Читать книгу: «Wij, weekdieren op drift»

Шрифт:

Inhoud

Colofon 2

Hoofdstuk 1 3

Hoofdstuk 2 35

Hoofdstuk 3 71

Hoofdstuk 4 111

Hoofdstuk 5 162

Hoofdstuk 6 189

Hoofdstuk 7 219

Hoofdstuk 8 280

Hoofdstuk 9 305

Hoofdstuk 10 329

Hoofdstuk 11 359

Hoofdstuk 12 (Ten Slotte) 390

Colofon

Alle rechten op verspreiding, met inbegrip van film, broadcast, fotomechanische weergave, geluidsopnames, electronische gegevensdragers, uittreksels & reproductie, zijn voorbehouden.

© 2022 novum publishing

ISBN drukuitgave: 978-3-99107-848-7

ISBN e-book: 978-3-99107-849-4

Lectoraat: Ine van Gerwe

Vormgeving omslag: C. Thierens, Dmitry Laudin | Dreamstime.com

Omslagfoto, lay-out & zetting: novum publishing

www.novumpublishing.nl

Hoofdstuk 1

QUENTIN lag languit op de sofa te vertellen van de jonge mannen die hij al gehad had en de jonge mannen die hij nog had willen hebben. Het licht van een grote, groene spot viel op zijn gezicht. Het gaf hem iets demonisch, alsof hij uit een andere wereld kwam, alsof hij er niet werkelijk bij lag.

Ik weet niet of hij zich nog van mijn aanwezigheid bewust was. Ik zat op een afstand, aan tafel. Ik had mijn naaiwerk meegebracht voor het geval ik mij zou vervelen, maar ik verveelde mij niet, want Quentin had een mededeelzame avond en alles wat hij vertelde, interesseerde mij.

Dat hij zo spraakzaam was en zo openhartig, was niets ongewoons, maar het lag toch niet in zijn aard. Meestal liet hij geen woord los over de dingen die zich in zijn hoofd en in zijn hart afspeelden; en dan kwam er plots toch een moment dat hij begon te vertellen over alles en allen, in het begin zelfs eerder chaotisch. Het was ook geen echt vertellen, het was meer een hardop dromen, een gesprek met zichzelf. Ik vroeg mij soms af of hij dit ook durfde te doen als hij het zonder mijn gezelschap moest stellen en hij helemaal alleen op zijn kamers was. Ik veronderstel van niet, want niet iedereen is zo vol begrip en vol goede wil als ik.

Hoe het precies met onze betrekkingen gesteld was, is moeilijk te zeggen. Het is waar dat ik even verliefd was geweest op Quentin. Ik had hem leren kennen op school, ik had hem van het begin af bewonderd en graag gemogen. Mijn vrienden en vriendinnen zegden dat het goed zichtbaar was dat ik hem graag had, en ik wil dat niet tegenspreken. Maar zodra wij de school verlaten hadden en elkaar beter leerden kennen, wist ik dat ik niet verliefd mocht zijn omdat hij voor de jongens was. Hij vertelde mij dat zonder omwegen. Hij schaamde zich helemaal niet over die trek, het was geen probleem voor hem. Ik geloof dat juist daardoor onze vriendschap zo hecht was. Wij waren als twee gezusters uit Tsjechov, of als twee vriendinnen uit een Frans magazine. En iedereen die hem of mij onvoldoende kende, verwonderde zich erover dat wij niet trouwden, of zelfs niet vrijden. Och, er waren zelfs bekenden die alles wisten en desondanks die opties openhielden. Want je wist toch nooit. Vroeg of laat … Terwijl wij intussen toch samen de kaap van vijfentwintig jaar overschreden hadden en onszelf rijpe twintigers mochten noemen.

Quentin had het over zijn jongens, en als hij daarover begon dan werd het altijd een lang en onsamenhangend verhaal. Ik wist dat. Ik wist wat er allemaal zou komen, want het was niet de eerste keer dat hij over hen vertelde. Maar ik aanhoorde het graag, omdat het mij meesleepte in een wereld die ik niet kende, de wereld van mijn enige en echte vriend – en omdat ik zelf van mooie mannen hield.

“Weet je, Prudence, dat hij mijn allereerste vriendje was? Jamie, de grootste rekel van de klas, met zijn donkere ponykapsel. Jij zat naast hem op de bank, en ik zat achter jullie. Urenlang heb ik gekeken naar zijn gave, naakte hals – urenlang heb ik zijn jonge, volmaakte schouders met mijn ogen betast. Er waren dagen dat ik mij slechts met moeite kon beheersen. Om eerlijk te zijn, ik wilde toen niets liever dan gewoon mijn hand op zijn schouder leggen en zijn hals éven kussen, terwijl ik dan zijn warme adem in mijn oor zou voelen … Maar ik moest mij beheersen, met al die anderen rondom ons en de leraar vooraan, en jij, Prudence, natuurlijk naast hem.

“Ik geef het toe: ik ben toch zo vaak jaloers op jou geweest. Jij mocht een heel jaar naast hem zitten, jij mocht hem plagen, jij kon hem af en toe iets toefluisteren of iets vragen. En ik moest gelaten achter jullie zitten, naast die François, de zoon van een slager, en die altijd stonk naar knoflook en sigaretten … Want ik rookte toen nog niet.

“Weet je nog hoe Jamie op een vrijdagochtend tussen twee lessen in plots van zijn bank opsprong alsof hij door een pofadder gebeten was? Na Maatschappelijke Vorming? Dat was dank zij mij: ik was onder de bank gekropen en ik had hem heel geniepig in de lende geknepen, zo heel gemeen en schofterig, maar vooral pijnlijk, met duim en wijsvinger. Gewoon omdat ik het niet meer kon uithouden. Omdat ik iets moest doen, al besefte ik helemaal niet wat ik deed. Hij vond het grappig, ik vermoed zelfs dat hij het graag had. Ja, er was zeker iets tussen ons, en het was zo veelbelovend. Maar onbereikbaar, en onmogelijk. Zoals het krieken van de dag in de zomer, als de nevel van de dageraad nog over de frisse velden hangt en in het niets verdwijnt zodra je erheen stapt … Jamie was zo’n heerlijke jongen, zelfs alleen om te bekijken en te bewonderen … Hoewel er zeker dagen waren dat ik méér wilde, uiteraard. Ik lieg daar niet over.”

Ik herinnerde mij die Jamie nauwelijks, ook al had hij een jaar lang naast mij gezeten. Het was iemand geweest die niet veel zei en die op het schoolplein altijd (onder andere) het gezelschap van Quentin opzocht, vreemd genoeg. Een mooie, rare jongen. Niet mijn favoriete nummer één, niet de top, misschien wel mijn nummer drie of vier. Maar zo waren er wel meer op die leeftijd.

“Heb je dan dat jaar niet méér gedaan dan gekeken en gepraat, Quentin?”

“Klopt, ik heb alleen gekeken en gepraat. Ik wilde wel meer en ik heb hem dat ook gezegd. Ik heb het ook geprobeerd, ja. Maar hij wilde het niet. Ik mocht hem wel aanraken, zei hij, maar als hij zei dat het genoeg was, dan was het genoeg. Ik mocht niet te ver gaan. Weet je dat ik hem zelfs nooit heb gekust?”

“Dat lijkt mij normaal. Je wist immers niet wat of wie hem aantrok. Trouwens, wist hij wel degelijk wat je wilde? Ik bedoel, wist hij dat je verliefd op hem was?”

“Toch wel. Ik heb het hem meermaals gezegd. Maar ik geloof niet dat hij het begreep.”

“Dat kon toch niet moeilijk zijn? Veel begrijpen komt er volgens mij niet bij kijken.”

Quentin wilde er nog iets aan toevoegen, maar hij hield zijn woorden voor zich. Waarschijnlijk droomde hij nog door over zijn eerste vriendje en over de dingen die hadden kunnen gebeuren en nooit gebeurd waren. Ik kende hem al lang. Ik kende de wegen waarin zijn dromen kronkelden.

“Heb je hem nog ontmoet sindsdien, Quentin?”

“Nooit meer. Het schooljaar was ten einde en wij beloofden om regelmatig naar elkaar te schrijven en af en toe elkaar op te zoeken. Maar er kwam niets van. Ikzelf heb trouwens nooit meer naar hem geschreven. Het was zo’n ­beetje: uit het oog, uit het hart. Ik heb vaak op het punt gestaan, dat wel. Overwogen en gepland, en gedroomd, maar nooit gedaan. Ik denk dat het een familietrek is, want mijn moeder had dat ook: zij zag eens in de etalage van Elly’s een prachtige zomerjurk, begon daarop te overleggen met zichzelf, en daarna nog eens met vader, en als zij dan ten langen leste beslist had om tot de aankoop over te gaan, dan was de jurk verdwenen. Dat gebeurde niet eenmaal, maar altijd, bijna als een gewoonte, een hinderlijke misvorming.

“Maar ik geloof toch dat er bij mij iets anders aan de hand was. Het was minder besluiteloosheid dan wel dat ik niet durfde. Of dat ik eigenlijk te weinig gemotiveerd was, dat de grote drang ontbrak. Het was ook de eerste keer, misschien daarom. Het was onbekend terrein, ik begreep maar de helft van wat ik voelde. In het begin hield ik van hem, dat is zeker. Ik heb toen praktisch elke nacht van hem gedroomd, en zelden is mijn slaap zo woelig geweest als in die dagen. Maar ik heb nooit om hem geweend, weet je. Dat is eigenlijk heel vreemd, want ik heb later om tal van jongens geweend – zeker telkens als het uit was – maar niet om Jamie. Daar had hij voor gezorgd. Dat was erg lief en erg verstandig van hem, ik bedoel: erg gevoelig. Hij heeft het nooit te ver laten komen. Hij heeft het nooit zo ver laten komen dat er geen weg terug meer was zonder een puinhoop van scherven te maken. Dat was goed. Ik zal nooit met wrok of bitterheid aan hem terugdenken, neen. Wel met vragen in mijn hoofd …”

“Bijvoorbeeld waarom je hem nooit meer ontmoet hebt?”

“Ja. Of bijvoorbeeld hoe hij eigenlijk over mij dacht, en of hij iets voor mij voelde. Méér dan een vlinderende aardigheid, een vermakelijke Spielerei … Ik begrijp nog steeds niet dat hij enerzijds dingen toeliet, en zelfs graag had, die alleen geliefden doen, en dat hij mij anderzijds bepaalde dingen verbood omdat ze naar zijn zeggen te ver gingen. Hij heeft ook nooit – zelfs niet eenmaal – gezegd dat hij van mij hield, wat voor mij toch zo onvoorstelbaar belangrijk is. Weet je – nu ga ik echt iets raars zeggen – weet je dat ik pas echt verliefd ben als ik het gezegd heb, als ik het zogenaamd officieel verklaard heb, met de mond, of met de pen. Pas dan realiseer ik mij hoe warm en hoe intens mijn gevoelens zijn, ook al is die verliefdheid al een hele tijd aan het sluimeren. Maar ik moet het zeggen, aan de ander, aan mijzelf, of aan de brede omgeving. Pas na het plechtige statement ben ik ook werkelijk en ten volle verliefd. Met alle ellende van dien.

“Nu lag het bij Jamie misschien wel wat eenvoudiger en stel ik mij vragen die hier gewoon niet op zijn plaats zijn. Jamie was in die zaken passief, punt. Hij liet zich gewoon mijn liefde welgevallen. Als een Narcissus van de twintigste eeuw. En voor de rest kan ik alleen constateren dat ik hem ook nooit bij een meisje heb gezien. Jij misschien wel, Prudence?”

“Neen, geloof ik. Destijds viel het mij al op, want anderen waren wel in gezelschap en op jacht – dat heb ik zelf van de helft van de klas ondervonden – maar hij ogenschijnlijk toch niet. Het jaar dat wij de schoolbank moesten delen, was hij in elk geval stil en schuchter, en geheimzinnig, dat weet ik nog. Het was een rare jongen, geef toe. En mooi ook, natuurlijk. Mooi en bizar.”

“En hij droeg ook geen ringen. Niet één.”

“Werkelijk? Daar heb ik niet op gelet. Natuurlijk niet.”

Quentin antwoordde niet meer en stak een sigaret op. Hij zuchtte de rook naar het plafond en zei voor zichzelf dat het allemaal al zo lang geleden was. Ik moest hem gelijk geven.

Terwijl hij wegdwaalde naar het rijk van zijn herinneringen, nam ik mijn handwerk weer op. Ik had weinig zin, maar ik verwachtte niet veel meer van Quentin: hij was blijkbaar voorgoed stilgevallen. Ik had echter nog minder zin om naar huis te gaan en mij daar dan te vervelen, en dus bleef ik bij hem tot hij mij vriendelijk de deur zou wijzen.

Toen hij en ik destijds de school verlaten hadden en in het volwassen beroepsleven waren terechtgekomen, had ik een flat gehuurd in het centrum van de stad. Ik wilde alleen wonen en mij vrij voelen, en zelf mijn huishouding regelen. Mijn zuster had dat enige jaren voordien ook gedaan; zij was heel gelukkig met dit leven geweest en tenslotte was zij getrouwd. Ik volgde haar voorbeeld – op het trouwen na – en na enkele weken leek het mij alsof ik altijd op die flat gewoond had. Naar het schijnt had ik de gave om zelfs een kille kerker gezellig te maken.

Het kostte mij niet veel moeite toen om Quentin ervan te overtuigen dat hij best ook alleen zou wonen. Mijn argument dat hij op die manier makkelijker een jongen zou vinden, gaf de doorslag. Ik zei hem niet dat ik hoopte hem als geregelde bezoeker te kunnen ontvangen; evenmin dat ik van plan was vaak bij hem aan te lopen. Maar ik had het mij zo voorgesteld.

Hij dacht er een nacht over na, gaf toe dat het de enige manier was om een vriendje te hebben en te houden, en betrok een fatsoenlijke flat die nauwelijks enkele straten van de mijne verwijderd was. En sindsdien ging er geen avond voorbij of wij kwamen bij elkaar om te praten of wat te kaarten, of om teevee te kijken – of wat dan ook. Het was ook onze point d’appui om samen uit te gaan of terug te keren – want Quentin zou nooit alleen uitgaan.

Zijn flat was groter dan de mijne, en mooier. Hij had ook een hoger inkomen. Op een avond zei hij dat het zijn thuis geworden was en dat hij bereid was om in die flat te sterven. Hij had mij met geen beter dankwoord kunnen bedenken. Ik was blij dat ik hem die raad gegeven had en dat hij die opgevolgd had …

Ik hoorde dat Quentin zich op de sofa draaide en dat hij nog iets ging zeggen. Ik realiseerde mij dat ik zelf had zitten dromen en dat ik letterlijk geen steek was opgeschoten. Het naaiwerk lag gewoon los in mijn handen.

“Weet je, Prudence, het is eigenlijk jammer dat je geen jongen bent. Wij passen goed bij elkaar, wij komen altijd perfect overeen, en toch zijn wij in sommige dingen elkaars tegengestelde. Wat wil je meer? Wij hebben al zovele dingen samen meegemaakt. Je moet eens een zwarte snor onder je neus tekenen, met een viltstift of zo. Ben benieuwd wat het wordt. Het kan niet slecht zijn.”

“Dat zal ik zeker eens proberen. Maar thuis dan. Daar heb ik tenminste een veilige démaquillant – wat jij niet hebt.”

“Ja, doe dat. En bovendien ben jij de enige die ongeveer alles over mij weet. Ik geloof dat je alle jongens van mij kent. Je hebt al mijn gedichten gelezen, je hebt zelfs de laatste tien of twaalf voor mij uitgetikt. Als jij een jongen was, zou ik je vragen om hier te komen wonen en met mij te trouwen. En dan zou ik tenminste proberen om beroemd te worden. Jij zou dan mijn secretaris zijn. Je zou al mijn gedichten kunnen lezen en tikken, en mijn romans ook, en je zou de uitgaven kunnen voorbereiden. Want dat lijkt mij nogal duf om te doen. Tenslotte hebben wij samen de Latijnse afdeling gevolgd, met jou als prima inter pares. Het is jammer …”

“Dat ik geen jongen ben?”

“Precies, ja. Je bent nu wel heel sympathiek, maar het zou toch een groot verschil maken. Hoewel, ik zal je natuurlijk nooit laten vallen. Als vrouw. Geen denken aan.”

“Tot de haan driemaal kraait? Beloof niet te veel, Quentin, en tart het lot maar niet. Maar ik begrijp je wel … A propos, heb je onlangs nog iets geschreven? Iets dat ik nog niet ken?”

“Zeker. Iets heel moois. Kort, maar prachtig. Het is een gedicht, een tikkeltje experimenteel, en het heet Naja naja, zwarte mamba. Slechts vier regels, niet meer. Het moet nog wat rusten. Dan zal ik het voorlezen.”

Als Quentin zei dat hij een mooi gedicht geschreven had, dan was het zo. Ik had de afgelopen weken een tiental gedichten voor hem uitgetikt, in twee exemplaren, en ik had verstomd gestaan van Quentins kunst en kunde. Ik wist toen wel al dat hij schreef, maar het had mij nooit echt geïnteresseerd. Ik dacht immers dat ik er geen verstand van had, en dat ik te dwaas was om het te begrijpen. Maar toen hij mij op een avond de velletjes bracht om ze uit te tikken, geraakte ik in de ban van zijn woorden. Ik wist onmiddellijk wat ze betekenden. Ik wist onmiddellijk wat hij bedoelde. Het waren eenvoudige gedichten met niets dan gevoelens en wonderlijke, soms zonderlinge klanken. Op slag was ik ervan overtuigd dat Quentin een echt, groot dichter was. Ik zei hem dit achteraf. Hij glimlachte zwakjes en was tevreden. Hij antwoordde dat hij het al lang wist, maar dat hij de enige was. Tot dan toe. Hij vond het wel een genoegen die lovende woorden uit mijn mond te horen.

Ik was misschien zijn enige en grootste bewonderaarster, en mijn belangstelling was in elk geval oprecht. Niet alleen omwille van de woorden zelf, maar ook omwille van de persoon die erachter schuilging. Er waren dingen en gevoelens die Quentin alleen in zijn gedichten kon en durfde te zeggen, en het was onmogelijk hem ten volle te kennen en te begrijpen als men zijn uitgeschreven ik niet kende. Ik wist dan ook dat elk nieuw gedicht iets meer toonde van het innerlijke leven van mijn vriend. Het was met veel meer dan vrouwelijke nieuwsgierigheid dat ik zou wachten op zijn voorlezing van Naja naja, zwarte mamba.

“Het is een kort gedicht,” vervolgde Quentin, “en het drukt mijn verbittering uit, mijn woede, mijn getroffen-zijn door de liefdesgeschiedenis met Jules. Ik weid daar nu niet meer over uit, want als ik eraan terugdenk hoe ik bedrogen en vernederd werd, en hoe ik mij vergist heb, dan begint mijn bloed te koken. Daarom kan ik het ook nu nog niet lezen. Maar goed, het komt hierop neer: de naja naja is een giftige slang, en de zwarte mamba is een nog giftigere slang, de giftigste van alle. Wat gebeurt er nu in die vier regels? Wel … of neen, ik zeg het niet. Het is niet nodig. Het is het gedicht dat moet spreken. Ik zou het effect tenietdoen. Ik zal het morgen voorlezen. Je zult het onmiddellijk begrijpen. Een goed gedicht moet direct begrepen worden en direct inslaan.”

“Ik vind dat je soms vreselijke dingen schrijft, Quentin.”

“Omdat ik over slangen schrijf? Maar neen, die slangen zijn bijkomstig. Het enige wat telt is de indruk die ik overhoud na de lezing van die vier regeltjes. En die is allesbehalve vreselijk. Het is één en al ontgoocheling en verontwaardiging wat je zult voelen. Pijn. Onmacht. Althans, ik voel dat toch, en dat is het belangrijkste. Zo geraak ik mijn dreigende frustraties kwijt.

“Als je zegt dat ik vreselijke dingen schrijf, dan heb je het natuurlijk over de onderwerpen, over de thema’s. Maar ik ben vooral trots over mijn eigen stijl, mijn originele schrijftrant. Weet je dat ik de laatste vijf jaar geweigerd heb om enige vorm van literatuur te lezen om zodoende onvermijdelijke beïnvloeding te verijdelen? In het laatste jaar van de humaniora was ik door de lessen moedertaal helemaal in de ban van romantische gedichten à la Karel Van de Woestijne, en dus schreef ik ook een ­beetje in zijn stijl. Herinner je je nog dat gedicht … wacht even, ik zoek de eerste regels …”

En met enige moeite citeerde mijn vriend twee regels die ik inderdaad al eens eerder gehoord had:

“De dreef brandt zand-blank in de zonne

tot zo weids het lichtend oog vér reikt

Enzovoort. Het eindigt met nogal wat homo-erotische symboliek, maar het is sentimenteel gezeik. Het is niet origineel, het is onecht en geeft mij altijd een onbehaaglijk gevoel. Alleen interessant om te zien van waar ik kom, en hoe ik geëvolueerd ben. Het is te veel verschuldigd aan Van de Woestijne.”

“Ja, maar dat is jouw mening. Ikzelf vind het gedicht nog niet zo slecht, zeker niet, hoewel ik Vergilius beter ken dan onze Nederlandse poëzie. Van op school. Toch ben ik ervan overtuigd, Quentin, dat je ogenblikkelijk zou beroemd worden als je je gedichten publiceerde – daar ben ik zeker van. Waarom doe je het niet?”

“Waarom? Ach, Prudence, waarom zou ik? Dat is niet mijn bedoeling. Ik schrijf niet voor een publiek, ik schrijf voor mijzelf. Ik schrijf omdat ik mij op een andere manier niet kan uitdrukken.”

“Maar je wilt toch gelezen worden?”

“Ja. Dat is waar. Ik wil het wel, maar het hoeft niet. Er is een verschil. Maar denk je dat het zo eenvoudig is om iets gedrukt te krijgen, praktisch dan? Zeker poëzie. Wie leest er nu nog poëzie?”

“Als iemand ééns je gedichten leest, koopt hij alles wat je schrijft.”

“Dat zal wel. Ja, dat zal wel! Maar denk je dat ik zomaar bij een uitgever kan binnenstappen en zeggen; hier, druk dat? Ze moeten het eerst nog willen lezen. Vervolgens vragen ze je referenties. Bijvoorbeeld, of je al prijzen gewonnen hebt, of je al gepubliceerd hebt in tijdschriften.”

“Waarom doe je dat dan niet? Waarom stuur je nooit een gedicht in voor een poëzieprijs? Er zijn toch genoeg wedstrijden en prijzen? De kansen liggen voor het grijpen.”

“Waarom niet? Omdat het mij te min is. Ikzelf vind mijn gedichten de beste. Ik zou nooit kunnen dulden dat iemand er anders over denkt. Dan ben ik liever een verwaarloosde dichter. Die rol past mij trouwens beter. Ik word door iedereen verwaarloosd en in de steek gelaten. Of niet?”

“Door de jongens, ja. Door de mannen. Maar niet door mij, toch?”

“Dank je, Prudence, dank je. Ik schertste misschien. Maar het is een feit dat je niet op erkenning moet hopen als je geen relaties hebt. Ik heb ergens gelezen dat ze altijd in dezelfde vijver vissen. Of in dezelfde poel. Je kunt geen laureaat van een wedstrijd worden als je geen invloed hebt op de jury, hoe dan ook. Niet dat dit zo onlogisch of onmenselijk is. Maar kijk eens naar de Grote Prijs van de Stad B. Wie werd bekroond? Nogal duidelijk: een schimmige maar excentrieke figuur die wel al jarenlang grondige contacten had met een uitgever en met een wethouder. En het zijn niet alleen zulke typen die kans maken. Stel je eens voor dat een onbekende, een nulliteit, iemand die uit het niets komt zoals ik, dat die met de eerste prijs gaat lopen en dat hij een mededinger verdringt die overal relaties heeft, vooral in de uitgeverskringen. Die relaties zouden een potsierlijk figuur slaan, en dat kunnen ze missen als kiespijn. Neen, dat riskeert het literaire establishment niet. Alles wordt op voorhand gefikst. Een eerste prijs is gewoon een schouderklopje om weer wat hoger te raken op de ladder van de bekendheid. Steeds maar hoger! Het is een vicieuze cirkel. Je kunt pas een prijs winnen als je de uitgevers kent, en anderzijds kun je de uitgevers moeilijk leren kennen als je geen prijs gewonnen hebt. Het is belachelijk, natuurlijk. En er wordt zoveel geschreven en zoveel uitgegeven, en dan nog zoveel waardeloze onzin. Maar kom, er zijn ergere dingen.”

Zelden had ik Quentin met zo veel nijd en ergernis horen spreken, al gaf hij dit niet toe. Zijn gezicht was nog bleker dan anders, zijn grijsgroene ogen waren wijd opengesperd. In zijn opwinding had hij zich overeind gezet, en nu liet hij zich met een berustend “Bijgevolg ...” weer in de kussens vallen. Ik vond het jammer dat hij het toch niet eenmaal probeerde. Ik was er bijna zeker van dat hij bekroond zou worden, alle genoemde kuiperijen ten spijt. Hij had trouwens één bijzonder gedicht dat mij sterk aansprak, dat mij telkenmale koud achterliet. Waarom zou ik de enige zijn die zich aangesproken voelde? Het heette Prudentia en was opgedragen aan mij. Als hij dat instuurde …

“En bovendien, de liefde – de herenliefde – is belangrijker voor mij dan gedichten. Ik schrijf nu omdat ik moet, omdat ik verschrikkelijk in de penarie zit, omdat ik een jongen mis. Het is een soort van afreageren, een scheppen van iets wat ik niet kan krijgen. Ik ben niet de eerste die dat doet. Ik heb eens gelezen dat een van de negentiende-eeuwse Franse romantici precies hetzelfde deed. Of een impressionist. Die grauwe Baudelaire, geloof ik. Of Rimbaud, de rusteloze? Hij schreef over niets anders dan seks en liefde en vriendjes, maar het is zo goed als zeker ondertussen dat hij die dingen juist niet had en oneindig miste. En omgekeerd is het ook waar, meen ik: iemand die met geen woord of geen beeld over de liefde rept, krijgt en geeft ze ruimschoots in het dagelijkse leven … Ik ben er bijna zeker van, Prudence, dat ik geen woord meer zal schrijven als ik eens en voorgoed een partner heb. Wat zou ik dan nog moeten schrijven? Wat zou ik dan nog uitdrukken? Mijn liefde voor hem? Maar die zou ik wel op een andere manier uitdrukken, geloof mij.”

“Ik geloof je wel, maar niet graag, Quentin.”

Eigenlijk was Quentin een triestige jongeman, en ik had vaak medelijden met hem – ook deze avond. Misschien onterecht. Hij had mooie herinneringen, die allemaal pijn deden omdat het niet meer dan herinneringen waren. Het heden, de werkelijkheid was anders voor hem: wat hij wenste, kreeg hij niet, en hij vreesde dat hij het nooit zou krijgen. Weliswaar – misschien jammer genoeg – had hij in het verleden al ettelijke malen ondervonden dat het tóch mogelijk was, dat er wel degelijk andere ‘moeilijke’ jongens zoals hij op deze wereld rondliepen, die ook op zoek waren naar een vriendje, die ook hunkerden naar een man, die net als hij er ook bijna om sméékten. Jules, bij voorbeeld, de mooie jongen met wie hij een tijdje geflirt had. Mooi, maar pedant en onbetrouwbaar, want hij was iemand die met één partner geen genoegen kon nemen, in tegenstelling tot Quentin. Een slecht karakter, en bovenal een komediant en een profiteur. En zo was ook dat verhaal een windbuil geworden, zoals bijna alles bij Quentin. Maar hij wenste ook zo veel, en hoe langer hoe meer.

“Denk je niet, Quentin, dat je makkelijker een jongen zou kunnen vinden wanneer je beroemd was? Iedereen zou je kennen en bewonderen, iedereen zou je willen. Je zou op den duur niet meer weten wie je zou moeten kiezen. Denk je dat ook niet?”

“Wel ja, dat moet wel zo zijn. Maar ik betwijfel of het van hun kant echte liefde zou zijn, of eerzucht, de drang om gezien en benijd te worden. Zouden ze mij oprecht beminnen, of gewoon omwille van mijn naam en om mee te delen in de populariteit en de bekendheid? Zoals de vrouwen van sommige stervoetballers. Het zijn onvervalste babes, zelfs karikaturen van babes, maar of er echte liefde in het spel is? Ik geloof dat ik nooit zeker zou zijn van hun gevoelens. Of van hun trouw.”

“Dat ben je toch nooit. Ook nu niet, ook vroeger niet.”

“O, jawel. Wis en zeker. Je kent mij niet.”

Voor mijzelf was dit laatste een belediging, ook al was het zo niet bedoeld. Ik was ervan overtuigd dat ik hem helemaal kende, zijn gedachten, zijn gevoelsleven, zijn problemen. Wij waren geen beginnelingen. Wat hij beweerde, was niet waar. Ik kende hem wel. Maar voor hem was dat niet belangrijk. Ik stond op de tweede plaats, ik was het meisje achter de coulissen. Waarschijnlijk besefte hij niet wat hij gezegd had. Waarschijnlijk zou hij niet-begrijpend opkijken als ik mij beledigd zou voelen. Heel waarschijnlijk dacht hij nu aan Jules – of aan het leven en de liefde van een beroemdheid.

“Ik zou mij voortdurend de vraag stellen of hij mij wel zou beminnen als ik niet bekend was, als ik geen gevierd dichter was, als ik geen geld had? Ik geloof dat ik met heel veel reserves, zelfs met veel complexen zou rondlopen.”

“Tja, misschien ook al. Je zou in elk geval een jongen hebben, en met jouw mensenkennis en jouw gevoeligheid zou je wel vlug weten hoe echt en oprecht het allemaal zou zijn.”

“Ik weet het niet, Prudence. Gevoeligheid, ja. Mensenkennis, absoluut niet. Bovendien, als ik verliefd ben, ben ik een andere mens. Dan ben ik blind. Dan zie ik geen fouten of gebreken. Dan geloof ik blindelings alles wat ze mij op de mouw spelden. Zo is het altijd geweest. Het is mijn eeuwige fout. Het is een doem.”

“Je moet wel een tikkeltje geluk hebben, en vroeg of laat komt dat wel.”

Ik richtte mijn ogen op een van de ingekaderde gedichten die hij, nogal willekeurig verspreid, aan de muur van de woonruimte opgehangen had. Ik geloof dat hij nu precies dat had willen zeggen wat ik vóór mij zag:

Wiens ogen wijd geopend waren

kreeg mij als blinde vaak te zien;

en geen van hen kon ik ontwaren

want veel te slim voorwaar, of ziek misschien.

Ik zei: er is slechts iemand hier op aarde

die weten moet hoe ik echt ben of was;

hij schat mij naar mijn zuivere waarde

– ik wou dat ik die iemand had, en dat hij mij genas.

Ook dit was geschreven onder invloed van zijn Jules. Ik voelde eens te meer wat er de laatste tijd in hem moest omgegaan zijn, en ik beklaagde hem in mijn binnenste. Hij verdreef echter zelf mijn nare gedachten, en vervolgde zijn uiteenzetting.

“Bovendien, om terug te komen op je beroemdheden, denk je dat de grote namen van onze tijd zoveel geluk en zoveel liefde en zoveel succes hebben? Ik ken een geval, niet persoonlijk natuurlijk, van een zeer beroemde filmacteur, een oneindig mooie jongen met heel lieve maniertjes en een fluwelen stem, en niet getrouwd. En wat verklaart hij in Playboy? Dat hij eenzaam is, dat hij geen vrienden of vriendinnen heeft, dat hij helemaal geen mensen kent of ontmoet, behalve de lui van de business. Je kan dat moeilijk geloven van hem als je hem in Gay Days Returning hebt gezien. Maar het is zo. Een beroemdheid wordt omstuwd door de mensen van zijn vak, de mensen die hem gemaakt hebben en zo willen houden, en alleen door hen: door collega’s, door managers, door persmensen, uitgevers, nieuwsjagers, advocaten en contractspuiers. Hij krijgt de kans niet om de echte mensen van de straat te ontmoeten, mensen van vlees en bloed, die niets te maken hebben met zijn zaken. En omgekeerd is het precies zo: de gewone mensen willen hem wel ontmoeten, ze willen niets liever, maar ook zij krijgen de kans niet, en bovendien durven ze niet. Want ze denken dan: ja, zo’n beroemd iemand heeft ongetwijfeld aan elke vinger een liefje of een aanbidder – wat durven wij dan iets voor hem voelen? Ze zitten natuurlijk in hun hoofd met de dwanggedachte dat hun beroemdheid een supermens is, ja, een onbereikbare god. Ze voelen zich te minderwaardig en te gewoon om naar hun idool te gaan. En dat is hun schuld. Maar ondertussen sterft dat idool langzaam van de eenzaamheid, als een chrysant na Allerzielen, na de eerste zware vorst. De geschiedenis kent meer dan één dergelijk geval.”

“Jij weet toch veel, Quentin. Hoe komt dat toch?”

“Te veel. Ik probeer het allemaal te vergeten. Het hindert mijn gevoelsleven, het hindert mijn gedichten. Ik probeer alles te vergeten wat ik geleerd heb. Ook onze Romeinse dichters. Soms voel ik nog dat ik mij onbewust laat beïnvloeden door gedichten die wij vroeger op school gelezen en ontleed hebben. Het is schandelijk en ergerlijk. De beste dichter is hij die niets van literatuur weet. De beste componist is hij die nooit een conservatorium gezien heeft. Ik bedoel: de gevoeligste componist, de man die zijn ziel in klanken bloot geeft. Tegenwoordig bedoelt men met ‘de beste’ al te vaak de verstandigste, hij die het langst gestudeerd heeft en die elke gerenommeerde school, elke Master Class ter wereld bezocht heeft. En die kapen dan de prijzen weg van jury’s die zelf allemaal uit soortgelijke bollebozen bestaan. Dat zijn dan schilders die zo ‘perfect’ schilderen dat er geen enkel foutje meer te ontdekken valt – maar wier werk niet aangrijpt. Muzikanten die wiskundig juiste, maar onbeluisterbare partituren schrijven. Dichters die alles weten van hun metrische theorieën en politieke programma’s, die voortdurend tijdschriften oprichten en afbreken, sensationele manifestaties in het leven roepen, maar die niet in staat zijn om ook maar iemand aan te spreken – zelfs zichzelf niet.”

“Je hoeft je niet op te winden. Maar als je beroemd bent, kun je daar verandering in brengen.”

“En ja, dat zal ik. Als ik de kans krijg. Maar daar komt niets van. Het establishment is van beton, ook al beweren ze zelf dat het kraakt en scheurt van de voortdurende revoluties en de botsende stromingen.”

“Ik kan er nochtans voor zorgen dat je die kans krijgt, Quentin. Het is niet zo moeilijk voor mij. Jij hoeft alleen wat mee te werken en mij niet te veel tegen te werken, want dat zou je wel eens durven doen. Maar je moet gewoon de kans aangrijpen die ik je zal proberen te geven. Ik heb maar een paar dagen nodig, misschien maar een dag. Ik heb relaties, weet je, en geen gewone. Het speelt al lange tijd in mijn hoofd, en ik weet dat het niet direct jouw stijl is. Maar met jouw stijl, jouw aanpak, kom je nergens.”

“Ja, Prudence? Ach kom, je hebt dit al eerder gezegd en beloofd. Relaties? En je hebt geen cent, kom nou!”

Het was waar: ik had geen rooie cent. De laatste dagen van de maand was het voor mij altijd crisis. Maar ik had iets anders, wat voor mij heel wat belangrijker en nuttiger was: de aantrekkingskracht van een mooie, jonge vrouw. Een vrijgevochten vrouw.

Misschien klinkt dit ijdel, misschien was en ben ik ook ijdel – welke vrouw is dat niet? – maar de feiten spraken niettemin voor zich. Er was geen man die mij op straat zou voorbijgaan zonder stiekem oogcontact te zoeken of mij belangstellend na te kijken. Ook als ik uitging bijvoorbeeld, werd ik altijd tersluiks bewonderd, en de barjongens pikten mij zonder mankeren uit het gezelschap om een complimentje of een grapje te maken. Ik was populair. Er ging trouwens geen week voorbij of iemand probeerde mij het hof te maken, en ik kende meer dan één man die mij in zijn dolle verliefdheid maandenlang met bloemen of cadeautjes bleef nazitten, ook al had ik al vaak gezegd dat ik van die attenties niet gediend was en dat ik niet te koop was.

Het waren niet altijd jongelui, integendeel. De meeste aanbidders waren dertig jaar of ouder, de vurigsten telden zelfs het dubbele van mijn leeftijd. Vreemd genoeg waren ze praktisch allen heel rijk en getrouwd, en vaak vroeg ik mij af wat ze dan toch in mij zagen of hoopten te vinden.

Weliswaar had het grootste gedeelte van deze schare patsers een totaal verkeerde vrouw getroffen – meestal een even kapitaalkrachtig én modieus wezentje, dat echter na het huwelijk kostelijk, kribbig, hebberig, kortzichtig en vooral ziekelijk jaloers bleek te zijn. Weliswaar was ik alleen al aantrekkelijker dan al die dametjes samen, en vriendelijker en prettiger bovendien. Weliswaar was het feit dat ik als jonge vrouw alleen op een flat woonde, een permanente verleiding voor de ontevreden en teleurgestelde echtgenoten. Maar echt sluitende verklaringen waren dit toch niet voor mijn aanhang bij het herenvolk, en dus besloot ik dat het geheim van mijn wereldse succes wel in mijn onweerstaanbare charmes moest liggen. Jong, mooi en alleen, zoals in het liedje.

Nochtans, op enkele uitzonderingen na, hield ik niet erg veel van hen. De aantrekkingskracht was niet wederzijds. Maar het leven dat ze mij voorschotelden beviel mij wel, en uitermate. De ene nodigde mij uit op een chique diner met zes gangen. De andere – Jean-Marie, als ik mij niet vergis – haalde de champagne boven zodra hij mij zag en hij bleef maar schenken alsof het bronwater was. Die had trouwens een vrolijk hondje, een teckel of dashondje, dat stevig meedronk en dat ik Weenie noemde vanwege zijn vorm. Frederik, een welvarende, erg gewilde tandarts stond mij zijn Porsche af telkens als ik maar even zin had om door de lanen van de stad te scheuren. Er was er ook een – een zekere Omer, en erg vermogend – die mij binnenhaalde in zijn stoeterij, zijn ‘paardenstal’. Ik had daar mijn eigen paard, hij heette Fury – waar is de tijd – en ik mocht dat verzorgen en koesteren alsof het van mij was zodat ik er al vlug een bijzonder innige band mee had. Omer was trouwens ook de eigenaar van tennisclub Magnolia, annex bar en brasserie, en al mijn uitgaven waren voor zijn rekening, hij had niets liever. Op de momenten dat hij zich kon bevrijden van zijn vrouw-inspecteur, stond hij met de breedste glimlach en zijn glimmende kale knikker naar mij te gapen. Niet beschaafd en fatsoenlijk van op een afstand, maar van schaamteloos dichtbij! En soms samen met zijn kinky vriend Eustache.

Het waren echte gekken. Natuurlijk wist ik wel waar ze op uit waren. Maar ik was eerlijk en gaf hun geen ijdele hoop, ik beloofde niets en bedroog geen van hen: zodra ze iets wilden ‘ondernemen’, zei ik vlakaf dat ze zich niets hoefden voor te stellen, dat ze er zelfs niet aan mochten denken en dat ik het bij gezonde kameraadschap wilde houden. Wat flirten en wat uitdagen en wat spelen wilde ik er wel bijnemen, maar dat zei ik niet zo letterlijk. Voor de rest … Het was echt hoogst uitzonderlijk dat ik iets meer toeliet en dat iemand zijn zin kreeg.

Deze tactiek bleek echter meestal niet goed te werken. Ik geloof dat mijn noli me tangere hen nog meer prikkelde. Maar hoe dan ook, ze konden mij niets verwijten. Ik had hen gewaarschuwd dat het bed altijd privé zou blijven, ze wisten het dus. Als ze dan toch peperdure cadeautjes wilden geven, of verwoede pogingen wilden blijven doen, dat was dat hun zaak. Zot zijn doet geen pijn, dat was een van de vele wijsheden die ik met de moedermelk naar binnen had gekregen.

Ik kon van hen alles gedaan krijgen. Ik verplichtte hen tot niets. Ik profiteerde heel zeker niet van hun gevoelens en verlangens. Zijzelf drongen zich op. En dat was natuurlijk vleiend, amusant en gemakkelijk. Ik hoefde gewoon eens vriendelijk te lachen, of een treurig mondje op te zetten, of een meisjesachtige gêne voor te wenden, en ze stonden klaar om mij ter hulp te snellen. Ja, die mannen waren dwaas, echt dwaas, en ik was er de oorzaak van, maar zeker niet de schuld.

Uiteraard had ik die rijkelui niet heel mijn leven gekend – mijn ouders waren middenklasse, eerder van lage afkomst. Het begon zo ongeveer omstreeks mijn achttiende, toen ik de school verliet en echt vaak begon uit te gaan, elk weekend, de tijd van Françoise Hardy met Tous les garçons et les filles de mon age. Dat uitgaan was trouwens toen nog niet zo wild als later; het gebeurde altijd in het gezelschap van mijn oudere zus en haar man. Quentin zelf, die ik jarenlang op school had gekend, die ging nooit uit. Zelfs veel later, toen hij een volwassen twintiger was, waagde hij zich alleen maar in het uitgaansleven als hij een goede reden had of als hij gewoon niet kon ontkomen.

Nu, ik weet wél dat ik, en niemand anders, verantwoordelijk was voor het gedenkwaardige moment van zijn ‘eerste keer’. Wij waren allebei laatstejaars, en ik was zowat het vrolijkste meisje van de klas dat in geen tijd, zonder moeite, en met totale inzet een feestje in mekaar kon boksen.

Ons schooljaar was afgelopen, en natuurlijk organiseerde ik een fuif – dat heette zo – om het afscheid met heel de klas en alle vrienden te vieren. Dat werd gewoon van mij verwacht. Quentin zei aanvankelijk neen, maar ik oefende zoveel druk uit op onze vriendschap dat wij dan toch die vrijdagavond samen verschenen in de Parochiekelder die ik voor het feest gehuurd had. Het was een groot succes, uiteraard. Wij dansten met zijn allen als één langgerekte slang op If I had words van Yvonne Keeley, en meer dan eens. Trouwens, ook die uitgelaten kettingdans was een vondst van mij, ingegeven door de geestdrift van het moment. Zelfs Quentin deed eenmaal mee, hoewel hij absoluut aan iedereen kwijt wilde dat die hit geschreven was door ene Camille Saint-Saëns, een klassieke componist.

Toch kon hij achteraf niet toegeven dat hij zich geweldig vermaakt had. Of dat hij meer dan genoeg gedronken had. Neen, toen wij tegen de ochtend het zaaltje onder de kerk verlieten, begon hij zelfs op straat onbeheerst te wenen. Niet van verdriet, zei hij, maar omdat hij op de fuif had ingezien dat hij werkelijk alleen van jongens en mannen kon houden zonder dat hij van hen een greintje liefde zou terugkrijgen, en dat hij anderzijds ervaren had dat veel vrouwen wel van hem hielden, maar dat dit hem compleet koud liet. Wat moest er van hem geworden? Open vraag, en geen antwoord. Dat was ook niet de bedoeling. Vanaf dat moment wist ik echter heel goed dat hij het de volgende jaren geweldig moeilijk zou hebben om een levensgezel te vinden – want daarvoor zouden zijn asociaal gedrag en zijn kluizenaarsbestaan een dikke spaak in de wielen van zijn toekomst steken.

Niet veel later huurde ik een flat en zei ik dááág met het handje, of omgekeerd. En van het ene kwam het andere … Als ik mij goed herinner, was Jean-Marie de allereerste. Een echte galante beau van ruim dertig jaar. Hij maakte kennis met ons drieën in een pub – oudere zus, schoonbroer, ikzelf – en nodigde mij apart uit om de volgende dag een partijtje badminton te gaan spelen op een privéterrein van een goede kennis. Het was die volgende dag, en op dat privésportveld, dat ik dan een vennoot van Jean-Marie ontmoette – Eustache heette hij – die mij ‘s avonds meenam naar een onvervalst decadente party waar de drank letterlijk stroomde en seks hét motto van de nacht was. En toch kon ik ontsnappen aan het ergste. Het was trouwens op die fuif dat ik voor het eerst Theo R. zag, de baron, die later zo belangrijk voor ons zou worden en die toen nog helemaal niet aan een rolstoel had durven denken, en nog minder aan de zielige afloop van de zaak. Op datzelfde partijtje sleepte ik op z’n minst zeven uitnodigingen in de wacht – ik zat er echt niet op te branden, maar ze hielden niet af en ik voelde mij geweldig – en het volgende weekend werd ik reeds feestelijk voorgesteld in de brasserie van Omer, waar ik in geen tijd de mascotte werd van de club. Kortom, in een paar weken was ik doorgedrongen tot de elite van de stad. Het had mij noch moeite, noch geld gekost.

Het was een verrukkelijk gevoel om overal de grote ster te zijn, om te weten dat iedereen je bekijkt – soms met afgunst of misprijzen, soms met begerige blikken – en te beseffen dat je na een korte tijd in dergelijke kringen iemand bent. Ik geloof zelfs dat ik na enkele maanden zo onmisbaar geworden was, dat ze feestjes organiseerden en uitstelden gewoon om mijnentwille. Dat was niet altijd zo, natuurlijk. Maar toen ik bij voorbeeld op een zomerse dag door de drukke Hoofdstraat raasde met de Porsche van Frederik, toen kon ik meestal slechts met één hand het stuur vasthouden omdat ik met de andere mijn gesticulerende relaties op het trottoir moest begroeten, of mijn grote zonnebril weer eens op mijn neus moest drukken, dat ook. Het was heerlijk. En ik was toen amper negentien of twintig jaar oud.

Let wel, ik liet mijn leven nooit domineren door deze aanbidders. Zelfs niet door Guy, een van de weinigen die ik echt sympathiek vond – hij was dan ook studieprefect van de grootste school van de streek. Eigenlijk geloof ik eerder dat ik hen domineerde, hoewel onbewust en onopzettelijk. Ik bleef ook even vaak Quentin ontmoeten, en de gezelligste avonden waren ongetwijfeld die in zijn gezelschap, thuis, zoals deze avond toen hij iets losliet over zijn gedicht Naja naja, zwarte mamba. Omstreeks deze periode ongeveer maakte ik trouwens het meest furore bij mijn bourgeois vrienden. Ik was geen meisje meer, maar ook geen echte, volwaardige vrouw.

“Hoe kun jij nu waarlijk relaties hebben, Prudence?” vervolgde Quentin, en hij geeuwde. “Je hebt geen cent, je hebt geen eigen huis, zelfs geen auto meer. Ik weet wat je nu gaat repliceren, ik weet wel dat je er veel vrienden en aanbidders op nahoudt uit de zeer gegoede kringen – maar denk je dat ze je werkelijk een of andere gunst zullen toestaan, dat je werkelijk invloed op hen hebt? Daar geloof ik geen barst van!”

Ik lachte. Quentin kon maar niet geloven dat ik echt zo gewild was bij hen. Hij kende die wereld niet – nog niet – en hij was zich ook absoluut niet bewust van de kracht van vrouwelijke charmes. Ik had hem al vaak verteld over dat bijzondere milieu van superlatieven, dat is waar, maar hij had er geen voeling mee. Integendeel, het waren mensen die hij haatte, en hij veronderstelde dat ze op de een of andere manier misbruik maakten van mij. Ik nam hem dit helemaal niet kwalijk. Als hij geen dichter was geweest, dan was hij toen waarschijnlijk een communist geweest, of een grimmige inciviek in de onderwereld, zo dacht ik erover.

“Maar ja, maar ja. Jongen, ik mag vragen wat ik wil. Ze vechten om mij een genoegen te doen. Wat anders gaan ze met hun geld en hun tijd uitrichten? Well respected men … Maar je zult het toch pas geloven als ik je met de neus op de resultaten druk, als je het allemaal zelf ondervonden hebt. Vergeet niet, het zijn mensen – ik bedoel: het zijn ook mensen. Met de goede en de slechte kanten van de soort. En ze zijn vermogend.”

“Goed dan. Maar wat zien ze dan toch in jou? Waarom willen ze alles voor jou doen?”

“Dat is iets wat jij wel nooit zult begrijpen. Ikzelf vond het ook heel vreemd in het begin, toen ik nog een bakvisje was. Ik denk dat ik van binnen zelfs in opstand kwam. Ik wist ook niet hoe het er bij de oudere mensen aan toeging, zeker niet bij die mensen. Ik had thuis niet anders gekend dan de problemen om elke week rond te komen, met dan nog een vader die onvoorspelbaar was – volgens sommigen een halve gek, volgens anderen een uitvinder en een half genie – een vader ook die soms zijn handen niet kon thuishouden. Maar, vriendje, ik ben nog steeds een jonge vrouw, en zij zijn mannen, meestal ook verwende mannen. En ik schijn nu eenmaal iets te bezitten wat alle mannen aantrekt. Alle mannen, behalve jou en die anderen natuurlijk. Het is niet alleen charme, het is nog iets anders, iets meer. Ik hoef niets speciaals te doen. Ik hoef ze zelfs niet uit te dagen of zo. Ze zeggen dat ik het verschil maak op feestjes, stel je voor. Ik amuseer mij gewoon, ik praat en ik dans en ik lach met iedereen, zonder uitzondering. Ik heb geen enkele voorkeur, geen voorliefde – toch niet als ik uitga – en hoe meer ik mij amuseer, hoe aantrekkelijker ze mij vinden. En het dateert al van de tijd van Adam en Eva en de verleiding in het aards paradijs.

“Stel je eens voor, Quentin, dat ik een jongen was. Of neen: stel je eens voor dat je een heel leuke jongen kende met een engelengezichtje en een even aanbiddelijke figuur – meen nu niet dat ik zo over mijzelf denk – wel, stel je eens zo’n jongen voor. Zou je niet alles voor hem willen doen, in de mate van het mogelijke? Ik bedoel, ook al doet hij niet meer dan gewoon aanwezig zijn en lachen? Zou je niet alles voor hem willen doen? Zou je hem niet uit eigen beweging alles proberen te geven wat hij nodig zou kunnen hebben? Zeker als er ook anderen waren die dat deden. Zou je die anderen niet de loef willen afsteken, en wensen dat die geweldige jongen jou boven alle anderen verkiest – dat hij iets vaker en dieper naar jou zou glimlachen?”

“Jazeker. Eigenlijk zou ik willen zeggen: ja – maar ik bedoel in feite neen. Als ik zou weten dat een massa anderen achter die halfgod aanzit, en dat hij mij gewoon in het rijtje onderbrengt en rangschikt, dan zou ik dat niet doen. Dan zou ik hem laten vallen als een steen. Ik zou natuurlijk wel willen dat hij mij verkiest boven de anderen, maar dat is hier niet het geval in onze hypothetische situatie, aangezien jij toch ook niemand verkiest. Je moet weten, Pru, dat ik een jongen wil om te trouwen en te houwen, om mee te leven, en niet zomaar voor een pleziertje of een long distance-glimlachje. Ik wil hem hebben … Hebben! Bezitten! Maar als ik de vergelijking werkelijk doortrek, dan betekenen je woorden dat je denkt dat al die rijkelui verliefd op je zijn?”

Ik moest eventjes die laatste redenering verwerken eer ik antwoord kon geven. Hij had nochtans gelijk. Ze waren allen min of meer verliefd op mij, dat kon niet anders. Ik had er nooit een minuut bij stilgestaan. Voor mij waren ze gewoon interessante kennissen, goed voor een avondje uit, mensen in wier gezelschap ik mij feestelijk vermaakte, effectieve warmbloedige remedies tegen de verveling. Maar nu moest ik toegeven dat ik hun idiote verliefdheden en avances volledig verwaarloosd had. Ik had het eigenlijk nooit willen weten. Erger nog: ik moest ook toegeven dat ik niets van dien aard voor hen voelde. Ze lieten mij koud. Op Guy na, misschien.

“Welja, misschien zijn ze een tikkeltje verliefd op mij. Maar dat is iets totaal anders dan wat jij verstaat onder verliefd-zijn. Bij deze typen is het meer een spel, een avontuur, een ­beetje apenkuren. Een soort wedstrijd, een tweede jeugd. Het is hun niet-aflatende veroveringstocht als jager, de aangeboren zoektocht naar de prooi. Het is instinct. Begrijp je, ze zouden wel willen vrijen, maar dan heel stiekem, en van trouwen zou helemaal geen sprake zijn. Dat zou alles voor hen bederven, zeker weten. Dat is te ernstig. De pogingen om de buit binnen te halen zijn belangrijker dan de buit zelf. Het is ook een erezaak.”

“Dat zou best kunnen, ja. Voor de Neanderthalers van deze tijd.”

Wij lachten. Wij hadden al vaker over mijn vriendenkring gesproken, en ik wist dat het moeilijk was om zijn vooroordelen weg te werken. Het was bijna onmogelijk. Voor hem waren het allen kapitalisten, verwende burgers, opportunisten … Eigenlijk had hij grotendeels gelijk, in theorie althans, maar hij scheerde hen jammer genoeg allen over dezelfde kam. En het leven van vermaak en onschuldige pret was hem volkomen vreemd. Quentin had alleen rijke gevoelens, hij was te kwetsbaar en te sensitief. Hij had ook al zoveel dingen meegemaakt, en daar leefde hij van: van zijn gevoelens en zijn herinneringen.

“Maar, Quentin, je hoeft je niet echt in te laten met hen. Kunnen wij niet afspreken dat je gewoon doet wat ik je zeg, en dat ik dan voor de rest zorg? Het is voor mij een peulschil … Ik vermeld gewoon je naam eens met veel lof en enkele goed gekozen woorden, en de volgende dag zijn de banden al gesmeed.”

“Met Guy, bij voorbeeld, Guy Daniëls?”

Hij lachte pesterig. In het groene licht leek hij nog tengerder dan anders.

“Inderdaad, ik dacht onder andere aan Guy – en hij is een belangrijk schoolhoofd. Maar hij is slechts het begin. Dat is slechts een aanloop. Er zijn zoveel anderen. Hij kent ontzaglijk veel mensen.”

“Wanneer heb je de heer Daniëls voor het laatst gezien – vandaag nog?”

“Neen. Afgelopen nacht.”

“Zo. Vannacht? Ik begrijp het. Dat begint een gewoonte te worden, niet?”

“Ja, hij kwam aanbellen omstreeks drie uur. Ik was nog niet ingeslapen, want ik had een voorgevoel dat hij zou komen. Hij had weer ruzie gemaakt met zijn vrouw – of zij met hem, dat is wel een verschil – en hij is dan blijven slapen bij mij. Weet je, Quentin, van alle minderwaardige echtgenotes heeft hij wel de ergste getroffen, de sukkel. Zij is een feeks. Lisa heet zij. Zij is echt geen vrouw voor hem. Zij beschouwt hem als haar bezit, als haar eigendom, en dat is absoluut niets voor Guy. Guy houdt van zijn vrijheid zoals niemand anders. Zij begrijpt hem niet. Zij verwacht van hem dat hij huisvadertje speelt of pantoffelheld, dat hij na zijn werk gewoon thuiskomt, vervolgens eet en dan teevee kijkt, tot het tijd is om te gaan slapen – en dat alles samen met haar. Maar Guy wil vrienden en vriendinnen hebben, hoe meer hoe liever. Hij is nog niet oud – amper veertig – en zeer ontwikkeld en ambitieus. Hij wil uitgaan, hij wil onbeperkt contacten kunnen leggen om zich te uiten, hij wil zich manifesteren en zeker niet opgesloten zitten in dat nauwe straatje. Van zodra ze getrouwd waren, hebben ze ruzie gemaakt. Hoe hij al die tijd bij haar is kunnen blijven, is een raadsel voor mij. Een mysterie ...”

“Dat klinkt alsof je verliefd op hem bent, is het niet?”

“Begin jij ook? Mijn zuster beweert precies hetzelfde. Ik ben helemaal niet verliefd op hem, hoe vaak hoef ik dat nog te zeggen? Ik ben wel begaan met hem, erg begaan. Ik vind hem sympathiek, sympathieker dan al die anderen. Ik help hem. Hij is de enige die bij mij wat anders zoekt dan louter pret of avontuurtjes. Hij heeft problemen, en daarvoor komt hij naar mij. Hij heeft geen liefde, hij heeft nooit liefde bij zijn vrouw gekend, want die denkt dat het huwelijk slechts een toneelstuk is, een sketch. Een draaiboek dat nauwgezet gespeeld moet worden. Maar ik probeer hem die liefde te geven. Telkens als hij bij mij vertrekt, vertrekt hij als een ander mens, als iemand die zich versterkt heeft en opgelucht is. Dan voelt hij weer iets voor het leven.”

“Sta mij toe dat ik nu weer even lach.”

“Geloof je mij niet? Vind je dat ik overdrijf?”

“Ho maar, dat heb ik niet gezegd. Neen, Pru, ik begrijp je wél. Maar is hij dan niet verliefd op jou?”

“Als jij mij precies kunt zeggen wat je bedoelt met verliefd zijn, dan zal ik je vraag onmiddellijk beantwoorden.”

“Och … Laat maar.”

Quentin maakte op de bank een lusteloos gebaar om zijn onverschilligheid kracht bij te zetten. Ik wist dat het hem eigenlijk niet erg interesseerde hoe ik over Guy dacht en wat wij samen deden. Ik had dit nu juist wel graag gehad, en ook dat hij mijn vriendschap met Guy in het juiste daglicht zou zien. Ik had al eerder pogingen gedaan. Maar voor hem was dat volslagen onbelangrijk. Ik hoefde mij niet te verantwoorden, zei hij altijd. Het enige wat hem in Guy interesseerde, was dat het een hetero was van rond de veertig, dat hij te kort haar had naar zijn smaak, en dat hij ook helemaal geen knap type was – volgens de foto’s die ik hem getoond had, want hij had Guy toen nog nooit ontmoet. En aangezien hij de man op vele punten niet aantrekkelijk vond, had die simpelweg afgedaan bij hem. Zo was Quentin.

Hij geeuwde en stak een sigaret op. Quentin was totaal anders dan Guy, totaal het omgekeerde. Ik vroeg mij af of ze zouden kunnen overeenkomen als ze elkaar eens voor het eerst ontmoeten. Ik dacht het niet. Ze waren te verschillend. Quentin was voor de jongens, Guy sprak alleen over de vrouwen, en dan nog op een vrije, stoute toon. Quentin was een eenvoudige staatsambtenaar (zonder de typische mentaliteit evenwel), Guy was de gerespecteerde, moderne atheneumprefect. Quentin was passief en afwachtend, Guy was een en al levenslust, ambitie en dynamiek. En nog zoveel andere verschillen.

De enige overeenkomst was ik, bij wijze van spreken. Ik vormde de verbinding doordat ik hen allebei wilde steunen, van harte. Ik had mij min of meer als levensdoel gesteld om Quentin aan een goede man te helpen en om hem zijn literaire talenten te laten exploreren. En toen ik Guy wat beter had leren kennen, was ik gedreven door de wil om ook hem bij te staan in zijn problemen met zijn spinnijdige vrouw.

Voor ik de deur achter mij dichttrok, vroeg ik aan Quentin of hij zou opdagen als de gelegenheid zich voordeed om kennis te maken met mijn vermogende relaties. Hij zei duidelijk en rustig ja, en wenste mij een goede nacht.

DIEZELFDE nacht kwam Guy weer naar mij toe en ik ontving hem met open armen. Ik kende hem al zo lang dat ik eigenlijk niet meer zonder hem kon leven, en dat was ook zo met Quentin. Nog een overeenkomst dus.

Voor wij gingen slapen, vroeg hij waar ik geweest was, want hij was die avond al eerder aan mijn deur geweest. Daarna stortte hij weer zijn hart uit over de onhebbelijkheden van zijn vrouw. Zij had via een vriendin weer eens vernomen van zijn nachtelijk bezoek aan mij, en zij had geëist dat het niet meer zou gebeuren. Daarop had hij de lasagne onaangeroerd gelaten en was hij weggereden, op zoek naar gezelliger oorden. En tenslotte was hij naar mij toegekomen om te praten en de nacht in rust en vrede door te brengen. En in bed.

Het was zielig dat een rijpe, ontwikkelde man met zijn allure en zijn achtergrond hulp moest zoeken bij een meisje van midden in de twintig. Hij zei dit niet, maar ik voelde het zo aan. Ik was blij dat hij er was. Ik was blij dat hij voor zijn problemen weer aan mij gedacht had. Er waren nog andere adressen, maar het was duidelijk dat ik op de eerste plaats kwam.

In bed spraken wij even over Quentin, niet meteen natuurlijk, zeker niet. Hij kende mijn dichterlijke vriend alleen van naam: ik had hem al ettelijke malen terloops over Quentin gesproken. Hij luisterde dan belangstellend omdat hij wist dat Quentin mijn trouwste vriend was, en omdat ik hem er al lang van had kunnen overtuigen dat het gewoon een hechte vriendschap was, en niets meer. Dat was niet eenvoudig, dat was trouwens nooit eenvoudig bij de mensen. Niet dat ik hem ooit letterlijk gezegd had dat Quentin een homo was – dat zei ik tegen niemand, want ik schaamde mij voor het woord – maar het viel eigenlijk nog best mee, omdat Guy mij gewoon geloofde op mijn woord. Altijd. Hij vertrouwde mij volkomen. Als ik dus zei dat Quentin een vroegere schoolmaat en een trouwe vriend was, dan twijfelde hij er geen ogenblik aan. Precies dat veilige gevoel ontbrak in zijn huwelijk. Zijn vrouw geloofde hem nooit, en daardoor ook kon hij op zijn beurt haar voor geen sikkepit vertrouwen. In zijn logica.

Ik vroeg hem of hij Quentin niet eens wilde leren kennen. Hij zei dat hij het graag zou willen, en dat ik eens op een avond moest langskomen met Quentin. Misschien was dit gewoon een antwoord uit beleefdheid, misschien hoopte hij op die manier het onderwerp tijdig af te ronden. Diplomatie en manners waren zijn sterke punten. Trouwens, in zijn hoedanigheid van prefect – zo voegde hij er meteen aan toe – kwam hij met alle slag van mensen in contact, ook met literatoren, taalspecialisten en gastsprekers, en hij zou Quentins gedichten zeker kritisch willen beluisteren. Quentin moest dan maar een selectie maken van zijn beste werkjes, en dat dan zelf komen voorstellen.

Guy sprak ook van het nakende galabal dat de machtige industrieel Theo R. over veertien dagen zou organiseren. Het zou iets gigantisch worden, iets extraordinairs, een grootmogol waardig en typisch voor Theo R. Zijn bijnaam was niet voor niets de baron. Dat, verklaarde Guy, was ook zijn codenaam geweest toen hij in de oorlog in het verzet gezeten had, in de groep Cordelia van de Witte Brigade. Samen met Guy’s vader, overigens, die toen vooral banden had met het Nationaal Legioen en die mogelijk door een medestander verraden werd. Het gevolg was dat Guy’s vader samen met enkele liberale verzetslieden in de stedelijke Feldgendarmerie zonder proces geëxecuteerd was. Een ander gevolg, en nog belangrijker voor later, was dat baron Theo R. en andere leden van de ‘Witten’ contact bleven houden met de jonge zoon Guy, zijn moeder en de familie. Wat nadien goed van pas kwam, want een aantal weerstanders die de oorlog overleefd hadden, vormden spontaan een soort van burgerlijk, libertijns netwerk ter nagedachtenis van de omgebrachte helden – zoals Guy’s vader – alsook om elkaar met raad en daad bij te staan. Het belang van zo’n netwerk kon moeilijk overschat worden, want Guy was er haast zeker van dat deze oude, trouwe clique iets had betekend in zijn benoeming tot prefect van de atheneumscholengroep. Nooit eerder immers had een man op zo’n jonge leeftijd – hij was nog geen vijfendertig toen – een dergelijke betrekking veroverd.

Het was niet de eerste keer dat ik dit verhaal over de verzetsman en zijn dood te horen kreeg, maar nu pas vertelde Guy wat meer over de band met Theo R., en over het informele netwerk dat na hun geheime oorlog was ontstaan. Ik wist dat Guy enorm veel vrienden had, dat hij mensen kende die actief waren, of geweest waren, in alle geledingen van onze maatschappij – tot in de misdaad. Maar nu begreep ik ook dat hij, als geboren opportunist, zich nooit zou schamen om te gepasten tijde en indien nodig gebruik te maken van die relaties.

“Aha, nu komt de aap uit de mouw!” reageerde ik in een mix van ernst en vrolijkheid.

“Hoe bedoel je?” vroeg hij nogal bits, alsof ik hem aangevallen had.

“Niets speciaals. Gewoon dat de appel niet ver van de boom valt en dat het voor mij duidelijk is van wie je je politieke interesses geërfd hebt. Zeg maar, je ambities. Of niet?”

“Wel, Prudence, op dat punt zit je er glad naast. Uiteraard was ik als jong broekje onvermijdelijk betrokken bij mijn vaders engagement, al was het maar een ­beetje, want het was gevaarlijk, heel gevaarlijk. Maar het zou je verwonderen hoe weinig ik akkoord ging met de grondslagen van die beweging. Je kunt mij bezwaarlijk een volgeling van mijn vader noemen. Sterven voor het vaderland, dat zit er voor mij niet in. Helemaal niet. Misschien wel voor de vrijheid. De vrijheid van iedereen, en van het individu in het bijzonder, zeker mijzelf. Vechten nog wel, maar sterven? Neen, hoor. Dat is eigenlijk niet meer dan ouderwetse romantiek.”

“Ja, ja, zo ken ik je, natuurlijk. Ik zei het trouwens om je wat te plagen.”

“Het is ook goed om weten,” vervolgde hij, terwijl hij het boek van het verleden dichtklapte, “dat onze grootmogol op zijn galabal een aantal van die oude vrienden uitgenodigd heeft, maar ook de belangrijkste middenstanders van de stad, evenals bijna alle voorzitters van onze commissies en verenigingen, en de crème van de erkende intelligentsia. Mannen met titels, met lintjes en onderscheidingen. Ik ben ook uitgenodigd, dat spreekt vanzelf, en, lieve Prudence, ik reken erop dat jij mij zult vergezellen. Het grootse gebeuren zal plaatshebben in de Salons Montgomery, dat zegt al genoeg, en je zult heel wat voorname mensen ontmoeten, en herkennen, wie weet.”

Ik wachtte een paar tellen om te antwoorden, maar natuurlijk zegde ik hem toe. In mijn binnenste was ik oprecht enthousiast, maar ik hield dit liever verborgen. Weliswaar waagde ik het om in één en dezelfde adem een voorwaarde te verbinden aan mijn ja: ik wenste namelijk dat Quentin ons zou vergezellen. Ik had niet verwacht dat Guy hierop ronduit positief zou reageren, en ik had gelijk. Hij was er werkelijk niet erg voor te vinden, maar ik kon hem met enige moeite overhalen door Quentin als een zeer aangenaam en sociaal gezelschap af te schilderen, iemand die met iedereen overweg kon en zich nooit opdrong. Waarop Guy wat gromde, mij dan een kus gaf en slaperig zei dat het voor hem al goed was. Ik denk dat hij bedoelde: je kan het niet helpen, er is niets aan te doen.

Zo erg had ik trouwens niet gelogen. Quentin kon inderdaad met iedereen overweg en hij drong zich nooit op. Maar wat dat ‘sociale’ betrof, had ik wel schromelijk overdreven. Quentin zou er niet van houden om midden in een woelige massa opgedirkte en protserige typen te verkeren, en misschien zou hij zich zelfs in de praat van de rijkelui vervelen. Voor mij zelf was het nochtans de enige open weg om hem bekend te maken bij een ruimer en gedistingeerd publiek, en ik was ervan overtuigd dat die nacht zijn vruchten zou afwerpen. Het was een weg die voor de hand lag.

Theo R. had ik al eerder ontmoet, wie niet? Slechts eenmaal, ja, toen de verdorven Eustache mij meegetroond had, en toch vermoedde ik dat de man mij zich nog wel zou herinneren. Dat was zelfs meer dan waarschijnlijk, want hij had een voorliefde voor mooie, jonge mensen – zowel de vrouwelijke als de mannelijke variant. Ik achtte het goed mogelijk dat hij Guy verzocht had om mij aan zijn zijde mee te brengen (en niet zijn vrouw), maar ik interpelleerde Guy daarover niet, want zoiets was delicaat en hij zou het toch ontkennen. Maar het zou bijzonder de moeite waard zijn om Quentin aan Theo R. voor te stellen: Theo R. was rijk en machtig, hij vermocht veel, hij kende iedereen, en hij was niet alleen verslingerd op mooie, jonge mensen, maar ook en vooral op intelligente mensen – zoals Quentin, zonder twijfel.

Dit was precies wat ik mij nog kon herinneren van onze eerste en enige ontmoeting: een gezette senior, nogal klein van gestalte, met een kalend, glimmend hoofd als een zwetende pompoen. Van zijn uiterlijk moest hij het dus niet hebben, wel van zijn extravagante, grillige trekjes, zijn reputatie, en vooral van zijn vermogen. Hij had overal talrijke vrienden – tegenwoordig zou men dit een uitgebreid netwerk noemen – en nog meer verborgen vijanden. Relaties had hij te kust en te keur. Eens was hij getrouwd geweest – zo luidde het hardnekkige gerucht – maar dat was verleden tijd. Volgens Guy hield hij er nogal wat vriendinnen op na, maar geen vaste relatie. Kortom, in alles geleek zijn situatie op de hofhouding van de Franse koningen vóór hun onthoofding.

Ik wist nog dat Theo R. op die decadente afterparty van Eustache voortdurend omringd was geweest door mannelijke en vrouwelijke kennissen van diverse pluimage, die zich gedroegen als vliegen om een stroopkwast, en dat hij zich in dat gezelschap bewoog als een Amerikaanse president tussen zijn bodyguards. Fascinerend, zo waren zijn verschijning en zijn entourage in elk geval geweest. Met de glitter van briljanten alom.

Hij had geknipoogd naar mij en in de loop van de nacht had hij zich korte tijd amusant en flatteus met mij onderhouden. De man en zijn reputatie waren trouwens één en hetzelfde, merkte ik. De enige middelen om door te dringen in zijn kring waren dan ook grote rijkdom of vrouwelijk schoon, en ik was er makkelijk en spontaan in geslaagd. Ik zou er nu even makkelijk in slagen om Quentin te doen doordringen – en met een voldaan gemoed draaide ik mij naar Guy, en besteedde al mijn aandacht aan mijn uitgekiende schoolmeester, die nog meer ambities had dan ik.

THEO R. lag in bed en hij voelde de pijn weer opkomen. Hij wreef krachtig en regelmatig over zijn scheenbeen in de hoop dat het knagen zou verdwijnen. Meestal lukte dat wel, maar als het niet verbeterde, zou hij de verpleegster bellen. Dat zou hij nu toch zeker doen. Hij betaalde duizenden voor dat mens, en zij moest er dan ook maar voor werken, ook al was het nacht en ook al was zij een buitenlandse.

Om zijn aandacht van zijn gepijnigde benen af te leiden, begon hij te dromen van het bal, door hem zelf georganiseerd. Hij overliep met uiterst geconcentreerde aandacht de lijst van gegadigden, en vergenoegd werd hij er zich opnieuw van bewust hoe gesofisticeerd hij was te werk gegaan bij het uitkiezen van zijn gasten.

De helft van het gezelschap bestond uit de groten van de handelswereld, allen gegoede kennissen die het ver gebracht hadden, zoals hij. De andere helft beschouwde hij als een selectie van het brein van de stad, de intelligenten – rechters, magistraten, twee notarissen, diverse artsen, een chirurg, enkele wethouders, een professor, een universitair onderzoeker, een hooggeplaatste militair van de Navo, een bevriende schooldirecteur. Ook een bibliothecaris en haar dementerende voorganger, allebei fanatieke boekenwurmen, maar dat was hun zaak. In elk geval van de eerste tot de laatste gezaghebbende figuren. En intelligent.

Niet dat de zakenmagnaten niet intelligent waren – maar die waren het op een andere manier, dat waren de uitgeslapen vossen. Zij hadden het gemaakt in het leven, ofwel door hun afkomst, ofwel door hun sluwheid en wat geluk. De vastgoedmakelaar had trouwens veel, zo niet alles, te danken aan zijn vrouw die een actuaris was. En evenzo kon hij zeggen dat alle uitgenodigde intelligenten het ook ver gebracht hadden, precies zoals de magnaten, maar dan ook weer op hun andere, eigen manier. Eigenlijk was heel het gezelschap, de mannen althans, thuis te brengen onder de noemers welvarend en intelligent. Alle mannen, zonder uitzondering. En dan had je natuurlijk ook de vrienden van vroeger nog, van de weerstand. De strijders, de avonturiers, de helden – die hun les hadden geleerd in de school van het leven, zoals men het wel eens durfde te noemen.

Ook de geslachten waren mooi verdeeld. Er zouden iets meer mannen dan vrouwen zijn, comme il faut, en dat hield het peil en de allure van het bal hoog. Hij was er immers van overtuigd dat vrouwen geen inbreng mochten hebben op het verstandelijke vlak, gewoon omdat ze daartoe niet in staat waren. Hun rol was mooi te zijn en de mannen te behagen, niet meer dan dat – dat hadden de Fransen door de eeuwen heen volgehouden, en ze hadden gelijk ook. Vrouwen moesten voor de couleur locale en het entertainment zorgen, dat was alles. Pacifisten en democraten hadden weliswaar een andere mening, dat was hun goed recht. Maar de natuur was nu eenmaal zo.

Dan waren er ook nog enkele jonge homo’s uitgenodigd. Een risico, maar een must voor elke gastheer die de toon wilde zetten. Het was gedurfd, maar progressief. Het was tegenwoordig tout ce qu’il y a du chic. Hij kon die kereltjes – die zich om god weet welke reden ‘nichten’ lieten noemen – niet luchten, maar ze mochten niet ontbreken op een bal dat in de wijde omgeving de naam zou hebben groots, liberaal en vrolijk te zijn. Een positief punt was wel dat ze altijd goed waren voor een grapje of een plagerij. Die jongelui konden alles verdragen. Het waren weke, onnozele halzen die te idioot en naïef waren om te beseffen dat er om hen gelachen werd, en er wérd dan ook stevig om hen gelachen. Maar goed ook. Anders waren ze totaal overbodig.

Theo R. drukte op de zoemer die de verpleegster in de kamer ernaast moest wekken. De pijn was niet verdwenen, integendeel. Zij moest hem maar weer een injectie geven, of zij het nu goed vond of niet. Hij betaalde, en dus stelde hij de wet. Zij moest morgen ook maar eens degelijk met die dokter praten – naar haar zou hij wel willen luisteren: zij was toch niet zomaar een verpleegster van dertien in een dozijn, en bovendien was ook de dokter niet van hier, hoewel hij uit een totaal ander continent kwam. Korea? Japan? Een vermaard nefroloog, een nierspecialist, maar raar genoeg had hij vooral pijn in zijn onderste ledematen. Het begon altijd in de rug … Hoe dan ook, die kwakzalver zou ervoor moeten zorgen dat het allemaal vlug beter werd, of anders kon hij gaan aanschuiven aan de voedselbank. Geld speelde geen rol, dat moest die vreemde snuiter intussen al ondervonden hebben. En aangezien hij financieel carte blanche gekregen had, kon hij ook maar een extra inspanning leveren om zijn patiënt te genezen, of duurzaam op te krikken. Want die wilde in topvorm op zijn eigen galabal verschijnen.

De Slovaakse verpleegster kwam binnen en hield de naald tegen het licht. Theo R. glimlachte. Hij ontblootte zijn dij en wachtte op de verlossende prik. En ondertussen speelde zijn fantasie met een niet zo onschuldig binnenpretje.

Hoofdstuk 2

IK kan moeilijk zeggen dat Quentin in de wolken was over mijn plannen en verrichtingen. Ik vertelde hem van mijn gesprek met Guy – ik liet alle bijkomstige details achterwege – en van diens voorstel om Quentin bij hem thuis eens te ontvangen en te beluisteren. Hij zei dat hij nog steeds niet het nut inzag van een dergelijke ontmoeting. Guy was tenslotte niet meer dan een studieprefect, en bovendien iemand die ongetwijfeld misleid zou zijn door al de theorieën die hij al te horen had gekregen van zijn leerkrachten in de literatuur, de ene al spitsvondiger dan de andere.

Maar aangezien ik toch al beloofd had dat wij eens op een avond samen zouden langs komen bij Guy, kon hij niet anders dan toegeven – met overdreven veel tegenzin, weliswaar, al dan niet gespeeld. De uitnodiging was niet vrijblijvend, zei ik, maar ook niet brandend, en Quentin gaf dan ook als zijn inzicht te kennen dat het voor hem geen zaak te elfder ure was, en dat hij liever nog enkele weken wachtte.

Ik doorzag hem natuurlijk. Hij mocht dan een taalkunstenaar zijn die van het woord zijn leven maakte, hij had toch ook zijn zwakke kanten. Soms was hij nog echt een kind. Hijzelf bestempelde zijn houding als een aangeboren mensenschuwheid, maar ik wist dat dit slechts een afwijkende, zachtere benaming was voor zijn immense verlegenheid. Bij een eerste kennismaking was Quentin altijd super verlegen en teruggetrokken; en zeker als het iemand als Guy betrof, iemand met een respectabele positie en een zelfbewuste attitude, iemand die bovendien beloofd had kritisch te zullen luisteren: bij zo’n figuur stond het voor mij als een paal boven water dat het contact in het begin erg schuchter en weifelend zou verlopen. Ik wist ook dat zijn poging om het bezoek aan Guy uit te stellen, stoelde op een soort faalangst: hij vreesde niet alleen te zullen afgaan als hartelijke gast en innemende jongeman – iets wat hij graag wilde zijn – maar ook als dichter. Hijzelf vond zijn gedichten de beste, maar hij vermoedde dat hij met dit standpunt misschien alleen zou kunnen staan – vooral als hij zelf de gedichten hardop zou moeten voorlezen, in de wurgende greep van zijn stress. Hij duldde ook geen kritiek, en hij verwachtte dat die te overvloedig zou komen uit de mond van Guy. En daarom juist beweerde hij dat Guy als criticus niet geschikt was, of althans sterk misleid door andere betweters – en dat hij ‘slechts’ een studieprefect was.

Het is vreemd, zodra iemand het woord ‘prefect’ hoort vallen, duikt het beeld voor hem op van een wrede, strenge, genadeloze persoon, iemand die macht heeft en deze macht botviert en misbruikt. Maar zo was Guy zeker niet, of toch niet in mijn bijzijn of van andere volwassenen. Hoe hij zich op school gedroeg, kon ik mij onmogelijk indenken. Soms wilde ik dat ik een vlieg was en dat ik in zijn school, in zijn bureau kon binnendringen en hem ongemerkt kon gadeslaan in zijn professionele rol van prefect … Misschien was hij dan wel een hardvochtig iemand, die de leerlingen uitbranders gaf en zijn leerkrachten met de karwats sloeg, iemand die boog als een knipmes voor de richtlijnen van ministers en inspecteurs, iemand die hooghartig met een uitgestreken gezicht door de gangen van zijn instituut stapte en ‘de naam’ had met zijn secretaresse. Maar zo kende ik hem niet. Voor mij was Guy een joviale, beste man, een onverbiddelijke doordrijver die rebelleerde tegen alles wat hem persoonlijk niet beviel en die niet bang was om zich maatschappelijk voluit te engageren, zeker als dit hem zelf vroeg of laat ten goede kon komen. Hij was weliswaar een echtgenoot die problemen had met zijn vrouw en daarvoor bij mij kwam praten en flemen, en die bovenal zijn eigen zin deed. Een hartstochtelijk iemand ook, die ongecompliceerd en kinderlijk was in zijn gevoelens.

Ik zei dit allemaal tegen Quentin, ik maakte er geen geheim van. Ik zei dat Guy ook maar een mens was, en in elk geval iemand in wiens gezelschap hij zich niet zou vervelen. Van mijn vermoeden dat die twee misschien niet zo best met elkaar zouden opschieten, sprak ik met geen woord. Het zou Quentin toch maar nodeloos ongerust maken.

“Goed, dan. Wij zullen wel zien. Het zal toch niets veranderen aan mijn gevoelens en mijn oordeel over wat ik geschreven heb. En misschien kan hij toch iets bijdragen aan het verspreiden van mijn naam, ha!”

Quentin had dit laatste spottend gezegd, maar ik negeerde het. Moedwillig vatte ik zijn onhebbelijke opmerking letterlijk op, want het was koren op mijn molen.

“Dat zal hij ongetwijfeld. Hij kent iedereen. Als hij merkt dat je gedichten de moeite waard zijn om ze massaal uit te geven, dan zal hij daar ook voor zorgen. Op de een of de andere manier. Hij heeft overal een vinger in de pap.”

“Vooruit dan maar. En, Prudence, je zei dat er nog iets op til was voor mij?”

Ditmaal hoefde ik mijn enthousiasme niet te beheersen. Het betrof het galabal van Theo R.

“Ja, iets unieks, Quentin. Een kans zoals je nooit meer zult krijgen. Je zult op één avond alle belangrijke personen van de streek kunnen ontmoeten, zowel notabelen als industriëlen als de intelligentsia. De bloem van de stad zal vertegenwoordigd zijn, en allemaal ontwikkelde lui, hoe dan ook, en dan heb ik het niet alleen over hun buikomtrek.”

“Ja? En hoe heb je dat kunnen bekokstoven?”

“Heel eenvoudig was dat voor mij. Zoals beloofd. Maar kijk in vredesnaam niet zo kritisch en zo verwijtend. Luister even, Quentin. Het is allemaal voor jou en je carrière dat ik dit geregeld heb. Omdat ik vertrouwen heb in jouw toekomst. Ik doe het niet voor mijzelf, vergeet dat niet. Het komt hierop neer, dat je uitgenodigd bent op het grandioze galabal van Theo R., dat heel binnenkort plaats heeft.”

“Wie?”

“Theo R., min of meer de pasja van de stad. Dé grote naam van de streek. Wordt ook wel de baron genoemd, met veel respect.”

“Nooit van gehoord. En hij zal mij nog minder kennen, veronderstel ik.”

Ik liet mij niet van de wijs brengen door zijn bijtende toon. Ik wist ondertussen al dat hij een vieze bui had, en ik vervolgde mijn verhaal alsof hij niets gezegd had.

“Ik ben het te weten gekomen via Guy. Ikzelf heb Theo R. nog maar één keer gezien en gesproken tot nu toe, maar Guy kent hem vrij goed. Ze gaan soms samen dineren. Zijn vader en de jonge Theo R. hebben nog zij aan zij gevochten in het verzet, tegen de Duitsers. De baron houdt ervan om eenieder rond zich verzameld te zien die ook maar iets te betekenen heeft in onze stad, of in de wereld. Urbi et orbi, zoals de paus. Het is een hobby van hem. Geld heeft hij zat. Alles wat hij aanraakt, verandert in goud. En dus heeft hij zich in zijn vrije tijd opgeworpen als een soort van magneet voor de elite. Niet zomaar voor de gewone middenstandertjes, die op de meest alledaagse wijze ploeteren en bedriegen en zonder uitzondering zwak scoren als persoonlijkheid. Neen, Theo R. wil zich het centrum weten van hen die het voor het zeggen hebben, en hij heeft daarbij vooral veel achting voor de intelligentsia – misschien omdat hij zelf maar weinig ontwikkeld is. Tot die selecte groep rekent hij ook die handelaars en industriëlen die het ver gebracht hebben door hun verstand, hun genius, hun speciale neus te gebruiken – en niet zozeer hun handen. Ze hebben in de gang allemaal een grote computer staan – van IBM trouwens, niet van een andere fabrikant, dat zou lachwekkend zijn. En het hangt mooi ingekaderd aan de muur: een postuniversitaire cursus, een managementcertificaat, een masterclass ergens in Texas of een workshop in Genève … ik ken ze. De machtigen der aarde. Het zal reuze worden, geloof mij.”

“Klinkt nogal onsympathiek en snob, vind ik, Pru.”

“Zwijg nog even. Ik voer hier momenteel het woord, jongen. Je ziet toch in, hoop ik, dat je tot die kring moet zien door te dringen?”

“Och, ik weet het niet. Het laat mij eigenlijk koud. Loop je niet wat hard van stapel?”

“Toch niet, toch niet. Zodra je al die mensen ontmoet hebt en je beste kant getoond hebt, zodra ze weten dat je een goed en onderschat schrijver bent, iemand die met onze taal uitzonderlijk creatief kan spelen, loopt het van een leien dakje – als een lawine in de zon. Je weet hoe het met een lawine gaat: je niest eens hardop tussen de bergtoppen, en hier en daar komt een halve berg op je af. Wel, precies zo zal het lopen. Je behoort opeens tot de braintrust van de stad en je vindt overal steun; en van de ene kennismaking komt de andere – want ons kent ons in die wereld – en zonder enige inspanning wordt op een dag het eerste werk gepubliceerd en bekroond.”

“Hoe eerder, hoe liever, als het mij dan toch geen inspanning kost … Zo? En hoe heb je Theo R. zo ver gekregen dat hij mij uitnodigt?”

“Dat zal ik je heel kort vertellen, in vogelvlucht. Guy vroeg mij of ik hem wilde vergezellen op dat bal, en ik was zo stout en voortvarend om te vragen of hij er niets op tegen had dat jij ons zou vergezellen. Hij moest het dan maar regelen met zijn vriend en gastheer. Je kunt bijvoorbeeld doorgaan als een halfbroer van mij, dat is minder verdacht, toch in het begin. Ik denk dat Guy wel graag zal meespelen.”

Terwijl ik probeerde mijn verhaal zo enthousiast mogelijk te brengen, kwam er een spottend lachje om Quentins mond, dat op de duur verbreedde tot een stevige grijns.

“Ik heb de indruk, Pru, dat die twee dikke vrienden zijn. Ik moet toegeven dat ik geen van beiden persoonlijk ken of ooit gezien heb, maar als ik jouw verhaal hoor, dan lijken het wel broers, of spitsbroeders althans. Indien jouw Guy en die Theo R. niet uit hetzelfde nest komen, dan hebben ze elkaar in elk geval thans gevonden. Vier handen op één buik, is het niet?”

“Misschien wel, toch als je het over hun mentaliteit hebt, hun algemene visie. Dat kan ook moeilijk anders, met een dergelijk karakter. Maar als je de twee figuren naast elkaar plaatst, dan is het eerder Stan Laurel en Oliver Hardy. En verder is mijn Guy, zoals je hem noemt, veel fijner, slimmer, meer geraffineerd dan wat ik gehoord en gezien heb van Theo R. Die is meer het type van de olifant in de porseleinwinkel. Maar hij kan het zich permitteren. En ja, ze denken wel ongeveer hetzelfde over hoe de wereld draait en zou moeten draaien, dat is wel correct.”

“Zie je wel? Ze zijn misschien intelligent en rijk en almachtig, maar het zijn snobs. En waarom zou ik eigenlijk moeten doorgaan voor jouw halfbroer? Waarom? Ik acht die komedie niet nodig. Wij hoeven toch niets te verbergen? Het is ook geen carnavalsbal, dacht ik, of een bal masqué, of Le Rat Mort van onze bourgeois studenten? Geef mij liever eens een paar concrete namen van wie er zoal uitgenodigd zullen zijn op die gedegenereerde samenkomst van onze high society. Zijn er ook jongelui bij? Dat zou ik graag weten!”

“Massa’s jongelui, Quentin. En ongetwijfeld allemaal mooie jongens op hun paasbest, met witte jasjes en hoge lakschoentjes zoals Oliver Twist. Je mag zeker niet ontbreken. Wij zullen tot de jongere gasten behoren en zonder twijfel zal iedereen naar jou kijken, en de jongens zullen jou aanhalen. En zorg er dan maar voor dat ze je aantrekkelijk en aangenaam vinden, dat kan toch niet moeilijk zijn voor jou? Je bent zelf een mooie jongeman. Ik ben er zeker van dat zelfs ouderen, die alleen voor dames een zwak hebben, zullen lonken naar jou – als je tenminste wat opgetuigd bent. En je moet je gedragen als een mooie jongen, weet je, als iemand die van hier naar daar vlindert en zich bewust is van zijn kwaliteiten. Heel belangrijk! Zelfvertrouwen uitstralen. Alsof niets je kan deren. Alsof je heer en meester bent.”

“Ik zal dan best mijn spijkerbroek aantrekken die zo enorm strak zit, met een kraakwit hemd daarin.”

“Goed. Er zullen natuurlijk heel wat gasten zijn met een keurige das en een perfect kostuum – “

“O, dan draag ik mijn helrode fichu, goed?”

“Goed, dat heeft iets excentrieks, iets artistieks. Misschien werkt dat wel op het publiek zoals een rode lap op een stier.”

“En zal ik mijn nagels lakken, of niet?”

“Liever niet. Ik zie niet in waarom je er jandorie een show of een circus van zou maken. Je hoeft niet onmiddellijk opschudding te verwekken zodra je aankomt. Wij leven wel in vooruitstrevende tijden, maar zo vooruitstrevend is de wereld nog niet. Ik zou het maar een ­beetje verborgen houden als ik jou was. Ik weet hoe de oudere garde erover denkt, en jij nog beter. En, bij nader inzien, laat de jongens ook maar met rust. Als je iets in je schild voert, bewaar het dan tot na het bal. Vergeet niet dat je relaties moet leggen, en goede relaties. Relaties die je van dienst kunnen zijn – en niet een of andere scharreljongen. Of een gigolo, dat zou wel erg zijn.”

Quentin gniffelde. Hij keek zogezegd afwezig naar zijn vingertoppen, maar zijn ondeugende mond verried al zijn heimelijk gedroomde genoegens. De stemming was plots omgeslagen, gelukkig maar. Ik had er goed aan gedaan zijn aandacht op het mannelijke geslacht te richten, ook al had ik heel wat moeten verzinnen, en overdrijven. Want zoveel wist ik niet over Theo R. of over dat galabal. Ik had gezegd dat hij massa’s jongens zou ontmoeten, maar dat had ik zomaar eruit gekletst, want in feite wist ik niets van eventueel uitgenodigde jongens, en nog minder van een gastenlijst. Ik wist alleen wat Guy mij verteld had. Maar het had toch geholpen, en ik hoopte voor Quentin dat ze er zouden zijn, en dat hij niet te veel uit de toon zou vallen. Hij durfde wel eens tegen zere schenen te schoppen als het hem niet beviel.

Wij praatten nog zowat in het wilde weg over het bal van Theo R. Ik vermoedde dat ik ongeveer de helft van het gezelschap zou kennen, want tenslotte was ik al lang bij hen ingeburgerd. Via de bar van de tennisclub, bijvoorbeeld. Jean-Marie, Eustache en Frederik zouden ongetwijfeld eregasten zijn, en samen met hen zou een hele schare uitgelezen pappenheimers opdagen met wie ik al vaak de dolste dingen beleefd had.

Ik geloof dat Quentin uiteindelijk echt zin begon te krijgen in het evenement. Dat kwam waarschijnlijk omdat wij na een tijdje alleen over de prettige kanten waren beginnen praten en misschien opzettelijk de schaduwzijde vermeden hadden, namelijk het doelbewust inpalmen van die mannen van aanzien.

Voor mij was dit natuurlijk eenvoudig. De meesten zou ik wel kennen of herkennen, en de anderen zouden vanzelf op mij afkomen, zoals dat trouwens steeds het geval was. Maar dán moest Quentin hoe dan ook tot het middelpunt van de belangstelling gebracht worden, dán moest hij met zijn troeven voor de dag komen, en dat was moeilijker. Ikzelf kon hem wel aan mijn vrienden voorstellen; ik kon ook vragen aan Guy dat die zich wat zou ontfermen over Quentin – hij kon bijvoorbeeld de jonge dichter zo veel mogelijk bij de serieuzere conversaties betrekken. Maar het succes van de avond, met het oog op later, lag natuurlijk in de handen van Quentin zelf. Je kon een paard wel naar de drinkbak leiden, maar drinken moest het zelf doen.

DE Montgomery Salons stonden wijd en zijd bekend als het absolute neusje van de zalm. Ze waren gelegen in de drukste en voornaamste straat van het stadscentrum, en het gebouw had een gevelbreedte van zowat twintig meter, wat enorm was voor een burgerhuis – ook voor een heel chique burgerhuis – in die buurt.

Van op de oude voetpaden kon men reeds een glimp opvangen van de weelde waarin de bedoening gehuld was. Aan weerszijden van de ingang stonden twee kolossale arduinen zuilen met daarop een zwaar stenen fronton, dat naar ik meende een tafereel uit het leven van de Griekse god Dionysos – of Bacchus? – voorstelde. Juist achter die zuilen was een tuintje van exotische planten en palmen aangelegd, maar dat was dan al binnen in het gebouw, in de hal.

Een reusachtige paleishal was dat, waarvan men trouwens het grootste deel ook vanop de straat kon zien, aangezien de glazen deuren van de salons winter en zomer openstonden – de buitendeuren althans. Het was al marmer, trappen, spiegels en rood fluweel dat men zag, en men had de indruk dat achter de gevel tientallen gelagkamers en balzalen moesten verscholen gaan.

Ik had nog nooit een stap op dit marmer gezet, maar uit de lovende woorden van mijn gegoede vrienden had ik kunnen afleiden dat wat men van buiten kon waarnemen, slechts een schaduw was van de vorstelijke praal die binnen tentoongespreid werd.

Toen Guy’s sportwagen die zaterdagavond stilhield in de omgeving van de Montgomery, werd ik op slag bij de keel gegrepen door mijn opwinding. Ook mijn twee gezellen – Guy aan het stuur en Quentin op de achterbank – staarden gefascineerd naar het schouwspel van het gebouw dat zelfs op een afstand als een grote meteoor oplichtte in de nacht.

Enkele tellen bleven wij stil in de auto zitten. Wij hadden moeten parkeren op een honderdtal meter van onze bestemming, omdat de directe omgeving al in beslag genomen was door diverse limousines en sleeën van gigantische afmetingen en luxe. Ik had al vaker samenkomsten van deze mensen bijgewoond, maar nooit eerder was ik zo geïmponeerd geweest door dit wagenpark van glimmend staal en chroom. Guy’s Mercedes leek een bromvlieg achter een stoet van libellen.

De Montgomery Salons, nog half dichtbij en half in de verte, waren een onweerstaanbaar lichtbaken dat ieders aandacht trok. Iedereen die, toevallig of niet, in de Hoofdstraat wandelde, moest een ogenblik vol eerbied stilstaan voor de uitgesneden ramen waarachter tientallen kristallen kroonluchters fonkelden. Het was een magneet van verblindend licht in de nachtelijke straat waaraan geen enkele wandelaar kon ontsnappen.

Wij stapten uit en gingen met ons drieën naar het gebouw, Quentin tussen Guy en mij. Wij zeiden geen woord. Zonder het goed te beseffen, namen wij een trage, statige pas aan, en wij lieten onze stille gedachten de vrije loop – ongetwijfeld voor de laatste maal die avond. Over een paar tellen zouden wij opgeslorpt zijn in de verdovende draaikolk van een uitbundige feestroes.

Wat mijn gezellen dachten, kon ik onmogelijk weten. Ik vermoedde dat Quentin weer met Jules in zijn hoofd zat. Hij had in de auto slechts even met Guy gepraat, voldoende weliswaar om kennis te maken, en ik had de indruk dat zijn adem al stonk naar whisky. Hij had zich waarschijnlijk wat moed ingedronken – hopelijk niet te veel, dacht ik bij mijzelf, want dan werd hij zwaarmoedig en dan was er geen land meer met hem te bezeilen. Dan was het al Jules en ellende wat de klok sloeg. Maar dit was kennelijk niet het geval, want hij had toch een paar verstandige dingen in de auto gezegd die niet schitterden van brutale originaliteit. En het scheen te klikken met Guy. Voor één keer had hij dus maat weten te houden, zo leek het.

Guy had achter het stuur gezeten en hij was dan ook een ­beetje kortaf geweest. Af en toe had hij van terzijde naar mij gekeken met zijn typische, trotse glimlach, en ik wist dat hij zich uitstekend voelde. Hij zag er trouwens ook feestelijk uit. Dat kon niet anders met een dergelijk avondprogramma. Ik vermoedde dat hij in zijn geest alle personen verzamelde en misschien wel rangschikte, die hij hoopte te ontmoeten. Ik wist dat ik op hem kon rekenen. Zeker vanavond.

Wij stonden voor de gapende, hel verlichte hal van het etablissement. Twee gedegen portiers in smetteloos blauw livrei kwamen met een licht houterige buiging op ons af. Hun onderdanige blik zei genoeg. Guy overhandigde zijn kaartje en wij wachtten een ogenblik, terwijl wij met een tikkeltje stress naar elkaar glimlachten. Ik gaf zowel Guy als Quentin een speelse por tussen de ribben – misschien om hun zwijgen te verbreken. De ene kneep als represaille in mijn oor, de andere schrok ontzet terug.

Een portier wenkte en opende een glazen deur. Onmiddellijk golfde een wervelende, warme stroom van tientallen stemmen over onze hoofden. De stad, het centrum, de Hoofdstraat, alles wat buiten lag was ineens verdwenen, ineens vergeten. Wij traden een andere wereld binnen, los van onze alledaagse sleur. En ergens op de achtergrond speelde een strijkje Weense walsen afgewisseld met bekende Bohemer muziek.

THEO R. zat in een rolstoel aan de voet van een marmeren trap, en aan zijn rechterzijde stond zijn trouwe en geduldige verpleegster, die voor de gelegenheid een marineblauw pakje droeg, wat haar een militair aura gaf. De Slovaakse dame zag er onaantastbaar uit, en immuun voor elk mogelijk incident dat haar werkgever of patiënt zou kunnen overkomen. Alsof hij op de troon in een ereloge zat, aanschouwde de gastheer het gebeuren dat zich in de zaal vóór hem afspeelde – de grootste zaal van de Montgomery, met de meeste en de kostbaarste kroonluchters. Het leek een defilé.

In het begin, toen de eerste gasten arriveerden, was hij niet bijster opgewekt geweest. Het had hem uitermate bitter gestemd, het had hem inderdaad verveeld en misnoegd dat hij, Theo R., de grote baas van het galabal, op zijn eigen avond diende te verschijnen in een rolstoel.

Hij had zijn dokter nochtans fortuinen beloofd om ervoor te zorgen dat hij goed te been zou zijn en zich niet als een slachtoffer zou dienen te presenteren. De dokter had echter weer eens geantwoord – alsof hij er genoegen in schepte, dat verwaande mispunt – dat er vooralsnog geen beterschap in zijn slepende ziekte te bemerken viel, en dat de rolstoel onvermijdelijk zou zijn, ongeacht het geld dat te zijner beschikking gesteld mocht worden. Die boodschap was alleszins duidelijk, hoe gebrekkig het taalgebruik van de Koreaanse medicus ook mocht zijn.

En toch was het niet zo vernederend afgelopen als hij gevreesd had. Hij was bang dat zijn gasten voortdurend naar zijn gezondheid zouden informeren, dat ze neerbuigend tegen hem zouden spreken, of zelfs dat ze hem stiekem zouden uitlachen – als die ouwe daar in de rolstoel, of die dikke kluns naast die dragonder. Maar hij had er niets van gemerkt, en zijn stemming was vlug ten gunste gekeerd.

Met voldaanheid keek hij naar zijn uitgedoste gasten. Hij wist dat ze hem oprecht respecteerden en bewonderden. Hij had het goed gehoord. In hun begroetingswoorden hadden ze elkaar overtroffen om hun sympathie, hun achting en hun erkentelijkheid voor hem met kracht te bewijzen. Dat was iets dat hoogst zelden voorkwam bij die types. Hij was zeer tevreden.

Hij oogde met belangstelling naar de pastelkleurige avondtoiletten en de bijhorende decolletés, en hij genoot zonder schaamte van de uitdagende bewegingen en blikken die in de zaal vertoond werden. Hij zag dat er hier en daar al geflirt en gekoosd werd, dat er ook hier en daar al pogingen ondernomen werden om te prikkelen en te verleiden, meestal nauwelijks merkbaar, maar soms ook ongegeneerd en brutaal. En dat terwijl het feest amper een uur aan de gang was. Hoogst amusant was het allemaal, ook al was hij zelf vreselijk beperkt in zijn mobiliteit. Maar het zou ongetwijfeld groots worden, er zou nog lang van gesproken worden.

Met een kort, veelzeggend gebaar stuurde hij zijn verpleegster naar de lakei die vlakbij met de schaal champagne rondzweefde. De man deed zijn taak zo perfect dat het leek alsof hij geen voeten had maar luchtkussentjes. Theo R. wist dat hij normaal geen alcohol meer mocht aanraken, maar vannacht was het zijn nacht, en niets ter wereld zou hem kunnen beletten deel te nemen aan de levensvreugde die alom heerste, ook zijn rolstoel niet, ook geen doktersadvies.

Hij bekeek zijn gasten een voor een. Hij had er verstandig aan gedaan zijn publiek heel selectief en kies samen te stellen. Het was inderdaad een uitgelezen publiek, het beste van het beste van de stad. En ze waren met velen. Enkele uitzonderingen niet te na gesproken, waren ze ook allemaal al present. En die uitzonderingen zouden zeer binnenkort wel verschijnen. Zonder twijfel. Zoals Guy bij voorbeeld, met zijn knappe vriendin. En met dat vreemd stuk dichter dat hij aangekondigd had. Dan zou het bal pas compleet zijn. Guy mocht niet ontbreken; hij was onmisbaar op een avondfeest als dit – zeker als hij vrouwelijk gezelschap had. Ze konden elk moment opdagen.

Welvarend, en intelligent. Of intelligent en welvarend? Hijzelf had het zo gewild. Het was een meesterlijke gedachte geweest … de elite van de stad om hem heen verzameld … op die dichter na, natuurlijk, en zijn eventuele rasgenoten … Guy had over dat vreemde ras gesproken – hadden ze niet min of meer allen zichzelf uitgenodigd? Neen, het was enkelvoud, het was maar één man, één dichter, gelukkig maar, zodoende bleef de schade beperkt. Die zou wel de vreemde eend zijn, vanzelfsprekend bijna. Een dichter! Dat was toch geen beroep, zelfs geen bezigheid? Hij wantrouwde die soort tot en met, want hij zag er het nut niet van in, ze hadden geen reden van bestaan. Maar ze zouden geenszins zijn humeur bederven, zeker niet op een avond als deze …

De chef-portier benaderde hem schoorvoetend – wéér zo’n stille – en overhandigde discreet een naamkaartje. Ze waren er dus toch, net nu hij juist aan hen dacht. Hij gaf aan de man met de zilveren knopen een goedkeurende hoofdknik en zag enkele ogenblikken later de prefect Guy de feestzaal binnentreden, met aan zijn arm het meisje Prudence – die vriendin heette toch Prudence? En in hun kielzog een tengere jongeman. Dat moest dan die dichter zijn. Dat zag je toch zo? Een verwaarloosde kerel die leefde van de hemelse dauw en van de drank en pas na de middag wakker werd – hoewel hij genoeglijk diende toe te geven dat het erger kon geweest zijn. Dat ‘stuk dichter’ zag er al bij al niet zo afschrikwekkend uit als hij zich voorgesteld had.

ZODRA wij voorbij de glazen deur waren en ons opeens midden in de kleurrijke drukte bevonden, nam Guy de leiding. Als een hofmeester keek hij even over de coiffures, pommades en kaalhoofden heen, en stapte dan breed lachend en joviaal zwaaiend met zijn reuzenhanden, in de richting van Theo R., die tot mijn oneindige verbazing in een rolstoel zat, helemaal achteraan in de zaal, in de hoek aan de massief marmeren trap.

Quentin en ik volgden eerder gedwee in zijn kielzog. Bijna als een instinctieve reflex wilde ik Quentin voor mij uit duwen, maar dat was volkomen overbodig: Quentin haastte zich om het spoor van Guy niet kwijt te raken tussen de donkere colberts en de wijde, kleurrijke avondjaponnen, en ik hoefde mij slechts zo dicht mogelijk bij die tandem te houden.

Terwijl wij ons een weg baanden naar de gastheer, hoorde ik meermaals mijn naam roepen – en nog veel andere dingen. Ik keek vluchtig opzij, glimlachte kort en nogal zenuwachtig – ja, ik wuifde zelfs een los handje naar Omer van de tennisclub en de paarden – maar ik besteedde weinig echte aandacht aan de vrolijke alteratie die mijn binnenkomst teweegbracht. Daar zou ik later nog voldoende tijd voor hebben. Mijn aandacht ging nu eerst en vooral naar Theo R., de man die ik ooit gekend had als de sprankelende beweeglijkheid zelve, en die nu wat achteraf in een rolstoel was geïnstalleerd, met een stijve, grimmige verpleegster naast hem. De man, die ons nu vriendelijk en voorkomend begroette, en die Quentin zeker moest leren kennen.

Ik moet zeggen dat Theo R., op zijn raadselachtige handicap na, helemaal dezelfde gebleven was sedert onze eerste en enige ontmoeting. Hij maakte een grapje tegen Guy – ik had sterk de indruk dat Guy reeds van zijn gebrek wist – en hij knipoogde olijk naar mij. Toen ik beleefd even voorover boog in zijn richting, trok hij mij naar zich toe en fluisterde iets te luid in mijn oor dat hij mij later op de avond nog hoopte te kunnen spreken bij een glas champagne van een topmerk. Het leek wel een Habsburgse samenzwering. Ik dacht dat hij schertste en beloofde hem in dezelfde adem dat ik de afspraak zonder fout zou nakomen. Misschien wás het wel scherts.

De gastheer was duidelijk erg ingenomen met onze komst, en Guy maakte handig gebruik van zijn goede stemming en een korte stilte om Quentin voor te stellen. Mogelijk deed hij dit tegen zijn zin, maar er was in elk geval niets van te merken. Hij deed het keurig, en met de nodige egards voor de beide partijen.

Bijna onmiddellijk daarop werd Guy natuurlijk uit ons gezelschap weggeroepen door enkele vrienden die zijn aanwezigheid hoogdringend nodig achtten. Hij verontschuldigde zich, en wenkte mij om mee te gaan. Ik zei dat ik meteen zou komen, maar dat ik liever eerst nog wat bij Theo R. en Quentin wilde blijven tot het ijs gebroken was. Guy knikte begrijpend en een ­beetje gelaten – alsof hij dacht: ‘You can’t argue with them’ – en verwijderde zich gezwind en discreet. Ik was blij dat ik in mijn antwoord eerst Theo R. en dan pas Quentin genoemd had, want dat lag soms gevoelig bij Guy, ook al zou hij nooit toegeven dat hij jaloers was. En zo liet ik hem met een goed gevoel achter bij zijn vrienden, onder wie een kolonel op rust, die hem in volle ornaat wenkte.

Ik merkte dat Quentin en Theo R. intussen op de een of andere manier een gesprekje waren begonnen, en ik hield mij diplomatisch op de achtergrond. Theo R. voerde het woord, zoals men nu eenmaal kon verwachten van een baron. Hij klonk eerst nogal bitter over het vertrouwen in de mensheid dat gruwelijk geschonden was door een soort van pleegkind, een zekere Jörg, die hem zwaar belogen en bestolen had. Hij had deze crimineel blijkbaar maandenlang gevoed en aan zijn boezem gekoesterd alsof het zijn eigen zoon was, en hij had in ruil niets dan stank voor dank gekregen. Maar, grinnikte Theo R., het was dan ook een zeer intelligente jongen, want hij had drie advocaten en het hele gerechtelijke apparaat kunnen verschalken, en de jongen zelf was er zeker niet armer door geworden. Allicht niet, glunderde hij. En direct na deze bedenking tikte hij op de dij van Quentin om aan te geven dat hij een ander thema wilde aansnijden. Opeens scheen het hem erg te amuseren een dichter van vlees en bloed voor zich te zien.

“Mijn vriend Guy vertelde mij dat je gedichten schrijft, of toch iets in die trant. Literatuur. Jij bent dus een dichter, niet?”

“Dat heet toch zo, ja.”

“Hmm … Dat heet toch zo? Niet slecht, dat antwoord, lang niet slecht. Typisch voor een dichter natuurlijk. Of voor een schoolmeester. Heb je daar soms een speciale bedoeling mee? Je begrijpt mij wel, nietwaar? Dichters hebben altijd een speciale bedoeling, heeft men mij verteld.”

“Ik begrijp u zeer zeker. U vraagt of ik u begrijp, maar in feite wilt u gewoon vragen wat mijn antwoord zo-even betekende. Met andere woorden: u begreep mij niet, is het niet zo?”

Ik vond dat Quentin met zijn repliek een verschrikkelijk risico genomen had, en dat hij zich op heel glad ijs waagde. Had hij dan toch al te veel gedronken? Ik keek bangelijk naar de gastheer in zijn rolstoel. Die fronste inderdaad het voorhoofd en haperde met het begin van zijn antwoord. Hij leek op het punt te staan om spits en verontwaardigd te ontkennen, maar opeens gleed alle mogelijke vijandigheid weg.

“Welja, welja. Inderdaad. Dat heb je wonderlijk goed opgemerkt, man. Ik wilde inderdaad feitelijk vragen wat je bedoeling was met dat poëtische ‘Dat heet toch zo?’. Je hebt gelijk, je hebt absoluut gelijk. Je bent niet alleen een dichter, maar ook een scherp denker, een psycholoog – een kenner van de ziel. En verstandig zelfs. Ja, verstandig. Dat had ik niet verwacht.”

Ik voelde dat elke dreiging van spanning verdwenen was en hoopte dat het gesprek nu wat luchtiger zou worden, misschien over de klassieke koetjes en kalfjes. Maar Quentin ging ongehinderd door.

“Uw vraag was dus, letterlijk, of ik iets speciaals bedoelde. Een eenvoudige vraag, en het antwoord is even eenvoudig: ja! Ja, ik bedoelde iets speciaals. Alles wat ik zeg, heeft een speciale bedoeling, anders is het waardeloos. Ik zeg niets zonder zin, ik spreek niet om te spreken, neen, ik spreek uit noodzaak – en ik schrijf om dezelfde reden. Ik ervaar het schrijven zelfs als veel gemakkelijker en natuurlijker dan het spreken. En nu zie ik dat u wilt vragen: waarom? Waarom spreek en schrijf ik uit noodzaak? Maar ik zal u antwoorden vóór u die vraag stelt, en mijn antwoord is dit: omdat alles terug te brengen is tot de grote wet van de energie. De levenswet van de energie.”

“De grote levenswet van de energie? Je bedoelt dat energie nooit verloren gaat, dat een bepaalde energie zich steeds omzet in een andere vorm van energie? Einstein? Ik heb zoiets gelezen –”

“Wel, niet precies –”

“Je onderbreekt mij, jongen. Dat is fout. Maar ik moet wel toegeven dat je mij op de een of andere manier fascineert. Kom, blijf daar niet zo moeilijk en neerbuigend overeind staan. Dat praat niet gemakkelijk. Laat een stoel aanrukken en kom bij mij zitten, en vertel mij meer. Onze introductie hebben wij nu wel gehad. Maar zorg ervoor dat ik het begrijp. Begrepen?”

Ik had verrast staan luisteren naar de vreemde vragen van Theo R., en de nog vreemdere antwoorden van Quentin. Ik wees Quentin de stoel vlakbij aan die hij moest nemen, maar hij verroerde niet. Dus zorgde ik er maar voor. Een moment keken wij in elkaars ogen. Quentins blik stond mat alsof hij mij niet herkende. Het was een zeer eigenaardige blik; ik besefte niet dat waarschijnlijk toen al iets binnen in hem aan het gebeuren was, wat zo’n onmogelijke gevolgen zou hebben.

Hij schoof zijn stoel nog wat dichter bij Theo R., alsof ze twee oude weduwnaren waren, of veteranen uit de laatste oorlog. Ikzelf probeerde een verklaring te vinden voor Quentins woorden. En voor zijn toon! Ik had hem inderdaad nooit eerder op die manier horen spreken. Even dacht ik dat het door de whisky kwam die hij thuis nog moest gedronken hebben – of door de spanning, de zenuwen, de afwachting voor deze avond en het contact met de zo belangrijke Theo R. Hij had werkelijk bijna hooghartig en aanmatigend tegen zijn gastheer gesproken, hij had hem zelfs onderbroken en gecorrigeerd – maar dat bleek ten slotte in goede aarde te vallen. Misschien had hij werkelijk geen hoge dunk van die rijke fat in die rolstoel? Of misschien interesseerde het onderwerp hem echt en was hij al te graag bereid om er dieper op in te gaan? Ik wist al lang dat Quentin zich soms kon laten meeslepen door onderwerpen die ofwel filosofisch waren, ofwel totaal onpraktisch. Het was ook mogelijk dat hij zich als buitengewoon wilde voordoen, dus iemand die buiten het gewone viel, een ­beetje zelfbewust en arrogant zelfs, om alzo persoonlijk bekend te worden met Theo R., om alzo een belangrijke, intieme band te smeden met deze nieuwe ‘goede relatie’ … En als dat zijn uiteindelijke oogmerk was, dan kon ik zijn formuleringen en zijn gedrag honderd procent begrijpen, ondersteunen en toejuichen. Welja, een ogenblik dacht ik dat Quentin iets voelde voor de oudere heer – stel je voor, wat zou dat worden? – maar deze gedachte verwierp ik nog vlugger dan al de andere … Ofwel was hij gewoon gek geworden. Door de druk. Door de omstandigheden.

“Met de grote levenswet van de energie,” vervolgde Quentin, terwijl hij zich naast Theo R. schikte, “bedoel ik dat elk kind dat geboren wordt een potentiële hoeveelheid energie meekrijgt, die het kan verbruiken in de loop van zijn leven. Als de energie opgebruikt is, sterft het – maar dan is het meestal geen kind meer, maar volwassen, of bejaard. De definitieve hoeveelheid energie wordt uiteindelijk pas bepaald in de late puberteit, als de ontwikkeling van het wezen mooi op zijn pootjes is terecht gekomen. Bij de geboorte krijgt het kind dus een potentiële, een mogelijke, een maximale dosis energie – maar allerhande factoren tijdens de kindsheid en de jeugd, zoals opvoeding, opleiding, ervaring, biologie, fysionomie, sociale contacten, milieu enzovoort geven de definitieve doorslag op de energie die hun werkelijk tijdens het volwassen leven ter beschikking zal staan. En dat wordt dus bepaald in de puberteit. Voor wie de puberteit bereikt heeft, tenminste. En het wordt niet door iemand bepaald, zelfs niet door een god, maar door de eigen constitutie en de veelheid van factoren van binnen en van buiten die in de allereerste jaren een invloed kunnen hebben. Zelfs al van vóór de geboorte.

“Sta mij toe dit te illustreren met een voorbeeld – wat op zich wel verhelderend kan zijn, maar tegelijk ook nadelig en ondermijnend voor de gehele redenering. Deze laatste gedachte van mij ontstaat trouwens niet hier en nu, op dit moment: ze komt uit mijn Paradigmata en Pastiches, als ik mij niet vergis paragraaf honderd twaalf. Maar soit! Hier komt dus het voorbeeld. Elk leven is als een kolossale vormloze, wankele zandloper, die bij de aanvang gevuld is met een vreemde organische substantie – een fluïdum dat nochtans elk essentieel element van het universum bevat. Naarmate het leven zich ontwikkelt krijgt de zandloper een vastere vorm en wordt hij stabieler, terwijl de vreemde vloeistof begint te klonteren zoals bij het karnen van melk. Dit proces is tot een eind gekomen als de lopende inhoud van de bokaal helemaal gecondenseerd is tot een hoop kleine vaste balletjes – energiepillen, als het ware, klaar voor gebruik. Dat is de diesel voor ons verdere leven, voor ons lichaam en onze geest. Voor ons denken, ons bewegen, ons voelen. Voor onze ergernis, onze woede, onze lach, ons enthousiasme. Zelfs onze fantasie verbruikt, ons dromen … Begrijpt u nu beter wat ik bedoel? En als de diesel opgebruikt is, valt de motor stil. Punt. Dan is het afgelopen, ziet u?”

“Ja, ja. Een zeer interessante gedachte. Verdient te worden bestudeerd. Maar ik vrees dat je nu toch een ­beetje in het ijle gepraat hebt, ondanks die illustratie. Ik maak er een concrete vraag van: wat is het verband tussen die theorie over de balletjes energie en je eigen woorden, die je een minuut of zo geleden hier uitgesproken hebt?”

“Ik ga uw vraag vertalen. Nogmaals. U vraagt in feite hoe wij bij dit onderwerp terechtgekomen zijn? Wel, als ik mij goed herinner, was de cruciale vraag – de hoofdvraag – waarom ik altijd spreek met een speciale bedoeling, en alleen dan? Het antwoord ligt toch voor de hand? Mij werd, zoals elk redelijk wezen, een bepaalde hoeveelheid energie toegemeten, en indien ik zou spreken in het wilde weg, zonder nut, zonder bedoeling, zonder effect, dan zou ik energie zomaar weggegeven hebben, dan zou ik iets verloren hebben zonder ervoor iets te hebben teruggekregen. Verspilling is dat, pure verspilling. Wij verliezen zo al genoeg energie, ook al beseffen wij het niet. Ook al willen wij het niet. Maar het is zo.”

“Ha! Maar als ik je dan goed kan volgen, euh … Quentin, dan brengt elke activiteit, zelfs spreken, ons dichter bij de dood? Met andere woorden, jij bent bang voor de dood, nietwaar? Waarom zou je anders zo spaarzaam zijn met je activiteiten?”

Quentin wilde antwoorden, maar hij slikte het in. Maar goed ook, dacht ik, want ik verveelde mij blauw en ik vond dat een dergelijk gesprek gewoon niet hoorde op een galabal – ook al werd het uitgelokt door de gastheer zelf die nu peinzend voor zich zat uit te staren. De dood, stel je voor! Misschien wachtte de man op de reactie die maar niet kwam. Ik geef toe dat ik de draad ook al een tijdje kwijt was. Daar kon ik niets aan doen omdat enkele luidruchtige gasten al meermaals gepoogd hadden mij van de twee sprekers weg te trekken.

“Maar je schrijft dus gedichten, niet?” hernam Theo R. nogal formeel, op een toon alsof hij met zijn gedachten elders was. Het klonk als een vraag, maar het betekende gewoon: amen. Niet meer of niet minder. Dat had Quentin dus zeker niet zo begrepen.

“Ja, ik schrijf gedichten. Maar voor wie, en waarom, dat is een andere vraag – kernvragen. Als u aandringt, kan ik u wel het antwoord geven, maar ik geloof dat het ons vanavond te ver zou leiden – het is tenslotte feest, uw feest, nietwaar? Hoewel, misschien toch nog dit. Ik had een tante Magda, een halfzus van mijn vader, en die schreef ook. Teksten en gedichten en zo. Maar zij deed dit niet met een eventuele uitgave in gedachten, vermoedelijk zelfs niet om gelezen te worden. Zij deed het voor zichzelf, en met zichzelf. Ik bedoel daarmee dat zij niet zo’n sociaal type was en dat zij ondanks dat ze wel graag converseerde en wijze gesprekken voerde – dus deed zij het maar met zichzelf. Ik heb haar nooit goed gekend en toen zij in een tehuis was opgenomen heb ik haar slechts eenmaal bezocht, maar ik weet dat zij een apart en bijzonder intelligent iemand was – en niet echt gek. Toen zij nog op reis ging met haar overleden echtgenoot – een globetrotter én een flierefluiter, volgens mijn vader – toen kon zij nooit zeggen wat zij precies bezocht en bekeken had, of wat ze samen meegemaakt hadden, maar ze kon wel haarfijn uitleggen wat zij gedacht en overwogen had op die momenten dat zij met haar man de vierhonderdvijftig trappen van de basiliek van Sevilla deden. En die gedachten legde zij dan vaak vast in een boekje. Gedachten en gevoelens, maar geen belevenissen, geen reisverhalen. Die had zij zelfs niet, de ervaring was aan haar voorbijgegaan. Misschien vormde tante Magda wel het begin van mijn schrijven.

“De vraag houdt mij zeker bezig. Ik denk wel dat er een stukje tante Magda in mij zit, hoewel wij geen bloedbanden hadden, want zij was een stieftante. Dit kan ik u echter zeggen: ik schrijf in geen geval gedichten om den brode of op eenvoudig verzoek. Ook niet om er de andere mensen mee lastig te vallen, of om hun hoofdpijn en stress te bezorgen – of om de verkoop van verklarende woordenboeken en encyclopedieën te bevorderen. Ik hoop dat u mij begrijpt. Die laatste zinnen openbaren heel mijn poëtica. Ze zijn trouwens sarcastisch bedoeld, weet u?”

Theo R. grijnsde in zijn rolstoel. Misschien had hij het heel goed begrepen, in tegenstelling tot de verwachtingen. Waarschijnlijk had hij ook de contradictie in de gedachtegang gehoord.

“Eigenlijk hoor ik je nu tussen de regels zeggen dat je intelligente, zelfs slimme gedichten schrijft, en dat bevalt mij wel. Zeer zeker!”

“Dat hangt ervan af. Misschien heeft u gelijk, maar toch niet helemaal, vrees ik. Want wat bedoelt u met die termen? Intelligente, slimme gedichten?”

Theo R. was nu weer helemaal bij de les. De Montgomery kon hem op dat moment blijkbaar niet veel meer schelen. Voorlopig niet.

“Wel, gedichten met een boodschap. Gedichten met een pointe, zoals dat genoemd wordt. Je hebt ook zo van die prachtige liedjes, met songteksten waarbij je moet nadenken. Geen onzin die al duizendmaal herhaald is, zoals: ik hou van jou, ik blijf je trouw. Maar goede teksten.”

Quentin lachte schamper.

“Ja, bewaar mij van die voorspelbare rijmelarij en die gesuikerde serenades. Ik heb daar ook hartgrondig de pest aan. En het is wel zo dat Bob Dylan en Herman van Veen sterk aanleunen bij de ware poëzie. En vooral Keith Reid, dat is een dichter in hart en nieren. Maar ik vrees dat je hen op één hand kunt tellen. Dat zijn mannen die je doen nadenken, die je aanzetten tot reflectie.”

“Ja, dát is het. Dat is precies wat ik bedoel met intelligente schrijvers. Ja, ja … Je bent een interessante jongeman, Quentin. In menig opzicht. Je bent nog jong natuurlijk. Wellicht zul je het heel ver brengen. En je praat heel wijs en verstandig. Ik had dat eigenlijk niet verwacht. Ik had mij een van die liederlijke dichters voorgesteld, een van die lompe, onhandelbare schreeuwers en drinkebroers, die niet weten hoe ze zich moeten gedragen. Weet je, toen ik als jong broekje in de weerstand zat, toen arriveerde in onze groep een dichter, een dromer. Wel, bij zijn eerste actie liep hij al domweg in een hinderlaag en stierf onder een regen van nazi-kogels. Een dichter! Maar jij bent anders, jij bent zelfs bewonderenswaardig intelligent, ook al zou men dat niet zo zeggen bij zo’n jeugdige snoeshaan. Ik bedoel, je bent misschien wel lomp, maar je weet het dan toch handig te camoufleren – en daardoor bewijs je ook, en eens te meer, dat je hersens hebt. Het verrast mij trouwens ook hoe gewoontjes je alles uitdrukt, meestal toch. Ja, ik zal mijn mening over het volk van dichters moeten herzien … Een fles champagne nog, van mijn champagne, en vlug!”

Dat laatste riep Theo R. tot de verpleegster-lijfwacht, die tot dan toe als een versteende pop op de achtergrond gestaan had. Het mens haastte zich ogenblikkelijk weg. Haar almachtige werkgever lachte clandestien, maar ik had de indruk dat het eerder om zijn eigen laatste woorden was dan om het gedrag van zijn Slovaakse sergeant. Ondertussen klopte hij ettelijke keren vaderlijk op Quentins knie, en vervolgde.

“Maar wat mij toch dwars zit, is het nut van dichters en gedichten. Zelfs al zit er een boodschap verscholen in de mooie woorden. Waartoe is al dat gerijm en geschrijf nodig? Het levert niets op, meestal kost het zelfs stukken van mensen. Zelfs toiletpapier is nuttiger. Ik vind het gewoon tijdverlies, niet? Zeg nu zelf, je verspilt er toch veel tijd mee die je veel beter zou kunnen besteden? Hoeveel tijd kost het je bij voorbeeld om een gedicht te schrijven? Ik bedoel een fatsoenlijk gedicht, een gedicht dat je graag leest of dat je graag aanhoort – hoewel ik moet toegeven dat ik nog nooit zo’n gedicht gelezen heb. Hemeltje, ik mag er niet aan denken!”

“Dat kost mij slechts een mum. Ik schrijf mijn gedichten in geen tijd. Ik schrijf zoals ik denk, zoals ik spreek, zoals ik droom. Het kost mij helemaal geen moeite. Ik denk, ik droom, ik voel gewoon zo. Ik hoef slechts mijn gedachten, mijn gevoelens, mijn dromen op papier te zetten, en ik heb een gedicht. De kwaliteit van mijn woorden hangt rechtstreeks af van de kwaliteit van mijn innerlijke leven. Dat zijn mijn gedichten, en dat zijn de enige goede. Let wel, ik spreek nu voor mijzelf. Hoe anderen het aan boord leggen, dat weet ik niet. Maar ik vrees dat ze het anders aanpakken. Minder eenvoudig, minder authentiek.”

Theo R. genoot van het gesprek. In tegenstelling tot de eerste ogenblikken voelde hij zich weer meester worden van de gedachtegang.

“Merkwaardig, maar nogal verdacht, vind ik. Dromen? Innerlijk leven? Er zit een onwerkelijk geurtje aan. Maar goed, het moet dan wel een speciale gave zijn. Ik zou het niet kunnen, ik denk aan andere en belangrijkere dingen … Maar geef toe dat het geen cent in je zak brengt.”

“Inderdaad. Integendeel zelfs. Dat wil zeggen: tot nu toe.”

“En dus is het waardeloos. Daar blijf ik bij. Toen mijn hard werkende halfbroer een mooie promotie kreeg met veel glitter en tamtam en een gereserveerde parkeerplaats bij de directeurs, toen vroeg ik hem op de man af: wat brengt je dat op, jongen – is het ook een promotie in je salaris? En dat was het dus niet. Maar iets anders nu. Je onderwerpen. Je schrijft wel heel veel over mooie vrouwen en zo, zeker, zoals sirenes en godinnen, en zoals je vriendinnetje Prudence? Dat kan toch niet anders?”

“Een ­beetje wel, ja.”

De beide mannen keken zijdelings naar mij. Ik deed alsof ik niets van hun gesprek opgevangen had en liet mijn ogen afwezig over de massa aanwezigen dwalen. Ik voelde dat Theo R. mij vurig opnam, van kop tot teen, en dat Quentin flauw glimlachte naar mij. Hij probeerde het althans, want ergens lag er ook een spoor van vijandigheid of zelfs afgunst op zijn mond.

“Dat zal wel, jongen, dat kan niet anders. Zeg mij eens eerlijk, Quentin, is Prudence geen enig vrouwtje? Ontken nu maar niet dat er tussen jullie iets meer bestaat dan gewone vriendschap. Jullie vrijen wel stevig, is het niet? Ik wilde haar trouwens zelf ook die vraag stellen vanavond.”

Hoe sluw en gemeen de aanpak van Theo R. ook was bedoeld, Quentin hoefde geen moment na te denken. Het was wel iets te doorzichtig.

“Daar is niets van aan. Wij zijn gewoon goede, erg goede vriendinnen – ik bedoel: vrienden.”

“Goed bevriend, bedoel je. Je hebt blijkbaar last met de geslachten … Maar op dat punt ben je dan toch in elk geval lomp en dwaas, Quentin – als je tenminste de waarheid spreekt. Ik zie in jou toch niet zomaar een houten Klaas. Ik zou wel weten wat ik moest doen als ik jou was. Ik zou mij zo’n buitenkansje niet laten ontglippen. Iedereen spreekt met lof en geestdrift over haar. Zij is heel gewild, weet je dat?”

“Terecht, ik ook.”

Quentin liet zijn automatische piloot aan het woord, dat hoorde ik meteen. Ik wist hoe hij dacht over die zaken, ook dat hij op dat moment zich van binnen blauw ergerde. Jammer genoeg – voor hem – had hij die lullige woorden al veel meer moeten horen dan hem lief was.

“Wel, dan? Zij is mooi, zij is overal gegeerd, zij is populair, zij is raadselachtig. Typisch vrouwelijk is dat, en al zovele malen bezongen en bewierookt door je voorgangers: een vat vol mysteries en geheimenissen. Niemand doorziet haar. Laat mij je dit met grote nadruk zeggen, Quentin. Jij bent jong, je staat nog aan het begin van het leven. Maar ik, jongen, ik heb al heel wat meegemaakt, en niet alleen tijdens de oorlog. Ik ken de vrouwtjes. En ik zeg dat een vrouw een vat vol mysteries is, neem dat van mij aan. Een bodemloos vat vol mysteries. Een vrouw ken je nooit helemaal.”

De reactie van Quentin was precies volgens mijn verwachtingen, maar gelukkig hield hij het nog binnen de perken.

“Vergeef mij dat ik lach, echt – maar ik ben het geenszins met u eens. Dat is een misvatting wat u zo-even zei. Een eeuwenoude en taaie misvatting, stevig vastgeroest in onze geesten, maar toch een misvatting. Ik geloof dat niet, het is absoluut niet de waarheid. Iedereen zegt dat een vrouw een vat is vol mysteries. Maar geldt dat niet voor elke mens? Ja, toch? Ik bedoel in het bijzonder: voor elke mens die men bemint. Dát is het in feite. Mannen of vrouwen, jongens of meisjes – dat is allemaal hetzelfde: het komt erop aan dat men de persoon in kwestie bemint, en zodra men die bemint, ontmoet men meer raadsels en meer mysteries. Omdat men geïnteresseerd is in de beminde, omdat men die totaal wil leren kennen, omdat er geen enkele blinde vlek mag overblijven. Want beminnen is willen leren kennen. Het zou dus eigenlijk moeten luiden: de beminde is een vat vol mysteries. Maar natuurlijk voelen de dames zich zeer gevleid met dat gevleugelde compliment, en de mannen zijn gelukkig zo slim – of misschien zo verdwaasd – dat ze de vrouwen, die van nature ijdel zijn, in hun illusie laten. De vrouwen zijn wát blij dat de mannen hen bekijken als een vat vol mysteries. En de mannen zijn tevreden als ze de vrouwen met zo’n eenvoudig kneepje week kunnen krijgen. Maar logisch gesproken klopt het helemaal niet. Het is gewoon niet juist, het berust nergens op. Het is een versleten, domme grap van het Franse Hof van Louis weet-ik-veel. Onzin, neem mij niet kwalijk!”

“Quentin, je bent mij toch een eigenaardig man. Een vreemd sujet, ja. Ik hoop dat je al die theorieën voor jezelf kunt houden. Loop er in godsnaam niet mee te koop. Correct of fout, vastgeroest of niet, je kunt er onmogelijk succes mee oogsten. Ik stel mij voor dat alle aanwezigen hier je zouden lynchen als je op dit moment iets dergelijks zou beginnen verkondigen. Mannen en vrouwen. En misschien heb je wel degelijk gelijk – ook al is het bijkomstig of je gelijk hebt of niet.

“Weet je, jongen, je moet trachten deze afwijkende gedachten meer aan de doorsnee, neen, ik bedoel: aan de algemeen gerespecteerde en aanvaarde opinie, te koppelen. Je moet trachten je eigen merkwaardige gedachten in overeenstemming te brengen met de algemeen geldende redeneringen – en dán zul je intelligent zijn en als dusdanig bekeken worden. Ik zeg dit als oudere vriend, Quentin – ik hoop tenminste dat ik je als vriend mag beschouwen. Ik weet wel dat je weinig contact hebt met ons – tot vanavond was je zelfs een volslagen nul voor mij – maar luister eerst eens naar ons, wij die het gemaakt hebben, probeer je in te leven in die algemene, erkende gedachtegang, en dan zullen wij luisteren naar jou. Is dat afgesproken?”

Quentin gluurde even nadenkend in de waterige ogen van Theo R. Hij knikte weloverwogen, maar hij was het helemaal niet eens met de afspraak. Dat wist ik. Ik zag het trouwens direct. Ik kende hem al zo lang, en zijn beamend knikkend was tenslotte niets meer dan een beleefde geste om zijn ‘oudere vriend’ tevreden te stellen. Typisch. Eigenlijk kon hij wél opschieten met iedereen, hij kon het wel. Maar ik wist dat hij een uitgebreide repliek klaar had op de koers die Theo R. voor hem had willen uitstippelen.

Ik werd echter, jammer genoeg, uit hun gezelschap weggeplukt door Omer, die per se wilde dat ik mijn persoonlijke mening over het paard Fury meedeelde aan zijn eigen kringetje. Ik zou dus nooit het antwoord van Quentin te weten komen.

Zodra ik bij Omer en Eustache en hun vrienden stond, was het onmogelijk om mij van hen nog los te werken en terug naar Quentin en Theo R. te gaan. Ik voelde er trouwens al heel vlug niet veel meer voor, omdat hun conversatie bij wijlen te hoog was – ik voelde meer voor de wat lossere en minder gespannen omgang, gekruid met amusante anekdotes en pittige grapjes, en af en toe een gewaagd complimentje – en daarvoor was ik bij de clique van Omer aan het goede adres. Bovendien had ik de indruk dat Quentin het opperbest kon stellen met zijn grootmogol. Ik hoopte alleen maar dat hij het gunstige oordeel dat hij zich (vooralsnog) bij onze mogelijke mecenas verworven had, niet zou bederven door een of andere principiële koppigheid of een domme onhandigheid; ook dat hij zijn bewegingen – zijn strategische moves – niet zou beperken tot de gastheer, maar dat hij ook grondig kennis zou maken met de gasten zelf, want ook daar was heel wat potentieel en macht aanwezig.

Guy was een sensatie. Tijdens mijn afwezigheid van zijn zijde had hij zich reeds terdege bemind en geliefd gemaakt bij alle genodigden, zonder één uitzondering. Op school had ik ooit een historische figuur – hij heette Lord Byron of zo – horen omschrijven als ‘the Napoleon of the London drawing rooms’, en dit beeld had flink mijn fantasie geprikkeld. Wel, deze woorden doken nu opeens opnieuw in mijn geest op. Zoals ik destijds die Lord Byron had zien fladderen van de ene tafel naar de andere, met zijn onvoorstelbare flair en esprit, zo zag ik zijn evenbeeld thans ook bewegen, maar dan vermoedelijk twee eeuwen later. Guy zweefde als het ware van hier naar daar, van het ene groepje naar het andere, van de ene gedrapeerde partytafel naar de andere, en hij deed dat gezwind en zwierig, en zo vanzelfsprekend alsof hij zelf de illustere bourgeois gentilhomme was die het bal ingericht had. Hij was in een meesterlijke vorm. Dit was zijn wereld, zijn leven, zijn avond.

Ik was niet de enige vrouw die hem in het oog hield, merkte ik. Er was een dame in een soort van paarlemoer zachtrose die zijn bewegingen onophoudelijk, en met bewonderende ogen gadesloeg. Telkens als Guy naar mij en mijn groepje kwam om tussendoor een luchtig praatje te maken of mij te plagen, kruisten onze blikken elkaar, en ik ontdekte in de hare genoeg afgunst en weerzin om een heel regiment op stang te jagen. Ik deed dan ook opzettelijk lief tegen Guy, nog meer dan anders, en ik hield dat vol tot ik haar compleet zag verbleken. Het was echt eng, maar ik genoot. Ik won altijd.

Er was ook een andere vrouw, iets ouder, die een broekpak in Veronees groen droeg, een heel duur ensemble, absoluut. Dat zag je zo. Misschien van Maison Natan. Zij was minder discreet in haar bewondering voor Guy, en zodra hij in haar omgeving kwam, trok zij hem brutaal naar zich toe om een of ander verhaal op te dissen met haar schellende stem en in het platste taaltje dat ik ooit gehoord heb. Welke versiertrucjes zij gebruikte, weet ik niet, maar zij slaagde er toch telkens in om hem aan te klampen. Waarachtig, soms legde zij zelfs haar arm wulps en vrijpostig op zijn schouders. Zeker, ditmaal kwamen de jaloerse blikken van mij. Ik geloof dat zij na haar eerste glas champagne al dronken moet geweest zijn, dat zou veel verklaren.

Een dergelijke nacht met een dergelijk publiek kon niet voorbijgaan zonder de nodige incidenten. De ervaring had mij dat geleerd. Ik wist dat de gesprekken, de discussies en de meningsverschillen steeds hoger zouden oplaaien en dat er vroeg of laat zou geruzied worden. Het was slechts een kwestie van tijd. Hoewel ik er niet echt verlangend naar uitzag en de glorietijd van het duel al lang voorbij was, hoopte ik toch altijd dat er iets zou gebeuren, gewoon omdat het leven en opwinding in de brouwerij bracht. Bij elk relletje, hoe futiel ook, amuseerde ik mij kostelijk – meestal samen met de andere omstaanders – op voorwaarde weliswaar dat ik er niet zelf rechtstreeks bij betrokken was. Maar dat was deze nacht dus wel het geval.

Het was een vervelend incident, niet zozeer omwille van de herrie op het ogenblik zelf (die was vlug vergeten), maar vooral omwille van de rusteloze nachten die het achteraf bij mij teweegbracht. Het lichtte immers een donker deel van de sluier op over de manier waarop sommige ‘vrienden’ mij al die tijd beschouwd hadden.

Onze groep bestond op dat moment uit een tiental heren. Ik was de enige vrouw van het gezelschap, een situatie die ik eigenlijk wel graag had. Samen met Guy vormde ik zowat het middelpunt van de groep en van het gesprek. Wij hadden juist heel diplomatisch de vraag onbeantwoord gelaten hoe het nu precies zat tussen ons beiden, toen iemand van de aanwezigen – ik weet echt niet meer wie – mij uitdrukkelijk vroeg wie van al de verzamelde heren mijn uitverkoren gezelschap zou zijn om samen naar de Moulin Rouge te gaan. Het was een rotvraag. En ook de toon was klote.

Onmiddellijk barstten overal vurige stemmen los met de vraag: “Ben ik het? Zeg dat ik het ben, Pru!” Als een bende uitgelaten kinderen op hun speelplaats. En een tel later werd de opdringerige vraag door één of twee stouterds spottend gewijzigd in: “Ben ik het, Heer? Ben ik het?,” zoals het ergens in de Bijbel staat. De humor was hier al ver te zoeken, vond ik, maar alles samengenomen was het nog niet zo misplaatst, gezien de gelijkenis met de ijver en de kommer van de apostelen van Jezus.

Ik was zeker niet van plan ook maar iets ernstigs te antwoorden. Ik had hiervoor uiteraard tal van redenen, maar de belangrijkste was dat ik in deze kwestie Guy (die zich totaal afzijdig hield), had moeten aanduiden, en alleen Guy – maar ik wilde wel met iedereen op goede voet staan, en blijven staan. Dus nam ik mij voor om de gemakkelijkste en veiligste weg te kiezen en de vraag gewoon te negeren. Tot opeens iemand de laatste vraag opnieuw wijzigde – als een ongepaste grap of als een domme verspreking, zogezegd – en de vraag weerklonk: “Ben ik het, hoer?” Het was iemand wiens naam ik liever vergeet.

Het spelletje viel opeens stil. Iedereen voelde zich vreselijk gegeneerd. Ik meende niet goed gehoord te hebben, en wilde repliceren. Maar Guy was mij voor. Hij zei ijskoud en met nauwelijks beheerste woede: “Kom even mee naar buiten, felle. Ik heb je iets te zeggen.” Niet meer dan dat, maar bijzonder dwingend en streng. De twee mannen gingen daarop inderdaad naar buiten, en na enkele seconden kwam Guy terug, alleen ditmaal, en rimpelloos. Als een echte gentleman. De andere verscheen helemaal niet meer op het toneel. Hij was blijkbaar met de staart tussen de benen afgedropen. In de ‘zachte’ versie tenminste, want ik wist ook dat Guy genadeloze vuisten had en stalen spieren, en ik vermoedde dat hij die combinatie even getoond en gedemonstreerd had in enkele vlugge bewegingen.

Hij glimlachte geruststellend toen hij weer binnenkwam en bijgevolg was het incident door ons allen in een oogwenk vergeten. Zo gaat dat. Aan de buitenkant, tenminste. Ik voelde mij sterker dan ooit en deed een verzoek aan het strijkje om de French cancan in te zetten. Dit was een idee uit de duizend, want die muziek gaf aanleiding tot urenlang dansen en vrolijkheid – ook tot onschuldige en minder onschuldige spelletjes, jawel – en het succes ging in stijgende lijn, tot het eind. Eigenlijk was het min of meer ons bal geworden, met Guy en zijn Prudence aan de teugels, en het werd alleen onderbroken door collectieve aanvallen op het koud buffet, dat in één woord hemels was. Ik deed mij hoofdzakelijk te goed aan de zalm in roomsaus, de truite aux amandes en de rijke avalanche van zeevruchten, en achteraf probeerde ik nog de Haagsche Bluf en de Kir Royal Sorbet – weergaloos, letterlijk weergaloos. Dit alles in verschillende statiën natuurlijk, in episoden.

Mede door de emotionele gesprekken, de rel, het buffet en de overrompelende ambiance van onze dansmarathon, was ik Quentin steeds meer uit het oog verloren. Al heel vlug eigenlijk. In het begin had ik hem nog wel daar aan de massieve marmeren trap bij Theo R. zien zitten, maar die was ongemerkt weggevoerd omstreeks elf uur – waarschijnlijk zonder van iemand officieel afscheid te nemen. Dat kwam ik te weten toen hij al uren verdwenen was en sommige enkelingen ontdekten dat er toch blijkbaar iets – of iemand – ontbrak …

Reeds lang daarvoor echter was Quentin uit mijn gezichtsveld vervaagd. Vóór middernacht had ik mij er wel nog even over verwonderd waar hij uithing, ik had ook even gepoogd hem onder de aanwezigen te herkennen – maar ik had het te druk om veel tijd en aandacht aan mijn verloren schaap te besteden. Ik was voortdurend omgeven door pientere belangstellenden en ik liet mij onbewust vlug meeslepen in de wervelende euforie van het bal.

Daar kwam nog bij dat ik elk nieuw voorstel van Guy enthousiast steunde om de massa in beweging te krijgen. Eens de eerste dans ingezet, hielden wij eigenlijk niet meer op. De dode momenten, de zo gevreesde dipjes bleven uit, of beter gezegd: wij waren ze voor. Ik draaide uren mee in de roes van mensen, stemmen, rook en champagne. Het was niet allemaal grandeur en grand chic, o neen, want Guy dacht de domste en de leukste spelletjes uit; als een ervaren ceremoniemeester gaf hij het strijkje voortdurend zijn invallen en instructies mee, en hij wijzigde de dansen én de dansers om de haverklap. Hij was de gangmaker, de held, de dirigent van heel het gebeuren, en samen dreven wij het bal naar een ongezien hoogtepunt. Ongezien, ja, letterlijk en zonder overdrijven, want lange tijd leek het alsof er nooit een einde aan zou komen. Er was ook blijkbaar geen kat die daar ook maar één seconde aan dacht.

Het was toen wij met zijn allen een slang vormden – de ongedwongen en zo populaire polonaise – dat Guy zijn handen op mijn schouders legde en Quentin ter sprake bracht. Zijn mond was zo dicht bij mijn oor dat ik daar een nevel van speeksel voelde.

“Waarom doet Quentin toch niet mee?” riep hij tegen mijn kapsel. Hij riep omdat het de enige manier was om zich verstaanbaar te maken – iedereen brulde immers de overbekende schlager van een vorige jaargang mee. Ik ben met jou niet getrouwd van Tony Bass, als ik mij niet vergis.

“Quentin? Waar zit die misschien? Ik ben hem eerlijk gezegd al een hele tijd uit het oog verloren.”

“Zo’n kwartier geleden stond hij nog met enkele jongelui dronken te doen bij het koud buffet. Hij scheen zo’n ­beetje het middelpunt en de grote attractie te zijn van een vijftal anderen. Allemaal keurige jongelui van goede afkomst, denk ik wel. Ze schenen zich kostelijk te vermaken. Ik geloof dat Quentin heel grappig was en dat hij genoot van zijn succes. Let op: dat was mijn indruk van het gezelschap in één korte glimp. En eigenlijk had ik er geen aandacht voor.”

“Zo? Wel, doe mij dan alstublieft een genoegen en ga prestissimo naar hem toe, en vraag hem of hij naar hier wil komen. Hij heeft daar niets uit te richten, hij verspilt daar zijn tijd. Hier zal hij zich ongetwijfeld ook beter vermaken. En zeg maar dat ik het je gevraagd heb.”

Guy vertrok dus op zijn missie, een ­beetje aarzelend, geloof ik. Hij liet niet graag zijn polonaise in de steek, en mijn dwingende toon zal hem ook wel verrast hebben. Waarschijnlijk vermoedde hij de eerste tekenen van dronkenschap bij mij, en hij was er inderdaad niet ver naast.

Na enige tijd kwam hij terug, alleen. Ik was ondertussen zijn missie al grotendeels vergeten, want ik was met Frederik Porsche – Goudhaantje Free – een Engelse wals aan het dansen, en die man stond bekend als de kampioen van de salondans, een verdiend etiket overigens. Ondanks zijn kleine gestalte. Over zijn schouder heen zag ik Guy arriveren, een tikkeltje verwilderd. Er was iets aan de hand met hem, dat was duidelijk. Ik zag onmiddellijk dat er iets moest gebeurd zijn dat hem hevig ontsteld had.

Het duurde tot het einde van de wals en de inzet van de slow eer ik Guy te pakken kreeg. Hij nam mij stevig in zijn armen, leidde mij galant tussen de anderen, maar ondertussen glimlachte hij verstrooid, alsof hij niet van plan was om mij iets te zeggen. Hij leek een pantomimespeler in een amoureus sprookje voor volwassenen. Hij was wel echt verstrooid en afgeleid, het was zeker niet de melodie van Sentimental Journey die hem zo in beslag nam. En toch begon hij.

“Je kunt nooit geloven wat ik daarjuist met mijn eigen ogen gezien heb, Prudence.”

“Van Quentin?”

“Ja, van Quentin. Ik was hem gaan opzoeken bij het koud buffet, zoals je gevraagd had. Daar had ik hem overigens het laatst gezien. De feestende jongelui stonden er nog, allemaal met een whisky-cola of een brandy-sour in de hand, de meest gegeerde cocktails van de avond. Dat het niet hun eerste drankje was, kon ik trouwens merken aan het kabaal dat ze maakten. Maar Quentin was er niet bij. Ik sprak dan de blonde Claude aan, de enige jongeman van het groepje die ik een ­beetje kende, en ik vroeg hem of hij Quentin niet gezien had – die nogal knappe jongeman, niet te groot, eerder tenger, met een rood fichuutje, enzovoort, je weet wel. Het is altijd moeilijk om in een paar woorden iemand te omschrijven zodat hij als enige in de massa onderscheiden wordt. Claude was blijkbaar een goede keuze, want hij bleek de grote roerganger van de club te zijn. Hij kreeg een kleurtje en antwoordde niet direct; hij keek wel zijn vrienden aan met een perverse, haast duivelse grimas in zijn ogen, en toen barstten ze allen in lachen uit. Ik kon er niet wijs uit worden en liet hen dus achter voor wat ze waren – knettergek en naar alle waarschijnlijkheid ook nog stomdronken – maar ik had hoe dan ook een heel slecht gevoel bij hun reacties, zelfs een angstig voorgevoel van onheil en rampzaligheid. Bovendien voelde ik mij vernederd en bespot, al was dat bij nader inzien zeker hun bedoeling niet. Maar ik liet ze dus achter en ging dan maar verder op zoek naar die spoorloze Quentin van jou …”

Hij besefte plots dat hij uit de maat danste, en zweeg even om bij te benen. Bij een slow is dat geen probleem, het is nauwelijks merkbaar en het vergt slechts een klein sprongetje. Ik hoorde hem de melodie zachtjes meezingen, om zodoende de pas én de gedachtegang te hernemen. Ik was evenwel te ongeduldig om nog een minuut op de rest van het verhaal te wachten.

“Je hebt hem dan toch gevonden, Guy? Of niet? Was hij aan het overgeven, aan het braken?”

“Ja, ik heb hem gevonden, en hoe! Maar niet zoals jij het beschrijft. Hij was gezond en wel zelfs. Je zult er aardig van opkijken, van je vriendje de poëet. Reken maar! Na die beschonken bende heren liep ik vervolgens heel het gebouw door, kamers in, kamers uit, deuren open, deuren toe. Ik ging overal naar binnen waar ik maar enigszins kon. Ik stoorde zelfs een feestje dat hier ergens in de achtervleugel gehouden wordt. Een ongelooflijk groot gebouw is dit, Prudence. Onvoorstelbaar.”

Ik vreesde weer een hele uiteenzetting met veel couleur locale. Ik kneep krachtig in zijn zijde en keek hem streng en ernstig aan: het was nu niet het moment om over architectuur te beginnen uitweiden. Hij moest zeggen wat ik wilde horen. Punt.

“Maar goed. Het was een echte doolhof, en de kans werd kleiner dat ik hem hier nog in de Montgomery zou aantreffen. Ik moet toegeven dat ik er stilaan niet meer in geloofde. Misschien was hij dronken door de stad aan het dolen … Maar toen ik uiteindelijk een van de laatste deuren voorzichtig opendeed, wel, toen zag ik hem … Hij was aan ‘t vrijen met een jongen.”

Het kwam eruit als de dagelijkse grote haarbal bij een kat.

“Neen! Echt? Quentin?”

“Ja, Quentin. Jij bent er blijkbaar niet ondersteboven van, maar ik wel. Hij was aan ‘t vrijen met een jongen, Prudence. Begrijp je dat? Ze zaten dicht bij elkaar op een antieke sofa. Imitatie natuurlijk. Het was een luxueus kamertje, heel klein, met rood fluwelen behang zoals een kapperszaak in de belle époque, en met slechts enkele fragiele zitmeubelen die best niet gebruikt werden. Gewoon voor de show. Het kamertje zou normaal weleens dienst kunnen doen als een onthaalruimte of een wachtzaaltje. Ik dacht eerst nog dat het een meisje was dat bij hem zat, maar het was een jongen. Het was duidelijk een jongen, en zelfs een die ik ken. Het was Alban, een vriend van die Claude die zo hartelijk moest lachen bij het buffet.”

“En je zegt dat ze aan het vrijen waren, niet?”

“Wel, in zekere zin. Het hangt ervan af wat je met vrijen bedoelt. Of flirten. Alban zat nog náást Quentin, natuurlijk, maar wel zo dichtbij dat er geen hand tussen te krijgen was. Geen pink. Toen ik de deur open schoof, zaten ze bijna ineengestrengeld tegen elkaar, als veldbloemen. Ze waren volledig in beslag genomen door een eindeloze kus, een echte toot, een onvervalste smakkerd – de boekjes zouden het een hartstochtelijke, een vurige kus genoemd hebben. Er scheen werkelijk geen einde aan te komen, echt. Er kwam trouwens bij mijn weten ook geen einde aan. Toen ik de deur immers weer sloot, waren ze nog altijd zo innig en liefhebbend in elkaar gewikkeld als in het begin, en misschien zijn ze nu nog zo bezig. Het zou mij niet verwonderen, zoals zij het daar deden op die rustieke sofa.”

“Maar schrokken ze dan niet toen jij binnenkwam?”

“Prudence, toch! Ik zeg je dat ze helemaal niets gemerkt hebben. Misschien waren er zelfs al vele anderen in dat kamertje komen kijken. Zoals mensen van de bediening, of dronken gasten die op zoek waren naar de toiletten. En ik was bijna geruisloos. Ik geloof ten andere dat er zelfs een bom mocht ontploffen vlak naast hun sofa, ze zouden er niets van gemerkt hebben. Ze hadden elkaar zo stevig vast dat het leek alsof ze aaneengegroeid waren, als niet los te rukken parasieten die elkaar aan het opvreten waren. Hun beider sporthemden stonden wijd open, héél wijd, tot beneden toe – en hun handen lagen daarin verborgen en bewogen krampachtig, maar toch amper merkbaar. Ze kúnnen mij niet gezien hebben, Prudence, ze kusten zo onverstoorbaar en met gesloten ogen. Ze leken te vrijen in hun slaap …

“Natuurlijk was ik erg geschrokken, ik had dat helemaal niet verwacht. Stel je voor. Van die Alban misschien wel, maar Quentin? Ik stond zonder twijfel even aan de grond genageld. Ik had wel een paar lange seconden nodig om te beseffen dat het waar was wat mijn ogen zagen. Daarna deed ik de deur dan maar weer zachtjes dicht … En toch leken het twee onschuldige engeltjes die daar zaten te vrijen, wat je daar ook van moge denken. Ongelooflijk, Prudence. Als ik het niet zelf gezien had –”

“Ik weet het, Guy, ik wéét het. De wereld zal nog niet meteen ineenstorten van dergelijke dingen. Ik zal het je later uitleggen, het is allemaal zo basic. Maar laten wij Quentin en Alban nu vergeten. Wij hebben daar niets te zoeken en ik zal later mijn zegje wel doen. Als deze dans uit is, zou ik nog maar eens een bamba voorstellen. Je zult zien dat de helft van de zaal uit zijn sluimer zal verrijzen. Deze slow heeft eerlijk gezegd voor drie geteld.”

Dat was het wonderlijke in Guy, dat hij op den duur steeds toegaf. Hij durfde soms tegen te pruttelen, hij durfde soms te zeggen dat hij iets nooit ofte nimmer zou doen – maar ten langen leste deed hij het dan toch. Ik mocht hem eender wat vragen. Als hij in de gepaste mood was, gaf hij direct toe, als hij slecht geluimd was, duurde het wat langer.

Hij vergat ogenblikkelijk wat hij van Quentin gezien had, en hij vroeg inderdaad de bamba aan. Dat was voor het strijkkwartet geen lachertje, maar het waren stuk voor stuk professionals die met hun hobby ‘s nachts drie keer meer verdienden dan met hun bezigheden overdag, en ze kweten zich schitterend van hun opdracht. Ik zag dat de tweede violist zijn instrument tijdelijk geruild had voor een djembé. In een oogwenk was de sfeer, die even beneden peil geleken had, weer opgeschoten naar een ziedend kookpunt, en het was uiteindelijk pas om zes uur in de ochtend dat bijna iedereen gelijktijdig voelde dat het tijd was om op te stappen.

Ook die laatste uren waren Guy en ik de grote sterren van de Montgomery. Theo R. was nauwelijks op zijn eigen bal geweest, en bijgevolg leek het min of meer dat wij de handen waren die de touwtjes van de dansende marionetten vasthielden. Wij brachten de verzoekjes over aan de strijkers en de obers, en wij hielpen de beschonken mensen tenslotte in hun jas. Erger nog, het waren wij ook die joviaal afscheid namen van de gasten in de hal – en niet de gastheer die al lang vergeten was.

Uiteindelijk, over zessen, waren Guy en ik praktisch alleen in de Salons. Er was geen enkele gast meer, en van de blauwe cohorte obers en kelners van het begin waren er slechts twee nog te zien – twee onverstoorbare grijsaards die gemoedelijk en geduldig in de deuropening wachtten op ons vertrek. Ik maakte een grapje tegen hen, en ze lachten hartelijk. Oprecht hartelijk. Ze kenden hun beroep door en door, die twee. Zoals ze hun sigaret konden roken zonder dat iemand er erg in had.

Guy ging op zoek naar Quentin en bleef lang weg. Voor het eerst sinds Guy’s onverwachte vaststellingen van vele uren geleden, gingen mijn gedachten weer echt naar mijn vriend uit en naar de onbekende figuur van die Alban.

Het waren gemengde gedachten. Ik was gelukkig voor Quentin, dat wel. Maar anderzijds twijfelde ik toch. Ik had hem in de loop van de avond en de nacht noch gesproken, noch gezien. Ik wist niet wat er gebeurd was, of wat hij van plan was, en ook niet hoe hij na afloop over het bal en de aanwezigen dacht. Ik nam mij voor om hem zo vlug mogelijk te interpelleren, ja, ik zou hem op het rooster leggen – ik moest het allemaal weten, en uit zijn eigen mond. Ik nam mij ook voor om Guy erover te spreken en hoe dan ook naar zijn reacties te peilen over zijn ‘ontdekking’.

Guy keerde terug – niet met lege handen, want hij had nog een ongeopende fles Taittinger vast – en deelde droogjes mee dat geen van de jongelui nog aanwezig was. Quentin en Alban waren de laatste uren zelfs niet meer gezien door het personeel van de achterbouw, ook niet door de lichtjes gestoorde oude tante van het toilet. Wij besloten dus dat de beide heren op eigen krachten waren afgedropen en dat wij ons geen zorgen over hen hoefden te maken. Dat zegden wij tenminste tegen elkaar; maar ik, en vermoedelijk ook Guy, vatte het gebeuren toch niet zo luchtig op, zeker die verdwijning niet. Ik kon de opdoemende gissingen en vraagtekens niet meer uit mijn hoofd krijgen, maar ik hield het voor mij.

Guy moest nog iets regelen met de zaalmanager over de fles champagne. Daarna trokken wij welgemoed onze jassen aan, namen uitbundig afscheid van de twee obers, en liepen hand in hand in de kille ochtend naar de Mercedes. Het was een vreemd behaaglijk gevoel, zij aan zij met Guy, in die levenloze, slapende straat. Het urenlange lawaai zinderde nog na in onze oren. Ik drukte mij dicht tegen hem aan, en ik meende in zijn warmte nog een echo te voelen van het over-geslaagde bal, dat nu definitief achter ons lag.

Het probleem was dat wij Guy’s Mercedes nergens konden vinden. Wij waren zeker niet zo dronken dat wij zijn parkeerplaats zomaar zouden vergeten zijn. Maar waar de groene wagen volgens ons behoorde te staan, was nu een grote leegte.

Wij keken beiden in het rond. Het had weinig zin, maar het is in dergelijke gevallen de normale menselijke reactie. En het was toch mogelijk dat wij ons allebei vergist hadden. Allebei? Maar er was alleszins in heel de omgeving geen spoor te bekennen van een Mercedes Sport. Ikzelf stond voor een onoplosbaar raadsel, en ik dacht al vlug aan de Rijkswacht. Dat ik gedronken had, was van ondergeschikt belang.

Guy had andere ideeën. Na wel een kwartier ingehouden mopperen en vloeken, zei hij opeens, terwijl zijn woorden hatelijk tussen zijn tanden sisten: “Dat heeft zij mij gelapt, dat kreng. Zij zit hierachter. Dat jaloerse, venijnige konijnenjong …”

Hoofdstuk 3

THEO R. ontwaakte de zondagochtend na zijn bal in een mistroostige stemming. Weliswaar was dit sinds het begin van zijn ziekte geen zeldzaamheid meer, maar zoals hij zich nu voelde, had hij zich nooit eerder gevoeld.

Hij keek op het elektrische klokje naast zijn bed en zag met enige teleurstelling dat het nog maar zes uur was. Misschien was zijn bal nog aan de gang, misschien ook niet. Het hing ervan af of het een succes geworden was. Hij zou het aan Guy vragen. Guy moest hem maar een nauwgezet verslag geven van het verloop van de gebeurtenissen. Hij zou vandaag nog telefoneren naar hem, na de middag. Als Guy zelf niet telefoneerde, althans. Want Guy was een schoolprefect en een gentleman. Hij wist wat moest, en hoe het hoorde. Die man had aanzien. En verstand.

Theo R. probeerde nog wat te slapen, maar het lukte hem niet. Zijn gedachten bleven steken op zijn ziekte en in het verlengde daarvan op zijn avondfeest – want het ene was ontegensprekelijk en onvermijdelijk verbonden geworden met het andere. Door zijn ziekte immers was hij verplicht geweest in die verwenste rolstoel te verschijnen. Ook door zijn ziekte en de medicatie was hij al vlug dronken geworden, te vlug. Dat had hij trouwens toch op voorhand kunnen weten? Een cocktail van champagne en pillen loopt sowieso verkeerd af. Door zijn ziekte en zijn belabberde toestand had hij ook om elf uur al moeten opkrassen, net op het moment dat de party goed op dreef kwam. En door dezelfde ziekte had hij het in zijn hoofd gehaald om die dichter al zijn steun toe te zeggen. Hoe kwam hij erbij? Een dichter? Een onbekende dichter! Hoewel die het mogelijk wel verdiende, want het was een nogal verstandige jongen die enkele rake dingen had gezegd – ook veel onzin natuurlijk – maar die vooral een verfrissend gezelschap was gebleken.

De grootmogol vroeg zich af of zijn aftocht ongemerkt verlopen was. Hij meende van wel, en vond het goed zo. Waarschijnlijk had niemand verwacht dat hij zo vroeg zou vertrekken; wellicht hadden ze op dat moment allen gedacht dat zijn verpleegster hem naar het toilet rolde. Hij had weleens willen weten wanneer ze zijn verdwijning opgemerkt hadden. Ook dat zou hij aan Guy vragen. Kritisch en vastberaden, want die schoolfrik durfde wel eens te diplomatisch en tactvol te zijn in zijn eeuwige pogingen om de kool met de geit te sparen en geen brokken te maken. En om zijn eigen belangen te vrijwaren. Op dat punt was Guy meedogenloos – en sluw.

Maar Theo R. was van nature geen pessimist. Zijn gedachten keerden zich nu naar de positieve kant van de zaak. Ten eerste had hij van de vorige avond tot zo-even helemaal geen pijn gevoeld in zijn been en in zijn rug – en dat was voor hem de laatste dagen zijn enige zorg geweest. Weliswaar kwam dit dankzij de pillen en de inspuitingen – daar hoefde hij niet flauw over te doen – maar hoe dan ook: hij had geen pijn gehad.

Bovendien waren alle gasten die hij had willen zien, op het bal verschenen, en wat meer was: ze hadden hem behandeld zoals hij het gewild had. Correct, met eerbied, en zonder medelijden. Tot zijn vertrek had hij dan ook ten volle genoten van zijn galafeest: daar bij die monumentale draaitrap had hij een heerlijk uitzicht gehad op al die opgetogen aanwezigen, op de stiekeme avances en het geflirt van die mooie, jonge (en oudere) dandy’s, op de toiletten én de geïnteresseerde blikken van de dames … Hij had met elke porie van zijn huid de swinging geestdrift gevoeld die voortdurend in de lucht hing en die na zijn vertrek zeker zou losgebarsten zijn. En niet te vergeten, de oprechte en verrassende gesprekken die hij gevoerd had met sommige gasten …

Die dichter bij voorbeeld, die Quentin. Tenslotte was het niet zo’n slecht idee geweest om hem steun te beloven. Hij had ten eerste niets concreets toegezegd. Hij had niet gezegd welke steun hij hem zou geven, in welke vorm, eventueel met getallen. Maar als het nu werkelijk tot een uitgave zou komen, als die gedichten werkelijk zouden worden uitgegeven, met zijn financiële en logistieke steun, dan zou zijn naam ongetwijfeld op de omslag komen en dan zou hij wel als de drijvende kracht in een speciaal Woord Vooraf uitdrukkelijk vermeld en bedankt worden. Was dat niet het gebruik in die kringen? Dat was eigenlijk het enige wat hem nog ontbrak. Wat macht, en aanzien – eeuwig aanzien. En dan zou hij, telkens als die Quentin een toespraak of een voordracht gaf, op de allereerste rij moeten zitten, in het midden. Dat zag je soms ook op de foto’s van de paleisconcerten in Laken, waar koning Boudewijn precies in het midden zat, badend in zijn vorstelijke glorie. Daar zou hij dus ook als begunstiger van nieuw talent alle recht op hebben. Zonder Fabiola.

Maar liever niet in een rolstoel. Zijn Koreaanse dokter zou daarvoor zorgen. Dat moest.

GUY bracht even na de middag een bezoek aan zijn vriend en zeer gerespecteerde relatie Theo R. Een kort bezoek weliswaar, want hij had nog veel zaken te regelen, zoals altijd. Eerst en vooral een hartig gesprek met zijn vrouw. Daarna even aanlopen bij Prudence, dat lieve scheetje – ook al was hij na het bal bij haar blijven slapen. En dan nog al de rest. Maar het was een feit dat hij niet graag zieke vrienden ging bezoeken. Neen, zijn Utopia zag er anders uit.

Na een ochtendlijke, bijna idyllische voettocht door de helft van de stad, hand in hand met de moedige en sympathieke Prudence, had hij zijn Mercedes Sport bij hem thuis aangetroffen, voor de deur – zoals hij trouwens verwacht had. Zijn vermoeden was dus juist gebleken dat zijn vrouw in haar ultieme kleingeestigheid zijn wagen heimelijk weggenomen had. Dat zij maar niet hoopte dat zoiets hem zou hinderen! Net niet! Hij was helemaal niet binnengegaan. Hij had de auto luid gestart en was met Prudence naar haar flat gereden. Met gierende banden. Daar had hij een warm en gezellig onderkomen gevonden, veel gezelliger dan thuis bij zijn scharminkel. Zij zou het wel merken dat het hem gewoon niet deerde, en zij zou het ook te horen krijgen zodra hij de kans zag. Vandaag nog. Zo meteen. Hij liet niet met zich spotten. Nooit.

Theo R. was verheugd hem te zien. De zieke man was wel nogal kortaf in zijn informatie over zijn gezondheidstoestand, en hij bleef ook erg op de vlakte wat de details en de feiten van de prognose betrof. Maar Guy voelde wel dat het niet goed ging met zijn anders zo pittige en kranige vriend, en dat de ziekte langzaam maar zeker woekerde en haar slachtoffer opvrat. De dokter had naar verluidt nog niet uitdrukkelijk de waarheid gezegd, maar het begon stilaan duidelijk te worden waarop het allemaal zou uitdraaien. De vraag was: wanneer? Hoe lang nog, hoeveel tijd? En ook Theo R. begon dit te beseffen, al weigerde hij voorlopig iets van die aard toe te geven. Hij was de trotse, onversaagde vertegenwoordiger van een generatie van succesrijke avonturiers, en hij zou hun vaandel hoog houden tot het niet meer kon.

Guy gaf een getrouw, zakelijk verslag van het verloop van het galabal, met vermelding van een paar spitante gebeurtenissen, en hij hield het kort. Hij beantwoordde de vragen van Theo R. afdoende, en probeerde diens humeur extra op te monteren met zijn oprecht enthousiasme. Op verzoek weidde hij iets meer uit over het dolle amusement en de ambiance tijdens de polonaise, en zeker ook over de bijzonder grote voldoening van al de gasten, zonder uitzondering. Hij verzweeg echter het spijtige incident tussen die dronkaard en Prudence, de te gekke vrijerij van Quentin, en de gemene streek die zijn vrouw Lisa uitgehaald had.

Wat hij ook zo kort mogelijk behandelde, waren de ‘toevallige’ en interessante contacten die hij gehad had met een aantal heren politici, want het was op dat moment nog helemaal niet zeker of, en hoe hij uit die contacten veel profijt zou kunnen halen voor zijn persoonlijke plannen. Het was dan ook nog veel te vroeg om Theo R. hierbij al definitief te betrekken, want erg duidelijk was diens huidige politieke kleur en belangstelling niet meer, laat staan zijn actief engagement – wie zou trouwens kunnen zeggen hoe lang de man nog zou leven?

Neen, Guy had karren vol bruisende ambitie en idealisme in zich, én grootse ideeën. Hij was zeker niet van zins om tot zijn pensioen zomaar wat aan te modderen en te blijven vegeteren als een onopvallende maar goed betaalde schoolprefect. Zeker niet. Zijn intenties waren voorlopig nog vaag, maar toch al in volle ontwikkeling. Voorlopig, ja, maar lang zou het niet meer duren. Precies daarom wilde hij zo vlug mogelijk eens ernstig en rustig met zijn eigen agenda overleggen over zijn toekomst en zijn greep op de wereld. Een tijdje had hij bij een doctor in de economie stil staan luisteren hoe die dacht over politiek – lokaal, nationaal en internationaal – en daarbij had de intelligente man meermaals Marc Eyskens geciteerd: politiek is een spel, niet meer dan dat. Was dit een blijk van beledigende arrogantie? Was het een overdrijving, was het de waarheid? Hoe dan ook, het beviel Guy wel en het inspireerde hem. Dát was in elk geval een uitspraak die hij kon gebruiken. En die economist zou hij vroeg of laat wel kunnen inschakelen. Misschien zou men hem later wel beschuldigen van opportunisme, maar wat dan nog? Inderdaad, hij was een opportunist, maar was dat een misdaad? Integendeel, hij was er trots op. Zo werkte het. De wereld behoorde nu eenmaal aan de opportunisten.

Maar dat hoefde Theo R. allemaal niet te weten. Noch van die contacten en gesprekken, noch van zijn ambitie, en zeker niet van zijn plannen. Misschien later wel, maar niet nu. Momenteel was het belangrijkste dat de oude man gelijklopende idealen had.

Tot Theo’s tevredenheid kon Guy naar waarheid verklaren dat de meeste gasten de verdwijning van hun gastheer pas na twaalven hadden opgemerkt, en dat het vermaak er niet minder om geworden was – dit vergde wel enige diplomatie, want voor hetzelfde geld kon de baas dit nieuws als negatief, zelfs als beledigend interpreteren. Guy ging vlug over naar de schitterende rol die vriendin Prudence gespeeld had als ‘sociale lijm’ tussen de aanwezigen en de attracties – waarop de zieke vertederd “Goede meid!” zuchtte – en hij stipte tenslotte aan dat het alles samen toch mooi zes uur in de ochtend geworden was.

Theo R. kon vergenoegd op zijn bal terugblikken, en dat deed hij ook onverbloemd. Hij gaf zelf nog een aantal persoonlijke indrukken te kennen van de eerste uren. Ondanks zijn vroegtijdig vertrek, zei hij, had hij zich heel de tijd in de wolken gevoeld – niet in het minst door een lang en interessant gesprek dat hij gevoerd had met die zogenaamde dichter, Quentin. Die jongeman was ten andere zeer intelligent, ook al was hij een dichter. Neen, hij was geen armoelijer of een brallende nozem die tegen alles en nog wat protesteerde, zeker geen rooie rakker die leefde van de afgunst en de nijd. Het was iemand die men in het oog moest houden. Neen, sprak Theo R. nogal raadselachtig, hij zou die jongeman best wel kunnen gebruiken. Kortom, hij was tevreden.

Hij bedankte Guy voor zijn komst en de berichtgeving, verwenste zijn rolstoel ettelijke malen, excuseerde zich en nam afscheid, zichtbaar gelukkig en vermoeid. Guy beloofde gauw terug te keren en haastte zich naar huis, naar zijn vrouw. Tweede statie.

QUENTIN kwam bij mij aanbellen, kort na diezelfde middag. Ik lag nog in bed, wat niet meer dan normaal was omdat het zo verschrikkelijk laat – of vroeg – geworden was op het bal. Wij hadden de Salons Montgomery omstreeks zes uur verlaten, en toen Guy’s auto spoorloos verdwenen had geleken, waren wij maar op stap gegaan in de richting van zijn huis, waar wij de auto intact aantroffen, godzijdank. Het was toen al ruim zeven uur, en ik was doodop.

Guy bracht mij daarop naar mijn flat en blééf er – een verstandige beslissing, want hij was toen in een toestand om zijn vrouw levenslang kreupel te slaan. Ook al is hij het geestelijk en administratief hoofd van een voorname school, hij is ook een fysiek type, zeker weten.

Wij kropen echter niet onmiddellijk in bed, maar praatten nog wat over de voorbije gebeurtenissen bij een stevige kop koffie. Ook over zijn vrouw, een onderwerp waar wij het allebei moeilijk mee hadden. Ik viel op den duur gewoon in slaap waar ik zat, en nog vóór acht uur zochten wij dan mijn bed op, geen minuut te vroeg. Ik voelde mij alsof ik voor twee geleefd had.

Guy wekte mij omstreeks elf uur en zei dat hij moest vertrekken. Hij wilde Theo R. spreken, en nadien zijn vrouw. Ik zei dat het in orde was en dat hij de weg naar beneden wel alleen zou vinden. Uiteraard. Hij kuste mij en beloofde nog terug te komen. Het was een moordend vroeg uur voor mij, gezien de omstandigheden, en hij was nauwelijks de deur uit, of ik was alweer ingeslapen.

Lang zou mijn rust echter niet duren, want Quentin belde mij wakker. Ik ontving hem, povertjes gekleed en met slaperige oogjes, maar natuurlijk merkte hij het niet. Nooit, trouwens, behalve als ik iets nieuws droeg dat hij zelf ook wel had willen dragen. Man of vrouw, het had voor hem meestal geen belang, dat waren maar futiliteiten. Hoe dan ook, hij zag er klaarwakker en levendig uit – waarschijnlijk had hij heel wat meer geslapen – en de opgewektheid straalde uit al zijn bewegingen, wat mij bijzonder veelbetekenend leek.

Ik wist dat hij niet zomaar voor enkele minuutjes langs kwam, dat kon moeilijk anders, en dus gaf ik alle hoop op om die dag nog mijn achterstallige rust te kunnen inhalen. Ik installeerde mij met opgetrokken knieën in de sofa, nodigde hem geeuwend uit om bij mij te komen zitten, en wachtte met goed verholen belangstelling af. Ik stond op het punt om te zeggen dat ik met hem nog een eitje te pellen had, maar ik deed het toch niet. Denk ik.

Quentin zei eerst niets. Hij zat gewoon voor zich uit te dromen, met een zalige glimlach op zijn gezicht alsof hij de wenende Maagd van Siracusa had gezien. Het scheen mij toe dat hij vijf jaar jonger was geworden.

Ik was ondertussen wel in die mate wakker dat ik mij kon realiseren wat de oorzaak was van zijn ongewone vreugde. Hij was geweldig veranderd in vergelijking met de vorige maanden, en ik vermoedde – ik was er zelfs rotsvast van overtuigd – dat er iets heel ernstigs gebeurd was in zijn steeds actieve en wisselvallige liefdesleven. Een donderslag, een mijlpaal. Misschien verwachtte hij daarover een vraag van mij, maar ik hield mijn mond potdicht. Hij interesseerde mij natuurlijk meer dan ooit, en toch dacht ik er niet aan als eerste iets te zeggen.

Ik was minder goed geluimd dan anders, een ­beetje prikkelbaar en zenuwachtig misschien, en ook plagerig – vanzelfsprekend door mijn gebrek aan slaap, dat alleen te wijten was aan Quentins ontijdige gebel. Dat moet wel min of meer mijn gevoels- en gedachtetoestand geweest zijn. Maar niet die van Quentin.

“Prudence,” begon hij hees, “Prudence, mijn beste maatje, ik heb het lelijk te pakken. Ja, ik heb het zitten. Ik ben tot over de oren verliefd.”

“Alweer, ja? Bewaar mij!”

Hij keek verbaasd op. Natuurlijk had hij niet verwacht dat ik zo weinig enthousiasme zou tonen, en zeker niet dat ik sarcastisch zou zijn. Maar ik kon het niet laten. Ik wist immers bijna alles, en wat ik niet wist, kon ik min of meer vermoeden vanuit mijn eigen logica. Maar ik hield het voor mij, en had zo mijn heimelijke genoegens.

“Ja, alweer. Maar zo zie ik het niet. Het is deze keer anders. Het is nooit eerder zo geweest. Ik geloof dat ik gek ben. Dat ik zweef, dat ik vlieg. Hij heet Alban, en hij was gisteren op het bal.”

“Alban, zeg je?”

“Ja, Alban. In feite heeft hij een dubbele voornaam en heet hij Alban Lindisfarne, dat schijnt een Keltische of Schotse priester te zijn van heel lang geleden, maar iedereen noemt hem kortweg Alban, of Albi, of zelfs Al, en ik dus ook – naast duizenden andere lieve namen.”

“Wel, wel. Een Alban ditmaal. Niet zomaar een Jan of een Wim, maar Alban. Zoals Albinoni van die begrafenismuziek. Nice for a change.”

“Liever Alban, Prudence.”

“Goed, Alban dus. En hoe is dat zo gekomen? Je zag die Alban, en je werd verliefd op hem, en je zei hem dat je verliefd op hem was, en hij zei: ja, ik ook – en het was voor mekaar, het spel was aan de gang?”

“Helemaal niet. Natuurlijk niet. Ik was een hapje gaan halen bij het koud buffet, weet je – Theo R. was toen al weg, een hele tijd zelfs al, vreemd genoeg – en ik bleef daar zo een ­beetje zeilen om wat op adem te komen. Want al die mensen …”

“Op adem komen? Waarvan dan wel? Ik heb je geen enkele keer zien dansen, niet één keer! En dat terwijl ik om zo te zeggen het mooiste deel van mijn leven daar heb gegeven om de zaak draaiende te houden?”

“Neen, ik moest echt wat bekomen van die buitengewone drukte en zo in de zaal, van al dat rumoer. En ik stond daar dus wat te draaien met mijn bord, ik nam wat van dit en wat van dat – het zag er allemaal zo verdraaid lekker uit – en opeens riep iemand iets naar mij, en ik begreep niet wat, en dus ging ik naar hem toe om te vragen wat er wel loos mocht zijn. Ik vergeet te zeggen dat het niet één persoon was die riep, maar zeker vijf. Allemaal jongens, en allemaal geweldig knap, verduiveld. Hun voorman was Claude, die iets ouder was. Mooi, afstandelijk en ongenaakbaar. Dat wist hijzelf en dat wist blijkbaar iedereen. Ze vroegen mij wie ik was, en hoe ik op dat bal was terechtgekomen, en of ik tot een bepaald gezelschap behoorde – ze hadden mij nog nooit eerder gezien – en het duurde geen minuut of wij waren aan het lachen en aan het gekscheren en heel lief aan het doen, flirten zeg maar. Onschuldig natuurlijk, voor de gein. Want dat moet ik er wel aan toevoegen, of je begrijpt het niet, maar ik geloof dat het allemaal homo’s waren. Ik ben er praktisch zeker van.”

“Alban in elk geval, dus?”

“Wacht nog even, of ik vergeet de helft van het wonderlijke sprookje dat ik ga vertellen. Maar waar gebeurd! Waar was ik? Wel, Alban was veruit de knapste, maar ook de stilste. Hij stond er wat bedremmeld bij. Toch in het begin. Hij zweeg bijna heel de tijd terwijl de anderen gekscheerden en hij deed niet anders dan heimelijk naar mij lonken. Ik had dat al vlug in de gaten. Ik lachte mee met de anderen en ik plaatste een heleboel grappige opmerkingen, de ene al beter dan de andere, maar bij tijden schaterden wij van het lachen – en hij maar lonken en ik maar doen alsof ik het niet merkte. Natúúrlijk wilde ik hem aanspreken en hoe dan ook op intieme voet met hem geraken, maar ik wachtte liever af, en ondertussen probeerde ik mij zo sympathiek en zo innemend mogelijk voor te doen. Ik moet toegeven dat het altijd zo geweldig moeilijk is om de eerste stap te zetten, om iets persoonlijks te zeggen, om iets te doen – zeker als je dat beslist goed wil doen, als je de andere absoluut wil hebben.

“Toch had ik het gevoel dat ik de situatie meester was, ik was minder zenuwachtig dan men normaal zou verwachten. Dat kwam natuurlijk doordat ik voor deze ene keer niet zelf het initiatief had hoeven te nemen: Alban probeerde mij in te palmen, en niet omgekeerd – wat anders wél een probleem geweest was, dat weet je wel. Maar ik was in feite al lang ingepalmd, zelfs zodra ik dat signaal had gekregen dat hij iets voor mij voelde. Ik was gelukkig zo leep om het niet te tonen en hem dus hoe langer hoe meer te prikkelen. Ja, deze keer was ik slimmer en nog niet helemaal het noorden kwijt. Ik was nog niet vergeten wat jij mij eens gezegd hebt: dat ik de zaken nooit mocht overhaasten, dat de natuur tijd nodig had. Ik wachtte dus de kansen af …

“O, Prudence, het was heerlijk om te weten dat zo’n knappe, bijdehante, nette, echt elegante jongen verliefd op je is – en dat je nota bene hetzelfde heerlijke gevoel koestert, weliswaar nog wat embryonaal misschien. Het is waar, in andere omstandigheden had ik mijn warme hartstocht zeker niet verborgen voor hem; maar nu was ik wel tot wat meer discretie verplicht omdat die anderen erbij stonden en omdat elke vorm van oprechte, ernstige affectie niet direct bon ton was. Ik wilde mij absoluut niet belachelijk maken, zeker niet in zijn bijzijn, en het had bovendien als bijkomend voordeel dat wij op die verholen manier verliefder en verliefder werden. Zoals Adam en Eva die niet naar de verboden vrucht mochten kijken. That’s the way of the world, niet?

“En die anderen maar drinken en hijsen! Ik vroeg aan Alban of hij een whisky-cola voor mij wilde halen. Ik weet niet waarom en ik herinner mij ook de precieze omstandigheden niet meer, maar het was in elk geval erg gedurfd. Je had hem moeten zien wegspringen, hij leek de Roadrunner wel! De jongen was gewoon verrukt dat hij iets kon doen, dat zag ik zo, en ikzelf was zeker even verrukt geweest als hij het mij gevraagd had, dat klopt. Ik weet nog dat ik hem met liefdevolle ontroering nakeek, misschien wel iets te openhartig en te lang, want iemand van ons groepje begon te jokken en merkte enigszins verwijtend op dat Alban mij wel zeer scheen te bevallen. Hij leek wel een opzichter die oordeelde dat ik buiten mijn boekje was gegaan. Ik ontkende echter niet, ik voelde mij ook niet schuldig, waarom zou ik? Dat doen alleen maar piepjonge homo’s van veertien die betrapt worden op hun eerste verliefdheid.

“Alban kwam met twee whisky-cola’s aantrippelen, en terwijl hij mijn glas overhandigde en mijn hand zacht (maar niet toevallig) aanraakte, keek hij diep in mijn ogen. Alle goden, Prudence, je had die blik moeten zien, je had mijn hart moeten voelen! Het was genoeg om zelfs een heel regiment harde para’s te doen smelten. Spontaan oogde ik dubbelzinnig terug, en hij kwam nu vlak naast mij te staan, ja, wij hadden fysiek contact! Vanaf dat ogenblik waren wij niet meer van elkaars zijde weg te slaan.

“De anderen hadden het natuurlijk al een hele tijd in de gaten, dat kan niet anders. Ik geloof dat Alban door de bank helemaal niet zo’n stilzwijgend en ingehouden imago had, het moest hen dus hoe dan ook opvallen. Ook van mij, trouwens. Sinds hij met die whisky-cola’s teruggekeerd was, had ik mij alleen nog tot hem gericht, en al stonden wij nog met z’n allen mooi verenigd samen, toch waren Alban en ik een groepje binnen de groep geworden, nog mooier en nog inniger verenigd. O, het was geweldig, het was een droom – ook al begonnen de anderen al vlug te plagen en te roddelen over ons, als volleerde tantes. Maar dat was juist leuk. Ook voor hen, denk ik.”

“Ja, ja. En dat was het dan? Dat was alles?”

“Neen, Prudence, neen. Als ik dat allemaal zo gewoontjes vertel, zo zonder emoties, dan lijkt het wel een ordinaire anekdote, een bagatel, ik weet het … Maar ik kan nu niet onder woorden brengen hoe hij naar mij keek, en hoe hemels zacht zijn stem klonk, en welke vreemde sfeer er tussen ons heerste. Elektriciteit. Hoogspanning. Een onzichtbare magnetische kracht. Wij droomden allebei. Wij hadden er helemaal nog niet met elkaar over gesproken – met geen woord, ik zweer het – en toch wisten wij dat de zaak beklonken was, en wij waren allebei zo … gelukkig! Ik kan het niet anders zeggen.

“Maar het verhaal is nog niet afgelopen. Toen onze whisky-cola halfweg was, stelde ik hem voor om een verkenningstocht te maken door het gebouw, en om alzo vroeg of laat in de achtertuinen terecht te komen – want een van die snuiters had eerder al verteld dat de Montgomery een prachtige tuin had, ooit aangelegd door een beroemde Franse architect die op het schavot geëindigd was. Wij zegden dit langs onze neus weg tegen onze vrolijke gabbers, en Claude, de goddelijk aangeschoten leider, reageerde nogal schamper met een ‘ja, je doet maar en maak geen brokken, jongens!’ Waarop ze dubbelzinnig onder mekaar begonnen te lachen. Ze lachten nog hartelijker toen wij dicht bij elkaar – als geliefden – een van de smalle gangen instapten, en Alban en ik grijnsden naar elkaar. Wat kon ons dat storen?

“Je hebt er geen idee van, Prudence, hoe kolossaal ingewikkeld en verwarrend de Montgomery is. Een echt doolhof. Met verschillende niveaus dan nog, en allerlei ruimtes die op verschillende tijdstippen verbouwd of aangebouwd zijn. Wist je bijvoorbeeld dat er meer dan één reeks toiletten is? En dat er wel drie feestzalen zijn, ongeveer de grootte van die van ons van gisteravond? Met dan telkens een soort van keukeninstallatie. Wij liepen als echte verkenners door alle verdiepingen en alle gangen, en overal waren er nog feestjes, en vergaderingen, en drinkgelagen bezig. Het moet toen al voorbij twee uur geweest zijn.

“Maar dit is grappig: de weg naar de tuin vonden wij niet. Wij zochten er ook niet bewust naar. En dat heb ik je nog niet verteld: wij liepen gewoon samen, hand in hand – wij knelden elkaars hand stevig vast, alsof wij twee verdwaalde prinsen waren die steun zochten bij elkaar. Als er niemand of bijna niemand te zien was, tenminste.

“Dat was allemaal heel spontaan en eenvoudig begonnen, trouwens. Toen wij onze lachende maats namelijk verlaten hadden, waren wij na een lange gang in een dichte drom van mensen beland, die waarschijnlijk stonden aan te schuiven voor een of ander buffet – zoals dat in het begin ook bij ons het geval was geweest. En zonder dat ik goed besefte wat ik deed – misschien was ik een ­beetje in paniek, dat kan best – nam ik zijn hand vast en liet ze niet meer los. O, dat gevoel! Mijn hart klopte overal door mijn lijf van louter geluk dat niet op kon. En telkens als ik in zijn warme, klamme hand kneep, kneep hij ook in de mijne, als vraag en antwoord. Wij leken te spreken zonder onze mond te openen. Wij zegden letterlijk niets, of toch heel weinig, maar wij glimlachten wel heel veel naar elkaar. Met allerlei betekenissen, allerlei boodschappen en bedoelingen. Heel veel. Voortdurend eigenlijk. Wij hadden een stilzwijgend intiem verbond gesloten, en dat was puur genieten.

“Ik geloof dat wij natuurlijk nooit zo ver hadden durven gaan als wij niets gedronken hadden. Ik alleszins niet. Maar dat was dus nu wel het geval. Ik had de glazen champagne niet geteld, en zeker niet die speciale Taittinger van Theo R. die hij mij in het begin per se had laten proeven. Maar goed, op een bepaald ogenblik stonden wij ergens in een klein verlaten kamertje, helemaal alleen. Het was zo’n ­beetje barok ingericht, en wij gingen spontaan op de oude sofa zitten om een momentje te rusten. Een momentje? Dat dachten wij. Wij hebben er juist heel lang gezeten. Als in de grote scène van dat ballet van Romeo en Julia. Alleen zou ik niet durven zeggen wie Romeo was, en wie Julia.”

Quentin moest zijn verhaal afbreken, juist op dit boeiende hoogtepunt, omdat er aan de deur gebeld werd. Ik hoopte dat het maar een kort bezoek zou zijn, maar het was Guy. Het was duidelijk dat ik lang zou moeten wachten op de afloop van Quentins verhaal, en op de details – indien ik het ooit te horen zou krijgen. Maar ik zat er weinig mee in, want Guy zou zonder twijfel ook nieuws en hot stuff brengen, en misschien nog interessanter.

De vooraanstaande prefect kwam zeer levenslustig binnen, bijna als een kwajongen die na een vervelende les zijn schoolliefje kwam opzoeken, en hij gaf mij een vurige kus op de mond. Zijn sprankelende levenslust verstomde echter op slag toen hij Quentin wat weggezakt in de sofa zag zitten. In een oogwenk nam hij een waardige houding aan, en zijn luidruchtige binnenkomst kreeg min of meer de vorm van een zakelijk onderhoud. Niet dat hij Quentin niet mocht – eigenlijk liet het hem koud – maar hij was gewoon verrast en ontgoocheld dat hij die jonge vlerk nu bij mij moest aantreffen. Dat merkte ik wel aan zijn onbehouwen gedragingen en aan de plotselinge koelte van zijn toon. Ik vermoedde dat hij zich voorgenomen had om een intiem en zeer persoonlijk gesprek met mij te voeren over onze verhouding, over onze toekomst, en wellicht ook over zijn vrouw – zoals hij ‘s morgens na het galabal al begonnen was. Maar Quentins aanwezigheid scheen hem dus te hinderen in zijn normale spontaneïteit – wat begrijpelijk was – en dus kroop hij met een ruk terug in zijn schulp. En wat meer is, als vrouw met een hoogontwikkelde intuïtie meende ik duidelijk zijn gedachten te kunnen lezen toen hij Quentin afwezig in de sofa zag zitten. Is dat diezelfde Quentin, dacht hij ongetwijfeld, die ik de voorbije nacht betrapt heb met die hoerige, verwijfde jongen, die Alban, en nu zit hij hier alsof er niets gebeurd is?

Hij gaf Quentin evenwel een hand en vroeg hem hoe hij zich voelde. Quentin keek even verbaasd op – alsof hij wakker werd geschud uit zijn visioen – en lachte dan opgewekt naar Guy met het laconieke antwoord dat hij hoopte dat Guy zich precies zo voelde als hij, aangezien hijzelf het opperbest had en zich in de zevende hemel waande. Ik kende Quentin goed genoeg om te weten dat een laconiek antwoord of een bon mot zijn manier was om zelfverzekerd over te komen. Maar ik was er zeker van dat hij op dat moment iedereen in vertrouwen wilde nemen, ook Guy, als hem maar de kans gelaten werd om in geuren en kleuren over zijn vriendje Alban en zijn liefdesgeluk te vertellen.

Zijn woorden ontwapenden in elk geval alle terughoudendheid en reserve die Guy aangenomen had. Hij lachte nu breed en ironisch naar de jongeman in de sofa, en ging gezellig op een stoel zitten om te tonen dat hij thuis was. Hij stak een sigaret op en blies de rook in mijn gezicht, een voorrecht dat alleen voor hem was. Ik huiverde even, en om voorgoed aan te geven dat hij zich niets hoefde aan te trekken van Quentins aanwezigheid, stelde ik de vraag dan maar, op de man af: of hij al met zijn vrouw gesproken had. Hij knikte nadrukkelijk.

“Ja, ik kom er juist vandaan. Van thuis. Ik heb haar een geweldige uitbrander gegeven. Ik was verdorie niet mals, ik was nog erg opgewonden. Zij zweeg, en hoe meer zij zweeg, hoe kwader en opgewondener ik werd. Ik heb het haar flink onder de neus gewreven dat het zo kinderachtig en belachelijk was, zelfs stom, om de wagen bij de Montgomery weg te halen en mij zodoende een voettocht aan te doen. Dat is iets voor kinderen of voor pubers, voor idioten – maar toch niet voor ontwikkelde, volwassen mensen? Ik heb gezegd dat het nu eens uit moest zijn met haar streken, haar achterdocht en haar jaloersheid. Zij is gewoon geen mens om mee samen te leven. Prudence, hoe ik het ooit in mijn hoofd gekregen heb om met haar te trouwen – maar ja, ik had medelijden met de arme sukkel, de zielige wees die in haar jeugd zo weinig gefortuneerd was geweest … Zij eist je volledig voor zich op, helemaal.

Бесплатный фрагмент закончился.

1 433,67 ₽
Возрастное ограничение:
0+
Объем:
520 стр. 1 иллюстрация
ISBN:
9783991078494
Издатель:
Правообладатель:
Bookwire
Формат скачивания:

Похожие книги