofd, Sihdi, wanneer ik niet bij tijds het op u gerichte geweer had gezien.

—Ja, u heb ik mijn leven te danken.

—Daar ben ik trotsch op. Wij hebben u zooveel te danken, ik vooral, want mijn dochter hebt gij verlost uit de macht van dezen Abrahim Mamur. Nu heb ik u toch ook een kleinen dienst kunnen bewijzen!

—Klein kan ik dezen dienst niet noemen. Ik ben er u van harte dankbaar voor!

—Gij behoeft mij daar niet voor te danken. Ondanks mijn waarschuwing zou een ander doodgeschoten zijn. Hoe kwaamt gij op de gedachte zijn loop weg te schieten? Gij hadt maar te bukken.

—Dan zou hij toch geschoten en u getroffen hebben. Hij lag al in aanslag.

—Dus gij hebt geschoten en niet gebukt, om mij te redden?

—Ja, daarom. Maar nu wij zijn kogel gevonden hebben, kunnen wij ook naar de mijne zoeken. Zij zijn door zijn loop afgewend en naar omhoog of ter zijde gevlogen. Kijk eens aan de zijkozijnen van het raam.

Ja wel, zij zaten in de zachte poreuze steenen, heel dicht bij elkaar. Osko groef ze er uit.

—En die daar boven moet ik ook hebben,—zeide hij. Ik moet de drie kogels tot een aandenken hebben. Maar vertel nu verder, Halef!

Deze verhaalde: wat er verder gebeurd is, weet gij even goed als ik. Ik haalde Manach in en pakte hem van achteren beet. Hij deed een geweldigen sprong zijwaarts, rukte zich weer los en ik viel op den grond. Ditmaal was hij verstandiger dan vroeger. Hij wierp zich op mij en pakte mij bij mijn keel. Juist trok ik mijn mes, om het hem van onderen op, tusschen de ribben te steken, toen er nog een ander kwam. Wie hij was weet ik niet, maar morgen zal ik hem wel herkennen, want ik gaf hem met mijn mes zoo’n haal over zijn gezicht, dat hij mij los moest laten. Daarvoor hield hij mij echter den loop van zijn pistool aan mijn hoofd. Ik geloof, dat hij, ten gevolge van de kennismaking met mijn mes, te sterk bloedde om goed te kunnen zien, want hij zeide: Houd hem vast, Manach!—wat deze tamelijk goed deed. Ik lag met mijn gezicht op zij. De tromp van zijn pistool raakte den slaap van mijn hoofd. Ik wierp het hoofd in den nek en hij brandde los. Het was, alsof iemand met een gloeienden draad langs mijn voorhoofd had gestreken; maar toen spande ik alle kracht in, om mij los te maken uit hun handen. Het mes was mij ontvallen. Zij hielden mij vast, bij mijn keel en armen. Op eens kreeg ik lucht. Een hunner stiet een vloek uit, want hij werd van achteren beet gepakt.

—Dat deed ik,—zeide Osko. Ik pakte hem bij den strot, maar ik ging te onbedaard te werk. Het was niet de goede greep. Hij rukte zich los en ontkwam.

—Ja, en onderwijl was Manach er ook van doorgegaan,—voegde Halef er bij. Ik was op stikken na dood, en toen ik weer adem kon halen, was Manach zonder afscheid nemen weggegaan.

Het is een eigenaardig en onbeschrijfbaar gevoel, zoo plotseling door den dood gegrepen te worden en even onverwacht gered te worden. Millioenen kunnen gelukkig zich daar geen voorstelling van maken.

De wond van Halef was gemakkelijk te verbinden en zou maar een onbeduidend litteeken nalaten.

—Nog weer een teeken van uw dapperheid, mijn beste jongen! zeide ik. Wat zal Hannah, het juweel van haar geslacht, zeggen, als zij deze merkteekenen van uw onversaagdheid bemerkt?

—Zij zal denken, dat ik het voor mijn Sihdi gedaan heb, van wien zij evenveel houdt als ik. O, wat zal ik haar van ons te vertellen hebben! Er zullen niet veel Beni Arab (zonen van Arabië) zijn, die zulke reizen hebben gemaakt als wij! En dan, als ik... Hoor!

Wij hoorden van verre een geluid als van scherp zingende muggen. De tonen werden aldoor luider, en weldra herkenden wij de krijgsmarsch van ons strijdlustige leger, dat nu terugkwam.

—Zij komen!—riep de waard, nu eerst uit zijn lethargie ontwakende en van zijn stoel opstaande. Zij brengen de gevangenen,—die in het dorp waren om op mij te schieten, terwijl de dappere inwoners uit wandelen waren,—antwoordde ik hem.

—Heer, hier is er toch maar één geweest! De andere drie zijn zeker gevangen.

—Dan geef ik duizend piasters voor ieder van hen!

—Wie kan weten, of zij niet geslaagd zijn! Ik, het hoofd der politie, moet hen ontvangen.

Hij ging, zeker om de landstormers te waarschuwen, mij wat voor te liegen. Hij liet de deuren open, zoodat wij den intocht van het roemrijke leger konden zien.

Voorop kwam de Muschir, zijn sikkelstok hanteerende, als een echte tamboer-majoor. Hem volgden de muzikanten, als om strijd musiceerende, doch niet naar noten en niet in harmonie en in de maat, maar ieder naar zijn eigen zin.

Na dezen kwamen de helden, ieder in een houding, alsof hij een Roland of Byard in moed en kracht overtroffen had. Vier hunner droegen berries, uit jonge stammen en loofhout gemaakt, waarop de beide dooden—de slager en de voormalige gevangenbewaarder.

In het voorvertrek werd halt gehouden. De muziek liet een zeer gemengde fanfare hooren, waarna een diepe stilte volgde.

De geur van de bradende hamels drong in de kamer door. De veldmaarschalk sperde zijn neusgaten wijd open, snoof de heerlijke lucht welbehaaglijk op en trad in fiere houding op ons toe.

—Effendi,—zeide hij,—de veldtocht is ten einde. De beide Aladschy’s zijn alleen door mij geveld. Mij komen dus twee huiden toe.

—Waar zijn hun lijken?

—In de rivier geworpen.

—En waar zijn de beide andere boosdoeners?

—Ook in de Sletowska. Wij hebben ze als honden verdronken.

—En wie heeft ze gepakt?

—Dat kan men niet met zekerheid zeggen. Wij zullen dus om de andere moeten loten.

—Vreemd, dat gij hen verdronken hebt, zoodat men hun lijken niet kan vinden.

—Het is de kortste manier met zulke schurken.

—Ja, en het heeft nog dit voor, dat men den veldmaarschalk niet gemakkelijk kan bewijzen dat hij liegt.

—Heer, beleedig mij niet!

—Sedert wanneer kunnen dan de dooden hier in het dorp komen, om hier door het raam op mijn hoofd te mikken en te schieten?

Hij werd bleek van schrik.

—Heer, wat bedoelt gij?

—Dat de vier mannen, tegen wie gij opgetrokken zijt, intusschen hier op mij hebben geschoten.

—Dat moeten dan hun schimmen geweest zijn!

—Een schim zijt gij zelf. Gelooft gij aan geesten, die spoken?

—Zeker, Heer.

—Goed, dan zal ik de gebraden hamels oproepen om hier, waar ze dood gemaakt zijn, te komen spoken. Die spokende geesten moogt gij dan met uw dapper leger opeten, maar van hun vleesch en been, blijft gij af.

—Effendi, gij hebt ze ons beloofd! Wij houden u bij uw woord!

—Ik beloofde ze u, onder voorwaarden, die gij niet hebt vervuld. Wanneer gij mij voor een man houdt, tegen wien men zoo brutaal mag liegen als gij doet, dan laat ik u een duchtig pak zweepslagen geven. Ik heb er de macht toe; vraag het maar aan den Kiaja. Hij zal u zeggen, dat de Sultan zelf mij die macht heeft gegeven.

Ik had op hoogen toon en goed duidelijk gesproken, zoodat allen die in het voorvertrek en buiten de deur stonden, het hoorden. De gezichten betrokken. Mijn ernst maakte zichtbaren indruk. Zij staken, bezorgd over het verbeuren der smullerij, de hoofden bij elkaar. De politieman stond als een arme zondaar te kijken. De Kiaja, die dicht bij mij was, meende dat hij het voor zijn onderhoorigen moest opnemen, maar zonder te erkennen dat ik bedrogen en belogen was. Hij zeide alzoo:

—Effendi, wat gij denkt, is absoluut onwaar! Er is u niets voorgelogen. Hoe zouden wij zoo iets durven!

—Ja, hoe hebt gij het durven wagen, te doen wat gij gedaan hebt! Mij bedriegen en beliegen, en voor den gek houden! Gij weet, dat ik onder de hooge bescherming sta van den Grooten Heer en diens eerste raadslieden. Wat is een Kiaja, wat een politieman tegenover mij! En ik ben uit een land, waar de knapen verstandiger en geleerder zijn dan de mannen van hier die gij voor verstandig en wijs houdt. Toch hebt gij gemeend, mij te kunnen bedriegen. Alleen omdat gij zoo dom zijt, hebt gij dat kunnen denken. Zelfs de kinderen, die op de binnenplaats bij de vrouwen zijn, weten dat ik bedrogen werd, en wij, die de voorlichters van alle wetenschap en kennis zijn, wij zouden dommer zijn dan zij? Zoo iets kan en mag ik niet dulden. Ik wilde uw onderhoorigen Arpa suju, Raki en vier gebraden hamels geven, en tot dank speldt gij mij zulke leugens op de mouw! De Arpa en de Raki blijven in uw kelder tot een ander ze bestelt. De hamels neem ik morgen mee, om ze aan betere menschen te geven.

Deze laatste bedreiging had de gewenschte uitwerking. De waard ging verlegen achteruit. De maarschalk snoof den binnenstroomenden geur van het gebraad op, kneep zijn lippen samen, wreef schurkend zijn been. De bazuinblazer echter wist den toestand te redden. Hij kwam zelfbewust en flink naar ons toe, stelde zich voor mij op en zeide:

—Effendi, de hamels willen wij liever niet verbeuren. Ook zou het uw geweten met medelijden bezwaren, indien gij ze ons onthieldt. Ik wil u ontlasten van heimelijk zelfverwijt, door u de waarheid te zeggen.

—Ik zie, dat er toch ook nog eerlijke mannen hier zijn,—zeide ik, goedkeurend hem toeknikkend.

—O, eerlijk zijn wij allemaal; maar wij kunnen wel tegelijk spelen, maar niet spreken. Dat doe ik nu voor ons allen, omdat ik gewoon ben om de maat aan te geven met mijn Zurna, die alle andere instrumenten overstemt. Neen, wij hebben niet gestreden, maar wij zijn naar de rotshut gegaan, om de dooden te halen. Het water van de Sletowka heeft geen lijken gezien. Als gij het wilt, zal ik u zeggen, hoe alles gegaan is.

—Spreek op.

—Ik was thuis, bezig met mijn Zurna te repareeren van een diepe deuk, omdat ik er gisteren iemand, die mij beleedigde, mee voor den grond had geslagen, en toen kwam deze politie-agent, die mijn zwager is omdat hij met de zuster van mijn vrouw is getrouwd. Hij vertelde mij van u, van de Aladschy’s en wat gij van den Kiaja had verlangd. Deze had hem opgedragen, om in ’t geheim naar het bosch te gaan en aan de Aladschy’s te zeggen, dat gij aan hen ontkomen waart en zij zich uit de voeten moesten maken, omdat al gauw onze landstorm tegen hen zou optrekken, om hen gevangen te nemen.

—Dat heb ik wel gedacht!

—De schutsman der openbare veiligheid wilde mij, omdat ik zijn vriend en zwager ben, laten deelen in den roem, met de Aladschy’s gesproken te hebben; daarom vorderde hij, dat ik met hem zou meegaan.

—Zeg liever, dat hij bang was om alleen te gaan en dat hij u daarom mee wilde hebben.

—Daarin vergist gij u. In zijn hart is, zoo min als in het mijne, eenige vrees, voor wien of wat ook. Voor den sterksten vijand ga ik niet uit den weg, want in mijn Zurna heb ik een wapen, waarmee ik al menigeen duchtig toegetakeld heb. Wij braken dus op en gingen.

—Maar u gehaast om er te komen, hebt gij niet?

—Neen, want wij moesten overleggen, hoe wij het best ons van deze netelige opdracht zouden kwijten, en wij verhieven van tijd tot tijd onze stem, om aan de Aladschy’s te zeggen, dat wij niet kwamen om hen dood te schieten.

—Dat was zeker zeer voorzichtig van u, want anders hadden zij u kunnen overvallen.

—O neen! Wij deden het, om ze niet al te veel te laten schrikken, maar zij vergolden onze teergevoeligheid voor hen met ondank.

—Dat wil zeggen, zij lachten u brutaal weg uit!

—O neen, dat deden zij niet; maar hun ondankbaarheid is ook een reden, om u alles te zeggen.

—Waarin bestond dan hun ondankbaarheid?

—In zweepslagen, die zij mijn lieven zwager rijkelijk toedeelden, wat zij mij natuurlijk niet durfden doen.

—Oho!—viel de politie-agent zijn lieven zwager in de rede. Heeft de eene Aladschy u niet een oorveeg gegeven, dat gij op den grond zijt gaan zitten?

—Dat verbeeldt gij u maar, want het was te donker dan dat gij het zoudt hebben kunnen zien. En ook vielen de slagen zoo hageldik op u, dat gij geen tijd hadt om te zien. Uw woorden bewijzen dus niets.

—Twist niet met elkaar!—beval ik. Wat deden de Aladschy’s ten leste?

—Zij vroegen, in wat moeielijkheid zich onze Kiaja bevond, en wij vertelden, dat wij hen zouden moeten gevangen nemen en dan den ouden Mubarek met de lijken uit de rotshut moesten halen. Zij hadden gemeend, dat Mubarek dood was. Toen zij het tegendeel hoorden, waren zij in hun schik, en besloten, gauw naar hem toe te gaan, opdat hij niet in uw handen zou vallen. Mijn zwager kreeg nog een schop van—

—Neen, gij hebt dien gekregen!—viel de agent in.

—Zwijg! Of gij ’m gekregen hebt of ik, dat is hetzelfde, want wij zijn nauw aan elkaar verwant. Zij gaven dus aan een van ons een schop en retireerden toen in de plooien van het nachtgewaad dezer aarde.

—En toen zijt gij teruggekeerd om de helden saam te roepen?

—Ja. Wij hadden ons lang opgehouden, en opdat gij niets vermoeden zoudt, hebben wij ons moeten haasten.

—En gij hebt daarbij tevens gezegd, dat men niet bevreesd behoefde te zijn, want dat de vijanden in allen trots geweken waren?

—Ja, Heer.

—En dat het eenige gevaar voor hen bestond in de belofte, dat zij Arpa suju zouden moeten drinken en hamels eten?

—Dat hebben wij hun in goed vertrouwen medegedeeld.

—En hebt gij op uw krijgstocht ook een spoor van de Aladschy’s ontdekt?

—Niet maar een spoor, maar hen zelf.

—Ah! waar dat? Aan het eind van het dorp?

—Aan het einde van het dorp. Daar waren zij te paard—twee links en twee rechts van den weg—en Mubarek stond bij hen. Wij trokken met Janitzaren-muziek tusschen hen door. Het is geen kleinigheid, twee lijken uit een stik donker bosch te halen; zij liggen nu in het voorvertrek.

Met een handbeweging wees hij naar de deur. Ik antwoordde:

—Alles wat gij mij verteld hebt, wist ik. Maar omdat gij de waarheid hebt gezegd, wil ik u de smulpartij niet onthouden.

—En wie krijgt de huiden?

—Wie is de armste van het dorp?

—Chasna, de houthakker, die ginds met zijn bijl staat.

—Dan zal hij ze hebben. Breng nu de lijken weg en laat de Arpa suju komen.

Dit woord werd met gejubel ontvangen. Er werden groote dikbuikige bierpotten gebracht en gevuld. Daar de Turken vroeger het bier niet kenden, hebben zij er ook geen bijzonder woord voor. Hij noemt het met de Czechische uitdrukking Piwa of met het genoemde omschrijvende woord. Arpa beteekent: gerst. Su: water. Ju: van water. Arpa suju: gerstewater van water, wat nu niet precies verleidelijk klinkt.

Onderwijl nu iedereen een kleiner kom of glas zocht meester te worden, om er alleen uit te drinken, riep ik den politie-agent ter zijde en vroeg hem:

—Waarheen denkt gij het lijk van den slager te brengen?

—Naar zijn huis aan de overzij.

—De overbrenging geschiedt natuurlijk onder uw leiding?

—Niet maar onder mijn leiding, maar onder mijn opzicht, want ik ben de opzichter der politie.

—Dan heb ik iets voor u te doen. Ik heb opgemerkt dat gij een echte diplomaat zijt, die een zaak bij het rechte eind weet aan te vatten. Luister dus eens goed! Ik stel er prijs op, dat gij den broeder van den slager, bij de overbrenging van het lijk, te zien krijgt.

—Dat zal niet moeilijk zijn.

—Misschien toch wel. Hij kan reden hebben om zich niet te laten zien.

—O, ik ben de politie! Mij moet hij te woord staan.

—Neen, zoo moet gij het niet aanleggen! Niet barsch, maar verstandig en slim moet gij optreden.

—Daarvoor ben ik de rechte man.

—Leg het zoo aan, dat hij, als uit eigen beweging te voorschijn komt en gij hem in ’t gezicht kunt zien. Ik geef u vijf piasters, wanneer het u gelukt.

—Daar ben ik zoo zeker van, dat u ik verzoek mij de vijf piasters nu al te geven.

—Neen, mijn waarde. Gij hebt mij reeds zooveel voorgelogen, dat ik voortaan voorzichtig zijn moet. Geloof dus niet, dat gij mij kunt wijs maken hem gezien te hebben, zonder dat het waar is. Ik weet terstond of gij mij wat voorliegt.

—Heer, geen enkel onwaar woord zal over mijn lippen komen. Maar wat wilt gij dan eigenlijk weten?

—Daarover spreken wij later! Gij moet hem goed aangezien hebben; als gij dat gedaan hebt, is het voldoende.

—Maar bedenk, dat gij een groote opoffering van mij vergt. Onderwijl ik mij verwijder, drinken de anderen al de lekkere Arpa suju op.

—Ik zal zorgen, dat gij uw deel rijkelijk krijgt.

Hij ging. Ik zag, dat hij twee mannen riep om het lijk van den slager voor hem te dragen. Dat van den gevangenbewaarder werd voorloopig ergens opgeborgen.

Alles was nu in orde. Sommigen zaten, met de beenen kruiselings, op den grond, terwijl anderen, op onze manier, aan tafels zaten. De helden hadden allerlei mogelijk en onmogelijk vaatwerk in de hand, om er uit te drinken. Buiten op de plaats hurkten de vrouwen en kinderen rondom het vuur. Ook deze hadden eenige kannen bier gekregen. De jongens en meisjes waren bijzonder druk in de weer. met het opvangen van het vet, dat van de bradende hamels in het vuur dreigde te vallen. De een had voor dat doel een steen, een ander een stuk hout, waarop zij den druppel lieten vallen, om dien dan terstond daarvan af te likken.

Alleraardigst deed dit een misschien achtjarige jongen. Hij ving de druppels in zijn kleine fez op, en als hij meende er genoeg bijeen te hebben, om echt te kunnen smullen, dan keerde hij de muts binnenste buiten, en belikte de bedruppelde plek zoolang er nog iets van te halen was. Was het vet, te veel naar zijn zin, in de roodwollen muts gedrongen, of kleefde het er te vast aan, dan weerde hij zich dapper met zijn tanden. Toen het braden afgeloopen was, liet ik den knaap bij mij komen en bekeek zijn fez. De kleine had er verscheidene gaatjes in gebeten, en was den koning te rijk, toen ik zijn volharding met een piaster beloonde.

Een der vuren werd letterlijk belegerd door een kleine bende. Telkens als de aandacht van de braadster ook maar een oogenblik afgeleid kon worden, sprong een der saamgezworenen vooruit, om de een of andere appetijtelijke plek van het gebraad een lik te geven en dan vlug weer weg te loopen.

Dat was geen ongevaarlijk werk, omdat het vuur de kleeren van den kleinen gauwdief in brand kon steken. Gelukkig was niet een van het troepje in zijde met Brusselsche kanten gekleed. Was het waagstuk aan iemand gelukt, dan werd de gelukkige door de saamgezworenen met brulgejuich begroet. Kreeg de waaghals echter van een der vrouwen een flinken klap of ook wel een duchtige oorvijg, wat bij negen van de tien aanvallen gebeurde, dan werd hij geweldig uitgelachen. Maar telkens als de aanval gelukt was of niet, volgde er een zeer teekenend gebarenspel, naar aanleiding van de oorvijg of de gebrande tong.

Er was een mengeling van typische figuren, die een interessant geheel uitmaakten. De gasten—zoowel oude als jonge—gingen ongedwongen en in allen eenvoud hun gang. De ceremonieele vormen, die de Oosterling, vooral tegenover vreemden, streng in acht neemt, waren door de Arpa suju volkomen verdrongen. Langzamerhand werd men vertrouwelijk ook met ons en waren wij door vroolijke gezellen omringd, die mij tot kostelijke studie-opnamen dienden.

Toen de politie-agent van zijn diplomatische zending terug kwam, berichtte hij:

—Heer, het is mij gelukt! Ik heb hem gezien; maar het heeft moeite gekost. Gij zult mij wel tien piasters mogen geven in plaats van vijf.

—Waarom?

—Omdat ik mij tienmaal meer heb moeten inspannen. Toen ik naar hem vroeg, kreeg ik ten antwoord, dat hij afwezig was. Maar ik was hem te slim af, en liet zeggen, dat ik hem noodzakelijk moest spreken, omdat ik hem een belangrijke mededeeling te doen had betrekkelijk de laatste oogenblikken van zijn broeder. Toen liet hij mij komen, want hij zat alleen, in een vertrek. Hem ziende schrikte ik geweldig, want hij had een lange diepe wond, die over zijn voorhoofd, neus en wang liep. Naast hem stond een kom water, om de wond af te koelen.

—Hebt gij hem gevraagd, hoe dat gekomen was?

—Zeker. De spijker, waar zijn bijl aan hing, had losgelaten en toen was de bijl op zijn gezicht gevallen,—zoo zeide hij.

—En toen wilde hij zeker uw gewichtige mededeeling hooren?

—Ik zeide hem, dat zijn broeder nog niet dood was, toen ik hem opnam, maar nog eenmaal had gezucht.

—Was dat alles?

—Was dat niet genoeg? Moest ik dan mijn teere geweten met een nog grootere leugen bezwaren? Een enkel zuchtje zal ik voor den gerichts-engel nog wel kunnen verantwoorden. Maar had ik gezegd dat de doode nog eerst een lange redevoering had gehouden, dan zou ik mijn ziel daarmee ernstig bezwaard hebben.

—Nu, wat dat betreft, ik had u niet opgedragen, om leugens te vertellen. En tien piasters zijn voor een zuchtje te veel.

—Te veel voor u? Voor een man van zoo’n grooten invloed en begaafdheid? Wanneer ik de voortreffelijkheid had van uw karakter, de innigheid van uw gevoel, den rijkdom van uw hart en de sierlijkheid van uw denken, zouden vijftig piasters mij niet te veel zijn!

—Vijftig piasters zijn ook niet te veel voor mijzelf.

—Ik bedoel niet voor uw eigen gebruik, maar om ze mij te geven, te meer omdat de zaak niet zoo eenvoudig afgeloopen is, als ik wenschte.

—Hoe dan?

—Wel, hij werd boos, sprong op en vloekte afgrijselijk. Hij zei, er voor te zullen zorgen, dat ik ook nog zuchten zou, en niet zoo zacht als, volgens mij, zijn broer zou gedaan hebben. En wat er toen gebeurde, kunt gij wel denken.

—Neen. Zoo duidelijk als gij, kan ik mij den toestand niet voorstellen.

—Welnu, ik nam in ontvangst, wat men gewoonlijk een pak slaag noemt, maar wat ik nu betitelen wil als gevolg mijner innige toewijding aan uw belangen.

—Waren de slagen ter dege raak?

—Meer dan dat!

—Het is mij zeer aangenaam, dat te hooren!

—Maar ze te ontvangen, was mij het niet. Ik zal heel wat noodig hebben voor mijn genezing, uitwendig een afwrijving met Raki, en inwendig heel wat Arpa suju voor afkoeling, en hamelvleesch tot herstel van verloren kracht en lenigheid.

—Ik vermoed, dat gij de Raki ook wel voor den innerlijken mensch zult gebruiken. En wat uw lenigheid betreft, bewijs mij terstond dat die niet geleden heeft, door u oogenblikkelijk uit de voeten te maken. Hier zijn de tien piasters.

—Heer, uw woorden zijn beleedigend, maar uw daden zijn balsem. Al de roerselen van mijn hart zijn eenstemmig in liefde voor uw persoon, en mijn ingewanden rommelen van verrukking over uw goedertierenheid!

—Maak dat gij weg komt, gij groote held, of ik zal uw beenen zóó smeren, dat gij er op springt!

Ik greep het handvat van mijn zweep, en terstond was de dappere verdwenen.

Het nauwkeurig herhaalde onderzoek naar den toestand van de hamels bewees dat ze gaar waren, en de verdeeling begon. Opdat er geen twist zou ontstaan, liet ik Halef voorsnijden, een kunst, waarin hij een meester was. Daarna werden de porties verloot. Wij kregen de staartstukken; maar ik ontzegde mij het genot dier lekkere stukken, omdat ze in mijn tegenwoordigheid het meest door de jeugd waren belikt geworden.

Trouwens, onze waard had goed voor ons gezorgd. Wij konden ons vergasten aan een overvloedig en smakelijk avondeten. Wat dat betreft, konden wij over hem tevreden zijn.

Na de bijna spoorlooze verdwijning der vier vette hamels, nam de krijgskapel plaats in een hoek van den binnenhof, en fungeerde als orkest voor zang en dans.

Wat wij nu te hooren kregen, gaat alle beschrijving te boven Ik moet mij bepalen tot de vermelding, dat er gedanst werd, bijna alleen door de mannen; later verschenen er ook eenige vrouwen. De dans bestond òf uit wilde onregelmatige sprongen òf in minder mooie verdraaiïngen van het lichaam. Eén enkel paar, man en vrouw, vertoonde een vrij goede pantomime, waarbij gitaar en viool alleen begeleidden.

Ter afwisseling van den dans, lieten zich de zangers hooren, meestal in koor. De solostukken ademden een weemoedigen geest, maar er zat ten minste melodie in, en bij de begeleiding ook sporen van harmonie. De koorzangen waren meest krijgsliederen. Deze werden eenstemmig gezongen of veel meer gebruld en door gegil onderbroken dat oorverscheurend was. De begeleiding was als de zang. Bazuingeschal, de trommel en fluit vervulden de hoofdrol.

Laat in den avond, omstreeks middernacht, zag ik een ruiter aankomen, die hier overnachten wilde. Hij was klein van gestalte en steeg van een oud mager en slecht verzorgd paard af, dat nu hard had moeten loopen.

Hij wisselde eenige woorden met onzen waard, en deze zeide mij, dat ik morgen al een zeer goeden gids zou kunnen krijgen.

Ik dacht terstond aan den man, van wien de beide Aladschy’s gesproken hadden, en die mij in hun handen leveren zou. Suef hadden zij hem genoemd, een echt Arabische naam.

Hij moest, in geval ook de aanslag op heden niet mocht gelukken, terstond met zijn verraderij beginnen. Welnu, de poging om mij door het raam dood te schieten, was mislukt; dus stond het vast, dat hij van daag met zijn verraderij beginnen zou.

Het was mogelijk, dat hij al van avond zou trachten, met ons in verbinding te komen, en in dat geval kon de reiziger de gevaarlijke persoon zijn. Ik moest voorzichtig te werk gaan en nauwkeurig onderzoeken.

—Hoe komt gij er toe, van een gids te spreken?—vroeg ik den waard. Wij hebben zoo iemand niet noodig.

—Misschien toch wel! Kent gij den weg?

—Wij hebben nooit een weg, dien wij in deze streken gingen, vooruit gekend, en zijn toch altijd terecht gekomen.

—Gij verlangt dus geen gids?

—Neen.

—Zoo als gij wilt. Ik meende u een dienst te bewijzen.

Hij wilde van ons weggaan. Dat zag er niet naar uit, alsof de aangekomen vreemdeling zich door hem bij ons wilde indringen. Daarom vroeg ik nader:

—Wie is hij dan, dien gij bedoelt?

—Een bij u passend gezelschap is hij eigenlijk niet. Het is een arme kleermaker, die niet eens een vaste woonplaats heeft.

—Hoe heet hij?

—Afrit is zijn naam.

—Afrit, dat woord beteekent: reus. Die naam past niet bij zijn gestalte, want hij is zoo klein, dat hij veel van een dwerg heeft.

—Dat hij nochtans Afrit heet, is zijn schuld niet, want dien naam heeft niet hij gekozen, maar is hem door zijn vader gegeven. Misschien was die ook zoo klein, en heeft zijn zoon Afrit gedoopt, in de hoop dat zijn zoon een reus zou worden.

—Is hij uit deze streek?

—Waar hij geboren is, dat weet niemand. Hij is overal als de reizende kleermaker bekend. Waar hij werk vindt, daar blijft hij tot het klaar is. Met den kost en een kleine vergoeding is hij tevreden.

—Is hij eerlijk?

—Volkomen vertrouwd. Hij is door zijn onbaatzuchtigheid zelfs spreekwoordelijk geworden. Zoo eerlijk als de reizende kleermaker, pleegt men te zeggen.

—Waar komt hij nu van daan?

—Van Sletowo, dat in het Noorden ligt.

—En waar wil hij heen?

—Naar Uskub en nog verder. Omdat gij ook derwaarts wilt gaan, meende ik hem u te mogen aanbevelen. Volgt gij den straatweg, dan maakt gij een omweg, en de kortste weg is heel moeielijk te vinden.

—Hebt gij met hem al over ons gesproken?

—Neen, Heer. Hij weet in ’t geheel niet, dat hier vreemdelingen zijn. Hij vroeg alleen, of hij hier tot morgen ochtend blijven kon. Ik wilde hem werk geven, maar hij kon het, om een ziekte-geval niet aannemen. Hij wordt daarvoor gewacht.

—Waar is hij op het oogenblik?

—Achter het huis, waar hij zijn paard laat weiden. Gij kunt het dat dier aanzien, hoe arm zijn baas is.

—Geef hem dan straks vergunning om bij ons binnen te komen. Hij mag onze gast zijn.

Al spoedig kwam dan ook de man zelf. Hij was zeer klein, zwak, en bepaald armoedig gekleed. Hij scheen zeer veel geleden te hebben, en nam uiterst bescheiden in een hoekje plaats. Behalve een mes, droeg hij geen wapens, en al spoedig haalde hij een stuk hard maïsbrood uit zijn zak, om daarmee zijn avondmaal te doen. Deze arme man was zeker geen makker van de bandieten. Ik noodigde hem uit, om bij ons plaats te nemen, en van het overschot van ons avondeten, dat nog op tafel stond, gebruik te maken.

—Heer, gij zijt wel vriendelijk,—zeide hij beleefd,—en ik heb werkelijk honger en dorst. Maar ik ben een arme kleermaker en het past mij niet bij Heeren, zooals gij zijt, aan te gaan zitten. Wanneer gij mij iets geven wilt, zal ik het dankbaar aannemen, maar vergun mij, het hier, waar ik zit, te mogen nuttigen.

—Zooals gij wilt. Halef, zet hem ons eten voor!

De Hadschi zette hem zooveel voor, dat meerdere personen er hun genoegen aan hadden kunnen eten. Ook gaf hij hem bier en Raki.

Toen de man verzadigd was, kwam hij naar mij toe, reikte mij de hand en dankte mij met de meest eerbiedige woorden. Hij zag er zoo verarmd en eerlijk uit, bovendien sprak er zooveel oprechtheid uit zijn oogen, dat ik zeer ingenomen met hem was.

—Hebt gij bloedverwanten?—vroeg ik hem.

—Geen enkele. Mijn vrouw en kinderen zijn, twee jaar geleden, aan de pokken gestorven. Nu ben ik alleen.

—Hoe heet gij?

—Men noemt mij: de reizende kleermaker, maar mijn eigen naam is Afrit.

—Kunt gij mij ook zeggen, waar gij eigenlijk thuis hoort?

—Waarom niet? Ik moet toch weten, waar ik geboren ben? Ik stam af uit het kleine berg-dorp Weicza in de Schar Dagh.

Ah, dat was de plaats, die door den stervenden gevangenbewaarder genoemd was, als in de buurt liggende van de gezochte Karanorman-Khan. De ontmoeting met dezen armen man kon van groot nut voor ons zijn.

—Zijt gij daar bekend?—vroeg ik.

—Zeer goed; ik kom er dikwijls.

—Wanneer gaat gij er weer heen?

—Ik ga er juist nu naar toe. Over Uskub en Kakandelen reis ik er heen.

—Om iemand een bezoek te brengen?

—Neen. Daar woont een wonderdokter die mij moet helpen, want ik heb iets, daar hij mij moet afhelpen.

—Wilt gij niet liever een wetenschappelijk man raadplegen?

—Dat heb ik gedaan, maar het heeft niet geholpen. Bij den wonderdokter heb ik al veel baat gevonden.

—Wat hebt gij dan?

—Men zegt dat ik aan steenen in de lever lijd.

Hij zag er ook heelemaal naar uit, alsof hij aan innerlijke pijnen leed. Ik had werkelijk medelijden met hem.

—Wanneer denkt gij verder te rijden?

—Morgen vroeg.

—Rijdt gij dan ineens door naar Uskub?

—Neen. Dat is te ver, om het in één dag te doen.

—Is er dan onderweg een goede herberg?

—Wel meer dan een.

—Zullen wij samen reizen?

—Ik met u reizen! Maar dat gaat toch niet! Met zulke Heeren als gij, kan ik toch niet spreken.

—Waarom niet? Gij doet het nu wel, en gij bevalt mij goed. Wanneer gij er niet op tegen hebt, dan reizen wij samen, gij kent den weg beter dan ik, en voor uw wegwijzing betaal ik u als mijn gids.

—Heer, spreek niet zoo tegen mij! Ik ben maar een arme kleermaker, voor wien het een bijzondere eer is met u mee te mogen rijden. Ook is het veiliger niet alleen op weg te zijn. Wanneer gij het dan wilt, zal ik mij bij u aansluiten.

Daarmee was de zaak afgedaan, en hij ging weer op zijn plaats zitten. Een poos later wenschte hij ons wel-te-rusten, en verwijderde zich om te gaan slapen. Osko, Omar en Halef, zij ook waren van oordeel, dat wij met een eerlijken man te doen hadden, wat de waard ons ook nogmaals verzekerde.

Langzamerhand liep de binnenplaats leeg en werd ook het voorvertrek ontruimd. Ook voor ons werd het tijd om te gaan slapen. De waard maakte voor mij de sofa in orde, maar de anderen moesten een plekje opzoeken bij de paarden, die ik allerminst hier zonder toezicht wilde laten.

Toen ik alleen was, sloot ik van binnen de deur af. De vensters waren ook sekuur gesloten, en daar ik mij op mijn scherp gehoor kon verlaten, sliep ik onbezorgd in.

1 Men leze: Karl May “De Karanirwan-Khan in Albanië”.

2 Men leze: Karl May “De Karanirwan-Khan in Albanië”.

Tiende hoofdstuk.
De Miridiet.

Inhoudsopgave

Ik werd den volgenden morgen eerst wakker toen Halef op de deur tikte. Op het gevoel ging ik langs den muur om de deur te vinden en die te openen. Het volle daglicht stroomde naar binnen. Ik had mij verslapen; in huis had men alles vermeden wat mij zou hebben kunnen storen.

De kleermaker moest met ons ontbijten; daarna betaalde ik onze vertering en maakten wij ons tot de afreis gereed.

De waard was enkele oogenblikken afwezig geweest en hield nu een opgewonden redevoering tot afscheid. Hij besloot die met de waarschuwing:

—Heer, wij scheiden als goede vrienden, ofschoon gij mij heel wat zorgen op den hals hebt gehaald. Alles is gelukkig goed afgeloopen, en daarom wil ik u nog voor iets waarschuwen. Ik was zoo even aan de overzijde bij den slager, bij wien ik als buurman een bezoek van rouwbeklag brengen moest. De broeder van den gedoode kreeg ik niet te zien. Men beweerde, hij was weggereden. Maar op de binnenplaats zag ik het beste paard van den slager, gezadeld en opgetuigd. Het is op u gemunt.

—Misschien wil hij het een of ander gaan inkoopen.

—Geloof dat maar niet. Wanneer iemand zoo gewond is als mijn knecht mij van hem vertelde, dan kan alleen de bloedwraak hem doen besluiten om den weg op te gaan. Pas dus goed op uw tellen!

—Hoe ziet zijn paard er uit?

—Het is een bruin met een lange, breede bles. Beter paard is er in den heelen omtrek niet. Als het ’s mans bedoeling is, u te vervolgen, dan komt hij niet terug voor hij u gedood heeft. Want volgens de wet der bloedwraak is hij eerloos als hij u laat ontkomen.

—Wij zullen zien. Intusschen, dank voor uw waarschuwing. Vaarwel!

—Vaarwel, en schrik niet als gij de poort hier uitrijdt.

—Wat zou mij doen schrikken?

—Dat zult gij wel zien en hooren ook.

Wij zetten ons in beweging om weg te rijden. Eerst nu werd de poort opengedaan. Ik reed voorop. Toen ik mij onder de poortdeur bevond en de kop van mijn paard zichtbaar werd, hoorde ik een knetterenden slag, alsof de bliksem insloeg, en volgde daarop een ontzettend geraas.

Mijn hengst vloog omhoog en sloeg met alle vier de pooten om zich heen. Ik had heel wat moeite om hem te doen bedaren.

En wat was nu dat heidensch lawaai? Een mooie vereerende fanfare had men ons willen brengen. Buiten stond het legercorps van gisteren avond, met volle muziek. Van de bazuin was het eerste knaleffect uitgegaan, en nu donderde en bulderde zij verder met de andere instrumenten mee. Eindelijk gaf de bazuinblazer, door een krachtigen zwaai met zijn instrument, een teeken en—alles was stil.

—Effendi,—zoo sprak de bazuinist mij aan; nademaal gij ons gisteren avond zoo groote eer bewezen hebt, willen wij op heden gelijk met gelijk vergelden en u uitgeleide doen tot aan de grens van ons dorp. Ik wil hopen dat gij ons dit zult toestaan.

En zonder antwoord af te wachten zette zich de stoet met volle muziek, in beweging. Buiten het dorp hield Halef een toespraak, waarin hij de Heeren bedankte, die daarna huiswaarts keerden. Wij reden in de richting van Warzy, vanwaar wij gisteren waren gekomen. Daar week onze weg af, van die wij gisteren waren gegaan, omdat wij van daar uit naar Jerzely moesten rijden.

Toen wij aan gene zijde waren van de brug over de Sletowska, zei ik tot Halef:

—Rijdt stapvoets door, ik heb iets vergeten. Ik moet nog even terug, maar ik kom u spoedig achterop.

Zij reden door. Ik was volstrekt niet van plan, om naar het dorp terug te gaan; ik had een gansch andere bedoeling, waarvan ik den kleermaker niets wilde laten merken. Ik kende hem nog te weinig om hem te vertrouwen.

De broeder van den slager zon op wraak, dat was zeker. Hij had zijn paard laten zadelen om ons terstond te kunnen volgen. Was dat werkelijk zijn bedoeling, dan zou hij ons op den voet volgen. Ik had dus niet lang te wachten om te zien of wij iets van hem te vreezen hadden. Over deze brug moest hij in allen geval komen.

Ik dreef mijn paard tusschen het struikhout, dat zich aan den oever bevond en mij volkomen dekte, wanneer ik mij maar een weinig vooroverboog. Daar bleef ik op wacht.

Wat ik vermoed had, gebeurde. Nauwlijks vijf minuten later kwam hij in draf mij voorbij en de brug over. Hij reed op den bruin met de bles, had een geweer aan zijn zadel hangen en een heidukkenbijl op zijde. Een pleister, van onder zijn fez over voorhoofd, neus en wang loopende, mismaakte zijn gezicht,

Hij volgde de richting naar Warzy niet, maar reed langs de Sletowska, tot waar deze zich met de Bregalnitza vereenigt, hij ging nog een eind verder en wendde zich daarna naar de steile hellingen, die het plateau van Jersely dragen.

Voorzichtig volgde ik hem, met mijn verrekijker in de hand. Mijn hengst liep zoo gelijkmatig en bedaard, dat ik mijn man, hoe ver ook van mij af, steeds in het oog hield.

Hij volgde nu den weg, die van Karanorman naar Warzy gaat. Daarna volgde ik hem over een vlakke weide, die met allerlei boschjes, als met eilandjes, begroeid was.

Hier kon ik hem niet aldoor in het oog houden, omdat die boschjes telkens tusschen hem en mij inkwamen. Ik moest zijn spoor volgen, maar dat was duidelijk genoeg.

Links liep de helling steil naar omlaag. Het spoor wees in die richting. De grasvlakte ging hier in steengrond over, waarop echter ook veel struikgewas. Hier was het spoor niet zoo gemakkelijk te onderkennen, toch kon ik het volgen. Ik was zoo dicht mogelijk langs de steenachtige helling gegaan.

Op eens—ik trok mijn hengst terstond achterwaarts—hoorde ik dicht voor mij het snuiven van een paard. Juist had ik om een boschje heen willen wenden. Voorzichtig keek ik uit en zag den bruin, aan een struik vastgebonden. Er zat niemand op.

Mijn hengst een pas verder brengende, zag ik den Miridiet, die al zoekende en rondziende, achter een boschje verdween.

Wien of wat zocht hij? Dat had ik zoo graag willen weten; maar ik kon hem niet bespieden noch beluisteren, want ik mocht te paard hem niet volgen, daar hij mij dan zeker zou opgemerkt hebben, en te voet ging ook niet, omdat ik niet loopen kon.

Maar een ding kon ik, als me een oogenblik tijd werd gelaten:

—zijn geweer voor mij onschadelijk maken. Het hing aan zijn zadelknop. Tijd om den kogel af te draaien had ik niet; maar er was nog een andere en betere manier om het te laten ketsen. En snapte hij mij bij die bezigheid, welnu, dan was ik best tegen hem opgewassen, indien hij hier ten minste geen kameraden was komen zoeken.

Ik liet mij dus uit den zadel glijden en nam mijn geweer in de hand, om er op te leunen bij het gaan, en ook om in geval van nood een veilig wapen bij de hand te hebben. Die enkele voetstappen tot waar de bruin stond, kon ik wel loopen. Toen ik bij hem was, nam ik zijn geweer, haalde den haan over, en trok de percussie er af. Dit gedaan, nam ik een speld uit mijn vest—waarin ik er altijd eenige heb—en stak die zoo diep mogelijk in het zundgat. Door heen en weer wrikken bleef die er vast in zitten en brak bij de punt af. Het gaatje was volkomen gedicht en het geweer zoo onbruikbaar als een vernageld kanon. Ik zette de percussie er weer op en bracht den haan weer in gesloten toestand. Nadat ik het geweer aan den zadel gehangen had zooals het geweest was, hinkte ik naar mijn hengst terug en steeg op.

Nu was ik toch al dicht bij hem. Ik ging een boschje verder van hem af en bleef daar wachten. Na eenige oogenblikken hoorde ik paardengetrappel en naderende stemmen.

—Wij hebben ons al langer opgehouden dan ons lief is,—hoorde ik zeggen en ik meende de stem van Barud el Amasat te herkennen. Wij hebben geen lust om den heelen dag achter hem aan te sluipen, maar rijden vooruit en wachten u. Dan rusten wij uit, tot gij komt.

—Die honden zijn eerst laat op weg gegaan,—hoorde ik zeggen door iemand, wiens stem ik niet kende en die dus de Miridiet moest zijn. Ook mij is de tijd lang gevallen. Maar ik zal er nu gauw een eind aan maken.

—Pas goed op, dat het niet weer mislukt, zooals gisteren avond.

—Dat was heel wat anders, vandaag ontsnapt hij ons niet. Ik heb mijn geweer met gehakt lood geladen.

—Neem u in acht. Hij is kogelvrij.

—Gehakt lood is wat anders dan kogels.

—Inderdaad, daar kondt ge gelijk in hebben. Daar hadden wij eerder om moeten denken.

—Kom, onzin; kogelvrij bestaat niet!

—Oho!—hoorde ik Manach el Barscha zeggen. Ik had gisteren avond zorgvuldig geladen en tot bij het venster sluipende, had ik mijn geweer op de vensterbank laten rusten. Toen nam ik hem op den korrel, zoodat ik hem tusschen de oogen moest treffen, en toen ik losbrandde, volgde er een hevige knal, waarbij mijn geweer achteruit sloeg en ik er bij. Dat mijn schot hem niet deerde, hebt gij zelf gezien.

—Ja, ik stond bij de huisdeur. Vreemd is het zeker. Ik kon u bij het lamplicht zien, dat in de kamer brandde. Ook zag ik dien verdoemeling, namelijk zijn halven kop. Ik zag u aanleggen, den loop op zijn voorhoofd gericht. Uw schot knalde en spoot vuur, al sof gij er een heel pond kruit op geladen hadt. En terwijl gij achterover sloeg, bleef hij rechtop staan, ongedeerd. Begrijpen doe ik het nog niet.

—Ik wel, hij is kogelvrij.

—Goed, daarom wil ik het met gehakt lood probeeren, en helpt dat niet, dan neem ik mijn heidukkenbijl. Dat wapen hanteer ik als de beste; en die Frank heeft nog nooit zoo’n wapen in zijn handen gehad. Ik wil hem niet van achteren overvallen.

—Waag niet te veel.

—Bah! Voor hij tijd heeft zich te verweren, is hij er geweest!

—Maar zijn makkers!

—Om die geef ik niets!

—Die vliegen terstond op u aan.

—Daar zal ik ze geen tijd toe laten. Op mijn bruin haalt niemand mij in. Ook zal ik voor den aanval een struikgewas kiezen, waarachter ik terstond verdwijn.

—Vergeet ge dat zijn hengst oneindig vlugger loopt dan uw bruin?

—Wat geef ik om zijn hengst, als ik hem heb gedood!

—Neen, maar een ander springt er op en haalt u in, misschien wel die kleine duivel, die vlug en flink is als zijn meester.

—Niets liever dan dat. Dan zou ik hem dien slag van gisteren avond betaald kunnen zetten.

—Nu, veel geluk! Gij hebt uw broeder te wreken en hebt dus het recht op uw zijde, waaraan Allah zeker de overwinning geeft. Gelukt het u echter niet, welnu, kom ons dan achterna. Gij weet waar ons te vinden, en heden avond overleggen wij, hoe dien kerel toch zijn portie te geven. Nu scheiden wij, daar wij weten dat zij op weg zijn en naar Uskub gaan.

—Gij gaat dus inderdaad niet denzelfden weg als zij?

—Neen, want wij rijden over Engely, en zij over Jerzely. Wij zijn er dus eerder dan zij.

—Welnu, dan kan ik toch nog eenigen tijd bij u blijven. Wanneer ik dus vandaag niet kom, dan is het gelukt, en gij krijgt ook dezen Effendi niet meer te zien, want hij ligt hier of daar te verrotten. Voorwaarts!

Weer hoorde ik paardengetrappel, maar nu verwijderde het zich.

Nu liet ik ook mijn hengst voorzichtig uit het struikhout komen en zag de geheele bende wegrijden.... de beide Aladschy’s op hun sjekken, den Miridiet op zijn bruin, ook Manach el Barscha, Barud el Amasat en den ouden Mubarek, die zeer wankel in den zadel zat met zijn arm in een hangband.

Indien ze geweten handen dat ik mij op hoogstens tien meter distantie van hen bevond! Dat zou me een scène gegeven hebben! Als mijn hengst maar even snoof, was ik verraden. Maar het verstandige dier wist, wat het beduidde als ik hem maar even de hand op zijn neusgaten lei. Dan hield hij zijn adem als het ware in.

Nu kon ik mijn kameraden gemakkelijk inhalen, die reeds lang Warzy moesten bereikt hebben. Ik ging rechtsaf, zoodat ik die plaats in het geheel niet aandeed.

Ik kende den omtrek in ’t geheel niet, en er was van Warzy naar Jerzely geen goed begaanbare weg. Dat had ik van den kleermaker gehoord. Maar ik vond toch het spoor van de mijnen, ongeveer drie kilometer van het eerste dorp verwijderd, en ik volgde dat. Het leidde mij door een woest, rotsachtig, kloofachtig dal naar een hooger liggend bosch, in welks weeken bodem ik hun spoor zeer duidelijk kon zien, zoodat ik minder scherp behoefde op te letten en dus sneller kon rijden. Al spoedig had ik hen dan ook ingehaald.

—Sihdi, ik wilde juist vragen, dat men op u zou wachten,—zeide Halef. Wat hadt u vergeten?

Voor ik antwoordde wierp ik een onderzoekenden blik op den kleermaker. Hij scheen volstrekt niet nieuwsgierig naar mijn antwoord.

—Ik wilde zien wat de Miridiet, de broeder van den slager voorhad. Gij hebt onzen waard toch hooren zeggen dat ze allebei Miridieten zijn.

—Wat gaat ons die Miridiet aan?

—Heel veel. Hij wil mij onderweg met gehakt lood doodschieten of met zijn heidukkenbijl treffen.

—Weet u dat?

—Hij heeft het gezegd tegen onze vrienden, die ons hebben willen laten doodhongeren.

Ik vertelde nu wat er gebeurd was, maar zei niet, dat ik het geweer had vernageld. Ik hield intusschen het oog aldoor op den kleermaker gevestigd. Hij trok een oprecht verwonderd gezicht, en zeide ten leste:

—Effendi, wat zijn dat voor mannen? Zijn er dan waarlijk zulke goddelooze menschen?

—Zooals gij hoort.

—O Allah! Dat had ik nooit gedacht. Wat hebt gij hen dan gedaan?

—Dat zult gij bij gelegenheid wel hooren, wanneer gij verder met ons mede gaat, want wij blijven niet te Uskub. Wij gaan die stad slechts door, en rijden dan, zoo spoedig mogelijk, verder naar Kakandelen en Prisrendi.

—Dus naar de plaats waar ik thuis hoor? Daar ben ik blij om. Wat u gisteren overkomen is, heb ik van de bedienden gehoord. En nu hebt gij vandaag weer in doodsgevaar verkeerd! Zoo iets zou een mensch toch bang en angstig maken.

—Als gij liever met ons niet mede gaat, zeg het dan vrij uit.

—Daar denk ik niet aan. Misschien ligt het alleen aan mij, wanneer gij alle gevaar ontkomt. Ik voer u langs een weg waar die Miridiet u zeer zeker niet vindt. Ik breng u door weideplaatsen en open vlakten op het gebergte. Dan dalen wij af naar de beroemde en vruchtbare vallei van Mustafa, die zich van Uskub, zuid-oostelijk, tot voorbij Kröpili uitstrekt en waarin de nieuwe spoorweg aangelegd wordt. Daar trekken wij door open vlak land. En wanneer gij het goedvindt, dan blijf ik nog voorbij Uskub ook uw gids.

—Dat is heel vriendelijk van u. Het lijkt mij, dat ge al veel rondgezworven hebt.

—Alleen in deze streken, maar die ken ik dan ook goed.

—Wij zijn hier vreemd, maar hebben toch nu en dan over een man hooren spreken, dien men den ’Shoet’ noemde. Wie is dat toch?—vroeg ik zoo onverschillig mogelijk.

De dwerg trok de wenkbrauwen hoog op en antwoordde:

—Hij is een berucht roover.—Hij keek schuw rond en vervolgde: Het is beter over hem niet te spreken. Hij heeft overal zijn spionnen. Achter iederen boom kan er een staan.

—Is zijn aanhang dan zoo groot?

—Hij heeft zijn aanhangers overal, in ieder dorp, in iedere stad. De Raadsheeren van den Grooten Heer en de vroomste Iman zijn misschien lid van zijn bende.

—Kunnen ze dan geen vat op hem krijgen?

—Neen. De wet vermag in deze niets. Ik ben geen leeraar van den Koran, noch van de Sunnan en haar uitlegging, maar ik heb wel eens hooren zeggen, dat onze wetten zoo duister en dubbelzinnig zijn, dat ze gehandhaafd wordende, meer kwaad dan goed doen. De rechters kunnen de wet op allerlei manieren uitleggen.

—Dat is, helaas, maar al te waar!

—Hoe moet het dan daar zijn, waar men de wet niet handhaven kan, waar niemand zich om haar behoeft te bekommeren, zooals hier bij ons? Denk eens aan de Albaneezen, de Arnauten, Skipetaren, Miridieten en al die natiën en stammen, die allemaal hun eigen wetten, gebruiken en rechten hebben. Dat is het terrein waar de Shoet op zijn plaats is. Hij lacht om den Grooten Heer en zijn ambtenaren. Hij spot met de gerechtshoven, de politie en de soldaten. Niet een hunner kan hem ook maar het minste doen. Hier leeft ieder dorp in vijandschap met de omliggende. Iedere plaats heeft met een andere, een diefstal, een rooverij of ook wel een bloedwraak te vereffenen. Dat geeft een eindeloozen strijd, waarin natuurlijk de sterkste en slechtste de overhand houdt. Effendi, ik ben maar een arme man en wil niet nog ellendiger worden dan ik al ben, daarom wil ik niets gezegd hebben.

—Denkt gij dat ik uw woorden zal overbrieven?

—Neen, daarvoor zijt gij een te nobel mensch. Maar de boomen hebben ooren, en de wind voert alles mee.

—Zulke toestanden kunnen dan ook slechts in deze streken bestaan.

—Maar zijn er dan in andere landen ook geen rooverbenden en dieven?

—Soms wel, maar die houden het niet lang uit, hoogstens enkele weken. Zij die geroepen zijn om de wetten te handhaven, maken daar spoedig een eind aan.

—Nu ik wil gelooven dat rechters daar veel macht hebben, maar tegen list is macht niet bestand.

—Maar dan stellen wij list tegenover list. Bij ons is geen misdadiger zoo slim, of de politie is nog slimmer. Als een van onze mannen hier kwam, hij zou den Shoet gauw genoeg opgespoord hebben.

—Bah! De Shoet zou dien man eerder kennen dan deze hem. En wat zou er dan gebeuren?

Het was mij alsof de kleermaker iets meer bedoelde dan een eenvoudige vraag, er klonk minachting in zijn stem. Of verbeeldde ik mij dat maar?

—Wel, dan zou die geheime politie-man er misschien het leven bij inschieten,—antwoordde ik,—maar anderen kwamen hem vervangen.

—Die anderen zouden verdwijnen evenals hij. Zooals de toestanden hier zijn is de Shoet niet te vinden of te vangen. Het verstandigste is dat men in ’t geheel niet over hem spreekt en daarom willen wij ook verder over hem zwijgen. Hoe arm ik ook ben, toch bekruipt mij de angst als ik maar aan hem denk. Ik verdien mijn brood, wel met groote moeite, maar toch heb ik iets overgespaard om den wonderdoenden man te betalen, die mij moet genezen. Als die roovers mij overvielen, mij mijn spaarpenningen afnamen, dan zou ik niet eens medicijn kunnen koopen voor mijn genezing.

—Is die wonderman beroemd?

—Wijd en zijd.

—Dan moet het dorpje, waar gij van daan zijt, ook goed bekend zijn?

—Zeker, iedereen kent het.

—Nu, ik heb ook wel van Weicza gehoord. Toen vertelde men mij ook van een beroemden man, die daar in de buurt moet zijn.

—Een Khan..., hoe noemde men die?

—Dat herinner ik mij niet. Ik meen, het woordje ’Kara’ was er bij.

Hij zag mij scherp aan, en een oogenblik vergetende, dat hij zich daardoor verried, schoot er een blik, als een bliksemstraal, uit zijn oogen. Maar het volgende oogenblik was hij weer de zachtmoedige kleermaker, waarvoor hij zich uitgegeven had, en zei weifelend:

—Kara, kara, hm? Ik kan er niet op komen wat dat kan zijn.

—Als gij het geheele woord wist, kon ik u misschien helpen.

—Misschien schiet de naam mij nog te binnen. Kara.. Kara...—Halef gij hebt den naam ook gehoord, weet gij hem nog?

—Karanorman?—antwoordde de Hadschi, die mijn bedoeling heel goed begreep.

—Ja, juist, dat was ’ie, Karanorman-Khan? Kent gij dien, Afrit?

Hij deed alsof hij zich moest bedenken, voor hij antwoordde:

—Ja, nu weet ik, wat gij meent. Maar het is niet een groote Khan, een ruïne slechts. Er woont niemand. Eeuwen geleden was het een groote Karawanserai. Daarna werd het een soort kazerne, een wachttoren voor de grenswacht, en nu is ’t een bouwval, meer niet. Wat heeft men ervan gezegd?

—Dat de Shoet zelf daar zijn hoofdkwartier heeft.

Er ging een trilling over zijn gelaat, alsof hij een plotselinge geweldige aandrift moest onderdrukken. De man wist wat zelfbeheersching was, want in minder dan geen tijd toonde hij weer het kalme en rustige gezicht van daareven en antwoordde:

—Ik geloof dat men u wat heeft wijs willen maken.

—Inderdaad?

—Ja, want ik ken die plek heel nauwkeurig. Ik ben op alle uren van den dag, ook bij nacht, daar geweest, en heb nooit iets gezien, wat tot dat praatje aanleiding kon geven. Ook in den omtrek zelf weet men daar niets van. Ik verzeker u dat men juist daar het minst over den Shoet spreekt.

—Hij zal wel oppassen, juist daar, waar hij woont, de bevolking niet tegen zich in te nemen.

—Dat kon wel zijn. Ik zie, Heer, dat gij uitgeslapen genoeg zijt en de dingen gemakkelijk doorziet. Maar dat kan gevaarlijk voor u worden. Weet gij wel dat ik u sterk verdenk, naar den Shoet te zoeken?

—Neen, maar hoe komt gij op die gedachte?

—Uw heele manier van doen brengt mij op die gedachte.

—Hoor eens, ik begin te begrijpen, dat het u aan scherpzinnigheid niet ontbreekt. En.... dat kan voor u gevaarlijk worden.

—Gij steekt er den draak mee. Ik ben een arme kleermaker, maar gij hebt, naar ik hoor, reeds lang de aanhangers van den Shoet vervolgd en vervolgt ze nog altijd. Ik moet u wel voor een politieman houden, en wel voor zoo’n sluwe, als waarvan gij gesproken hebt.

—Dat ben ik toch niet.

—Het schijnt toch van wel. Misschien zoekt gij den Shoet in Karanorman-Kahn. Maar daar komt gij nooit.

—Waarom niet?

—Omdat gij voor dien tijd vermoord wordt. De Shoet weet reeds precies wat gij voorhebt. Gij zijt ten doode opgeschreven.

—Dat wacht ik bedaard af.

—Als gij dengene afwacht, die u moet dooden, is het te laat.

—Welnu, ik herhaal, dat ik geen ambtenaar en geen politie-man ben. De Shoet en zijn mannen kunnen mij gerust mijn gang laten gaan.

—Bemoei u dan ook niet met wat zij doen.

Deze laatste woorden werden op bevelenden toon gezegd. Zijn stem trilde en zijn stemgeluid klonk heesch. Het kookte in hem. Die kleine man die zich Afrit—dat is: reus—noemde, was niet wat hij zeide te zijn. Daar had ik een eed op willen doen. Maar hij verstond meesterlijk de kunst om zich voor te doen voor wat hij verkoos. Die kleine sperwer verstond het, zich met de veeren van een tortel te dekken. Misschien was hij wel die Suef, die mij ’leveren’ moest.

Maar dat was toch niet te denken, omdat de Kiaja hem kende en ook zijn naam. Of zouden misschien alleen de verbondenen hem ’Suef’ noemen? Reisde hij soms als een arme kleermaker rond, om voor de bandieten te spionneeren? Ik moest geducht op hem passen. Had hij tegen mij gezegd, ik moest hen met rust laten, ik antwoordde nu:

—Ik laat een ieder met rust. Eerst toen de Aladschy’s en die anderen mij in den weg traden, heb ik het tegen hen opgenomen.

—Doe dan nu, alsof zij u niets in den weg hadden gelegd.

—Neen, mijn waarde, dat doe ik niet. Die mij te na komt, rijd ik omver, al was ’t de Shoet zelf. Wil hij den strijd, ik wacht hem. De uitkomst zal leeren, wie het gelag betaalt.

Hij rekte het hoofd omhoog en strekte zijn hals uit, alsof hij het uitschateren moest. Een hoonend, verachtend gelach zou het worden, dat zag ik aan het vertrekken van zijn gezicht. Maar wederom beheerschte hij zich en zeide op waarschuwenden toon:

—Geen besluit van den Grooten Heer heeft eenige kracht tegenover hem, zelfs de militaire macht moet onderdoen voor de zijne. En gij, die alleen zijt en een vreemdeling, gij durft hem dreigen?

—Hij is ook maar alleen, evenals ik en ik ken hem evenmin als hij mij. Vind ik hem, dan wordt de strijd tusschen hem en mij beslist door onze persoonlijke kracht, onze vlugheid en sluwheid.

—Ik zie dat het werkelijk uw voornemen is den Shoet op te zoeken.

—Wel, liegen doe ik nooit en ook nu niet. Ik wil hem zoeken en vinden.

—En gij wilt beslist met hem vechten?

—Dat hangt er van af. Ik ben hier vreemd. De menschen en de toestanden hier zijn mij tamelijk onverschillig. Of hier een Shoet is of niet, een roover meer of minder, laat mij volkomen koud. Maar er is iets dat ik van hem wil. Voldoet hij aan wat ik vorder, dan....

—Aan wat gij hem vraagt, wilt gij zeggen, Heer?

—Neen. Een eerlijk man, zooals ik, is de meerdere van een gauwdief, en heeft te bevelen. Gehoorzaamt hij aan mijn bevel, dan ga ik van hem weg, zonder hem ook maar aan te raken. Doet hij het niet, dan is er geen Shoet meer.

Ik zag, dat zijn korte smalle borst naar adem snakte. De man was doodsbleek geworden. Hij was een en al opwinding, maar ook deze bedwong hij en zeide met groote bedaardheid:

—Effendi, gij doet alsof gij onkwetsbaar zijt en voor geen duizend Shoeten hadt te vreezen.

—Dat is ook zoo,—antwoordde ik, daarbij op mijn kniebeen slaande dat het klonk. Wij zijn maar met ons vieren. Maar wij hebben een geduchte rekening met den Shoet te vereffenen. Hij en zijn rakkers hebben ons te vreezen en niet wij hen. Ik laat al dat tuig met een enkele handbeweging in het stof bijten.

Daarbij streek ik verachtelijk mijn rechterhand over het vlak van mijn linker, als vaagde ik al dat tuig weg. Het was volstrekt mijn bedoeling niet om te bluffen of te pochen. Met zoo te spreken en kracht te toonen, wilde ik mijn kleinen Afrit woedend maken en tot onvoorzichtige uitingen verleiden. Maar de kleine was mij de baas. Hij knipoogde vroolijk en zei:

—Beroem u gerust op uw sterkte, tot gij straks zelf in het stof bijt. Ik ben uw vriend. Gij hebt den armen kleermaker vriendelijk u aangetrokken en verzorgd. Daar ben ik u dankbaar voor. Ik zou alle gevaar van u willen afwenden. Om die reden waarschuwde ik u. Maar gij wilt naar mij niet hooren en zijt daarom niet te redden. Gij zijt hier vreemd, maar ik ken dit land zooals het is. Ik heb beloofd u naar Kakandelen te brengen, maar nu weet ik, dat gij die stad van uw leven niet zien zult, want voor die reis is uw leven te kort.

—Binnen twee of hoogstens drie dagen ben ik daar.

—Neen, dan zijt gij in de stad der dooden.

—Weet gij dat zeker? Dat klinkt alsof gij bijzonder goed met den Shoet bekend waart.

—Wat gij daar zegt kan u geen ernst zijn. Ik waarschuwde u zoo ernstig, omdat ik uit andere voorbeelden weet dat de Shoet niet met zich spelen laat.

—Mooi, ik ben ook niet van plan met den zwager van Deselim te schertsen.

—Heer, wie heeft u dat verraden?—vloog hem uit den mond.

Nu had ik hem gevangen, ondanks zijn bijzondere sluwheid en zelfbeheersching. Hij kende Deselim en wist, dat deze de zwager van den Shoet was. Hij had zich verraden. Maar ik liet hem niets merken, want zoodra hij wist, dat ik hem had doorzien, kon ik niets meer uit hem halen.

—Dat heeft hij me zelf gezegd,—antwoordde ik.

Een fonkelende blik gleed, slechts een ondenkbaar oogenblik, over mij heen. Ik had er woesten haat in gelezen. Hij wist, dat Deselim door mij den hals had gebroken. Zijn blik had dat gezegd. Die kleine beleefde onderdanige man was mijn doodvijand!

—Dat was zeer onvoorzichtig van hem,—zei hij op goedmoedigen toon. En zonder te bedenken wat hij zeide, vroeg hij:

—Maar weet Deselim ook, wat zijn zwager uitvoert.... en dat hij de Shoet is?

Aha! hij was zich bewust, dat hij zich versproken had en trachtte nu zijn fout beter te maken door kinderlijken eenvoud te veinzen.

—Natuurlijk weet hij dat, anders had hij het mij niet gezegd,—zeide ik.

—Hoe hebt gij hem dat ontlokt?

—Door een list.

—Bij Allah, gij zijt een hoogst gevaarlijk mensch! Was ik de Shoet, gij zoudt terstond moeten sterven, maar ik ben slechts een arme kleermaker en een eerlijk man, en daarom verheugt het mij dat er ook slimme menschen zijn, die slechten in hun strikken kunnen vangen. Maar nu gij dat weet, is een zeer gevaarlijk geheim in uw bezit. De Shoet moet u laten dooden, want niemand mag weten, hetgeen u verraden is.

—Bah! Ik had al zoo dikwijls vermoord moeten worden, ook nog in deze week. Gisteren, bijvoorbeeld, tweemaal, en de beide daaraan voorgaande dagen ook zoo. En vandaag wil mij de Miridiet met gehakt lood doodschieten of met zijn bijl treffen.

—Maar als gij dat weet, hoe kunt gij het dan wagen hem achterna te rijden?

—Ik heb nog wel heel andere knapen nagereden!

—Als hij achterom kijkt, zijt gij verloren!

—Neen, hij.

—Verbeeldt u dat niet. Hij is een Miridiet, een dappere!

—En wat ik ben, zult gij vandaag zien. Toen ik begon hem te volgen, verloor ik hem geen oogenblik uit het oog. Had ik hem niet kunnen neerschieten, zoo dikwijls het mij goeddacht? Was hij in mijn macht of ik in de zijne?

—Gij hadt hem in uw macht, indien gij ten minste een goed schutter zijt: maar zoodra hij u ziet, zijt gij in de zijne.

—Ik geloof er niets van.

—O zeker! Hij legt zich in hinderlaag en schiet, wanneer en van waar hij wil, zonder dat gij er op verdacht zijt. Voor gij hem zien kunt, zijt ge een lijk.

—En ik zeg u: als hij het waagt zijn geweer op te richten, is hij verloren!

—Heer, Allah is mijn getuige, dat dit onvergeeflijke vermetelheid is!—riep hij toornig uit.

—Het is geen vermetelheid. Ik weet, wat ik zeg!

—En ik zeg u: al mocht zijn schot u, door de een of andere oorzaak missen, dan zijt gij toch, door zijn bijl, een kind des doods. Op dat wapen is hij meester, zooals geen ander. Maar gij, hebt gij ooit met een heidukken-bijl geworpen?

—Neen.

—Dan zijt gij verloren. En al mocht het u al gelukken hem te ontkomen, dan zijn de anderen er nog, aan wie gij gisteren ontsnapt zijt. In ieder boschje kunnen zij hier op u loeren, en u overvallen.

—Dat is onmogelijk!

—Waarom?

—Omdat zij naar Engely gereden zijn. Waren zij hier, dan zou ik hun spoor zien; ook zou mijn hengst hen verraden door te snuiven ofschoon ik hen al lang zou gezien hebben, want mijn oogen zijn sedert vele jaren aan het doorspieden der bosschen gewend.

Hij was, voor zich, overtuigd dat ik binnen het uur een lijk zou zijn en het ergerde hem dat ik mijn vijanden zoo gering achtte.

—Ik herhaal, zeide hij,—gij zijt niet te helpen. Naar wat onwedersprekelijk waar is, luistert gij niet, tenzij om het tegen te spreken.

—Waarheid, die blind geloof eischt, is geen waarheid. Laat ons niet verder redeneeren. Gij zult ons nog wel beter leeren kennen. Als ik wil dan gaat het geweer van den Miridiet zelfs niet af, al geeft hij zich ook nog zooveel moeite.

—Kunt gij dan werkelijk tooveren?

—Bah! Ik kan niet meer dan andere menschen, maar ik heb nog tegenover heele andere mannen gestaan als die broer van den slager, en ik weet, hoe ik mij tegen hem moet verweren. Halef, als hij mij aanvalt, laat hem dan aan mij over. Ik heb daar niemands hulp bij noodig.

—Zooals gij wilt, Sihdi,—antwoordde de kleine, zonder meer.

De steilten, die naar het plateau van Jerzely leiden, zijn naar alle zijden heen, door bosch gedekt. Het plateau zelf geeft alleen weiden en akkers te zien. Wij hadden den zoom van het bosch achter ons en reden nu over een wijd uitgestrekte vlakte, die begroeid was met kort dun gras. Op enkele plekken benam eenig hout ons het vergezicht.

Na eenigen tijd gereden te hebben, stootten wij op een paardespoor, dat van links af, op ons aankwam en dan voor ons uit ging. Ik hield mijn paard in en bezag, mij voorover buigende, den grond.

—Wat zoekt u?—vroeg de zoogenaamde kleermaker.

—Ik wil zien wie hier, voor ons uitgereden is.

—Waaruit wilt gij dat opmaken?

—Dat doe ik op mijn manier... een kunst die gij niet kent. Ik zie al, dat het de Miridiet geweest is. Ongeveer een kwartier geleden is hij hier langs gekomen.

—Zoo iets kunt gij toch onmogelijk zien.

—Toch wel. Het neergetrapte gras verraadt het mij, zoodat er niet aan te twijfelen valt. Wij zullen nu verder dat spoor volgen.

Nu moest ik niet alleen op het spoor letten, maar ook op den kleermaker. Ik meende op te merken dat mijn man eenigszins onrustig werd. Vluchtig maar scherp keek hij naar links en rechts voor zich uit, en meer bijzonder naar het boschje, waar wij voorbij reden.

Had dat een bepaalde reden? Ongetwijfeld. Ik hield dus dat houtgewas te scherper in het oog, en zag al spoedig dat de Miridiet onzen gids afgesproken teekens gaf.

Nu eens rechts en dan weer links was een takje omgebogen in de richting die de verrader ons te voeren had.

Dat hadden zij natuurlijk afgesproken, in de meening dat zij dat bizonder slim hadden overlegd. Van deze ontdekking had ik nu gebruik kunnen maken zonder er een woord van te zeggen. Maar ik wilde niet dat mijn kleermakertje ons in zijn hart ook maar uitlachen zou. Hij voorzag dat ik op het punt stond aangevallen te worden, en ik wilde hem den aanval voorspellen. Daarom hield ik stil, toen wij weer bij zoo’n omgebogen takje waren en zeide:

—Halef, ziet ge dat takje?

—Ja, Heer.

—Wie kan dat omgebroken hebben?

—Het een of ander wild.

—Dat moet dan een groot wild geweest zijn en daar zouden wij de sporen van moeten zien.

—Het gras kan zich weer opgericht hebben, zoodat het spoor niet meer te zien is.

—In dat geval moet het lang geleden zijn toen het takje brak en zou het op de breuk verdord zijn. Maar het is nog zoo frisch en vocht, dat het hoogstens een kwartier geleden gebroken kan zijn.

—Wie zou het dan gedaan hebben, en wat kan ons dat schelen? Waarom stelt gij zooveel belang in dien tak?

—Omdat die mij een heele geschiedenis vertelt.

—Een geschiedenis? Sihdi, ik weet, dat gij sporen van menschen en beesten kunt zien, zooals niemand anders. Dat van den Miridiet hebben wij hier vlak voor ons. Maar wat hebben wij met dien tak te maken?

De kleermaker liep, op een paar pas afstand, naast mij en zag mij aan met oogen die rustige verwondering moesten te kennen geven. Maar zijn rechter mondhoek was heel weinig zijwaarts opgetrokken, waardoor zijn gezicht eene nauwelijks merkbare hoonende uitdrukking kreeg.

—Als gij heb niet weet, wat die tak mij vertelt, is misschien onze gids Afrit scherpzinniger dan gij,—zeide ik.

De kleermaker keek terstond verwonderd op en antwoordde:

—Heer, ik weet het evenmin en zou ook niets kunnen bedenken. Veel meer geloof ik dat gij u iets verbeeldt. Wat zou een takje ons kunnen vertellen?

—Heel wat.

—Zeker, zoo’n gebroken tak verkondigt de vergankelijkheid van al het aardsche. Gisteren nog bloeiend en groen, moet hij nu al verwelken en verdorren.

—Juist, en mij moet hij zeggen dat de dood op mij loert.

—Hoezoo? Ik begrijp u niet.

—Wel, ik ben zeker, dat de Miridiet dit takje omgebogen en gebroken heeft.

—Waarom?

—Met een bijzondere bedoeling. Hebt ge ook al niet nog andere takjes gezien, die omgebroken waren?

—Neen, Heer.

—Dit hier is het elfde, dat ik opgemerkt heb.

—Dat kan wel, maar zal wel louter toeval zijn.

—Men kan al loopende of rijdende, spelenderwijze een takje grijpen, maar elf.... en nu eens rechts en dan weer links, dat moet met een bepaalde bedoeling geschied zijn.

—Dan zou ik die bedoeling wel eens willen weten.

—Let dan maar goed op. Wij zullen nog wel meer van die teekens aan de volgende boomen zien, en dit is er het eigenaardige van, dat zij allemaal in dezelfde richting gebogen zijn.

—Natuurlijk, omdat het groot-wild in dezelfde richting geloopen is.

—Onmogelijk, dat een hoog wild dat zou hebben gedaan. De breuk aan de takken is geregeld op dezelfde hoogte en juist zoo hoog als een ruiter reikt. De breuk is hooger dan een ree of het gewei van een hert reikt. En bovendien loopt het spoor van den Miridiet altijd van rechts naar links, van het eene gebroken takje naar het andere.

—Maar Heer, daar gij toch zoo scherpzinnig zijt, zeg ons dan ook, om wat reden hij ze zal gebroken hebben.

—Kent gij misschien een man, die Suef heet.

Het kleine manneke, dat zich zoo hardnekkig een arm kleermakertje bleef noemen, moest toch een ontzettende mate van zelfbeheersching hebben, want geen spier van zijn gezicht vertrok. Was er niet een ietwat donkere gloed in zijn oogen zichtbaar geworden, dan had ik gedacht dat ik mij vergiste.

—Suef?—antwoordde hij. Dien naam heb ik wel eens hooren noemen, maar den man zelf ken ik niet.

—Ik dacht, omdat gij in deze streken zoo bekend zijt, zoudt gij ook den man kennen, dien ik bedoel.

—Ik ken hem niet. Wat voor man is het?

—Een volgeling van den Shoet. Hij zou ons vandaag voor gids dienen en had op zich genomen, mij bij de plek te brengen, waar de Miridiet mij op zijn gemak kon doodschieten.

—Maar Heer, hoe komt dat in u op?

Nu verried zijn gezicht, zoo al geen schrik, dan toch groote bezorgdheid; maar hij kon dat zoowel voor mij zijn als voor zichzelf.

—Wat ik zeg, weet ik,—ging ik voort. Gisteren is er afgesproken, dat die Suef ons vertrouwen zou trachten te winnen en in de val zou laten loopen.

—Heer, gij schijnt alwetend te zijn!

—Opmerkzaam ben ik, meer niet.

—Maar hoe weet gij dat dan?

—Daar wil ik niet over spreken. Ik ben gewoon alles op te merken en daaruit mijn gevolgtrekkingen te maken. Dat hebt gij met deze takken kunnen zien.

—Is die Suef bij u geweest?

—Neen. Hij moest zich natuurlijk komen aanbieden om voor gids te dienen. Gelukkig voor ons, hebben wij u eerst gesproken en heeft die Suef ingezien dat hij met zijn mooipraterij bij ons niet behoefde aan te komen.

—Maar hoe komen dan die gebroken takjes hier?

—Daar wil de Miridiet Suef mee zeggen, hoe hij moest rijden.

—De Miridiet weet dus volgens u nog niet, dat die Suef niet bij ons is?

—Zeker niet. De bloedhond is waarschijnlijk van plan geweest ons onderweg aan te klampen, en heeft toen uit zijn schuilplaats gezien, dat wij al een gids hadden. In allen geval sluipt hij nu achter ons aan.

Het gezicht van den kleermaker helderde op. Hij had reden te over, om te denken dat hij doorzien was. Nu was hij zonder zorg, want ik geloofde immers dat die Suef achter mij was. Hij vermoedde niet dat ik hem kende, en daarbij moest ik het laten.

—Maar ik meen toch, dat gij u vergist,—begon hij weer. Uw redeneering klopt niet.

—Hoezoo?

—Om wat redenen zou de Miridiet die takken omgebogen hebben? De verrader, die Suef, zou zijn spoor wel hebben kunnen vinden. Als zooiets op den grond zóó zichtbaar is, heeft men geen bijzondere teekens noodig.

—Toch wel! Te meer als men de streek, waar men zijn moet, niet in den grond kent. Als de bodem hard is, laat die geen sporen zien, en dan moet men zich wel met andere teekens behelpen.

—Maar hier is de bodem week. Als dat takken-ombuigen moest dienen tot wat gij zegt, dan had het hier wel kunnen ophouden.

—Volstrekt niet; want sporen kunnen op allerlei manieren weggemaakt worden. Ook konden andere trekkers voor ons hierheen gekomen zijn. Van die zou dat van den Miridiet niet te onderscheiden zijn. De listige verrader, en ook de Miridiet hebben zoo’n takkenaanwijzing noodzakelijk geacht. Maar dat is voor mij niet het voornaamste.

—Er steekt dus nog meer in?

—Ja, gij hebt mij niet begrepen. Hij heeft met deze teekens niet willen zeggen, wat weg hij zelf genomen heeft, maar in wat richting Suef ons leiden moest.

—Komt dat niet op hetzelfde neer?

—Volstrekt niet. Ik ben zeker dat, al heel gauw, het spoor van den ruiter zal afwijken van de richting door de takken aangewezen.

—Allah, Allah! Wat een hoofd hebt gij?

Dat was ongeveinsde bewondering. Ik had hem dus eindelijk in zijn zwak getast en antwoordde:

—Mijn verstand gaat het uwe niet te boven. Ik overleg scherper. Ik stel mij voor dat de Miridiet ons hier opwacht, en in mijn verbeelding zie ik hem komen, onder leiding van den verrader Suef. Als de eerstgenoemde mij wil doodschieten, dan moet hij op mij loeren. Hij moet dus, links of rechts, in een struikhout schuilen. Bij gevolg moet hij eerst in een andere richting gaan. Dat begrijpt gij immers toch?

—O ja?

—Dus moet hij, van af een zeker punt, een teeken geven, dat Suef hem niet langer moet volgen. En dat teeken zullen wij gauw genoeg vinden. Laten we nu verder rijden.

Onderwijl wij onze paarden in den draf zetten, zei de kleermaker:

—Ik ben benieuwd te zien of uw veronderstelling juist is.

—En ik ben zeker, dat ik mij niet vergis. Ik weet zeer zeker, dat ik voor het oogenblik, niets te vreezen heb. Eerst als de sporen uit elkaar gaan, word ik overvallen. En zooals ik u bewezen heb, dat ik al de overleggingen en plannen van den Miridiet en van dien Suef uit de takken der boomen mij heb laten vertellen, zoo weet ik nog veel meer dan gij denkt of vermoeden kunt. Voor mij is de Shoet een zeer ongevaarlijk persoon.

Wij kwamen nu meer omgeknotte takken voorbij. Ik maakte den kleermaker er op opmerkzaam en toonde hem dat het paard van den Miridiet steeds vlak langs die struiken was gegaan.

Daarna kwamen wij aan de plek, waarvan ik hem gesproken had. Het paardespoor ging linksaf, terwijl voor ons uit twee tegenover elkander liggende boschjes omgebroken takken vertoonden.

—Zie, daar hebt gij het punt, dat ik bedoelde,—zeide ik. De Miridiet is linksaf gereden, om achter ons te komen. Suef moet ons nu rechtuit, tusschen de beide boschjes door, laten gaan. Is dat ook niet uw meening?

—Heer, ik weet niet wat ik zal zeggen. Uw redeneering gaat mijn verstand te boven.

—Ik heb u toch alles duidelijk uitgelegd.

—Ja, maar uw gevolgtrekkingen kan ik niet volgen. Ik geloof toch dat gij u vergist.

—Ik vergis me niet.

—Wat wilt gij nu doen?

—Als ik dien Suef hier had, zou ik beginnen met hem zóóveel zweepslagen toe te dienen, dat hij het opstaan vergat.

—Dan had hij niet meer dan hij verdiende. Jammer genoeg, dat hij niet hier is.

—In allen gevalle is hij achter ons. Ik zou grooten lust hebben, om hem op te wachten.

—Hij zal wel oppassen, zich niet te laten zien.

—Dat geloof ik ook. Maar vroeg of laat valt hij toch in mijn handen, en dan krijgt hij zijn loon.

—Dat begrijp ik, Heer.

—Zouden volgens u honderd slagen op zijn voetzolen genoeg zijn?

—Neen. Als gij hem te pakken krijgt, dan moet gij hem laten doodranselen, want erger dan een verrader is er niet.

—Daar hebt ge gelijk in! maar vijftig voetslagen acht ik genoeg.

—Dat zou een buitengewoon genadige behandeling zijn.

—Denk aan wat gij daar zegt, en vraag geen genade voor den schurk als hij in mijn macht zal zijn. Maar dat komt later. Voor het oogenblik hebben wij voor ons zelf te zorgen.

—Juist, Sihdi, hier kunnen wij niet blijven wachten,—zeide Halef. Misschien loert de Miridiet hier in de buurt wel op ons.

—Daar ben ik niet bang voor. Wij willen echter verder rijden, maar niet in de richting, die de takjes ons aanwijzen. Daarvan afwijkende en wat meer rechts houdende, komt er wat meer ruimte tusschen hem en ons. Ik blijf echter nog een oogenblik achter, maar kom u dadelijk achterop. En nog iets, Halef! Houd uw geweer gereed. Wij kunnen nooit weten hoe wij het onverwachts noodig kunnen hebben. Den Miridiet neem ik alleen voor mijn rekening. Mocht gij echter dien Suef hier of daar zien, schiet hem dan terstond voor den grond.

—U kunt er op rekenen, Sihdi.

—En daar onze goede Afrit ongewapend is, moeten wij hem beschermen. Osko en Omar moeten hem tusschen zich in nemen, en gij rijdt vlak achter hem. Kijk goed uit, en ziet ge iets verdachts dan weet ge wat gij te doen hebt.

—Laat dat gerust aan mij over, Effendi! Als ik dien Suef maar ruik, is hij er geweest ook.

De Hadschi had mij goed begrepen. Ik kon er zeker van zijn, dat hij den kleermaker terstond zou neerleggen, wanneer deze het in zijn hoofd mocht krijgen, om te willen vluchten. Deze had ook begrepen wat hem te wachten stond, want hij zag, bezorgd en onderzoekend, mij aan en zeide:

—Effendi, gij hoeft u voor mij zooveel moeite niet te geven!

—Dat is onze plicht. Gij zijt onze gids en dus de vijand van onze vijanden. Zij zullen u dan ook als zoodanig behandelen. Daarom moeten wij u in onze hoede nemen. Blijf echter dicht bij mijn drie makkers, anders kon u iets overkomen, waarvoor wij niet verantwoordelijk willen zijn. Alleen bij hen zal u niets gebeuren.

—En gij rijdt niet met ons mee?

—Ik blijf een poosje achter.

—Waarom?

—Uit bangigheid. Laat de Miridiet het maar eerst met mijn drie mannen uitmaken voor hij op mij schiet. Voorwaarts!

Halef lachte om mijn antwoord en wees met een oogwenk naar het spoor van den Miridiet. Hij begreep, dat ik dat wilde volgen.

Ik wachtte tot zij tusschen de boschjes door waren, en reed toen langzaam aan het spoor volgende.

Nu kwam het op er aan, goed uit mijn oogen te kijken. Ik kon door den Miridiet veel eerder gezien worden dan hij door mij. Dat niet willende, week ik naar links af en volgde een weg die parallel met het spoor liep.

De boschjes stonden op tamelijk regelmatigen afstand van elkaar altijd vijftien à twintig meter. Zoo dikwijls ik zulk struikhout bereikte, hield ik mijn paard in, om eerst voorzichtig, van uit de bedekking, rond te zien.

Op eens hoorde ik een schel gefluit. Het kwam van de plaats waar op dat oogenblik mijn metgezellen moesten zijn. Wie had gefloten? Halef misschien, om mij te waarschuwen, of om mij een teeken te geven? Neen, hij zou een ander geluid hebben laten hooren. De kleermaker wellicht? Zou hij met de Miridiet afgesproken hebben, zoo’n sein, bij onze nadering te zullen geven? Zoo ja, dan was het zeer gewaagd van hem, nu hij toch wist dat alles mij verraden was, dit signaal te laten hooren.

Nauwelijks had het gefluit weerklonken, of ik hoorde voor mij, achter het volgend struikgewas, een geluid alsof iemand, op gedempten toon het woord “el hassil”—eindelijk!—uitsprak. Terstond ook hoorde ik hoefgetrappel, niet luid, maar dof door de weekheid van den grond, en ik richtte mij hoog in den zadel op, om over het hout heen te zien, waarachter ik was.

Jawel, juist zooals ik gedacht had, ik zag den Miridiet, die naast zijn paard in het gras had gezeten en nu opsteeg. Ook hij stond in de stijgbeugels en keek naar ons rond.

Ik moet erkennen dat hij zijn plek goed gekozen had. Beter liet zich voor het beraamde plan niet denken. De Miridiet kon, tusschen de boschjes door, ongezien naderen, ons overvallen en terstond weer verdwijnen. Zijn plotselinge onverwachte verschijning zou ons natuurlijk een oogenblik doen schrikken. Voor wij onze geweren gegrepen hadden, zou hij mij neergeschoten hebben, en zelf verdwenen zijn voor mijn verschrikte makkers aan zijn vervolging konden denken.

Dat was alles prachtig uitgedacht, maar het plan had mijn goedkeuring niet, en om een streep door hun rekening te halen, had ik reeds gedurende de twee laatste minuten mijn lasso opgerold.

Dit wapen, dat in een geoefende hand, voor den vijand zoo gevaarlijk kan worden, is niet, zooals velen denken, uitsluitend Amerikaansch. Alle Nomaden-volken, die veehoeders zijn, gebruiken, ieder op hun manier, een lasso van hun model. Met hun werpriem of koord vangen zij ieder rund uit de kudde, dat zij willen hebben. Hun worp treft even zeker als de kogel van den besten schutter.

Daarom was het van mij volstrekt niet dwaas geweest mijn lasso mede op reis te nemen. Ik zou toch meestal met Nomaden in aanraking komen, en inderdaad had mijn gevlochten riem van dertig voet, mij reeds meermalen voortreffelijke diensten bewezen. Ik had mijn riem, zooals men weet, stuk moeten snijden, maar had een nieuwen gemaakt, die echter minder goed was.

Ik maakte het boveneinde van mijn lasso vast aan den ring van mijn zadelknop. Ik wilde den Miridiet er mee vangen. Hij had zeker nog nooit een lasso gezien en had dus ook geen begrip, hoe den worp te ontduiken. Om hem niet te vroeg opmerkzaam te maken op wat ik van plan was, hing ik den riem niet aan mijn arm, maar om den knop van mijn zadel. Mijn berendooder nam ik echter in de hand. Alleen daarmede kon ik de bijl afweren. Dat is echter eerst dan te doen, als men zich goed geoefend heeft in het afslaan van een naar ons toe geslingerden tomahawk, zoodat de bijl ter zijde vliegt, zonder een dier gevaarlijke wonden te slaan, die altijd het gevolg zijn van onzeker pareeren. Het is niet genoeg, dat men aan de bijl ziet waar zij neerkomen zal, maar men moet ook, ondanks de groote snelheid, waarmee zij met een draaiende beweging door de lucht suist, steel en staal van elkaar goed onderscheiden. Doet men dat niet, dan slaat de steel om den geweerloop heen en treft den onhandige. Bovenal moet men het pareerende geweer met beide handen vasthouden, omdat de kracht waarmee de bijl tegen het geweer aankomt, zóó geweldig is dat men anders én bijl én geweer in het gelaat krijgt. Ook moet de loop in zoodanige schuine richting gehouden worden, dat de bijl scherphoekig aanslaat en stomphoekig uitslaat. Lichamelijke kracht, geoefendheid en een zeer scherp oog heeft men bij zulk pareeren noodig.

De situatie was nu als volgt: Recht voor mij lag de weg, dien mijn gezellen volgden. Links van mij bevond zich de Miridiet. Ik hield hem scherp in het oog en zag, dat hij zich alle moeite gaf om mijn vrienden gade te slaan, in de verwachting mij bij hen te zullen zien.

Een driftige beweging toonde mij zijn ontevredenheid dat Suef den door hem aangegeven weg niet was gegaan. Had ik Halef niet meer rechts laten rijden, dan zouden zij veel dichter langs den Miridiet gekomen zijn. Nu gingen zij op den zoom van een vrije vlakte, wat hem slecht te pas kwam.

Al spoedig zag ik ze te voorschijn komen. Ook hij moest hen zien. De hier en daar staande boschjes maakten het hem onmogelijk de ruiters te onderscheiden. Hij kon dus niet zien of ik mij bij hen bevond. Daar hij echter alle reden had om te veronderstellen dat ik mij bij hen bevond, ging hij op hen af, eerst langzaam, daarna haastiger, tot ten laatsten zijn paard den gestrekten draf aannam.

Ik volgde hem, met mijn buks in mijn rechterhand, en zorgde er voor, dat zich tusschen hem en mij altijd struikgewas bevond. Eigenlijk was dat onnoodige voorzorg, want zijn aandacht was zóó uitsluitend op die voor hem uitreden, gericht, dat het hem niet in viel om achterom te kijken.

De weeke grond maakte den hoefslag van mijn hengst bijna onhoorbaar, en bovendien belette het draven van zijn eigen paard hem, om mij achter zich te hooren.

Binnen enkele seconden zou alles beslist zijn. Angst kende ik ook nu niet. Hoogstens had ik mij, over den bijl-worp ongerust kunnen maken.

Nog twee boschjes moest hij voorbij, en na een ondenkbaar oogenblik had hij ze achter zich en was op de vlakte. Een schril geluid uitstootende, om ons te laten schrikken, pareerde hij zijn paard en hief zijn geweer op om te schieten. Maar hij schoot niet, hij mikte zelfs niet. Hij stootte andermaal een kreet uit, een kreet van toornende teleurstelling. Hij zag dat ik er niet bij was.

Ook mijn vrienden pareerden. Halef begon onbedaarlijk te lachen.

—Wel, man, wat wilt gij van ons?—vroeg hij. Gij trekt een gezicht alsof gij uw eigen bepleisterden kop ingeslikt hadt!

—Hondegebroed!—siste de Miridiet.

—Maakt gij u soms zoo boos, omdat gij niet vindt, dien gij zoekt? Wel, kijk dan eens achter u.

Hij deed het, en zag mij, op ongeveer vijftien pas achter zich.

—Zoekt gij mij?—vroeg ik.

Hij trok zijn paard om, nam zijn geweer op en antwoordde:

—Ja, ik zoek u, Satanskind! Weet gij wie ik ben?

Ik bleef onbeweeglijk staan en zei kortaf: Ja.

—Gij hebt mijn broeder vermoord en zijn bloed eischt het uwe. Ik wil u niet verraderlijk van achteren doodschieten, maar als een man, voor in de borst.

—Schiet niet, want wij allen zijn kogelvrij.

—Dat wil ik zien! Vaar ter helle!

Hij brandde los. De percussie knalde, maar het schot ging niet af.

—Ziet ge wel?—zeide ik lachend. Ik heb u gewaarschuwd. Nu zijt gij in mijn macht!

Ik hief mijn berendooder op, als om te schieten. Maar hij trok zijn heidukken-czakan uit zijn gordel en riep woedend uit:

—Nog niet! Treft u mijn kogel niet, dan mijn bijl!

Hij zwaaide de bijl om zijn hoofd en slingerde die naar het mijne. Op zoo kleinen afstand geworpen, moest ze mij den schedel kloven, wanneer ik ook maar om een haar-breedte onjuist pareerde.


Hij zwaaide de bijl om zijn hoofd. (Bladz. 253).

Een ondenkbaar oogenblik hoorde ik haar door de lucht suizen. Het was een dof en toch schril gefluit. Met wijd geopend oog had ik den zwaai van den Miridiet gevolgd. Ik bleef vast in den zadel zitten, het geweer met beide handen schuin omhoog. Onmiddellijk voelde ik een slag; de bijl trof den loop en ketste af. Ik zou midden in mijn voorhoofd getroffen zijn.

De Miridiet liet den teugel uit zijn linkerhand glippen, zóó had het gebeurde hem verschrikt. Hij had nu geen ander wapen meer dan zijn pistool, en daar behoefde ik niet bang voor te zijn.

—Ziet gij wel, dat ik ook tegen uw bijl opgewassen ben,—riep ik hem toe. Nu zijt ge aan mijn wraak overgeleverd. Pas op!

Ik legde mijn geweer op hem aan. Dat bracht hem weer in beweging. Hij greep den teugel, rukte zijn paard omhoog en achter uit, en vloog weg, zooals ik had gedacht.

Ik reed naar Halef toe en gaf hem het geweer, dat mij nu hinderen zou.

Hij nam het aan, maar riep dringend: Gauw, vlug, of hij ontkomt!

—Wees maar bedaard! Wij hebben den tijd. Deze goede arme kleermaker Afrit mag nu eens een ruiter zien, tegen wien zijn Shoet wel niet opgewassen is. Komt mij in galop achter na!

Ik floot even en mijn Rih vloog vooruit.

Ik legde hem den teugel op den hals en richtte mij in de stijgbeugels op, ofschoon het mijn voet geducht pijn deed.

Al rijdende legde ik den lasso, heen en weer geslagen, in mijn linkerarm, zoodat hij goed afwikkelen kon. Den strik hield ik in de rechterhand.

Mijn hengst, stuurde ik noch met den teugel, noch door kniedruk. Het verstandige dier begreep uit zichzelf waar het om ging.

De Miridiet was eerst lijnrecht voortgereden, wat een groote domheid van hem was, want daardoor was mij het mikken zoo gemakkelijk gemaakt, dat ik hem zeker moest treffen, indien ik hem had willen neerschieten.

Daar in die richting de open vlakte hoe langer hoe breeder werd, reed hij weldra zigzagsgewijze, van het eene boschje naar het andere, die hem tegen mijn schot moesten dekken.

Rih schoot, zonder dat ik het aangaf, als een echte jachthond nu ook van rechts naar links, om den bruine den pas af te snijden. Ik zag evenwel dat ik mij te lang bij Halef opgehouden had. De bruin van den Miridiet was een voortreffelijke renner, ofschoon ik voor geen vijftig zulke renners mijn hengst zou gegeven hebben. Ik was zeker dat mijn Rih den bruin zou inhalen, al was het ook niet voordat deze de boschjes zou bereikt hebben. Maar ook dat behoefde ik niet toe te laten. Ik had mijn hengst slechts het geheim-woord te laten hooren.

Reeds nu rende hij prachtig. In drie elegante sprongen legde hij een even groote afstand af, als waarvoor de bruin vier wanhopende sprongen moest doen. Maar de voorsprong van den laatste was te groot geweest. Ik kon hem maar alleen door het geheim-woord bij tijds inhalen.

Wie nog onbekend is met de beteekenis van zulk een geheim woord, die wete dat ieder Arabier, die een echten volbloed bezit, dezen een bepaald woord of teeken leert, dat de ruiter alleen dán geeft of uitspreekt, als het paard zijn alleruiterste kracht inspannen moet.

De echte Arabische renner speelt, zelfs bij de snelste carrière, slechts met zijn krachten. Maar hij kan zichzelf overtreffen, als hem het geheime woord, met of zonder bijgevoegd teeken, genoemd wordt. Het spreekt van zelf dat dit slechts bij hooge uitzondering gebeurt, als alleen zoo’n groote snelheid den ruiter redden kan.

Dat wordt dan een rennen op leven en dood. Het paard loopt dan niet, maar vliegt. Zijn snelheid is zóó groot, dat men zijn beenen nauwelijks ziet. Dan, op dat oogenblik, heeft de ruiter het geheime teeken aan zijn paard gegeven, en weinige seconden later, zijn paard en man alleen nog maar als een kleine punt aan den gezichteinder te zien.

Het woord of teeken, waarmee de ruiter zijn paard tot die uiterste inspanning aanspoort, noemt men het ’geheim-woord’, omdat de eigenaar het aan niemand zegt; zelfs aan zijn vrouw, zijn zoon en eenigen erfgenaam verraadt hij het niet. Alleen aan den kooper van het paard deelt hij het mede, en op zijn sterfbed zegt hij het aan dengene die het erven zal. Geen marteling, geen stervensnood brengt hem er toe, om het aan iemand anders te verraden. Het sterft met hem.

Toen ’Rih’ mij ten geschenke werd gegeven, werd het geheim-woord mij natuurlijk gezegd. Het bestond hierin, dat ik mijn hand tusschen zijn ooren moest leggen en hem dan tevens dringend bij zijn naam ’Rih’ noemen. Een enkele keer heb ik hem daarmee moeten aanzetten, altijd met ongelooflijk succes.

Nu bevond ik mij op dit oogenblik wel niet in groot gevaar, maar Halef zou Rih van mij present krijgen. Nog maar korten tijd zou ik er eigenaar van zijn, en Halef zelf zou het mij allerminst kwalijk nemen, als ik voor het laatst nog eens met mijn trouwen hengst vliegen wilde.

Ik legde hem dus de hand tusschen zijn kleine ooren.... Rih!....!

Midden in zijn sprong stuitte hij zijn vaart en stak de ooren op. Dan liet hij een geluid hooren, als van een korten diepen kuch en voorwaarts ging het.... Hoe dat te beschrijven? Wat nu gebeurde, gaat alle beschrijving te boven. Voor mijn gevoel zat ik niet op een paard. Het was mij alsof ik op een pijl door de lucht vloog. Ik was bij het struikhout, waar de Miridiet naar toe rende, veel eer dan hij. Ik was hem minstens veertig paardelengten vooruit, ofschoon hij een voorsprong van driedubbele lengte op mij had gehad. Het gevolg hiervan was, dat hij zijn paard omwierp en de vlakte oprende.

Ik ging hem achterna, maar niet meer in ijlgang, waartoe ik mijn hengst aangezet had. Met een bedarend vriendelijk aaien van zijn hals, gaf ik hem te kennen dat ik over hem tevreden was en hij het nu weer kalmer kon opnemen. En zoo deed hij. Binnen enkele seconden was ik echter weer op twee paardelengten achter den Miridiet.

—Halt! Terstond!—beval ik.

Doorrijdende wendde hij zich naar mij om. Hij had zijn pistool in de hand en schoot. Ik zag dat hij zou missen en nam mijn lasso.

De Miridiet had, gedurende zijn vluchten, den bruin aldoor met de zweep aangezet. Het paard had zijn uiterste kracht ingespannen en kon niet meer. Vloekend wierp de man zijn pistool weg, trok zijn mes en stak er het paard mee in het vleesch. Het steunde en kreunde, en trachtte harder te loopen, maar vergeefs!

Ik wierp mijn lasso uit. Op het oogenblik dat deze als een wijde strik, boven het hoofd van den ruiter zweefde, hield ik mijn paard in en trok het achteruit. Een ruk, een schreeuw—Rih stond, de bruin stoof vooruit, en de Miridiet lag op den grond, door de strak aangetrokken lasso, die hem ter hoogte van de ellebogen omknelde en weerloos maakte. Hij was uit den zadel gerukt, opgelicht en tegen den grond gesmakt.

Ik zag, dat hij zich niet verroerde, en haastte mij niet met afstijgen.

Stapvoets naar hem toerijdende, zag ik, dat hij zijn oogen dicht had. Hij was bewusteloos. Ik bleef in den zadel en liefkoosde mijn paard, tot dank voor zijn ren. De hengst was voor dergelijk liefdebetoon zeer gevoelig. Hij draaide zijn hoofd naar mij toe en wilde mij likken, maar kon mij niet bereiken. Toen dat niet ging, trachtte hij mij ten minste met zijn staart te waaien. Om hem dat genoegen te gunnen, boog ik mij achterover en strekte mijn hand uit, waarin hij wel tienmaal met zijn prachtigen staart sloeg, onderwijl hij van plezier aldoor hinnikte.

Na eenigen tijd kwamen ook mijn begeleiders naar mij toe. Met verwondering zag ik, dat het oude magere paard van den kleermaker keurig en krachtig met de andere meegaloppeerde. Het leek mij, alsof het oude dier blij was te mogen toonen wat er wel in hem stak.

En de kleine magere snijder zat te paard als de beste van ons! Ik geloof dat het paard een even groote huichelaar was als zijn meester.

—Is hij dood?—vroeg Halef, toen hij wat dichterbij gekomen was.

—Ik weet het niet. Kijk maar eens.

Hij sprong van zijn paard en onderzocht den gevangene.

—Heer, de kwant dommelt maar een beetje. Hier is zijn bijl, zijn Czakan.

Halef gaf mij dat heerlijke wapen, dat hij opgeraapt had. De slangvormige steel was overtrokken met gepereld visch-leer; de bijl zelf was van ouderwetsch prachtig geciseleerd staal. Op de eene zijde stond in Arabisch schrift: ‘Lima’ ak kelimet—ik heb een woordje met u te verhakstukken,—en op den anderen kant: Awasi, chatrak—wel bekome het u, vaarwel! De kunstenaar, van wien dit prachtstuk afkomstig was, moet van een eenigszins stekeligen aard geweest zijn.

—Welnu, Halef, wat zegt ge van onzen Rih?—vroeg ik.

De Hadschi haalde diep adem en antwoordde met schitterende oogen, buiten zichzelf van opgewondenheid:

—Wat zal ik zeggen, Sihdi! Gij hebt hem het geheim-woord ingefluisterd.

—Juist geraden.

—Dat dacht ik wel. Hij vloog eerst als een pijl uit een boog en daarna met de snelheid eener gedachte. Hij zag er in de verte uit alsof hij alleen een lijf had, want beenen zag men niet. Nog voor ik dacht: Daar is hij! was hij den ander vooruit en bij het boschje. En kijk nu eens, hoe hij daar staat! Ziet u ook maar het minste zweet op zijn lijf?

—Neen.

—Of ook maar een vlokje schuim op zijn lippen?

—Ook niet.

—Of ziet u hem hijgen? Ziet u zijn borst gaan of zijn flanken?

—Niets van dat alles.

—Juist alsof hij eens lekker geslapen had, zoo rustig en vergenoegd staat hij daar. Het was een heerlijk prachtig gezicht! Zelfs de Profeet heeft zoo’n paard niet gehad. Jammer, dat het geen merrie is. Dat is zijn eenig, zijn allereenigste gebrek. Ik geef hem van avond, tot belooning, een grooten maïskoek, met raki overgoten, want dat is zijn lievelingskost; hij is een lekkerbek.

En zich tot den kleermaker wendende, vroeg hij:

—Welnu, Afrit, gij reuzekind, hebt gij ook soms respect voor dat paard?

—Het is onvergelijkelijk mooi. Ik heb nog nooit zoo iets gezien,—antwoordde de gevraagde.

Hij bekeek den hengst met het oog van een kenner. Kon een arme kleermaker, een zoo goed paardenkenner, een zoo groot paardenliefhebber zijn? Neen! En zijn begeerte om het paard te bezitten was in hem zoo sterk, dat zijns ondanks zijn blik het verried.

—Goed gezegd,—zeide Halef, met die lofspraak tevreden. Maar wat zegt gij van zijn meester?

—Hij verdient zulk een paard te bezitten. Hij rijdt goed!

—Goed...? Mensch, hoe kunt ge dat zeggen: Ook gij rijdt goed. Maar bij hem vergeleken, zijt gij een kikvorsch, die op den rug van een os zit. En wie heeft uw oordeel over zijn rijden gevraagd? Ik bedoelde, of hij niet mooi zijn woord heeft gehouden.

—Ja, dat kan ik niet ontkennen.

—Neen, dat kunt gij niet ontkennen. Alles dwingt er u toe. Of heeft hij niet zonneklaar bewezen, dat de Miridiet, hij hem vergeleken, een kwajongen is, die zijn broek nog niet opbinden kan? Hoe mooi is hij hem te vlug af geweest! Hadt gij gedacht, dat mijn Heer hem ging besluipen?

—Neen.

—Ik begreep het terstond. Maar uw hersens zijn verdroogd en kunnen niets bedenken. Hoe verwonderd keek de Miridiet op, toen hij hem niet bij ons zag; en wat schrikte hij, toen hij hem opeens achter zich zag staan. En wat mikte hij mooi op hem. En weet gij wel, waarom zijn geweer niet afging?

—Omdat het ketste.

—Mis, omdat wij kogelvrij zijn. Begrepen, snijdertje? En dan, die bijl-worp? Hadt gij hem kunnen pareeren?

—Bij Allah, neen!

—Dat loopt met bijlen en weet er niet mee om te gaan. En wat zegt gij van die eenvoudige manier om iemand gevangen te nemen? Hadt gij al eens gezien, hoe men een ruiter, met een riem van zijn paard haalt?

—Nog nooit!

—Dat wil ik wel gelooven. Gij hebt trouwens nog zoo veel, nog zoo oneindig veel niet gezien van wat wij weten en kunnen. Wat zou de Shoet tegen onzen Effendi vermogen? Ons overleg en onze dapperheid zijn schroeven, die op zijn lichaam inwerken en het doorboren.

—Zeg dat toch niet van mijn Shoet!

—Gij neemt het dus voor hem tegen ons op?

—Dat is niet in mij opgekomen.

—Hebt gij dan niet gezegd, dat hij sterker is dan wij, en hij ons verpletteren zou?

—Ik wilde vriendelijk u waarschuwen.

—Dan waarschuw ik u even vriendelijk om voortaan uw mond te houden. We hebben geen waarschuwingen noodig, zelf weten wij wat wij doen en laten moeten, want wij kennen ons volkje en onze vijanden. Gij staat tegenover ons als dorre grashalmen, terwijl wij palmen zijn, die hun kronen in de wolken baden. Deze Shoet zal aan onze voeten kruipen, zooals hier de Miridiet. En allen, die hem aanhangen, zullen wij verteren als de tabak, die men in den mond steekt en uitspuwt.

—Hadschi, wat heb ik toch gedaan, dat gij zoo streng en toornig tegen mij spreekt?

—Gij hebt den Shoet onzen meerdere genoemd. Is dat niet genoeg? Gij hebt nog geen enkelen beroemden held gezien. Maar hier zijn beroemde en dappere mannen, die uw Shoet als een vlieg wegslaan.

Om den kleinen Hadschi, die zich als een kikvorsch opblies, niet te laten bersten, viel ik hem in de rede:

—Toen ik den Miridiet volgde, hoorde ik fluiten. Wie deed dat?

—Hier, de kleermaker.

—Waarom floot hij?

—Hij zei, dat hij een hond zag loopen in het hout.

—Ja, Heer, ik zag hem duidelijk,—verzekerde de verrader.

—Wat ging dat beest u aan?

—Hij was zeker verdwaald, en wij konden hem meenemen naar het naburige dorp, waar hij waarschijnlijk zijn thuis heeft.

—Zoo? De Miridiet scheen dat gefluit te kennen.

—Toch niet.

—Toch wel, want hij sprong terstond op van den grond en steeg te paard.

—Dat trof dan toevallig samen.

—Wel toevallig, want hij scheen met dien Suef afgesproken te hebben, dat deze hem, door gefluit, kennis zou geven van zijn komst. Dat was een groote domheid van die twee, want daardoor moest uitkomen, dat Suef ons verried. Ik wil hopen dat die knaap óók nog in mijn handen zal vallen, en dan zal ik hem dat aan zijn verstand brengen, zóó dat hij het nooit vergeet.

—Zoudt gij niet eens naar den Miridiet zien? Hij beweegt zich.

De genoemde had, om wat anders te liggen, een beweging met zijn beenen gemaakt. Ik zag, dat hij mij kwaadaardig aankeek.

—Wel, vroeg ik hem, hoe bevalt u de afloop van uw grap?

—Verrek!—antwoordde hij.

—Uw mond loopt niet over van zegenwenschen, en toch heb ik het goed met u gemeend.

—Hoe goed gij het met mij meent, dat begrijp ik!

—Wat denkt gij dan wel?

—Dat gij mij dooden zult.

—Mis geraden! Had ik u willen dooden, dan had ik dat van daag meer dan eens kunnen doen.

—Hebt gij dan nog wat ergers met mij voor?

—Hoe komt ge op die gedachte?

—O, er zijn allerlei manieren, om een, die een bloedschuld moet wreken, onschadelijk te maken, zonder hem terstond te dooden.

—Men laat hem, bij voorbeeld, verhongeren, zooals gijlieden met ons van zins waart.

—Daar heeft de Satan je uitgeholpen!

—Had alleen die ons kunnen helpen, dan waren wij liever in dat hol gebleven.

—En toch is die uw helper, want anders waart gij niet kogelvrij.

—Meent gij werkelijk dat men daarvoor de hulp van den Satan behoeft? Daarvoor heeft men geen vreemde hulp noodig. Men moet daarvoor een beetje slim zijn en wat geleerd hebben. Wij zijn in allen gevalle niet bang voor uw kogels en evenmin voor het gehakte lood, waarmee gij van daag uw geweer zoo zorgvuldig geladen hadt.

—Gij hebt dus mijn geweer?

—Neen, dat hangt aan uw zadel, en uw paard is er mee van door.

—Hoe kunt gij dan weten, dat ik met gehakt lood geladen had?

—Ik weet altijd alles, wat ik weten moet. Nu kunt gij niet naar Sbiganzy terug gaan, maar gij moet naar uw bondgenooten, zooals gij met hen afgesproken hebt.

—Ik? Waarheen?

—Dat weet gij even goed als ik. Zijn ze u niet vooruit gereden, den weg naar Engely op?

—Heer, wie heeft u dat gezegd?

—Mijn droom. In mijn droom heb ik hen gezien, op u wachtende, aan gene zijde van Warzy, op de hoogte die daar is. Gij kwaamt, sprongt van uw paard en zocht ze, om hen te zeggen, dat wij te laat waren weggereden. Gij zijt toen een eind met hen opgereden maar al spoedig zijt ge van hen weggegaan, om hierheen te rijden, waar Suef ons u leveren moest.

—Suef?—riep hij verschrikt uit.

Hij keek rond naar den kleermaker en zag hem. Ik deed alsof ik den waarschuwenden oogwenk van den kleine niet zag. Diens wenk scheen hem gerust te stellen, want hij vroeg:

—Wie is Suef?

—Uw vriend.

—Ik ken geen Suef.

—Nu, misschien zult gij hem wel kennen, als ik hem, zooals mijn plan is, vijftig slagen op zijn voetzolen laat geven waar gij bij staat. Gij hadt met uw makkers afgesproken, dat gij niet zoudt komen als ik dood was, maar van avond hen zoudt vinden, als de aanslag mislukt zou zijn. Wel, die is niet gelukt. Wilt gij nu weg?

Hij wist niet, wat van mij te denken, maar zeide op somberen toon:

—Hoe gij dat alles weet, begrijp ik niet en behoef ik ook niet te weten. Maak het kort en dood mij.

—Waarom zou ik u dooden?

—Omdat ik het u heb willen doen.

—Dat is voor mij geen reden, want ik ben een Christen en vergeld geen kwaad met wraak.

—Gij kent dus de wet van de bloedwraak niet?

—Zeker ken ik die.

—Gij weet dus, dat ik mijn leven lang er op uit moet zijn om u te dooden?

—Dat weet ik.

—En toch doodt gij mij niet?

—Neen. Ik heb mij tegen u verweerd, en gij hebt niets tegen mij kunnen uitrichten. Dat is mij genoeg. Wij Christenen erkennen de verplichting der bloedwraak niet. Daarom straft onze wet den bloedwreker met den dood. Maar het gebod van uw land dwingt u, als bloedwreker van uw broeder op te treden en... ik mag toch geen wrok tegen u hebben, omdat gij uw wet gehoorzamen wilt.

Hij keek mij aan alsof hij droomde. Wat ik zeide ging zijn verstand te boven.

—Maar,—zoo ging ik door,—denk eens na, of ik uw bloedwraak werkelijk verdien. Ik was opgesloten, ik moest mij er uit redden. Daarvoor was ’t noodig dat ik schoot, maar wist niet dat uw broeder op het luik zat. Het was zijn schuld dat mijn kogel hem trof. Hij wist dat wij onze wapens bij ons hadden. Het was een groote onbezonnenheid, dat hij op het luik ging zitten.

—Heer, er is veel waars in wat gij zegt.

—En waarom wilde hij mij laten doodhongeren? Wat had ik gedaan? Had ik hem beleedigd, gekrenkt, bestolen of beroofd? Neen. Ik kwam, om naar den Shoet te vragen. Het stond aan hem, om mij dat, al dan niet, te zeggen. Had hij geweigerd mij te zeggen, waar ik hem vinden kon, ik zou in vrede weg zijn gegaan. Waarom behandelde hij mij als zijn vijand?

—Omdat zijn vrienden uw vijanden zijn, en gij den Shoet kwaad wilt doen.

—Maar dat wil ik niet!

—Gij spoort hem na en hebt zijn zwager Deselim gedood. Bloed roept om wraak, en aan u zullen de dooden gewroken worden.

—Ik heb Deselim niet gedood. Hij stal mijn paard, viel er af en brak zijn hals. Ben ik zijn moordenaar?

—Had hem laten vluchten. Gij hebt hem integendeel opgejaagd en vervolgd!

—Ik val dus onder de wet der bloedwraak, omdat ik mijn paard niet wilde laten stelen? Hoor eens, ik had achting voor u gekregen, want ik meende dat gij dappere en openhartige mannen waart. Maar nu zie ik dat gij lafhartige valsche schoften zijt. Dieven zijt gij, ellendige dieven, en wanneer men u nazit om het gestolene weer terug te krijgen, dan zegt gij, dat bloedwraak op ons moet genomen worden. Dat is om te spuwen. Bah, Satansgebroed, dat gij zijt! Nu is uw Shoet in mijn oog een ellendeling, en allen die hem dienen zijn schurken, waar ik niet mee te maken wil hebben. Voort, ga weg uit mijn oogen. Voor zulk tuig als gij zijt, ben ik allerminst bang. Schiet op mij, zooveel gij wilt. Halef, maak de lasso los en jaag hem weg!

—Sihdi,—riep de kleine,—zijt gij dol?

—Neen. Maak den riem los!

—Dat doe ik niet!

—Moet ik het soms zelf doen? Hij heeft mij niet van achteren willen overvallen, maar heeft zich moedig tegenover mij gesteld. Hij heeft ook, voordat hij schoot, een mooie redeneering gehouden waardoor hij mij tijd gaf voor het eerste schot, als ik daar lust in had. Een sluipmoordenaar is hij niet, en daarom wil ik hem ook niet als zoodanig behandelen. Maak de lasso los!

Halef gehoorzaamde en maakte den riem los. De Miridiet stond van den grond op. Als wij gedacht hadden, dat de man terstond zou weggeloopen zijn, hadden wij ons vergist. Hij strekte en rekte zijn armen, die strak gebonden waren geweest, langzaam uit en kwam naar mij toe.

—Effendi,—zeide hij,—ik weet niet, wat dat losmaken beteekenen moet?

—Dat heb ik duidelijk genoeg gezegd.

—Gij laat mij dus vrij?

—Ja, gij kunt gaan, waarheen gij wilt.

—En gij eischt niets, in het geheel niets van mij?

—Neen.

—Ook niet de belofte van u te zullen sparen?

—Ook dat niet.

—Maar ik moet u toch dooden!

—Probeer het!

—En gij weet toch, dat ik heden avond met mijn makkers mee moet.

—Ik weet het en heb er niets op tegen, dat gij het doet.

—Weet gij ook, waar ze op mij wachten?

Ik zag aan zijn gezicht, dat hij het met zichzelf niet eens kon worden.

Trots en zachtmoedigheid, haat en achting streden in hem. Ten laatste zeide hij:

—Zult gij mij voor een lafaard houden, als ik mijn leven, dat ik verbeurd heb, en mijn vrijheid, van u aanneem?

—Neen. Ik zou het ook doen en houd mij toch voor een moedig man.

—Goed, ik neem het van u aan. Maar geen mensch zou iets met mij te doen willen hebben, wanneer ik, dat doende, mijn plicht om mijn broeder te wreken, opgaf. Die bloedwraak blijft tusschen ons bestaan, maar mag opgeschort worden. Ik zie mijn Czakan daar liggen. Ik neem die en geef u de bijl, ofschoon zij uw eigendom is, eerlijk door u veroverd. Weet gij wat dat beteekent?

—Neen.

—Mijn bijl in uw bezit, bewijst dat de bloedwraak tusschen ons opgeschort is. Zoodra gij mij de bijl teruggeeft, begint de wraakneming op nieuw.

—Dus, zoolang ik uw bijl niet teruggeef, slaapt de wraak, en is het vrede?

—Ja. Neemt gij de Czakan van mij aan?

—Dat doe ik.

—Waar is mijn paard gebleven?

—Daar ginds bij het boschje graast het.

—Ik ga dus, Effendi! Ik zou u tot afscheid gaarne de hand geven maar aan de uwe kleeft het bloed van mijn broeder. Ik mag u dus niet aanraken, tenzij om u te dooden. Vaarwel!

—Vaarwel!

Hij ging. Op eenigen afstand van ons wendde hij zich om en groette nogmaals. Toen ging hij naar zijn paard en reed weg.

Ik heb den Czakan nog altijd. De bloedwraak slaapt en zal wel blijven slapen.

De kleine kleermaker had met de grootste opmerkzaamheid alles gevolgd. Het was hem aan te zien, dat hij, ofschoon ik het tegendeel beweerd had, nog was blijven gelooven dat ik den Miridiet zou laten dooden. Of hij met den afloop al dan niet tevreden was, kon men hem in ’t geheel niet aanzien. Zijn gelaat toonde alleen de grootste verwondering.

Halef was kennelijk ontevreden. Hij had niets liever gehad, dan dat ik hem had opgedragen, den man er vijftig op de voetzolen toe te tellen en dan te laten loopen. Maar behalve het laaghartige, om dat een dapper man aan te doen, zou ik mij den Miridiet daardoor tot mijn doodvijand gemaakt hebben, terwijl ik nu niets meer van hem te vreezen had.

Daar Halef mij zijn ongenoegen niet durfde toonen, liet hij het den kleermaker misgelden.

—Wel, gij ridder van naald en garen, wat staat gij daar en kijkt naar de lucht, alsof het kameelen regende? Wat reden is er om zoo verwonderd te zijn?

—Wat de Effendi gedaan heeft.

—Daarover verwonder ik mij ook.

—Hij had hem kunnen laten dood maken.

—Juist, en u er bij.

—Mij? Waarom?

—Dat zal ik u bij gelegenheid wel eens zeggen, zoodra ik het u ook op uw voetzolen schrijven mag.

—Maar als gij dat deedt, hadt gij geen gids meer.

—Dat zou jammer zijn, als wij u moesten verliezen.

—En wie weet, wat u dan onderweg nog zoo overkomen.

—Wel, iets ergers dan met u, kan ons moeilijk overkomen. Kent gij de wetten der bloedwraak, die in deze streken gelden?

—Die ken ik.

—Is het nu waar, dat de Miridiet ons ongemoeid moet laten?

—Als bloedwreker mag hij zeker niet tegen u optreden, zoolang de Czakan niet weer in zijn bezit is.

—Wat bedoelt gij daarmee?

—Hij kan u, bij voorbeeld, op den weg overvallen om u uit te plunderen en u daarbij dooden. Dat doet hij dan niet uit bloedwraak, maar als struikroover.

—Allah is groot, maar met uw eerlijkheid is het treurig gesteld. Wat helpt het mijn buurman of ik hem beloof, zijn pompoenen niet te zullen stelen, maar in den nacht zijn meloenen wegneem? Schurken zijt gij, allemaal!

Ik maakte een eind aan dat gesprek, door te vragen:

—Hoever zijn wij nog van Jersely af?

—Ongeveer een uur.

—Dan kunnen wij daar wat rusten en ons verfrisschen. Is daar ook een Khan?

—Ja, ik ken den waard.

—En waar raadt gij ons te overnachten?

—In Kilissely; daar vinden wij een gastvrij onderdak.

—Hoelang hebben wij te rijden om daar te komen?

—Van Jersely af, ruim vier uren.

—Waarom kiest gij juist dat dorp?

—Het is een bizonder mooie streek, midden in de vlakte van Mustafa, waar alles goedkoop en in overvloed te krijgen is.

—Hoe ver is het van daar tot Uskub?

—Acht uren.

—Goed, dan blijven wij in Kilissely.

De kleermaker reed als gids voorop en scheen zich om ons niet te bekommeren. Daar Osko en Omar achter hem reden, kon ik vrijuit over hem met Halef praten, zonder door hem gehoord te worden.

—Sihdi, gij zijt toch ook van oordeel, dat hij Suef is?—vroeg de Hadschi.

Ik knikte toestemmend, en Halef vroeg verder, terwijl hij mij van ter zijde aankeek:

—Sihdi, gij houdt toch uw woord van die vijftig, u weet wel?

—Hij zal ze hebben, maar nu niet.

—En verdiend heeft hij ze, dubbel en dwars. Ik heb nooit begrepen, waarom gij hem zooveel meegedeeld hebt, ofschoon gij wist, dat hij het met onze vijanden hield.

—Dat deed ik met opzet.

—Ja, gij hebt altijd uw geheime bedoelingen. Gij ziet verder vooruit dan wij, en houdt u alsof gij den kleermaker volkomen vertrouwt. Maar ik zou hem halfdood slaan en dan laten liggen.

—En bij slot van rekening, van een slechte markt thuis komen. Zoolang hij bij ons is, komen wij alles te weten wat zijn bondgenooten tegen ons van zins zijn. Van avond vallen zij ons aan, voor het laatst, naar zij meenen, want wij moeten daarbij onvermijdelijk omkomen. Hoe zij dat zullen aanleggen, weet ik nog niet.

—Wij zullen het toch wel te weten komen?

—Natuurlijk! En wel door den kleermaker. Wij moeten hem heimelijk gadeslaan; hij mag er niets van bemerken, anders zou hij zich te veel in acht nemen. Uit wat hij doet, kunnen wij dan goed en wel opmaken, wat zij van plan zijn.

—Dan zal ik mijn oogen maar goed open houden.

—Dat is juist wat ik noodig heb, want ik zelf kan mij onmogelijk nu met alles bemoeien. Ik zal om mijn voet wel weer mijn kamer moeten houden. Wat daarbuiten omgaat, moet door u drieën nagegaan worden. Vóór alles moeten wij te weten komen, waar de Aladschy’s, Barud en de anderen zijn, wanneer en waar zij met den kleermaker een samenkomst willen hebben, en wanneer, waar en hoe wij vermoord zullen worden.

—Sihdi, dat is nog al iets om er achter te komen. Maar zullen de Aladschy’s er dan ook bij zijn? Zij zijn toch immers over Engely gereden.

—Van Engely naar Kilissely kunnen zij den Istib-Uskuberweg nemen, en zijn dan vóór ons daar. Het komt er nu maar op aan, om te weten, waar zij zich schuil houden. Overigens kunnen wij nu nog geen vast plan maken, en moeten wij eerst zien welke de plaatselijke gesteldheid is, die wij zullen vinden. Maar denk er vooral om, dat wij den kleermaker geen oogenblik uit het oog verliezen.

—Die gluiperd! Hij leek zoo’n trouwe eerlijke vent te zijn. Waarom zou hij toch hier in deze streken gekomen zijn, Sihdi?

—Ik geloof dat hij een bizondere vertrouweling van den Shoet is, en van dezen een voor hem belangrijke opdracht heeft ontvangen.

—Nu, dat zullen wij wel te weten komen. Voor het oogenblik, mogen wij blij zijn, dat wij ons onzen ergsten vijand van den hals hebben geschoven.

—Gij bedoelt den Miridiet?

—Ja. Die komt van avond ten minste niet.

—En ik geloof, dat hij juist wel zal komen.

—Om de Aladschy’s te helpen?

—Integendeel, om ons tegen hen bij te staan.

—Neen maar, dat geloof ik niet!

—Ik wel. Hij is een Miridiet, een dapper man, en alleen dáárom mijn vijand, omdat mijn kogel toevallig zijn broeder getroffen heeft, en niet om den Shoet. Ik geloof dat hij achting voor ons heeft en al die valsche giftige streken van de anderen verafschuwt. Hij is overtuigd, dat ik hem het leven geschonken heb. Welk mensch hecht niet aan zijn leven! Daarom acht hij zich tot dank verplicht.

—Hebt gij het leven van de anderen ook niet gespaard, en zijn zij u daarvoor dankbaar geweest?

—Neen, maar dat zijn ellendige schurken. Waren het mannen, eerlijk en oprecht als hij, dan hadden wij met hen geen moeite meer. Ik ben vast overtuigd dat hij hier komt, en misschien is zijn tegenwoordigheid ons van nut.

Zooals de kleermaker ons gezegd had, waren wij binnen het uur te Jersely, Het was een hooggelegen dorp, waarvan verder niets te zeggen valt. Bij den Khan hielden wij stil en lieten ons wat eten geven: zure melk en maïs-brood. Ook voor onze paarden zorgden wij. Het viel ons op, dat de kleermaker, zoodra het dorp in ’t zicht was, zich er, ons vooruit, naar toe begaf om, zooals hij zeide, wat eten voor ons te bestellen. Halef haalde de schouders op en zag mij vragend aan.

—Sihdi, begrijpt gij wat zijn eigenlijke bedoeling is?

—Hij wil den waard zeggen hem niet Suef, maar Afrit te noemen.

—Dat geloof ik ook. Maar dan had hij onzen waard te Sbiganzy ook van te voren moeten waarschuwen.

—Misschien is hij daar onder den naam Afrit bekend.

—Het kán zijn, maar ik geloof het niet.

Nadat wij een en ander gebruikt hadden, reden wij verder en gingen wij al spoedig, langs den westelijken kant van het plateau naar de reeds genoemde vlakte van Mustafa, die vele uren lang en breed is. Door welige velden, waarvan de oogst reeds binnen gehaald was, reden wij den weg, die van Engely naar Domanova loopt, en na vier uren zagen wij Kilissely voor ons liggen.

Het was geen romantische, maar een echt mooie streek. Bergen waren er niet; des te aangenamer vonden wij aan weerszijden van den weg de lommerrijke bosschen, waaronder enkele met nimmer dorrend loof. Wij kwamen door prachtige boomgaarden, waar de zuid-vruchten welig tierden. Rijke nu afgemaaide koornvelden breidden zich naar alle zijden uit, en toen wij nabij het dorp kwamen, zagen wij een grooten vischvijver, in welks kristalhelder water zich de boomen van een grooten tuin spiegelden. De tuin behoorde bij een gebouw, dat iets van een kasteel had en daardoor, in deze omgeving van armoedige gebouwen, nog al vertooning maakte.

—Wat is dat voor een gebouw?—vroeg ik den kleermaker.

—Het is een slot,—antwoordde hij.

—Aan wien behoort het?

—Aan den gastheer, bij wien wij zullen overnachten.

—Maar dit slot is, naar ’t mij toeschijnt, toch geen herberg?

—Neen, zeker niet.

—En gij hebt toch van een Khan gesproken?

—Ik dacht, dat het er, in dit geval, niet op aan kwam, of ik van een Khan of een Konak sprak. Ik ken den eigenaar. Hij ziet altijd verlangend naar gasten uit, en hij zal u van harte welkom heeten.

—Wie is hij dan?

—Een Turk uit Salonika, die hier, na een zeer bedrijvig leven, van de rust genieten wil. Hij heet Murad Habulam.

—Hoe ziet hij er uit?

—Hij is van middelbaren leeftijd, een lange magere figuur en zonder baard.

Op een langen schralen baardloozen Turk was ik niet bizonder gesteld. Ik kan mij een dapperen rechtgeloovigen eerlijken Turk niet als een half of heel skelet voorstellen, en weet bij ervaring dat men in het land der Osmanen, voor een meer dan middelmatig langen mageren en bovendien baardloozen man, op zijn hoede moet zijn. Ik vermoed dat de kleermaker zoo iets op mijn gezicht las, want hij vroeg mij:

—Is het u niet naar den zin, dat ik u bij hem breng?

—Neen, want ik vind het onbescheiden, indien men, vijf man sterk, ongenood en onbekend, bij iemand in huis komt vallen.

—Maar dat doet gij niet, want hij laat u noodigen.

—Dat is wat nieuws!

—De verklaring ligt voor de hand. Hij heeft bizonder graag gasten en ik kom zeer dikwijls bij hem. Voor eens en voor goed heeft hij mij bevolen, mijn bekenden mee te brengen, wanneer die zoodanig zijn dat hij zich over hen niet behoeft te schamen.

En om het mij recht uitlokkend te maken, ging de kleermaker voort:

—Vreemdelingen ziet hij het allerliefst. Hij is een zeer geleerd en bereisd man, even als gij. Gij zult elkander best bevallen. Bovendien is hij zóó rijk, dat hij zijn huis wel altijd vol gasten kan hebben. Hij heeft een prachtige woning, met een harem, een park en alles wat een rijk man maar hebben kan.

—Heeft bij ook boeken?

—Een groote verzameling!

Dat hief alle bedenking op, en ik zond den kleermaker vooruit om ons aan te dienen.

Terwijl ik met Halef over den schatrijken en geleerden Turk praatte en mijn vermoeden uitsprak, dat de Aladschy’s onze komst misschien al wel aangekondigd hadden, werd het paard van Halef op eens schichtig en schuw.

Wij reden namelijk dichtbij den vijver, en er was over de watervlakte een boot recht op ons aan komen schieten. Er zat een jong meisje in, dat met krachtige slagen de riemen hanteerde.

Zij was gekleed als alle ongetrouwde Bulgaarschen. Van onder den rooden doek, die haar hoofd dekte, hingen twee lange zware vlechten uit.

Zij had blijkbaar groote haast, want zonder de boot vast te maken, sprong zij er uit en wilde in allerijl ons voorbij gaan. Haar roode doek, haar driftige beweging of wat het ook geweest moge zijn, deed Halef’s paard schrikken; het sprong naar voren, raakte het meisje met den eenen hoef en sloeg haar tegen den grond. Mijn hengst werd ook schuw en steigerde. De Bulgaarsche wilde opspringen, week den verkeerden kant uit, kwam onder mijn paard en schreeuwde het uit van angst.

—Stil! Gij maakt het paard schuw. Blijf rustig liggen!—riep ik.

De hengst trippelde nog wel een beetje maar trapte haar niet en—zij kon opstaan. Zij wilde nu weg loopen. Ik gebood haar echter:

—Hallo! Een oogenblik! Hoe heet gij?

Zij bleef staan en zag naar mij op. Het was een echt Bulgaarsch jongemeisjes-gezicht, poeselig, rond en vol, met kleinen neus en goedige oogen. Naar de kleeding te oordeelen, was zij arm. Ook ging zij barrevoets. Halef’s paard scheen haar pijn gedaan te hebben, want zij trok den eenen voet omhoog.

—Anka, is mijn naam,—antwoordde zij.

—Zijn uw ouders nog in leven?

—Ja.

—Broers en zusters?

—Veel.

—Ook een hartedief?

Er kwam een diepen blos op het frissche gezichtje, maar toch draalde zij niet met te zeggen:—Ja, een pracht-exemplaar!

—En wat is zijn naam?

—Janik. Hij is knecht.

—Dan zijt gij-beiden zeker niet rijk?

—O, als wij geld hadden, was ik al lang zijn vrouw. Maar wij sparen.

—Hoeveel wel?

—Ik, duizend piasters en hij duizend.

—En wat gaat gij dan beginnen?

—Dan gaan we naar Uskub, waar zijn en mijn ouders wonen, en we pachten een stuk tuingrond. Zijn vader is tuinman en de mijne ook.

—Nu, en hoe staat het met den spaarpot?

—Dat gaat maar heel langzaam, Heer! Ik verdien niet veel en wil van tijd tot tijd toch ook wat aan mijn vader geven, die ook maar pachter is.

Dat deed mij genoegen. De Bulgaarsche zag mij zoo trouwhartig en kinderlijk aan.

—Hebt gij u pijn gedaan?—vroeg ik.

—Het paard heeft mij geraakt.

Erg was het gelukkig niet, want zij stond flink rechtop. Maar ik stak mijn hand in mijn zak en haalde er een kleinigheid, misschien vijftig à zeventig piasters, uit en reikte ze haar toe.

—Dan moet ge naar den dokter of apotheker gaan, om de kwetsuur te laten genezen. Hier hebt gij iets om het te betalen.

Zij stak de hand uit om het geld aan te nemen, maar trok die terstond weer terug, zeggende:

—Maar dat mag ik niet aannemen.

—Waarom niet?

—Omdat ik misschien geen dokter of apotheker zal noodig hebben en dan mag ik dat geld ook niet aannemen.

—Wel, neem het dan, als een present, van mij aan.

Zij zette een allerliefst bedremmeld gezicht en vroeg verlegen:

—Waarvoor dan? Ik heb toch nog niets voor u kunnen doen.

—Dat doet men ook niet voor een present. Leg het in uw spaarpot of zend het aan uw vader, die het wel zal kunnen gebruiken.

—Heer, gij geeft mij daar een goeden raad. Ik zal het aan mijn vader zenden. Hij zal Moeder Maria voor u bidden, ofschoon gij een Moslem zijt.

—Ik ben geen Moslem, maar een Christen.

—Daar ben ik te meer blij om. Ik ben een Kyzyr Elma katolika, (Roomsch-Katholieke) en mijn aanstaande behoort tot hetzelfde geloof.

—Welnu, ik ben in Rome geweest en heb den Baba mukkades, (den Heiligen Vader) gezien, omgeven van de hooge Kardnalalar (de Kardinalen).

—O, als gij me daar van zoudt willen vertellen!

Onder dien wensch lag ook heel wat vrouwelijke nieuwsgierigheid verscholen, maar wie zal daarom haar belangstelling veroordeelen! En dat zij een belangstellende was, dat bewezen haar oprechte fonkelende oogen.

—Ik zou u dat genoegen gaarne doen, maar zie u waarschijnlijk niet weer.

—Gij zijt een vreemdeling, naar ik zie. Waar neemt gij uw intrek?

—Bij Murad Habulam.

—Tanry walideji aziza—Heilige moeder Gods!—riep zij verschrikt uit. Haastig kwam zij nader, greep mijn stijgbeugelriem en vroeg fluisterend:

—Zijt gij soms de Effendi, die met drie makkers hier wordt gewacht?

—Een Effendi ben ik, en drie vrienden begeleiden mij. Maar of ik verwacht word, dat weet ik niet.

—Komt gij van Sbiganzy?

—Ja.

—Dan zijt gij het.

En terwijl zij op haar teenen ging staan, fluisterde zij mij nog zachter toe:

—Neem u in acht!

—Gij moogt gerust hardop spreken, Anka. Deze drie mannen mogen alles hooren; het zijn mijn vrienden. Voor wien moet ik mij in acht nemen?

—Voor Murad Habulam, Heeren!

—Aha, gij zijt bij hem in dienst?

—Ja, en Janik ook.

—Hebt gij reden om mij te waarschuwen?

—Men staat u naar het leven.

—Dat weet ik reeds. Kunt gij mij misschien zeggen, wat men van plan is?

—Nog niet. Ik heb geluisterd en Janik ook. Wij hebben iets gehoord, wat ons deed vermoeden dat men iets verschrikkelijks met u voorhad.

—Wilt gij mij beschermen?

—Gaarne, met alle liefde, want gij zijt van mijn geloof en hebt den Heiligen Vader gezien. Ik zal u helpen, al joeg mijn meester er mij ook om weg.

—Als hij dat doet, zal ik voor u zorgen.

—Zult ge dat inderdaad doen, Effendi?

—Ik geef u mijn woord.

—En dat zult gij houden, want gij zijt een Christen. Ik kan u voor ’t oogenblik niets meer zeggen, want ik moet naar de keuken, omdat onze meesteres naar Uskub op bezoek is. Zij is terstond weggestuurd, zoodra er bericht kwam van uw komst. Pas op voor Humun, den bediende, die de vertrouwde is van onzen heer en mij haat, omdat ik Janik liefheb en niet hem. Gij zult in den toren Kulle Jaschly anaja (de toren van de oude moeder) slapen, en ik zorg er voor dat gij nader bericht krijgt. Als ik zelf niet kan komen, dan zal ik u Janik zenden, dien gij volkomen vertrouwen kunt.

Zij had in vliegende haast gesproken en liep ijlings weg.

—Heer, wat hebben wij daar moeten hooren?—zeide Osko. Wat verschrikkelijk gevaar dreigt ons daar? Zouden wij niet beter doen, met naar de gewone herberg te gaan?

—Neen. Daar zou ons hetzelfde dreigen, zonder dat wij ons zouden kunnen verdedigen. Hier hebben wij vrienden, die ons zullen helpen en die ons zullen zeggen wat wij te doen hebben.

—De Sihdi heeft gelijk,—verzekerde Halef. Allah heeft ons deze vriendin en die haar lief heeft, gezonden om ons te beschermen. Het Christendom moet toch wel goed zijn, waar het de elkaar vreemde belijders tot onderlinge hulp verbindt. Omdat ik een Moslem ben, kan ik geen Christen zijn; maar als ik geen Moslem was, dan zou ik een volgeling van Isa ben Marryam worden (Jezus, Maria’s Zoon). Zie, daar wenkt ons de kleermaker, onze verrader!

Wij waren nu aan den hoek van den tuinmuur gekomen en reden er langs. Daar stond de deur open, en de kleermaker stond er bij, om ons binnen te leiden.

—Komt, komt!—riep hij ons toe. Gij zijt hoogst welkom. De heer des huizes wacht u.

—Kan hij zelf ons niet komen ontvangen?

—Neen, want hij lijdt aan zijn beenen en kan niet loopen.

—Maar dan bezorgen wij hem te veel moeite en hinderen wij hem in zijn zoo noodige rust.

—In ’t geheel niet. Hij verheugt er zich op, in zijn eenzaamheid menschen te zien met wie hij zich kan onderhouden, want de verveling is de groote schaduwzijde van deze krankheid.

—Nu, dat is te verhelpen. Schertsen kunnen wij en bezighouden ook.

Elfde hoofdstuk.
In den toren der oude moeder.

Inhoudsopgave

Wij reden door de poortdeur binnen. Naar de beschrijving, ons door den kleermaker gegeven en door den indruk dien het gebouw, van uit de verte, op mij gemaakt had, dacht ik zoo iets als een slot of kasteel te zullen zien. Maar hoe viel dat tegen!

Het was wel een lang en hoog gebouw, maar mocht veeleer een bouwval heeten. De ramen keken ons vensterloos aan en het dak was op tallooze plaatsen zonder bedekking. Het pleister van de muren was verdwenen en langs het front van het gebouw lag het poeder waarin de verweerde tegelsteenen waren overgegaan.

Wij reden tot voor de hooge dubbele deur, waar ons een kerel ontving wiens lange en smalle galgetronie alles behalve vertrouwen inboezemde.

—Dit is Humun, de lijfknecht van den Heer,—zeide de kleermaker.

Aha, daar hadden wij al terstond den man, voor wien wij op onze hoede moesten zijn! Hij maakte voor mij een diepe buiging en wees op twee pootige knapen, die achter hem stonden, zeggende:

—Effendi, mijn Heer betreurt het zeer dat gij niet kunt loopen. Daarom gaf hij bevel dat deze mannen u naar hem toe zouden dragen. Zij zijn zoo sterk, dat gij u gerust op hen kunt verlaten.

Ik steeg van mijn paard. De beide dragers strengelden twee armen en vouwden de vrij zijnde handen zóó, dat die een zitting vormden, terwijl de armen voor leuning konden dienen. Op dien levenden draagstoel gezeten, werd ik, door het voorportaal en twee vertrekken, naar de ontvangkamer gebracht. Mijn makkers volgden mij.

De ontvangkamer was redelijk gestoffeerd. Langs de wanden stonden divans. Op een geringe verhooging, tegenover den ingang, zat de zoogenaamde slotvoogd. Naast hem was een dergelijke verhoogde zitplaats, die blijkbaar voor mij bestemd was, en tegenover ons lagen eenige matrassen voor mijn metgezellen.

De dragers bleven met mij in de deuropening staan. Onze gastheer boog, zonder op te staan en zeide:

—Zijt mij welkom, groote Effendi! Allah zegene uw ingang in mijn huis en doe u vele dagen bij mij blijven! Houd het mij ten goede dat ik u niet staande begroet, maar blijf zitten, maar Nikris (podagra) belet mij u de verschuldigde beleefdheid te bewijzen. Laat u naast mij nederzetten. Uw volgelingen zullen, hier voor ons, uitrusten van hun vermoeienis.

Men zette mij naast hem neer en de drie namen tegenover ons plaats.

Ik sprak eenige beleefde woorden van dank en verontschuldiging die hij afbrak met de verzekering, dat niet ik hem, maar hij mij dank verschuldigd was.

De dragers hadden zich verwijderd, en de lijfknecht bracht pijpen en koffie.

In het Oosten is men gewoon den rijkdom van een man te beoordeelen naar zijn rookgerei. Naar dien maatstaf was Murad Habulam een zeer rijk man.

De pijp die men mij gaf, en ook die waaruit hij rookte, hadden een roer van echt rozenhout, dat met gouddraad omwonden en met edelgesteente versierd was. De mondstukken verdienden in een museum ten toon gesteld te worden. Het barnsteen was half doorzichtig, wolkrijk, een soort dat in het Oosten veel hooger geschat wordt dan het doorschijnende.

De kleine kopjes, waarin de koffie gediend werd en die men, ‘fingans’ noemt, stonden op schotels van filigraan, en toen ik de koffie proefde, moest ik bekennen nog maar eenmaal en wel in Caïro, zoo iets lekkers te hebben gedronken. Ze werd naar Oostersch gebruik, natuurlijk met het fijngestooten bezinksel genoten. Een kopje hield ongeveer vier vingerhoeden in. Ook de tabak was van de fijnste soort. Jammer, dat de pijpekoppen zoo klein waren. Als men ongeveer vijftien trekjes had gedaan, moesten zij opnieuw gestopt worden, waar Humun, ’s meesters lieveling, voor zorgde.

Daar de beleefdheid meebracht, dat men zijn gasten niet zoo terstond naar hun omstandigheden vraagt, werden slechts algemeene opmerkingen ten beste gegeven.

Toen dit een poos geduurd had, schoof de heer des huizes wat dichter naar mij toe en vroeg:

—Hebt gij een goede reis gehad, Effendi?

—Allah heeft mij veilig geleid,—antwoordde ik.

—Afrit, de kleermaker, zeide mij, dat gij van Sbiganzy waart gekomen.

—Ik was sedert gisteren daar.

—En voor dien?

—In Radowitsch en Ostromdscha.

—Zoo zijt gij altijd door op reis geweest?

—Ja, want wij komen van Edreneh en Stambul.

—Van Stambul! Allah heeft het dan wel goed met u voorgehad, dat hij u in de stad van den Padischah heeft laten geboren worden!

—Ik ben daar niet geboren. Ik kwam van Damascus over Falesthin (Palestina) daarheen.

—Dus zijt ge een Damaski?

—Ook dat niet. Ik ben een Frank, een Germani, en ik reisde van uit mijn vaderland naar de groote Sahar (Sahara) om van daar naar Gypt (Egypte) en Belad el arab (Arabië) te gaan.

—Allah is groot! Hebt gij zoover moeten reizen? En hebt gij goede zaken gemaakt?

—Ik reis niet voor zaken. Ik wil de landen bezoeken en de volken, die er wonen, hun taal en hun zeden leeren kennen. Daarvoor heb ik mijn vaderland voor zoo langen tijd verlaten.

Hij zag mij ongeloovig aan.

—Daarvoor? Allah! Wat geeft het u of gij al bergen en dalen ziet, de menschen en beesten, woestijnen en wouden? Wat hebt gij er aan, of gij al ziet, hoe men zich kleedt, en hoort, hoe men spreekt?

Dat was weer de oude domheid, waarop ik al zoo dikwijls was gestuit. Die menschen kunnen en willen maar niet begrijpen dat men alleen uit belangstelling volken en landen bezoekt. Een handelsreis, een bedevaart naar Mekka, verder gaat hun begrip niet.

—Houdt gij van Dschografia (geografie)?—vroeg ik hem.

—Veel. Ik lees zulke boeken heel graag.

—Wie hebben die boeken geschreven?

—Geleerde menschen, die zulke landen bezochten.

—En die menschen zijt gij toch zeker wel dankbaar, dat zij die boeken, waaruit gij zooveel leert en die u zoo aangenaam bezig houden, schreven?

—Natuurlijk!

—Welnu, ook in mijn vaderland zijn menschen, die zulke boeken verlangen. Vele, vele duizenden zijn er, die ze lezen. Er moeten dus ook mannen zijn, die ze schrijven, waarvoor zij eerst verre landen moeten bezoeken. Een zoodanige ben ik.

—Gij zijt dus een Ehli Dschografie. Maar ik vraag u nògmaals: wat hebt gij er aan? Gij verlaat uw huis en harem; gij offert alle genoegens van het leven op, om in den vreemde allerlei moeite, honger en dorst te lijden en misschien wel in groot gevaar te komen.

—Ja, dat is zeker het geval.

—En dan sluit gij u op, om uw oogen met schrijven te bederven, opdat de nieuwsgierige menschen zouden kunnen lezen, wat gij al zoo ondervonden en gezien hebt. Wat hebt gij er toch aan?

—Is dan het reizen op zich zelf geen genot?

—Neen, het heeft groote moeite.

—Gij zoudt dus ook geen hoogen berg beklimmen om de zon te zien ondergaan?

—Néén. Daar ben ik te verstandig voor. Waarom zou ik mijn gemakkelijken divan vaarwel zeggen, waarop ik kan rooken en koffie drinken? Waarom zou ik klimmen en dalen, als het mij niet anders geeft dan moe-worden? Dat is toch nergens toe nut. De zon gaat op en onder, ook al ga ik niet boven op een berg zitten. Allah heeft alles heel wijs ingericht, en ik kan door mijn klauteren niet het minste aan zijn raadsbesluiten veranderen of verbeteren.

Inderdaad zoo denkt de Moslem. Allah il Allah! Zijn kismet beheerscht alles en allen, en die voorstelling is de oorzaak van hun grenzenloos flegma.

—Zoo zoudt gij, alleen om kennis te verkrijgen, niet naar verre landen willen reizen?—vroeg ik.

—Neen, beslist neen!

—Maar een voordeel heb ik er van. Het voorziet in mijn levensonderhoud.

—Hoezoo? Kunt gij bergen eten en rivieren uitdrinken, die gij vindt?

—Neen, maar als ik een boek geschreven heb, waarin ik van mijn reizen vertel, dan krijg ik daar geld voor, en dat is mijn inkomen.

Nu had ik toch eindelijk iets gezegd dat hij nog zoo dwaas niet vond.

—O, zeide hij,—nu begin ik te begrijpen. Gij zijt geen Geograaf, maar een Kitabschi (een boekhandelaar).

—Neen, maar de Kitabschi betaalt mij voor wat ik schrijf, daarna drukt hij het af en maakt er een boek van, dat hij aan de lezers verkoopt. Zoo maken wij allebei zaken.

Hij bracht zijn vinger aan zijn neus, dacht een oogenblik na en zei toen:

—Nu weet ik het. Gij zijt het die de koffie uit Arabië haalt, en de Katabschi is de man die ze verkoopt aan de menschen.

—Ja, dat is nagenoeg zoo.

—Schrijft gij alles op, wat gij ziet?

—Niet alles, maar alleen wat belangrijk is.

—Maar wat is belangrijk?

—Wat mijn denken en mijn gevoel meer dan gewoon bezig houdt.

—Bij voorbeeld, als gij een bizonder goed mensch ontmoet?

—Ja, die komt in mijn boek.

—Of een ergen deugniet?

—Ook dien beschrijf ik, opdat de lezers hem zouden kennen en verafschuwen.

Hij trok een bedenkelijk gezicht. De zaak begon hem gevaarlijk te worden.

—Hm!—bromde hij. Dus goeden en slechten worden door u in het land bekend?

—Zeker.

—Noemt gij ook hun naam in uw boek?

—Stellig.

—Wie en wat zij zijn en de plaats en het huis, waar zij wonen?

—Heel nauwkeurig zelfs.

—Wat zij gedaan hebben en wat gij met hen hebt gesproken en over hen hebt hooren zeggen?

—Dat allemaal.

—Allah, Allah! Gij zijt dan een groote verrader! Men moet bang voor u zijn.

—Goede menschen hebben van mij niets te vreezen. Integendeel, men zal ze overal prijzen, want mijn boeken worden in alle talen overgebracht. De slechten krijgen echter hun loon, als zij overal bekend en aan de verachting prijs gegeven worden.

—Zult gij ook over Sbiganzy schrijven?

—Zeer veel zelfs, want ik heb daar zeer veel ondervonden.

—Misschien schrijft gij dan ook wel over Kilissely?

—Ongetwijfeld, want Kilissely is te mooi, dan dat ik het zou vergeten.

—Wat zult gij er van zeggen?

—Dat weet ik nog niet. Ik moet eerst afwachten, wat ik hier zie, hoor, beleef en ondervind. Maar dat gij prachtige pijpen hebt en de lekkerste koffie, die ik ooit heb gedronken, dat zal ik van u roemen en prijzen.

Hij keek zwijgend voor zich, en gedurende eenige oogenblikken sprak geen onzer. Ik had hem, vanaf het oogenblik, dat ik binnen gekomen was, goed opgenomen. De man kwam mij zoo bekend voor. Waar had ik dat gezicht meer gezien?

Hij maakte op mij niet den indruk van een rijk man te zijn. Zijn tulband-doek was oud en vuil en zijn kaftan eveneens. Van zijn beenen zag ik slechts dat zij dik omzwachteld waren, van wege het podagra. Desniettegenstaande waren zijn voeten niet omwonden maar bloot, en staken in oude dunne afgesleten pantoffels.

Hij was evenwel zeer lang en mager. Zijn gelaat getuigde in diepe groeven, niet van ouderdom, maar van uitspatting. Zijn scherpe trekken, de kleine, iemand doorborende, cynische oogen, die sterk ontwikkelde kin, die breede, aan de hoeken neergetrokken mond, dat alles bijeengenomen maakte geen aangenamen indruk. Hij was integendeel het type van een gierigaard, wiens gedachten altijd loeren op het bijeenschrapen van geld, zonder er zich over te bekommeren hoe het verkregen werd.

—Ik hoop—zeide hij eindelijk,—dat het u bij mij zal bevallen en gij veel goeds van mij schrijven zult.

—Dat zal ik zeker. Gij hebt mij zoo vriendelijk en gastvrij ontvangen, dat ik alle reden heb om u dankbaar te zijn.

—Ik zou u nog heel anders ontvangen hebben en u ook beter hebben laten verzorgen, maar mijn vrouw is van huis, en ik kan mij niet bewegen. Ik heb aan beide beenen veel te lijden van de Nikris. Die heb ik in den oorlog opgedaan.

—Gij waart dus militair? Officier?

—Ik had een veel hoogeren en beteren rang. Ik was Asker zagredschiji (leverancier van het leger), en heb voor de kleeding en voeding van des Sultans helden gezorgd.

Aha, hij was dus de aannemer van het leger geweest! Onwillekeurig dacht ik aan de arme, half naakte en uitgehongerde soldaten, wier lijden deze leveranciers zoo rijk had gemaakt.

—Dan hadt gij een zeer gewichtig ambt en genoot gij wel het vertrouwen van den Grooten Heer!

—Ja, dat is zoo!—zei hij trotsch. De leverancier is eigenlijk de man die de veldslagen wint; hij leidt de strijders tot de overwinning. Zonder hem is er geen moed, geen dapperheid, maar slechts honger, ellende en ziekte. Het vaderland heeft veel, zeer veel aan mij te danken.

—Zal ik dat ook in mijn boek vermelden?

—Ja, ik bid u, doe dat. Hebt gij over ons land en over de onderdanen van onzen Sultan veel goeds te schrijven?

—Zeer veel,—antwoordde ik kortaf, want ik bemerkte dat hij op het onderwerp wilde overgaan, dat voor hem het gewichtigste was.

—Misschien ook wel veel wat niet te prijzen is?

—Ook dat; er zijn overal goede en slechte menschen.

—Hebt gij van dat laatste soort er veel bij ons aangetroffen?

—Ja, vooral in den laatsten tijd en vooral in deze streken.

Hij schoof heen en weer. Op dit thema had hij willen komen.

—Dan zullen de lezers van het boek dat allemaal te weten komen.... Ik zou dat boek wel eens willen hebben.

—Dat zoudt gij toch niet kunnen lezen, want het is niet in uw taal geschreven.

—Maar dan kondt gij er mij toch wel een en ander uit vertellen.

—Misschien later, als ik eerst wat geslapen heb.

—Dan zal ik u wijzen, waar gij overnachten zult. Maar zoudt gij mij er niet eerst wat van willen vertellen?

—Ik ben werkelijk zeer moe; maar om u te toonen dat ik voor mijn gastheer wil doen wat ik kan, zal ik door mijn metgezel Halef Omar een kort verhaal laten doen van wat wij in den laatsten tijd hebben doorgemaakt.

Dat Halef vertellen mocht, was hem zeer naar den zin, maar het stak hem dat Murad Habulam, onze gastheer, hem van uit de hoogte aanzag en half gebiedend zeide:—Dat hij beginne, ik hoor.—Ik wist wat er komen zou.

—Veroorloof mij u eerst te zeggen wie zoo goed zal zijn tot u te spreken, zoo begon hij. Ik ben Hadschi Halef Omar Ben Hadschi Abul Abbas Ibn Hadschi Dawuhd al Gossarah. Mijn beroemde stam rijdt de beste Hassi-Ferdschahn merries der woestijn, en de krijgers mijner Ferkah dooden den leeuw met hun lans. De overgrootvader van mijn overgrootvader reed met den Profeet in den slag en de stamvader van dezen held heeft met Abram, den vader van Isaac watermeloenen gegeten. Is uw stamboom even zuiver en oud?

—De rij mijner voorvaderen is niet minder groot,—antwoordde Habulam wel eenigszins verlegen.

—Dat is gelukkig voor u, want niet hij is een man van beteekenis, die fijne pijpen heeft en kopjes, maar die wijzen kan op een reeks van roemrijke voorouders. In het Paradijs wachten helden, wier geliefde nakomeling ik ben, op mijn komst. Niet een ieder vereer ik met mijn verhalen, maar omdat mijn vriend en Heer, de Hadschi Effendi Kara Ben Nemsi Emir het wenscht, daarom zal ik verhalen, maar verlang ook dat gij met opmerkzaamheid mij aanhooren zult.

Dat alles kwam er zoo rustig uit, alsof hij er zelf bij was geweest toen de veronderstelde stamvader met Abram zijn watermeloenen at! Hij deed alsof hij onzen gastheer een groote genade bewees met hem wel zijn verhaal te willen doen.

Nu gaf hij in goedgekozen woorden een kort verslag van hetgeen ons in de laatste dagen overkomen was. Geen jurist had het beter kunnen doen dan mijn Halef. Geen syllabe kwam hem over de lippen, die den ex-leverancier kon doen vermoeden dat wij wisten wat vleesch wij aan hem in de kuip hadden. Ik had inwendig plezier in den tact, waarmede hij zijn rol speelde, en knikte hem goedkeurend toe, nadat hij het verhaal had gedaan en mij vragend aankeek om te weten of ik over hem tevreden was.

Murad Habulam deed, alsof hij een en al verwondering was. Hij legde zijn pijp weg, wat voor een Muzelman iets buitengewoons is, sloeg de handen in elkaar en riep:

—O Allah, Allah, zend toch uw wrekers op aarde, opdat zij die boosdoeners, wier misdaden ten hemel schreien, door het vuur van uw toorn verdelgen! Moet ik gelooven, wat ik hoorde? Neen, ’t is niet te gelooven!

Hij bleef als in verwondering verzonken, nam zijn rozenkrans en liet de paarlen door zijn magere vingers glijden, alsof hij bad. Eindelijk hief hij plotseling het hoofd op, zag mij onderzoekend aan en vroeg:

—Effendi, bevestigt gij de woorden van dezen Hadschi?

—Woord voor woord.

—Men heeft u dus bijna elken dag trachten te dooden?

—Zoo is het.

—Gij zijt dus die moordenaars zoo gelukkig ontkomen? Gij moet wel bizondere lievelingen van Allah zijn!

—Volgens die redeneering waren dan die moordenaars, lievelingen van Allah, indien hun plannen gelukt waren?

—Neen, maar uw dood stond dan in het boek des levens geschreven, en wat daar staat, kan zelfs Allah niet veranderen. Dat is Kismet.

—Welnu, dan wil ik hopen, dat het het Kismet zij van deze schurken, om nog hier op aarde hun welverdiende straf te moeten ontvangen.

—Dat hebt gij in uw hand gehad, maar gij hebt hen gespaard.

—Ik wilde hun rechter niet zijn.

—Vertelt gij dat nu allemaal in uw boek? Van den Shoet, van de Aladschy’s, van Manach el Barscha, Barud el Amasat, en van den ouden Mubarek?

—Ik noem ze allemaal.

—Dat is voor hen een verschrikkelijke straf. En gelooft gij dat gij hen nog weer ontmoeten zult?

—Zeer zeker, want zij vervolgen mij. Hier in uw huis ben ik mooi veilig en dat dank ik u en den goeden Afrit, mijn gids. Maar morgen, als wij verder trekken, dan zullen die boosdoeners ons weer overvallen.

—Gij zult mijn huis toch de schande niet aandoen van er maar een enkelen nacht te blijven.

—Ik zal er over denken. Overigens is het naar uw overtuiging, van eeuwigheid af in het boek des levens geschreven, hoelang ik in uw huis vertoeven zal. Niet een van ons kan daar verandering in brengen. Ja, zelfs Allah kan dat niet.

—Dat is zoo. Maar ik hoop dat het licht uwer oogen mij nog langen tijd zal bestralen. Ik voel mij zeer eenzaam en verlaten hier in mijn huis, en gij zult mij opvroolijken en mij het lijden mijner voeten doen vergeten, indien gij heel lang bij mij blijft.

—Ook mij zou het aangenaam zijn, wanneer ik nog lang van uw gezelschap zou kunnen genieten. Gij moet vele en groote reizen ondernomen hebben?

—Wie heeft dat gezegd?

—De kleermaker.

Ik zag aan zijn gezicht, dat de kleermaker mij dat voorgelogen had. Toch antwoordde hij:

—Ja, toen ik nog goed ter been was, heb ik de steden en dorpen van vele landen bereisd.

—En straks hebt gij gezegd, dat gij zelfs geen berg zoudt willen bestijgen om de zon te zien opgaan!

—Nu niet, om mijn beenen,—zeide hij om zich te verdedigen.

—Waarom, als gij podagra hebt, laat gij uw voeten bloot ofschoon gij uw beenen omwikkelt?

Ik zag hem, bij die vraag, scherp aan. Hij werd verlegen. Zou hij om de een of andere reden podagra voorwenden en niet hebben?

—Omdat ik de ziekte in mijn beenen heb en niet in de voeten, beweerde hij.

—Gij hebt dus geen pijn in uw grooten teen?

—Neen.

—En die is ook niet gezwollen?

—Die is gezond.

—Hoe staat het ’s avonds met de koorts?

—Ik heb nog nooit koorts gehad.

De man verried zich, want als die kenteekenen zich bij hem niet voordeden, had hij ook het podagra niet. Hij wist in geen enkel opzicht, welke verschijnselen met podagra gepaard gingen. Ik wist nu, wat ik aan hem had. Om het gesprek ook nog op de bibliotheek te brengen, die mijn gastheer, volgens Afrit had, vroeg ik hem:

—In uw lijden en in uw eenzaamheid zult gij wel veel afleiding en verpoozing vinden bij de vele boeken, die in uw bezit zijn.

—Boeken?—vroeg hij verwonderd.

—Ja, gij zijt een zeer geleerd man en gij bezit een menigte handschriften, waarom gij te benijden zijt.

—Wie zegt dat?

—Ook de kleermaker.

Blijkbaar had onze gids ook dit verzonnen om mij daarmee te zekerder in de val te lokken. Habulam begreep dit, en zeide daarom:

—Heer, mijn bibliotheek is bij lange na niet van zooveel beteekenis als gij wel denkt. Voor mij is die voldoende, maar voor een man als gij is ze onbeduidend.

—Toch hoop ik die bij gelegenheid te mogen zien.

—Met alle genoegen, maar nu niet. Gij zijt vermoeid, ik zal u uw vertrekken laten wijzen.

—Waar zijn die?

—Niet hier in huis, want daar zoudt gij te veel rumoer hooren, om rustig te kunnen slapen. Ik heb daarom voor u de Kulle jaschly Anaja in orde laten brengen; daar zijt gij vrij en met elkaar.

—Zoo als gij het schikt, is het mij goed. Maar waarom heet dat gebouw de toren van de oude moeder?

—Dat weet ik zelf niet. Men zegt, een oude vrouw is na haar dood, meermalen weergekomen en stond dan ’s avonds in lijkwa op de zoldering, om van daaraf haar kinderen te zegenen. Gelooft gij aan spoken?

—Neen.

—Dan zult gij voor de oude vrouw ook wel niet bang zijn?

—Geen oogenblik! Maar komt zij tegenwoordig nog wel eens te voorschijn?

—De menschen zeggen van ja en gaan daarom ’s nachts nooit naar den toren.

Waarom zeide hij mij dat? Als het in den toren niet pluis was, moest dat voor mij een reden zijn om in den toren niet te willen overnachten. Misschien ook wilde iemand ons verraderlijk, als spook gekleed, besluipen, en van zijn misdaad de oude vrouw de schuld geven,—een zeer kinderachtige gedachte, die alleen in het hoofd van zulke domme menschen kon opkomen.

—Wij zullen heel graag eens een spook zien, om het te vragen, hoe het er in het doodenrijk uitziet,—verzekerde ik hem.

—Zoudt gij daar den moed toe hebben?

—Zeker.

—Maar gij zoudt van een slechte reis kunnen komen. Hij, die met een geest spreekt, kan er het leven bij inschieten.

—Dat geloof ik niet. Allah zal geen verdoemde veroorloven, de ellende der hel te verlaten, om op aarde voor pleizier wat te gaan wandelen. En goede geesten behoeft men niet te vreezen. De als spook verkleeden gaan wij eenvoudig te lijf. Wees nu zoo goed ons naar den toren te laten brengen.

—Gij zult door een deel van den tuin moeten gaan, en ik denk dat gij dien met groot genoegen zult zien. Hij kost mij veel geld en is zoo prachtig als het park der gelukzaligen achter den ingang van het eerste Paradijs.

—Dan spijt het mij dat ik van uw aanbod geen gebruik kan maken, want het is mij onmogelijk door de lanen te wandelen.

Не доступна
В вашей стране эта книга не продаётся. Если у вас включён VPN, отключите его
Возрастное ограничение:
0+
Дата выхода на Литрес:
16 января 2025
Объем:
514 стр. 8 иллюстраций
ISBN:
4064066312015
Издатель:
Правообладатель:
Bookwire
Формат скачивания:

Похожие книги