Читать книгу: «Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen»
O. J. Reinders, A. Nuiver
Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen

Gepubliceerd door Good Press, 2022
EAN 4064066313302
Inhoudsopgave
Hoofdonderwijzers te Groningen en te Nieuwe Schans.
VOORBERICHT .
INLEIDING .
1. EEN MERKWAARDIG VOLK.
2. EEN BEZOEK TE BABYLON.
3. EEN GROOT MAN EN EEN ONHANDELBAAR VOLK.
4. EEN HANDELSVOLK.
5. CROESUS EN CYRUS.
6. BELEGERING EN VEROVERING VAN TROJE.
7. EEN FEEST TE OLYMPIA.
8. TWEE WETGEVERS (LYCURGUS EN SOLON) .
9. MILTIADES.
10. EEN ONGELIJKE STRIJD (LEONIDAS) .
11. EEN WELGESLAAGDE LIST (THEMISTOCLES) .
12. ATHENE'S GROOTSTE BLOEI (PERICLES) .
13. SOCRATES.
14. ALCIBIADES (PELOPONNESISCHE OORLOG) .
15. EEN GEVAARLIJK HELPER (PHILIPPUS) .
16. ALEXANDER DE GROOTE.
17. DE STICHTING VAN ROME.
18. EEN VRIEND VAN ZIJN VADERLAND (BRUTUS) .
19. TWISTEN TUSSCHEN PATRICIËRS EN PLEBEJERS.
20. HET HELDENTIJDVAK DER ROMEINSCHE REPUBLIEK.
21. EEN MAN VAN ZIJN WOORD (REGULUS) .
22. HET ROMEINSCHE RIJK IN GEVAAR. (HANNIBAL) .
23. TWEE VRIENDEN DES VOLKS (DE GRACCHEN) .
24. DE EERSTE BURGEROORLOG (MARIUS EN SULLA) .
25. DE TWEEDE BURGEROORLOG (CAESAR) .
26. AUGUSTUS.
27. EEN DAPPER GERMAAN (HERMAN) .
28. DRIE ROMEINSCHE KEIZERS.
29. EENE VERDRUKTE SECTE TOT EER VERHEVEN.
30. EEN WOEST VOLK OP HET WERELDTOONEEL.
31. MOHAMMED.
32. SPANJE IN DE MIDDELEEUWEN.
33. KAREL DE GROOTE.
34. TWEE ENGELSCHE KONINGEN.
35. HENDRIK I EN OTTO I.
36. KIJKJE IN DE MIDDELEEUWSCHE MAATSCHAPPIJ.
37. EEN KEIZER EN EEN PAUS.
38. EEN KLUIZENAAR EN EEN RIDDER.
39. FREDERIK BARBAROSSA, KEIZER VAN DUITSCHLAND.
40. IETS OVER DE CHRISTELIJKE KERK IN DE MIDDELEEUWEN.
41. DE MAAGD VAN ORLEANS.
42. VEROVERING VAN CONSTANTINOPEL.
43. UITVINDINGEN.
Hoofdonderwijzers te Groningen en te Nieuwe Schans.
Inhoudsopgave
TWEEDE DRUK. DE GRONINGEN, BIJ J. B. WOLTERS, 1875. Gedrukt bij M. de Waal te Groningen.
VOORBERICHT.
Inhoudsopgave
Slechts met enkele woorden willen we dit boekje bij het publiek inleiden. Met deze "Oudheid en Middeleeuwen" is de reeks van schoolboeken over de geschiedenis gesloten, die we in het voorbericht der "Nieuwe Geschiedenis" beloofden. We verwijzen voorts ieder naar dat voorbericht, die iets van onze denkbeelden over het onderwijs in de geschiedenis op de lagereschool wenscht te weten.
Ten einde dit hoekje meer te doen beantwoorden aan den aard onzer lagereschool, hebben we de opstellen over 't geheel wat kleiner van omvang gemaakt, dan het geval is in de "Nieuwe Geschiedenis." We hopen dat dit boekje een even gunstig onthaal vinde als de vorige.
18 April '73.
Bij den tweeden druk hebben we enkel te melden, dat we dit werkje zooveel mogelijk van misstellingen hebben gezuiverd.
8 Nov. '74.
INLEIDING.
Inhoudsopgave
Door Algemeene Geschiedenis verstaat men een aaneengeschakeld verhaal van de belangrijkste gebeurtenissen, die er op aarde sedert de vroegste tijden hebben plaats gehad.
Eene gebeurtenis noemt men belangrijk, wanneer zij een grooten invloed uitoefent op de ontwikkeling en beschaving der menschen.
Wijl het veld der Algemeene Geschiedenis verbazend uitgebreid is, heeft men het in drie (soms ook vier) hoofddeelen en deze ieder afzonderlijk weder in tijdvakken verdeeld. Die hoofddeelen zijn:
1. de Oude Geschiedenis. Zij begint met de geschiedenis van de vroegste tijden en loopt tot den ondergang van het West-Romeinsche rijk (476 n. C.). In deze geschiedenis is sprake van de zoogenoemde Oostersche volken, (Perzen, Phoeniciërs, Israëlieten, Aegyptenaren enz.) van de Grieken en de Romeinen.
2. de Middeleeuwen. Deze loopen van den ondergang van 't W. Romeinsche rijk tot de ontdekking van Amerika of tot de Hervorming. (476 tot 1492 of 1517). De Germaansche volken spelen in de Middeleeuwen de hoofdrol, evenals in
3. de Nieuwe Geschiedenis. Zij bevat het verhaal van de gebeurtenissen, die sedert de ontdekking van Amerika tot op onzen tijd hebben plaats gehad. (1492 tot heden).
De Oude Geschiedenis wordt door sommigen weer verdeeld in de volgende 4 tijdvakken:
a. van de vroegste tijden tot Cyrus of tot ± 550 v. C.
b. van Cyrus tot Alexander den Grooten (550 v. C. tot ± 330 v. C.).
c. van Alexander tot Augustus (330 v. C. tot ± 30 v. C.).
d. van Augustus tot den ondergang van 't Romeinsche rijk in 't Westen (30 v. C. tot 476 n. C.).
De Middeleeuwen verdeelt men ook in 4 tijdvakken:
a. van den ondergang van 't West-Romeinsche rijk tot het verdrag van Verdun (476 n. C. tot 843).
b. van 't verdrag van Verdun tot het begin der kruistochten (843 tot 1096).
c. van 't begin tot 't einde der kruistochten (1096 tot 1291).
d. van 't einde der kruistochten tot de ontdekking van Amerika (1291 tot 1492).
De Nieuwe Geschiedenis wordt in de 3 volgende tijdvakken verdeeld:
a. van de ontdekking van Amerika tot den Westphaalschen vrede (1492 tot 1648).
b. van den Westphaalschen vrede tot de Fransche revolutie (1648 tot 1789).
c. van de Fransche revolutie tot heden (1789 tot 1875).
Tot recht verstand van de gebeurtenissen dient men niet alleen te weten, dat en hoe ze hebben plaats gehad, maar ook wanneer en waar ze zijn voorgevallen. Vandaar heeft de geschiedenis twee hulpwetenschappen in de aardrijkskunde (geografie) en de tijdrekenkunde (chronologie).
De beschaafde volken van onzen tijd tellen hunne jaren vóór en na Christus, den stichter der Christelijke Kerk.
De oudste geschiedenis der volken is zeer onzeker en fabelachtig; men kende toen de schrijfkunst nog niet, en in plaats van zekere berichten had men slechts de overlevering of het verhaal van mond tot mond. Vandaar komt het ook, dat wij van de eerste menschen weinig of geene berichten bezitten.
1. EEN MERKWAARDIG VOLK.
Inhoudsopgave
Gaat eens voor een oogenblik heel, heel ver met mij in den tijd terug. Zoo'n 4000 à 5000 jaren ongeveer; 't komt niet op een honderd jaar aan. Laat uwe verbeelding nu nog eene koene vlucht nemen over de Middellandsche zee naar den Noordoostelijken hoek van Afrika, en we zijn waar we wezen willen n.l. in Aegypte. Een wonderlijk schouwspel vertoont zich aan ons oog. We zien geen land maar eene groote zee, waarboven zich talrijke steden, dorpen en alleenstaande gebouwen verheffen. We zijn al dadelijk geneigd, 't land en voornamelijk de inwoners te beklagen, die zooveel van 't water hebben te lijden. Ons medelijden is echter misplaatst. Wat wij een ramp achten, wordt hier als een zegen beschouwd en met verlangen tegemoet gezien. Dit wordt ons duidelijk, wanneer we slechts geduld hebben. Zie, 't water zakt, wel langzaam maar toch merkbaar. Steeds meer land wordt er zichtbaar en eindelijk ontwaren wij een uitgestrekt dal, waardoor eene breede en majestueuse rivier hare wateren stuwt, met tal van steden en dorpen aan hare oevers.
Eene dikke laag slib heeft de rivier overal, waar zij buiten hare oevers is getreden, achtergelaten. Daarin wordt nu het zaaizaad geworpen, en in ongelooflijk korten tijd zien we het ontkiemen, tot rijpheid komen en een oogst leveren, waarvan we in onze streken geen denkbeeld hebben.
't Behoeft ons dus niet te verwonderen, dat de Aegyptenaren den zegenbrengenden Nijl (zoo heet de rivier), als het beeld der vruchtbaarheid, goddelijke eer bewijzen!
Nu zijn we ook in staat volk en land beter te kunnen waarnemen, en we merken dadelijk, dat beiden al even merkwaardig zijn. 't Volk moet het in kunsten en wetenschappen al vrij ver gebracht hebben. Dat getuigen de dijken en kanalen, aangelegd en gegraven om van de vruchtbaarmakende overstrooming, die jaarlijks van 't einde van Juli tot het laatst van October duurt, zooveel mogelijk partij te trekken.
Dat zeggen ons de prachtige en groote steden als Memphis en Thebe, dat ook de menigte groote gebouwen en beeldhouwwerken, dat de uitmuntende wijze, waarop het land bebouwd wordt. Onder de bouwwerken vallen ons dadelijk steenbrokken in 't oog, die den vorm hebben van eene kolossale vierzijdige pyramide. Maar wat een gevaarte! De dom van Straatsburg met toren en al, benevens nog eenige kleine kerken, zouden er met gemak in geborgen kunnen worden.
Aan die groote dáár hebben dan ook 100,000 menschen niet minder dan 40 jaren lang gearbeid. Waartoe ze dienen die geweldige steenmassa's? Ja, ge zoudt het misschien niet willen gelooven en toch is het zoo—tot begraafplaatsen voor de koningen. 't Is trouwens alles kolossaal, wat we hier zien. Kolossaal zijn de tempels, die zalen hebben, waarin eene vrij groote kerk met gemak zoude geplaatst kunnen worden. Kolossaal zijn de paleizen, waaronder één (het Labyrinth) niet minder dan 3000 zalen heeft. Kolossaal zijn de obelisken, hooge, slanke, vierzijdige zuilen van boven spits toeloopende, meest uit een stuk graniet gehouwen. Kolossaal zijn de sphinxen, steenen beelden, het lichaam van een' leeuw met het hoofd eener vrouw voorstellende.
Op al die bouwwerken bemerken wij eene menigte zonderlinge figuren. Dat is het schrift der Aegyptenaren; het bestaat niet uit letters maar uit teekens. 't Is ons onmogelijk dit hiëroglypenschrift (zoo heet het) te ontcijferen. Knappe menschen is het echter na zeer veel inspanning gelukt, en nu zij ons daardoor veel merkwaardigs over de zeden en gewoonten, over den godsdienst en de geschiedenis der Aegyptenaars kunnen mededeelen, willen wij onze denkbeeldige reis staken en liever van hen vernemen, wat zij al door dat schrift en door de verhalen der Grieksche schrijvers zijn gewaar geworden.
De oude Aegyptenaren waren een ernstig, godsdienstig volk, slaafs onderdanig aan hun' koning of Pharao (zoon der zon), dien zij bijna als een god vereerden. 't Volk was in kasten verdeeld, waaronder de priesterkaste de voornaamste was. Deze laatste bevatte niet alleen die lieden, welke den godsdienst regelden, maar ook de geneesheeren, de sterrenwichelaars, de bouwmeesters, kortom, alles wat maar geleerd mocht heeten. Naast deze was de aanzienlijkste kaste die der krijgslieden. Uit deze werd de koning gekozen, maar bij de aanvaarding zijner regeering moest hij ook in de priesterkaste worden opgenomen. Overigens had men nog de kaste der landbouwers, die der kooplieden, der schippers en der herders; de laagste en meest verachte was die der zwijnenhoeders. Dit kastenstelsel belemmerde alle vrije ontwikkeling, daar de zoon in de kaste zijns vaders moest blijven.
De godsdienst speelde bij de oude Aegyptenaren eene groote rol. Daaraan was al hun denken en werken gewijd. De Aegyptenaren hadden een' natuurgodsdienst. Zij vereerden de weldoende krachten der natuur, het vuur, het licht, het water, de zon, den hemel enz. Deze alle stelden zij in den vorm van personen of dieren voor, welke in verschillende streken des lands ook verschillende namen droegen. Vele dieren werden door de Aegyptenaren als heilig beschouwd. Daartoe behoorde in de eerste plaats de stier Apis, die geheel zwart moest zijn, behalve eene witte plek van bepaalden vorm op den rug. Zulk een beest genoot eene buitengewone vereering: algemeene rouw gedurende 70 dagen, wanneer hij stierf; algemeene vreugdefeesten, wanneer men zoo gelukkig was weder zulk een zeldzaam exemplaar machtig te worden. Ook de ibis, de hond, de kat, ja zelfs de hoogst gevaarlijke krokodil werden voor heilig gehouden en als godheden vereerd. Wee dengene, die het waagde, een dezer dieren te dooden of te beleedigen. Bijzonder veel zorg wijdden de Aegyptenaars aan hunne dooden. Zij begroeven ze niet, zooals wij onze lijken doen, maar balsemden ze, en dat zóó kunstig, dat ze honderden, ja duizenden jaren bewaard konden blijven, voor ze tot verrotting overgingen. Zoo heeft men in verschillende museums van oudheden nog goed bewaarde mummiën der Aegyptenaren. Waren de lijken gebalsemd, dan werden ze in steenen kisten gelegd en in de onderaardsche gangen der doodenstad bijgezet. Eens (zoo meenden de Aegyptenaren) zou de ziel, na in verschillende dieren gehuisd te hebben, zijn voormalig stoffelijk hulsel weder betrekken. Vandaar die buitengewone zorg. De koningen kregen als heel bijzondere wezens, ook bijzondere begraafplaatsen. Eene dikwijls 600 tot 700 voet hooge pyramide diende hun tot grafzerk. Toch was het niet iedereen gegund, eene plechtige begrafenis te erlangen. Wanneer iemand stierf, kwamen de doodenrechters te zamen en hielden gericht over den doode. Was er nu meer goeds dan kwaads van den gestorvene te zeggen, dan werd hem eene eervolle begrafenis toegekend, zoo niet, dan werd die geweigerd. En hiervan was niemand uitgesloten—zelfs de koning niet.
Langen tijd was dit merkwaardig land bijna ontoegankelijk voor vreemdelingen, totdat een zeker koning, Psammetichus, zijn rijk voor de Grieken openzette.
We willen ons niet verdiepen in de dikwijls vrij wat fabelachtige en onzekere geschiedenis van Aegypte. Alleen stippen we aan, dat het rijk, na een zeer langdurig bestaan, waarin het dan eens tot groote macht kwam, dan weer de prooi van roofzuchtige horden werd, eerst een deel werd van het Perzische rijk, daarna veroverd werd door Alexander den Grooten en eindelijk in de macht kwam van de Romeinen.
2. EEN BEZOEK TE BABYLON.
Inhoudsopgave
In oude tijden lag aan de oevers van den Euphraat eene zeer merkwaardige, groote stad, Babylon genaamd. Deze stad is reeds lang van de aarde verdwenen, maar toch is er ons door oude schrijvers en geleerde mannen, die de opschriften van de bouwvallen met veel moeite hebben ontcijferd, zooveel verhaald, dat wij ons wel eenigszins kunnen voorstellen, hoe zij er vroeger moet uitgezien hebben, en hoe de bewoners leefden en werkten. Daarom willen we maar weer de stoute schoenen aantrekken, met onze gedachten een paar duizend jaar teruggaan en ons in Babylon verplaatsen.
We treffen in de omstreken dezer stad eenen vruchtbaren bodem aan; de rivier de Euphraat is hier even als de Nijl in Aegypte, de groote zegenaanbrenger. We staan dan ook verbaasd over de weelderige gewassen, de heerlijke granen, de prachtige palmbosschen. En dat de bewoners die vruchtbaarheid tot hun voordeel weten aan te wenden, bewijzen de met zorg bewerkte akkers, de zware dijken, de afwateringskanalen en sluizen.
Blijkt uit dit alles, dat de inwoners met vlijt den landbouw beoefenen; wij merken tevens, dat de handel hier tot een hoogen trap van bloei gestegen is.
Eene menigte groote en kleine rijkgeladene schepen zien we toch koers zetten naar de wereldstad, terwijl weder andere de voortbrengselen van de Babylonische nijverheid naar andere oorden vervoeren. Karavanen, die de schatten van 't verre Indië met zich voeren, trekken voortdurend de wereldstad binnen. Maar 't wordt tijd, dat we de stad zelve eens nader bekijken. Al dadelijk valt ons haar ontzaggelijke omvang in het oog, een omvang, welke die onzer grootste steden verre overtreft.
De stad vormt een regelmatig vierkant, waarvan iedere zijde bijna 4 uren lang is.
Midden er door heen stroomt de Euphraat, waarover eene prachtige brug gebouwd is. Om de stad bevindt zich een muur van 140 meters hoogte en van zulk eene verbazende breedte, dat daarop twee vierspannen nevens elkander kunnen rijden. Tweehonderd en vijftig torens moeten dienen om dien muur te verdedigen, terwijl honderd poorten met metalen deuren van vijftig el hoogte toegang tot de stad verleenen.
't Is echter eene geheel andere stad, dan onze hedendaagsche steden. Voor en na worden de vrij regelmatige straten afgewisseld met weilanden, waar kudden grazen, met bouwlanden, waar koren groeit, zoodat men zich nu eens in de stad, dan weder op het veld verbeeldt te zijn.
Babylon wordt de stad der paleizen genoemd en te recht. De huizen zijn meest drie of vier verdiepingen hoog en ontzaggelijk ruim en uitgestrekt. Ze zijn meest opgetrokken van tichelsteenen, terwijl het verbindende cement uit asphalt bestaat. Bovendien zijn de muren met eene gipslaag bedekt, waarop eene menigte beelden en spijkerschrift zijn aangebracht.
Twee gebouwen vallen ons echter bijzonder in het oog: de reusachtige koninklijke burcht en de tempel van Bel met zijnen kolossalen toren.
Twee geweldige muren (de buitenste is meer dan twee uren in omtrek) omringen de trotsche burcht, waaraan niets gespaard is, wat rijkdom en kunst kunnen aanbrengen.
Tusschen de muren en het eigenlijke paleis heeft men prachtige tuinen aangelegd, die terrasvormig oploopen en daarom hangende tuinen genoemd worden.
Nog meer indruk maakt echter op ons de tempel van Bel (de god des lichts). Hij bestaat voornamelijk uit eenen zeszijdigen toren van 8 verdiepingen. Zijne hoogte bedraagt 200 el, terwijl ieder der zes zijden ook 200 el lang is. Dat is nog een andere toren, dan die te Straatsburg of te Utrecht, niet waar?
Maar niet alleen de hoogte des torens en zijne reusachtige afmetingen, ook de overvloed van gouden sieraden en beeldhouwwerken verwekt onze bewondering.
In wijde kringen slingert zich eene verbazende trap gelijk eene monsterslang naar de spits van den toren.
Hier en daar vindt men rustbanken, waardoor men in staat is, de reuzenstad in al hare uitgestrektheid te overzien.
Op de bovenste verdieping bevindt zich een groot bed, benevens eene gouden tafel. Op dat bed, zou volgens de priesters, eenmaal de god Bel komen slapen.
Er is hier dus wel wat bijzonders en moois te zien.
Gaan we echter eens het volk na in zijn doen en handelen, dan worden we niet zoo aangenaam aangedaan.
Slaafsche onderworpenheid van het volk ten opzichte van zijn' vorst, die als een god wordt vereerd. Groote zedeloosheid in alle standen; een godsdienst, die bestaat in de walgelijkste en wreedste plechtigheden; bijgeloovigheid in de hoogste mate. Ziedaar wat wij overal aantreffen.
Niet waar, we achten ons gelukkig in ons lieve vaderland en wenschen in geen Babylon te wonen, al is het er nog zoo mooi.
3. EEN GROOT MAN EN EEN ONHANDELBAAR VOLK.
Inhoudsopgave
In een klein land, aan de Middellandsche zee gelegen, door de rivier de Jordaan doorstroomd, woonde een volk, dat zich noch door kunstzin onderscheidde, zooals de Babyloniërs, noch groote werken uitvoerde, zooals de Aegyptenaren, noch door veroveringen zich een naam maakte in de wereld. Toch was dat volk merkwaardig, omdat het een zuiverder godsbegrip had dan de andere Oostersche volken. Hadden dezen dikwijls eene groote menigte afgoden, aan wie zij allerlei menschelijke deugden en ondeugden toeschreven: bij de Israëlieten (want dit volk hebben wij op 't oog) bleef het denkbeeld van een eenig, heilig God (Jehova) althans bij het beste deel der natie bewaard.
Van geen volk zijn ons meer berichten geworden dan van dit; het O. T. kan men voor een groot gedeelte eene geschiedenis van het Israëlitische volk noemen. De Israëlieten noemen als hun' stamvader Abraham, een herdersvorst uit het land der Chaldaeën, die van daar vertrok en zich in het tegenwoordige Palestina nederzette. Zijn kleinzoon Jakob (Israël) trok met zijne talrijke familie, door een' hongersnood gedrongen, naar Aegypte, waar zijn zoon Jozef door hoogst merkwaardige en zonderlinge lotgevallen tot onderkoning was verheven.
De gastvrijheid, die Jakob's familie eerst mocht ondervinden, veranderde weldra in eene drukkende slavernij, waaruit zij eindelijk verlost werd door een' man, die in aanleg en ontwikkeling verre boven zijn volk stond, en door zijne wetten den allergrootsten invloed, ook in het vervolg, op de Israëlieten heeft uitgeoefend.
Volgens den Bijbel werd Mozes, in zijne jeugd op wonderbare wijze gered, aan het hof van den Aegyptischen koning opgevoed en in alle wijsheid der Aegyptenaren onderwezen. In weerwil van zijne opvoeding en leefwijze onder de verdrukkers zijner stamgenooten, bleef hij toch met eene vurige liefde voor dezen bezield. Het mocht hem eindelijk gelukken, zijn volk te voeren uit het land der dienstbaarheid, hoewel niet dan na den hardnekkigen tegenstand van den Aegyptischen koning.
Het lievelingsdenkbeeld der Israëlieten, n.l. de in bezitneming van het Beloofde Land, het land, weleer door de aartsvaders bewoond, bleek echter niet zoo gemakkelijk verwezenlijkt te kunnen worden.
De Israëlieten waren door de voortdurende verdrukking een slaafsch, wispelturig en onhandelbaar volk geworden. Bij den minsten tegenspoed morde het, werd oproerig en verlangde naar de vleeschpotten der Aegyptenaren. Ook in den dienst van den eenigen waarachtigen God bleken zij niet standvastig te zijn; zij hadden maar al te veel geneigdheid om de afgoden te dienen, die zij in Aegypte hadden leeren kennen. Alleen een man als Mozes was in staat zulk een volk in toom te houden en te leiden naar zijn' wil. Toch zag Mozes zeer wel in, dat een volk, zoo weinig aan krijgstucht en volharding gewoon en met zulk eenen slaafschen geest bezield, niet in staat was een land te veroveren, dat door krijgshaftige stammen werd bewoond.
Een nieuw geslacht, aan vermoeienissen en ontberingen gewoon, aan krijgstucht gewend en bezield met een vrijeren geest, moest in de woestijn opgroeien, eer Palaestina aan de krijgshaftige Kanaänieten kon worden ontrukt. Eerst na eene veertigjarige omzwerving kon Jozua, Mozes opvolger, het groote plan volvoeren. De edele Mozes zelf mocht het doel van zijn werken niet beleven. In 't gezicht van het Beloofde Land stierf hij. Vooraf echter had hij iets gedaan, waardoor hij ook in 't vervolg den allergrootsten invloed op zijn volk kon uitoefenen.
Hij vervaardigde n.l. eene menigte wijze wetten, waarbij de staatsregeling en de godsdienst geregeld werden. Bovendien bevatten zij vele nuttige voorschriften, betreffende de gezondheid, de bebouwing van den grond, de verdeeling van het veroverde land enz.
De wet van Mozes gaf aan den priesterstand, of liever aan de priesterkaste, het bestuur des lands in handen.
Aan 't hoofd van den staat stond de hoogepriester, een telg uit het geslacht van Mozes broeder Aäron; de priesters, allen uit den stam van Levi, bekleedden verder even als in Aegypte de aanzienlijkste ambten.
De geschiedenis der Israëlieten na hunnen intocht en de verovering van het Beloofde Land (Kanaän) is eene aanschakeling van oorlogen met hunne krijgshaftige naburen (Philistijnen, Moabieten, Ammonieten), waarbij zij dikwijls in dappere mannen, Richteren genaamd, moedige en ondernemende aanvoerders hadden, die hen ook in vredestijd wel een tijd lang regeerden (Gideon, Jeptha, Simson, Samuel).
Uit ijdelheid verwisselde het wispelturige volk dezen vrijzinnigen regeeringsvorm niet het koningschap.
Onder zijne koningen David en Salomo beleefde het een korten, glansrijken tijd. Onder Rehabeam, Salomo's zoon, werd Israël verdeeld in twee rijken: dat van Juda met Jeruzalem en dat van Israël met Sichem (later Samaria) tot hoofdstad (986). Beide beoorloogden elkander dikwijls en hadden bovendien veel van de aanvallen der uit Midden-Azië komende veroveraars te lijden.
Het eerst bezweek het rijk Israël, welks bewoners door zedeloosheid zeer waren verzwakt. De laatste koning, Hosea, werd in 721 v. C. door Salmanasser, koning van Assyrië, overwonnen. Het rijk Juda bleef langer bestaan, maar verloor toch ook in 586 v. C. zijne onafhankelijkheid; de laatste koning Zedekia werd door Nebucadnezar overwonnen.
Wel verrees later door de gunst van den Perzischen koning Cyrus een nieuw Joodsch rijk, maar om weldra het lot te deelen van het Perzische rijk, n.l. een deel te worden van het Grieksche rijk, door Alexander den Grooten gesticht. Nog een enkele maal wisten de Joden onder de dappere Maccabaeën hunne vrijheid te bevechten (167). 't Was slechts een korte flikkering van macht. De alles overwinnende Romeinen maakten eenige jaren voor Christus ook van Palaestina een wingewest, en toen de natie zich tegen het Romeinsche juk poogde te verzetten, veroverden de Romeinen de hoofdstad Jeruzalem en de Joden hielden op als natie te bestaan (Titus, 70 j. n. C.)
4. EEN HANDELSVOLK.
Inhoudsopgave
Wanneer onze zeelieden tegenwoordig vreemde landen gaan bezoeken, zijn zij voorzien van goede kaarten, kompassen en zeevaartkundige werktuigen, en waar zij komen, vinden zij een gul onthaal. In ouden tijd was dit echter geheel anders.
Kaarten, kompassen en dergelijke zaken waren onbekend; de landen, die men bezocht, waren door ruwe, vijandelijk gezinde menschen bewoond.
Wij moeten dus wel bewondering gevoelen voor een volk, dat alleen met de zon des daags en de poolster des nachts tot gids, niet alleen alle landen aan de Middellandsche zee durfde bezoeken, maar zich door de zuilen van Hercules (Straat van Gibraltar) een' weg baande naar de tineilanden (Scilly-eilanden) bij Engeland, ja, dat zelfs volgens de overlevering, niet schroomde, de Baltische zee te bezoeken en geheel Afrika om te zeilen.
Dat onversaagde volk was het Phoenicische. Het woonde in een smal, vochtig en ongezond, maar vruchtbaar kustland, tusschen den Libanon en de Middellandsche zee gelegen, dat door de Grieken Phoenicië (Palmenland) genoemd werd. De ligging van hun land aan eene zee, die toen het meest bevaren werd en aan den Libanon, wiens cederbosschen heerlijke en overvloedige bouwstoffen voor de schepen leverden, bracht de Phoeniciërs er als van zelve toe hun geluk op zee te beproeven.
Wat zij er zochten n.l. schatten, hebben zij verkregen; want oude schrijvers roemen als om strijd de pracht en weelde, die in de Phoenicische steden Tyrus en Sidon heerschten. 't Was trouwens ook geen wonder. De Phoeniciërs hadden toen den alleenhandel, dien zij door het verspreiden van allerlei schrikverwekkende fabelen als van nevelzeeën, zeemonsters, vliegende slangen, reuzenvogels en dergelijke wisten te behouden. Zij dreven als echte kooplieden handel in alles: koren, zilver, barnsteen, tin en niet het minst in slaven, die zij soms op zeer vreemde manier wisten machtig te worden; want de Phoeniciërs oefenden bij het zeer eerbaar beroep van handelaar, het alles behalve eervolle van zeeroover uit.
Havenplaatsen zijn voor een handeldrijvend volk eene behoefte. Daarom legden zij op verschillende plaatsen aan de Middellandsche zee koloniën aan. Zoo ontstonden op Cyprus, op Sicilië, op Sardinië, in Spanje (Gades=Cadix) en op de kust van Afrika (Carthago) Phoenicische volkplantingen, die weldra tot hoogen bloei kwamen.
De rustelooze handelsgeest der Phoeniciërs zocht intusschen ook elders handelswegen te openen en een levendige karavanenhandel met Aegypte, Babylon en Indië was alras een gevolg van hun streven.
Zulk een ondernemend en naar winstbejag strevend volk moest ook wel op het gebied der nijverheid vorderingen maken. Vele uitvindingen worden dan ook aan hen toegeschreven, misschien echter niet alle met recht. Zoo zegt men, dat de Phoeniciërs het glas hebben uitgevonden. Eenige zeelieden wilden n.l. op de zandige Syrische kust een vuur ontsteken, en namen, daar niets anders dadelijk voor de hand lag, een paar stukken salpeter, om hun' ketel er op te zetten. Door de hitte smolt de salpeter en het zand en verbond zich tot eene doorzichtige stof, het glas. Ook de ontdekking van de purperverf wordt aan hen toegeschreven. Even als bij de meeste uitvindingen was een toeval hiervan de oorzaak.
Een herdershond komt bij zijn' heer met een rooden muil. De herder meent, dat zijn hond bloedt, neemt eene vlok wol en veegt hem den muil af, maar ziet tot zijne groote verwondering, dat de roode kleur niet van bloed, maar van iets anders komt, en dat de wol met eene fraaie, roode stof doortrokken is. Hij merkt naderhand op, dat de hond de zich aan het strand bevindende slakken doorbijt en vandaar den rooden muil verkrijgt, en nu is de grondstof gevonden, waaruit de vindingrijke geest der Phoeniciërs weldra de prachtigste kleurschakeeringen weet te voorschijn te brengen.
Wij kunnen dus niet nalaten, bewondering te koesteren voor zulk een ondernemend en vindingrijk volk.
Zien we het echter in zijn maatschappelijk- en burgerlijk leven, dan bevalt het ons evenmin als de Babyloniërs.
Wij vinden dan een volk, dat geene moeite ontziet, om schatten te verzamelen, maar slechts met het doel om ze naderhand in de schandelijkste ongebondenheid te verkwisten.
We treffen verder bij hen een' godsdienst aan, die in zedeloosheid en wreedheid alle godsdiensten der Oostersche volken verre overtreft.
Menschenoffers waren bij den Baäl- en Molochdienst zeer gebruikelijk.
Van een Phoeniciesch rijk kan eigenlijk geen sprake zijn. 't Schijnt, dat iedere groote stad haar eigen koning en haar eigen bestuur had, maar tevens, dat de eene stad soms voor eene tijdlang de oppermacht over de andere uitoefende.
Tyrus en Sidon waren altijd de meest aanzienlijke steden.
5. CROESUS EN CYRUS.
Inhoudsopgave
In 't jaar 549 v. Chr. biedt Sardes, de hoofdstad van 't Lydische rijk, ons het treurige tooneel aan van strijd en verwoesting. Vóór de muren der stad is een slag geleverd, waarin de Lydiërs het onderspit hebben gedolven, en nu dringen de overwinnende Perzen over de lijken hunner vijanden in de veege stad, alles vernielende, wat hun in den weg komt en roovende, wat van hunne gading schijnt. Tusschen die bewijzen van moord en verwoesting zien wij een' brandstapel opgericht en een' man daarop vastgebonden, wiens voorkomen, ook in dezen rampzaligen toestand, zijne vorstelijke afkomst verraadt. 't Is de ongelukkige Croesus, weleer de rijkste van alle vorsten van Azië, de beheerscher van het machtige Lydië, die nu op bevel van Cyrus, den koning der Perzen, ter eere der goden zal geofferd worden. De houtmijt wordt aangestoken, en reeds stijgen de vlammen omhoog. Daar hoort men den ongelukkige tot driemaal roepen: "O Solon! Solon! Solon!" Cyrus, verwonderd over dezen uitroep, vraagt naar de beteekenis dezer woorden, en, nadat hij den gevangene heeft laten afklimmen, verhaalt Croesus het volgende: "Voor eenige jaren kreeg ik aan mijn hof een bezoek van den wijsten man uit geheel Griekenland, die de geheele wereld doorreisde, om nog meer kennis op te doen. 'k Liet hem al mijne paleizen, al mijne schatten zien. Ze lieten hem onverschillig. 'k Vroeg hem nu, welke man de gelukkigste was, dien hij op zijne vele reizen gezien had. Hij noemde mij een' burger Tellus uit Athene, die, na een gelukkig leven geleid te hebben, hoog bejaard in een zegevierenden slag den heldendood voor 't vaderland gevonden had. Toen ik hem daarop vroeg, wien hij nadien Tellus als den gelukkigste beschouwde, noemde hij twee Grieksche jongelingen, die bij gelegenheid van een groot feest hunne oude moeder in eenen wagen naar den tempel trokken, door 't volk luide werden toegejuicht wegens hunne kinderlijke liefde en vervolgens door vermoeidheid overmand, in slaap vielen, om nooit weer te ontwaken.
Toen ik, misnoegd, dat hij mijn geluk zoo gering schatte, hem vroeg of hij mij dan niet gelukkig achtte, sprak hij deze merkwaardige woorden: "O Croesus, niemand is vóór zijnen dood gelukkig te noemen. Als ik bedenk, dat het leven wel eens zeventig jaren duurt, dan denk ik tevens, hoeveel er in dien tijd veranderen kan. Deze woorden mishaagden mij toen. Hoe ondervind ik nu echter, hoezeer de wijze man recht had." Dit verhaal maakte op den veroveraar eenen diepen indruk. Tot nog toe had de gelukszon hem steeds beschenen. Bij zijne geboorte reeds door zijn' grootvader Astyages, koning van Medië, ter dood gedoemd, had eene medelijdende herdersvrouw zijn leven weten te redden. Ook later was hij meermalen in levensgevaar, maar telkens was het door toevallige omstandigheden afgewend. Toen hij man geworden was, had hij zich aan 't hoofd der Perzen, zijne stamgenooten, gesteld, en aan 't Medische rijk en aan de regeering van den verwijfden Astyages een einde gemaakt. Vervolgens had hij den rijksten staat van Azië vernietigd, en de machtigste monarch van Klein-Azië stond als gevangene voor hem.
Maar zou dat geluk hem altijd blijven toelachen? Hoe licht kon de grillige fortuin ook hem den rug toekeeren en van overwinnaar overwonneling maken! Cyrus schonk dadelijk den gevangen vorst het leven niet alleen, maar liet hem aan zijne tafel eten en hield hem als een wijzen raadsman hoog in eere.
Hij liet het bij deze veroveringen niet blijven. Nadat hij de Aziatische Grieken onderworpen had, trok hij op Babylon aan. Met geweld was echter tegen deze reuzenstad weinig uit te voeren. Daarom trachtte hij haar door list te nemen. Hij leidde het water van den Euphraat door een dieper kanaal om de stad, waardoor de rivier ondieper werd, en de soldaten konden zoodoende in de stad dringen. Juist terwijl koning Belsasar een overdadig feest vierde ter eere van den god Bel werd de wereldstad door de zegevierende Perzen ingenomen. (Daniël). Zijne veroveringszucht bracht hem echter ten val. In de nabijheid van de Kaspische zee woonde een arm, maar krachtig en vrijheidlievend bergvolk, de Massageten. Ook dit volk moest onderworpen worden. Nu verliet hem echter de fortuin. Cyrus werd in eene hinderlaag gelokt, 't leger werd geslagen, hij zelf sneuvelde. Tomiris, de koningin der Massageten, liet zijn hoofd afhouwen en in een vat met bloed dompelen, zeggende: "Drink u nu zat, barbaar." Een ander verhaal evenwel laat Cyrus in hoogen ouderdom eenen natuurlijken dood sterven.
Welke van deze verhalen het echte is, is moeilijk uit te maken.
6. BELEGERING EN VEROVERING VAN TROJE.
Inhoudsopgave
(Van ± 1194 tot 1184 v. C.)
Paris, de zoon van Priamus, koning van Troje (eene stad in Klein-Azië, niet verre van de str. der Dardanellen, toen Hellespont geheeten), had Helena, de vrouw van den Spartaanschen koning Menelaüs, geroofd en was met haar naar zijne geboortestad gevlucht.
De verbitterde Menelaüs riep nu de voornaamste Grieksche vorsten en helden op, tot een' krijgstocht tegen het rijke Troje.
De meeste vorsten van Griekenland gaven aan deze oproeping gehoor en weldra togen 100,000 strijders, op 1200 schepen, naar de vijandelijke stad.
De aanvoerder van den tocht was Agamemnon, de broeder van Menelaüs. Verder worden als hoofdpersonen genoemd de sluwe Ulyssus, de bedaarde en ervaren Nestor, de dappere en sterke Achilles en vele anderen.
Troje was echter eene sterke stad, en, konden de Grieken roemen op eene menigte dappere mannen, de Trojanen mochten bogen op Hector en Aeneas, die voor de dapperste Grieken niet behoefden onder te doen. De belegering had reeds negen jaren geduurd en nog stonden de muren van Troje even vast als altijd.
Veel bloed was reeds vergoten; de edele Hector en de dappere Achilles waren den heldendood gestorven; men begon aan 't welslagen der onderneming te wanhopen, ja, men sprak er zelfs van om scheep te gaan en het vaderland weder op te zoeken.
Toen verzon de sluwe Ulysses de volgende list:
"Weet gij wat, vrienden," riep hij vroolijk uit, "laat ons een groot houten paard timmeren en in zijn binnenste de dapperste Grieken verbergen. De anderen moeten intusschen met de schepen terugtrekken, maar vooraf al hetgeen zij achterlaten, verbranden, opdat de Trojanen, wanneer zij dit van hunne muren zien, in den waan komen, dat wij het beleg opbreken. Een moedig man moet zich in de nabijheid van het paard verbergen en de vijanden wijs maken, dat hij uit het leger der Grieken is gevlucht, omdat hij door hen slecht behandeld is.
Vervolgens moet hij bewerken, dat de Trojanen het paard binnen de muren der stad brengen. Wanneer onze vijanden zich dan zorgeloos aan den slaap overgeven, geeft hij ons een teeken. Wij kruipen uit het paard, laten de anderen, die inmiddels met de schepen zijn teruggekeerd, binnen en verwoesten de stad."
Toen Ulyssus uitgesproken had, prezen allen zijn vindingrijk verstand, maar de zoon van Achilles stond driftig op en zeide: "Dappere mannen zijn gewoon hunne vijanden in 't open veld te bestrijden, daar moeten wij onze meerderheid boven de Trojanen toonen." Ulyssus bewonderde den dapperen jongeling en antwoordde: "Gij ziet wel, wakkere man! daar zelfs uw vader, die een halfgod in moed en sterkte was, deze sterke stad niet konde veroveren, dat dapperheid in de wereld niet alles kan uitrichten."
De voorslag werd nu aangenomen: een ontzaggelijk groot paard werd getimmerd, de dapperste helden begaven zich door eene zijdeur in den buik van het monster en de overigen trokken zich terug. Vol vreugde kwamen weldra de Trojanen aansnellen en zagen met verbazing het gevaarte aan. Zij beraadslaagden nu, of zij het verbranden dan wel in de zee werpen zouden.
Dat degenen, die in den buik van het paard zaten, bij deze beraadslaging niet zeer pleizierig te moede waren, laat zich denken.
Een Trojaansch priester sprak waarschuwende: "Meent gij, dat eene gave der Grieken geen bedrog verbergt? Vertrouwt het ding niet!"
Met die woorden stiet hij er met eene ijzeren lans in, en uit de diepte dreunde het als uit een kelderhol.
Ondertusschen kwam de Griek aanloopen, die zich in de nabijheid van het paard verborgen had. Hij speelde zoo meesterlijk zijne valsche rol, dat allen hem geloofden. Hij sprak aldus: "Tot hiertoe was alle hoop der Grieken op de hulp der godin Pallas gebouwd. Sedert echter uit den tempel, dien zij bij u te Troje heeft, haar beeld is gestolen, is de godin vertoornd geworden, en het geluk heeft de wapenen der Grieken verlaten. Nu zijn zij weggegaan om het beeld wederom op te sporen. Vooraf echter bouwden zij nog dit houten paard, dat zij als zoenoffer voor de beleedigde godin achterlieten. Zij maakten het zoo groot, opdat gij, Trojanen! het niet binnen de poorten uwer stad kondet bergen, dewijl alsdan de bescherming van Pallas u ten deel zou vallen."
Dit nu was juist voor de Trojanen een prikkel om het paard binnen de stad te halen. Zij braken een gedeelte van den muur af om den onheilbrengenden gast een' weg te banen.
Zij maakten raderen onder de voeten van het paard en trokken het jubelend binnen, zonder acht te slaan op de waarschuwingen van Kassandra, de profetes.
Vervolgens gaven zij zich tot in het holle van den nacht aan de uitgelatenste vreugde over bij maaltijd en drinkgelag. De bedrieger was intusschen ook in de stad geslopen en zwaaide vervolgens een brandende fakkel in de lucht, als een teeken voor de in de nabijheid toevende Grieken om weder te naderen. Toen klopte hij zacht aan den hollen buik van het paard en de opgesloten helden kwamen stilletjes te voorschijn. Met uitgetrokken zwaarden drongen zij in de huizen en eene vreeselijke slachting werd onder de slapende Trojanen aangericht.
Brandende fakkels werden in de huizen geslingerd en weldra stond Troje op vele plaatsen in lichten brand.
Te gelijkertijd stormden de andere Grieken de stad binnen en doodden alles, wat hen in handen kwam.
Zij behaalden een onmetelijken buit en sleepten vrouwen en kinderen naar het strand. Menelaüs voerde zijne vrouw Helena weder mede. Priamus en zijne zonen werden gedood; de koningin en hare dochters, waaronder ook de edele Andromaché, de vrouw van Hector, werden als slavinnen onder de overwinnaars verdeeld.
Troje werd met den grond gelijk gemaakt. Ziedaar een kort overzicht van de merkwaardige belegering, zooals die door Homerus in een beroemd dichtstuk: de Ilias, wordt verhaald.
7. EEN FEEST TE OLYMPIA.
Inhoudsopgave
Griekenland bestond weleer uit eene menigte onafhankelijke staatjes, die altijd naijverig op elkander waren en niet zelden bloedige oorlogen voerden.
Toch zijn de Grieken het beschaafdste volk der oudheid en de leermeesters der geheele beschaafde wereld geworden. Hoe ze dit geworden zijn? We zullen het u zeggen. Vooreerst leefden de Grieken in een heerlijk land, dat een gunstigen invloed moest uitoefenen op zijne bewoners. In de tweede plaats hadden ze een voortreffelijken aanleg. Verder waren er banden, die hen, hoe ook soms verdeeld en in gewoonten en zeden van elkaar verschillend, vereenigden en deden gevoelen, dat ze ééne natie waren. Tot die banden behoorden hun dichterlijke godsdienst, de verbonden, die zij sloten ter bescherming van een gemeenschappelijk heiligdom (amphictioniën) en niet het minst de volksfeesten.
De belangrijkste volksfeesten werden gevierd te Olympia, eene stad in het landschap Elis, in het westen van de Peloponnesus (Morea) gelegen. Bijna alle Grieksche staten namen hieraan deel. In plechtigen optocht trok het volk naar den tempel. Voorop gingen de versierde offerdieren, dan volgden de dienstdoende priesters, vervolgens de staatsbeambten, daarop de adel in schitterende kleeding, met groene olijftakken in de hand en eindelijk het volk.
Nadat de plechtige offers aan de goden gebracht waren, begonnen de eigenlijke spelen.
De Grieken meenden den goden geen grooter genoegen te kunnen geven, dan wanneer zij hunne kracht in den wedloop, in het worstelen, in het springen of in het vuistgevecht ten toon spreidden. Lichaamsoefeningen ter voorbereiding voor de wedspelen maakten dan ook een voornaam gedeelte van de opvoeding der jeugd uit. In de gymnasiën werd behalve van het lezen der werken van groote dichters, voornamelijk van Homerus, het meest werk gemaakt van loopen, worstelen, springen, slingeren enz.
De overwinning te behalen bij de Olympische spelen was de hoogste eer, die iemand kon te beurt vallen en toch was de prijs, dien de overwinnaar behaalde, slechts een olijfkrans.
Gedurende het feest werden alle vijandelijkheden gestaakt, opdat ieder in rust en vrede kon feestvieren. Niemand mocht er daarom gewapend verschijnen. Ten bewijze, hoe hoog de Grieken deze bijeenkomsten te Olympia in eere hielden, strekke, dat zelfs de jaartelling er naar geregeld werd. Men zeide b. v. dit of dat is gebeurd in het tweede of derde jaar van de zooveelste Olympiade. Eene Olympiade werd om de vier jaren gehouden, en men rekende dan van het jaar 776 v. C. af, omdat toen het eerst de namen der overwinnaars werden opgeschreven.
Het feest begon gewoonlijk met den wedloop. Zij, die naar den prijs dongen, waren in afdeelingen van vier man gesplitst. Zulk een wedloop was op verre na niet gemakkelijk, want de baan was geen effene, vaste weg, maar een ruimte, waar de voet telkens wegzonk in dik, mul zand.
't Kwam dus wel op kracht en volharding aan. Daarna werd er geworsteld. De worstelaars hadden vooraf hunne huid met olie ingewreven, opdat de hand hunner tegenpartij van het gladde lichaam zou afglijden.
Met voorovergebogen bovenlijf stonden zij tegenover elkander, gereed om elkander aan te grijpen; want het doel van den worstelaar was, zijne tegenpartij omhoog te heffen en hem dan op den grond te werpen.
Een gevaarlijke strijd was het vuistgevecht. De onderarmen waren omwonden met lederen riemen, van metalen knoppen voorzien; daardoor kwamen de slagen veel krachtiger aan.
Dat zulk een strijd dikwijls bloedig werd, ja, dat niet zelden een der kampvechters dood van het strijdperk werd weggedragen, laat zich gemakkelijk begrijpen. Vervolgens werden wedrennen gehouden op wagens met vier paarden bespannen. Dat was natuurlijk slechts een vermaak voor de rijken bestemd, daar de geringere burger niet in staat was, zulk een rijke equipage zich aan te schaffen. Ook deze wedstrijd was hoogst gevaarlijk, want dikwijls botsten de wagens in dolle vaart met geweld tegen elkander; de wagenmenners stortten dan uit het verbrijzelde vaartuig en werden door de hollende rossen langs de renbaan gesleurd. 't Ontbrak gewoonlijk niet aan middelen om de eerzucht bij de kampvechters op te wekken, want duizenden toeschouwers gaven voortdurend luide hunne goed- of afkeuring te kennen. Hoe groot de hitte ook mocht zijn: toch bleef de menigte op de kampplaats verzameld, en niet gemakkelijk zou iemand haar verlaten, voordat de spelen waren geëindigd.
Na den afloop van de kampspelen traden de overwinnaars voor de kamprechters; deze zett'en hun de olijfkrans op het hoofd en onder het gejuich van de menigte, trokken zij naar het altaar van Zeus, om den god dankoffers te brengen.
Met de schitterendste eerbewijzen werd de overwinnaar overal ontvangen; in zijne vaderstad aangekomen, haalde het volk hem feestelijk in, en dichters verwelkomden hem in liederen; bij openbare feesten mocht hij op de eereplaats zitten. In Sparta ontving hij het voorrecht om bij een' veldslag naast den koning te mogen strijden. In het kort, het voorrecht van Olympisch overwinnaar te zijn, werd een goddelijk geluk genoemd en de roem van zijn' naam weerklonk door geheel Griekenland.
De Olympische spelen waren ook in een ander opzicht van veel belang.
De uitstekendste kunstenaars trof men hier aan, om hunne kunstwerken onder het oog en ter beoordeeling van het Grieksche volk te brengen; dichters droegen hier hunne gedichten voor; kooplieden maakten van deze gelegenheid gebruik, om voordeelige zaken te doen.
Olympia was dus alle vier jaren de vereenigingsplaats van al, wat Griekenland als schoon, edel en geleerd kon aanwijzen, en daarom hebben deze spelen veel bijgedragen om de Grieken tot een welontwikkeld en kunstlievend, in één woord, tot een beschaafd volk te maken.
Бесплатный фрагмент закончился.
