Читать книгу: «Atheensch Jongensleven»

Шрифт:

K. Kuiper

Atheensch Jongensleven


Gepubliceerd door Good Press, 2022

goodpress@okpublishing.info

EAN 4064066401580

Inhoudsopgave

VOORBERICHT.

INLEIDING.

I

II

III

OVERZICHT VAN DEN INHOUD.


ATHEENSCH JONGENSLEVEN

DOOR DR. K. KUIPER HOOGLEERAAR AAN DE UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM

NIEUWE ONVERANDERDE UITGAAF

HAARLEM—H. D. TJEENK WILLINK & ZOON

1922

VOORBERICHT.

Inhoudsopgave

Dit boekje dankt zijn ontstaan oorspronkelijk aan een op aandrang van belangstellenden opgevat plan tot herdruk van een tweetal studiën over Oud-grieksche Opvoeding en Onderwijs door mij in 1901 gepubliceerd in Onze Eeuw. Terwijl ik namelijk met het oog op eene nieuwe uitgave deze artikelen herlas, werd de wensch in mij levendig, mijne uit den aard der zaak fragmentarische schets liever geheel om te werken en, met behoud van hetgeen ongewijzigd kon blijven, haar uit te breiden tot eene teekening van het Atheensche jongensleven in zijn geheel, volledig voor zoover onze gebrekkige kennis der Oudheid dit mogelijk maakt.

Het spreekt van zelf dat mijn werk, opzettelijk in populairen vorm geschreven, niet de pretensie heeft, aan mijne vakgenooten iets nieuws te vertellen. Ik heb mij onder het schrijven steeds voorgesteld, dat ik het genoegen had mij te richten tot den wijderen kring van allen, die belangstellen in de knapen van het oude Athene en het moderne Nederland.

Amsterdam, Augustus 1911.

K. KUIPER.

INLEIDING.

Inhoudsopgave

Onder de bevallige voortbrengselen der Attische vazenkunst zijn er weinige die zóózeer tot algemeene bekendheid zijn gekomen als de sierlijke schotels, amphoren en schalen, die in kleine, vlug geteekende tafreelen het schoolleven en het spel der Grieksche jongens van twaalf tot achttien jaar in beeld brengen. Niet alleen de vaardigheid echter, welke des meesters hand leidde bij ’t griffen dier slanke jongenslichamen, is het die ons vasthoudt voor de vitrines van het Louvre, de Londensche verzameling, of het Atheensche Museum, het is bovendien de verrassing over het feit dat deze schilders ons het boek der jeugd te lezen geven, waar wij in de rij onzer zorgvuldig geraadpleegde klassieke schrijvers tevergeefs naar zoeken. Tooneeltjes als op deze vazen, stil schrijvende knapen, jonge ernstige leerlingen die, met ontzag opziende tot hun onderwijzer, de woorden naspellen welke hij hun heeft voorgezegd of de snaren der lier grijpen met eerste angstige poging om die juist zoo te doen trillen als de citharist het hun heeft getoond; worstelscholen waarin zij dartelend leeren springen, speerwerpen, vechten—slechts de plastiek geeft ons dit alles in één oogopslag te zien, terwijl wij bij de schrijvers van den klassieken tijd zeer zorgvuldig moeten uitkijken teneinde uit velerlei, als ter loops gegeven, toespelingen of opmerkingen ons een eenigszins uitvoerig beeld te vormen van het leven der jeugd.

Deze leemte in de literaire overlevering van de oudheid is er eene uit velen; ook gevoelen wij haar niet altijd even sterk. Wie in de Grieksche tragedie verdieping en verbreeding zoekt van eigen gemoedsleven, wie bij Herodotus of Thucydides de fundamenten nagaat waarop onze moderne historiographie berust, kortom wie in de voortbrengselen van den Helleenschen geest zoekt naar de kiemen onzer geestelijke en bepaaldelijk literaire cultuur, wordt in zijn onderzoek niet in groote mate door zoodanige lacunes belemmerd. Maar niet zoodra gaat onze eigene belangstelling, door zoodanig onderzoek van literairen aard geprikkeld, òf de weetlust der leerlingen die wij willen inwijden in de klassieke oudheid, nu ook eens de vraag stellen: „hoe leefden nu eigenlijk die oude Hellenen?” of onze wetenschap blijkt vaak op verrassende wijze ontoereikend.

En dat is nu niet alleen het geval met vraagstukken die minder voor de hand liggen; niet alleen blijven wij te dikwijls het antwoord schuldig als men ons bijvoorbeeld vraagt naar oud-grieksche ziekenverpleging, naar armenzorg, naar het lot van afgewerkte daglooners en slaven; zelfs in hare mededeelingen over den kinderleeftijd, die in onze moderne literatuur een zoo vruchtbaar veld voor de fijnste en meest liefdevolle observatie is geworden, is de Helleensche literatuur in haren bloeitijd zoo spaarzaam, dat het samengaren daarvan ons doet denken aan het ontcijferen eener half vergane inscriptie.

Intusschen, zulk een ontcijferen heeft zijne aantrekkelijkheid, en het onderzoek is de inspanning waard. Het spreekt immers van zelf dat de meer geprezen dan gelezen werken der Grieksche schrijvers slechts voor ons kunnen leven, indien de menschen daarin beschreven minder ver van ons afstaan, indien wij weten waarmede zij zich voedden en zich kleedden, indien wij weten hoe zij hunne dooden begroeven, en hunne vrouwen trouwden, indien wij hun leed kennen en hun blijdschap, indien ze voor ons oog gaan en zitten, spreken en lachen als levende menschen, niet als vreemde figuren die opzettelijk door lang vergeten schrijvers zijn uitgedacht, om in eene moeilijk verstaanbare taal sententiën van klassieke wijsheid over te gieten in onze ooren.

En wie des Grieken leven wil verstaan, die moet ook zijn kinderleven kennen. Dat in het kind de man schuilt is altijd waar, maar dubbel waar is het bij een volk dat in die mate als het Helleensche kinderlijke naieveteit mengt in zijne aangeboren uitgeslapenheid van geest. En dubbel geldt die zelfde waarheid ook daarom bij de Grieken, omdat—al moet men in de literatuur der Hellenen het kind als het ware opzettelijk zoeken—het kroost eene uiterst gewichtige plaats bekleedt in het familie- en staatsleven.

Familieleven: het woord zelf heeft, zooals in de volgende bladzijden telkens duidelijk zal blijken, voor Grieken, althans voor Atheners van den bloeitijd, een geheel anderen klank dan voor ons. Vèr van onze opvatting, en ver ook daar beneden, ligt de voorstelling die de Atheners, in doorsnee genomen, zich van het samenleven der echtgenooten vormen. De innigheid van het gemeenschapsgevoel dat Hector en Andromache bezielt herhaalt zich in de Atheensche maatschappij niet dikwijls. Het Atheensche huwelijk doet de echtgenooten meest veeleer naast dan met of voor elkander leven; en wij moeten gelooven dat de toestand in de vierde eeuw wel in vele gezinnen zoo was als Demosthenes dien weergeeft in eene vaak aangehaalde zinsnede van eene zijner oraties, al kan die uitspraak niet hebben beantwoord aan de overtuiging van de hoogststaanden onder zijn gehoor. „Immers mijne Heeren”, zoo zegt daar Demosthenes met de kalmte waarmede men feiten pleegt te constateeren: „Immers, voor ons genot hebben wij de hetaeren tot onzen dienst, voor de dagelijksche behoeften van ons lichaam onze maîtresses; doch onze vrouwen hebben wij om ons wettige kinderen uit haar te verwekken en om tevens eene vertrouwde zorg voor ons huis te bezitten.”

Met schrik en verbazing leest men zulk eene zinsnede, en het kan niet anders of menigeen vraagt zich af, of de kennismaking met een volk dat er dergelijke beginselen op nahoudt niet beter achterwege bleve. Maar vergeten wij niet dat Demosthenes hier aan zijnen client eene uitspraak op de lippen legt die bestemd is de banale levensopvatting van dezen eenen man weer te geven, niet eene door alle Atheners beaamde uiting. Toch mag die verzachtende overweging, die wij door velerlei feiten zullen gestaafd vinden, ons niet blind maken voor de strekking der laatste woorden. Want door deze is de beteekenis van het Atheensche huwelijk inderdaad juist omschreven. Het huwelijk is voor den Athener het instituut tot voortzetting van zijn geslacht. Om, ter wille van, het kind wordt het huwelijk gesloten. Maar om die zelfde reden eischt de Grieksche Staat de huwelijksverbintenis en heeft ook in Hellas de godsdienst den geheimzinnigen drang tot levensbehoud, aan alle schepselen ingeplant en door de beschaving als een harer machtigste hulpmiddelen aanvaard, van de vroegste cultuurperioden af in bescherming genomen. De familie, het geslacht, dat zijn begrippen voor eenen Helleen van diepere beteekenis dan voor zeer vele leden onzer moderne, individualistische maatschappij. Niet uit individuen—meent Aristoteles—doch uit huisgezinnen is de oorspronkelijke staatsgemeenschap samengevoegd; maar dit is eene samenvoeging uit op zich zelf zelfstandige deelen. De herinnering nu aan hunne alleroudste zelfstandige afgescheidenheid heeft de cultus steeds bewaard: elke oud-Grieksche familie heeft haar eigen heilige gebruiken, haar eigen eeredienst, haar eigene goden, dus ook—want in vele gevallen is dat bijkans hetzelfde—hare eigene dooden. Ook toen de tijden reeds lang voorbij waren, in welke eene ten deele althans uit vrees en angst ontsproten vereering der afgestorvenen de Myceensche vorsten had gedrongen voor hunne gestorven voorgangers graven te bouwen, ruim en kostbaar alsof het vorstelijke paleiskamers waren, handhaafde zich in piëteit het oude gebruik van de herdenking der gestorven vaderen en bleef een vage doch hechte voorstelling in de harten leven, dat de doode de vereering zijner nazaten niet kan ontberen, dat de gestadige lafenis hunner lijkoffers voor hem onmisbaar is. En deze geloofsvoorstelling zet haren stempel op de verhouding tusschen ouders en kinderen ook in het oude Athene. Zwaar drukt op den geloovigen Griek de angst om kinderloos uit het leven heen te gaan. De Helleen noemt daarom niet slechts gaarne in zijne poëzie de kinderen „een erfdeel des Heeren”, en roemt een oppassend kroost „schooner bloei dan een akker kan dragen”, maar de gedachte is hem in het hart vastgeworteld, dat hij niet gelukkig kan zijn, zoo hij niet bij zijn scheiden uit dit leven de geheimenissen van den voorvaderlijken eeredienst kan overgeven in de handen van een nakomeling, en dat hij alleen dan gerust kan wezen, wanneer hij aan zijne zijde de trouwe stem hoort van eenen zoon, die—gelijk hij zelf dat eens voor zijnen vader heeft gedaan—al datgene bezorgen zal wat zijne schim zal behoeven in de duisternis van haar eenzaam graf.

Naarmate de Grieksche, met name de Atheensche, maatschappij in haren voortgang op den weg eener consequent democratische ontwikkeling de patriarchale afscheiding en zelfstandigheid der oude geslachten meer en meer uitwischte, moesten geloofsovertuigingen als de hierboven geschetste wel verzwakken. In de dagen van Pericles althans zou het niet gemakkelijk zijn geweest—indien men overeenkomstig het heerschend staatsbeginsel bij meerderheid van stemmen ook over dit vraagstuk hadde beslist—eene meerderheid onder de Atheensche burgers te vinden die op zóó ouderwetsche gronden de begeerlijkheid van nakroost zou hebben erkend. En toch, zelfs Plato, die in dit opzicht, gelijk in zoovele andere, gebroken had met het overgeleverde geloof der vaderen, handhaaft niettemin het allervoornaamste element van de oude geloofsovertuiging in zijne eigene beschouwing.

„Op deze wijze—zegt hij in het Symposion—blijft het sterflijke in leven, niet doordat het, gelijk de Godheid zelve, altijd hetzelfde blijkt; maar doordat hetgeen heengaat en veroudert een ander jong wezen van dien aard als het zelf was in zijne plaats achterlaat. Er is derhalve geenerlei reden om ons te verbazen, wanneer we zien hoezeer elk wezen van nature in eere houdt al wat uit hetzelve is gesproten: dit is een streven naar onsterflijkheid en naar onvergankelijke gelukzaligheid, dat elken sterveling vergezelt”.

Overigens ligt het in den aard der zaak, dat het besef van de heilige beteekenis der verwantschap met voor- en nageslacht duidelijker aan den dag treedt in de voorname en met erflijk landbezit bedeelde familiën dan bij arme handwerkslui en nooddruftige zwervers. Zoo was het reeds in de dagen van Homerus. Een vorst als Glaukos vermag, wanneer Diomedes hem tegemoet treedt met de vraag: „Wie zijt Gij toch wel onder de sterflijke menschen?” zonder veel moeite zijn stamboom op te noemen tot Zeus toe; doch van den volksman Thersites noemt ons de dichter niet eens den vader. Toch is, zoover ons weten van de oud-Grieksche samenleving reikt, het familiebewustzijn zeer sterk. Vorst Diomedes kan zich voor hem die roekeloos zou wagen Goden te bevechten geene zwaardere straf denken dan deze, dat denzulken bij zijnen terugkeer uit den oorlog geene kinderen stamelend den vadernaam zullen geven. En de boerendichter Hesiodus ziet hierin den grootsten zegen der vromen, dat hunne vrouwen hun „kinderen schenken op de vaders gelijkend”.

Al ontbreekt dan ook—zooals om vele redenen begrijpelijk is—in de Grieksche literatuur iedere opzettelijke beschrijving van huiselijk leven en kinderbestaan, toch weet elkeen, die met die letterkunde vertrouwd is, hoe sterk zich het huisgezin bij hen doet gelden. Reeds de homerische zangen vloeien over van spreuken en voorbeelden, die den zegen van het huiselijk leven verheffen: vluchtiger, naar den aard van het heldendicht, in de Ilias, hetzij in het korte tafreel, zacht glanzend als een lentemiddag, dat ons Hector met den kleinen Astyanax op den arm schildert, hetzij in de hartverscheurende figuur der oude smartenmoeder Hekabe, vergeefs op Trojes muren haren lievelingszoon Hector bezwerend den dreigenden aanval van Achilles te ontwijken; doch uitvoeriger in de Odyssee. Er is geen sprekender bewijs voor de overtuigdheid waarmee de Odysseedichter den lof van het familiegeluk bezingt dan het zesde boek, het Phaeakenlied; geen tweede figuur zóó huismoederlijk teeder, zoo wakker oplettend en zoo trouw als koningin Arete; geen dochter zoo charmant als Nausikaa, wanneer zij haren vader om den muilezelwagen vraagt—kortom geen gezin, zoo opgewekt in vertrouwelijk en gemeenzaam geluk, als Alcinoüs’ bloeiend kroost.

Een Atheensch burger uit den bloeitijd der Attische democratie moet zich evenwel tegenover die homerische tafereelen van huislijk leven min of meer als een vreemdeling hebben gevoeld. Hekabe, Andromache, Arete, het tooneel toont hem zulke huismoeders, den titel „machtige moeder”, waarmede Homerus zoo gaarne zijne Vorstinnen aanduidde, waardig, doch in zijn eigen huislijk leven vindt hij die niet terug. Alleen als hij naar Sparta gaat, zal hij ze vinden als machtige deelgenooten in de vaderlijke heerschappij. Maar dáár vindt hij integendeel niet, als te huis, eene familie. Het is hem of te Sparta het gezin in den Staat verdwijnt. In grootere mate ziet hij in zijn eigen vaderland de traditie van de beteekenis der familie-afkomst ontwikkeld. De gedachte dat de staat niet maar eenvoudig een complex is van individuen, maar zich vormt uit de familiën, daar immers deze zich samenvoegen tot geslachten, de geslachten straks phratriën vormen en de phratriën eindelijk de vier Ionische stammen hebben gevormd, deze gedachte bleef zich in Attica handhaven, ook toen de geslachtsgenooten reeds lang niet meer in staat waren hunne onderlinge familierelatie aan te wijzen en tevens de gewijzigde staatsinrichting van het Athene dat wij kennen, het onmiddellijk verband tusschen afstamming en burgerschap had weggenomen. Want niets anders dan de onwrikbare overtuiging dat op het familieverband het waarachtige Athenerschap berust, kan oorzaak zijn geweest, dat tot de hoogste staatsambten bij voortduring slechts die Atheners werden toegelaten, die op bevredigende wijze het volgende vragenregister konden beantwoorden: „Wie is uw vader, wie uwe moeder, tot welk district behoort gijlieden, wie is uws vaders vader, wie de vader uwer moeder? Hebt gij deel aan den eeredienst van Apollo Patroïos, den beschermgod der geslachten, en van Zeus Herkeios, die de familiën beschermt? Waar zijn de heiligdommen gelegen, waarin uw geslacht die Goden vereert? Hebt gij een erfelijk graf, en zoo ja, waar? Behandelt gij uwe ouders zooals het behoort?—en betaalt gij belasting in die klasse die voor dit ambt is vereischt?”

Beter dan een lang betoog, kan zulk een formulier, ook om de eigenaardige naieveteit waarmee de vragen zijn gesteld, ons overtuigen, dat een ernstig vader te Athene bezield was met het bewustzijn dat hij in zijnen zoon zijn eigen burgerschap van de vaderstad, die hij met bijna godsdienstige vereering liefhad, voortzette, en dat hij voor dien zoon verantwoordelijk was tegenover den staat zoowel als tegenover de goden van vaderland en familie.

Op dit feit moet eenige nadruk worden gelegd. Onze eigene christelijke beschaving toch heeft in onze verhouding tot onze kinderen een element van teederheid gebracht, dat wij ten deele althans bij de oudere Grieken vergeefs zoeken.—Ten deele. Want wie in de literatuur der Grieken geen vreemdeling is, weet wel, op hoe welsprekende wijze hunne poëzie getuigt van eene liefde der ouders voor hun kinderen die, zij moge dan van de onze verschillen, zeker niet minder innig is. Dit door eene bloemlezing van dichterplaatsen te bewijzen is een onnoodige en weinig aantrekkelijke taak. Maar meermalen is reeds door kundige handen bijeengebracht wat op het kinderleven der Grieken betrekking heeft. Zulk eene poging op het voetspoor van anderen te herhalen is geen nutteloos werk; want al kennen wij het Grieksche volk als eenvoudig en kinderlievend, hunne literatuur betracht, zooals reeds gezegd werd, ten opzichte van de kinderen een groote soberheid, en deze maakt een zeker verschil van inzichten omtrent allerlei punten mogelijk. Polemiek omtrent dergelijke punten is door den aard van de schets die hier gegeven wordt uitgesloten. In populairen vorm een beeld van het Atheensche jongensleven te geven is uitsluitend het doel dezer bladzijden. Natuurlijk wordt daarbij niet gestreefd naar systematische volledigheid. Deze zou aan deze schetsen den eisch stellen dien men met recht stelt aan een leerboek der Oudheden. Dergelijke leerboeken zijn er verscheidene en daaronder zeer voortreffelijke. Wie ze van nabij kent vindt in dit boekje zeker weinig nieuws, want ons aller bronnen zijn dezelfde. Voorts—wie eene teekening van het geheele Grieksche knapenvolk geeft, schiet licht zijn doel voorbij. Eene beschrijving van oud Grieksch jongensleven geldig voor geheel Griekenland is onbestaanbaar. Oud-Hellas is niet één staat, doch een agglomeraat van sterk verschillende elementen. De Spartaan, naar den eisch van Lycurgus tot een stoer en gehoorzaam krijgsman opgegroeid, heeft een andere opleiding achter den rug dan de Athener in wiens oogen hij een halve barbaar is: de Arcadische boer met zijn breed accent en zijn zware taal, zal het zoetvloeiende Ionisch van den Milesischen zeeman nauwelijks als de taal van een stamgenoot erkennen. Maar al wat die staten vereenigt, al wat hen tot Grieken maakt, vinden wij in Athene terug: de Atheensche jongen heeft de zekerste kansen op onze belangstelling.

Ook voor eene beschrijving die niet streeft naar schematische regelmatigheid is hier de weg als het ware voorgeschreven. Een jongen is thuis, op school, of op straat, en van de Atheensche jongens zullen wij dus het leven in huis, op de school en in de stad naspeuren. Het zal aan de duidelijkheid der schildering ten goede komen, indien wij de grenzen door die indeeling gesteld van tijd tot tijd mogen overschrijden, en bovendien nu en dan mogen vergeten dat jongelieden van achttien jaar geen jongens meer zijn, terwijl waarschijnlijk het gevaar voor eentonigheid vermindert door eenige vrijheid van beweging aan de jongens te gunnen in de keuze van het tooneel van hun vreugd en leed. Dat eindelijk van het recht tot excursen, aan schrijvers over een dergelijk onderwerp meestal toegestaan, in deze beschrijvingen met groote vrijmoedigheid wordt gebruik gemaakt zal niemand wraken, die bedenkt hoever het Athene der vijfde en vierde eeuw vóór Christus afstaat van de twintigste eeuw onzer jaartelling.

I

Inhoudsopgave

Wie het Grieksche jongensleven wil beschrijven, bedoelt in hoofdzaak eene schets te geven van het leven, de rechten, de uitspanningen en de opvoeding van jonge Atheensche burgers van goeden huize, d. w. z. van erkende zonen uit een wettig Atheensch huwelijk. Ziedaar eene beperking die belangrijker is dan zij schijnt. Groot is te Athene het aantal onwettige kinderen; want al verheft ook de staatkundige wijsbegeerte de instelling des huwelijks als fundament van den staat zeer hoog, en al waakt ook elk burger die de traditiën van zijne familie eerbiedigt er ernstig voor, dat zijn geslacht niet uitsterft, toch kan reeds hetgeen in de eerste bladzijden over het Grieksche familieleven werd gezegd bewijzen, hoe weinig de Atheners „van goeden huize” eene voorstelling hadden van hetgeen wij onder huwelijkstrouw verstaan. De omgang van Pericles en Aspasia is beroemd, doch niet omdat die eene uitzondering was. Men behoeft in de biographieën der voornaamste staatslieden en kunstenaars van Athene slechts korten tijd te bladeren om eene geheele verzameling dergelijke liaisons bijeen te brengen. En er is geene reden deze verhalen op rekening van latere, op schandaal beluste anecdotenvertellers te plaatsen; de bekendste redenaars, de kalmste philosophen, de ernstigste politici komen er zonder een zweem van schroom voor uit, dat zij elders dan aan hun huiselijken haard verpoozing plegen te zoeken van hunne inspanning, dat zij naast de vrouw, wettiglijk en onder ontvangst van den contractueel bepaalden bruidschat gehuwd, eene „vriendin” hebben. Den kinderen, uit deze laatste verbintenis geboren, verbiedt de vader het gebruik van den vadernaam ten zijnen opzichte niet, ook voor hunne opvoeding zal hij meestentijds wel behoorlijk hebben zorg gedragen; de smaad verder, in onze maatschappij aan den bastaardnaam verbonden, zal deze onwettige kinderen te minder hebben getroffen, omdat eenerzijds de zeer enge bepalingen aangaande volkomen wettigen Atheenschen echt het aangaan van wat wij een vrij huwelijk noemen zouden zeer in de hand werkte, en het concubinaat alzoo in velerlei meer en minder eervolle gradatiën voorkwam, terwijl andererzijds de Atheensche wetten de gelegenheden tot legitimatie van uit concubinaat geboren kinderen verre van schaarsch maakten. Met dit al was deze onzekerheid der huwelijksverhoudingen, gepaard aan eene buitengemeene frequentie van echtscheiding, een oorzaak van veel onzekerheid. Hoe groote verwarring, hoeveel bedrog en misleiding en hoeveel ernstige misstand hiervan het gevolg waren, kan alleen ten volle begrijpen wie de pleidooien, in familie- en vooral in erfrechtprocessen gehouden leest, die ons van de hand der Attische redenaars, met name van Isaeus, zijn overgebleven.

Een gelukskind in vergelijking van vele zijner natuurgenooten, mag dan ook het knaapje heeten welks geboorte aan de belangstellenden wordt kond gedaan door een olijftak aan de deur van zijns vaders woning. Zijn eerste geluk is, dat hij als jongen in de wereld komt. Indien niet een tak aan de deur was gehecht, doch een wollen lint—symbool, naar latere schrijvers gaarne aannemen van den arbeid die de eere der vrouwen is—indien dus was aangezegd dat er een meisje was geboren, wie weet, of dan de vader niet zou hebben gebruik gemaakt van het hem door de oude landswet toegekende recht, en het kleintje dat hem voor de voeten was gelegd eenvoudigweg had afgewezen. Dat inderdaad een volk waarvan wij met reden ook de innerlijke beschaving en de fijnheid van zeden plegen te bewonderen, zelfs in zijn hoogsten bloei een zoo barbaarsch gebruik toeliet kan ons verbazen, maar betwijfelen mogen wij het niet. Het onderscheid tusschen dit gebruik en de overbekende hardvochtigheid der Spartanen, die hun niet geheel welgeschapen zuigelingen eenvoudig naar het Taygetosgebergte brachten, was hierin gelegen, dat te Sparta de staat, te Athene de vader over de aanneming besliste. En nu wordt wel is waar in de redevoeringen en geschiedboeken der Atheensche schrijvers slechts zelden van zulk een verstooting melding gemaakt; maar in verscheidene uit het Grieksch vertaalde comedies van Terentius, en in menig blijspel van Menander is de geheele intrige samengeknoopt met de geschiedenis van te vondeling gelegde meisjes, niet altijd juist kinderen uit eene verbintenis die verborgen moest blijven. En wil men de voorstelling, door de blijspeldichters gegeven, beschouwen als aan ’t werkelijke leven ontleend, dan is maar al te dikwijls zulk eene vondelinge tot haar eigen ongeluk geëxploiteerd door hare pleegouders. Ter gedeeltelijke verontschuldiging van den vader die haar verstiet, mag misschien hierbij worden gevoegd, dat althans in de comedies de herkenningsteekenen zelden of nooit ontbreken. Een lint, een bul, een kleinood hebben de ouders vaak aan de kleine vondelingen omgehangen, om het lot een kansje te geven, indien soms verandering in hunne finantieele omstandigheden hunne waardeering van den kinderzegen mocht wijzigen en zij het nu verstooten kind zouden willen terugzoeken.

Maar het is geen meisje, doch een jongen, en een in zijns vaders huis welkome jongen, die onze aandacht vraagt. Van zijne huisgenooten heeft hij reeds sinds, ja vóór zijne geboorte de aandacht in beslag genomen, en wel die aandachtige zorg die het sterk religieus gekleurde karakter der Grieksche kinderverpleging met zich brengt. Het oud-helleensche volksgeloof is vol van angst. Daemonische wezens loeren op al de paden van het menschelijk leven: één misgreep, één verzuim kan verderf brengen. En even als het sterfbed voor hen die het naderen nog gansch andere gevaren brengt dan die van ritueele onreinheid, evenzoo wekt de ure der geboorte angst. Men vreest de geheimzinnige machten die in de ure der geboorte het leven van moeder en kind in de handen dragen, men denkt zich het kraambed omringd door daemonen, en er is een niet geringe kans dat van die daemonen enkelen den kleinen knaap op zijnen levensweg zullen blijven vergezellen, indien men een enkele van de door oud gebruik geheiligde usantiën uit het oog mocht verliezen. Maar talrijk als die gevaren, zijn gelukkig ook de uitreddingen, en de namen van Goden en Godinnen, wier aanroeping zegen brengt.

Hoevele van al die gebruiken nu in eene beschaafde Atheensche familie van de vijfde eeuw nog in eere werden gehouden, weten wij natuurlijk nog minder dan wij dit omtrent ons eigen vaderland en zelfs onze vaderstad weten. Mij dunkt, zelfs in heel „verlichte” gezinnen zullen de meeste leden der huishouding toch wel vermeden hebben om in de nabijheid van de kamer waar de groote gebeurtenis werd verwacht, te gaan zitten met gekruiste beenen, of met samengevouwen handen; dit was toch zeker en vast—zelfs voor een „ongeloovig” mensch—dat zulk eene houding de Eileithyiën, de godinnen der geboorte, hinderde in haren arbeid. En als dan, niet gestoord door zulke booze invloeden, het kind verschenen was, is er zeker menige tooverformule gefluisterd, waarvan de vader niets heeft bemerkt, en die niet tot zijne kennis kwam. Want in de meeste gevallen woont de Atheensche vader de plechtige intrede van zijn zoontje in het leven waarschijnlijk niet bij. Zoo als het in moderne romans vaak in strijd met de werkelijkheid wordt voorgesteld: de aanstaande vader in eene aangrenzende kamer zenuwachtig op en neer wandelend en door de hulpvaardige ingewijden zorgvuldig op een afstand gehouden—zoo was het inderdaad regel te Athene. Behalve de traditie, die het kraambed uitsluitend met vrouwelijken bijstand omgaf en ook zelfs, behoudens zeer kritieke gevallen, geen manlijken vroedmeester daarbij riep, werkte daartoe de levenswijze in het Atheensche huwelijk en in overeenstemming daarmee de verdeeling der Atheensche burgerwoning mede. Reeds deze bevordert eene scheiding tusschen man en vrouw. Nu eens op de eerste verdieping, dan weer, als nl. de levensomstandigheden der echtgenooten wat ruimer zijn, of hun zaken het hun mogelijk maken buiten de stad te wonen, in het achterhuis, heeft de vrouw hare gynaikonitis, hare „vrouwenwoning”, en al overdrijft men eenigszins door dat een sérail te noemen, gelijk ons zal blijken wanneer wij over de eerste kinderjaren van den Atheenschen knaap, die voor een groot deel dáár worden doorgebracht, gaan spreken, de gedachte aan zulk een oostersch verblijf wordt toch wel bij ons opgewekt, wanneer wij bedenken hoe streng de afgeslotenheid van dat gedeelte der woning was, hoe ver het er van af is dat wij de kamer waar een Atheensche huisvrouw woont met onze huiskamer zouden kunnen vergelijken. Een tafreel in den trant van een Hollandsch theetafeltooneeltje, waar de vrienden van den vader des huizes en de studiegenooten van de zoons vertrouwelijk zitten te praten met de moeder en de dochters van het gezin, is te Athene in fatsoenlijke kringen ondenkbaar. In eene van Lysias’ redevoeringen roemt de pleiter zijne nichtjes die bij hem in huis wonen om hare zedigheid, en hij wijst er met nadruk op dat ze zóó fatsoenlijk waren, dat ze zich zelfs geneerden, als een der manlijke huisgenooten haar aangezicht te zien kreeg.

De beteekenis dier afgeslotenheid van het moedervertrek zal ons later blijken: ook de kraamkamer, zooal niet ontoegankelijk voor den vader, heeft dien ten gevolge voor den Atheenschen echtgenoot een geheel ander karakter gehad dan voor ons, Hollandsche vaders: een gaarne bezocht heiligdom, waar wij de machtige baker met eerbied en stil ontzag aanstaren terwijl zij heerscht over alles wat ons eigendom is, met overtuigd en zachtzinnig despotisme. Natuurlijk heeft echter Athene wel bakers bezeten. De Atheensche kraamkamer heeft zelfs eene vroedvrouw. „Moedertje” of „Grootmoeder”—Maia noemt het Attische spraakgebruik deze nuttige dame, die wat haar mag hebben ontbroken aan obstetrische kennis (er zijn geen statistieken van kindersterfte in de oudheid!) vergoedde door volledige ervaring van alle „moeilijke gevallen” in de buurt, en door eene soliede kennis van al de geheimzinnige wetten, ook nu nog niet geheel uitgestorven, welke het doen en laten eener gehoorzame kraamvrouw plegen te regelen.

Wij behoeven deze Maia niet op hare schreden te volgen. We laten haar rustig hare vloekafwerende kruiden kauwen, we laten haar zorg dragen dat de huisdeur met pek worde besmeerd om de daemonen af te weren; straks als ze alles ver heeft gehouden wat de moeder kon schaden en bij gesloten deur het knaapje geboren is, laten wij haar het kind baden in het—natuurlijk heilige—bad, water met olie. Dan zwachtelt zij het jongske, voorloopig in wat stijver banden misschien dan ons voor hem gezond lijkt, en het oogenblik is daar, dat hij zijne intrede doet in het leven van zijn vader. De Maia legt het knaapje neer voor diens voeten; dat is niet als bij ons een „presenteeren” van ’t kindje, naar vast bakertarief met eene goede fooi beloond, maar in werkelijkheid eene vraag. „Aanvaardt gij mij als uw kind?” zoo schijnt het jongetje te vragen, neergelegd op de aarde die zijn eerste en opperste moeder is. En thans—in ons geval—beurt hem natuurlijk de vader op en aanvaardt hem. Deed hij dat niet, zoo zou dit boekje ongeschreven blijven.

De daad van aanneming door den vader vindt hare eerste bekrachtiging in het feest der Amphidromiën, dat—als alles naar wensch gaat—op den vijfden dag wordt gevierd. Onafscheidelijk aan den godsdienst verbonden als alle oud-Atheensche familieplechtigheden, is de handeling der Amphidromiën natuurlijk ook symbolisch. In snellen gang, als wilde zij het laatste gevaar dat van den kant der daemonen nog dreigt, afweren, draagt de Maia in naam der moeder, of anders deze zelve, den kleinen jongen om ’t huiselijk haardvuur heen. Zij doet dat na zelve door besprenkeling eene symbolische reiniging te hebben ontvangen en draagt door de handeling van den rondgang den jonggeborene op aan de godheid die het huisaltaar met al die daarop offeren beschermt. Zoo wordt de knaap eng verbonden aan het huis zijns vaders, het heilig vuur zal ook zijne toekomst beschermen, de familie neemt hem aan. En het is noodig dat deze opname in den kring van het geslacht ook nog door een bepaalde daad wordt betuigd. De familieleden worden uitgenoodigd om den dag door een feestmaal te komen vieren; zij brengen dan kleine geschenken mee, somtijds voor het doopkindje een rammelaar, een amuletje of iets dergelijks, soms—en dit is waarschijnlijk de oudste gewoonte—andere, in waarheid voor ’t kind zelf weinig genietbare, geschenken: vischjes of andere kleinigheden voor tafel. Deze laatste kleine gaven bewaren beter het oude karakter van de familiegeschenken: zij spreken duidelijk uit dat de leden van ’t geslacht, zooals ze bijdragen tot zijn lustratiemaal, hem hunnen steun en bijstand voor de toekomst verzekeren en hem erkennen. En in zekeren zin zal wellicht later hunne aanwezigheid op dit feest hem van grooten dienst kunnen zijn. In eene stad waar geen betrouwbaar register van den burgerlijken stand is, en ieder kwaadwillige met eenige kans van slagen zijnen vijand in een proces wegens onrechtmatige uitoefening der burgerrechten kan aanklagen, redt wellicht den bedreigde de verklaring van neven of nichten dat zij indertijd zijne Amphidromiën hebben meegevierd.

Nu is hij dan werkelijk zijn vaders zoon. Maar hoe zal hij heeten? Dit wordt spoedig beslist; in ieder geval vóór of op den tienden dag. Natuurlijk kan men Amphidromiën en naamgeving vereenigen; maar een ouderwetsch en royaal Athener scheidt de beide dagen en gevoelt waarschijnlijk op den tweeden dag meer dan op den eersten zijne rechten als vader. Hem komt het recht toe—al kan hij goedgunstig zijne vrouw raadplegen!—om zijnen zoon een’ naam te geven. Wie denken mocht dat dit eene zaak van niet zoo heel groot gewicht is, kent de oude Grieken weinig. Het is niet uitsluitend familietrots of liefde tot de eigene ouders, die daarin beslist. Wel is waar heerschen ook hier gaandeweg gewoonte en traditie, die grootvaders naam op de kleinkinderen doen overgaan. Ook een Grieksch vader heeft dus de ontroering gekend, waarmede een onzer aan zijn hulpeloos klein kind den naam toevertrouwt, die hem als zijns eigenen vaders naam heilig is en dierbaar. Maar de oudste Grieken—en daarvan is altijd iets gebleven—hechtten ook aan den naam om de beteekenis zelve. Hoe zou een volk, dat in de namen zijner goden zulk eene diepte van zin, van geloof, hoop en vrees legde, niet tot in het angstvallige zorgvuldig zijn geweest in het benoemen zijner kinderen! In den ouden tijd althans leidt hen daarbij de overtuiging dat in den naam zelf eene kracht ligt, een magisch vermogen tot afweer van het kwade, eene stellige belofte van zegen van de zijde der godheid wier naam in den kindernaam wordt gevlochten. En ook als die voorstelling verzwakt, blijft in den naam een erfelijk geschenk van den grootvader, den vorst, den verwant, den vriend of beschermer, eens door dien zelfden naam gesierd of gewapend. Zoo tint soms de naam een geheel geslacht, ook, en niet het minst, in de gewijzigde opvatting zijner beteekenis en macht. Namen, uitgaande op hippos (paard) oudtijds gekozen met stille, half verheffende, half beangstigende herinnering aan de rossen van den Doodsgod, Hades, soms ook met trots gedragen, omdat zij de herkomst van het vorstelijke geslacht uit Pluto zelf verkondigden, wisselen van kleur, als reeksen van riddergeslachten daarmee de toespeling op den rijkdom hunner stoeterijen verbinden. Zoo ook namen als Pheidon, die oudtijds in volleren vorm den vorst roemden die zijne kracht spaart (Pheidocrates) of die zijn volk ontziet (Pheidileos), maar straks in den boerenstand overgenomen de deugd der spaarzaamheid roemen, welke de zoon eens zuinigen boers reeds door den naam alleen hoopt op zijn kind over te brengen. En vaak tracht men den stamvorm van een naam van vader op kind te bewaren: Sophilos noemt zijnen zoon weer Sophocles. Zoo blijft de belofte der wijsheid (sophia) verzekerd.

Natuurlijk is ook in deze zaak allerlei onregelmatige willekeur. De boer Strepsiades, in Aristophanes’ Wolken had gaarne zijn zoontje Pheidon genoemd of Pheidonides. Maar zijn vrouw, die eene voorname dame is, dweept met een’ naam waarin Hippos voorkomt, en zoo komt het door transactie tot Pheidippides. Het feit dat dit een werkelijk bestaande naam is zou, als wij het toch niet reeds van elders wisten, al genoeg zijn om te bewijzen dat zulk eene samenvoeging van namen uit twee families verre van zeldzaam was. Bovendien, ook afslijting en sleur doen hier hun werk. Hoe zou anders zoo menigmaal een ongunstige naam een’ wijs en edel man hebben aangeduid! Aeschylus’ naam is niets anders dan een smalend verkleinwoord om een „leelijk mannetje” aan te duiden, en zeer respectabele Grieken hebben een gelukkig leven geleid onder namen als „de Roode”, „Krombeen”, de „Schele” enz. Ook heeft plebeïsch welbehagen aan plastische, duidelijk stempelende namen in menige familie waarschijnlijk door bijnamen de oude waardiger namen verdreven. Er behoeft maar eens een vader te zijn die plaagziek aan zijn kleinen jongen met den mopneus den naam Simos geeft of voor een reeks van geslachten is die naam regel geworden: eerst Simos, dan Simon, dan Simias of Simonides, straks Simylos: zooals grootvader heet mag immers de kleinzoon ook heeten.

En zoo zal het in Athene’s bloeitijd wel niet veel zijn gebeurd dat met dezelfde onafhankelijkheid voor de verlangens van grootouders die sommigen onzer beweegt hun kinderen Roderich of Isolde te noemen in plaats van Jan naar den grootvader of Keetje naar de grootmoeder, een Atheensch burger plotseling besloot zijn kind nu maar eens Diphilos of Apollophanes te noemen en niet Simon of Mikkylos naar zijnen grootvader. En zoo iets is voor den knaap volstrekt niet hinderlijk; maar wel valt het te betwijfelen of Cimon, de zoon van Miltiades, een heel grooten dienst aan zijn eigen zoon bewees toen hij hem, als een hulde aan het bevriende Sparta, den naam van Lakedaimonios gaf. Na Cimons dood, toen de betrekkingen tusschen Athene en Sparta gaandeweg uiterst koel werden, zal de jonge man heel wat last van zijn naam gehad hebben.—Dan is het beter een trouwen vriend of een gestorven broeder te eeren door diens naam aan den jongen te geven.

De naamgevingsdag is een plechtige dag, dien men met een offer siert; maar de jonge zoon moet ook erkend zijn als jong Athener. Ras breidt zich, na het feest van den tienden dag, om den knaap de kring uit die hem vereenigt met hen die van éénen stam met hem zijn. Hier is een duidelijk verschil merkbaar tusschen onzen modernen staat en den antieken. Oneindig gebrekkiger in hare organisatie dan onze hedendaagsche gemeente, is toch de oude polis hechter door de zorgvuldige wijze waarop zich hare concentrische cirkels ineen voegen. De familie in het geslacht, het geslacht in de phratria. Het is niet genoeg dus, dat naast den vader ook de ooms het knaapje gezien en dus erkend hebben, ook het geslacht—zoo hij van adel is—en de phratria moeten hem erkennen, of althans door zijne presentatie aanzegging krijgen van het feit dat hij er is.

Met een enkel woord dient hier de beteekenis dier phratriën voor het burgerschap van den jongen Athener in het licht te worden gesteld. De phratriën zijn oude, op de vroegste stamindeelingen berustende groepen van geslachten. Zij bewaren de traditie der samenvoeging van den Atheenschen staat uit familiën, en ook later toen de onderlinge verwantschap der phrateres door bloedsbetrekking reeds lang niet meer naspeurlijk was, bleven de genooten van een en dezelfde phratria zich beschouwen als allen te zamen afstammende van eenen stam-vader. Drie phratriën te zamen vormden eene oude phyle (stam), vier phylen te zamen waren het die het gansche echt-Atheensche volk in zijnen oudsten vorm uitmaakten. Die traditie en die volksindeeling bleven zich in alles wat met familierecht samenhing handhaven, ook toen in het laatst der zesde eeuw eene geheel nieuwe politieke regeling het adellijke en niet adellijke Athene op meer democratischen grondslag verdeelde, geordend naar districten. Bij alle verklaring van antieke toestanden is in het gebruik van moderne termen een zeker gevaar; maar denkt men alle vrijheid van keuze, elk richtingsverschil in godsdienstzaken dat onze kerkelijke gemeente kenmerkt weg, en legt men niet in alle bijzonderheden nadruk op het religieuze element, dan zou men de phratriën zeer wel met onze gemeenten kunnen vergelijken. Want de phratrië heeft haren eeredienst van Zeus Herkeios en Apollo Patroïos, zij heeft hare geregelde offerfeesten, heiligdommen en bezittingen en ook hare vaste bijeenkomsten. Zonder eigenlijk politiek karakter te bezitten vormt zij den band tusschen familiën en staat en sluit de kleinere groepen der burgerij te zamen in kringen die eene zekere mate van onderlinge belangstelling en onderlinge bekendheid waarborgen. Wie trouwt, stelt onder feestelijke gebruiken zijne phrateres daarvan in kennis, wie een zoon heeft gekregen doet evenzoo, terwijl hij later die kennisgeving door een plechtig offer op den gemeentedag bevestigt en eindelijk, als de zoon meerderjarig wordt, hem op solemneele wijze bij de phratria zal inleiden, hetgeen eene eerste schrede zal zijn voor de vervulling van de wettelijke formaliteiten die hem dan het volkomen onbeperkte burgerrecht zullen verzekeren als lid van den Atheenschen Staat.

Want vooreerst is de kleine jongen nog niet anders dan een candidaat-lid, een ridder-expectant. Na de eerste voorloopige kennisgeving in de phratria neemt noch deze noch ook de staat, bij wien—in tegenstelling met het vaste gebruik in onze moderne maatschappij—geenerlei aangifte van zijne geboorte is geschied, veel notitie van hem. Zijn vaderland, zijn staat, is de kinderkamer, dus in de meeste gevallen het vrouwenvertrek. Daar heerscht zijne moeder als koningin, krachtig bijgestaan en ook wel eens overheerscht door het ministerie van de slavin die eerst zijne min is geweest en straks zijne kindermeid zal worden.

Na hetgeen hierboven reeds met een enkel woord is gezegd over de afgesloten levenswijze der Grieksche, en bepaaldelijk der Atheensche vrouwen, zal het niemand verwonderen dat op dat „koningschap der moeder in het vrouwenvertrek” nog al eens iets is afgedongen. De vraag, hoe eigenlijk de positie der getrouwde vrouw te Athene moet worden beschouwd is te veel omvattend om die hier in hare geheele beteekenis te behandelen. Zooveel echter als noodig is om ons eene voorstelling er van te maken, wat eene moeder uit den beschaafden stand voor hare kinderen kon zijn, mag hier wel in het midden worden gebracht.

Erkend moet worden dat de Staat als zoodanig te Athene ten opzichte van de vrouw, met uitzondering van een zekere bescherming harer zeer beperkte finantieele rechten, vrij wel alles verzuimd heeft, wat te verzuimen viel. Voor een ietwat heftig feminist van onzen tijd is er aanleiding uit zijne lectuur deze conclusie te trekken: „In de beschaafdste stad van het antieke Griekenland laat de welgestelde burger met goedvinden van overheid en medeburgers de moeder zijner wettige kinderen een slavenleven leiden.”

Die conclusie schijnt mij onjuist, maar zij laat zich begrijpen. Want vooreerst is in politieke niet slechts, doch ook in juridische zaken de positie der Atheensche huismoeder en vrouw die van wèl omschrevene onmondigheid. De vrouw kan in een proces niet als getuige worden gehoord, zij is niet bevoegd te beschikken over iets dat meer waard is dan één schepel graan; en het is dan ook een van de eerste répresaille-maatregelen die de vrouwen in Aristophanes’ bekende comedie „het Vrouwenparlement” tegen hare mannen nemen, dat zij deze laatste wetsbepaling op de onttroonde heeren toepasselijk verklaren. Voorts staat, omdat de vrouwengeest te zwak is tot zelfbestuur, de vrouw levenslang onder voogdij: eerst van haar vader, dan, als deze sterft, van haar naasten bloedverwant. Haar voogd is haar oom, haar broer, haar neef; als ze trouwt, haar man, als zij weduwe is, haar zoon. Zij stemt niet, zij legateert niet, ja zij erft niet anders dan om als erfdochter het bevel te volgen van den naast-berechtigden bloedverwant, zoo die haar huwen wil om of de eigendommen te winnen vastgehecht aan haar persoon, of die over te brengen op de wettige zonen die uit dit huwelijk zullen worden geboren.

De lijst dezer onbevoegdheden behoeft niet te worden uitgebreid. Zij zijn alle uitvloeisels van eene in recht, staatkunde en oeconomische verhouding streng gehandhaafde overtuiging: dat de man de volle en onverdeelde heerschappij behoort te voeren, dat hij—zooals Plutarchus het niet zonder zelfbehagen uitdrukt—„moet heerschen over de vrouw gelijk de ziel heerscht over het lichaam.”

Toch mogen wij bij den indruk van volstrekte inferioriteit der vrouw, dien ons deze en dergelijke feiten geven, niet blijven staan, al erkennen wij ook dat bij zulk eene verhouding, die de vrouw—ook door hare onvoldoende opvoeding—in zooveel opzichten maakt tot de mindere van haren echtgenoot, en haar zoo weinig in staat stelt zijne ernstigste gedachten te verstaan, bezwaarlijk in het Atheensche gezin die geest kan hebben geleefd, die wij in ons familieleven een opvoedingselement van de hoogste waarde achten: onderlinge liefdevolle toewijding, gegrondvest op volkomen sympathie in het hoogste. Maar twee zaken mogen wij niet uit het oog verliezen. Vooreerst deze, dat daargelaten alle politieke en sociale rechten, en daargelaten alle theoretische bespiegeling de natuurlijke orde van zaken aan iedere huisvrouw op haar eigen gebied, en dat is niet eng, toch steeds eene macht verzekert, die de alleenheerschappij nabij komt. Tot op zekere hoogte zal ook wel bij de Atheners de suprematie van den Heer en Meester alleen in theorie hebben bestaan. In menig Atheensch huisgezin zal wel gegolden hebben hetgeen eens Diophantus, de zoon van Themistocles, aangaande zijne ouders getuigde: „Wat mij behaagt—zoo verklaarde deze als jongen—dat accepteeren Athene’s burgers in hun volksvergadering. Want al wat ik wil, wil mijne moeder ook, en wat mijne moeder wil dat wil mijn vader, en wat mijn vader wil, dat willen alle Atheners”.

„Maar—zal men zeggen—deze soort van heerschappij is niet anders dan de tyrannie van een zorgzame huishoudster of eene talentvolle keukenmeid; en Aristophanes’ comedies doen ons de Atheensche huisvrouwen niet veel anders zien, dan als huishoudsters en wel als zulke, voor wie hare mannen—heerschers in de volksvergadering—een heilzame vrees koesteren.”

Ongetwijfeld, en nog erger! Maar de gechargeerde figuren van Aristophanes’ blijspelen, opzettelijk grof geteekende karikaturen van vrouwen uit den kleinen burgerstand, behoeven de modellen niet te zijn naar welke wij de moeders teekenen, die de eerste jeugd van onze Atheensche knaapjes zullen hebben te leiden. Krachtig waarschuwt ons tegen eenzijdigheid van voorstelling in dezen het Attische drama. Indien waarlijk èn de positie der Atheensche vrouwen zoo inférieur, èn hare zedelijke ontwikkeling zoo laag bij den grond ware geweest als het uit Aristophanes’ comedies zou kunnen schijnen, nooit hadden de Atheners de fiere figuur eener Antigone, eener Electra, de edele zelfopoffering eener Iphigenia, de trouwe liefde eener Alcestis kunnen waardeeren. Het allerminst zeker deze laatste. De samenleving van man en vrouw kan niet zoo uiterst elementair zijn geweest, noch de gemoedsontwikkeling der laatste zoo heel gebrekkig in eene wereld die de geboorte kon geven aan dit merkwaardige drama, aan deze treffende vrouwenfiguur.

Alcestis den dood aanvaardende om haren echtgenoot te redden, en toch zich ten volle bewust, hoe weinig de egoïst voor wien zij het leven laat, eigenlijk zulk een offer waard is: ongetwijfeld, ook de dichter heeft haar zoo gezien, en zijne toeschouwers hebben haar zoo begrepen. Voor hen sprak Euripides geen onverstaanbare taal toen hij dìt zeide: „Geen lavender troost is er in ramp en ziekte dan het bijzijn eener vrouw. Zij verzacht de heftigheid van onzen toorn, zij doet onze ziel opstaan uit de moedeloosheid”.

De vraag, hoe dan de Atheensche moeders, zeggen wij de moeder van Sophocles, of die van Plato, ongeveer kunnen zijn geweest, is zoo belangrijk, dat naast deze onmiskenbaar uit het leven gegrepen woorden van Euripides moet worden gesteld wat Xenophon—zeker, zoo al een romanticus toch geen poëtisch dweper—in twee tafereelen ter kenschetsing van zijne wenschen heeft geteekend. Xenophon, een moralist, die voor de diepere wijsgeerige vraagstukken, in den kring der Socratische school onderzocht, niet philosofisch genoeg van aanleg was, heeft juist hierom een eigenaardige persoonlijke beteekenis. Hij inventeert minder dan hij refereert. Hij geeft ons dus door zijne schetsen een tamelijk betrouwbaar, en door de bevallige gemakkelijkheid van zijn zuiveren stijl ook meestal een onopgesmukt verslag van wat men in die Socratische kringen aangaande ethische vraagpunten van den dag, en met name dan ook aangaande de beteekenis en de waarde van het vrouwenleven ongeveer placht te overleggen.

Novellistisch heeft hij dat gedaan in de geschiedenis van Panthea, eene episode in de Cyropaedie ingelascht, ten deele wel is waar om ook door dit voorbeeld het ideaal van manlijke zelfbeheersching en eerbiedige kuischheid in de persoon van den grooten Cyrus te teekenen, ten deele voorts om door eene schertsende verdichting de theoretici te bespotten, die beweerden dat men de liefde—als een’ teug wijn—naar willekeur kon aanvaarden of afwijzen; maar in hoofdzaak toch belangrijk om de zeer treffende figuur van Panthea zelve. Wanneer Cyrus de jonge vrouw, in afwezigheid van haren man buitgemaakt en aan hem ten geschenke aangeboden, toevertrouwt aan Araspes, een’ man die zich zelven vrij en tegenover erotische aandoeningen gepantserd acht dan geschiedt natuurlijk het onvermijdelijke; maar niet dit is het opmerkelijke, belangrijk is dat het op, naar men meenen zou, zoo weinig Grieksche wijze geschiedt. Natuurlijk: Araspes wordt verliefd; maar Xenophon heeft al het mogelijke gedaan om aan die verliefdheid den zinlijken grondslag te ontnemen. Hare schoonheid wekt niet dadelijk zijn onstuimig begeeren. Eerst nadat hij dagen lang haar in de lieftalligheid van haren stillen arbeid heeft waargenomen, die aan ’t geheele voorkomen van zijne tent zulk een geheel nieuwen gemoedelijken glans verleent, eerst wanneer hij haren edelen aard heeft leeren kennen die zich in de vindingrijkheid van honderd kleine zorgen voor zijn gemak en voor zijn welvaren openbaart, wordt hem de hartstocht te sterk en moet Panthea—tot zijne bittere beschaming!—de bescherming van Cyrus tegen zijn geweld inroepen. Maar wanneer dan Cyrus met den zachtsten takt den jongen lijder ontheven heeft van de taak die te zwaar voor hem was gebleken, en het schrandere overleg van Panthea heeft weten te bewerken dat haar man Abradatas de zijde der vijanden verlaat om zich vrijwillig onder de vanen van Cyrus te plaatsen, dan laat de schrijver met een voor die dagen verrassend talent van romantische verbeelding het volle licht vallen op zijne heldin. Als Abradatas aan ’s konings zijde zal gaan strijden, verrast zij hem met eene schitterende wapenrusting, heimelijk op zijne maat vervaardigd en bekostigd uit haar eigen tooi. „Panthea”, zegt Abradatas, „hebt gij daartoe uw kostbaarste sieraden gebruikt?” „Niet mijn kostbaarste”, is haar antwoord, „mijn kostbaarste tooi zijt gij!”—Dan legt zij hem de wapenrusting om, bij ’t vastgespen haar tranen verbergend in een zachten lach. En zij spoort hem aan tot dapperheid met dezen laatsten eed: „Zoo waarlijk helpe mij God, Abradatas! liever wil ik onder de aarde rusten aan uwe zijde, geëerd door den glans van uw moedigen dood, dan ik zou wenschen met u in leven te blijven, geschandvlekt door de herinnering aan uwe smadelijke redding!”

Het naspel van deze novelle, Panthea’s stille zorg voor den gesneuvelde, en hare voorbereiding tot den zelfmoord die haar met hem zal vereenigen, moeten wij hier voorbij gaan. Het is genoeg, even op de figuur dezer Panthea te wijzen, om de vraag te stellen en daardoor tevens te beantwoorden: Zou Xenophon zóó eenvoudig en met zoo volstrekte onthouding van alle effectbejag deze schets hebben kunnen schrijven, indien hij niet ook in zijne eigene omgeving had gezien, hoezeer ook bij geringe opvoeding het vrouwelijk gemoed door teeren takt mannenverstand evenaart? De wonderlijke bekoring die uitgaat van Panthea’s woorden, zoo ongezocht vrouwelijk en zoo verrassend in hunne kortheid, moet Xenophon toch wel elders dan in zijn eigen verbeelding alleen hebben vernomen!

Maar de romantische schets van Panthea is op eigenaardige wijze door Xenophon aangevuld door eene minder idealistische teekening. In een van zijne kleine economische vertoogen laat hij zekeren Ischomachus verhalen hoe hij zijne vrouw heeft opgevoed tot eene plaats, harer waardig. „Zie—zegt Ischomachus—toen ik haar kreeg was ze nog geen zestien jaar en had ze niets geleerd dan dit: zoo weinig mogelijk te zien, te hooren en te vragen. En toen ik dus zeide dat ik haar beter wilde onderrichten, had ik groote moeite om hare schuwheid te overwinnen en haar te overtuigen, dat wij niet waren te zamen gebracht door eenig toeval of eenige berekening, maar door mijne overtuiging dat wij juist bijzonder voor elkaar geschikt waren en daarom het best in staat zouden zijn samen te werken aan de welvaart van ons huis, en straks van ons gezin.—Maar mijn jonge vrouw antwoordde mij hoofdschuddend: „„Wat kan ik aan dit alles doen? Zedig en kuisch zijn—ziedaar alles wat ik heb geleerd.””—Er was voor Ischomachus heel wat takt noodig om in deze al te bescheidene dochter van Atheensche ouders het geloof in de kracht der vrouw wakker te maken, en Xenophon heeft van de daarbij gevolgde methode eene beschrijving gegeven, die aan de fijne omzichtigheid van een’ hedendaagsch romancier doet denken. Kenmerkend echter voor het vraagstuk dat aanleiding geeft, juist hier van Panthea en van Ischomachus’ echtgenoote melding te maken, is vooral het einde van het aangehaalde gesprek. „Voor ons beiden”, zegt Ischomachus, „heeft God eene schoone taak bestemd: voor mij den krijg met zijne koude en zijne ontbering, het stadsleven met zijne zorgen; want dat zijn de dingen die de geest van den man begeert en die zijn lichaam verduurt. Maar aan u, vrouwen, gaf hij het teedere geduld en de vindingrijke liefde, die voor de opvoeding onzer jonge kinderen noodig zijn.”

Reeds een menschenleeftijd vóór Xenophon had Euripides in verschillende zijner tragediën juist ditzelfde vraagstuk aan de orde gesteld, en niet slechts het verschil tusschen moederzorg en vaderliefde treffend geteekend, doch vooral, zooals in zijne Medea, op de gevaren gewezen, uit een door gebrek aan opvoeding en gelijkstelling stelsellooze ontwikkeling van de vrouwelijke geestesgaven te verwachten. Zonder twijfel was dus in de periode van snelle oeconomische ontwikkeling en verandering, die met den Peloponnesischen oorlog parallel gaat, ook ten opzichte van de positie der vrouw eene zekere evolutie van inzichten aan het werk, en zoo ontleenen wij met recht aan de schets die Xenophon hier geeft van een—zij het dan ook door hem verdicht—huisgezin uit den eenvoudigen stand eenig vertrouwen in de bekwaamheid en bevoegdheid der Atheensche moeders; welsprekender dan te voren worden ons dan de fijn geteekende tafreelen op sommige Attische vazen, waar wij naast eene zoogende moeder een ernstig schoon man zien staan, leunend op zijn staf in die houding van waardige gratie, die de vazenschilders zoo gaarne aan de basreliefs van het Parthenon ontleenen. En opmerkzamer geworden, zien wij dan op den achtergrond van menigen Platonischen dialoog en van menige oratie der Attische redenaars het tafreel van een rustig binnenvertrek met eene geliefde en geëerde huismoeder opkomen, al vergeten wij ook niet, dat er nog eeuwen zullen verloopen vóór Plutarchus zal getuigen: „Dit is het schoonste huwelijk, waarin de man het verstaat de onderwijzer zijner vrouw te zijn in het edelste en schoonste wat hij zelf heeft geleerd.”

Het heeft er allen schijn van, dat wij ter wille van de Atheensche moeders de zoontjes vergeten en het bekende woord van Pericles verwaarloozen, die zeide, dat „de roem eener brave vrouw hierin is gelegen, dat zij zoo weinig mogelijk van zich doet spreken.” De uitvoerige toelichting van de wijze op welke door de dichters en philosofen over de rechten en eigenschappen der getrouwde vrouw wordt gesproken, was echter gewenscht om te voorkomen dat wij hare rol als moeder al te veel van die onzer moeders verschillend denken. Wederom: tusschen de kleine burgervrouwen uit Aristophanes’ comedies, rondsollend met hare zuigelingen overal waar ze maar eenige aanleiding vinden om ongestraft buitenshuis te komen, en de moeder van Nicias of van Pericles moeten wij onderscheid maken, maar toch zijn zeker in de eerste levensjaren de ervaringen van beider soort kinderen wel ongeveer gelijk geweest. Veel kunnen we als van zelf sprekend voorbijgaan; het is langdradig werk den kleinen knaap van dag tot dag te volgen. Een Atheensch jongetje heeft niet anders de kunst van het loopen en van allerlei andere òf behoorlijke òf nuttige zaken geleerd dan een jonge Hollander. De Grieksche moeders zijn het evengoed als de moderne oneens geweest over de vraag, of men de kinderen stijf of los moet inspelden; met dat vraagstuk van hygiëne bemoeit zich zelfs de philosofie. Ook bewoog de twijfel omtrent het juiste oogenblik om met vast voedsel te beginnen de antieke moederwereld ernstig genoeg, al hadden zij practisch minder met de vraag uit te staan, omdat, ondanks het protest van vele theoretici over de opvoeding, de Atheensche dames, veel meer dan in onze wereld pleegt te gebeuren, eene min in dienst namen. En er zijn daar zeker, zoo goed als te Amsterdam of te Brussel, vaders die, omdat de moeder niet veel naar ’t kind omkijkt, de taak van de „droge min” moeten vervullen. Strepsiades, de boer bij Aristophanes, de man die met een dame boven zijn stand is getrouwd, kan getuigen hoe trouw hij met de melkkroes kwam aanloopen als zijn jongen „bru” riep, dat blijkbaar bij onderlinge overeenkomst tusschen vader en zoon drinken beteekende. Maar in geregelde burgerhuishoudingen heeft men een slavin als min en òf dezelfde òf eene andere als kindermeid. Daardoor blijft een groot deel van de eerste opvoeding feitelijk in handen van slavinnen. De verhouding, die tusschen deze trophoi en hare voedsterlingen in het latere leven bleef bestaan, is merkwaardig. Wel idealiseert de Attische tragedie die relatie, want de trophoi zijn steeds slavinnen en dus meestentijds de minderen van de Atheensche moeders in beschaving. Maar zij moeten toch wel iets méér dan onze bakers, iets anders dan onze bonnes zijn geweest. In de rijke verzameling grafschriften, die ons in de bloemlezingen der oudheid is bewaard gebleven, zijn enkele van de innigste en teederste gedichten gewijd aan getrouwe voedsters. Ook is het niet geheel zonder beteekenis, dat de Grieksche theoretici de ouders van goeden huize zoo nadrukkelijk vermanen om toch bij de keuze der trophos niet alleen te letten op eene zuivere uitspraak van het Grieksch, doch ook hierop, dat de voedster de moeder moge helpen om aan de kinderen beter voedsel te geven dan te vinden was in de schadelijke logens van allerlei verdichte sprookjes.

Deze vermaning stelt de trophoi inderdaad min of meer naast de moeder in het rijk van de kinderkamer. Voor het overige is in vele opzichten de dampkring van die wereld eeuwenlang dezelfde gebleven: het is—ook de vazenschilders en de dramatici leeren ons dit—de wereld van de rammelaars en de kleppers, het is het rijk van de wiegeliedjes, waarin zich zinledig gerijmel met den naieven weerklank van eeuwenoude mythen vereenigt tot dat wonderbaar roerend gezang, dat ieder betoovert, die ooit kind is geweest. In de Atheensche kinderkamer heeft, niet minder dan bij ons, menig jong oog gestraald bij ’t hooren van dat onveranderlijke „daar was er eens”. Door den Atheenschen hof heeft de fabel haar weg genomen, op de lange reis die van Aesopus naar Phaedrus en van Phaedrus naar Lafontaine voert. In de Atheensche kinderwereld heeft het verhaal van den braven Hendrik zijn taak verricht, maar ook de boeman, en „het paard dat stoute jongens bijt”. Menig kinderoog heeft daar angstig de duisternis ingestaard, wachtend of Gello ook verschijnen zou, die na den dood harer eigene kinderen rondsluipt om anderen kinderen het bloed uit te zuigen, of anders de vreeslijke Lamia, die nooit slaapt, doch als ze moe is hare oogen een poos in den zak steekt.

Behoudens kleine wijzigingen is deze kinderwereld in hoofdzaak wel overal aan zich zelve gelijk. Het Atheensche binnenhuis onderscheidt zich echter zeer bepaald van onze moderne woning door eene vereeniging van eigenschappen die bij ons zich meer over verschillende standen verdeelt. Eensdeels is de Grieksche vrouw natuurlijk door het feit, dat alles of althans een groot deel van de kleeding voor haar en haar gezin „homespun” is, veel regelmatiger aan den arbeid dan bij ons vrouwen van den hoogeren stand; ook eischt de keuken met alle bijbehoorende zaken, vooral de wijnkelder, in haar huis haar voortdurend toezicht. Zoo is de uitdrukking, dat zij troont in haar vertrek, minder overdrachtelijk dan het schijnt. Maar naast die arbeidzaamheid, onmisbare eigenschap in eene maatschappij waar nog zooveel van de eigen zorg der meesteres afhangt, heeft zij eene geduldige opmerkzaamheid voor haar toilet, die in de oogen van menige ouderwetsche huismoeder, ook van onze hoogere standen, zeer afkeurenswaardig zou zijn. Dit brengt nu eenmaal de naar Oostersche zeden zweemende mode te Athene mede. Zorgen voor een uitgewerkt kapsel, verzorgen van de huid met verschillende schoonheidsmiddelen, uitermate vindingrijke attentie in het omleggen en plooien van haar gewaad, dat zich niet door het maaksel maar bijna uitsluitend door de kleurenkeus en door de schakeering en drapeering van dat harer buurvrouw onderscheidt, ziedaar wat hare werkzaamheden zijn en wat ook haar zoontje, zoolang zij hem nog toestaat zelfs tot in haar toiletkamer achter haar aan te dribbelen, ijverig zal kunnen waarnemen. Overigens, al is die vrouwenwoning voor hem in zijn kinderjaren tot hij naar school gaat zijn vaste verblijf, ook later zal zij tot op zekere hoogte zijne huiskamer blijven, waar hij welkom is als hij thuis komt uit school—mits hij niet „overal met zijne handen aanzit.” Zoo gaat het althans Lysis, den levendigen veertien- of vijftien-jarigen knaap naar wien Plato zijn dialoog over de vriendschap heeft benoemd. „Als je thuis komt bij je moeder, Lysis”, zoo vraagt Socrates dezen, „dan laat je moeder je toch zeker, om te maken dat je gelukkig ben, alles doen wat je wil? Als ze aan ’t spinnen is of aan ’t weven, dan mag je toch zeker met alle genoegen de spoel of den kam of wat er verder van weefgedoe aanwezig is, in je handen nemen?” Toen begon Lysis te lachen en hij zeide: „Dat lijkt er niets naar, Socrates! Moeder verhindert mij dat niet slechts, maar ik zou klappen krijgen, als ik die dingen aanraakte!” Maar daarnaast stelt Socrates ons Lysis voor, als zijn vader en moeder wat te lezen of te schrijven hebben: dan hebben ze hem noodig en ze roepen hem. Zeker toch ook allicht in moeders kamer?

Deze tafreelen zou men kunnen vermeerderen. Maar daardoor zou hoogstens worden bevestigd, dat in vele opzichten de wereld, waarin de Atheensche knaap zijne eerste kinderjaren doorbrengt, van de onze niet veel verschilt. Wie echter wat verder zoekt, vindt toch nog wel bijzondere karaktertrekken. Denken wij aan de dagelijksche omgeving in welke deze jonge Athener de indrukken zijner kinderjaren, beslissend voor zijn leven, ontvangt, dan treden twee zaken duidelijk op den voorgrond: èn zijn schoonheidsgevoel èn zijn religieuze vatbaarheid moeten in dezen kring gemakkelijk zijn ontwikkeld en gevoed. De jongen behoeft juist niet in een van die kleine paleizen te zijn opgevoed, die bij de stijgende weelde van de vijfde en vierde eeuw binnen Athene begonnen te verrijzen; de voorhof waarin hij het eerst heeft leeren loopen, behoeft geen fontein in het midden, geene kostbare zuilenrijen in den omtrek te hebben gehad, wat hij daar ziet van dag tot dag heeft zeker niet nagelaten in de genoemde twee opzichten richting te geven aan zijn gemoed en verstand: in het huis van zijn vader heerschen vaste religieuze gewoonten, en daar heerscht Helleensche schoonheidszin.

De oud-grieksche goden vinden welbehagen in den eeredienst, hun openlijk en van staatswege gebracht in de steeds rijker en kostbaarder opgebouwde tempels, maar noch zij noch hunne vereerders vergeten het daarom ooit, dat de eigenlijke plek van intieme aanbidding de huislijke haard is, waar in geregelden offerdienst het trouw verbond tusschen het geslacht en zijn beschermheer telkens wordt vernieuwd. Daar moet ook de kleine Athener het eerst zijne goden leeren kennen. In de spitse pyramide-vormige zuil of in het vierkante altaar, dat vóór het huis op straat staat, leert zijne moeder hem alras Apollo te vereeren; hij behoeft nog niet zoo heel oud te zijn om haar te verstaan, als zij hem zegt dat Apollo de Afweerder van het booze is, en dat inderdaad, indien dat altaar van ouden en vreemdsoortigen vorm daar niet stond, het booze gemakkelijker binnen zou sluipen in huis. Dan zal zij hem vertellen dat die krachtige god, Zoon van Zeus en blondgelokte trots van zijne moeder Leto, ook hem beschermen wil, want dat hij zich gaarne ziet aangeroepen als Voeder der knapen; maar dat hij ook de Vaderen van zijn geslacht voor rampen heeft bewaard en daarom zijne hulde zal vragen als hij groot is geworden, als zijnde de God die Schutsheer is der Geslachten. Naast Apollo Patroïos leert zij hem dan Zeus Herkeios, den Oppergod des gezins, kennen. Met den kleinen jongen aan de hand staat zij er bij, wanneer de vader zijn dagelijksch offer brengt op het altaar van Zeus Herkeios in den hof. Soms ziet hij er wierook offeren, dan weer worden er vruchten gewijd; een enkelen keer—maar dat is zeldzaam—is hij er getuige van dat er een dier wordt geslacht. Hoe nauwkeurig prent hij zich dan, toeziende met het scherpe waarnemingsvermogen van een kind, de streng in acht genomen ritueele bijzonderheden van het brandoffer in het geheugen, hoe aandachtig volgt hij den kok of zijnen vader in al hunne bewegingen. Zou hij zich ook al in zijne naieveteit een beetje verbaasd hebben, dat het beste den God onthouden wordt, en dat de groote Zeus zich laat tevredenstellen met die gedeelten van het geslachte dier, die hem zelf het minst begeerlijk schijnen: de schenkelbotten en wat vet?

Dat Prometheus het eerst de menschen heeft geleerd, aldus de goden met een schijnportie tevreden te stellen, zal zijne moeder, al kent zij de sage uit Hesiodus, hem waarschijnlijk vooreerst nog wel niet vertellen. Maar overigens, als hij zijne oogen openhoudt en zijn mond tot vragen bereid heeft, is het ongelooflijk hoe snel hij de mythologie van zijn volk, die in de kunst en het maatschappelijk leven van Hellas alle lagen van cultuur geheel doortrekt, kan leeren verstaan. Onze verbeelding gaat te ver, wanneer we ons den kleinen knaap voorstellen „aan moeders schoot luisterend naar de gewijde geschiedenis”; minder nog is hier sprake van een soort van catechetisch onderricht in bepaalde hetzij confessioneele hetzij moderne richting; over een dergelijk onderwijs spreekt nooit een van al die oude dichters, die in zoo treffende verzen den teederen omgang der Grieksche moeders met hare kinderen gedenken. Maar Plato’s uitvoerige polemiek tegen het „poëtisch onderwijs” der kinderen toont wel duidelijk, dat men daarin vrij ver placht te gaan. In een toon van groote verbittering richt Plato zich tegen dat onderricht in de kinderkamer. Hij erkent, dat het kinderlijk verstand, daar het immers den stevigen kost der verstandelijke waarheid nog niet kan verdragen, het licht verteerbare voedsel der verdichting noodig heeft. Maar dat hiertoe de mythologie zooals de vaderen die hebben overgeleverd—eene aaneenschakeling van verhalen vol logen en bedrog, vol echtbreuk, doodslag en verraad—wordt gebruikt, dàt noemt hij verderflijk.

De nadrukkelijke wijze waarop Plato dezen strijd bij herhaling heeft gevoerd, sluit allen twijfel aan zijne gegrondheid uit. Inderdaad, ook wat in de fabelleer aanstootelijk was naar Plato’s meening en naar de onze, moet zoo’n kleine Athener al zeer vlug hebben leeren kennen. De handspiegels in de zoo gaarne bezochte toiletkamer van zijne moeder moeten hem van Aphrodite’s hartsgeheimen, van de geschiedenissen van Danaë en van Leda naar onzen smaak spoedig meer dan genoeg hebben verteld. Men zou kunnen opmerken dat ook onze kinderen jaren lang de Venus van Milo kunnen voorbijgaan zonder te bemerken dat zij meer dan half naakt is. Maar het is hier de menigte der voorstellingen die aandacht trekt! Telkens weer krijgt hij een schotel, een kan, een drinkbeker of schaal in handen, die hem met onomwonden duidelijkheid eene bladzijde uit de chronique scandaleuse der Olympiërs verklaart! Zouden alle Atheners zoo wijs zijn geweest dat ze—voor zich zelven en hunne eigene zedelijkheid blijkens den overstelpenden overvloed van lichtzinnige voorstellingen onbedacht—zorgvuldig uit de handen hunner kinderen hebben gehouden wat de „zinnelijkheid der jeugd” kon prikkelen? Het valt te betwijfelen; maar wie hierin—terecht—eene schaduwzijde van den mythologischen kunstzin der Grieken ziet, die vergete toch niet, ook op de lichtzijde te letten. Bij het dagelijks opmerkzaam bezien van al die beelden, die voor hem staan als in een opengeslagen prentenboek van de hoogste waarde, leert het oog van den kleinen medeburger van Phidias zich gewennen aan de schoonheid die eene der levensvoorwaarden is van het Atheensche volk: de sierlijke lijnen van het vrouwengewaad, in steeds afwisselende bevalligheid gedrapeerd om de statige gestalte van Demeter, den vluggen chiton golvend langs de slanke schouders van Artemis, de door zoo eenvoudige middelen verkregen gratie, de voorname, in majesteit getemperde handbewegingen der godinnen, de edele wilskracht van een rustenden Zeus, de boeiende houding van den citherspelenden Apollo, de lieftalligheid der zingende muzen, kortom iedere actie van het leven, opgeheven tot eene daad van Olympische schoonheid, iedere lijn van het menschelijk lichaam gegrepen in de vlucht der bekoorlijkste beweging. Op de zalfdoos zijner moeder herhaalt zich, als eene verheerlijking van die zorgen waarvan hij, toen hij nog héél klein was, vaak getuige mocht zijn, het toilet van Aphrodite, in de offerscènes op de drinkkannen en schalen herkent hij in schoonen vorm de gestalte van zijnen in vroom dankgebed plengenden vader, en gelijk zijne ouders waken dat slechts zuiver Attische klanken zijn oor naderen, daar zij weten dat „leert kreupelgaan al wie in ’t huis van een manke woont”, zoo heeft ook hun schoonheidszin zorg gedragen dat zooveel mogelijk slechts het schoone voor zijne oogen komt.

Natuurlijk is het aldus niet altijd en overal. Achteloosheid, gebrek aan smaak en armoedige slordigheid zullen ook te Athene wel hebben bestaan. Maar groote overdrijving ligt er toch niet in de hierboven gegeven voorstelling. De ontzaglijke menigte scherven van voorwerpen voor dagelijksch gebruik, ook de fragmenten van bronzen en koperen huisraad, in de laatste halve eeuw uit Attica’s bodem te voorschijn gekomen, doen ons steeds levendiger beseffen, dat Pericles geen woord te veel heeft gezegd toen hij de Atheners roemde, omdat zij „de schoonheid in eenvoud betrachtten”: dit is de groote kracht van dit volk geweest—en niemand die de Atheensche musea met aandacht heeft bestudeerd, zal zulks ontkennen—dat het in de kleine voorwerpen des dagelijkschen levens, in die dingen die ook voor kleine beurzen te bereiken waren, is bezield geworden door denzelfden kunstzin die hun zekere gids was bij de groote scheppingen der Attische kunst.

Het kinderleven, hierboven in vluchtige trekken geschetst, was inderdaad in hoofdzaak een leven „onder moeders vleugelen”. Natuurlijk bleef in de werkelijkheid de vader niet zoo op den achtergrond als uit onze schets zou kunnen worden opgemaakt. Maar indien wij naar hetgeen wij door de oude schrijvers van hem weten zijn verschijnen in de kinderkamer zouden moeten teekenen—en alleen daarnaar—dan zou de schilderij door theorie grauwer worden dan goed of juist is. We weten natuurlijk uit de dichters (als men ook daarvoor bewijzen verlangt) dat de Atheensche vaders hun jongens lief hadden. Lezen wij de Grieksche wijsgeeren er op na, dan moest die liefde zijn eene „liefde met verstand”; dan zijn de vaders het eens geweest met Isocrates, dat van de opvoeding de vrucht zoet is, maar de wortel bitter, en vinden zij dat de jongen zulks niet te vroeg merken kan. Zij komen gaarne controleeren of de jongen al geleerd heeft pijn te verdragen, of de eerbied, die het beginsel der wijsheid is, al goed bij hem begint wortel te schieten, en overtuigd dat nooit zal kunnen bevelen wie niet heeft geleerd te gehoorzamen, onderzoeken zij streng hoe het met de gehoorzaamheid staat.

Zou de figuur van dezen vader wel geheel in de Grieksche kinderkamer passen? Zij is samengevoegd uit de dogmatische uitspraken en door verscheidene nieuwe beschrijvers van de Atheensche educatie met zorg en nauwkeuriger dan hier geschied is, nageteekend. Maar ongetwijfeld is zij te somber. Gestrengheid doet—althans later—in het leven van dezen Atheenschen knaap hare rechten wel gelden, doch voorloopig mogen wij vertrouwen op den indruk dien ons zijn kinderkamer gaf: een indruk van intiemen eenvoud. Het leven in deze huislijke omgeving schijnt juist op dien grond zeer geschikt om hem voor te bereiden voor eene opvoeding, welker hoofddoel is de kalokagathia, d. i. de vatbaarheid van den geest en het gemoed voor de waardeering van hetgeen schoon is en goed. Daartoe nu rekenen de Grieksche theoretici over de opvoeding, naast het onderwijs, zeer bepaald ook het spel.

Zochten wij in onze schets streng de grenslijnen te bewaren die èn de leeftijden èn de spelen scheidt, dan behoorde in dit hoofdstuk alleen over de spelen der kinderkamer te worden gesproken. Wij zouden dan zeer kort kunnen zijn. Want de Grieksche literatuur, die zooveel grooter aandacht aan de volwassenen dan aan de kinderen wijdt, zwijgt bijkans aangaande het eerste kinderspel; en waren de vazen er niet, men zou over de verknochtheid van Atheensche jongens aan een kapot paardje, en de liefde der meisjes voor een pop zonder beenen, of de vriendschap die een hondje aan zijnen jongen baas verbindt, alleen naar analogie kunnen spreken. Of neen, om van de theoretici te zwijgen, die over het nut van den hoepel en den tol philosofeeren, en terstond de spelen zóó willen gekozen zien dat men bespeurt waartoe de knaap aanleg heeft!—geheel gaat de literatuur die spelen niet voorbij. Het is wederom de praatzieke Strepsiades, die van zijn bedorven jongen weet te vertellen hoe knap hij was om huisjes van klei en paardjes van klei te boetseeren. En dezelfde brave vader zegt later vol verwijt tot zijn zoon: „Toen je nog zóó, zóó klein was, heb ik van mijn presentiegeld je op de kermis een klein wagentje gekocht”. Maar deze uitspraak staat zoo zeer op zich zelf, dat ze als een unicum van de eene beschrijving in de andere wordt overgenomen, en er geen boek over Grieksche antiquiteiten wordt geschreven, of deze woorden staan er in. Echter de plastische getuigenissen zijn iets minder schaarsch, en op hunne autoriteit mogen wij dus verzekeren, dat, zoo goed als onze kleine jongens paardje spelen, kermisje spelen, begrafenis of kerkje spelen, ook de Atheensche kinderen in hun hof of daarbuiten het leven der groote menschen hebben nagedaan.

Dat spreekt eigenlijk van zelf, vooral bij de Grieken, die gaarne spelen en hun kinderen graag zien spelen. Als een jongen zich afzondert en gaarne de eenzaamheid zoekt, dan schudden ook de Atheensche vaders het hoofd. Themistocles maakte door zulk een in zich zelven gekeerd, vroegrijp leven zijnen paedagoog dikwijls genoeg ongerust. Wat wonder? Het was niet natuurlijk dat een jongen, in plaats van te kaatsen of te knikkeren, enkele uitverkoren volgelingen in een hoekje trok en aanklachten of verdedigingsredenen voor dit verbaasde publiek improviseerde. Zoo iets is ook in Grieksche oogen ongewoon. Naar Helleensche opvatting staat het spel onder de onmiddellijke bescherming der Goden; dit bewijst o.a. het volgende korte verhaal van Plutarchus: „Eens”, zoo luidt het ongeveer, „bedreigde eene aardbeving de stad Sparta. Onbewust van het naderend gevaar zijn de knapen aan het oefenen in de palaestra, en de ouderen kijken toe bij hun spel. Daar verschijnt op eens een verdwaalde haas in het perk, en zijne komst is het sein voor een wedloop. Voort jagen de rappe jongens den zwerver achterna; het perk door, het perk uit. Maar nauwlijks is met het haasje de jongenstroep, flikkerend in het licht, uit de palaestra verdwenen, of de aarde begint grommend te dreunen, de muren waggelen, ’t gebouw stort in; doch de spelende knapen, Gods gunstelingen, zijn gered.”

Zoo is er dus alle reden om in onze beschrijving den knaap niet dadelijk van de kinderkamer naar school te brengen. In het Grieksche jongensleven—in hoofdzaak een openlucht-leven—wordt minstens evenveel gespeeld als geleerd. Ook is het spel daar meer algemeen, minder afgescheiden naar standen geweest, dan in onze steden, althans nu, het geval is.

In de kinderjaren zal de moeder toch niet altijd angstvallig gewaakt hebben dat haar zoontje niet met de kinderen der slavinnen, zelfs niet met die van zijne voedster in aanraking kwam? De verhouding der Atheners tot hun dienstpersoneel maakt dat onaannemelijk. De slaven en slavinnen, althans die niet aangekocht doch in huis geboren zijn, en die door deelname aan het huislijke offer inderdaad tot het familieverband behooren, staan daartoe met hun heeren in een te nauwe relatie, en de slavinnen werken dagelijks aan ’t spinnewiel of ’t weefgetouw met haar meesteres: hoe kon het dan anders dan dat ook de kinderen samen speelden? Ook wanneer de knapen ouder geworden zijn teekent zich het standsverschil nog niet dadelijk zoo scherp af. Natuurlijk heeft de eene jongen fijner chiton en beter gekleurd himation aan dan de ander; maar tot op een vrij geringen vermogenstrap blijven al deze kinderen vrije Atheensche burgers, zich aan elkaar gelijk gevoelend. De grond van die gelijkheid is dat ze meerendeels vaders hebben die geen handwerk verrichten. De Atheners en in het algemeen de Grieken zien met eenige geringschatting neer op die medeburgers, die van het schoenmaken een gebogen rug of van ander „zittend werk” een enge borst krijgen; een fabriek te hebben—zooals de vader van Lysias—is al minder erg: dan laat men zijn slaven voor zich werken. Maar zelf schoenmaker of timmerman te worden, of een winkel te gaan houden, waar men zelf en niet door slaven nering deed, dat zou zeker beteekenen een slagboom te leggen tusschen zijn eigene kinderen en die van anderen.

Het is waarschijnlijk, dat—nog daargelaten het verschil van „fatsoenlijkheid” ook bij ons nog tusschen het eene handwerk en het andere, of den eenen winkel en den anderen gevoeld—ook hierin de Atheners in ’t laatst der vijfde eeuw niet allen meer gelijk dachten. Herodotus zegt, als hij meedeelt dat ook de Aegyptenaars de krijgerskaste zooveel hooger stellen dan de handwerkers-kaste, dat wellicht de Grieken ook dit inzicht van de Aegyptenaren hebben overgenomen. Blijkbaar vindt hij dus de opvatting zelve niet de natuurlijkste zaak van de wereld; en te Athene zelf moet wel de democratie wijziging der publieke opinie hebben te weeg gebracht, toen eenmaal de presentiegelden voor de volksvergadering het aan alle handwerkslieden en winkeliers mogelijk hadden gemaakt aan ’t geheele staatsbedrijf deel te nemen zonder financieele schade voor hun eigen bedrijf. In ieder geval maakte het slavenbezit, al hief dit het standsverschil niet op, het minder noodzakelijk dat de armere jongens dadelijk voor het ambacht werden opgeleid; en zoo kunnen wij gerust, zonder aan de historische waarschijnlijkheid te kort te doen, ons de jongensspeelplaats vrij „gemengd” voorstellen.

Ook in den manlijken leeftijd bleef het spel algemeen. Bewegingsspel gold ten allen tijde bij de Atheners als een zeer aanbevelenswaardige uitspanning, op hygiënische gronden niet alleen, maar ook uit moreele aanleiding. De overtuiging was bij hen levendig, dat een strijdbaar volk, om weerbaar te blijven, zijne agiliteit, zoo onmisbaar in de taktiek der oude infanteriegevechten, steeds moet oefenen; en die oefening werd te Athene vergemakkelijkt door het groote aantal der van staatswege onderhouden speelplaatsen en openbare baden. Aristophanes ziet er dan ook Socrates weinig vriendelijk om aan, dat hij, in plaats van met de jonge Atheners in hun gymnasium te balslaan, hen op eene bank in de schaduw lokt om met hen—nog wel te vergeefs—al debatteerend een antwoord te zoeken op de vraag: wat nu eigenlijk die ingetogenheid is, die geldt als het hoofddoel van hunne opvoeding. Ja zoozeer denkt zich de Griek het spel zelfs bij volwassen mannen als zeer begeerlijk deel van eene natuurlijke levenswijze, dat ook de dichter die zich droomend verdiept in de geneugten der Elyseesche velden en de vazenschilder, die eerbiedig de oorden der eeuwige vreugde afbeeldt in zijne kleine tafereelen, hun schilderij vullen met spelende mannen.

Wat aangaande die spelen verdient te worden verteld, heeft op de kinderjaren maar weinig betrekking. Wij hebben natuurlijk het recht, wanneer de schrijvers zwijgen, ook hier aan onze verbeelding eenigermate vrij spel te laten. De Atheensche knaapjes—ook al zijn het jonge Heeren—behoeven wij niet zoo angstvallig alsof het meisjes waren opgesloten te houden binnenshuis. Zij hebben ook wel met jongens „uit de buurt” gespeeld, koninkje b.v., zooals in het altijd weer boeiend verhaal van Herodotus de kleine Cyrus als herdersknaap dat deed met de jongens van zijn dorp. En de kleine jongens, die wij op vazen even of oneven zien spelen met noten in de hand, of die zich opwinden met het raadspelletje dat de Italianen Morra noemen, spelen toch zeker een straatspelletje. Maar speciaal Atheensch is dit alles niet: die spelen zijn altijd hetzelfde geweest. Wie zoekt naar echt-Grieksche spelen vindt voorzeker nergens zooveel verscheidenheid als in het balspel. Den onuitputtelijken rijkdom van bevallige bewegingen aan het balwerpen en balvangen eigen, hebben de Grieken nooit opgehouden te bezingen, sinds Homerus de scène schiep die eeuwig zal bekoren: Nausicaa met hare gespelen aan ’t strand van Scheria. Welk een beeld van levensblijheid rijst voor onze oogen, als we den jongen Sophocles ons voorstellen, zelf in zijn drama Nausicaa de hoofdrol vervullend en aan duizenden zijner medeburgers de vaardigheid van zijn spel, tegelijk met de voorname slankheid van zijn jonge lichaam, openbarend!

Бесплатный фрагмент закончился.

178,42 ₽
Возрастное ограничение:
0+
Дата выхода на Литрес:
16 января 2025
Объем:
221 стр. 2 иллюстрации
ISBN:
4064066401580
Издатель:
Правообладатель:
Bookwire
Формат скачивания:

Похожие книги